Over de onbegrijpelijkheid van het feit en waarom informatie niet bestaat

Informatie bestaat niet

Er zijn twee redenen waarom deze uitspraak iets zegt. De eerste reden is dat het ook niet waar kan zijn en daarmee bedoel ik dat informatie wel bestaat. De tweede reden waarom deze uitspraak iets zegt is dat er mensen zijn die beweerd hebben dat informatie bestaat, het tegendeel van wat ik hier wil verantwoorden.

Ik zeg dit vanwege het volgende.

Het is volgens de informatie-theorie gebruikelijk te zeggen dat de hoeveelheid informatie die een bericht bevat bepaald wordt tegen de achtergrond van het aantal mogelijke alternatieven. Zo berekenen we de gewenste capaciteit van het communicatiekanaal dat aan een zekere snelheid moet voldoen op basis van het aantal mogelijke berichten dat de gebruikers ervan over het kanaal willen versturen.

Shannon was als communicatie-ingenieur evenmin geïnteresseerd in de inhoud van de berichten als de statistici van het RIVM zijn in de uitslag van mijn PCR-test. Ik haal dat erbij omdat ik (en niet alleen ik) als individu die zo’n test-uitslag krijgt met daarbij de disclaimer dat een test nooit helemaal 100% betrouwbaar is en dat ook bij een negatieve uitslag er geen garantie is dat ik niet besmet ben met het corona virus ook niet weet wat ik aan zo’n statistiek heb. De vraag die zich dan immers voor doet is: wat betekent zo’n statistische uitspraak voor mij, als een feitelijk een unicum, met een bepaalde lengte en een bepaald gewicht, en andere bepaalde relevante fysische constantes (BMI, genetische code, etc); constantes die allen met zekerheid afwijken van ‘de gemiddelden’ die de statistici voor “de Nederlanders”, waartoe ik behoor, hebben berekend. Gemiddeldes bestaan niet, net zo min als de Nederlander. Ik wel.

Tot welke klasse ik mij, met hulp van vele medisch relevante gegevens, ook indeel, ik zal daarmee nooit dat unieke gegeven kunnen beschrijven dat ik ben. Zoals de Groningse statisticus Willem Schaafsma mij eens toevertrouwde: Reichenbach’s probleem van de referentieklasse is niet oplosbaar.

Google weet dat hoeveel gegevens ze ook over u verzamelen en hoe intelligent hun machine learning algoritmes ook zijn ze u als uniek individu nooit zullen beschrijven. Google weet niet wie u bent. Google kent u niet. De Belastingdienst ook niet; ook al noemt ze u ‘fraudeur’.

Informatie bestaat niet.

Dat ik deze uitspraak doe daarvoor heb ik een reden en een bedoeling. De reden is dat het waar is wat ik zeg en het doel is dat ik het van belang vind dit op te merken. En dat heeft te maken met de bovengenoemde twee redenen waarom deze uitspraak ook iets zegt: het niet waar kunnen zijn en er zijn er die anders beweren, zoals o.a. Luciano Floridi, primus inter pares onder de informatie-filosofen.

De reden is de oorzaak en de waarheid van het oordeel.

Voor u als lezer of ontvanger van het bericht is de uitspraak “Informatie bestaat niet” iets anders dan voor mij. Het is belangrijk dat we ons dat realiseren! U kijkt daar namelijk anders tegen aan. Laat ik zeggen van buiten af. Voor de ontvanger geldt dat een mogelijkheid is wat voor mij een noodzakelijk feit is. Het doel van communicatie is dat beide kanten overeenstemming hebben over de noodzakelijkheid. Dat doel motiveert de communicatie, het is er de motor van. Het bestaat slechts als vermogen, niet feitelijk. Dit geldt ook voor het observeren van de werkelijkheid: wat voor deze noodzakelijk feit is, is voor u een mogelijkheid. Het komt erop aan de noodzakelijkheid in te zien. Niet om het feit weg te verklaren als teken van iets anders. Het gegeven feit is zichzelf voldoende grond.

Elke feitelijk gebeuren heeft deze twee kanten. Enerzijds is het een onmiddellijk noodzakelijk gegeven, anderzijds is het iets dat tegen de achtergrond van alternatieve mogelijkheden bekeken kan worden. Dan is het gegeven iets “dat zich nog bewijzen moet”. We zeggen dan: “Laten we maar eens zien of dit werkelijk waar is”. “Wat heeft dit te betekenen?”

Wanneer ik zeg dat Informatie niet bestaat dan beweer ik dat informatie dit proces is, een gebeuren dat bemiddelt tussen de waarheid en noodzakelijkheid van het bericht voor de spreker/zender en het bericht als mogelijkheid tegen een achtergrond van de kennis van de luisteraar/ontvanger. Deze kennis is grotendeels impliciet, iets dat we geloven of aangenomen hebben zo te zijn. Een nieuw bericht kan dat tegen (lijken te) spreken. Zoals bijvoorbeeld het bericht dat informatie niet bestaat uw geloof dat informatie wel degelijk bestaat in de verkeerde war kan schoppen. (Merk op dat dit volgens de wet van Bayes niet kan. Exit reverend Thomas Bayes !)

Over de onbegrijpelijkheid van het feitelijke gaat het volgende.

Obama, het alarm, en het fietsslot

Iemand vroeg zich eens af hoe het toch komt dat de batterij van het brandalarmapparaat altijd midden in de nacht op is (het ding maakt dan een hels lawaai). Ik had een soortgelijke vraag: waarom zit er altijd net een spaak in de weg als ik mijn fiets op slot wil zetten? De Nederlandse cabaretier Erik van Muiswinkel merkte in een show eens op dat hij precies op dezelfde dag geboren is als de president van Amerika Barack Obama (die was toen president). De cabaretier merkte daarover het volgende op: “Als dit geen toeval is, dan is het wel heel toevallig”. Wat is hier aan de hand?

Bias. De verklaring van deze toevalligheden die geen toeval zijn is bias. Het wordt namelijk opgemerkt omdat het opmerkelijk is. Het is niet aan de orde om het verschijnsel tegen de achtergrond van alternatieven te bekijken omdat het om feiten gaat die door het achterliggende mechanisme al uitgefilterd zijn. Wanneer ik zoek naar iemand die op mijn geboortedag 10 januari geboren is vind ik Donald Knuth, wel de ‘vader van de informatica’ genoemd. Wanneer is dat toeval? Wat is dan het toevallige?

Toeval bestaat niet, zoals Bruno De Finetti al zei. Net zo min als informatie bestaat.

Over het verschil tussen een gevangene en een deur

Wat is verschil tussen het probleem van de drie gevangenen en het probleem van de drie deuren?

Bij het eerste probleem is de vraag of de kans dat gevangene A wordt vrijgelaten verandert nadat deze weet of het B of C is die wordt vrijgelaten. Was deze kans eerst 1/3. De vraag is wordt deze 1/2 of blijft deze gelijk?

Bij het drie deuren probleem is de vraag nadat de deelnemer A had gekozen en de quizzmaster een deur heeft geopend die niet A is en waar geen auto achter zit of de deelnemer er beter aan doet van keus te veranderen of dat hij A blijft kiezen?

Volgens de meeste geleerden is het antwoord bij de gevangen dat de nieuwe informatie geen verschil maakt voor de kansen van gevangene A. Deze blijft 1/3; er is niets verandert. Maar de deelnemer aan de quiz kan beter de andere deur nemen want de informatie die de geopende deur hem biedt veranderen de kans dat A de deur is met de auto.

Wat is het verschil dat dit verschil verklaart?

Kans of feit?

Er is een onoverbrugbare kloof tussen uitspraken over een veelheid en uitspraken over de individuen die deze veelheid uitmaken. De bewering dat de gemiddelde lengte van “de Nederlander” 1.75 m is” is het resultaat van een schattingsproces waarbij de gemiddeldes van groepen van Nederlanders berekend zijn. Het gaat hier om het zo goed mogelijk bepalen van de kans dat een bepaalde ‘fysische’ constante in een zeker waardebereik ligt. De kans kan benaderd worden als soort van limiet van een rij gemiddelden. Wat herhaald kan worden is het selecteren van een deelgroep, waarvan we aannemen dat deze representatief is voor “de Nederlanders”.

Bij het bepalen van de kans dat we met een dobbelsteen een 6 gooien is het experiment het werpen met de dobbelsteen “onder gelijke omstandigheden”.

In beide gevallen speelt impliciete kennis (‘inzicht’) in wat als ‘gelijke gevallen’ beschouwd kan worden een rol.

Altijd speelt impliciete kennis een rol van betekenis bij het bepalen van de informatie-inhoud van een gegeven of bericht.

Informatie bestaat niet, noch als iets fysisch, noch als iets mathematisch; het is iets dat slechts in het intersubjectieve verkeer bepaald wordt.

Marion Koopmans en de Bar-Hillel-Carnap Paradox van Luciano Floridi

“The more we know, the less we know” (Marion Koopmans, Twitter, 8-4-2021)

Wat zegt ze daar? “The more we know, the less we know”? Wat is dat voor logica! Dat moet wel een vrouw zijn. Het is in een tweet van onze nationale huiskamer-viroloog en corona virus vraagbaak Marion Koopmans. Een wijze vrouw.

(Mijn zoons wijzen mij er regelmatig op: “Grijze haren zijn geen teken van wijsheid, maar van ouderdom.” Marion Koopmans is het levende bewijs dat grijsheid de wijsheid ook niet uitsluit.)

Wat volgt is een voetnoot bij de uitspraak dat door nieuwe informatie onze kennis soms vermindert.

Mijn docent Dirk Kleima wees ons er al op tijdens het college Informatietheorie, waarin hij o.a. Shannon and Weavers klassieker “The Mathematical Theory of Communication” en het Maxwell duiveltje behandelde, om aan te tonen dat informatie uitwisselen energie kost. Hoe dan?

De kerngedachte is dit: nieuwe informatie vermeerdert de kennis omtrent een bepaald gebied van de werkelijkheid. Daardoor verandert ons inzicht in wat mogelijk is en wat niet. Maar ook wat meer en wat minder waarschijnlijk is. Onze voorspellingen omtrent de werkelijkheid veranderen.

De verwachtingen en mogelijkheden worden wiskundig uitgedrukt in een kans-verdeling. Wetenschappers, virologen, etc, maken zulke kans-modellen.

Zo’n kans-model heeft een entropie. Dat is een maat voor wanorde, chaos. Kennis schept orde in de chaos van de ruwe natuur. Gisteren viel bij ons een meer dan 80 jaar oude dikke wilg om. Dan heb je chaos in je tuin.

Dat kans-model, uitdrukking van onze kennis op een bepaald moment, geef ik aan met P(K) waarbij K de (impliciete) kennis van het domein is en P staat voor een probability, een kansfunctie. Bij iedere mogelijkheid die zich voordoet (denk aan uitkomsten van een test of worp met dobbelsteen) geeft de functie P(K) een waarde, zeg P(K)(x) van mogelijkheid (event) x.

Die kansverdeling heeft een entropie-waarde die je met een logaritmische functie berekent. Doet er hier niet toe hoe dat gaat, maar het is een getal dat aangeeft hoeveel bits je gemiddeld minimaal nodig hebt om het bericht dat een bepaalde mogelijkheid zich voor doet door het kanaal van Shannon te sturen. Als alles even kansrijk is, is de chaos maximaal: je weet dan weinig of niets, je kunt alles verwachten.

Je zou dus verwachten dat nieuwe kennis minder chaos en dus een lagere entropie oplevert. Immers je weet meer.

Nee, zegt Marion: “The more we know, the less we know“. Hoe meer informatie des te minder weten we. Inderdaad Dirk Kleima (“bewijstechniek is net zo belangrijk als soldeertechniek“) gaf een bewijs van zijn bewering dat informatie de entropie van je kansverdeling kan vermeerderen.

Na nieuwe informatie E (evidence) wordt de nieuwe kansverdeling P(K) (x|E), spreek uit: de kans op event x gegeven de informatie E. Die kansverdeling kan behoorlijk verschillen van de oude. Eenvoudig voorbeeld: eerst was de kans op een 6 bij het gooien met een eerlijke dobbelsteen 1/6. Maar als je informatie krijgt dat de uitkomst even is, dan is de kans op een 6 al 1/3.

In dit voorbeeld is de entropie al niet eens verandert. Maar docent Kleima gaf dus een voorbeeld waarin de chaos/entropie toenam. Binnen een bepaalde deelgroep van Nederlanders, bijvoorbeeld die met blauwe ogen, kan de verdeling van haarkleur best uniformer zijn dan in de hele bevolking van Nederland. Met als gevolg dat informatie dat iemand tot die deelgroep behoort (blauwe ogen heeft) je minder zeker maakt over de haarkleur van die persoon. De entropie is toegenomen.

Ik heb altijd vermoed: hier wringt een schoen. Dat vond Luciano Floridi ook toen hij vernam hoe Bar-Hillel en Carnap kansen aan kennis en belief-updates koppelden. Hij noemt dit fenomeen de Bar-Hillel-Carnap paradox. Deze zou voortkomen uit de Inverse Probability These: hoe kleiner de kans op een event is, des te meer informatie geeft het je wanneer deze event optreedt. En hij meende dat dit betekent dat als je een uitspraak hebt die nooit waar kan zijn (“het regent en het regent niet”), dat deze dan maximale informatie-oplevert. Deze stap is voor Floridi’s rekening. Maar ook anderen maken die.

De oorzaak van de ‘paradox’ is echter een verwarring van twee betekenissen van ‘mogelijk zijn’. Eenvoudig voorbeeld: we zeggen dat een licht-schakelaar twee mogelijke standen heeft (aan / uit) of dat een bewering twee mogelijke waarheidswaarden heeft (true/false, ook wel: 1 of 0). Dat is de ene betekenis van mogelijk zijn. De andere is deze: als een schakelaar in stand ‘aan’ staat dan is dit kennelijk de enig mogelijke stand; de andere stand is niet mogelijk. Dat is zeg maar fysische of werkelijke mogelijkheid.

Als er iets, een event, gebeurt dan wordt iets dat (kennelijk) mogelijk was ook werkelijk. Daarmee zijn alle andere mogelijke events van het wiskundige kansmodel opgeheven. Die zijn niet meer mogelijk. Dat lijkt mij klontjes.
Maar zo denkt de wiskundig aangelegde wetenschapper (en iedere ‘moderne’ wetenschapper heeft een tik van de wiskunde gehad) niet. Die denken niet aan mogelijkheden die werkelijk worden. Worden bestaat niet in de wiskunde.

De wiskundige en de wetenschapper die de wiskundige modellering voor de ideale kennisvorm houdt, berekent na event E gezien te hebben vrolijk P(K)(x|E), de nieuwe kansverdeling van x gegeven E op basis van zijn kansmodel P(K) dat hij ooit gemaakt had vanwege zijn (impliciete) kennis K van het domein.

Hoe logisch is dat? Waarom houdt de wiskundige vast aan zijn oude model? Waarom zegt de wetenschapper niet: ik moet mijn oude model P(K) aanpassen, want ik heb nu informatie I over event E. Die I(E) levert mij nieuwe kennis K: dat wordt K+(I(E) . Dit is een nieuwe kansverdeling P(K+I(E)(x).

In plaats van wat men standaard doet: P(K)(x|E).

Omdat de wetenschapper denkt: informatie is nog geen kennis. Die kennis is meer iets subjectiefs en impliciet. We moeten die nieuwe informatie eerst wegen. (Kijk maar wat de wetenschap voortdurende doet met de Lareb-gegevens van Astrid Kant en andere labs).

Voor Luciano Floridi is de Bar-Hillel-Carnap paradox – ofwel in de woorden van Marion Koopmans: het “The more we know, the less we know” reden om te zeggen; informatie is pas betekenisvolle informatie als het waar is. En daarmee zegt hij eigenlijk: wat jullie nieuwe informatie noemen is pas echte informatie als blijkt waar te zijn wat er gezegd wordt. Helaas weet ook Floridi niet te zeggen wanneer dat is, want dat is een onbereikbaar ideaal.

Alsof onze kennis groeit totdat er niets meer te weten over blijft.

De werkelijkheid zegt niet als een bepaalde event E optreedt dat E mogelijk is, de werkelijkheid toont dat E het geval is. De wiskunde kent echter alleen mogelijkheden en kan niet en het werkelijk worden van iets of de groei van kennis als zodanig modelleren. Alles wat de wiskunde voor waar houdt volgt uit de axioma’s die een keer aangenomen zijn. Feiten zijn niet inhoudelijk onderscheiden van de andere mogelijkheden uit het ‘veld van mogelijkheden’ uit het wiskundig kansmodel.

De praktijk is echter dat we voortdurend nieuwe informatie krijgen waarvan we nog maar moeten afwachten of en wat voor nieuwe kennis het oplevert. Informatie is toetsbaar en dus slechts potentieel waar. We moeten die nog verwerken. Dat gebeurt in een confrontatie met alle reeds voor waar aangenomen informatie en met informatie die we bewaarden maar waar we nog niets mee wisten te doen. De waarheid is het doel van de dialoog tussen de waarheid zoekende wetenschappers.

Naar een unificerende theorie van informatie

De scepsis dat een werkelijk begrip van informatie niet voor de mens is weggelegd, zoals onder andere door Floridi en Mingers uitgesproken, berust op de verwarring van de twee betekenissen van mogelijk die het wiskundige begrip van mogelijkheid uit de kansrekening en statistiek aankleven. Informatie is een begrip dat tot de intersubjectiviteit behoort, niet tot de wiskunde of de fysica.

We zien de verwarring van “denken in het model” met “denken over het model” voortdurend optreden wanneer mensen het hebben over intelligente machines. Alsof de mens zelf als maker van de machine (het model) in de machine zit.

Laten we hopen dat Marion’s wijze tweet: “The less we know the more we know” zo aanleiding is niet alleen de idee van “groei van kennis” maar ook de geschiedenis van de moderne wetenschap te heroverdenken.

Daar is nu de gelegenheid en de tijd voor. Nu de machines het werk doen en het virus ons thuis houdt.

Ik sluit af met een citaat uit Frank Ramsey’s Truth and Probability.

The degree of belief in p given q is not the same as the degree to which a subject would believe p, if he believed q for certain; for knowledge of q might for psychological reasons profoundly alter his whole system of beliefs.

How right he was!

Good goan!

Over Feedback en de Rol van de Ander

In de serie Denken in Tijden van Corona deze keer een briefje aan Kim de Jong

Beste Kim,

Wat een interessant en leerzaam artikel! Het geeft een verrassend overzicht over het onderzoek naar de effecten van positieve feedback als onderdeel van behandelingen in de psychologische klinische praktijk. Ik ga echt niet in op de statistieken want dat vind ik het saaiste wat er is. Ik neem aan dat reviewers van het artikel daar goed naar gekeken hebben. Nee, ik heb een paar andersoortige opmerkingen en vragen die bij het lezen van je artikel bij me opkwamen. Ik heb ongeveer vanaf 1952 met feedback te maken gehad en er ook wel wat over gelezen, maar ik leer er steeds nog weer wat bij.

De eerste vraag is: wat is de rol van de ander? In deze tijden van Corona hoor je dat meer mensen eenzaam zijn omdat ze alleen zijn. Praten mensen die alleen zijn meer met en tegen zichzelf? Kijken ze meer in de spiegel? Van wie krijgen ze feedback?

Ik zie de ander toch als het (ge)weten van je zelf. De ander maakt je bewust zijn. Ik bedoel dat (het besef van) de aanwezigheid van de ander (ook al zegt ie niks) maakt dat je je bewust bent van je eigen aanwezigheid en van wat je doet.

Ik denk dat dat de meest primitieve vorm is van feedback.

Er is immers iets wezenlijks aan de hand wanneer je iemand iets ziet doen. Dat doen wordt opgemerkt en eventueel benoemt als een activiteit waardoor het voor de toeschouwer al niet meer is wat het op zich voor de ander was, namelijk gewoon een bezigheid. Het oog van de ander maakt dus de bezigheid tot een benoemde daad. De volgende stap is dan dat je denkt dat de ander het daar om te doen is, terwijl deze misschien gewoon maar wat deed.

Je artikel verrast me omdat ik me niet kon voorstellen dat er klinische praktijken zijn waarin er geen feedback gegeven wordt. De therapeut doet toch niet zomaar wat. Mag je hopen. Maar misschien haal ik de verschillende impliciete en expliciete vormen van feedback wel door elkaar. Daarmee bedoel ik dit.

Als ik op een toets druk (bij het tikken van deze brief aan jou) dan krijg ik ‘feedback’ van de toets. Dat noem ik zo sinds ik van Norbert Wiener heb gehoord dat dat zo heet. Newton zou zeggen actie = min reactie, wat ik nog op school leerde. Dit is een vorm van feedback. Een meer expliciet vorm is als mijn computer zegt “Wilt u een shortcut definiëren?” (omdat ik kennelijk een bepaalde combinatie van toetsen vaak gebruik). Ik denk dan: verrek ik gebruik kennelijk een bepaalde combinatie van toetsen heel vaak. Wist ik niet. Dat is ook feedback.

Sinds Wiener’s Cybernetica zien we overal feedback in. Verpleegkundigen leerden de zelfzorgmethode van Orem. Dat is een systeemtheorie voor verpleegkundigen waarin feedback ook een belangrijke rol speelt. Ik heb wel onderzoek gedaan naar feedback in coaching systemen op mobieltjes voor jeugdige diabetes patiënten en voor wetenschappers om ze achter het beeldscherm weg te krijgen en meer te bewegen.

Positieve feedback is één van de standaard gereedschappen uit de kist van de makers van Behaviour Change Support Systemen. Jouw artikel gaat daar niet specifiek over. Het leek me meer over het ‘ouderwetse’ (geen pejoratief) handwerk te gaan.

Waarom is de ander zo belangrijk bij feedback? Je ziet toch zelf als therapeut wat je doet aan het effect van je handelen? Dat effect, het gevolg van de behandeling, is toch de feedback. Of vergis ik me? Misschien denk ik te technisch en autistisch, maar die stoommachine met de Watt-regulateur had toch ook geen ander nodig om zichzelf te blijven in zijn interactie met de omgeving en om niet te exploderen.

Of misschien is daar toch de mens als ander van de machine nodig om de zaak in de hand te houden?

Bij het lezen van je artikel realiseerde ik me weer hoe zeer feedback en de cybernetische (zich zelf controlerende) machine te maken heeft met en gebaseerd is op de psychologie van het ontwikkelen van het zelfbewustzijn. En daarmee van de rol van de wetenschap in interactie met de praktijk. Veel mensen beseffen zich niet hoe belangrijk feedback is voor bewustzijn.

De rol van de ander voor en als je (ge)weten van jezelf, dat is toch waar het in de moraliteit van ons leven om gaat. Lijkt me.

Ik snap nu ook dat die cybernetische machine van Wiener (wij zeggen tegenwoordig computer, avatar of robot) door sommige filosofen als de uitwendige objectivatie van het zelfbewustzijn van de moderne autonome mens gezien wordt.

De regulateur van Watt, een feedback systeem

De robot, de kunstmatige intelligentie, de mobiele coaching systemen, houden ons een spiegel voor en geven ons daarmee feedback.

Het is wel begrijpelijk dat Jan Hollak in de cybernetische techniek van de programmeerbare machine de realisatie zag van de Hegelse filosofie van de zelfbewuste geest.

Ik had mij zelf belooft het niet te lang te maken.

Tot slot nog een vraag: wat is de feedback rol van je artikel en in welke systeem?

Nogmaals heel veel dank voor je inspirerende artikel. En nog veel succes met je onderzoek.

Rieks

Het artikel van Kim:

Kim de Jong et al. (2021). Using progress feedback to improve outcomes and reduce drop-out, treatment duration, and deterioration: A multilevel meta-analysis, Clinical Psychology Review. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2021.102002

Definitie van waar het over gaat:

Progress Feedback (sometimes called “client feedback”) refers to the continuous monitoring of client perceptions of benefit throughout therapy and a real-time comparison with an expected treatment response to gauge client progress and signal when change is not occurring as predicted. With this alert, clinicians and clients have an opportunity to shift focus, revisit goals, or alter interventions before deterioration or dropout.” (Barry Duncan, The Partners for Change Outcome Management System.)

Wat heb ik nou aan kansen? – over een verwarring in de wetenschap

He thought he saw an Argument that proved he was the Pope: He looked again and found it was a Bar of Mottled Soap. “A fact so dread” he faintly said, “extinguishes all hope.”(Lewis Carroll, Alice in Wonderland)

De hand die zichzelf tekent, heeft zichzelf niet getekend.” (Louk Fleischhacker, verwijzend naar M.C. Escher’s “de hand die zichzelf tekent”)

Het praktische probleem

Het RIVM, of de Minister namens het RIVM, zegt over de Corona zelftest dat je niet helemaal kunt vertrouwen op de uitkomst van de test. Bij een positieve testuitslag moet je alsnog naar de GGD voor een ‘echte’ test. Bij een negatieve uitslag, zo zegt de Minister, “is de kans dat je toch besmet bent nog 20%”.

Wat moet je hiermee? En dan bedoel ik: wat moet ‘ik’ of ‘jij’ hiermee? Volgens een interpretatie van kans (kans is relative frequentie) zou één op de vijf keer dat ik een negatieve testuitslag heb de test er naast zitten en ben ik toch besmet. Maar welke keer? Daar zit ik mooi mee. Want ik heb maar één kans. Ik moet immers nu beslissen wat ik er mee moet. Met zo’n kans-uitspraak stuurt de Minister en de Wetenschap (Statistiek) ons toch mooi met een kluitje in het riet!

En als ik me nou niet had getest was dan ook de kans dat ik besmet was 20% ? Of is dat fout redeneren? Het aantal besmettelijke mensen is in Nederland een kleine 200.000 (Het Corona dashboard: 161.000). Dat is lang niet 1 op de 5. Wat is hier mis? Die 20 % false negatives wil zeggen dat van de 100 mensen getest worden en die wel besmet zijn de test 20 keer zegt dat ze niet besmet zijn. Dat is dus heel wat anders.

De vraag is wat ik moet geloven als ik een negatieve testuitslag krijg waarvan ik weet dat deze niet 100% betrouwbaar is? Het antwoord hangt globaal af van het antwoord op twee vragen. De eerste is: hoe overtuigd ben ik ervan dat ik besmet ben (zonder de testuitslag mee te nemen)? De tweede is: hoe betrouwbaar vind ik de informatie die de testuitslag mij geeft? Kunnen we hiermee de mate van geloof die ik heb dat ik besmet ben of niet berekenen?

Een andere kwestie is of de uitslag van de test niet wat specifieker gegeven kan worden zodat deze meer op mijn geval toegesneden is?

Wat betekent een kans voor een individu?

Aristoteles stelde al in zijn Ethica Nicomachea dat de wetenschapper geen uitspraken doet over individuele personen. De medische wetenschap, stelt hij, zegt niets over Socrates. Het gaat over bepaalde ziektes en symptomen, over abstracte categorieën. De huisarts onderzoekt individuele patiënten. Hij kan op grond van bepaalde symptomen misschien zeggen welke kwaal een patiënt die bij hem komt heeft (is het alleen de leeftijd, of zijn het de genen, een virus, slijtage of is het verbeelding?). De medicus heeft met individuele personen te maken. De wetenschapper heeft met de mens en zijn ziektes in het algemeen te maken. Samen met de technicus ontwikkelt deze instrumenten om te meten en instrumenten en medicijnen om eventueel in te grijpen. Die instrumenten werken in principe voor iedereen, omdat ze gebaseerd zijn op algemene eigenschappen waaraan een patiënt voldoet. Daar zit ook een economisch en ecologisch motief: het instrument moet herhaaldelijk toepasbaar zijn. Als het om grote aantallen gaat, om veel mensen, om veel herhaalde toepassingen, dan kun je aan statistiek doen: gemiddelden en variaties berekenen. Dat is nodig omdat niet iedereen hetzelfde is, en omdat er meetfouten gemaakt worden.

Die statistieken zijn leuk voor de wetenschap, de verzekeringsmaatschappijen en voor overheden maar niet voor de individuele burger zoals ik. Om mij te dienen proberen Google en de Belastingdienst mij op grond van een aantal eigenschappen (leeftijd, geslacht, postcode, wat ik gekocht heb) in een bepaalde klasse in te delen. Maar dat gaat soms heel erg fout weten we uit ervaring. Ook de behandelend arts zit er wel eens naast. Omdat ik nou net niet voldeed aan wat ‘normaal’ wordt gevonden.

Kan het niet anders? Kan de wetenschap niet op een andere manier met onzekerheid rekenen dat ik, als individuele burger er in de praktijk ook wat aan heb? Zo’n alternatief lijkt er te zijn.

Hoe bruin wilt u het hebben?

Stel u gaat naar de bakker voor een brood. Stel u houdt niet van wit brood. U wilt een bruin brood. Maar wat is ‘bruin’? Helaas zijn er veel broden die noch echt wit, noch echt bruin zijn. Deze zijn in zekere mate ‘bruin’. U komt bij de bakker en daar staat u voor de keuze. Er staan twee manden met broden. In de ene mand, ik noem hem de kansmand, zitten witte en echt bruine broden, van elke soort evenveel. In de andere mand, ik noem deze de ‘vage mand’, zitten allemaal dezelfde soort broden, die in de mate 0.5 bruin zijn (dat is precies tussen wit en echt bruin in. Een echt bruin brood is bruin in de mate 1, een wit brood is bruin in mate 0). We gaan er vanuit dat u weet wat de bakker onder een bruinig brood 0.5 verstaat. Uit welke mand neemt u een brood? U mag niet in de kansmand kijken.

Neemt u een brood uit de kansmand dan loopt u het risico een wit brood aan te treffen. Maar u kunt ook een bruin brood te pakken hebben. Neemt u een brood uit de vage mand dan bent u er zeker van een brood te hebben, maar dat is slechts bruinig 0.5.

Is het echt een verbetering om met vage maten te werken dan met kansuitspraken? Had de Corona zelftest niet beter kunnen zeggen: “U bent 0.2 besmettelijk” in plaats van: “U bent positief getest maar er is een kans van 20 % dat dit fout is”. Of maakt het niet uit? Laten we even onder de hoed van de zelftest kijken.

Onder de hoed van de Corona test

Testen zijn nooit 100% betrouwbaar. Je zou zeggen je bent zwanger of je bent het niet, maar ook een zwangerschapstest, die meestal in een vroeg stadium van een vermoedelijke zwangerschap afgenomen wordt, kent valse positieven en valse negatieven. Deze testen meten de aanwezigheid van een speciaal hormoon dat alleen aanwezig is als er sprake is van zwangerschap. Maar ‘echt zwanger zijn’ is iets anders dan de aanwezigheid van dat hormoon. De aanwezigheid van het hormoon kan ook op iets anders duiden. Vandaar dat er in zeldzame gevallen foute uitslagen zijn. Sommige zelftest geven zelfs een indicatie hoe zeker de meting is. Maar je kunt niet een beetje zwanger zijn. Zo’n indicatie is wel specifiek op de persoon gericht bij wie de test is afgenomen. Kan dat bij de Corona test ook niet?

Op grond waarvan geeft de Corona (zelf)test een negatieve of positieve uitslag?

De PCR-test (polymerase chain reaction-test) toont de aanwezigheid van een stukje genetisch materiaal van het coronavirus SARS-2 aan in neus- en keelslijm. Het is de meest gebruikte en tot nu toe meest betrouwbare test voor het virus. De PCR-test wordt daarom als ‘gouden standaard’ gebruikt om andere testen mee te testen op hun betrouwbaarheid (Bron: RIVM ). Zoals je een standaard-meter (of modernere standaard lengtemaat) gebruikt om een meetlat mee te ijken.

Bij een virus test wordt een aantal virus-deeltjes in het ‘materiaal’ uit uw neus of keel geteld. Maar hoeveel mogen dat er zijn opdat nog een negatieve uitslag wordt vastgesteld? Is één virus-deeltje al reden voor een positieve uitkomst? De wetenschap legt ergens een grenswaarde x vast: is het aantal deeltjes kleiner dan x dan is de test negatief. Bij het bepalen van de grenswaarde spelen verschillende overwegingen een rol. Bijvoorbeeld wat zijn de kosten van een verkeerde negatieve uitslag. En wat zijn de kosten van een verkeerde positieve uitslag? Maar in de eerste plaats hangt deze grenswaarde af van de ervaring met het verloop van het virus. De grenswaarde is dus resultaat van een leerproces en wordt dus op grond van nieuwe gegevens eventueel aangepast.

Bij de ‘standaard’ PCR-test van de GGD wordt gekeken hoe vaak het gekweekte materiaal verdubbeld moet worden voordat besloten kan worden dat er een voldoende hoeveelheid erfelijk virus-materiaal in het materiaal aanwezig is, de Cycle-treshold-waarde. Bij een hoge Ct-waarde waren er minder virusdeeltjes in het monster aanwezig, waardoor er veel cycli nodig waren om het virus aan te tonen. 

“Aan het begin van de COVID-19 epidemie heeft het RIVM geadviseerd om bij monsters met een Ct-waarde groter dan 30 nauwkeurig te kijken naar het PCR-resultaat. Inmiddels hebben we meer ervaring met de PCR-test voor SARS-CoV-2 en weten we dat de resultaten onder een Ct-waarde van 35 volledig betrouwbaar zijn. Het is dus pas nuttig om bij Ct-waarden van 35 of meer extra nauwkeurig te kijken of er ook een goede S-curve te zien is. Het verschuiven van de waarschuwingswaarde van Ct 30 naar Ct 35 levert niet meer positieve resultaten op, maar scheelt laboranten wel veel tijd.” (Bron: RIVM).

Ook bij deze wijze van meten moet dus altijd ergens een grenswaarde worden gekozen waar er sprake is van een positieve test-uitslag.

De antigeentest toont bepaalde eiwitten van het virus aan in neus- en/of keelslijm. Zo weet je snel of je nu het virus bij je draagt. Er wordt niet gekweekt. De test geeft sneller uitslag dan de PCR test, maar is wel minder gevoelig. Dat is de oorzaak van de vrij hoge waarde van valse negatieven in vergelijking met de PCR-test.

Zo’n test meet dus aanwezigheid van virus-materiaal in het slijm op het moment van de test. Het is, net als de zwangerschapstest, een moment-opname. Omdat de toestand van het lichaam voortdurend verandert kan het zijn dat het materiaal dat afgenomen is bij de test oud is, of nog te weinig virus-deeltjes bevat, omdat de besmetting juist heel recent heeft plaatsgevonden. Dat kan dus tot ‘foute’ uitslagen leiden. Als je twee metingen verricht met een kleine tijd er tussen dan is er altijd een kans op twee verschillende uitslagen. Een andere oorzaak voor een foute testuitslag is een meetfout: er is bijvoorbeeld niet goed met het wattenstaafje gewerkt. Of de testlocatie heeft een administratieve fout gemaakt: de labmedewerker was misschien wel oververmoeid.

In feite hebben we hier ook te maken met vaagheid. besmet zijn is een vage term. De oude Grieken worstelden al met dit soort problemen. Hoeveel graankorrels vormen nog een hoop? Drie? Twintig? Honderd? Als je meet wil je iets kwalitatiefs op een kwantitatieve manier, door middel van een getal of met een andere wiskundige structurele grootheid, vastleggen. En dat is lastig omdat de werkelijkheid niet altijd meetbaar is.

Kunnen we nu niet beter in plaats van te zeggen: de test is negatief (maar let wel in 20% van de gevallen zitten we er naast) een meer op de individuele persoon gerichte uitspraak doen en zeggen: uw score is 2 (op een schaal van 0 tot 10)?

Dat is lastig omdat er zoveel verschillende oorzaken zijn van de statistische fout. Als het alleen een kwestie was van het aantal Ct-cycles dat nodig was om de besmetting waar te nemen dan zou je in plaats van de uitslag is positief of negatief de Ct-waarde kunnen rapporteren. Maar dat is dus niet de enige onderliggende factor die telt bij het bepalen van de foutmarge.

Bij een foute negatieve testuitslag is de test negatief omdat er misschien nog te weinig virus-materiaal in het slijm op het wattenstaafje zat, terwijl je wel besmet bent. Dat je wel besmet bent weet je dus op grond van andere metingen. Bijvoorbeeld: door de redenering dat als je twee dagen later de ziekte blijkt te hebben dan was je daarvoor waarschijnlijk al besmet. Als je bij een groep mensen die een aantal specifieke COVID-19 symptomen hebben (slechte reuk, keelpijn, hoofdpijn, kortademig) de test afneemt dan is het percentage foute negatieve uitslagen hoger dan bij gezonde mensen.

Om te bepalen of ondanks de negatieve testuitslag iemand toch besmet is en de ziekte heeft moet je dus meer en andere metingen doen. Heeft de persoon andere symptomen die op de ziekte wijzen? De test meet alleen de aanwezigheid van virusdeeltje maar de testpersoon kan nog ander zaken meten.

Als ik suikerziekte heb of ‘te zwaar’ ben en ik weet dat mensen die deze eigenschappen hebben een grotere kan hebben ziek te worden nadat ze besmet zijn dan zal ik meer zekerheid willen hebben dan de ene zelftest mij biedt. Maar dat bepaalt niet hoe groot de kans is dat ik besmet ben. Die wordt bijvoorbeeld bepaald door dat mensen in mijn omgeving de ziekte hebben. Of door het feit dat ik andere symptomen van de ziekte heb. Die te samen bepalen mijn a priori geloof dat ik besmet ben, dwz de kans dat ik besmet ben voordat ik de testuitslag krijg.

Met de regel van Bayes’ wordt in de kansrekening nu de a posteriori kans berekend. Op die manier kan ik toch iets met die testuitslag doen. Maar klopt die kanstheorie wel? En hoe kom ik aan die eerste kans?

Vage dingen

In de jaren 80 kwam Lofti Zadeh met een wiskundige theorie en een logica op de proppen om met vage eigenschappen, zoals bruin, kaal, volwassen, besmet, te rekenen en te redeneren. Vage verzamelingenleer en vage logica. (Er is overigens niets vaags aan beide; het is gewoon harde wiskunde over softe dingen.) Het doel van Zadeh was om de computer te leren om met en over uitspraken in de gewone (natuurlijke) taal te redeneren. Zijn fuzzy logic werd toegepast in controle systemen van apparaten, zoals was-machines maar ook in systemen waarin je met een verzameling van zoektermen kunt zoeken in gegevens-banken.

Sommige mensen waren enthousiast over deze nieuwe theorie om met onzekerheid om te gaan. Anderen vonden het maar niks. Daar was ook wel reden voor. Volgens de normale logica geldt als A = B en B = C dan geldt ook A = C. Maar voor vage gelijkheden, zeg maar ‘de lijkt op’ relatie geldt dit niet: als A op B lijkt en B lijkt op C dan hoeft A nog niet op C te lijken. Vage logica’s hebben daar last van.

De fysicus E.T. Jaynes moest er ook niets van hebben. Volgens hem was er maar één logische theorie voor het redeneren en rekenen met onzekerheden en dat is Probability Theory, de klassieke standaard waarschijnlijkheidsrekening, de kansrekening van Pascal. Ook Sir Harold Jeffrey’s en Peter Cheeseman waren die mening toegedaan. Cheeseman baseerde zijn expert- en classificatie-systemen op de Bayesiaanse methodes van de kansrekening. Er ontspon zich een echte schoolstrijd tussen voor- en tegenstanders van de verschillende methodes om met onzekerheid te redeneren, waarin wetenschappers elkaar met argumenten en demonstraties van toepassingen om de oren sloegen. Cheeseman schreef in een mail-uitwisseling dat er met die fuzzyci, de aanhangers van fuzzy logic, niet redelijk meer gepraat kon worden.

Mijn interesse voor de Bayesiaanse methode werd gewekt door Jaynes’ Probability Theory. Jaynes was een fanatiek Bayesiaan, een volgeling van Harold Jeffreys, niet te verwarren met de Princeton filosoof R.C. Jeffreys, een ‘afvallige’ die zich volgens Jaynes schuldig maakte aan ‘ad-hoc’ oplossingen.

Hypothese testen – Bayesiaanse wijze

Ik was overtuigd van de mogelijkheden van Jaynes direct op de kansrekening van Pascal gebaseerde methode om hypotheses te toetsen. Stel je hebt een zooitje gegevens D en je hebt hypotheses H1 en H2. Dan bereken je de kans P(H1|D) en de kans P(H2|D) (de kans dat H1, resp. H2 het geval is gegeven de data D) en je kiest voor die hypothese die de grootste kans heeft. We pasten in ons onderzoek de Bayesiaanse ‘causale’ netwerken methodes van Judea Pearl (2001,2018) toe in onze systemen voor het identificeren van taalhandelingen in dialoog-systemen. De computer kon met zo’n netwerk en de bijbehorende algoritmes berekenen of de spreker met de uiting “U hebt nog bruin brood.” een vraag stelt of een statement maakt. (Ik zet dat ‘causale’ tussen aanhalingstekens want over dat begrip causaliteit van Pearl, daarover is het laatste woord nog niet gesproken.)

Voor echte Bayesianen is Probability Theory (PT) dé enige manier om logisch te redeneren in de experimentele wetenschappen. Voor Jaynes is PT de Logic of Science. Daarin sloot hij zich aan bij geleerden van het caliber Leibniz en Maxwell. Door het lezen van Jaynes’ werk begon ik eindelijk iets van statistiek te snappen.

De regel van Bayes uit Pascals kanstheorie

Wanneer je met de regel van Bayes van Pascals kansrekening rekent heb je een apriori kansverdeling nodig, een zogenaamde ‘prior’. Jaynes heeft een theorie over welke daarvoor te nemen. Jaynes is van oorsprong fysicus, student van Oppenheimer, en de man van het Maximum Entropie Principe. Het zegt dat je bij de keuze van zo’n kansverdeling je moet houden aan de data en die verdeling moet nemen die de maximale entropie (een soort van onzekerheidsmaat voor kansverdelingen) heeft. Om een heel simpel voorbeeld te nemen. Als je een dobbelsteen met zes kanten hebt en je hebt er helemaal geen kennis van of ervaring mee, dan neem je als prior de uniforme verdeling: de kans op elke uitkomst van een worp met de dobbelsteen is dan 1/6, voor alle gelijk. Deze heeft de maximale entropie. Ik vond het principe van Jaynes zeer plausibel.

Bovendien waren die Bayesiaanse netwerken van Pearl nog inzichtelijk en toepasbaar ook. (Zie mijn blog over causale netwerken.) Ik begreep dan ook niet waarom onze studenten nog steeds lastig werden gevallen met de klassieke statistiek, waarin p-values werden berekend omdat deze iets zouden zeggen over de kans dat een hypothese verworpen moest worden. Volgens deze schoolse methode van de universiteit moest je namelijk P(D|H) berekenen, de kans dat de data gegenereerd wordt als hypothese H het geval is. Hoe onlogisch kun je zijn! Niet H, maar D is immers gegeven! Je moet dus niet P(D|H), maar P(H|D) berekenen, zoals Bayes zei. Geen speld tussen te krijgen.

Ik begon aan een kruistocht om de universiteit vrij te maken van de dwaling. Weg met de p-values! Er moest Bayesiaans geredeneerd worden met onzekerheden. Ook in de rechtszaal want daar was het ook helemaal fout gegaan waardoor bijvoorbeeld de verpleegster Lucia de B. ten onrechte in de gevangenis belandde. Helaas. Het bleek voor veel studenten al knap lastig het verschil tussen P(H|D), de kans dat H geldt, gegeven D en P(D|H), de kans dat D geldt gegeven H uit elkaar te houden. En niet alleen voor studenten. Ook in de rechtszaal worden deze twee al te makkelijk verwisseld: de beruchte Prosecutor’s Fallacy is een hardnekkig fenomeen.

Ik schreef een stukje “What is probability theory about” waarin ik mijn enthousiasme voor Jaynes’ benadering probeerde over te brengen. Men was in Twente niet geïnteresseerd. Op één collega na, met wie ik programmeeronderwijs gaf, hij had een luisterend oor. Maar hij vond Fuzzy Logic veel interessanter dan Bayesiaanse netwerken. Ik probeerde Jaynes’ en Cheeseman’s standpunt te verdedigen. Je kunt, had ik van een Russische wiskundige geleerd (Loginov, 1966), vaagheid definiëren in termen van kansen. Dat is gebaseerd op de gedachte dat de mate waarin een brood bruin is, gezien kan worden als de kans dat iemand in een groep mensen die brood eten, verkopen of bakken, een brood als ‘bruin’ aanmerken. Je vraagt heel veel mensen: is dit brood bruin? Zeggen 60 van de 100 ondervraagden “ja”, dan verklaar je dat brood 0.6 bruin en daarmee 0.4 wit omdat dat het tegengestelde is. Je zegt dan in feite dat iets een bepaalde eigenschap heeft (een brood is bruin), als voldoende mensen zeggen dat het die eigenschap heeft (het brood bruin noemen).

Deze methode hebben we nog eens toegepast om de agreement van beoordelingen van mensen over gedrag van verdachten in politieverhoren te meten (op den Akker, 2013). Die beoordelingen werden namelijk gedaan door vage labels als ‘vriendelijk’ , ‘aardig’ , ‘meelevend’, ‘dominant’, etc. aan het gedrag op te plakken. Om te berekenen (je bent wiskundige of je bent het niet) of twee beoordelaars het gedrag van een verdachte hetzelfde beoordelen moest er een afstandsmaat tussen de verschillende labels worden gedefinieerd. ‘Vriendelijk’ ligt dichter bij ‘aardig’ dan bij ‘dominant’. Dat deden we met deze kansmaat. Agreement tussen veel beoordelaars moet je meten omdat je de gelabelde data wilt gebruiken om de computer te leren wat ‘vriendelijk’ en wat ‘dominant’ betekent (zie Krippendorff, 2004) . Uit ons onderzoek bleek bijvoorbeeld dat als je de computer leert wat ‘agressief’ gedrag is en je doet dat met door politieagenten beoordeelde trainingsdata je een veel mildere computer krijgt dan wanneer je de computer traint met gegevens die door willekeurige burgers van gedragslabel zijn voorzien. Politiemensen vinden gedrag niet zo snel ‘agressief’ als de gemiddelde burger. Waarschijnlijk omdat ze wel wat gewend zijn. Een machine neemt dus altijd de ‘subjectieve’ beoordeling van mensen over. Dat verklaart het ‘subjective machines’ in de titel van een proefschrift dat over deze materie gaat (Reidsma, 2008).

De collega die van fuzzy logic hield confronteerde mij met een keuzeprobleem zoals dat met de twee manden met ‘bruin’ brood. Waar het mij hier om gaat is de vraag naar het fundamentele verschil tussen die twee wijzen van onzekerheid. Kun je vaagheid reduceren tot kansen en omgekeerd is kans zelf te definiëren zonder vaagheid?

Volgens de methode van de rus Loginov kun je vaagheid van begrippen zoals ‘bruin’ door middel van een enquete over het gebruik van het woord bruin als een kanswaarde definiëren: de kans dat men een brood ‘bruin’ noemt. Hier lijkt echter hetzelfde probleem op te duiken waarmee we begonnen: hoe moet ik een uitspraak die afgeleid is van wat een groep mensen vindt interpreteren?

Immers wie zegt dat ik het eens ben met hoe anderen (‘men’) het woord ‘bruin’ gebruiken? De veronderstelling is dat ik behoor tot een taalgemeenschap waarvan de leden dezelfde begrippen hanteren. Maar misschien heb ik wel een afwijkend kleurbegrip. Studenten van de Politieacademie gebruikten het woord ‘agressief’ anders dan studenten van de Universiteit Twente. En om terug te komen op het virus: misschien werkt dat bij mij wel net iets anders dan bij al die ‘normale’ Nederlanders, zodat die grenswaarde voor mij de plank mis slaat.

Het probleem

Bij het redeneren over kansen volgens de gangbare kansrekening doet zich een probleem voor wanneer we kansuitspraken willen gebruiken om iets te zeggen over een individueel geval. De keuze van het brood uit de vage mand biedt je volstrekte zekerheid over wat je krijgt. Anders dan bij de kansmand. Maar bij de vage mand krijg je nooit iets wat echt bruin is, het is altijd 0.5 bruin. Je zou kunnen zeggen dat volgens de fuzzy theorie de mate van bruinheid in het individuele brood is geobjectiveerd, terwijl het volgens de kanstheorie een eigenschap is van de verzameling van alle broden. Zo kan een fabrikant van een sneltest wel iets algemeens zeggen dat voor de hele samenleving geldt, maar niets over een enkel individu. Je zou bijna zeggen: de samenleving heeft wel wat aan statistiek, maar de individuele mensen niet. Dat klinkt als een tegenspraak. De samenleving bestaat immers uit individuen. De fuzzy methode werkt voor zover we ons willen confirmeren aan het ‘normale’ gebruik van de ‘vage’ taal.

Er zijn nog andere wiskundige theorieën ontwikkeld om met onzekerheden of plausibiliteit te kunnen rekenen. Wolfgang Spohn ontwikkelde een alternatieve theorie die is gebaseerd op het idee dat informatie zelf al bevat hoe betrouwbaar het is: rank theorie. Zijn theorie is een model voor het verrassingsgehalte van nieuwe informatie, een rang is een soort inverse van kans, want hoe kleiner de kans is dat iets optreedt hoe groter de verrassing is als het optreedt.

Twee wijzen van mogelijkheid

Volgens het begrip kans in de kanstheorie moeten we eerst een ‘veld van mogelijkheden‘ bepalen. Aan iedere mogelijkheid, uitkomst van een experiment, zoals een worp met een dobbelsteen, wordt dan een kans toegekend. De kans dat die mogelijkheid optreedt. Wanneer een mogelijkheid zich niet kan voordoen dan geven we die de kans 0. Maar waarom zouden we mogelijkheden die zich niet kunnen voordoen in eerste instantie opnemen in ons kansmodel, in de verzameling van mogelijkheden? Omdat we misschien pas later op grond van nieuwe informatie moeten besluiten dat die ‘mogelijkheid’ niet (meer) mogelijk is. De kans P(A) kan groter dan nul zijn maar de kans P(A | B) kan wel nul zijn omdat het gegeven B de mogelijkheid van A uitsluit. Bijvoorbeeld als je ziet dat het regent, dan is de kans dat het niet regent nul. Merk op dat hier sprake is van twee soorten van ‘mogelijkheid’. De eerste soort bepaalt het kansmodel. Het tweede soort bepaalt de kansen in het model. Die twee mogen niet verward worden.

Mogelijk of mogelijk?

Er spelen twee begrippen mogelijk een rol die gemakkelijk verward worden. Wanneer een bepaalde gebeurtenis zich voor doet dan is die mogelijk. Je zou hieruit kunnen concluderen dat die gebeurtenis dus ook in de toekomst mogelijk kan optreden. Dat hangt ervan af wat je onder die ‘gebeurtenis’ verstaat. Iedere gebeurtenis is immers uniek en kan dus nooit nog een keer optreden. Maar als je deze beschrijft dan hebben we het over een abstract algemene gebeurtenis. In de kansrekening zijn dat de mogelijke events van het kansmodel. Als we zeggen dat het feit dat het regent het onmogelijk maakt dat de gebeurtenis ‘het regent niet’ het geval kan zijn, dan hebben we het over fysisch of werkelijk mogelijk. In die zin kan niet zowel “het regent” als “het regent niet” mogelijk zijn. De wiskunde kent geen tijd: in het kansmodel blijven beide logisch mogelijk.

Wanneer we dus op grond van het optreden van een gebeurtenis, nieuwe informatie E, zeggen dat andere gebeurtenissen, zoals niet-E niet meer kunnen optreden en daarom kans nul krijgen, dan is dat iets anders dan wanneer we zeggen dat deze andere gebeurtenissen helemaal nooit meer kunnen optreden. Ze zijn door het optreden van dit event weliswaar nu onmogelijk, maar niet in principe. Het is verwarrend en fout spraakgebruik om te zeggen dat iets dat nu optreedt kans 1 heeft en iets dat nu niet mogelijk is omdat iets anders zich nu voordoet dat dit uitsluit daarom kans 0 heeft.

Kans: frequentie of plausibiliteit?

Het onderscheid tussen de abstract algemene ‘gebeurtenis’ (het event) en de concrete instantie van gebeurtenis, het optreden nu, wordt toegepast wanneer we zeggen dat een zelfde gebeurtenis herhaaldelijk kan optreden. Hierop berust de frequentie betekenis van het logische kans-begrip.

Wiskundig wordt de kans op een bepaalde uitkomst van een experiment gedefinieerd als de limiet (of ratio) van het aantal keren dat deze uitkomst optreedt in verhouding tot het aantal experimenten onder gelijke omstandigheden uitgevoerd. Hier wordt kans dus gedefinieerd met behulp van het vage begrip ‘gelijkheid’ (in de zin van ‘similar’). In de praktijk zullen de experimenten of metingen altijd verschillen. Ze zijn nooit exact gelijk.

Dit kansbegrip en de regels van de kansrekening zijn dus van toepassing in die situaties waarin er in principe sprake is van (oneindig) herhaalbare experimenten in ‘gelijke’ omstandigheden. Bij het gooien met een dobbelsteen mogen we er vanuit gaan dat de dobbelsteen dezelfde blijft en kunnen we afzien van de manier waarop het gooien met de dobbelsteen de uitkomst bepaalt. Het schudden voor het gooien is een vorm van randomiseren: je gelooft dan dat alle mogelijke beginsituaties dezelfde kans van optreden hebben.

Wetenschapper maken modellen en onderscheiden strict het redeneren binnen het model van het redeneren dat nodig is om het model zelf te evalueren. Wetenschappelijke kennis wordt in modellen uitgedrukt. Modellen zijn theorieën, ze staan voor wat we weten. Ze zijn het beeld dat de wetenschap van het kennisdomein heeft ontwikkeld. Het nadenken en open zijn over de aannames van je model is nog iets anders dan na te denken over wat je model nu precies modelleert.

Nog een andere kwestie is of je kennis van je model als kennis, dus eigenlijk de kenner die kent in je model kunt stoppen. Sommige geleerden, zoals Luciano Floridi en Max Tegmark proberen dat. Ze hebben zo’n model nodig hebt omdat ze zo kunstmatige intelligentie (Floridi) of het universum (Tegmark) willen beschrijven.

Het advies Willem Schaafsma

Een profeet vindt zelden gehoor in eigen kring. Enthousiast over de Bayesiaanse aanpak en de methode van Jaynes schreef ik een brief naar Professor Willem Schaafsma, de zeer aimabele statisticus die aan de Universiteit te Groningen de leerstoel van de Groninger Daniel Bernoulli bezette. Ik wilde hem ook vragen in de promotiecommissie van een PhD student van ons plaats te nemen.

Fragment uit de eerste brief van Schaafsma met gedicht van Kloos.

Ik kreeg een met de hand geschreven brief van 12 kantjes terug die hij aanving met ‘Beste collega, Wat een mooie brief!’ Maar verder was het wel duidelijk dat hij vond dat ik een toontje lager moest zingen. Dat ‘gedoe van Jaynes’ was wel aardig maar ik moest me goed realiseren dat het mogelijk is dat die prior van Jaynes in strijd kan zijn met de data. Hij beëindigde de brief met:

Onderschat die kansrekening en de daarop gebaseerde mathematische statistiek s.v.p. niet. Men probeert daar volstrekt expliciet alle in en outs te specificeren. Maar inderdaad: de statistiek kan niet zonder ‘Deus ex Machina’s’.

Met vriendelijke groet, Willem (ik bel je wel eens).

De Drie Gevangenen

Ik stuurde hem mijn stukje “What is probability theory about” waarin ik o.a. in ging op het beroemde probleem van de Drie Gevangenen.

Gevangenen A,B en C zitten in hun cellen. Ze weten dat één van de drie zal worden geëxecuteerd, de andere twee worden dan vrijgelaten. Alleen de gouverneur weet wie de ongelukkige is. Gevangene A vraagt de bewaker een gunst: vraagt u de gouverneur wie veroordeeld zal worden en laat dan één van de twee, B of C, weten dat hij vrijgelaten zal worden. De bewaker doet het en komt A later vertellen dat hij B heeft gezegd dat ie vrijgelaten wordt.

Wat is de kans dat A wordt geëxecuteerd gegeven deze nieuwe informatie van de bewaker? Verandert de informatie iets aan het geloof van A?

Er zijn verschillende opties.

Omdat A van te voren al wist dat B of C vrijgelaten zou worden is de informatie dat B het is voor A niet relevant. Zijn kans blijft dus hetzelfde.

Anderzijds: omdat er na het bericht van de bewaker nog slechts twee mogelijkheden zijn (A of C), is de kans dat A het is die geëxecuteerd wordt niet meer 1/3, maar 1/2 .

Volgens Gardner en anderen moeten we Bayes rule toepassen en is het correcte antwoord 1/3. De kansen veranderen niet door de informatie van de bewaker aan A.

Ik was het er niet mee eens.

Ik meende dat wanneer de gevangene in het verhaal nieuwe informatie krijgt van de bewaker hij een nieuw kansmodel zou moeten maken. En met dat model de nieuwe kans dat hij vrijgesproken zal worden kan berekenen. Waarom zou de gevangene dat niet doen? Ik toog naar Groningen waar de professor elke donderdagmiddag een soort van inloop-spreekuur hield. Iedereen kon daar terecht met een statistiekprobleem. Of zo maar, voor een kopje koffie. Daar ontmoette ik ook Dirk Kleima, mijn vroegere docent Informatietheorie, bij toeval. En Casper Alberts die bezig was met zijn promotieonderzoek bij Willem Schaafsma. De professor had Casper mijn stukje gegeven. Hij kende het dilemma van de gevangenen niet, maar vond het wel interessant. Hij besteedt er nog aandacht aan in zijn proefschrift.

De mathematicus probeert “alle ins en outs” expliciet te specificeren. Op eenzinnige wijze, klaar en helder. De ‘fout’ in mijn denken over De Drie Gevangenen was precies de verwarring van denken in het model en van buiten het model. Ik dacht: die figuren in de gevangenis die kunnen toch zelf wel nadenken. Maar dat was niet hun rol in de puzzel. Er werd over hen nagedacht en hun kansen waren in de opzet van het probleem al volledig vastgelegd. Het bleek een leerzame denkfout. De verwarring zit hem erin dat het niet duidelijk is wiens belief-state moet worden aangepast op grond van de nieuwe informatie. Die van de puzzelaar of die van de gevangene A? De puzzelaar moet iets zeggen over de belief-state van A. Niet door zich in hem te verplaatsen maar door hem als een object in een kansmodel te behandelen.

Informatie, wat is dat?

Wiskunde werd ook wel stelkunde genoemd. Omdat wiskundigen voortdurend allerlei dingen stellen. Stel dit, stel dat, …Om vervolgens te kijken wat uit deze aannames allemaal logischerwijze volgt. Frege heeft lange tijd gedacht dat je de wiskunde dus wel kan reduceren tot logica: hij is de vader van het logicisme. Maar ouder geworden zag hij dat dat niet mogelijk was. De wiskundige moet eerst wat stellen. En dat is niet logisch.

De mathematiek heeft problemen met het beschrijven van verandering, met mogelijkheden die werkelijk worden, met informatie die eerste vaag of onvolledig is en geleidelijk aan steeds duidelijker voor iemand wordt, zoals in een spreekuur, en met het beschrijven van machines die ‘zelf denken’ of modellen maken.

Problemen rijzen wanneer de mathematicus probeert deze zaken op wiskundige wijze te modelleren en daarbij niet heel consequent en rigide aan het onderscheid blijft vast houden tussen het model van buiten af gezien, als gemaakt door de wetenschapper en de kennis die in het model is vastgelegd. Die problemen uiten zich vroeg of laat in paradoxen. In logische tegenspraken, zoals de Russell paradox het gevolg is van de poging het verzameling begrip als verzameling te denken. Of in logisch gevolgen die in strijd zijn met onze intuïtie.

Een voorbeeld van zo’n paradox vond Luciano Floridi, filosoof van de informatie, in de semantische theorie van Bar-Hillel en Carnap. Door hem dan ook de Bar-Hillel-Carnap paradox gedoopt. Ook anderen zoals Mingers en Dretske wezen er op.

Ik meen nu dat de Bar-Hillel-Carnap paradox die voor Luciano Floridi aanleiding was om van informatie te eisen dat deze ware informatie moet zijn om informatie te zijn gevolg is van de verwarring tussen de manier waarop over onzekerheid wordt gedacht.

Het belang van het inzicht in deze paradox moet niet onderschat worden. Om tot een oplossing te komen vond Floridi een uitweg. Die komt neer op de these van de sterke semantische informatie. Die komt er op neer dat informatie alleen informatie is als het waar is.

Dat is in strijd met het gewone gebruik van ‘informatie’. Ik vind dat een universele theorie van informatie dat gebruik moet respecteren, omdat in het gebruik van de woorden het begrip van het volk tot uitdrukking komt.

Wanneer de virologe Marion Koopmans zegt: “The more we know, the less we know.” dan drukt ze daarmee uit dat nieuwe informatie aanleiding kan zijn onze kennis te heroverwegen. Passen we ons kansmodel aan of blijven we binnen het model opnieuw aposteriori kansen berekenen?

Dat er verschillende betekenissen en gebruiken zijn van het woord informatie is bekend. Shannon (van Shannon en Weaver’s The Mathematical Theory of Communication; zie mijn blog Het Kanaal) had het ook over informatie, maar het interesseerde hem niet in het minst wat de mensen zeiden of bedoelden die een bericht over zijn communicatiekanaal stuurden. Wat hem betreft zeiden ze “Het brood is wit en het brood is niet wit”. Hij codeerde het en stuurde het bericht het kanaal in. Wat hij deed was kansen berekenen. Hoe vaker een bericht voorkomt, des te korter werd de code voor dat bericht. Zo kun je maximaal gebruik maken van de breedte (capaciteit) van het kanaal. Hij hoefde immers niets met het bericht te doen dan ervoor te zorgen dat het op een efficiënte manier aan de ander kant van het kanaal ontvangen werd en weer gedecodeerd kon worden.

Bar-Hillel en Carnap waren wel geïnteresseerd in de betekenis van het bericht. Ook zij hadden ‘een tik van de wiskundige molen gehad’ en ze probeerden dus een wiskundig model te maken van de inhoud van de beweringen die mensen over het kanaal stuurden. Dat werd op den duur een zogenaamd ‘belief-update model‘.

Het idee van zo’n model is zo oud als Laplace. En je vindt het ook terug bij Jaynes. Als je nieuwe gegevens of informatie (dat werd niet onderscheiden) binnen krijgt dan verandert je geloof. De terminologie is allemaal Engels: belief heeft niets met geloof in de zin van religie te maken, maar met iets wat we bedoelen als we zeggen “ik geloof/denk dat het morgen gaat regenen“.

De geleerden (epistemologen en doxastici) zeggen dat we aan zo’n geloof, dat we dus in een bewering (zoals “het regent”) kunnen uitdrukken, een mate van vertrouwen of plausibiliteit toekennen (Sommigen beweren dat we dat doen; anderen zeggen dat we kunnen doen alsof we dat doen.) De hoeveelheid informatie die een bericht bevat kunnen we nu meten door te kijken hoeveel onze ‘geloofstoestand’, weergegeven door een heel stel beweringen over de wereld met daarbij de mate van geloof erin, door de nieuwe informatie verandert. De mate van geloof in de dingen die je gelooft verandert dus door de nieuwe informatie. Als je een bericht binnen krijgt met informatie die je al had, dan is de informatie-inhoud ervan voor jouw nul, want er verandert niets aan je geloofstoestand.

Die mate van geloof (plausibility van uitspraken) voldoet volgens sommigen aan de kanstheorie van Pascal.

Dat wil onder andere zeggen dat de mate van geloof dat het regent plus de mate van geloof dat het niet regent samen 1 is. Men spreekt van een ‘subjectieve’ kans die de plausibiliteit van een geloofsinhoud, een bewering, aangeeft. Dit is zeer breed aanvaarde wetenschappelijke formele kennis-theorie. De additieve wet van de kansrekening zegt dat de kans op iets bepaalds (een event) optreedt plus de kans dat dat iets niet optreedt samen altijd 1 is. Dat komt overeen met de klassieke logica die zegt dat als een bewering waar is dan is hij niet niet waar en omgekeerd.

Als we ons geloof dat het regent uitdrukken zeggen we: “Het regent”. We zeggen niet: “De oordeelszin “het regent” Is waar”. We zeggen ook niet “ik geloof dat het regent”. Als we iets geloven dan geloven we ook dat dat waar is en als we zeggen dat het regent dan menen we en bedoelen we ook meestal dat het regent. Ook al kan aan dat laatste soms getwijfeld worden. Vooral als het om een ander gaat die dat zegt. Niet omdat we denken dat er bewust gelogen wordt, maar omdat het vaak niet duidelijk is waarom het waar is, en wat het precies betekent. Het strikte scheiden van een zin en de waarheidswaarde ervan of van de zin als inhoud van een geloofstoestand of als iets dat beweerd wordt dat is allemaal verstandelijk gedoe. Dit gedoe doet de werkelijkheid soms nogal geweld aan.

Informatie berust op wat gegeven is

Uiteindelijk berust informatie op de onbetwijfelbare onmiddellijke zintuiglijke ervaring; op de beleving dat “het regent”. Daarin kennen we een zekerheid die niet het gevolg is van een conclusie. Het ervaren feit het hier en nu gegeven is onmiddellijke oorzaak van het geloof.

Als in de werkelijkheid iets gebeurt, zeg event A, dan kunnen we dat op verschillende manieren opvatten: als een teken of als een feit.

Is A een feit dan kun je concluderen dat A mogelijk is en dus vaker kan optreden. Je neemt dan aan dat wanneer (ongeveer) gelijke omstandigheden zich weer voordoen hetzelfde wel weer zal gebeuren. Wordt A opgevat als een teken dan moet je eerst bepalen wat het precies betekent. In de moderne natuurwetenschap wordt A opgevat als verschijnsel van een wetmatigheid, niet als een teken dat uiting is van een eigen bedoeling van de natuur.

De relatie tussen kans en informatie

De intuïtie over kans van optreden van een bericht en informatieinhoud ervan wordt uitgedrukt in een these: de “Inverse Probability Thesis”. Deze zegt “Hoe kleiner de kans dat een bericht optreedt des te groter is de informatie-inhoud van het bericht voor degene die het bericht ontvangt.”. Deze leidt echter tot de conclusie dat een bericht met de tegenstrijdige inhoud “Het brood is wit en het brood is niet wit” maximale informatie-inhoud heeft omdat het alle werelden die je op grond van je geloof voor mogelijk hield onmogelijk verklaart. Maar wat de bewering beweert heeft kans nul, omdat hij een onmogelijkheid uitdrukt. Daarentegen heeft de ware bewering “Het brood is wit of niet wit” geen informatie-inhoud want dit is trivialiter waar. Deze bewering heeft een kans 1: hij is altijd waar.

We zien hier dat onwaar en waar als grenswaarden van de kansgrootte worden gezien. Maar logisch waar of logisch onwaar zijn begrippen van een andere categorie dan de empirische categorie waarop het begrip kans betrekking heeft. We zien hier een verschil tussen de modellering van de “vage onzekerheid” en de “kans onzekerheid”. Bij de vage onzekerheid kunnen de grenswaarden 0 en 1 gezien worden als grenswaarden van dezelfde categorie. Wit en zwart zijn symmetrische tegenpolen: wat wit is in mate 1.0 is zwart in mate 0.0 en omgekeerd. Maar waarheid en onwaarheid van een oordeel zijn geen symmetrische begrippen. In die zin dat als een bewering beweerd wordt dan is deze ook waar. Als ik zeg “het regent” dan bedoel ik ook dat dat zo is. Het beweren houdt de waarheid van de bewering in. Pas wanneer we een formeel onderscheid maken tussen de bewering als het produceren van een oordeelszin en de oordeelszin op zich genomen dan pas verschijnt het onwaar zijn als een waarheidswaarde die aan de zin wordt toegekend. Maar dan gaat het niet meer over wat de zin beweert maar over het optreden van de zin als een talig object. Wie zal serieus beweren: “Het regent en het regent niet”? Zo’n bewering valt buiten de orde van elk redelijk gesprek.

De oorzaak van de Bar-Hillel-Cantor paradox is dus het niet goed onderscheiden tussen het voorkomen of produceren van de zin als iets uitwendigs en het beweren door middel van het uiten van de zin.

Frege voerde in zijn Begriffschrift de ‘Urteilsstrich’ (het symbool I– ) in omdat de bewering als talig object niet beweerd wordt. Dit onderscheid tussen de geuite zin en de bewering die de waarheid van de beweerde zin inhoudt is precies waar het omgaat als we ware en onware informatie willen onderscheiden. Maar van buiten kunnen we aan de uiting niet zien of deze ware of onware informatie bevat.

Een zin zegt niet van zichzelf of deze waar is. Ook een machine kan niet zeggen of deze de waarheid spreekt. Of informatie waar is, is iets dat in interactie overeengekomen moet worden. De basis voor informatie bestaat uit de gegevens. Dat zijn de inhouden van de onmiddellijke, zintuiglijke ervaringen. Deze kunnen we niet ontkennen zonder ons zelf te ontkennen. De gegevens zijn de blote feiten.

Over intelligente machines

In Floridi & Sanders (2004) wordt een poging gedaan om de vraag of een technisch systeem een ‘morele agent’ is te preciseren. Pas dan kunnen we het immers eens worden over een antwoord op deze vraag. F&S definiëren daartoe deze agenten op een wiskundige manier als een transitiesysteem. Zo’n systeem is op ieder moment in een bepaalde toestand. Die toestand bestaat op zich weer uit deeltoestanden.

Opdat zo’n systeem een autonoom genoemd kan worden moet deze in zekere zin uit ‘zichzelf’ kunnen acteren. Daarom bevat een deel van de toestand (‘het geheugen’) het programma van de agent. Dat zijn de actuele transitieregels die de toestandsverandering van het systeem bepalen/beschrijven. F&S spreken van een ‘cognitive trick’. Deze ‘trick’ berust echter op een verwarring: de beschrijving van het systeem wordt als onderdeel van het systeem zelf gezien. Variabelen waarmee de verandering van het systeem beschreven wordt krijgen ook een functie in het systeem zelf. ‘Observables’ zijn variabelen waarvan de waarden door het systeem geproduceerd worden en die tevens de functie hebben om de werking van het systeem te beschrijven. De verwarring is dat het systeem en de beschrijving van het systeem naast elkaar worden gezien. Maar de regels die ervoor zorgen dat het systeem werkt zoals in het programma-deel van de toestand staat zijn juist niet als onderdeel van het systeem in het programma opgeslagen. Die regels zijn juist geïmplementeerd in de materiële constructie (de hardware) van het systeem.

De Urteilsstrich van Frege’s Begriffschrift is juist niet een deel van de bewering. Zo zijn de regels volgens welke de machine werkt juist niet een deel van het programma dat de machine uitvoert. Op dezelfde wijze zegt P( A | H ) = 1 dat A in het kansmodel de kans 1 heeft om waar te zijn, wat een bewering in een andere taal is dan de taal waarin we zeggen dat de bewering A waar is.

Taal en Taalmodel

Een zelfde verwarring van model en werkelijkheid ligt op de loer wanneer we een formele grammatica en een lexicon hebben opgesteld die de ‘natuurlijke taal’, de echte taal die wij gebruiken, modelleert. Zo’n formele taal is een wiskundig object, een verzameling van ‘zinnen’, dat zijn rijtjes ‘woorden’ uit het lexicon van de formele taal. De formele grammatica specificeert wat precies de goed-gevormde zinnen van de taal zijn. Het is een systeem dat gebruikt kan worden om zinnen, rijtjes woorden, te genereren. Voor de constanten van het model die staan voor de woorden die in de formele taal voorkomen kiezen we (meestal) de woorden uit de echte taal waarvoor ze staan. Dus het woord ‘brood’ in de formele taal, het wiskundig model, staat voor het woord ‘brood’ in onze echte taal. Het is een ‘identifier’ waarmee het wiskundig object dat model staat voor het woord door ons wordt aangeduid. Zoals we cijfers gebruiken als ‘namen'(tekens) voor getallen, de eigenlijke wiskundige objecten.

Bij het tekstverwerken verschijnen de representaties van de woorden op het beeldscherm. Maar deze twee zijn daarmee nog niet gelijk. De constante term ‘brood’ in het model is weliswaar in zekere zin inhoudelijk (‘materialiter’) identiek aan het woord ‘brood’ in de taal die wij gebruiken, maar is er formeel van onderscheiden. De machine kan een rijtje woorden produceren (‘schrijven’ of ‘uitspreken’) maar dat is een model van het zeggen dat wij doen als we ‘een zin uitspreken’.

Wie het taalmodel voor de echte taal houdt en het produceren van een zin voor het zeggen houdt, die beschouwt de mens als een machine of de machine als een mens. In beide gevallen wordt het formele en het materiële aspect niet onderscheiden. De formele identiteit, het wiskundige conceptuele model, de structuur van de machine, wordt tot de zelfde werkelijkheid gerekend als de machine die er door beschreven wordt. Wiskundige objectiviteit en fysische objectiviteit worden vereenzelvigd. Daarmee wordt betekenen en refereren een relatie tussen gelijksoortige entiteiten. Bij kennis is er net als bij taal echter wezenlijk sprake van zowel een identiteit als van een onderscheid. In de kennis is het gekende aanwezig op de wijze van gekend te zijn. Kenbeeld en werkelijkheid zijn in het kennen zowel identiek als onderscheiden. De machine is machine voor de mens die deze als machine ziet. Ze is objectivatie van een denkconstructie, waarbij gebruik gemaakt wordt van de wetten van de natuur.

Je zou kunnen zeggen dat de intelligente machine juist gebruik maakt van de verwarring. De ontwerper heeft er met opzet voor gekozen om voor de identifiers van de observeerbare entiteiten van de interface (het beeldscherm) die tekens te nemen die lijken op de woorden van de taal van de gebruiker. Zo heeft het er alle schijn van dat de machine de taal van de gebruiker spreekt of schrijft.

Een Universele Theorie van Informatie

Vanwege de Bar-Hillel-Carnap paradox kozen Floridi en ook Mingers ervoor dat semantische informatie waarheid moet inhouden (de ‘Veridicality Thesis’): informatie is ware informatie. Waarom is dit onbevredigend?

Een Universele Theorie van Informatie als uitdrukking van ons begrip van informatie moet zowel aansluiten bij het dagelijkse gebruik van de term als bij het gebruik in de verschillende wetenschappen. Verschillende mensen, waaronder Shannon en Floridi, hebben hun scepsis geuit dat zo’n theorie er zal komen. Er worden soms drie ‘soorten’ informatie onderscheiden: syntactisch (Shannon), semantisch (betekenis) en pragmatisch (gebruik/effect). Maar er is nog geen theorie die ze alle drie in verband brengt. Dit is hoogst onbevredigend. Het duidt erop dat we nog niet goed begrijpen wat informatie is. Terwijl in het ICT tijdperk alles zo’n beetje om ‘informatie’ draait.

De weg naar een oplossing

De ‘cognitive trick’ die Floridi en Sanders nodig hebben om een agent op wiskundige wijze als een transitiesysteem te beschrijven is dat ze de beschrijving van het model van de agent/het systeem en de beschrijving van de veranderingen van het systeem het programma van de machine door elkaar halen. Dat komt omdat de geprogrammeerde machine als onderdeel zijn eigen programma bevat. Als je dat een beetje sloppy formuleert dan zeg je dat een toestand van het systeem de functie bevat die zegt hoe het systeem van toestand moet veranderen wanneer het ‘zich’ in deze toestand bevindt. Maar zo werkt het niet.

Het programma en de machine

Als een machine werkt dan voert het voor ons weliswaar een programma uit maar hij doet dat niet volgens dat programma, maar volgens een ander programma. Als je een wasmachine geprogrammeerd hebt door de gewenste instellingen met de diverse knoppen op de interface te kiezen en daarna op de start knop drukt, dan start je niet de wasmachine zelf op. Die moet immers al werken. Je start het programma op. Het starten van het programma is iets van binnen het model. Het aansluiten en programmeren is iets van buiten het model.

De paradox van Bar-Hillel en Carnap berust op een vergelijkbare verwarring tussen binnen en buiten het model. De bewering als zin en de bewering als bewering over een werkelijkheid zijn twee verschillende aspecten van de werkelijkheid van het informatie begrip. Het is een vorm van solipsisme te doen alsof je het over ware informatie kunt hebben als een objectief ding, iets dat je kunt verzenden.

De zin “Deze zin is waar” lijkt wel iets te zeggen, maar de zin waarnaar deze verwijst is slecht de zin als object waarnaar “van buiten af” verwezen wordt en dat is juist niet de zin die wordt uitgesproken. Zou dat wel het geval zijn dan zou de zin “Deze zin is niet waar.” een logische paradox zijn en dus niet kunnen bestaan.

Informatie en kennis en communicatie behoren tot het domein van de intersubjectiviteit niet tot dat van de wiskunde en de machines. We moeten dus om informatie te snappen uitgaan van de intersubjectiviteit en niet zoals we nu steeds doen uitgaan van geïsoleerde subjecten. Alsof communicatie iets is dat gemaakt kan worden uit twee van elkaar gescheiden gedachte subjecten.

Een subject is altijd subject voor een ander subject: de kern ervan is de intersubjectiviteit.

Tot slot

Het klinkt zo logisch en triviaal: je moet het model niet met de werkelijkheid verwarren. En toch trappen we er steeds weer in. We vergeten dat de machine zoals we die zien een beeld is van de machine, en dat werkelijkheid zoals we die beschrijven niet de werkelijkheid zelf is, maar een beeld ervan. De verwarring ligt op de loer wanneer we beeld en maker van beeld allebei afbeelden. Het objectiveren van het wiskundig redeneren in de computer nodigt tot deze verwarring uit: de maker van het beeld als maker in de machine te denken.

In “De poging tot het onmogelijke” heeft Magritte dit idee verbeeld.

De poging tot het onmogelijke (Magritte)

Niet alleen gaat de wetenschap zoals Aristoteles al opmerkte niet over een bepaald individu, ook wordt kennis tegenwoordig opgevat als iets dat geabstraheerd is van de individuele persoon die de kenner is. Kennis is gedesubjectiveerde kennis. Ik zou deze vorm van kennis informatie noemen en de kennis die integraal deel is van de persoon kennis. Informatie is wat je deelt en wat in gesprekken tot stand komt en verbeterd wordt. Kennis is wat je zelf weet of gelooft. Ik denk dat het niet toevallig is dat Floridi bij zijn onderzoek naar een formele logica voor het redeneren over beweringen als “agent a heeft informatie x” tot een modale logica komt die equivalent is met een kennis logica. Zijn uitgangspunt is dat informatie waar moet zijn. Maar wat waar is dat komt in een dialoog naar voren. Informatie is immers het voorlopig resultaat van een meting of een vraag die wanneer beide partijen het eens zijn over de betekenis en de mogelijke antwoorden erop ook een meting is. Informatie in de volle zin van het woord bestaat voor degenen die betrokken zijn in een interaktief proces van kennisverwerving en informatie-uitwisseling. Buiten dat proces kan er geen spraken zijn van waarheid of ware informatie. De idee dat kennis waarachtig geloof is getuigd van een opvatting van een buitenstaander die kan beoordelen wat waar. Maar zodra deze buitenstaander zo’n oordeel uitspreekt is hij geen buitenstaander meer.

Mijn kennis is mijn persoonlijk eigendom; ontwikkeld in mijn contacten met anderen, met mensen zoals mijn ex-collega’s van de UT en met Professor Schaafsma. Die kennis is ondeelbaar, gebonden aan de eigen ervaring, anders dan informatie die deelbaar is. Google en de Belastingdienst mogen nog zoveel informatie over mij hebben, mij kennen is iets anders.

Wat heb je nu aan statistische uitspraken als je die op een enkel bijzonder geval, op je zelf, op die ene keuze die je moet maken in dat ene leven dat je hebt, wil toepassen? Het hangt ervan af hoeveel informatie die op dit geval betrekking heeft is meegenomen in het kansmodel. En omdat dat altijd beperkt is blijft het een kwestie van God zegen de greep oftewel zoals Willem Schaafsma schreef in zijn brief, van een “Deus ex machina”.

Bronnen

Rudolf Carnap and Bar-Hillel, Yehoshua (1952). An Outline of a Theory of Semantic Information. Cambridge: Research Laboratory of Electronics, MIT.

Peter Cheeseman (1985). In defense of probability theory. IJCAI’85: Proceedings of the 9th international joint conference on Artificial intelligence – Volume 2, August 1985, Pages 1002–1009. “Probability theory is all that is needed“.

Simon Keizer, Rieks op den Akker, Anton Nijholt (2002). Dialogue act recognition with Bayesian networks for Dutch dialogues. Proceedings of the Third SIGdial Workshop on Discourse and Dialogue, 88-94. Eén van de eerste papers waarin Bayesiaanse netwerken gebruikt worden voor dialoog-handeling-herkenning.

Judea Pearl & Dana Mackenzie (2018). The Book of Why : the new science of cause and effect. New York: Basic Books.

Judea Pearl (2001), Causality: models, reasoning and inference. Cambridge University Press, Revised edition, 2001.

Dennis Reidsma (2008). Annotations and Subjective Machines: Of Annotators, Embodied Agents, Users, and Other Humans, PhD thesis, Universiteit Twente.

Rieks op den Akker, Merijn Bruijnes, Rifka Peters, Teun Krikke (2013). Interpersonal stance in police interviews: content analysis, Computational linguistics in the Netherlands journal 3, 193-216, 2013.

E.T. Jaynes (2003). Probability Theory: the logic of science. Cambridge University Press.

Krippendorff, K. (2004), Reliability in content analysis: Some common misconceptions and recommendations, Human Communication Research 30(3), pp. 411–433.

Luciano Floridi, Sanders, J. (2004). On the Morality of Artificial Agents. Minds and Machines 14, 349–379 (2004).

Luciano Floridi (2006). The Logic of Being Informed. Logique & Analyse 196 (2006)

Luciano Floridi (2008). The Method of Levels of Abstraction. Minds & Machines 18, 303–329 (2008).

Luciano Floridi (2010). The Philosophy of Information as a Conceptual Framework. Know Techn Pol 23, 253–281 (2010).

Luciano Floridi (2003). On the intrinsic value of information objects and the infosphere. In: Ethics and Information Technology, volume 4, pages 287–304(2002)

Luciano Floridi (ed.) (2016). The Routledge Handbook of the Philosophy of Information.

Loginov, V.I. (1966). Probability treatment of Zadeh membership functions and their use in pattern recognition, Engineering Cybernetics pp. 68–69.

John Mingers (2013). Prefiguring Floridi’s Theory of Semantic Information. tripleC 11(2): 388-401, 2013.

Wolfgang Spohn (2009). A Survey of Ranking Theory. In: F. Huber, C. Schmidt-Petri (eds.), Degrees of Belief, Synthese Library 342, 2009.

Over geschiedenis – de onvoltooid verleden tijd

Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott” (Leopold von Ranke)

Een typisch kenmerk van ouder worden is dat de meeste mensen die je al langere tijd kent ook ouder worden en dat schijnt onvermijdelijk gepaard te moeten gaan met allerlei ‘ouderdomskwalen’, waarvan de meest definitieve is het dood gaan.

Een ander kenmerk is wat ik ‘het verschuiven van de reminiscentie-bobbel’ noem. Op het bestaan van zo’n ‘herinnering-bobbel’ werd ik gewezen door de Groningse hoogleraar Douwe Draaisma. Deze geheugendeskundige, auteur van diverse boeken over onder andere de geschiedenis van de psychiatrie, hield hierover een boeiende voordracht. Het fenomeen ‘reminiscentie-bobbel’ houdt het volgende in. Het blijkt uit allerlei onderzoek dat wanneer we de leeftijd van zestig gepasseerd zijn, we ons steeds meer en beter herinneren wat er in de periode uit ons persoonlijk leven gebeurde toen we ongeveer 15 tot 20 jaar waren, onze tienerjaren. Ook onze muziekvoorkeur gaat weer uit naar ‘onze’ muziek van die periode.

Wanneer we onze levensjaren op de horizontale as van een grafiek uitzetten van 0 tot onze huidige leeftijd, en op de verticale as het aantal persoonlijke gebeurtenissen die we ons herinneren of het aantal keren dat we herinneringen hebben aan bepaalde gebeurtenissen in een bepaalde periode, of het aantal bladzijden dat auteurs van een autobiografie besteedden aan een bepaalde periode in hun leven, dan vertoont deze grafiek een bobbel in de periode van de tienerjaren. Draaisma noemde het een ‘robuust’ verschijnsel. Op de vraag aan de toehoorders hoe dit te verklaren kwam een aantal suggesties maar die bleken toch niet bevredigend te zijn. Voor zover mij bekend is er nog geen bevredigende verklaring voor.

Ik heb de indruk dat deze bobbel naarmate je ouder wordt naar voren (of naar achteren; hangt ervan af waar je begint) verschuift. Ik bedoel steeds meer naar de jongere jaren. Misschien dat je op je honderdste dingen herinnert die je vlak na je geboorte hebt meegemaakt.

Bij mij gaat het ouder worden nog met iets anders gepaard. Dat is een toenemende interesse voor de geschiedenis. Een daarmee bedoel ik niet zozeer de persoonlijke geschiedenis en ook niet zozeer de feitelijke geschiedenis (het verleden), maar in de vraag naar de geschiedenis als geschiedenis. Misschien is het toenemend besef van in de geschiedenis te leven ook wel een algemeen verschijnsel van ouder worden.

Op de middelbare school vond ik het vak geschiedenis maar onzin. Meester Staal, zo heette mijn leraar geschiedenis, kon prachtige verhalen vertellen over de Griekse mythologie, maar waarom moest ik weten wanneer en waarom er ergens in een ver verleden ver weg een oorlog was tussen Noord en Zuid? Geschiedenis was voor mij iets dat al geweest is. En inderdaad voor zover het al geweest is, is geschiedenis ook van nul en generlei waarde.

De geschiedenis kun je zien als een verzameling heldenverhalen, zoals die van Asterix en Obelix. Maar zijn de helden van nu altijd helden geweest? Een held is een historisch verschijnsel: men kijkt in verschillende periodes anders tegen bepaalde figuren aan.

Neem Vercingetorix (ca. 82 – 46 v.Chr.). Hij was een Gallische koning uit Auvergne die aan het hoofd stond van de Gallische Opstand tegen de Romeinen in 53 – 52 v.Chr.
Vercingetorix wordt door de staatsman en strateeg Julius Caesar beschreven in zijn werk Commentarii de bello Gallico waarin hij de strijd en de verovering van Gallië beschrijft. Nadat hij lange tijd in vergetelheid was geraakt vond de ‘herontdekking’ van Vercingetorix plaats onder het bewind van Napoleon III. De keizer schijnt enige historische belangstelling te hebben gehad. De historische figuur van Vercingetorix bleek een uitstekend middel om de nederlaag van Frankrijk tegen Pruisen van 1871 te verwerken. Historici zagen opvallende parallellen tussen de geschiedenis van de Gallische hoofdman en de Frans-Pruisische Oorlog. Op verschillende plaatsen werden later standbeelden opgericht voor de volksheld. (bron: Wikipedia).
Onze leraar Frans las ons voor uit de avonturen van de striphelden Asterix en Obelix. In het Frans wel te verstaan zodat wij er weinig van meekregen. Meester Wouda zelf genoot er echter zichtbaar van.

Nu realiseer ik me meer en meer dat wat nu is geschiedenis is en dat wat is ook niet anders begrepen kan worden dan als geworden, als resultaat van geschiedenis. Wat is, is geschiedenis. De filosoof Luciano Floridi merkte eens op dat we van het woord ‘being’ het ‘-ing’ deel vaak vergeten. Inderdaad, ‘zijn’ is een werkwoord, het duidt op een activiteit, verandering in continuïteit.

De werkelijkheid zien als geworden en in wording, dat wil zeggen als iets historisch, dat is een wijze van zien en begrijpen die helemaal niet past bij de wijze van zien en begrijpen die ik vanwege mijn opleiding meer gewend ben: de wiskundige, wetenschappelijke manier van denken van de techniek. In het wiskundig en technisch denken staat de wat-heid van iets, dat is: wat iets is, hoe iets gespecificeerd of bepaald is, tegenover de dat-heid er van: dat iets is. Met tegenover bedoel ik echt radicaal tegenover: of iets wel of niet werkelijk het geval is, dat bepaalt op geen enkele manier wat dat iets is. Je kunt in de wiskunde bewijzen dat iets niet bestaat omdat je precies kunt vastleggen wat datgene dat niet bestaat is.

Een voorbeeld van een bewijs dat iets bepaalds niet bestaan kan

Planaire of vlakke grafen zijn grafen die op een plat vlak kunnen worden getekend zonder dat de lijnen die de punten van de graaf verbinden elkaar snijden. Een volledige planaire graaf is een planaire graaf waarvan elk punt met alle andere punten verbonden is. We kunnen het nu hebben over de volledige planaire graaf op drie, op vier of op vijf punten. Maar er is een groot verschil tussen de eerste twee en de laatste. De eerste twee bestaan wel, maar een volledige planaire graaf op vijf punten bestaat niet ! De wiskundige Euler heeft dat omstreeks 1735 bewezen. Je kunt proberen zo’n ding te tekenen, maar het feit dat je dat niet lukt, is nog geen bewijs. En je moet niet denken dat de waarheid van de stelling dat zo’n ding niet bestaat in de loop der jaren veranderd is.

Wiskundige objecten zijn slechts gedacht. Als we in de werkelijkheid een bepaalde structuur, een aantal, of vorm herkennen dan zien we het als gedacht.

Heel anders is de relatie tussen wat iets is en dat iets is in de geschiedenis. Daarin worden dingen werkelijk en werkelijker. Er is verandering: wording en verval. Wanneer we dat op wiskundige wijze willen begrijpen dan zien we een systeem met processen dat verschillende onderscheiden toestanden doorloopt: de toestanden van de werkelijkheid. Wanneer we de geschiedenis, of de levende natuur als levend willen begrijpen dan schiet deze wijze van denken te kort.

Hoe wordt de loop van de geschiedenis bepaalt? Twee mogelijkheden. Of er is iets buiten de geschiedenis dat de loop van de geschiedenis bepaalt, of de geschiedenis bepaalt haar eigen loop. Of is er nog een derde mogelijkheid, namelijk dat de geschiedenis beschikt over zijn eigen vermogen tot voortgang, een vermogen dat juist door die voortgang steeds vermogender wordt.

De geschiedenis is noodzakelijk gegaan zoals deze is gegaan. De figuren en de omstandigheden zijn uniek. Een contra-feitelijke vraag als “wat als Hitler niet geboren was…?” is zinloos. Er zijn geen alternatieven voor wat er gebeurt is; er zijn slechts verschillende interpretaties, beschrijvingen wat er gebeurt is. Toch is de mens vrij naar de toekomst toe. De mens is geen marionet van de geschiedenis.

Misschien zijn er invarianten, wetten. Zoals de strijd tussen de meesters en de knechten, tussen de onderdrukkers en de onderdrukten, de armen en de rijken, de machtigen en de machtelozen. Die strijd lijkt van alle tijden.

De geschiedenis als feitenmateriaal

De geschiedenis is overal. In de namen van de straten. De ‘Landweerweg’ verwijst naar de oude landweren, die hier lagen, doornenstruiken en bossages die zowel dieren als de vijand buiten de tuin der Nederlanden moesten weren. De ‘Assinksweg’ naar het boerenerf op de Linderes waarop al vele generaties lang geboerd wordt. Op deze es woon ik tussen Lonneker en Losser. Hier sloegen verkenners van de troepen van Maurits, de latere Prins van Oranje, de tenten op tijdens zijn veldtocht in 1597. Deze verhoging in het landschap bood een goed uitzicht op Enschede, de stad die Maurits wilde bevrijden van de Spaanse overheerser. Kennelijk stonden de eiken die nu het zicht op de stad ontnemen er toen nog niet. Maurits wilde door het veroveren van de vestingsteden Rijnberk, Meurs (hier werd op 6 December 1649 ene Jacobus op den Akker geboren, geen familie), Grol (het huidige Groenlo), Bredevoort, Enschede, Oldenzaal, Ootmarsum en Lingen, “een reeks van kleine stadjes in de Achterhoek en Twente“, (Brugmans en Kernkamp, p.231), de oostgrens vanaf de Rijn afschermen tegen Spaanse invallen. In 1597 bevrijdde het leger van Maurits zonder slag of stoot Enschede.

Enschede 1570. Door Jacob van Deventer Rijksarchieven, fragment van een grotere kaart

De omvangrijke marke Lonneker werd in 1811 een zelfstandige gemeente. Enschede was slechts een klein stadje geheel omsloten door Lonneker. De Hopstraat, genoemd naar de hopplant (en de hopvogel!) die door de nabijgelegen Grolsche bierbrouwerij gebruikt werd, lag in Lonneker. In 1934 ging de gemeente Lonneker op in de gemeente Enschede. Sommige oudere inwoners van Lonneker kunnen het nog steeds moeilijk accepteren. “Ik woon niet in Enschede; ik woon in Lonneker!

De geschiedenis wordt ook gekoesterd; als het ons uitkomt. Wat een lange geschiedenis heeft is alleen daarom al van waarde. Toen de provincie Overijssel enkele jaren gelden weer eens met het plan kwam voor een rondweg om Lonneker, een rondweg die dwars over de es was getekend, kwamen de bewoners van het buitengebied in opstand. Het eeuwenoude cultuur-landgoed moest kost wat kost behouden blijven. Een rondweg zou het einde betekenen van de laatste nog overgebleven boerenbedrijven op de flanken van de es. De geschiedenis won het gelukkig van de vernieuwingsdrang.

De idee geschiedenis

Ook de betekenis van geschiedenis verandert in de loop van de geschiedenis. Wat nu ‘kennis’, of ‘oorzaak’ of ‘informatie’ heet was in vroeger tijden iets anders dan wat wij er nu onder verstaan. Misschien niet heel iets anders, maar wel anders. Volgens de historicus David Wootton was er voor 1700 geen sprake van ‘facts’, van ‘feiten’ zoals we die nu kennen. Ik realiseer me dat er mogelijk een tijd is geweest dat er helemaal nog geen sprake was van ‘informatie’. Ik bedoel daarmee niet dat er geen informatie was, maar men zag het niet als informatie. Terwijl nu alles lijkt te draaien om kennis en informatie. Het zijn de belangrijkste economische goederen. Wat voor kennis en voor informatie geldt, geldt ook voor het begrip geschiedenis, dat het zelf een geschiedenis heeft.

Gaat de geschiedenis vooruit?

Ik ben opgegroeid in het geloof dat er een ontwikkeling in de geschiedenis gaande is en dat wij daar deel aan hebben. Er heerst een zeker vooruitgangsgeloof. Ik vermoed dat dit te maken heeft met de heerschappij van de technologie, van het mathematisch-experimenteel wetenschappelijk denken dat verweven is met de idee van technische vooruitgang en met de idee van economische groei. Wij weten steeds meer en steeds beter en de wereld wordt ook steeds beter. We hebben een kennis-industrie. Kennis en informatie zijn schaarse economische waren waar meer behoefte aan is dan dat ze beschikbaar zijn. Het produceren van kennis en nieuwe technologie wordt gezien als bijdrage aan de vooruitgang van de mensheid.

De moderne mens probeert het ideaal beeld van de autonome mens te realiseren door zich te bevrijden van de onredelijke willekeur van de natuur juist door de natuurkrachten tegen elkaar uit te spelen. Hij wil het subject worden van de geschiedenis. Hier heerst de Hegeliaanse idee van de wereldgeschiedenis als “der Fortschritt im Bewustsein der Freiheit“.

De logische conclusie die je uit dit vooruitgangsgeloof lijkt te moeten trekken is dat wij, die nu leven, op een of andere manier ‘verder zijn‘ dan onze voorvaderen. Vanaf het moment dat ik me dit realiseerde heb ik dit een onverdraaglijk idee gevonden: dat mijn ouders, die al enige tijd overleden zijn, ‘minder ver‘ zouden zijn dan wij die nu leven en dat hun voorvaders – en -moeders weer ‘minder ver’ zouden zijn dan zij.

Maar hoe ‘verder’?

Het betekent dat je de geschiedenis en de mensen die toen leefden de maat oplegt van onze tijd. In plaats van ze in hun eigen tijd en in hun eigen waarde te laten. Want, in welke zin zijn wij verder dan onze voorvaderen, de oude Grieken?

In oude college-aantekeningen uit 1979/80 kwam ik het volgende citaat van Leopold von Ranke (1795-1886) tegen: “Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott“. Het is een opvatting die tegen een teleologische geschiedenisinterpretatie in gaat.

Ik denk niet dat ik veel met die Gott van von Ranke heb. Maar ik kan me daarbij vanwege mijn katholieke opvoeding wel iets voorstellen. Als het in je leven niet voornamelijk draait om nuttigheid om wat de dingen die je doet betekenen voor later, maar daarentegen je meer bij het nu leeft en het erom gaat de zin van het leven te zien in het leven zelf dat je leeft, dan maakt het niet uit of je nu of in de Middeleeuwen of in de tijd van de oude Grieken leeft. Iedereen leeft dan in zijn eigen nu. Wij moeten de historische mens in zijn waarde en tijd laten. Wij moeten Aristoteles en Prins Maurits van Oranje niet als onze naaste beschouwen.

Misschien moeten we de standbeelden die onze voorgangers ooit oprichtten voor hun helden ook meer zien als getuigen van hun opvatting over hun helden. Niet als onze helden. Het willen wegpoetsen van de geschiedenis, door beeldenstormen en boekverbrandingen, getuigt van een bepaalde houding tegenover de geschiedenis.

Ik denk dat de term ‘Fernstenliebe’ (de ‘liefde voor wat verder weg ligt’), zoals Jan Hollak die in zijn “De wording van de menselijke geest” en zijn “Betrachtungen über das Wesen der heutigen Technik” gebruikt, verwijst naar een houding ten aanzien van onze voorvaderen die de historisch mensen meer in hun waarde laten.

De ‘Ferstenliebe’ is voor ons daarbij dan meer in het bijzonder de zuivere uitdrukking van de historiciteit van de mens. Eerst in het positieve en adequate willen van zijn historiciteit aanvaardt de mens volledig zichzelf als wordende en geworden geest.” (Hollak, p.89-90)

Het is te hopen dat we de verworvenheden van en de ervaringen met de steeds autonomer wordende technologie kunnen benutten om ons meer van de ‘historiciteit’ bewust te worden. Zo kunnen we misschien tot een herinterpretatie van de geschiedenis en daarmee van het leven komen die meer recht doet aan het positieve begrip vrijheid dan de negatieve invulling van vrijheid als individuele onafhankelijkheid die nu aan dit begrip gegeven wordt. Het lijkt me verstandiger om onze afhankelijkheid van natuur en geschiedenis te aanvaarden dan ons er tegenover af te zetten als iets dat niet van ons is.

Bronnen

H. Brugmans (1890). Nieuwe Geschiedenis. deel III van de Algemeene Geschiedenis door Brugmans en Kernkamp, Uitg. A.W. Sijthoff, Leiden.

Maarten Coolen (1979/80). Aantekeningen bij het Colloquium Antropologische Interpretaties van de Techniek, Universiteit van Amsterdam, 1979/80.

Hollak, Jan (2010). Denken als bestaan: het werk van Jan Hollak. Uitgeverij DAMON, Budel, 2010. Deze bevat de in dit artikel genoemde bijdragen van Jan Hollak.

H. Visscher en L.A. van Langeraad (1907). Het Protestantsche Vaderland, hierin: Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland. Deel 1(1907)– (Lambregt Abraham van Langeraad, Hugo Visscher, auteurs), Kemink & Zoon, Over de Dom te Utrecht, 1907.

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.

Stichting Historische Sociëteit Enschede-Lonneker. Verovering van Enschede door Prins Maurits. Op wikipedia item Inname van Enschede: “Groepen verkenners trokken van Losser naar Lonneker waar zij vanaf het hoogste punt de omgeving goed konden observeren”. Online (bezocht 03-04-2021). Bron: A. Duyck.

Anthonie Duyck, raadpensionaris van Holland (1621-1629) deze hield een dagboek bij over de veldtochten van Maurits van Nassau. Dit werd met aantekeningen als Journaal van Maurits’ krijgsverrichtingen van 1591-1602 uitgegeven door Lodewijk Mulder in 3 delen, ‘s-Gravenhage en Arnhem, 1862-’66.

Field lab: het leven als experiment

De sexwerkers van Amsterdam, Utrecht, Groningen en Bennekom (de plaatsen waren aselect gekozen) werden in drie groepen verdeeld. De groep met, de groep zonder en de pijp-groep. Iedere groep werd weer in twee subgroepen verdeeld: een deel van de sexwerkers moest tijdens het bezoek een mondkapje dragen, de andere niet. Het doel van dit field lab experiment is, zo legt één van de organisatoren uit, om te kijken wat het virus in de verschillende condities doet.

De bezoektijd wordt geregistreerd (er geldt een limiet van 20 minuten) en de activiteiten worden nauwgezet gemonitord. Deelnemers worden vóór en na getest op corona en ze moeten uiteraard vooraf een informed consent formulier lezen en invullen waarbij ze aangeven zich aan de spelregels van hun groep te houden. Daarin staan ook de regels waar de organisatie zich aan zal houden, zoals dat de video-opnames niet op Facebook of Youtube komen te staan.

Eén enkele oproep van de organisatie onder leiding van de Minister van Volksgezondheid en Sport volstond om ruimschoots voldoende deelnemers te werven. Toen ik mijn vrouw had overtuigd van mijn goede bedoelingen (“Het is voor een goed doel”, “Het is voor de wetenschap.”, “Ik zie het als een burgerplicht”) zei ze eindelijk: “Okay, maar dan geef ik me ook op.”. Een bewonderenswaardige vorm van solidariteit.

De uitslag van dit field lab-experiment zal binnenkort wel op de site van het ministerie verschijnen. Laten we er maar het beste van hopen voor deze beroepsgroep en haar naar vrijheid snakkende clientele.

Social Engineering

Ooit was ik lid van de Ethische Commissie van de afdeling Wiskunde en Informatica in Twente. Deze commissie – in 2015 naast die van de UvA nog de enige in haar soort in Nederland – was enige jaren daarvoor opgericht door een groepje betrokken onderzoekers waaronder Femke Nijboer en Aimee van Wynsberghe. Deze toptalenten deden beide onderzoek op het gebied van het ontwerpen van techniek waarbij de interactie met de specifieke doelgroep (respectievelijk locked in syndroom en hulpbehoevende ouderen) sleutelthema is. Toen Femke te druk werd nam ik haar taak over.

Zo’n ethische commissie (EC) is een typisch voorbeeld van de geïnstitutionaliseerde zelfbezinning van de moderne mens in de zin van Helmut Schelksy’s “Ist die Dauerreflektion institutionalisierbahr?” (1965). De initiatiefnemers van de EC hadden al een uitgewerkt protocol met schema’s van types onderzoek opgesteld voor het afhandelen van aanvragen voor ‘ethisch pikant’ onderzoek. De opzet was geïnspireerd door de al langer bestaande medisch-ethische protocollen bewaakt door de medisch-ethische commissies. Dat betekent dat het vooral ging om mensen die bij experimenten betrokken waren als deelnemer en onderzoekobject te beschermen tegen mogelijk ongerief tijdens die experimenten. Wanneer een onderzoeker bijvoorbeeld wilde onderzoeken wat het effect is van een VR-bril op de beleving dan moest deze volgens het protocol de deelnemers wijzen op mogelijke negatieve effecten. In de loop der jaren werd steeds meer aandacht besteed aan datamanagement. Hebben de onderzoekers wel nagedacht en een plan voor wat er met de gegevens, waar onder vaak video-opnames, gebeurt?

Er waren ook morele uitdagingen. Het lastigst waren de zogenaamde social engineering onderzoekvoorstellen. Die kwamen in grote aantallen van studenten die een vak als cybersecurity deden. Ik had veel steun van Olya Kudina die Aimee opvolgde. Het kwam er vaak op neer dat medewerkers en collegastudenten door de jonge onderzoekers op één of andere manier misleid werden om iemand, die zich bijvoorbeeld voordeed als computerbeveiligings-beambte, toegang te verschaffen tot privégegevens. Sommige leden van de EC hadden daar moeite mee. Het argument: je kunt echt en fake niet meer van elkaar onderscheiden. Het is fnuikend voor het vertrouwen. Elke keer als je door een lab-medewerker iets gevraagd wordt denk je: “zou het weer zo’n experiment zijn, of moet ik aangifte doen?”.

The basic “good” characteristics of human nature make people vulnerable to the techniques used by social engineers“. Zo beschrijft Mouton et al. (2015) de gevoelige kern van het probleem.

Mag alles wat kan? Mag je bijvoorbeeld voor onderzoek naar veiligheid van computersystemen inbreken in het systeem van een bank?” schrijft José van Dijck, als President KNAW in het voorwoord van het adviesrapport “Ethische en juridische aspecten van informaticaonderzoek” (2016) n.a.v. het onderzoek van een KNAW commissie o.l.v. Jan-Willem Klop. Nationaal security expert Bart Jacobs, professor Computerbeveiliging en zijn groep werd berucht of beroemd (hangt ervan af of je bij Volkswagen of de NS werkt of bij de securitygroep), vanwege dit type onderzoek: inbreken om te bewijzen dat het kan. Bart Jacobs leidde vermoedelijk ‘s lands beste hackers op. Wie een slot maakt weet vaak ook wel hoe het open te krijgen.

Een ander boeiende kwestie was wie we allemaal als ‘deelnemer’ van een experimenteel onderzoek moeten beschouwen. Zijn dat ook de mensen op straat die toevallig passant zijn bij experimenten met zelfrijdende auto’s? Veel sociaal/technisch onderzoek werd natuurlijk op het campusterrein gedaan, een publieke ruimte. Maar ook werd onderzoek gedaan op Schiphol. Wat mag en moet je met die beelden doen? Steden hangen tegenwoordig vol met camera’s, maar destijds was dat nog niet zo. Aiko Pras, docent cybersecurity, stelde eens voor om het campusterrein maar als Living Lab te beschouwen. Met een bordje bij de ingang: “Wie dit terrein betreedt verklaart daarmee …”.

Field labs

Het experimentele onderzoek naar het virusgedrag tijdens het uitoefenen van het oudste beroep past in een serie Field Lab experimenten die het Ministerie voor Volksgezondheid organiseert om de grenzen van onze vrijheid te bepalen.

Automatische contact-tracing met mobiele telefoons is al zo oud als de mobiele telefoon. Bij MIT gebruikte de groep van Alex Pentland deze technologie om onderzoek te doen naar sociale interakties.
Alex (Sandy) Pentland, informaticus en medeoprichter van het MIT, heeft samen met zijn collega’s veel onderzoek gedaan naar ‘eerlijke’ niet-verbale signalen die mensen tijdens een ontmoeting of in de openbare ruimte uitzenden. (Zie mijn stukje over Eerlijke Signalen). Bij dat onderzoek werden deelnemers voorzien van smartphones met sensoren die via Bluetooth informatie met elkaar uitwisselden. Hij wilde bijvoorbeeld weten of sociale netwerk structuren en frequenties van interakties op 2 meter afstand verschilden van die van interakties op 10 meter (het maximale bereik van zenders). Zie bijvoorbeeld Stopczynski, A. et al. (2014). Ook vergeleek hij de opgenomen contact-data met wat de deelnemers zich nog herinnerden. Hoe valide zijn de antwoorden wanneer je mensen vraagt met wie ze contact hebben gehad of bij hoeveel mensen ze enige tijd in de buurt zijn geweest.

De onderzoeksresultaten en de technologie worden sindsdien gebruikt als middel bij virusinfectie-bestrijding. Sinds de pandemie zijn we allemaal onderwerp, deelnemer aan en getuige van wat de kennisindustrie voor ons betekent.

Het leven als experiment

De pandemie heeft het beeld van het leven als een door wetenschap en technologie beheerst experiment versterkt. De samenleving is een living lab geworden waar de overheid wetenschappelijke experimenten organiseert om de effecten van ons gedrag op de gezondheid te onderzoeken. Economie en zorg bepalen de parameters op de zoektocht naar een optimale kwaliteit van leven.

Ons individuele leven krijgt daarmee net als de samenleving voor ons steeds meer het karakter van “het beoogde resultaat van een wetenschappelijk-technisch produktieproces.” (Coolen, 1992).

Ik ben overigens vergeten te vragen hoe ze heet.

Bronnen

Isobel Braithwaite, Thomas Callender, Miriam Bullock, Robert W Aldridge (2020)
Automated and partly automated contact tracing: a systematic review to inform the control of COVID-19. Published online August 19, 2020 https://doi.org/10.1016/S2589-7500(20)30184-9

Maarten Coolen (1991). De Machine Voorbij: over zelfbegrip van de mens in het tijdperk van de informatietechniek. Boom, 1991.

Francois Mouton, Mercia M. Malan, Kai K. Kimppa, H.S. Venter (2015). Necessity for ethics in social engineering research, Computers and Security, November 2015

Stopczynski, A. et al. (2014) Measuring large-scale social networks with high resolution. PLOS One 9, e95978 (2014).

Wanneer is een agent een morele agent? Over ‘methods of abstraction’

De centrale vraag is: wat willen we van de mens maken?” (Peter-Paul Verbeek, 2011)

“We live in an orderly moral world, or so we believe most of the time.”

(Mark Coeckelbergh, 2012)

Dit stukje gaat over de kwestie of intelligente machines morele agenten zijn. Ik denk het niet. De vraag is waarom sommige mensen denken dat het wel zo is. Zij zijn niet gek. Misschien zeggen ze het zelfde anders. Of denk ik alleen dat ze iets anders zeggen of bedoelen.

Moraliteit is een feit, een kenmerk van de natuur, zoals de behoefte aan voedsel. Dit feit demonstreert dat de natuur en de mens in het bijzonder meer is dan een informatie-verwerkend systeem.

De pyramide is meer dan de stenen waaruit deze door de mens is opgebouwd. Dat wat het meer is, de betekenis ervan, de ziel die erin huist, dat is de pyramide in relatie tot de mens. Wanneer we dat vergeten en afzien van deze vorm, door en voor de mens te zijn wat het is, heeft het ding een zelfstandigheid als pyramide die naast die van de mens staat. Zo is het met alle artefacten, ook met de intelligente morele machines.

Wie in kunstmatige intelligentie gelooft, in de vorm van intelligente ‘autonome’ machines die denkt dat de beelden die we van de werkelijkheid creëren tevens tot diezelfde werkelijkheid behoren. De idee dat AI bestaat berust dus op een verwarring van model met werkelijkheid.

De automaat

Mijn professionele achtergrond is de onderzoekwereld van de Human Machine Interaction ook wel Human Media Interaction. Daar onderzoeken en maken we methodes en technieken om intelligente (sprekende) en ‘begrijpende’ machines te maken. We maakten ‘companion robots’ voor oudere mensen. Ik ken de verschillende ‘stances’ (D.C. Dennett) die je tegenover een artefact kan aannemen. Sommige ouderen voerden een ‘gesprek’ met een robot konijn, zoals de secretaresse van Weizenbaum tot zijn verbazing een gesprek voerde met zijn Rodgeriaanse computerprogramma! Techniek werkt voor zover en zolang je er op vertrouwen kan dat het werkt en dat het bedoelt wat het zegt.

In de filosofie leer je enerzijds afstand te nemen anderzijds juist jezelf als denkend en bewust subject van het denken waarin de werkelijkheid verschijnt mee te denken. Je leert aan (zelf)reflectie te doen. Dat is een lastig proces. Kennen is een relatie en relatie denken is lastig. Je vergeet dat je wat je ziet niet alleen inhoudelijk neemt zoals het is maar ook naar de vorm waarin je het opvat. Maar zonder die vaardigheid is het niet mogelijk de moderne techniek te begrijpen. Je kunt de programmeerbare machine geen recht doen door deze als een (complexe) klassieke machine te begrijpen. Net zo min als je de woorden recht doet door ze (alleen) als klanken te zien met een complexe structuur. Met een robot gaan we anders om dan met een stoommachine. met woorden anders dan met klanken.

Uiteindelijk gaat het natuurlijk niet om wat men denkt of zegt over het al dan niet morele ‘agent’ of ‘patiënt’ zijn van technische artefacten. Het gaat veel meer om hoe we met anderen, met de natuur en met de dingen omgaan. Daar werkt uiteindelijk de moraliteit.

Of, zoals de politicus Marx zijn kritiek op de filosoof Hegel verwoordde:

Die Philosophen haben bisher die Welt nur verschieden interpretiert, es kommt aber darauf an, sie zu veränderen.” (K.Marx, Elfde ‘These über Feuerbach’)

Je moet wel eerst een tijd gedacht hebben dat je intelligente machines kunt maken, voordat je tot het inzicht komt dat zoiets een ideaal-beeld is en zal blijven zolang je er naar blijft streven. Het werken aan het inzicht in wat dit streven inhoudt is de enige therapie om ervan verlost te raken.

Het Systeem: van bovenaf gezien

Als we ons even verheffen dan zien we daar beneden een samenleving. Het is één en al bedrijvigheid, een gekrioel van een enorme hoeveelheid ‘entiteiten’. Die zijn ons toeschouwers door en in het observeren gegeven. Sommige schijnen iets te doen; agenten noemen we ze maar. Een deel daarvan schijnen van een bijzonder soort te zijn: levende organismen: mensen, dieren, planten. Een ander deel zijn artefacten; ze zijn gemaakt. Dat is wat je moet weten. Anders zie je het verschil niet. Net zo goed als je moet weten wat een schakelaar is om in een schakelaar een schakelaar te zien.

Kijk een tractor; en daar een auto en een machinefabriek. Het lijkt een chaos, maar dat is slechts schijn. Als je een tijdje goed kijkt zie je patronen: gedrag, gestuurd door regels en wetten: behoeftes en belangen. Die regels zie je niet. Het is de software van dit systeem. Er zijn geschreven en ongeschreven regels. De geschreven regels pogen de ongeschreven regels tot uitdrukking te brengen.

Kijk daar rijdt een tractor zo maar over een kind. Zo maar? Het kind stak zo maar over. Zo maar? En wat is dat, dat grote gebouw? Dat is de rechtbank. Daar wordt recht gesproken door een rechter. Als een agent niet volgens de opgeschreven regels acteert dan kan deze voor de rechter worden gedaagd. De rechter bepaalt of de persoon aansprakelijk is. De boer kan zeggen dat het de schuld is van de tractor, de tractor-fabriek dat het de schuld is van de software. De software-maker dat het de schuld is van de programmeur.

Maar wat nou als de programmeur aan de medicijnen was op advies van de huisarts? Hij had een brief van de Belastingdienst gekregen dat hij schuldig was, dat hij de boel oplichtte, waardoor hij opzij werd gezet als fraudeur. Het deed pijn. Hij raakte overspannen. Wie zichzelf niet in de hand heeft omdat hij ziek is kan niet de hand in iets anders hebben, zegt de advocaat van de boer.

De rechter begrijpt het, maar hij heeft er geen begrip voor. Hij vindt het onacceptabel.

De rechter stelt de schuldvraag aan een agent. Dat moet volgens de regels een rechtspersoon zijn. Zoiets heeft een identiteit, een bestaan in de tijd. Het heeft een eigennaam, waarmee hij door anderen aangesproken wordt. Een menspersoon heeft een eigennaam (boer Jansen), maar ook een voetbalclub is een persoon met een naam (FC Twente), evenals de Staat der Nederlanden. Ze voelen zich (soms) verantwoordelijk. Dat hoort bij een persoon met een identiteit. Verantwoordelijk als schuld, voor wat ze gedaan of niet gedaan hebben in het verleden en verantwoordelijk als zorg. Ze zorgen ervoor dat ze doen wat ze beloofd hebben. Verantwoordelijkheid is wat de activiteiten van de personen bindt. Het is het cement van de samenleving. Of moet je zeggen dat de individuen door het cement pas worden wat ze zijn? Dat ze door het samenleven worden geboren. In biologische zin is dat toch zeker het geval. Waarin is het kind anders dan de boer waarvan het een kind is?

Een menspersoon heeft ook een burger service nummer (BSN) en een IP-adres. Met het BSN is de mens gekoppeld aan de informatiesystemen van de verschillende overheidsdiensten, zoals de Belastingdienst. Zijn IP-adres koppelt hem aan andere diensten, bedrijven, rechtspersonen zoals Google en Microsoft. Die kennen zijn behoeftes. Die kennis halen ze uit zijn verleden. Hier heerst de intelligente omgang met de gegevens.

De rechter moet de rechtspersoon die gedaagd is weer op het rechte pad brengen, soms uitsluiten van de samenleving: de straf. Dit gekrioel wordt beheerst door emoties, door vreugde en verdriet.

Laten we afdalen en ons storten in de realiteit van de filosofie.

De Uitwendigheid

Juist in een tijd waarin de mens zich voortdurend dreigt te verliezen in zijn uitwendige gestalten, is de filosofie in de verleiding ook te proberen hem juist vanuit die gestalten te begrijpen. Dat is iets ander dan: die gestalten als zelfveruitwendigingen van de mens te begrijpen.”.

Dit schreef Louk Fleischhacker in de syllabus Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken n.a.v. het college in het studiejaar 1975/76. Toen ik vele jaren later deze tekst nog eens las schreef ik in de kantlijn de namen Dennett en Floridi. Ik meende dat deze twee moderne filosofen van de techniek zich aan deze ‘fout’ schuldig maakten: denken vanuit het mathematische. Wat Floridi betreft: zijn methode van Levels of Abstraction die geïnspireerd is door de methodiek van het Objectgeörienteerde programmeren en het ontwerpen van technische systemen leidt eenvoudig tot deze gedachte. Nu, nadat ik nog eens wat meer van hem heb gelezen, betwijfel ik of Floridi zich aan deze fout schuldig maakt. Een onderzoek.

Onbetrokkenheid en uitwendigheid: het morele dilemma van de triage

Kenmerkend voor de sfeer van de uitwendigheid waarin het mathematische, technische denken zich afspeelt is de onbetrokkenheid. Een voorbeeld.

Vanwege de huidige pandemie en het dreigend tekort aan IC-bedden werd de ziekenhuizen gevraagd met een nationaal triage-protocol te komen voor als de situatie kritiek wordt (code zwart).

Het vaststellen van selectiecriteria is complex, en vergt lastige ethische afwegingen. Tijdens een crisis is er minder tijd voor deliberatie en weloverwogen keuzen. Een goede voorbereiding mede op basis van ethische afwegingen is dus van groot belang. Daarom is het belangrijk om een protocol klaar te hebben liggen waarin ethische afwegingen voor rechtvaardige selectie van patiënten expliciet worden genoemd.” (Centrum voor Ethiek en Gezondheid).

Triage in de zin van afwegen wat voor deze individuele patient de beste zorg is en of een opname op een IC-afdeling nog zinvol is dat doen artsen al lang. “Maar wat we nog nooit hebben gedaan, is switchen van het belang van de individuele patiënt naar het belang van de bevolking.” zegt Rik Gerritsen, intensivist van het Medisch Centrum Leeuwarden in een interview in de Volkskrant (16-06-2020).

Of een COVID-19 patiënt ergens in het land wel of niet opgenomen wordt mag niet afhangen van de toevallige beschikbaarheid van een IC-bed ter plaatse of de regionaal geldende regels. Dat wordt als onrechtvaardig gezien. Het komt erop neer dat intensivisten en artsen die palliatieve zorg verlenen aan patiënten op boven-regionale, nationale, schaal moeten beslissen welke patiënt wanneer in aanmerking komt voor opname op een IC afdeling. Medici en ethici hebben samen zo’n protocol opgesteld. De keuze is allereerst gebaseerd op medische gronden. Pas wanneer er dan nog geen keuze gemaakt kan worden wordt volgens het protocol een leeftijdscriterium toegepast.

Elk ziekenhuis moet een triagist aanstellen die het beheer heeft over de nodige gegevens voor het uitvoeren van het protocol. Deze worden in een nationaal administratie-systeem opgeslagen. Daarin wordt ook bijgehouden waar IC-bedden beschikbaar zijn. Ook reeds opgenomen patiënten worden meegenomen in de afweging. Elke dag wordt dan op basis van de gegevens besloten wie in aanmerking komt voor opname en wie niet. Een boeiend ICT project dat aan een aantal stringente eisen mbt efficiëntie, robuustheid en transparantie zal moeten voldoen. Maar daar gaat het hier niet om. Hier gaat het om de ethische kant.

De als triagist aangestelde dokter mag nooit een behandelrelatie met één van de te verkiezen patiënten hebben. Zo staat in het protocol. Waarom niet? “Anders zal zij altijd voor haar patient kiezen, juist vanwege die behandelrelatie“. Maar: “Als arts zul je en moet je ook altijd voor je eigen patient ‘strijden'”. Zo vertrouwde Sabine Netters, van het centrum voor palliatieve zorg in Zwolle mij toe.

Die “eigen patiënt” waarbij de behandelend arts persoonlijk betrokken is, staat in schril contrast met het ‘informatie-pakketje’ in het nationale computersysteem dat de intensivist volgens de standaard van het triage protocol over deze patiënt heeft ingevoerd en op grond waarvan het systeem berekent of de zorg aan deze patiënt zal moeten worden gestopt of niet. Overigens moet vermeld worden dat er voorafgaand aan ‘Code Zwart’ en aan het inwerking treden van het triage-protocol al heel wat vooraf is gegaan voor de meeste patiënten. Waarbij het vaak nog maar de vraag is of de patiënt dit behandel-traject nog wel in wil.

Afgezien daarvan. We zien hier hoe de wil een ‘rechtvaardige’ beslissing te nemen die die aspecten in een gegeven situatie die we als ‘toevallig’ en ongewenst zien moet uitsluiten leidt tot een situatie waarin de ‘betrokkenheid’ bij ‘de eigen patiënt’ zo’n rechtvaardig besluit in de weg staat. En tevens hoe dit conflict ervaren wordt zodra het er op aankomt en door de intensivist aan de behandelend arts het besluit: de uitkomst van het toepassen van het protocol op de gegevens meegedeeld moet worden. Betrokkenheid bij de eigen patient wordt als negatief gezien, in zoverre het betrokkenheid bij de samenleving verhindert. Maar die samenleving bestaat toch uit de individuen die er aan deel hebben!

De intensivist wordt gevraagd niet alleen te denken aan zijn “eigen patient” zoals Gerritsen van het MCL stelde maar een protocol op te stellen voor alle potentiële patiënten. Dit vraagt een andere vorm van betrokkenheid van de intensivist. Hij of zij moet de lastige afweging maken tussen de betrokkenheid bij het algemeen belang en bij het eigen belang van de ‘eigen’ patiënt.

Morele besluiten moeten altijd gemaakt worden in een dergelijke conflictsituatie, waarbij goed en kwaad tegen elkaar moeten worden afgewogen. De vraag is welke rol de instelling van het triage-protocol hierin speelt. Wat voor neveneffecten heeft het op de zorg en vooral op de zo wezenlijke ‘betrokkenheid’ van de zorgverlener bij de ‘eigen patiënt’ ? Is deze informatisering van de besluitvorming, welke distantie, abstractie en onbetrokkenheid inhoudt, op zich zelf al niet onrechtvaardig?

Hoe het ook zij, de technische ontwikkeling heeft intelligente artificiële systemen opgeleverd die steeds ‘autonomer’ besluiten nemen. Zelfsturende auto’s, zelf-sturende onbemande gevechtsvliegtuigen. Het zijn systemen die in situaties terecht komen waarin ze zelf moeten besluiten wat te doen.

Zijn dit morele agenten (zoals de mens een morele agent is)? Maar wat betekent dit eigenlijk?

Computer Ethics

In de context van Computer Ethics is het van belang na te denken over de moraliteit van ‘intelligente’ systemen vanwege het feit dat we ze zien als handelende agenten. Wanneer is een systeem een agent en wanneer een morele agent? Floridi en Sanders hebben een poging gedaan deze vragen te verhelderen. Ze zijn geïnspireerd door formele methodes uit de wereld van het (object-geörienteerd) programmeren.

Is dit een bevredigende aanpak? In hoeverre getuigt hun aanpak van wat Fleischhacker noemt “de verleiding te proberen de mens vanuit de uitwendige gestalten te begrijpen”. Kunnen we ‘moraliteit’ wel definiëren vanuit een ‘onbetrokken’, ‘uitwendig’ standpunt?

Veelzinnigheid van ‘moreel’

De term ‘onbetrokken’ is veelzinnig en kan zowel verwijzen naar een sociaal-psychologische houding als naar een filosofische categorie. Fleischhacker doelt op het laatste wanneer hij dit in verband brengt met de ‘sfeer van de uitwendigheid’. Het verwijst naar de Cartesiaanse scheiding tussen het kennend subject (cogito) en de werkelijkheid die als pure uitgebreidheid (res extensa) wordt opgevat.

Het onderscheid tussen de twee onderscheiden betekenissen van ‘betrokkenheid’ is van belang. We maken hetzelfde soort onderscheid ook wanneer we enerzijds a-sociaal gedrag tegenover sociaal gedrag zetten terwijl we anderzijds erkennen dat asociaal gedrag ook sociaal gedrag is. Dat kan alleen in zoverre we met ‘sociaal gedrag’ twee verschillende dingen bedoelen. Het zelfde geldt voor de paren ‘moreel’ en ‘amoreel’: amoreel gedrag is ook moreel gedrag, maar niet in dezelfde zin als waarin het gedrag is dat niet aan de morele normen voldoet. Moraliteit is een aspect vanuit een perspectief op de werkelijkheid.

In het vervolg zullen we zien dat dit onderscheid van belang is voor de interpretatie van het voorstel van Floridi en Sanders.

Wat zijn Levels of Abstraction?

In het artikel “On the morality of artificial agents” presenteren Luciano Floridi en J.W. Sanders (J&S) een totale revisie van het begrip ‘morele agent’ (in de zin van moreel agentschap) zodanig dat artificiële agenten (AA), zoals machines, robots en dergelijke daar ook onder kunnen vallen.

Artificiële agenten zijn entiteiten die in morele situaties betrokken (‘involved’) kunnen zijn en die daarin morele acties uitvoeren; acties die in morele zin goed of slecht kunnen zijn. ‘De techniekfilosoof Verbeek spreekt van ‘moralizing technology’, een aardige dubbelzinnige term die precies de vraag oproept die hij aan de orde wil stellen: is techniek nu het object of het subject van het moraliseren?

De discussie over moraliteit van artefacten, als subject, komt vaak terecht bij de vraag of het ding een vrije wil heeft, of het bewustzijn en intentionaliteit heeft, of het verantwoordelijkheid kan nemen en eventueel of het strafbaar is, dat wil zeggen of het gestraft kan worden in het geval het onrecht doet aan anderen of nalatig is.

Floridi en Sanders beogen dit soort lastige vragen te omzeilen door een methode te geven voor het specificeren van ‘mind-less morality’. Ze openen daarmee volgens hen voor de ‘intelligente’ systemen (AI) de ruimte tussen aansprakelijk zijn en verantwoordelijk zijn. Een intelligente robot kan best aansprakelijk zijn ook al is er van verantwoordelijkheid geen sprake.

Cruciaal in hun uitgesproken technische aanpak is de Method of Abstraction voor het analyseren van de Level of Abstraction (LoA, het abstractie-niveau) waarop de agent wordt gezien.

Of een entiteit een agent is en of het een morele agent is hangt af van de LoA waarop het gedrag wordt geanalyseerd.

Agenten en dus ook morele agenten zijn bepaalde transitiesystemen.

Een transitiesysteem is een systeem dat zich op ieder moment in een bepaalde discrete toestand bevindt. Veranderen is veranderen van toestand. Dat gebeurt volgens de op dat moment geldende transitieregels van het systeem. Een act (handeling) is een inwerking op de omgeving.

Het systeem als construct dat zich in een toestand bevindt is de manier waarop de moderne technische wetenschap verandering modelleert. De oorzaak van de veranderingen is iets van buiten. De regels beschrijven de toestandsovergangen. Een onderscheid tussen eigen oorzaak (van binnen uit) of van buiten kan niet zinvol gemaakt worden. Er worden dan deelsystemen onderscheiden die op elkaar in werken. Wat deze delen tot een geheel maakt; dat is van buiten af bepaald.

Als criteria voor agentschap gelden: interactiviteit (‘reageren op een stimulus door van toestand te veranderen), autonomie (het vermogen van toestand te veranderen zonder stimulus) en aanpasbaarheid (het vermogen de regels van het systeem te veranderen).

Het LoA bepaalt de interface van het systeem met de omgeving. Het bestaat uit een verzameling van ‘observables’. Een ‘observable’ is een getypeerde variabele, een entiteit die verschillende waarden kan aannemen van een bepaald type.

Merk op dat het systeem niet zelf bepaalt wat zijn ‘observables’ zijn. Het systeem neemt niet waar. Er zijn sensoren en actuators, zoals grijpers; dat zijn deelsystemen.

Gegeven een bepaald LoA wordt nu een morele agent als moreel goed beschouwd wanneer al zijn acties moreel goed zijn. Een actie heet moreel van aard (“morally qualifiable”) als het iets kan veroorzaken dat in morele zin goed of slecht is.

Een actie is moreel goed als de observeerbare variabelen geen van alle een gestelde morele grenswaarde overstijgen. Een agent is moreel slecht (evil) als een actie ervan moreel niet goed is.

Merk op dat de betekenis van moraliteit wordt voorondersteld. Zoals de wiskundige kansrekening niet het kansbegrip definieert maar er een formele definitie van geeft, zo wordt hier moreel zijn gedefinieerd zonder het begrip zelf te verhelderen.

Dat is kennelijk ook niet de bedoeling van de auteurs.

De LoA van de Turing Game

Ter illustratie van het concept Level of Abstraction wordt de Turing Game aangehaald. Met dit spel beoogde Alan M. Turing de vraag of een machine intelligent ‘is’ zodanig precies te specificeren dat deze beantwoord kan worden. De term is namelijk zo vaag dat er heilloze discussies ontstaan waar je toch nooit uitkomt. Het spel heeft de vorm van een dialoog tussen een mens en een systeem via een interface (kanaal). De mens mag alle mogelijke vragen stellen en moet dan raden of hij met een mens of met een machine een dialoog heeft gevoerd. De gesprekspartner van de mens, die natuurlijk achter een scherm zit en alleen via een toetsenbord communiceert mag de menselijk speler misleiden. Wanneer de mens niet in staat is de juiste keuze te maken dan kan hij kennelijk de machine intelligentie niet van de menselijke intelligentie onderscheiden. De conclusie is dan dat de machine intelligent genoemd kan worden.

Op analoge wijze wordt door Floridi en Sanders als het ware een morele variant van de Turing Game voorgesteld om te bepalen of een agent een morele agent is.

Het voordeel van de Method of Abstraction is volgens de auteurs dat er een helder onderscheid gemaakt wordt tussen accountability (aansprakelijkheid) voor een morele actie en verantwoordelijkheid. Agents kunnen aansprakelijk zijn terwijl ze niet verantwoordelijk hoeven te zijn.

Als op een bepaald LoA er geen verschil bestaat tussen Jan en een aardbeving, dan wordt gezegd dat de LoA te abstract is voor het maken van dit onderscheid. Waarom? Omdat, zo zeggen de auteurs, “Earthquakes, however, can hardly count as moral agents.” (p. 9).

Dit is opmerkelijk. Kennelijk wordt inzicht in het onderscheid tussen een morele agent en een niet-morele agent al voorondersteld! Het is kennelijk vanzelfsprekend dat de lezer de opvatting van de auteurs dat aardbevingen geen morele agenten zijn met hen deelt ! Maar op grond waarvan? Ook de grenswaardes van de observables op grond waarvan besloten wordt of een actie moreel goed of slecht is moeten door de mens vastgelegd worden. Op grond waarvan? Voor de bijzondere klasse van morele agents die uit mensen bestaat geldt volgens F&S dat deze (nog) niet volledig als transitiesysteem door de wetenschap gemodelleerd kan worden. (p. 20). De grenswaardes zijn volgens F&S in het algemeen slechts “partially quantifiable and usually determined by consensus”.

Of een gebruiker een software systeem als morele agent opvat hangt volgens F&S af van de LoA. Een goede illustratie is het verschil in de wijze waarop een programmeur zijn computer beschouwt als deze het test en hoe de eindgebruiker die een applicatie of een robot heeft gebruikt dit beschouwt.

D.C. Dennett onderscheidt drie mogelijke houdingen ( ‘stances’ ) die we tegenover een ding kunnen aannemen van waaruit we een fenomeen, een gebeuren verklaren. In de physical stance zien we de activiteit als een wetmatig verklaarbaar fysisch proces. In de intentional stance daarentegen als een bedoelde handeling. In de design stance wordt een fenomeen gezien als te verklaren uit het ontwerp dat er aan ten grondslag ligt.

In de houding die de gebruiker tegenover de sprekende automaat aanneemt beschouwt hij deze als een agent die hem iets vraagt (“Insert your security code”) of advies geeft (“Take left at the crossing”). Hoewel de gebruiker weet dat deze systemen geen mensen zijn nemen ze het gedrag alsof ze dat zijn. Het concept van de sprekende machine ‘werkt’ omdat en voor zover de gebruiker dit ‘gedrag’ herkent als zinvol in de gegeven situatie. Voor de gebruiker is de machine een black box. Voor de reparateur van de sprekende robot is het ding geen intentionele machine, maar een programma dat eventueel gecorrigeerd moet worden. In termen van de analyse van F&S bekijken gebruiker en programmeur de agent volgens een andere LoA.

Onderzoek heeft aangetoond dat mensen de neiging hebben computers als ‘social agents’ te benaderen. Ze gaan er zo mee om. Wat niet wegneemt dat wanneer je ze expliciet vraagt of ze dit ook zijn, ze het ontkennen. Het is precies het doel waarmee deze systemen gemaakt zijn. Zo werken ze, alsof het sociale agenten zijn, zoals mensen. Daarin zit precies hun bruikbaarheid. Maar die is natuurlijk begrensd door de stand van de techniek. En door de verbeeldingskracht van de mens die ermee omgaat.

F&S zien het als een voordeel van hun methode dat ze kunnen spreken van een morele agent zonder dat deze een intentionele toestand hoeft te hebben. Moraliteit wordt aan observeerbare kwaliteiten gemeten. Hun aanpak veronderstelt dat we op één of andere manier al weten wat een actie moreel goed of slecht maakt. Wat dat is daarover zeggen F&S niets.

Hun analytische op de methode van de computerprogrammeur gebaseerd methode kan dus bezwaarlijk als filosofie worden beschouwd. Mocht men dat toch pretenderen dan is het op zijn best een filosofie van het uitwendige karakter dat lijdt aan de daarvoor typische ‘onbetrokkenheid’. In dat geval hebben Floridi en Sanders niet aan de verleiding waar Fleischhacker ons op wees kunnen weerstaan, de verleiding de werkelijkheid vanuit het gezichtspunt van de uitwendigheid te begrijpen.

Het zal inmiddels wel duidelijk zijn waarom dit niet werkt.

Morele kwesties zijn levenskwesties. Anders dan een technische systeem kan een levend organisme niet als een transitie-systeem worden beschouwd zonder juist van het leven te abstraheren. Een systeem heeft een grens die van buiten af gesteld is. Kenmerkend voor de levende organismes is juist het gegeven dat de grens niet van buiten maar door het organisme zelf wordt bepaald.

Misvattingen

In “Some misunderstandings about the moral significance of technology” merkt Peter-Paul Verbeek op dat de bewering dat een technisch artefacten betrokken is in moreel agentschap (‘involved in moral agency’) verkeerd wordt verstaan alsof zo’n technisch artefact dan ook op zich zelf een morele agent zou zijn.” (Verbeek, 2014)

Is het nu zo dat Floridi en Sanders specificeren wat een morele agent op zichzelf is? En creëren ze daarmee op zijn minst niet het misverstand waarvoor Verbeek waarschuwt? In de visie van Verbeek die gebaseerd is op ‘mediation theory’ is een techniek een mediator die min of meer de relatie tussen mens en zijn wereld bepaalt. Mens en instrument vormen samen een ‘hybride entiteit’. De verrekijker, de bril, de radiotelescoop, de microscoop, de echoscopie, de televisie ze zijn niet slechts middelen om beter te kijken, maar ze veranderen het kijken zelf en de relatie van de mens tot de wereld die bekeken wordt. Het nog ongeboren kind dat door echoscopie al in detail aanwezig wordt gemaakt, maakt het mogelijk ver voor de geboorte het kind diagnostisch te onderzoeken op afwijkingen. De techniek maakt dingen mogelijk die eerder niet aan de orde waren. Daarmee creëert ze nieuwe morele situaties. Moraliteit is in die zin een ‘co-productie’ van mens en techniek.

Morele status als relatie denken

Ook Mark Coeckelbergh (2012,2014) wijst op het feit dat een technisch artefact, zoals een robot, een relatie tot de mens is. Die relatie kan op verschillende manieren worden uitgedrukt en ervaren. We verhouden ons tot het artefact als ‘gebruiker’ (bij het hanteren van gereedschap), als slaaf of onderdeel van een machine, als controleur van het werk dat de robot verricht, als programmeur of als compagnon. Sommige mensen, kinderen en ouderen zien de robot in de vorm van een konijn of zeehondje als een vriendje of als iets waarvoor ze moeten zorgen.

De vraag is niet welke morele status we toedichten aan deze technische artefacten op grond van een aantal filosofische criteria, volgens welke het ding een aantal eigenschappen moet hebben. Zoals over een vrije wil beschikken, autonoom zijn, tot interactie in staat zijn, kunnen leren, etc. Floridi en Sanders gaan nog uit van dit van dit standaard idee over moraliteit. Ook al proberen ze via een ‘conceptual trick’ een oplossing te vinden voor de vaagheid van deze filosofische criteria. Hun poging agency te definiëren middels een transitiesysteem berust op een verwarring van het systeem en de beschrijving ervan. F&S proberen zelf-reflexiviteit op een mathematische wijze tot uitdrukking te brengen. De identificatie van het systeem als een toestanden-automaat met de beschrijving van zijn werking, dat is van wat het in wezen is, zijn functionaliteit: een verzameling van toestandsovergangsregels is inderdaad een ‘conceptual trick’. De variabele die gebruikt wordt om een eigenschap van het systeem wiskundig te beschrijven is nu eenmaal niet een eigenschap van het systeem dat er door gemodelleerd wordt. Het is een verwarring die we vaak tegenkomen in het denken over intelligente systemen. Alsof het beeld van de werkelijkheid restloos deel uitmaakt van die werkelijkheid zelf. De Belgische kunstenaar Magritte heeft als geen ander in zijn werken op deze verwarring gewezen. Zie bijvoorbeeld zijn ‘la condition humaine’

Magritte. La condition humaine

Ik meen dat Floridi’s metafysische “Esse est informati” uitdrukking is van een dergelijke verwarring. Alsof het zijn zichzelf uitspreekt met dat het zich toont. Een identificatie van Wittgenstein’s ‘zeigen’ en ‘sagen’.

Het probleem met deze wijze van denken over informatie is dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen informatie en ware informatie, waarbij het eerste als niet ware informatie niet meer als informatie kan worden opgevat. Floridi en ook Mingers meenden tot deze opvatting te moeten komen als oplossing van de Bar-Hillel-Carnap paradox. Deze berust echter op dezelfde verwarring als die welke schuilt in de poging van F&S om een moreel agent als transitiesysteem met specifieke kenmerken te karakteriseren. Het model wordt als onderdeel van de werkelijkheid gezien. Formele modale kennis, geloof en informatie-logica’s gaan uit van een niet-interactief kennis-concept. Alsof kennis iets is dat buiten de interactie tussen mensen en wereld bestaat. Alsof informatie buiten de sfeer van de intersubjectiviteit en communicatie kan bestaan en gedacht kan worden. Er wordt over ‘ware’ kennis en over ‘ware’ informatie gesproken alsof iemand of iets de waarheid in pacht heeft, ook al wordt erkend dat het nooit een bepaald individu kan zijn.

De verwarring vindt wellicht haar oorsprong in de materiële voorstelling van de machine die als onderdeel haar eigen programma bevat.

De foto gemaakt in museum De Twentse Welle toont een weefmachine. Het programma voor het weefpatroon wordt ingevoerd door middel van het printboek met gaatjes. Dit programma beschrijft echter niet de weefmachine zelf. Het beschrijft niet hoe feitelijk het fysische mechaniek ervoor zorgt dat wat wij als ‘instructies’ zien worden ‘uitgevoerd’. (Ik gebruik hier aanhalingstekens om aan te geven dat het om de vorm gaat die het voor ons als maker van het systeem heeft. D.C. Dennett zou hier zijn terminologische ‘soort van’-operator gebruiken.)

De weefmaschine met het weefprogramma

Should we give moral standing to machines?

Coeckelbergh (2012, 2014) doet afstand van de standaardmethode volgens welke over deze vraag nagedacht wordt.

“Changing moral thinking means changing a form of life—including its linguistic, social, and technological dimensions.
Robots are already part of our form of life, and this should be taken into account if we embrace the project of paradigmatic change in moral thinking. If I am right about the conditions of possibility of moral change, then whether or not such a project succeeds is itself dependent on how our relations with robots will change.” (Coeckelberg, 2014)

In welke zin robots al “parts of our life” zijn dat is weer dezelfde vraag. Dat moraliteit niet in de eerste plaats een theoretische constructie is maar iets dat we moeten uitoefenen in het leven dat we leven, daarmee zullen we toch moeten leven.

Identiteit

Aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid veronderstellen identiteit. Een persoon kan niet aansprakelijk zijn als hij niet zichzelf was op het moment dat hij een ongeval veroorzaakte. Het is de vraag in hoeverre de Staat der Nederlanden verantwoordelijk is voor gevolgen van haar politieke opstelling ten tijde van de Gouden Eeuw.

Wat is de identiteit van een systeem? Die vraag wordt door Floridi en Sanders niet gesteld. Het is een belangrijke vraag waarvan het antwoord ons kan bevrijden van de vruchteloze pogingen moraliteit te denken zonder betrokkenheid.

Bronnen

Mark Coeckelbergh (2012), Growing moral Relations: critique of moral status ascription. Palgrave MacMillan, 2012.

Mark Coeckelbergh (2014) The Moral Standing of Machines: Towards a Relational and Non-Cartesian Moral Hermeneutics. Philos. Technol. 27, 61–77 (2014).

Luciano Floridi, Sanders, J. On the Morality of Artificial Agents. Minds and Machines 14, 349–379 (2004).

Clifford I Nass, Jonathan Samuel Steuer, Ellen R Tauber (1994). Computers are social actors, CHI ’94: Proc. SIGCHI Conf. on Human Factors in Computing Systems, April 1994.

Peter-Paul Verbeek (2011). De grens van de mens: over techniek, ethiek en de menselijke natuur. Lemniscaat, 2011.

Peter-Paul Verbeek (2014). Some misunderstandings about the moral significance of technology. In: The Moral Status of Technical Artefacts. Peter Kroes en Peter-Paul Verbeek, eds). Springer, 2014.

Natuur

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over de natuur.

Inleiding

Ik wandel door het boerenland. Dat mag van de regering. Het is half twee. In de wei staat een koe. Dat mag ook van de regering. Ik zie dat de koe ophoudt met grazen. Ik weet niet of dat mag. Doet zij dat uit zichzelf? Zo vraag ik me af. Als vanzelf. Heeft de boer hiervoor een vergunning? Het begint te waaien. Ik zwaai naar de koe. De koe kijkt op. Het graan wuift terug. Een koeienvlaai stijgt op naar de ingang van de koe. De vlaai is bruin. De koe kauwt. Ze buigt haar kop hals romp voorover naar de grond. Uit haar bek komt gras. Het gras is groen.

Vragen aan de natuur

Het is niet na te gaan hoe het zo gekomen is, maar in Europa ergens in de late Middeleeuwen kwam de mens tegenover de natuur te staan.

Wat tot dan toe natuurlijk was in de zin van vanzelfsprekend werd langzaam maar zeker – een proces van enkele eeuwen – natuurlijk in de zin van wetmatig. Wat niet wetmatig werd is toeval en alles wat toevallig is moet door kennis worden verbannen. Oorzaken zijn niet meer interessant.

De koe is een functie in een technisch economisch systeem in stand gehouden door een democratische partijen politiek die er op gericht is de burgers als behoeftige consumenten te verzorgen. De zorg is ondergeschikt gemaakt aan de economie. De vrijheid van de burger bestaat in de vorm van de door de regering opgelegde individuele verantwoordelijkheid.

De overheid schippert tussen economische verantwoorde zorgcontrole en de formele privacy van het individu, haar niet-traceerbaarheid.

Democratie

De macht van de staat wordt gelegitimeerd door de abstracte democratie, waarin de macht van het getal regeert: de meerderheid bepaalt. Rechtvaardigheid is een voedselbank voor de minderheden.

Het streven van de natuur komt tot uitdrukking in haar eigen werking, in de continuïteit van de natuur. Deze heeft een richting, de richting van de tijd en de geschiedenis.

In de mathematische fysica is de substantie terug te vinden in de vorm van de wetmatigheden. In de quantummechanica in de vorm van kansverdelingen. Je kunt op micro-niveau niet zeggen waar de individuele deeltjes zich bevinden. Je kunt alleen iets over het geheel zeggen. De entropie neemt spontaan toe naar een evenwichtstoestand.

We eindigen in chaos.

Donald Knuth en de kunst van het programmeren

“Don Knuth werd geboren in Milwaukee. Hij is hoogleraar aan de Stanford-universiteit, tegenwoordig met emeritaat, en wordt in brede kring beschouwd als de vader van de informatica. Zijn werk The Art of Computer Programming heeft hem al bij leven tot een legende gemaakt bij iedereen die iets met programmeren te maken heeft.” Zo luidt de biografische tekst op wikipedia. Knuth is Turing Award winnaar.

Professor Donald Knuth

Knuth en ik hebben dezelfde geboortedatum: 10 januari. Dat is net zo min toevallig als dat Erik van Muiswinkel en Barack Obama op dezelfde dag geboren zijn.

Ik ontmoette Knuth tijdens een conferentie in Nafplion op de Peloponesus. Het was mijn eerste conferentiebezoek nadat ik net was begonnen als onderzoeker in opleiding met het doel te promoveren op het gebied van de attributen-grammatica’s. Knuth was één van de invited speakers op de ICALP conferentie. Pnueli en Lovász waren de andere twee. De Hongaarse wiskundige Lovász was toen al beroemd vanwege zijn werk op het gebied van de combinatoriek. Hij ontving dit jaar (2021) de prestigieuze Abelprijs. De prijs is genoemd naar Abel, de wiskundige, niet naar mijn oudste kleinzoon of naar de broer van Kaïn, maar dit terzijde.

Wat betekent een computer programma?

Knuth is de uitvinder van de attributen-grammatica, een grammatica formalisme waarin je vertalingen en daarmee vertalers kunt specificeren. Ze werden in eerste instantie populair voor de specificatie van compilers van programmeertalen, zo’n ding vertaalt een door de programmeur geschreven code in machinecode.

In “The genesis of attribute grammars” (1990) presenteert Knuth zijn reconstructie van het ontstaan van de attributen-grammatica. Daarin schrijft hij:

One of the puzzling questions under extensive investigation at the time was the problem of programming language semantics: How should we define the meaning of statements in algorithmic languages?” (Knuth, 1990).

Semantiek probeert, anders dan heuristiek, de betekenis van taal in een andere taal vast te leggen. De syntax van de programmeertaal Algol60, (de eerste die ‘taal’ werd genoemd, Fortran heette een code) was vastgelegd in het Backus-Naur-Format. Het bleek gelijkwaardig aan de context-vrije grammatica van Noam Chomsky, een formalisme dat door Yngve bij MIT gebruikt werd om Russisch naar Duits en Engels te vertalen. Maar voor het vastleggen van de semantiek (betekenis) van een programma was nog geen dergelijk formalisme ontwikkeld.

In 1968 verscheen het eerste artikel van Knuth over attributengrammatica’s. Niet toevallig in hetzelfde jaar waarin de programmeertaal Algol68 verscheen. Het is de eerste programmeertaal waarvan niet alleen de syntax, maar ook de semantiek formeel werd vastgelegd; in een formalisme dat ‘affix-grammatica’ werd genoemd. Kees Koster, die toen in Berlijn werkte was één van de ontwerpers ervan. Kees ging later naar Nijmegen waar hij de opleiding Informatica opzette en een compiler-groep. Hij werkte ook aan de toepassing ervan op het gebied van de natuurlijke talen, zoals Nederlands en Engels. Hij zat in mijn promotiecommissie. Kees was fanatiek motorrijder. Daaraan is hij, veel te jong nog, overleden. Later gebruikte ik deze formalismen om de computer te leren onze taal te verstaan. Natural Language Processing is niet toevallig kern van veel kunstmatige intelligentie en ‘human media interaction’.

Het artikel van Knuth uit 1968 bevatte een fout. Die zat in het algoritme voor het testen of een attributen-grammatica goed-gedefinieerd is in de zin dat de semantiek van ieder programma berekenbaar is. De fout werd al snel ontdekt en er verscheen een tweede artikel achteraan waarin Knuth de fout herstelde (Knuth 1971). Door die fout werd een nieuwe variant van de klasse van attributengrammatica’s gedefinieerd, de klasse waarvoor het oorspronkelijk foute algoritme goed werkte. Het ontstaan van nieuwe varianten door fouten is een bekend verschijnsel in de genetica en de virologie. Zo ontstaan mutanten.

Ook fouten zijn soms ergens goed voor.

ICALP en MFCS: een histories intermezzo

Toen ik assistent in opleiding was en aan mijn promotieonderzoek begon waren er twee jaarlijkse conferenties op het gebied van de theoretische informatica. ICALP en MFCS. Ze worden nog jaarlijks gehouden. Van beide conferentie was de eerste editie in 1972.

In 1985 werd ICALP gehouden in Nafplion

ICALP (International Colloquium on Automata, Languages and Programming) is de vlaggeschip conferentie van de EATCS (de Europese Associatie van Theoretische Informatici). ICALP werd en wordt in verschillende landen van Europa georganiseerd. De laatste, in 2020, was een virtuele conferentie (in Saarbrücken; dat dan weer wel).

MFCS (Mathematical Foundations of Computer Science) was de Oost-Europese conferentie. Deze werd vanaf 1972 bij toerbeurt gehouden in de DDR, in Polen en in Tjecho-Slowakije. Op de website van MFCS staat: “Traditionally, the conference moved between the Czech Republic, Slovakia, and Poland, while since 2013, the conference travels around Europe.” Met de splitsing van Tsjecho-Slowakije werd Slowakije op 1 januari 1993 onafhankelijk. Het zou kunnen zijn dat vanaf de oprichting in 1972 het al beleid was om de conferentie om en om in Tjechië en in Slowakije te houden wanneer het niet in de DDR of in Polen was.

De Golem van rabbi Löw

Ik bezocht verschillende edities van deze conferentie. Daar ontmoette ik de enige twee Europeanen, buiten mijn hoogleraar Anton Nijholt -inmiddels hoogleraar in Brussel-, die soort van ‘begrepen waar ik mee bezig was’ en met wie ik ook samen zou gaan werken. Jorma Tarhio uit Helsinki ontmoette ik in Bratislava, waar we nog samen naar de pas uitgekomen James Bond film gingen; een film die zich onder andere in Bratislava afspeelt. Daar op die MFCS conferentie was ook Borisvoj Melichar, hoofd van de afdeling Electrotechniek en Computerwetenschap van de Technische Universiteit van Praag. Melichar zou ik nog vaak in Praag opzoeken. Het Praag van voor de fluwelen revolutie, toen de stad nog niet overspoeld werd door toeristen en je helemaal alleen over de nog lege brug met de heilige beelden kon lopen, de steile trappen op naar De Burcht waar eens de rabbi Löw uit Mulisch’ Procedure zijn gang maakte naar de keizer van het Heilige Roomse Rijk die hem had verordonneert om hem te vertellen over de Golem. “Wat is een golem, rabbi” vroeg de keizer. Dat is een woord uit Psalm 139 vers 16, antwoordt de rabbi. “Is het alleen maar een woord?” ‘Alleen maar een woord; herhaalt de rabbi. ‘Maar wat gaat er boven het woord?‘ De keizer geeft de rabbi opdracht de Golem te maken. Mulisch boek gaat natuurlijk over de kunstmatige intelligentie, de programmeerbare machines, de talige artefacten die door de woorden gemaakt worden.

Theorie en Praktijk: programmeren is een kunst

Zoals gezegd ontmoette ik Knuth in 1985 in Nafplion. In het oude Griekse amfitheater hield hij, nadat de met kinderkopjes bedekte vloer ten behoeve van de akoestiek was natgesproeid en de Minister van Cultuur, Nana Mouskouri, ons had verwelkomd en de spreker had ingeleid, zijn voordracht met de in de Griekse context passend gekozen titel Theory and Praxis.

In 1991 verscheen een artikel van zijn hand met dezelfde titel. In de samenvatting staat:

“The author argues to Silicon Valley that the most important and powerful part of computer science is work that is simultaneously theoretical and practical. He particularly considers the intersection of the theory of algorithms and practical software development. He combines examples from the development of the TeX typesetting system with clever jokes, criticisms, and encouragements.”

Knuth is de man van het inmiddels zeker bij wiskundigen zeer populaire typesetting formalisme LaTeX. Daar was hij toen druk mee bezig. Hij roemde het Nederlandse handwerk op het gebied van het letterzetten. Zijn ervaring bij het ontwerpen van dit formalisme gebruikte hij als voorbeeld voor zijn boodschap: dat bij het ontwikkelen van techniek theorie en praktijk samen moeten gaan. De titel van zijn tiendelige hoofdwerk “The Art of Computer Programming“, ik kocht deel 1: Fundamental Algorithms tijdens de conferentie, zegt het: Programmeren is een Kunst. En bij het ontwikkelen van kunst gaan het ontwikkelen van theorie en praktijk noodzakelijk hand in hand.

Dit inzicht heeft belangrijke gevolgen voor de inrichting van de arbeid en van het onderwijs. We hebben de neiging om theorie en praktijk, het doen van onderzoek en het ontwikkelen van methodes te scheiden van de praktijk. Dat laatste wordt dan opgevat als het toepassen van een methode die door de ontwerpers uitgedacht is. Knuth pleitte ervoor deze in dezelfde handen te houden. Zoals bij de klassieke ambachtelijke technieken.

De wetenschappelijk-technische ontwikkeling van handwerktuigen naar machine-technieken en programmeerbare machines heeft theorie en praktijk uit elkaar gedreven. Dit gebeurt op alle terreinen van het leven. In de gezondheid- en ouderen-zorg zowel als in het onderwijs. We splitsen het werk op in management, ontwerpen, uitvoeren en gebruiken. We zien steeds meer tekenen die wijzen op de tekorten van dit Taylorisme, deze ‘rationalisatie’ van de arbeid. In de thuiszorg zien we dat Jos de Blok met zijn Buurtzorg organisatie de wijkverpleegkundigen zelf in kleine teams het werk laat organiseren.

Ik heb meer ervaring in het onderwijs. Ik was een paar jaar parttime docent wis- en natuurkunde op de middelbare school. Het werk als docent bestond eruit de lessen af te draaien volgens de door de school gekozen methode. Die schreef precies voor welke bladzijden uit het wiskunde- of natuurkundeboek wanneer behandeld moesten worden, wanneer de proefwerken waren, waarbij de leerstof voor de MAVO leerling een tweede afgeleide was van de leerstof voor de VWO leerling. Het werk bestaat uit de implementatie van een voorbedacht schema. Veel werk is zo georganiseerd. En wat erger is zo denken we ook over onderwijs.

Op de universiteit kon ik mijn ‘eigen’ onderwijs geven, zoals ik het zelf wilde. Totdat er onderwijskundigen werden aangesteld, een groeiend aantal, die zich meer en meer gingen bemoeien met het onderwijs. Niet met de inhoud, want daar hadden ze geen verstand, zeiden ze. Maar wel met de methode. Nadat we jaren voor het vak kunstmatige intelligentie het boek “Artificial Intelligence” van Russel en Norvig hadden gebruikt moesten we daar volgens de geleerden toch maar vanaf zien, want de studenten vonden het te dik en we behandelen toch niet alle hoofdstukken uit het boek. Dat je als docent je eigen inhoud aan een vak geeft en een standaardwerk als achtergrondmateriaal gebruikt dat paste niet in het ‘moderne’ op wetenschappelijke wijze georganiseerde onderwijs.

Kunst en techniek: art en techne

Waarom is programmeren een kunst, meer dan techniek? De volgende tekst maakt het verschil tussen kunst en techniek duidelijk.

“The original meaning of techne is “art”. Like latin ars and English “art”, it carries double meanings. Ars and techne indicate what a modern “artist”, but also what an “artisan” and a “technician”, does. On the one hand it indicates something creative and expressive, for which there hardly exist clear rules, and where skillful and mindful discretion is decisive. On the other, it indicates something technical, i.e. something which by definition is strictly rule based, drill-based, and almost mechanical. Techne is both art and craft, which modern languages tend to separate.”
( From: Techne, the Sage Encyclopedia of Action Research, 2014)

Een computer programmeer je door duidelijke regels te geven volgens welke deze moet functioneren. De semantiek van een programma is een functie. De informaticus als bouwer van programma’s overstijgt deze functionele denkwijze. Hij moet oog hebben voor het doel, waar het om gaat en weten hoe hij zaken precies definieert. Omdat hij dit zelf doet weet hij ook dat het om een oplossing gaat die ook anders had kunnen zijn, en dat de machine werkt omdat en voor zover het werken overeenkomt met de bedoeling die hij er als maker mee had. Dit is alles kennis die juist niet in het programma uitgedrukt is.

Techniek heeft uit zichzelf de neiging de gebruiker ervan mee te programmeren: de handleiding programmeert de gebruiker. Mens en technisch instrument worden één machine. De mens die zich daar tegen verzet heeft het gevoel dat hij daarin niet tot zijn recht komt. Het leven moet toch meer te bieden hebben.

Arbeid en (Kunstmatige) Intelligentie

In Arbeid adelt niet (1989), een bundel artikelen van leden van de vakgroep Wijsbegeerte aan de Universiteit Twente, schrijft Louk Fleischhacker in zijn bijdrage over arbeid en (kunstmatige) intelligente over twee verschillende opvattingen over het doel van het onderwijs. Deze hangen volgens hem samen met het wereldbeeld en mensbeeld dat je hebt. En dat hangt weer samen met hoe je kunstmatige intelligentie opvat. Door middel van techniek kunnen we wel gedragingen die we in een concrete situatie als zinvol ervaren in structuren en regels vatten en simuleren, maar dat is iets anders dan het vermogen zich in een gegeven concrete situatie op zinvolle wijze te gedragen. We herkennen dit wanneer bijvoorbeeld een vertaalmachine plotseling een heel verkeerde vertaling geeft.

In de eerste opvatting gaat het in het onderwijs om het leren van vaardigheden. In de tweede opvatting gaat het om het ontwikkelen van het verstand als een vermogen in te zien waar het in een concrete situatie om te doen is; wat wel en niet zinvol is; een vermogen dat onlosmakelijk verbonden is met de persoon die het vermogen uitoefent. Kennis is dan niet iets wat je van buiten leert, maar wat je karakter vormt en je vermogen ontwikkelt. Kennis als ‘deel’ van je identiteit, je persoonlijkheid en je vaardigheid moet onderscheiden worden van kennis als informatie die je tot je neemt als iets wat buiten je staat, als iets objectiefs, wat in de leerboeken of op het internet te vinden is. Kennis moet je ‘je eigen maken’.

Het is juist de huidige ontwikkeling van de technologie, de kunstmatige intelligentie die volgens Fleischhacker, en daarin staat hij niet alleen, die ons op dit belangrijke onderscheid wijst. Dat komt omdat deze technologie de objectieve verwerkelijking is van deze uitwendige verstandsvorm.

Creative Technology

Op de universiteit ontwikkelden we samen met de AKI, de kunstacademie, onderwijsprojecten waarin zowel technische studenten Informatica als studenten van de AKI samen werkten. Het probleem dat daarbij opdook was het verschil in de wijze van beoordeling op de AKI en op de UT. Wat en hoe beoordeel je eigenlijk op een kunstacademie? Een typisch meetprobleem: welke maat hanteer je bij het beoordelen van een student, zijn werk, haar persoonlijke ontwikkeling?

Het waren de eerste stappen in de richting van een nieuwe studierichting: Creative Technology. Er waren collega’s die ernstige twijfels hadden bij het wetenschappelijke karakter van deze nieuwe bacheloropleiding. Waren het louter economische motieven die de afdeling had voor een nieuwe bachelorstudie, een middel in de jacht naar nieuwe studenten?

Slide van het college Research Methodology met
de missie van de bacheloropleiding Creative Technology

Toen ik gevraagd werd een college Research Methodology voor Create te verzorgen bezocht ik de website van de opleiding. Je moet weten waar het in de studie waar de student zich voor heeft ingeschreven om te doen is. De samenvatting nam ik op in een slide van het inleidende college. Zie de figuur hier boven. Het meest opmerkelijke vond ik daarin de volgende frase:

Their fantasy concentrates on making life safer, healthier, easier, more exciting or just more fun.

Waarom was dit opmerkelijk? Was het niet vanzelfsprekend? Is het niet het doel van iedere opleiding: mensen op te leiden die het leven veiliger, gezonder, meer uitdagend en leuk maken? Was het feit dat de ontwerpers van de opleiding Creative Technology dit zo expliciet op de website zetten niet een teken dat het helemaal niet vanzelfsprekend was dat dit het doel is van een technische universitaire opleiding?

Ik herinner me nog een gesprek met een student bij het college Programmeren dat ik eens gaf. Hij vroeg me wat hij moest programmeren. Waarop ik antwoordde: Ik leer je hoe je moet programmeren; niet wat je moet programmeren. Maar zoals Donald Knuth opmerkte: programmeren is een kunst, een vaardigheid die je slechts kunt leren door te doen. Dat wil zeggen in de praktijk waarin het duidelijk moet worden wat er geprogrammeerd moet worden. Het onderscheid tussen het hoe en het wat bestaat dan niet meer. Evenmin als het onderscheid tussen het wat en het waarom: het doel is immers de maat voor het programma.

Veel van ons onderwijs is nog ingericht volgens verouderde ideeën die horen bij de tijd van de klassieke machine-technologie. De informatie-technologie eist nieuwe vormen van onderwijs en arbeidsorganisatie. Niet alleen op de universiteiten.

Begeleidingsethiek

Ethiek was ooit een puur theoretisch vak. Ik volgde colleges ethiek bij Paul van Dijk. Hij legde het verschil tussen ethiek en moraal uit met de woorden: “Een goede kapper kan best kaal zijn.”. Peter-Paul Verbeek is nu de hoogleraar ethiek aan dezelfde Universiteit Twente. Zeg je Verbeek, dan zeg je ‘Begeleidingsethiek’. De techniekethicus zit aan de ontwerp tafel samen met de ingenieurs, de doelgroep en andere stakeholders.

In plaats van ethiek te zien als ‘beoordelen’ zou ze ook gezien kunnen
worden als het normatief ‘begeleiden’ van technologie in de samenleving
.” (Aanpak begeleidingsethiek, Peter-Paul Verbeek en Daniël Tijink)

Het technische is een onlosmakelijk aspect aan het handelen. Naast het economische, het ethische en esthetische. De begeleidingsethiek gaat uit van dit gegeven: het doel en de normen sturen het ontwerpen van nieuwe methodes van handelen voor concrete situaties. Het ontwikkelen van techniek is een kunst.

Dat is dezelfde idee waarover Knuth zijn lezing in Nafplion gaf, dezelfde idee die spreekt uit de opzet van de studierichting Create: het gaat er in elk project om het goede te doen en te bepalen wat goed is. Studenten moet je leren het goede te doen. Wat dat is dat moeten de betrokken deelnemers samen uit maken terwijl ze aan het project werken.

Het zou goed zijn wanneer de overheid als wetgever en ontwerper van nieuwe regels en wetten voor de samenleving die door de instanties geïmplementeerd moeten worden zich de begeleidingsethiek eigen zou maken.

De ‘Ethiekfabriek’

Als de aanpak begeleidingsethiek vaak wordt uitgevoerd, komen er veel handelingsopties: handelingsopties voor technisch ontwerp, voor de aanpassing van de omgeving en voor beter gebruik. Deze handelingsopties zijn waarschijnlijk breder bruikbaar dan alleen voor de case. We hebben dan ook de ambitie de handelingsopties te verzamelen, opdat ook anderen er gebruik van kunnen maken. Daarvoor bedachten we de term ethiekfabriek.” (Verbeek en Tijink 2019)

Het gevaar van schematisering bedreigt ook de praktische begeleidingsethiek. Zoals bij elke activiteit van mensen die nadenken over wat ze doen. Er worden methodes bedacht, procedures. Uiteraard wel met de disclaimer dat de procedure aangepast moet worden aan de concrete situatie, maar toch.

Het advies is gebruik je verstand, het vermogen waarmee we aanvoelen waar het om gaat, waar de situatie om vraagt. Precies dat vermogen dat we niet in de ‘autonome’, ‘intelligente’ machine, niet in procedures en algemene methodes kunnen vastleggen. Computers kunnen functies toepassen maar er is geen regel die zegt wanneer de computer welke functie of procedure moet toepassen.

Kapitalisme: techniek en economie

Het onderkennen, onderscheiden en formuleren van een algemene methode is typisch voor techniek. Het economisch motief zit in het hergebruik van methodes als instrumenten waarin geïnvesteerd is. De techniek ontwikkelt zich in samenhang met de economie. De overheid of een particuliere onderneming moet geld en middelen beschikbaar stellen voor het ontwikkelen van nieuwe techniek. Marx wees op de ophoping van kapitaal en daarmee van macht door de investering in nieuwe technologie die bruikbaar is voor het rationaliseren van het arbeidsproces. Daarbij werd het maken van winst, voor het realiseren van nieuwe technologie een waarde op zich. De ontwikkeling naar steeds autonomer machines en robots leidt ertoe dat deze de arbeider uit het productieproces verwijdert. Dat arbeid, als deelname aan de samenleving en als zelfontwikkeling nog andere waarden heeft wordt daarbij eenvoudig vergeten.

Een fietsrem op een jumbojet

Technologie en kennis zijn kapitaal en in onze samenleving eigendom van particuliere bedrijven en organisaties. Het ontwikkelen en toepassen van nieuwe technologie is voor bedrijven een missie. Overheden en bedrijven hebben grote invloed op de keuzes voor bepaalde technische ontwikkelingen. Deze ontwikkeling wordt beïnvloedt door politieke keuzes, die omgekeerd weer door economische belangen worden beïnvloedt. De moderne geschiedenis is een geschiedenis van de interactie tussen technologie en economie. In die geschiedenis leven we nu enerzijds als in een maalstroom die ons meevoert, anderzijds als actoren die gebruik makend van verstandige keuzes de loop van de geschiedenis proberen te sturen. De wereld krijgt steeds meer het karakter van een laboratorium waarin geëxperimenteerd wordt met nieuwe mogelijkheden. De geschiedenis wordt een verzameling van experimenten, waarin wet- en regelgeving die de grenzen van het toelaatbare aangeven naar behoefte wordt aangepast. Dat laatste bleek bijvoorbeeld bij de aanpassing van de Europese regels voor genetische manipulatie om het ontwikkelen van nieuwe vaccins tegen het corona-virus mogelijk/legaal te maken.

De technologische projecten waarin de techniekethicus het ontwerp ‘ethisch begeleidt’ speelt zich af binnen de maalstroom van de geschiedenis. De speelruimtes waarbinnen de ontwikkeling gestuurd kan worden lijken daarbij uiterst klein. Goffi vergeleek, zo schrijft Achterhuis in zijn bijdrage over Hans Jonas in “De Maat van de Techniek”, met een verwijzing naar Ellul, de rol van de ethiek bij technologische ontwikkelingen met die van “een fietsrem op een jumbojet.” (Achterhuis, 1992, p.149)

De ontwikkeling van de technologie die geleid heeft tot een toestand waarin de mens zich zelf voor zich ziet in de vorm van intelligente systemen en humanoïde robots leidt echter uit zich zelf tot het nadenken over ethische zaken, als zelf, identiteit, privacy, autonomie, de ander, rechtvaardigheid, geschiedenis, leven en natuur. Het is niet toevallig dat grote ondernemingen zoals Google en Microsoft ethici aantrekken om hun projecten ‘ethisch te begeleiden’ om te manoeuvreren tussen de verschillende interpretaties van het verlenen van ‘diensten’ aan de gebruikers en aan de samenleving. Zijn deze ondernemingen alleen maar verantwoordelijk voor het ‘communicatie kanaal’ of ook voor de wijze waarop het gebruikt wordt? En van wie is de inhoud van de berichten die over het kanaal verstuurd worden eigenlijk?

Wanneer we het hier over het verstandelijk vermogen hebben dan bedoelen we niet het denken volgens vaste denkregels, maar het “gezonde verstand”, het vermogen om het wezenlijke van het bijkomstige te onderscheiden en daarnaar te handelen.

Wittgenstein schreef eens in een brief aan een vriend van hem:

Ik wou dat ik een beter verstand had. En dat ik een beter mens was. Maar misschien is dat wel hetzelfde.

Ik denk: het is hetzelfde. Maar misschien is ook hier de wens de vader van de gedachte.

Bronnen

Hans Achterhuis (1992). Hans Jonas: Ethiek en techniek. In: De Maat van de Techniek (Achterhuis, ed.) Zes filosofen over techniek. AMBO, Baarn, 1992.

Donald E. Knuth, The Art of Computer Programming, Reading, Mass.: AddisonWesley. Volume 1, Fundamental Algorithms, 1968.

Donald E. Knuth (1968). Semantics of context-free languages, Mathematical Systems
Theory 2 (1968), 127-145.

Donald E. Knuth (1971), Semantics of context-free languages: Correction,” Mathematical Systems Theory 5 (1971), 95-96.

Donald E. Knuth (1990). The genesis of attribute grammars. In: Deransart P., Jourdan M. (eds) Attribute Grammars and their Applications. Lecture Notes in Computer Science, vol 461. Springer, Berlin, Heidelberg. https://doi.org/10.1007/3-540-53101-7-1

Rieks op den Akker, Borivoj Melichar, Jorma Tarhio (1990). The Hierarchy of LR-attributed grammars. Proc. Internat. Conf. WAGA on Attribute Grammars and their Applications, September 1990 Pages 13–28.

Donald E. Knuth (1991). Theory and Praxis. Theoretical Comp. Sci. 90 (1991), 1–15.

Louk E. Fleischchacker (1989). Arbeid en (Kunstmatige) Intelligentie. In: Arbeid adelt niet (Pieter Thijmes red.) Uitgeverij Kok, 1989.

Peter-Paul Verbeek en Daniël Tijink (2019). Aanpak Begeleidingsethiek: Een dialoog over technologie met handelingsperspectief, Uitgave van ECP, Platform voor de InformatieSamenleving.

“De portier is een invalide” – de jacht naar informatie

De portier is een invalide.

Over welke portier heeft hij het? zult u zich misschien afvragen. Maar zo bedoel ik het niet. ‘De portier is een invalide’ is één van de meest beroemde openingszinnen uit de Nederlandse literatuur. Het is de eerste zin van de avonturenroman Nooit meer slapen van W.F. Hermans.

Wat ik er dan wel mee bedoel is dit. Ik ben al een tijdje op jacht naar het informatie begrip. Ik wil weten wat dat is. Nu las ik in The Invention of Science van de historicus David Wootton de volgende passage:

We take facts so much for granted that there have been few attempts to write their history, and none of them satisfactory. Yet, our culture is as dependent on facts as it is on gasoline. It is almost impossible to imagine doing without facts, and yet there was a time when facts did not exist.” (Wootton, 2016, p.252)

En ik dacht: geldt wat Wootton hier zegt over ‘facts’ niet ook voor ‘informatie’?

Is er een tijd geweest waarin informatie niet bestond? Het woord mag dan oud zijn dat wil niet zeggen dat er altijd het zelfde mee werd aangeduid. Zoals niet ieder geknipper met de ogen een knipoog is en niet iedere knipoog hetzelfde betekent. Of, zoals de stoommachine van Heron van Alexandrië een heel andere betekenis heeft en dus eigenlijk een heel ander ding is dan de stoommachines die werkten in de Engelse spinnerijen ten tijde van de Industriële Revolutie.

Wat is informatie?

Wikipedia zegt:

Informatie (van Latijn informare: “vormgeven, vormen, instrueren”) is alles wat kennis toevoegt en zo onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. Strikt genomen is informatie pas informatie als die interpreteerbaar is. (opgezocht 17-03-2021)

Informatie is iets; het bestaat. Het is een economisch schaars goed. In die zin dat er meer behoefte aan is dan dat het beschikbaar is. Informatie is tegenwoordig misschien nog wel belangrijker dan ‘gasoline’. Alles draait in het ICT tijdperk om informatie. In de wereld van Luciano Floridi, de filosoof van de informatie, is zelfs alles informatie. “Esse est informati”.

Maar als wat voor feiten geldt ook voor informatie geldt en er een tijd geweest is dat er geen informatie was, was er dan niets? Hoe moeten we dan de tijd en hoe moeten we dan de geschiedenis opvatten?

In het hoofdstuk Facts gaat Wootton op zoek naar de oorsprong van het feit. Wat zijn dat voor dingen?

Over ‘fact’ zegt Ronald Barthes (citaat uit Wootton, 2015):

The fact can only have a linguistic existence, as a term in a discourse, and yet it is exactly as if this existence were merely the ‘copy’, purely and simply, of another existence situated in the extra-structural domain of the ‘real’. (Barthes, The Discourse of History, 1967).

“Het feit kan alleen maar een talig bestaan hebben, als een term in een tekst.”

Maar, voegt Barthes toe: het is exact alsof dit bestaande object, slechts een ‘copy’ is, puur en simpel, van een ander bestaand iets, iets dat gesitueerd is in het buiten-structurele domein van de ‘realiteit’.

Maar geldt dat ook niet voor informatie? Wat is het verschil tussen een feit en informatie?

Terug naar de openingszin: De portier is een invalide.

De betekenis is, zou Bertrand Russell zeggen (cf. “On Denoting”): Er is een X en die X is portier en die X is invalide”. Alsof het het begin van een wiskundig betoog is.

Wat is de informatiewaarde van deze zin? Onder welk opzicht moeten we deze zin zien opdat we zouden zeggen dat deze informatie bevat in de zin dat deze kennis toevoegt en zo “onwetendheid, onzekerheid, onbepaaldheid vermindert”? Merk op dat volgens deze definitie er onwetendheid moet zijn. Moet de onwetende zich hiervan bewust zijn?

Het is een feit: De portier is invalide. Welke portier? De portier waar het in de openingszin van dit verhaal over gaat. Het verhaal dat de lezer die deze zin leest als een nieuwe wereld binnen treedt. Deze portier die “gesitueerd is in het buiten-structurele domein van de ‘realiteit'”, de wereld van de roman.

Maar geeft de zin ons informatie? Alleen dan, ben ik in eerste instantie geneigd te zeggen, wanneer het als antwoord op een vraag bedoeld is. Een vraag die voortkomt uit onwetendheid en de wens om iets bepaalds te weten. Een vraag stellen is een soort van meten. Als ik Hermans zou vragen “Kunt u mij iets vertellen over de portier?” dan geeft “De portier is een invalide?” mij informatie over die portier, waarbij ik aanneem dat we allebei met ‘de portier’ naar dezelfde figuur refereren. Maar kan ik die vraag er niet bij denken en daarmee de zin als antwoord op deze vraag zien? Is het dan wel informatie?

Informatie moet ergens over gaan. Net als het feit van Barthes moet de zin de pretentie hebben een afbeelding (‘copy’) te zijn van iets in een wereld buiten de structuur van de zin zelf. De zin geeft informatie en daarmee kennis over datgene waarover het zegt het te hebben.

Informatie is iets wat medegedeeld wordt en heeft de taal nodig als vehikel.

Is “feitelijke informatie” dan dubbelop? Is er ook niet feitelijke informatie?

Informatie heeft de pretentie waar te zijn. De eis die we aan informatie stellen is dat het verifieerbaar is. Volgens Floridi is informatie die niet waar is geen informatie. Dat is volgens mij niet helemaal zo. Informatie moet verifieerbaar zijn; het is een communicatie object; iets dat gecreëerd wordt in een interactie-proces.

In die zin geeft “De portier is invalide.” ons geen informatie. En dat is natuurlijk ook helemaal niet de functie van de zin. Waar kun je de wereld van het verhaal nu beter binnen gaan dan bij de portier? De mededeling dat deze een invalide is doet de lezer al het ergste vermoeden over het verloop van het verhaal. Maar dit terzijde.

Informatie is als resultaat van een meting, uitdrukking van iets kwalitatiefs op kwantitatieve, structurele wijze. Het gaat dus altijd over meetbare gegevens uitgedrukt in een taal waardoor de kennis die erin uitgedrukt medegedeeld kan worden. Niet een getal, niet 2, maar de tafel is 2 meter lang. Dat geeft informatie. Het heeft een ideële structuur als maat nodig. Informatie is een identiteit die resultaat is van een vergelijking.

“De portier is een invalide” is als uitdrukking van een oordeel geen informatieve zin.

Daarvoor moet deze als mededeling gezien worden, niet puur als oordeelszin. Als oordeel drukt deze meteen de waarheid ervan uit. Als informatieobject heeft deze slechts de pretentie waar te zijn, een feit te verbeelden.

Informatie is iets dat medegedeeld wordt en dat pretendeert ergens iets over te zeggen, feitelijk te zijn. Feitelijke informatie heeft betrekking op feiten.

Informatie bestaat uit eenheden, resultaten die toegevoegd kunnen worden aan een reeds bestaande hoeveelheid informatie. Informatie moet coherent zijn, mag geen logische tegenspraken bevatten.

Tijd en informatie

Informatie is gedateerd. Het is gebaseerd op gegevens, data. We hebben niets aan oude informatie. Een bustijdentabel op een webpagina waarop niet staat wanneer deze is bijgewerkt en of deze actueel is, is waardeloos.

De zin “Het regent” als mededeling is alleen zinvol als het tijdstip waarop het betrekking heeft voor de ontvanger duidelijk is. Anders heeft deze zin net zo weinig informatiewaarde als de zin “De portier is een invalide.”.

Historische informatie is informatie over historische feiten. “De zon scheen op de dag dat de Muur viel.” is historische informatie in zoverre het bedoeld is als iets te zeggen over de toestand van de wereld op een bepaald moment in de geschiedenis. Ook als het opgevat wordt als uitdrukking van emotie bij de schrijver? In dat geval geeft het informatie over de schrijver.

De wereld is de verzameling van feiten. Informatie heeft betrekking op de feiten van Wittgenstein. Het zijn de linguïstische objecten, de ‘facts’, van Barthes.

De historicus zoekt naar (informatie over) historische feiten. De filosoof zoekt de historie van het feit en van informatie.

Als er voor 1700 geen feiten bestonden, dan was er voor 1700 ook geen informatie.

Het is altijd lastig om een begin in de tijd aan te geven van een verschijnsel, maar op een gegeven moment ontstond er een strict onderscheid tussen de bepaaldheid van iets en al dan niet bestaan ervan; tussen wát iets is en óf het is.

Ik vind het heel merkwaardig dat wat iets is totaal niet afhangt van of het werkelijk bestaat of niet.

En toch is dat de wereld waarin we leven. We leven in een wereld waarin we door middel van technologie dingen maken en demonstreren waarvan we ons steeds vaker afvragen ‘of het wel echt is’. Artificiële dingen, informatie, stemmen, die steeds exacter lijken op echte dingen, echte stemmen; die pretenderen echt te zijn. Wat kunnen we nog geloven? Waarop kunnen we nog vertrouwen?

“Een zin kan onmogelijk van zichzelf zeggen of deze waar is.” (Wittgenstein).

Kan een intelligente machine van zichzelf zeggen of deze de waarheid spreekt?

Na de “mechanisering van het wereldbeeld” (Dijksterhuis) die een “mathematisering van het wereldbeeld” bleek te zijn, kwam de informatisering van de samenleving, de “de Vierde Revolutie” van Luciano Floridi, de tijd van de automatisering en de kunstmatige intelligentie. We leven nu in een tijd van verwarring. Niet “het einde van de geschiedenis” (Fukuyama). Wel de tijd waarin we de geschiedenis herwaarderen, nu we ons ervan bewust worden dat de technische controle over natuur en samenleving niet tot die vrijheid leidt die we dachten ermee te realiseren.

Het einde van de onpersoonlijke wetenschap

Informatie als onpersoonlijke, subjectloze, ‘objectieve’ vorm van kennis is kenmerkend voor het tijdperk van de wetenschap als project met als doel kennis-verwering ten dienste van de rationalisering van het arbeid en de samenleving. Kennis is geen persoonlijke kennis maar een bijdrage aan de kennis van de samenleving. Het moet dan ook gedeeld (kunnen) worden en geleerd kunnen worden uit leerboeken. Die kennis is idealiter mathematisch en liefst nog in berekenbare modellen uit de drukken, waardoor de werkelijkheid gesimuleerd kan worden.

Persoonlijke kennis in de zin van zelfontplooiïng van het individu als persoon is minder van belang. De persoon ontwikkelt zich door zich objectieve kennis en informatie eigen te maken om zodoende een bijdrage te kunnen leveren aan de economie: het moet nuttig zijn; dienstbaar als technisch middel.

Deze vorm van kennis en deze werkelijkheid staat in het teken van onbetrokkenheid. De persoon staat tegenover de werkelijkheid die hij probeert te kennen.

Ik denk dat we van het ICT tijdperk kunnen leren hoe onbevredigend dit is. Weliswaar hebben we vaak wel belangstelling voor anderen, en voor ons zelf, maar daarbij gaat het ook weer om ons zelf of de ander als iemand die buiten ons staat, iemand die ons in principe vreemd is. We ervaren dan ook de diepe kloof die er bestaat tussen “informatie over iemand hebben” en “iemand kennen”.

Er wordt veel gecommuniceerd maar dat is iets anders dan interesse.

De God van het “Nader tot U” is vervangen door de God van de filosofie, de wetenschap, de technologie. Die God is allang dood verklaard.

Hoe nu verder? Welke kant op is vooruit? Of is dit het eind van de ‘vooruitgang’?

Bronnen

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.