“Fijn dat u luistert”

In de serie Denken in Tijden van Corona ga ik het nu hebben over het volgende.

Zo rond vijf uur begin ik te koken. Ik bedoel: ik begin met de voorbereiding van het avondeten (wij eten ‘s avonds warm, ook ‘s winters). Daarbij luister ik graag naar de radio en wel naar radio 1. Naar een praatprogramma met presentatrice Lara Rense. Waar ik naar toe wil is het volgende. En mijn vraag is dan vervolgens: hebt u dat nou ook?

Na het nieuws van 5 uur (kan ook half 6 zijn) komt ze terug met een welluidend

Fijn dat u luistert.

En dan betrap ik mij erop dat ik even denk “hoe weet ze dat ik luister?” En vervolgens: zou iedereen dat hebben (of is dit een begin van de aftakeling?).

Vandaar mijn vraag: hebt u dat nou ook? Ik vermoed van wel want zo bijzonder zijn wij niet.

Een vergelijkbare ervaring doet zich voor wanneer ik langs een mij onbekende weg afgestapt ben en voor een bord sta met een plattegrond. Daarop staat een pijl getekend die wijst naar een dikke rode stip en bij die pijl staat

U bevindt zich hier

Dan denk ik altijd: hoe weten ze dat? Ik ben hier nog nooit eerder geweest! Mijn vraag brengt me op haar beurt weer in verlegenheid want wie bedoel ik eigenlijk met “ze”?

Als denken mijn tong is dan is taal mijn zere kies. Ik heb iets met taal. En met techniek. Ik was vroeger taaltechnoloog. Ik probeerde de computer mijn taal te leren, Nederlands. Ik leerde haar woordjes, de Nederlandse grammatica. Ik leerde haar wat vragen zijn en hoe ze daar het beste op kon reageren. Ik dacht als je een computer kunt programmeren dan kun je haar ook leren een gesprek te voeren. Is niet helemaal gelukt. (Wat niet aan mij ligt; mocht u dat denken.) Na zo’n 40 jaren hieraan gewerkt te hebben dacht ik: wat is nou eigenlijk het probleem?

Ik ging daarover te rade bij de mensen die veel over taal en techniek nagedacht hebben. Dat zijn er een heleboel, maar drie springen er wat mij betreft wel uit. Wat betreft inzichtelijkheid, en daar ging het mij om. Hun namen beginnen toevallig (maar wat heet toeval? Daar ga ik het in een volgende “Denken in Tijden van Corona” over hebben) allemaal met een H: Hegel, Heidegger en Hollak. Hegel was de eerste die snapte dat informatica iets anders is dan klassieke mechanische technologie. En dat terwijl Napoleon nog op zijn paard door Europa trok en in Engeland de Industriele Revolutie gaande was. Hollak is de eerste die dat snapte. Hij is misschien de minst toegankelijke van de drie. Zijn “Hegel, Marx en de Cybernetica” en zijn inaugurele rede “Van causa sui tot automatie” zijn hoogtepunten van het denken over de moderne, autonome, mens en de automatie. (Ik volgde via bandopnames zijn Amsterdamse colleges en besprak die met Louk, mijn afstudeerdocent. Zijn die opnames nog ergens? Ik zou ze graag nog eens beluisteren.)

De meest toegankelijke moderne denker over taal en techniek is Heidegger. Een beetje een beladen figuur, en zijn Sein und Zeit is schier ondoordringbaar, maar zijn Hebel, der Hausfreund is een zeer sympatiek en lezenswaardig boekje over taal en techniek. Hij is overigens de enige van de drie die je nog op Youtube kan zien en beluisteren. O, machtige techniek!

Johan Peter Hebel (1760-1826) was schrijver, dichter, theoloog en pedagoog. Een liefhebber van volksverhalen die hij noteerde, bundelde en uitgaf in het Wiesentaler dialect. Bekend is het verhaal Kannitverstan (geen spelfout) over een timmerman uit Tuttlingen die voor het eerst over de grens gaat en Amsterdam bezoekt, niet beseffend dat men hem daar niet kan verstaan en op iedere vraag als antwoord krijgt kannietverstaan. Het verscheen in 1808 in Der Rheinländische Hausfreund. Je kunt het verhaal vast wel beluisteren op Youtube. In Tuttlingen staat ter ere van Hebel een standbeeldje dat Kannitverstan heet. Ook de jaarlijkse ereprijs van de Zuid-Duitse stad is daarnaar vernoemd.

Der Kannitverstan, Denkmal und Ehrengeschenk der Stadt Tuttlingen

Wat is er toch met de taal gebeurd? Dat is de vraag die opgeworpen wordt door mijn hierboven beschreven ervaring met Lara Rense. Het is precies de vraag die Heidegger in Hebel, der Hausfreund, aan de orde stelt. Het is precies de vraag die een blik kan werpen op de vraag die ik na vele jaren tevergeefs sleutelen aan machines waarmee je een gesprek kunt voeren mij stelde: Waarom lukt dat maar niet? Wat is eigenlijk het probleem?

De taal is niet meer wat het ooit was, onze moedertaal, de taal die in ons spreekt. Horen wij nog de taal uit Hebels schatkist? Vraagt Heidegger. De taal is, net als alles om ons heen, instrument geworden, een middel om informatie over te brengen, een besturingsmiddel. We zijn daar dagelijks getuige van in deze tijd van sociale media, denkende machines en sprekende robots. Heidegger wijst op de sprekende machine die meer is dan een bandopnameapparaat. De spraakmachine spreekt zelf; ze maakt zelf zinnen. Wat is de zin hiervan? En wie is dat zelf? Mensen zien het gebeuren maar ze zien niet wat het betekent, schrijft Heidegger. (H. gebruikt hier het woord Sinn, wat ook betekenis betekenen kan.) De eerste mannen die aan Kunstmatige Intelligentie werkten hadden zich als doel gesteld een persoon te maken. Wat volstrekt geen zin heeft. Want die zijn er al genoeg.

Toen ik nog collega’s had belde ik eens eentje op in verband met het werk. Ik kreeg haar dochter aan de telefoon die vertelde dat haar moeder even weg was en zo weer terug kwam. Het was een kort gesprek dat we vriendelijk afsloten met bedankt en tot ziens. Toen ik de collega even later tegenkwam en vertelde dat ik haar dochtertje aan de telefoon had gehad, zei ze na enig nadenken: “oh, dat was het antwoordapparaat”.

Een vreemd gevoel overkwam me en ik probeerde me het gesprek, dat dus eigenlijk helemaal geen gesprek was geweest, te herinneren. Een gevoel van vervreemding overviel me en je voelt je ook wel een beetje bedonderd. Ludwig Wittgenstein wijst in zijn Philosophische Untersuchungen zijn lezer op een man die hij aan de overkant van de straat ziet drentelen. Stelt u zich voor, zegt Wittgenstein, dat het geen man is, maar een machine. (We zouden zeggen een androïde.) Hoe voelt dat? Hoe ervaar je dat? vraagt hij dan. Dat gevoel.

Terwijl ik heel wat gesprekken met onze kunstmatige, sprekende avatars heb gevoerd. Maar dat waren lab-gesprekken; geen gesprekken in de echte wereld. Ik wist hoe het ding werkte (namelijk zoals het mannetje van Searle in zijn Chinese Room die bij iedere vraag zoekt naar een passende respons in een gigantische database van vraag-antwoord paren). Het ging er ons om te kijken of het ook werkte; bij anderen, zoals het bedoeld was. Het ging om de gebruikers-ervaring (de user experience, UX in het jargon). Werkte dit taalgebruik? Neemt de gebruiker de taal serieus, zoals ik de woorden van het antwoordapparaat van mijn college voor de woorden van een echte gesprekspartner hield? Zoals ik de woorden van Lara Rense voor echt zou moeten houden (als in een persoonlijke interaktie).

De mogelijkheid van taaltechnologie, van sprekende machines en andoides moeten we natuurlijk in de aard van de taal zelf zoeken. En met taal bedoel ik niet alleen woordtaal, maar ook gebarentaal. (Hegel noemt het woord ook een gebaar.) Taal heeft van zich zelf een zelfstandig bestaan: de woorden en gebaren betekenen ook al wat als niemand ze uitspreekt of maakt. Ook al kan hun betekenis veranderen door het gebruik. In zoverre is de taal altijd al een instrument dat ter beschikking staat. De op mensen lijkende robots maken gebaren die op die van mensen lijken en die de functie ervan moeten overbrengen: het knikken met het hoofd, het ophalen van de schouders, eye gaze, het ophalen van wenkbrouwen. Het zijn de kleine interactiegebaren die de moderne sociologen (als Erving Goffman, bekend van The Presentation of Self in Everyday Life) hebben geidentificeerd als betekenisvol in de communicatie. Behaviours heetten ze met een technische term: gedragingen, maar dan niet als uiting van een persoon, maar als op zich gestelde mechanische bewegingen, losgeweekt van de persoon. Die persoon is verdwenen, zoals de ziel van de moedertaal uit de taal die instrument geworden is verdwenen is.

Sociaal psycholoog Michael Argyle schrijft over de sociale gedragingen in zijn The Scientific Study of Social Behaviour (1957). Het is de basis van social skill learning: het aanleren van sociale gedragstechnieken. Spindokters leren hoe politici en media-mensen zich moeten presenteren. Wanneer je Goffman’s teksten over social face en face work leest (met face bedoel ik gezicht in de zin van je gezicht verliezen) weet je vaak niet of hij het over mensen heeft of over avatars. Hij heeft het over agents. Het gaat over gedragingen los van het onderliggende mechanisme, van kunstmatige agenten. De persoon is verdwenen uit het gedrag, dat eigenlijk geen gedrag meer is. Argyle besteedt in zijn boek meteen een hoofdstuk aan de ethische kant van de techniek van social skill learning waarvoor hij zelf met zijn nieuwe wetenschap de basis heeft gelegd. Het kan eenvoudig leiden tot fake gedrag. (Zie Trump !)

En dat is precies waar het in deze technologie om draait: opdat het werkt moet de gebruiker ervan het als echt beleven. Zie hier de ethische paradox van de moderne technologie: om te kunnen werken moeten we toestaan dat ze ons bedriegt; het moet net echt zijn en vooral intelligent lijken. En een taal spreken getuigt bij uitstek van intelligentie. Ethici stellen regels voor intelligente technologie. Ze zeggen dat het er niet te echt uit mag zien. Maar wat nu als het pas goed werkt en bruikbaar wordt als het er echt uitziet en doet alsof het intelligent is?

Ik moet Lara Rense haar: Fijn dat u luistert serieus nemen, voor wat het normaal betekent, anders werkt het niet. Ik moet het bordje Houd afstand: 1.5 meter! wel serieus nemen. Anders werkt het niet. En als het niet werkt dan komt er onder: Artikel 461 Wetboek van Strafrecht. En als dat ook niet werkt dan moet er gehandhaafd worden. Dan komt de politie de woorden van de president kracht bij zetten. Mensen, houdt afstand!

Daar staan we dan in een vreemde wereld die beheerst wordt door Corona en Media. We zouden zo graag onze moeder nog eens willen omarmen. Maar die lijkt al uit tijd en taal verdwenen.

Good goan!

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply