Van de maan af gezien zijn we allen even groot

In de serie Denken in tijden van Corona gaat het deze keer over de kwestie wat we met onze ouderen moeten.

Het Corona-virus waart door Europa. Nee, niet door Europa. Over de hele aardbol. Het begon onder de Chinezen, nog ver weg. Maar nu is het hier en bij de buren. Overal zit het. Zelfs in Amerika zit het al terwijl ze daar de boel zo goed dicht houden voor binnendringend gespuis. Het is er, maar je ziet het niet. Zoals meestal bij oorzaken.

Wat we wel zien zijn de gevolgen. De beelden van door het virus getroffenen op overvolle intensive-care afdelingen. De lijkkisten in rijen opgesteld wachtend om ter aarde besteld te worden. We mogen de deur niet meer uit van de regering die daarin geadviseerd wordt door de wetenschappers die dagelijks hun grafieken tonen en zich laten verleiden tot uitspraken waarvan ze weten dat ze die, hoe voorzichtig die ook zijn, niet waar kunnen maken.

Oma en opa, moeder en vader, tante en oom. De kinderen en kleinkinderen; we mogen ze niet meer opzoeken. Niet naar ons zomerhuisje in het buitenland. De media overspoelen ons bijna 24 uur per dag, 7 dagen per week met de aantallen positieve (dat is niet best) gevallen, IC-opnames en doden. En met meningen, heel veel meningen over hoe het anders had gemoeten, en over hoe het verder moet nu het gaat zoals het gaat.

Het is voorjaar. Normaal is dit de tijd voor de schoolexamens. Vorige week kwam het onvermijdelijke bericht dat de eindexamens dit jaar niet doorgaan. Wat een enorme teleurstelling voor al die examen-leerlingen. Ik kan me dat goed voorstellen. Het is alsof je te horen krijgt dat een belangrijke wedstrijd waar je al weken naar toe hebt geleefd is afgelast. Maar dan anders, veel erger.

Het bericht deed me denken aan mijn eindexamen. Voor Nederlands moesten we een opstel schrijven (misschien heette het wel essay). Je kon kiezen uit een aantal onderwerpen aangegeven door een stelling. Ik weet niet meer welke, maar mijn keus viel op: “Van de maan af gezien zijn we allen even groot.” (Ik heb het nog even opgezocht: het is een citaat van Eduard Douwes Dekker beter bekend als Multatuli.)

Ik kan me geen ene zin meer uit mijn opstel herinneren. Maar had ik er nu voor gestaan, in tijden van Corona, dan had het er misschien wel zo uit gezien.

Voor Asha.

Van de maan af gezien zijn we allen even groot

Dat klopt. Als je je maar ver genoeg van de mensen op aarde verwijdert, dan vallen de verschillen je niet meer op. Dan zijn alle mensen Chinezen. Dan zijn alle Turken en Marokkanen hetzelfde en precies Chinezen. Dan zijn alle Nederlanders even lang en even dik. Net als alle Chinezen.

Maar kom je dichterbij. Dan lijkt ieder mens anders te zijn dan de anderen. De een is 2 meter, de ander slechts 1 meter 50. De een heeft blauwe ogen, de ander groene. De een is dik, de ander dun. Die heeft een lange neus, de ander een houten been, een bril of een slecht gehoor. En als je heel goed kijkt dan zie je dat de een slechte vaten heeft, de ander slechtwerkende nieren of een gen-mutant dat de belofte inhoudt van een op handen zijnde bloedziekte, een prostaat- of borstkanker. De een is overmoedig en opgewekt van karakter en loopt de kans jong te sterven bij een tragisch ongeval, de ander is depressief en loopt rond met een gevoel van was ik maar niet hier.

Maar vanaf de maan gezien zijn we allemaal gelijk. Soms is het goed om die afstand te nemen. Door afstand te nemen kun je relativeren. Je ziet dan misschien beter de grote lijn, niet verblind door onbenullige details.

Ik moest daar aan denken in verband met de discussie over de triage naar aanleiding van de crisis in de ziekenhuizen ten gevolge van de Corona.

Corona legt veel problemen onder een vergrootglas. Een nijpend probleem is het tekort aan IC-bedden en IC-personeel. Niet alleen corona-zieken worden door dit tekort getroffen, ook anderen die behoefte hebben aan medische zorg. Er is een tekort aan medische zorg; aan mondkapjes, aan test-materiaal. Het eigenlijke probleem is dat al die voorzieningen net als de levens van de mensen eindig zijn en dat we moeten kiezen.

Asha ten Broeke maakt in haar column in de Volkskrant melding van de sluipende opkomst van een ander levensbedreigend virus. Ze schijft.

De NOS meldde dat ‘mensen die compleet hulpbehoevend zijn voor hun dagelijkse verzorging’ volgens richtlijnen bij ic-beddenschaarste niet meer worden opgenomen. Dat was onjuist, maar alarmbellen waren blijkbaar niet afgegaan ter ­redactie, zo normaal is zo’n notie inmiddels. Enkele Amerikaanse staten stelden in protocollen dat gehandicapte mensen geen goede kandidaten zijn voor beademing. Bert Wagendorp liet weten dat hij liever niet heeft dat schransende zwaarlijvigen ic-bedden bezet houden wanneer een geliefde van hem er een nodig heeft.

Asha werd boos.

Laat artsen aan het bed beslissen over leven en dood, en laten wij hen en elkaar respecteren door niet te speculeren over wie de moeite van het redden waard is. Laten we mensen blijven; mensen die we herkennen. Anders verliezen we tijdens deze crisis meer dan levens; dan verliezen we ons hart.

Ze kreeg veel bijval. Maar er waren ook die de noodzaak inzien van een protocol. Eerder was er Bij Nader Inzien al een discussie tussen ethici en moralisten, en wie is dat niet, over de kwestie of het nu, nu midden in de crisis, wel de tijd is voor zo’n discussie. Wat is de geschikte afstand tot de zaak om hier een goede beslissing over te nemen? Moeten we het aan de arts aan het bed over laten, zoals Asha betoogt? Of moeten we het aan een commissie van medici en medisch ethici, theologen en juristen over laten? Die ergens in een vergaderzaaltje op de maan een protocol produceren dat de arts daar beneden aan het bed voorschrijft of ze de stekker er uit moet trekken of door moet gaan met behandelen. Met een berekende kans op nog een jaartje voortleven; tot de dood er eventueel op volgt?

Ik ben erg benieuwd naar het algoritme. Welke factoren worden meegenomen in de afwegingen? Leeftijd? BMI? Chronische ziektes: diabetes, obesitas, hoge bloeddruk, lage rugpijn? Verwachte levensduur? Waarschijnlijk wel. Kwaliteit van leven? Maar welke factoren bepalen de kwaliteit van een mensenleven? Van mijn leven? Van het leven van Asha, van Marion, van Miriam, van Harm, van Jelle, van Roos, van Liesbeth. En wie bepaalt dat? En met welke vragenlijst? Ik zie dat helemaal niet zitten, zo’n protocol.

En dan is er nog de vraag of zo’n protocol dwingend wordt opgelegd. Of gaat het zo van: er is een protocol maar ga er verstandig mee om, dames en heren doctoren. In dat geval zou het nog acceptabel zijn. Maar is de arts aan het bed geholpen met een protocol waaraan hij niet gehouden is? Misschien wel.

Asha wil dat artsen aan het bed beslissen over leven en dood. Dat lijkt me een verkeerde voorstelling van zaken (ik zou 50 jaar geleden in mijn opstel hier het woord framing hebben gebruikt). Artsen beslissen niet over leven en dood. Dat doen moordenaars en rechters die een doodstraf opleggen. Artsen overleggen met alle betrokkenen, met hun geweten en zo mogelijk in de eerste plaats met de patient (wij dus, Asha) wat het beste is voor de patient. Niet voor de economie maar voor deze mens waar het hier en nu om gaat. Dat de artsen daarbij in overweging zullen moeten nemen welke middelen hun ter beschikking staan, dat zal duidelijk zijn. Geen mens mag het leven van een ander wegnemen. Geen mens kan de tragiek van de eindigheid van het leven en van de beperktheid van de middelen waarvan dat leven afhankelijk is wegnemen. Die tragiek hoort bij ons leven.

Ik hoop dat het helpt. Het ga je goed.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply