Het Koesdoekje van Mark

In de serie Denken in tijden van Corona gaat het deze keer over het koesdoekje.

Ik ben al vrij oud dus u weet misschien niet wat een koesdoekje is. Een koesdoekje is een doekje waarmee het nog jonge kind knuffelt. Je zou het dus ook een knuffellapje kunnen noemen. Of slaapdoekje, want koesen is Fries voor slapen, maar dan wel op zijn babies. Volwassen mensen koesen niet; ze slapen (Fries:se sliepe).

Maar waarom een koesdoekje? Daar is over nagedacht en daar kwam uit dat een koesdoekje een transitieobject (Eng. transitional object) is.

Linus Lijntje met zijn koesdoekje

Het koesdoekje zoals ik dat ken is een beetje een smotsig doekje, smotsig geworden door het geflieber van de kleine. Het koesdoekje is al een tijdje door het kleintje in gebruik onder andere om de moedermelk die het kleine ding opboert af te vegen. Geur is onze oudste en diepste emotionele band met de wereld om ons heen en voor de kleine frabbe bestaat die wereld in eerste instantie uit de moederborst en de emotionele band bestaat in de geur van de moedermelk. Je moet zo’n koesdoekje dus nooit wassen. Dat zou een doodzonde zijn. Wat smotsig is voor de één, is fijn voor een ander.

Een koesdoekje is dus een transitieobject. Geleidelijk aan kan de functie van het lapje stof worden overgenomen door andere dingen, een beertje, een aapje. Het vieze ding kan dan eindelijk in de wasmaschien.

Winnicott(1971) beschrijft het transitieobject als “the infant’s first ‘not-me’ possession – often a stuffed animal or soft blanket grasped while the child sucks on his or her finger(s)”. Het object representeert volgens hem de ervaring van het kleine kind met de buitenwereld. Maar om wat voor transitie gaat het?

“The object represents the infant’s transition from a state of being merged with the mother to a state of being the relation to the mother as something outside and separate” (Winnicott 1971, p. 14).

Het transitieobject zou volgens de psychologen het opgroeiende kind moeten helpen in de overgang van de symbiotische relatie met de moeder als zuigeling naar de periode van volwassenheid, individualiteit en zelfstandigheid. De ontdekking van het ik in onderscheid van het andere is een moeizaam proces. De mens identificeert zich aanvankelijk met het vertrouwde andere. Ik herinner me het kind dat naar zijn tandborsteltje wijst en roept: ik.

De vraag is of er in een mensenleven een einde komt aan die transitieperiode naar volwassenheid en zelfstandigheid. Want blijven wij niet kind? Ja.

Sherry Turkle is een psychoanalytisch getrainde psychologe, die veel waarde hecht aan persoonlijke relaties en intimiteit. (Wie niet?) In Alone Together beschrijft ze hoe geschokt ze was toen ze geconfronteerd werd met David Levy’s boek Love and Sex with Robots (Levy, 2007). Daarin worden robots als een nieuwe vorm van leven gezien, een vorm van leven waarmee je een relatie kan hebben waarin je je prettig voelt. Bij Turkle roept het de vraag op of dit wel kan: een relatie met een robot.

Levy droeg zijn boek op aan een zekere Anthony (pseudoniem voor) een MIT computer hacker, een verlegen jonge man, met een zekere angst voor intieme relaties. In zijn interaktie met de computer voelde Anthony zich minder alleen bekende hij in een interview met Sherry. Misschien was een relatie met een robot wel een goeie eerste stap voor mensen zoals Anthony, dacht Levy. Turkle had daar dus zo haar bedenkingen bij. Welke relaties met machines zijn eigenlijk mogelijk en vooral ook welke zijn ethisch acceptabel? Vraagt zij zich af.

En zij is niet de enige. Maar eerst nog even over het koesdoekje. Welbeschouwd is dat net zo min een object als dat een moeder een huisvrouw is die de was doet. Dat zijn allemaal abstracties, bedenksels van ons denken die alles uit elkaar denkt. Het koesdoekje is de geurige relatie van het kind met de moeder en een fase in de ontwikkeling van een levensvorm naar … Ja, naar wat eigenlijk?

Wanneer je de trap oprent moet je niet nadenken hoe je dat doet. Denken is sowieso een slopende bezigheid: ze maakt kapot wat bij elkaar hoort. Niet denken is daarentegen helend. Denk ik. Denken is ook verslavend zoals een koesdoekje voor het kleine kind, of programmeren voor een hacker.

Wie denkt, denkt abstract. Ik hoef om deze stelling te verhelderen slechts een paar alledaagse ervaringen aan te halen die iedereen herkent. Een moordenaar wordt voor de rechter geleid. Voor het volk is hij niet meer dan een moordenaar. Dames merken op dat het een mooie, knappe en interessante man is. Wat! zegt het gemene volk, een moordenaar knap? Hoe kan men zo denken! Jullie zijn ook niet veel beter dan die man. Dit is het zedenbederf dat onder de voorname mensen heerst, voegt een priester, die de voedingsbodem en de harten van de mensen kent, er aan toe. (eigen vertaling van passage uit: Wer denkt abstract?, G.W.F.Hegel, 1807 )

De morele vraag van Sherry hoe je je moet verhouden tot iemand die sex heeft met een robot, roept voor sommigen de vraag op naar de mogelijkheid van een relatie met een robot. Wat is dat voor vraag? Wat zijn de vooronderstellingen van dit soort vragen. Gaat het om een probleem? Een probleem dat opgelost moet worden door het denken? Denken doen we om te kennen. Welke kennis kan het resultaat zijn van het denken over dit soort morele kwesties? Een moreel oordeel. Door wie? Op grond waarvan? Bestaat elk oordeel niet evenveel uit de beoordelaar als uit het beoordeelde? Zoals de moeder bestaat in het kind en de vrouw? Bestaat een machine zonder de mens voor wie de machine machine is? Nee.

Het koesdoekje is niet een object. Het verwijst naar een levensvorm. Het staat voor een heel netwerk van relaties. Voor een ecologie, een slagveld, een theater en een bijbehorend taalspel (zie Coeckelbergh (2012)). Zoals het schepje waarmee ik de stekjes plant en dat ik voortdurend kwijt ben hoort bij mijn levensvorm als tuinier. Met de kapucijnerplantjes in de tuin. De muizen die mijn werk bedreigen, de muizeval met pindakaas. De morele kwesties die dat oproept. De fleurige veelkleurige bloei van de volwassen plant en de heerlijke verse erwtjes met spek, het dankbare loon na werken. Hoe dankbaar kunnen kapucijners zijn!

Ik noemde het wassen van het koesdoekje een doodzonde. Met opzet. Het gaat hier om een ethische kwestie. In hoeverre mogen wij oordelen over een levensvorm waar wij volstrekt buiten staan? Iedereen heeft recht op zijn eigen levensvorm. Daarbij horen vrienden en vijanden en morele kwesties. Wat telt voor Sherry, de psychoanalitica, is de heilzaamheid van de levensvorm. Of het nu gaat om een minister van defensie die sex heeft met een robot of om een minister die een munitiefabriek in Irak laat bombarderen met F16s of om een minister het volks misleid. Het gaat erom hoe gezond deze levensvorm is. Is het liegen en bedriegen een organisch onderdeel van deze ecologie? Of bloeit er iets moois op, zoals uit de kapucijnerserwtjes in mijn tuintje, uit de relatie van Anthony met zijn computer, of uit het koesdoekje van Mark ?

De robot is het koesdoekje van de moderne mens op zoek naar zelfstandigheid.

Referenties

Mark Coeckelbergh (2012), Growing moral Relations: critique of moral status ascription. Palgrave MacMillan, 2012.

G. W. F. Hegel (1807), Werke 2, Jenaer Schriften 1801-1807: “Wer denkt abstrakt?” (1807), pp. 575-581. Uitgave: Suhrkamp Taschenbuch (8e oplage, 2016)

Winnicott, D.W. (1971). Playing and reality. London: Tavistock Publications.

David Levy (2007), Love and Sex with Robots: the evolution of human-robot relations. New York: Harper Collinds, 2007

Sherry Turkle (2005). The second self: computer and the human spirit. Cambridge, MA: MIT Press, 183-218, 2005.

Sherry Turkle (2011). Alone together: why we expect more form technology and less from each other. Basic Books, New York, 2011.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply