Het verkeerde been

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over Het Verkeerde Been.

Ik was linksbuiten; stijf links. Later toen ik wegens gebrek aan natuurijs in Twente binnen in ijshallen rondjes moest rijden – rondjes die altijd linksom gaan – werd ik tweebenig. Het linkerbeen had de functie van standbeen overgenomen. Bij een passeerbeweging uit stand komt het er op aan de tegenstander op het verkeerde been te zetten. Ik vond dat echt genieten, vooral wanneer je daarna de bal nog net voor de achterlijn kon voorzetten waarna de inlopende spits het leer snoeihard tegen de touwen kletst. We kenden de term toen nog niet, maar dat was echt kicken.

Je kunt ook met het verkeerde been uit bed stappen. Ik hou daar niet van.

U moet er maar eens opletten. Wanneer je mensen bij elkaar ziet staan in een gesprek verwikkeld en ze wisselen van gespreksonderwerp dan nemen ze ook vaak een andere houding aan. De spreker die van perspectief verandert wisselt van standbeen. Ze steunt dan op een andere voet. Een interessant fenomeen, dat door sociologen uit en te na bestudeerd is. Misschien zijn er wel proefschriften over geschreven. Boeiende materie.

Vroeger toen er nog theatervoorstellingen voor een publiek waren kon je zien dat de performer op het toneel een andere plek op het toneel in nam wanneer deze veranderde van onderwerp of perspectief. Mensen die college gaven en daarbij op een soort toneel stonden voor een zaal met publiek die deden dat ook.

Het is lastig om dit te doen als je via Zoom of Skype college moet geven. In de jaren 90 gaf ik vanuit het PTT kantoor in Hengelo college voor studenten in een zaaltje in Leeuwarden. De eerste experimenten van “The University of Twente” met het geven van college op afstand. Erg moeizaam. Wanneer een student daar hoestte of nieste zwenkte de camera naar hem toe zodat de student mij vol in het gezicht proestte. Dat is niet wat je wil. Nu niet, toen ook niet. Adressering (“audience design“, het signaleren tegen wie je spreekt) is ook lastig via zo’n kanaal. Bovendien, weet je nooit wie er allemaal meeluistert. En wanneer er ook nog vertraging in de lijn zit dan komen backchannel signalen niet op de juiste plek aan. Je denkt dan huh? Waar slaat dit op! (Ook deixis als “dit” is vaak lastig als je de fysische ruimte niet deelt met de ander.)

Ook de taal, de manier van spreken, verandert wanneer de spreker op een ander been gaat staan. De oorzaak voor zo’n verandering van standbeen en taalgebruik kan van buiten af komen. Bij voorbeeld in de vorm van de buurvrouw waarover de dames het net hadden toen ze zich bij hen voegde. Dat kan een verandering van standbeen tot gevolg hebben. Het gespreksonderwerp verandert en soms ook de taal (“code shift“): bijvoorbeeld van plat Twents naar een ander dialect.

Footing

We liggen wegens het virus met zijn allen al een tijdje aan de monitor. Het virus heeft ons op het verkeerde been gezet. Of misschien moeten we ons wat neutraler uitdrukken: we zijn op een ander been gezet. Welk been? Wat is er veranderd? Hoe is de taal veranderd? Wie heeft er een andere positie ingenomen? In welk participatie-kader?

Het fenomeen dat ik bedoel staat in de sociologie bekend als footing en de socioloog verbonden aan dit fenomeen is de in Canada geboren Erving Goffman (1922-1982). Hij werd bekend van zijn bestseller “The Presentation of Self in Everyday Life” (1959). Goffman schreef kritisch over de behandeling van patienten in psychiatrische instellingen (“Asylum“). In Nederland kwam die kritiek een decennium later met Jan Foudraines “Wie is van hout?” (1971).

Goffmans latere werk is van grote waarde voor iedereen die geinteresseerd is in hoe mensen met mensen communiceren. Voor de communicatie-ingenieur, door Goffman treffend gekarakteriseerd als “someone optimistic about the possibility of culture-free formulations“, voor de linguist die de taal wil bestuderen in de context van de ontmoeting van mens tot mens (“talk-in-interaction“), de context waarin de taal thuis is, en voor degene die een al dan niet professionele interesse heeft in het thema intersubjectiviteit, zoals de BOA die hangjongeren belerend wil toespreken – de-escalatie hoe doe je dat – of de politieman die een verdachte moet interviewen. (Maar ik betwijfel of binnen een 1-jarige politie-opleiding naast Leary’s rose ook Goffman nog op adekwate wijze behandeld kan worden. )

Goffmans belangrijkste artikelen zijn verschenen in een paar bundels: Interaction Rituals: essays on face-to-face behavior (1967), Frame Analysis: An essay on the organization of experience (1974) en Forms of Talk (1981).

Sociale Interactie als systeem

Vanaf het midden van de vorige eeuw werd het systeemdenken steeds populairder: de wetenschap maakte van alles een systeem. Shannon en Weaver’s klassieker The Mathematical Theory of Communication waarin het communicatie-model gepresenteerd werd is van 1949. Wiener’s Cybernetics over “communication in the animal and the machine” is van 1948, en Ludwig von Bertalanffy’s Society for General System Research werd opgericht in 1956. Als een virus verspreidde het systeem-idee zich door de wetenschap, zich niets aantrekkend van de grenzen tussen de verschillende disciplines. Zelfs verpleegkundigen moesten in systemen denken.

UIt: The Mathematical Theory of Communication (1949)

In Replies and Responses stelt Goffman expliciet dat we een gesprek kunnen beschouwen als een communicatie-systeem.Hij somt op waaraan zo’n systeem moet voldoen. Er moeten akoestische signalen overgebracht kunnen worden die interpreteerbaar zijn. Het moet mogelijk zijn om backchannel of feedback signalen te geven, evenals contact-signalen, de mogelijkheid om te onderbreken, te stoppen, de beurt te wisselen (turn-taking), te selecteren aan wie een spreker zijn boodschap in het bijzonder richt (audience design, adressering). Er moeten mogelijkheden zijn voor framing, zodat de spreker aan kan geven hoe zijn bericht gelezen moet worden. Er moeten normatieve regels zijn die deelnemers verplichten eerlijk en volledig te zijn (Grice’s logica van de conversatie: als iemand met drie kinderen op de vraag of hij twee kinderen heeft met ja antwoord, dan houdt die zich er niet aan.). En er moeten regels zijn die vastleggen welke rechten de verschillende soorten participanten hebben; wat mogen luisteraars, aanwezige kijkers, journalisten, tolken wel en wat niet.

Als een gesprek een communicatie-systeem is dan zijn de deelnemers eraan ook systemen. In de introductie van de bundel Interaction Rituals stelt Goffman de vraag wat nu eigenlijk het subject is van zijn Interaction Research.

Diepe Problematiek

Zijn werk, en niet alleen zijn werk, getuigt van de diepe problematiek die deze vraag oproept. Enerzijds bestaat het onderwerp uit de “small behaviors“, de korte momenten (macro-interacties) en de syntax van de verbale en niet-verbale bijdragen van deelnemers aan een sociale ontmoeting. Syntax bepaalt de volgorde van bijdragen van gesprekspartners: een vraag vraagt om een antwoord, een voorstel om een response. Deze “adjacency pairs” vormen als het ware de bouwstenen van de dialoog.

Not then men and their moments. Rather moments and their men.

Anderzijds wordt het onderwerp bepaald door de vraag wat de minimale eisen zijn die we aan een actor (de “men“) moeten stellen opdat deze kan optreden in een sociale ontmoeting, zodat deze zich ordelijk gedraagt (“and have an orderly traffic of behavior emerge.”), waarbij orderlijk niet noodzakelijk sociaal acceptabel in de enge zin betekent. Ook a-sociaal gedrag is vanuit Goffman’s perspectief heel ordelijk.

Voor de ingenieur die zich als doel stelt artificiele agenten (sociale robots) te maken die als actor kunnen optreden in sociale ontmoetingen, is vooral die laatste kant relevant. Hoe moeten we een robot maken zodat deze zich op een sociale manier gedraagt. Waarom zou een robot zich “sociaal” moeten gedragen? Het antwoord is: omdat dat beter is voor een effectieve en efficiente communicatie. Het sociale, de sociale norm staat ten dienste van de economie van de communicatie, de informatie-uitwisseling. Een robot die zich sociaal gedraagt, dat werkt prettiger. Is het idee.

Toen de indianen voor het eerst een stoomboot op de Mississippi rivier zagen aankomen, hielden ze dit voor een groot bezield dier. Sommige mensen die voor het eerst met een sociale robot te maken hebben denken dat deze artefacten een zelf hebben dat door hun gerespecteerd moet worden. Dat is een misverstand dat meestal vrij snel opgehelderd wordt. Zij vinden dan ook na enige tijd dat het ding gewoon moet doen wat het moet doen en wel op het juiste moment. Mensen die andere mensen louter als gebruiksvoorwerp zien en die sociaal doen omdat dat beter is voor de communicatie zien geen verschil met de manier waarop anderen met sociale robots omgaan.

Er zijn mensen die vragen wat het effect is van de introductie van nieuwe technologie op de praktijk waarin deze wordt toegepast. Het is minstens zo belangrijk te onderkennen dat nieuwe “autonome” technologie niet aan het begin maar aan het eind staat van een historische ontwikkeling. Eerst moest het begrip “behavior” losgeweekt worden van de persoon voordat het mogelijk werd “behaviors” door middel van fysische processen te animeren. Eerst moesten we rekenen en denken als vorm van regelgestuurd handelen zien voordat het geprogrammeerd kon worden en door machines uitgevoerd.

Wie denkt dat machines kunnen denken die houdt er een machinaal idee van denken op na. Wie van mening is dat robots de arbeid van mensen kunnen overnemen die houdt er een abstract, robotesk idee van arbeid op na; een idee waaruit de persoon en de waarde van de arbeid voor de persoon verdwenen is. Wat is het perspectief van waaruit het niet uitmaakt of het werk door robots of door mensen wordt gedaan? Wat is vanuit dit perspectief het produkt van het werk? Onze economie is in hoge mate een abstractie van het werkelijke leven.

Wie spreekt hier?

In Footing geeft Goffman ook een beschrijving van de spreker. Die kan op verschillende manieren beschreven worden. Hij beweegt zijn lippen op en neer, begeleid dit met gebaren en gezichtsuitdrukkingen. Hij is een sound box, hij functioneert als een animator. Hij is de “talking machine“. Hij is een individu bezig met het produceren van uitingen. Animator en ontvanger of luisteraar zijn complementaire rollen, ieder aan een kant van het communicatiekanaal. De abstracties animator, auteur en principaal staan voor de drie aspecten van het spreken: wie produceert het geluid (animator), van wie is de tekst (auteur), en namens wie wordt er gesproken (principaal). Ze bepalen samen het “productie format” van het spreken. Daarbij komt nog dat de spreker tijdens zijn speech “van pet kan verwisselen”; een andere sociale rol spelen. Politici en bestuurders met verschillende functies zijn daar bedreven in. “Als burgemeester heb ik daar geen kennis van.” sprak de burgemeester van Enschede regelmatig wanneer hem informatie gevraagd werd die hij als voorzitter van de Ontwikkelingsmaatschappij Vliegveld Twente wel degelijk had, maar waarover hij als voorzitter in de gemeente raad niets kon meedelen “vanwege bedrijfsbelangen”.

Wanneer de voetbalsupporter gedreven door de massa voor aanvasng van de interland wedstrijd luidkeels het Nederlandse volkslied zingt “Ben ik van Duitsen bloed” en “De koning van Hispanje heb ik altijd geeerd.“, dan weten wij niet wie “ik” is. Maar een ding is zeker het is niet de zingende voetbalsupporter.

Heel veel tekst die wij op rituele wijze produceren is niet van ons zelf.

Dat geldt niet alleen voor het rituele “Goedemorgen” en “Sorry“, maar ook voor de toewensingen die dezelfde voetbalsupporter, gedreven door de stemming van de wedstrijd, uit in de richting van de scheidsrechter of van een speler met een andere huidskleur. Wie of wat spreekt hier eigenlijk?

America’s first Donald Trump klaagde recentelijk, nadat een tweet van hem de fact check niet had overleeefd, dat het niet goed was dat niemand verantwoordelijk is voor wat er allemaal op de sociale media verkondigd wordt. Daarmee raakt hij aan een belangrijk probleem. Verantwoordelijkheid is een lastig punt in een anonieme samenleving, waarin sprekers niet menen wat ze zeggen en zich onder verschillende petten verschuilen. Het beantwoorden van de vraag “Wie spreekt hier eigenlijk?” is niet eenvoudiger geworden nu er steeds meer door machines (algoritmes) gesproken wordt. Een interessant thema voor de nieuwe Minister van Digitalisering.

De sociale interface

Een belangrijk kant van technologie is de interface. De interface van een instrument is hoe het ding zich toont aan de gebruiker en laat zien of en hoe het beschikbaar is voor interaktie. Het toont ook de toestand van het systeem voor zover dat relevant is voor de gebruiker. Het dashboard voor het monitoren van de samenleving in tijden van Corona is de interface, het controle- en bedieningspaneel voor het aansturen van de zieke patient, de door het virus aangetaste samenleving. Het fenomeen taal stelt net als een virus ons voor de vraag wie eigenlijk dat autonome, zelfstandige individue is, waarvan we denken dat het via allerlei kanalen en het aanleren van de taal, de samenleving opbouwt. Is het niet “language and society first” en dan “the men”?

Face is een kernthema in het werk van Goffman. Face bepaalt in hoge mate hoe wij omgaan met de ander in een sociale interaktie. Wij willen niet ons gezicht verliezen en we willen dat de ander ons respecteert. Anderzijds willen we de ander in zijn waarde laten en er voorzorgen dat hij of zij geen gezichtsverlies lijdt. De sociale norm zegt dat we anderen altijd de kans moeten geven zijn of haar gezicht te redden. Althans als we met elkaar verder willen; al dan niet door de situatie gedwongen.

Face is ook het sprekende gezicht dat ons in een face-to-face-gesprek meedeelt hoe het met de ander gesteld is. Meer nog dan de woorden die uit de mond stromen spreekt het gezicht. Haar “honest signals” liegen niet. Een regering, een arts, die alleen naar cijfers en grafieken op een dashboard kijkt mist wezenlijke informatie over de toestand van de patient. Sterker nog: die kunnen haar wel eens op het verkeerde been zetten.

Eenzaamheid

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over de Eenzame. Met name over de eenzame als object van wetenschappelijk of literair en journalistiek onderzoek. Maar eerst, waar hebben we het over?

Je eenzaam voelen is niet leuk

Het gevoel alleen te zijn is een deprimerend gevoel. Je wordt er niet vrolijk van. Het gevoel is dat je iets mist dat volgens jou er wel hoort te zijn. Je ervaart een onprettige leegte. Het gevoel van eenzaamheid komt vooral voort uit een gebrekkige kwaliteit van je relaties met anderen en met jezelf.

Gevoelens van eenzaamheid kun je lange tijd wegdrukken. Je ervaart de leegte die er is niet zolang het je lukt de leegte te ontlopen. De ervaring van leegte, het gevoel van eenzaamheid treedt dan op wanneer het je niet meer lukt de leegte die er is te vullen en het je niet meer lukt het gevoel dat de leegte oproept te negeren. Met het toelaten van het gevoel eenzaam te zijn is dan ook de eerste stap gezet naar heling. Deze bestaat uit de aanvaarding van de leegte.

Wanneer je iemand ontmoet die eenzaam is wordt je niet echt vrolijk. Je ziet de leegte in de holle ogen van de eenzame. Je wilt zo iemand helpen uit zijn leegte. Het is vervelend wanneer je na een tijd contact met zo iemand merkt dat deze je nodig heeft om zijn of haar leegte te vullen en je zelf niet het gevoel hebt dat hij of zij jouw leegte vult. Zo iemand wordt je tot last. Je stoot hem of haar af met als gevolg dat de verstotene zich nog eenzamer voelt dan voorheen. Toch is het goed dit te doen. We moeten de eenzaamheid onder ogen zien en niet met de mantel der naastenliefde bedekken. Eenzaamheid is verslavend; als eten en di-eten.

Ouder worden

Wie niet eenzaam wil worden kan beter niet oud worden. Ouder worden is een proces van afsterven en leeg worden. Wie leeft wordt ouder. Eenzaam worden is dus niet een logisch gevolg van leven; het is een wezenlijk aspect van leven. Wie het leven aanvaarden wil zoals het is moet de eenzaamheid aanvaarden.

Alleen zijn versus je alleen voelen

Niet de kwantiteit, het aantal sociale contacten, maar de kwaliteit van de sociale contacten bepalen de eenzaamheid die mensen ervaren.

Although loneliness is conceptually tied to the magnitude
of one’s social network or frequency of social participation,
an expression of loneliness depends on how that individual
subjectively perceives the quality of those relationships and
how satisfied he/she is with the types of support received
from those relationships (Rokach, 2011). Throughout this
article, the term “social support” refers to a property of
one’s social networks, whereas “loneliness” is a state of
mind that encapsulates the cognitive or emotional appraisal
of one’s social resources. This allows us to distinguish
between “being” alone and “feeling” alone.
” (Rebecca et al.,2014)

Waardoor wordt de kwaliteit van sociaal contact bepaald? Dat is een vraag die je niet door middel van onderzoek of zelfreflectie kunt beantwoorden. Het antwoord wist je al voordat je de vraag stelt. De vraag en het zoeken naar een antwoord heeft het antwoord eerder verborgen.

Of iemand zich eenzaam voelt hangt sterk af van wat hij of zij normaal vindt; het referentiekader. Sommige mensen zijn meteen eenzaam als ze nog maar even alleen zijn. Ze kunnen moeilijk met zichzelf alleen zijn. Dat is lastig.

Sociale contacten met vrienden is belangrijker dan sociale contacten met familieleden, als het gaat om het vermijden van gevoelens van eenzaamheid bij oudere alleenstaande weduwen. Vrienden kies je op grond van een gedeelde interesse terwijl sociale contacten via een bloedband niet op een vrije keuze berusten.

Vrije keuzes zijn heilig in de westerse cultuur waarin iedereen zelfstandig moet zijn en los wil komen van historisch banden, tradities, families en andere, de individuele vrijheid belemmerende, factoren. De samenleving, waarin de zelfstandigheid van het individu heilig is, bestrijdt de eenzaamheid die ze zelf produceert.

Machteld Huber’s definitie van gezondheid getuigt van de eenzame strijd die het leven is.

Gezondheid is het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven

Onderzoek naar eenzaamheid

Het is niet fijn om eenzamen om je heen te hebben. Daarom moet het bestreden worden. Maar hoe? Om die vraag te beantwoorden wordt er veel onderzoek gedaan. Vooral het veldonderzoek is goed voor de bestrijding van eenzaamheid. Daardoor komen eenzamen in contact met onderzoekers. Dat is fijn. De eenzame onderzoeker komt onder de mensen. Zo vult hij de leegte. Geen gezelliger uren dan die ik doorbracht in het geheugenklasje voor bejaarden van Ruth.

Goed en modern onderzoek is project-onderzoek voor de duur van drie jaar. We zoeken eenzame ouderen, plaatsen een sprekend konijn, robotje of fotolijstje in de keuken. We geven ze een zeehond om te aaien of een knuffelkussen (“We cheapen the notion of companionship to a baseline of interacting with something“; Turkle(2011),p55). We plaatsen sensoren en camera’s. We observeren en annoteren de interactie-momenten (“The subject of inter-action analyses is the moments, not the men”, Goffman). We stellen vragenlijsten op en nemen interviews af. Na drie jaar sturen we de PhD student naar huis. Daar schrijft hij eenzaam aan zijn proefschrift, het toegangsbewijs voor een plaatsje in de carrousel voor post-docs. Het robotje en het konijn worden weer meegenomen. Voor een eventueel ander project. De ouder achterlatend; een ervaring rijker, eenzamer dan tevoren. Uit het eindrapport:

Vraag: “Wat vond u het leukst aan het project?

Antwoord: “Het wekelijkse bezoek van Lise, de studente. Ik mis haar.”

Gelukkig moeten er nog veel projecten worden uitgevoerd voordat alle leden van de doelgroep de robotjes als sociale partner accepteren.

Keukendesign voor eenzame mannen

In de film Kitchen Stories (2010) van Bent Hamer zien we hoe een Zweeds onderzoeker zich op een hoogzitter in de keuken van een Noorse alleenwonende man heeft geinstalleerd. Hij moet minitieus de gangen van de bewoner noteren op speciaal daarvoor ontworpen formulieren en een plattegrond waarop een indeling van de keuken is getekend.

Scene uit Kitchen Stories van Bent Hamer (2010)

De onderzoeker (Folke) werkt in opdracht van een Zweedse keukenbedrijf. De studie moet kennis opleveren over de dagelijkse gangen van alleenstaande Noorse mannen voor het design van een op deze doelgroep aangepaste keuken.

De film speelt vlak na de Tweede Wereldoorlog. In Noorwegen wordt nog links gereden, integenstelling tot in Zweden, wat komische scenes oplevert wanneer de stoet onderzoekers elk in een oude volvo met op het dak de hoogzitter en er achter een sleurhut de grens passeert.

Folke, de observer, mag niet met zijn studieobject, de Noor Isak, communiceren. Dat leidt tot irritatie bij de Noor. “Jullie Zweden waren ook neutrale observatoren tijdens de oorlog“, merkt de Noor een keer fijntjes op. Isak probeert hem het observeren te belemmeren; hij mijdt soms de keuken en begluurt Folke vanaf de zolder door een gat in de vloer.

De onderzoeker verblijft gedurende het onderzoek in een piepkleine caravan waar hij al even eenzaam is als de Noor en waar hij weckpotten vol haring en knakworsten naar binnen schrokt. 

Deze situatie houdt geen stand. Na een paar weken merkt de Noor op “Als je me wilt kennen dan moet je met me communiceren“. Wanneer Folke jarig is drinken ze samen een fles Aquavit. De Noor en de Zweed raken bevriend. De leiding van de studie komt controleren of de onderzoeker zich wel aan de geen-contact-regels houdt. Folke wordt ontslagen wegens subversief gedrag. Wanneer Isak overlijdt neemt Folke zijn intrek in het huis van zijn overleden vriend.

Werken, werken, eten, skypen, slapen, werken,…

“Ze werken, komen moe thuis, eten, drinken, skypen met het thuisfront, gaan naar bed en staan weer op.” Zo ziet het eenzame leven van de Poolse, Roemeense, Bulgaarse, arbeidsmigrant er uit.

Ik ken ze. Ze leggen de glasvezelkabels aan in Twente. Ze steken asperges in Limburg. Ze vertrekken voor dag en dauw in hun VW busjes uit het westen waar ze hutje mutje in een deprimerend kot slapen of soms in een verlopen oud hotel. Ze zijn geronseld door Twentse miljonairs, eigenaren van aannemersbedrijven via speciale uitzendbureas in Duitsland. Je kunt niet met ze praten. Ze kennen onze taal niet. Noch onze goede manieren. Geef je ze koffie; ze brengen de koppen niet terug. Wat doen ze hier? Ze kwamen voor geld en geluk, ze vonden de leegte. Niemand weet hoe ze heten. Niemand kent hun naam. Het zijn Polen, Roemenen, Bulgaren. Vreemde lieden met lege vermoeide blikken.

Soorten eenzaamheid

Uit een korte studie concluderen wij dat de volgende soorten eenzaamheid voorkomen.

Emotionele eenzaamheid

Sociale eenzaamheid

Gewone eenzaamheid

Ernstige eenzaamheid

Zeer ernstige eenzaamheid

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen GGD-en, CBS en RIVM; bewerkt door het RIVM

Veelbelovende Technologie

Er zijn eenzame mensen die geen bezoek willen omdat ze eenzaam zijn. Niet zozeer omdat ze zich schamen voor hun eenzaamheid, wat veel voorkomt, maar veeleer omdat ze niet bezocht willen worden uit medelijden vanwege hun eenzaamheid. We moeten dit accepteren. Iedereen heeft recht op zijn eigen eenzaamheid.

Persoonlijke eigenschappen die gevoelig kunnen maken voor eenzaamheid zijn een gebrek aan sociale vaardigheden, een negatief zelfbeeld, weinig zelfvertrouwen, gevoelens van sociale angst, sterke verlegenheid, neuroticisme en introversie. Maar eenzaamheid is voor 48% erfelijk bepaald (gebaseerd op Young Adult Self Reports onder 8000 Nederlandse jongeren en een-ei-ige tweelingen. Boomsma, 2005).

Daarom lijkt gen-technologie het beste middel voor de strijd tegen eenzaamheid.

Wij denken aan Jesse die in de bloei van zijn leven een dwarslaesie opliep tijdens een zwempartijtje met vrienden. Hij leert ons hoe sterk het leven is. Wij denken aan hem; samen met zijn ouders en zijn vrienden. Misschien helpt het.

Uiteindelijk zijn we allen één in onze eenzaamheid.

Bronnen

Rebecca, L. et al (2014). Feeling Lonely Versus Being Alone: Loneliness and
Social Support Among Recently Bereaved Persons. Journals of Gerontology, Series B:
Psychological Sciences and Social Sciences, 69(1), 85–94.

Boomsma, D.I. et al. (2005), Genetic and Environmental Contributions to Loneliness in Adults: The Netherlands Twin Register Study. Behavior Genetics. 2005;35(6):745-752.

De Graaf, Maartje(2015), Living with Robots: investigating the user acceptance of social robots in domestic environments. PhD thesis, University of Twente, 2015.

Turkle, Sherry (2011). Alone together: why we expect more from technology and less from each other. Basic Books, New York, 2011.

De onenigheid

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over De Onenigheid.

De onderstaande figuur is bekend als de Hasen-Enten-Kopf uit Fact and Fable in Psychology van de in Polen geboren Amerikaanse wetenschapper Joseph Jastrow (1863-1944).

De Figuur die Wittgenstein van Jastrow heeft overgenomen
(Philosophische Untersuchungen II-xi

Het is een plaatje dat ik al lange tijd met me meedraag en dat zo nu en dan oppopt. Kennelijk omdat het brein vindt dat het moment daar is om mij eraan te herinneren.

Voor wie in de figuur een hazekop ziet is het een tekening van een hazekop. Een ander kan er niets anders dan een eendekop in zien. De Oostenrijks-Britse filosoof Wittgenstein (1889-1951) spreekt hier van “het oplichten van verschillende aspecten“.

Wanneer spreker X er een haas inziet en dat meedeelt aan mens Y die er een eend inziet dan kan vrij gemakkelijk een dialoog ontstaan van de vorm: X: Haas! Y: Eend! X: Haas! Y :Eend…

Wat is er de oorzaak van dat de een er een haas, de ander, of misschien dezelfde persoon op een ander moment, er een eend in ziet? De vraag naar de oorzaak is de vraag naar inzicht in de werking van het onderliggende mechanisme dat resulteert in het beeld van een haas hetzij een eend. Voor zover ik weet is er nog geen bevredigende verklaring voor dit fenomeen geformuleerd. Geen verklaring waar de experts het over eens zijn.

Misschien moeten we het maar op toeval houden; wat dat ook moge zijn. Maar, als er sprake is van een oorzakelijk verband wat is dan oorzaak en wat is gevolg? Wat is mijn subjectieve persoonlijke bijdrage en wat is de bijdrage van het object dat ik waarneem zoals ik het waarneem, aan het oplichten van dit of dat bepaalde aspect?

Een Paradox

Ik moest onlangs weer aan dit plaatje denken, toen ik via een bericht in de sociale media door de wetenschapper Judea Pearl gewezen werd op de discussie omtrent Simpson’s paradox. De discussie wordt al een eeuw lang gevoerd. Ze is onlangs nieuw leven ingeblazen door het verschijnen van The Book of Why van Pearl. Het boek behandelt de Causale Revolutie in de wetenschap. Pearl doet in dit voor een breder publiek geschreven boek verslag van de ontwikkeling van zijn inzicht betreffende de relatie tussen causaliteit en waarschijnlijkheid. Aanvankelijk was hij van mening dat je op grond van statistische analyses zou kunnen komen tot conclusies omtrent causaliteit. Ofwel dat causaliteit reduceerbaar is tot waarschijnlijkheid. Nieuw inzicht leerde Pearl dat dit niet mogelijk is. Causaliteit is een veel fundamenteler begrip en het is principieel onmogelijk op grond van waarschijnlijkheden tot causaliteit te besluiten.

Zelfcensuur

Lange tijd heeft de wetenschap aan een vorm van zelfcensuur gedaan door niet te spreken over oorzaken als verklaring. Wij zien geen oorzaken, wij observeren slechts verschijnselen en proberen daarin patronen te ontdekken. Wat de wetenschap maximaal kon doen was statistische verbanden (correlaties) aangeven tussen verschillende verschijnselen. Op grond van veel gegevens kan soms met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot een causaal verband besloten worden. Causaliteit als een soort limiet van waarschijnlijkheid! Voor sommigen het maximaal haalbare. Voor anderen is zelfs dit geen verantwoord resultaat. Statistici spreken van al dan niet significante correlaties, op grond waarvan vooropgestelde hypotheses al dan niet verworpen zouden kunnen worden.

Kortom de discussie over de relatie tussen causaliteit en waarschijnlijkheid hield de gemoederen in de wetenschap al lange tijd bezig. Niet zo vreemd, want het gaat over fundamentele begrippen van onze moderne wetenschap die immers verschijnselen wil verklaren op grond van observaties. Of dat verklaren bevredigd kan worden door het zoeken en vinden van oorzaken? Dat is nou net de vraag. Misschien zoeken we wel iets dat er niet is en is er slechts een veelheid van verschijnselen die ons toevallen en moeten we deze toevallige gegevens wel nemen voor wat ze zijn. Het gegeven aanvaarden voor wat het is en er verder niets achter zoeken.

Pearl ontwikkelde een wiskundige theorie (Causal Inference) over causaliteit waarmee het weer mogelijk wordt op een verantwoorde wetenschappelijke wijze te komen tot uitspraken over causale relaties tussen verschijnselen of gebeurtenissen.

Pearl verdedigt zijn theorie met verve tegenover al dan niet vermeende tegenstanders die nog geen gebruik maken van de verworvenheden van de causale revolutie. Met name op het gebied van de AI moet volgens Pearl meer geld beschikbaar komen voor Causal Inference onderzoek. Teveel zou de nadruk liggen op onderzoek naar machine learning, deep neural networks en big data. Wil AI een stap voorwaarts maken dan moeten we de machine leren causaal te redeneren. Anders wordt het nooit wat.

Overigens is iedereen het er wel over eens dat wanneer uit tellingen blijkt dat scholieren die melk drinken betere wiskunderesultaten op school hebben dan kinderen die cola drinken je niet kunt controleren dat er een oorzakelijk verband is tussen het drinken van melk of cola en de schoolresultaten. Ook kunnen we op grond van het feit dat op iedere ochtend weer een avond volgt niet concluderen dat de avond een gevolg is van de ochtend. Of dat het dagelijkse kraaien van de haan de zon doet opkomen. Uit het simultaan of regelmatig na elkaar optreden van twee gebeurtenissen kunnen we niet concluderen tot een causaal verband tussen beide.

Hoewel we niet precies weten wat een causaal verband is, we weten in elk geval dat het gevolg niet vooraf kan gaan aan de oorzaak. Dit geldt niet voor doel-oorzaken, maar die zijn allang uit de moderne wetenschap verbannen. Wat is het kenmerk van die “moderne wetenschap”?

Functie

De lengte van deze staaf is veranderlijk, evenals zijn temperatuur veranderlijk is. Dat neemt niet weg dat deze staaf dezelfde staaf blijft. In de mathematische fysica gaan we er vanuit dat er een wiskundig verband is tussen de lengte en de temperatuur van deze staaf. Deze wordt uitgedrukt door een functie f : l = f(t), de lengte is een functie van de temperatuur.

Het woord “functio” werd in het wiskundig spraakgebruik ingevoerd door de Duitse rechtsgeleerde, wiskundige, filosoof en uitvinder Leibniz(1646-1716) om de afhankelijkheid van de lengte van een lijnstuk in een meetkundige figuur aan te geven wanneer je een punt ervan over een kromme verplaatst.

Het stuk dat de raaklijn in P aan een kromme van de y-as afsnijdt noemde Leibniz in een brief aan Bernouilli een functie van P

Sinds Galilei voelde men een behoefte om veranderingen in de natuur op wiskundige wijze te beschrijven. Dat is lastig, want wiskundige objecten zoals getallen en figuren zijn niet veranderlijk: 2 wordt nooit 3 en een driehoek wordt nooit een vierkant. Leibniz’ functie leek niet zo’n gek idee.

De rest is bekend: in de 20ste eeuw zijn er diverse pogingen gedaan de hele wiskunde op het functie-begrip te grondvesten, als alternatief voor een fundering op het verzameling-begrip. Uiteindelijk leidden deze pogingen tot de computer, de machine bij uitstek waarin alle mogelijke functies functioneren. Mits ze natuurlijk berekenbaar zijn. Maar dat is tautologisch. Niet alle functies zijn berekenbaar zoals Godfather Alan M. Turing bewees. Maar dat terzijde.

Het functie-resultaat l is functioneel afhankelijk van het argument t. Voor deze staaf geldt : l = l0 + a.t , waarbij a een constante (een getal) is die bepaald is door het materiaal van de staaf en l0 de basis-temperatuur. Deze functie is een lineaire functie. Bij de lineaire functie kan een inverse functie gevonden worden die aangeeft hoe de temperatuurwaarde van de lengtewaarde afhangt.

Op grond waarvan zeggen we eerder dat de lengte van de temperatuur afhangt dan omgekeerd dat de temperatuur van de lengte afhangt? De functie f hierboven suggereert een causale relatie waarbij de temperatuur als oorzaak en de lengte als gevolg optreedt. Let wel: suggereert. Waarom? Ik kan niet anders bedenken dan dat de reden is dat we de temperatuur van de staaf kunnen veranderen waarbij de verandering van de lengte als gevolg van dit ingrijpen wordt gezien. Een functionele relatie is een wiskundig object en geen fysisch causale relatie. Ik denk dat het goed is wiskunde van fysica, logica en psychologie te onderscheiden. Ook al zijn er wiskundige vormen van de laatste.

Op grond van het principe van de mathematische fysica stellen we dat er een functie of een ander soort wiskundig model (in het algemeen een structuur) bestaat dat het verband aangeeft tussen verschijnselen die we door metingen kwantificeren. Die metingen of observaties leveren gegevens op. Ook een vragenlijst die door mensen in een steekproef beantwoord wordt is een meting. Die gegevens proberen we te matchen met het model. Wanneer het model te veel afwijkt van de gegevens passen we het model aan. Sommige wetenschappers geloven dan de gegevens niet en gooien deze weg. Past het model redelijk goed dan kunnen we soms op grond daarvan uitspraken doen over nog niet gedane, hypothetische, observaties.

Het doen van experimenten en het opstellen van een wiskundig model zijn twee kanten van een zelfde wetenschappelijke manier van doen. Het experiment gaat uit van een verband tussen verschillende verschijnselen. Ook al hebben we nog geen idee wat het verband is we kunnen altijd gegevens verzamelen en op grond van onze intuitie classificeren.

Hume: Is dit brood gezond?

Hume vroeg zich af op grond waarvan hij kon concluderen dat dit brood goed was voor zijn gezondheid. Hij concludeerde dat hij geen inzicht had op grond waarvan hij op basis van eerdere ervaringen met het eten van brood kon concluderen dat dit brood goed voor hem was. Hij heeft natuurlijk gelijk: het brood kan vergiftigd zijn, een dodelijke schimmel bevatten. De kans is misschien klein, maar de mogelijkheid kan, eenmaal verzonnen, niet worden uitgesloten. Maar waarom noemt hij dit brood brood? Waarom vergelijken met andere broden? En waarom haalt hij daar zijn gezondheid bij? Waarom zou een brood gezond voor hem zijn? Of ongezond? Waarop berust dit?

Hume ontkende dat we inzicht in causaliteit hebben. Hij ontkende eigenlijk ook dat het niet mogelijk is van brood in het algemeen te spreken. We kennen slechts regelmatigheden. Toch voelde hij wel de behoefte aan een verklaring voor het feit dat we over oorzaken praten. Dat lijkt een beetje tegenstrijdig. Gelukkig kunnen we volgens hem een beroep doen op de Natuurlijke Harmonie tussen ons verstand en de natuurverschijnselen.

Op grond waarvan zou ik een uitspraak over de huidige lengte van deze staaf kunnen doen zonder deze te meten? Daarvoor heb ik de huidige temperatuur nodig en bovendien moet ik aannemen dat het wiskundige model (de functie die een lineair verband aangeeft tussen t en l) werkelijk geldt. Maar er kan iets merkwaardigs aan de hand zijn. Een uitzondering op de regel. Die kans is klein.

Merk op dat de kennis van de functionele relatie tussen temperstuur en lengte ons een instrument geeft om de temperatuur te meten op grond van de lengte. Techniek en experiment zijn twee kanten van de zelfde medaille: een geslaagd experiment geeft mogelijkheden voor handige instrumenten.

De Onenigheid

Pearl bespreekt in zijn boeken Çausality en The Book of Why Simpson’s paradox ter illustratie van zijn psychologische theorie over hoe mensen kansuitspraken interpreteren als causaliteitsuitspraken.

In een eerdere blog over Simpson’s Paradox heb ik Pearl’s visie uitvoerig besproken. Ik ben het niet met hem eens. Hij ziet processen in de hoofden van anderen, die hij niet kan zien. Soort van projectie, denk ik. Maar ik ben geen psycholoog.

De paradox komt volgens Pearl’s visie voort uit het feit dat mensen zonder het te beseffen een stelsel van probabilistische uitspraken zoals

P(E | C ) > P(E | ~C)

P(E | C,F) < P( E | ~C,F)

P(E | C,~F) < P(E | ~C,~F)

interpreteren als een stel causale uitspraken.

“Although such order reversal might not surprise students of probability, it is paradoxical when given causal interpretation.’’ (Causality, p.174; italics van mij)

Hoe kan een medische behandeling goed zijn voor mensen en tegelijk slecht zijn voor mannen en voor alle mensen die niet man zijn?

Dit is logisch onmogelijk. Niemand kan het hiermee oneens zijn.

De onenigheid betreft de interpretatie van de gegevens.

Voor wie de kansuitspraken niet als causale relaties ziet kan het paradoxale karakter van Simpson’s paradox niet door Pearl verklaard worden. Pearl houdt vast aan de idee dat degenen die Simpson’s paradox voor een paradox houden de kansenvergelijkingen interpreteren als causale uitspraken.

Toen ik voor het eerst kennis maakte met Simpson’s paradox was ik verrast. Maar na enige uitleg begreep ik dat mijn verrassing gebaseerd was op een foute aanname, eentje die je makkelijk kunt maken: namelijk dat het gemiddelde van de gemiddelden van twee of meer groepen getallen hetzelfde is als het gemiddelde van de hele groep. Dat heeft volgens mij niets te maken met een verborgen aanname over een causaal verband. De fysicus E.T. Jaynes wijst er in zijn boek Probability Theory (2003) op dat conditionele kansen niets met causale afhankelijkheden te maken hebben.

Voor Pearl gaat dit tegen de natuur van de menselijke intuitie in.

Hij postuleert “that human intuition is governed by causal calculus together with a persistent tendency to attribute causal interpretation to statistical associations. Without this postulate it is hard, if not impossible to explain the surprise part of Simpson’s paradox.”

Pearl ziet het als zijn taak mensen op deze verwarring te wijzen: correlatie betekent niet causaliteit; en uit statistieken alleen kun je geen “causale” conclusies trekken. Maar dit nobele streven betekent toch niet dat hij ons er eerst van moet overtuigen dat we lijden aan deze verwarring!

Zolang de beide partijen niet inzien dat de ander ook gelijk heeft is er onenigheid over deze kwestie. Het aardige is dat de tegenstanders van Pearl vaak met complexe theorieen aankomen om hun gelijk te bewijzen. Maar ze slaan natuurlijk de plank voortdurend mis. Zeker in de ogen van Pearl, die het soms kwaad te moede wordt. Hoe kun je iemand die een eend ziet in de figuur van Jastrow ervan overtuigen dat het een haas is? Of omgekeerd. Dat kan niet. Je moet gewoon wachten tot voor hem vanzelf een keer het andere aspect oplicht.

Er is wellicht behoefte aan een figuur als Anatevka uit The Fiddler on the Roof, die nadat hij de tegenstrijdige standpunten van de kibbelende partijen had vernomen, opmerkte: Maar jullie hebben allebei gelijk.

Het examen probleem

Hieronder is een voorbeeld van het verschijnsel dat aanleiding geeft tot Simpson’s observatie en die sommigen als paradoxaal ervaren. De tabel toont de resultaten van examens door studenten gedaan bij Prof A en Prof B.

De examenresultaten van bij de twee Professors. De onderste tabel toont de zelfde resultaten maar opgesplitst in twee deelgroepen: well-prepared en unprepared.

Uit de bovenste tabel halen we dat bij Prof B 2% van de studenten en bij Prof A 3% van de studenten zakt voor het examen. De onderste tabel toont de resultaten opgesplitst in de twee deelgroepen: de studenten die wel en die niet goed voorbereid waren op het examen. Enig rekenwerk laat zien dat voor beide deelgroepen de resultaten bij Prof A beter zijn dan bij Prof B. Dit lijkt paradoxaal. Hoe kan het zo zijn dat voor de hele groep studenten B beter is dan A, terwijl voor beide deelgroepen A beter is dan B?

Beide tabellen in het plaatje verwijzen naar dezelfde werkelijkheid. Zoals de visuele waarnemingen van de haas en de eend beide naar dezelfde werkelijkheid van de tekening verwijzen. Toch levert berekening een verschillend resultaat op.

Tot slot: een heel andere kwestie

Maar stel nu dat Professor B beweert dat hij de betere docent is refererend naar de eerste tabel. En stel dat Prof B daar bezwaar tegen maakt op grond van de tweede gesplitste tabel. Wie heeft er dan gelijk?

Nu halen de heren Professoren de causaliteit erbij! Professor B beweert dat hij de oorzaak is van de betere resultaten. Professor B claimt dat de betere resultaten op zijn conto komen. En zijn collega ontkent dit op grond van de gesplitste tabel.

Alsof iemand tegen Hume zegt: dit brood is gezond omdat het een brood is.

De theorie over Causal Inference van Pearl lijkt een oplossing voor het conflict onder de twee professoren te bieden. Dat kan het beste uitgelegd worden met een causaal diagram. In zo’n diagram geeft een pijl van knoop X naar knoop Y aan dat er een causale relatie is waarbij X als oorzaak en Y als gevolg wordt gezien.

Twee mogelijke causale netwerken voor het examen probleem

Beide causale netwerken zijn consistent met de data in de tabellen en kunnen dus de onderliggende werkelijkheid verbeelden. Het verschil is duidelijk: links is het op grond van het voorbereid zijn welke professor voor het examen gekozen is, terwijl rechts de professor bepaalt of de student goed voorbereid is of niet.

Wat is dus het antwoord op de vraag wie de prijs voor de beste prof verdient? Dat hangt ervan af welke van de twee netwerken de werkelijkheid weergeeft! Oftewel wat het onderliggende mechanisme is dat de examenresultaten produceert. Is het rechter netwerk de juiste weergave van de werkelijkheid dan heeft Professor B gelijk zijn claim. Maar niet als het linker model de werkelijkheid weergeeft.

Pearl heeft een wiskundige theorie ontwikkeld waarmee gegeven een causaal netwerk berekend kan worden wat de sterkte is van een causale afhankelijkheidsrelatie tussen knopen in het netwerk. Daarin speelt de doe-operator een centrale rol. Deze simuleert wat we doen als we een experiment uitvoeren om kennis te verwerven over causale verbanden in de werkelijkheid. We veranderen de waarde van een variabele, bijvoorbeeld de temperatuur, en meten het effect ervan op een andere, bijvoorbeeld de lengte. Daarbij moeten we er voorzorgen dat we niet via een achterdeur door onze activiteit andere processen in werking brengen die invloed hebben op de effect-variabele, bijvoorbeeld vochtigheid. Die moeten we daarom controleren. Dat kan door deze constant te houden, of door ze te randomiseren. Zo kan een randomized control trial (RCT) met behulp gesimuleerd worden.

Maar hoe weten we nu welk netwerk de realiteit weergeeft als we dit niet uit de gegevens (in de tabellen) kunnen halen? Die informatie moet van experts komen. Zij moeten op basis van hun kennis zeggen welke causale verbanden er gelden. Het is niet uitgesloten dat er nog andere factoren blijken mee te spelen. Pearl geeft in zijn The Book of Why historische voorbeelden van dergelijke kennisontwikkelingen.

In dit eenvoudige geval is de nodige kennis waarschijnlijk eenvoudig te verkrijgen, maar hoe zit dat bij complexe werkelijkheden waarin veel factoren een rol spelen? Dan wordt het lastiger.

Een causaal netwerk is een theorie die door ervaring moet worden getoetst aan de werkelijkheid. Het kan niet wiskundig bewezen worden of een model overeenkomt met de werkelijkheid. We kunnen hooguit zeggen of het past bij de beschikbare data.

Judea Pearl heeft een belangrijke bijdrage geleverd tot de wetenschap. Zijn causale diagrammen zijn, mits goed begrepen, een handig hulpmiddel voor het bespreken van causale modellen. Zijn theorie geeft een exacte definitie van het begrip “spurious relation”, een schijnbare causale relatie, bijvoorbeeld tussen iemand’s schoenmaat en diens intelligentie, die gesuggereerd wordt door een statistische correlatie.

Bronnen

E.T. Jaynes (2003) Probability Theory: the logic of science. Cambridge University Press, UK, 2003.

Judea Pearl(2001) Causality: models, reasoning, and inference. Cambridge University Press, UK, reprint 2001.

Judea Pearl and Dana Mackenzie(2019) The Book of Why: the new science of cause and effect. First published by Basic Books 2018. Published by Penguin Random House, UK, 2019.

Ludwig Wittgenstein (1945), Philosophische Untersuchungen. Suhrkamp Taschenbuch 14, Basic Blackwelll, 1958.

Ludwig’s privacy

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over Ludwig en dat waarover niet gesproken kan worden.

Ludwig

Ik ken Ludwig niet. Net zoals de Belastingdienst of de UWV mij niet kent.

Wat ik van hem weet dat staat geschreven in documenten op het internet of in boeken die in mijn kast of die hier op de tafel naast mij liggen. Zo ben ik bekend bij het UWV of bij de Belastingdienst.

Ludwig is geboren op 26 April 1889 te Wenen, zoon van Karel en Leopoldine. Ludwig overleed op 29 April 1951 te Cambridge, Engeland, aan kanker, net als zijn vader. Een half jaar later werd ik geboren.

Je kunt alleen mensen kennen met wie je in dezelfde tijd leeft. Mijn opa van vaders kant, Hendrikus Wilhelmus Johannes, leefde van 1885 tot 1927. Mijn vader werd geboren in 1914. Maar voorzover bekend hebben ze Ludwig niet gekend. Misschien uit de krant. Ik kan het ze niet vragen. Ze leefden in een andere tijd; communicatie is niet mogelijk.

Hier staat dat Ludwig in 1914 naar de Linzer Realschule ging, “toevallig op hetzelfde tijdstip dat Adolf Hitler die instelling verliet.” Hier staat dat Hitler een klas lager zat. Dat sluit elkaar niet uit. En hier staat: “Als hij gelijktijdig met Hitler, die een klas lager zit, de Realschule in Linz doorloopt, leest Ludwig, zoals zoveel andere pubers uit die tijd, Spinoza en Schopenhauer.” Hier klopt iets niet. Het is een onbelangrijk detail. Waar het om gaat is dat we het moeten doen met wat er over iemand geschreven staat (of gezegd wordt) wanneer we het hem niet zelf kunnen vragen; niet met haar in gesprek kunnen gaan.

Zonder vertrouwen valt niet te leven.

We kunnen een beroep doen op de Logica: is deze informatie consistent? En als de Logica het niet weerspreekt dan rest ons alleen nog: het geloof of ongeloof.

Wat ik geloof is dat het waar is dat wat hier geschreven staat over Ludwig. Dat hij in Linz Heinrich Hertz’ Die Prinzipien der Mechanik las en daarvan onder de indruk was. Dat hij later in Wenen Ludwig Boltzmann’s Populäre Schriften las en zo bekend werd met de statistische mechanica.

“Wir machen uns innere Scheinbilder oder Symbole …”
(Uit: Die Prinzipien der Mechanik, Heinrich Hertz, 1894)

.

Na zijn afstuderen in Wenen, in 1906 studeerde Ludwig Machinenbau in Berlijn. Dat beviel hem niet en hij vertrok in 1908 op advies van zijn vader naar Manchester waar hij vliegtuigbouw studeerde. Hij was echter meer geinteresseerd in de wiskunde. Hij las in een leesclubje Bertrand Russell’s The Principles of Mathematics (1903).

De arme Bertrand had vlak voor de eeuwwisseling in zijn wiskundig bouwwerk gebaseerd op Cantor’s verzamelingenleer een logische fout ontdekt. Later bekend als de Russell Paradox. Hoe kun je nu ook zo dom zijn een begrip op zichzelf toe te passen! Maar als het verstand dat nu niet uitsluit! Wat is er mis met de definitie van heterologisch? (Een woord is heterologisch als het niet autologisch is. Een woord is autologisch als het voldoet aan zijn eigen betekenis, zoals “kort”, “Nederlands”, “vijf-let-ter-gre-pig”.)

In een appendix bespreekt Russell ook Frege’s werk, het begin van de mathematische predikatenlogica. Frege wees op het onderscheid tussen Sinn en Bedeutung van een expressie. Een expressie drukt haar Sinn uit en refereert naar de Bedeutung. Zo kun je zeggen dat twee woorden, zoals de Morgenster en de Avondster een verschillende Sinn hebben maar dezelfde ster beduiden. Zo’n onderscheid heb je in de wiskunde, die per slot de wetenschap van het =-teken is, wel nodig. Frege formuleerde het begrip als functie in zijn Begriffschrift en stelde vast dat de betekenis van de zin haar waarheidswaarde is.

Ludwig was zeer onder de indruk van het werk van de wiskundige en logicus Gottlob Frege. “Eindelijk een filosoof die naar duidelijkheid streeft!” Eindelijk een filosoof die genoeg stijl heeft om te kunnen beantwoorden aan de eisen die Boltzmann aan de filosofen gesteld had!”

Toen Ludwig Frege benaderde met de vraag of hij bij hem kon komen studeren zei deze dat hij te oud was. Op advies van Frege klopte Ludwig aan bij Russell in Cambridge. Het zou het begin worden van een levenslange vriendschap. Hoewel de eerste indruk van Russell niet echt positief was. Twee weken na de eerste kennismaking met “deze Duitser die weigert Duits te spreken”, schrijft Russell in een brief aan zijn geliefde, lady Ottoline Morrell.

“My German engineer, I think, is a fool. He thinks nothing empirical is knowable- I
asked him to admit that there was not a rhinoceros in the room, but he wouldn’t.”

De koning van Frankrijk

In 1905 publiceerde Russell “On Denoting”, een artikel van 14 pagina’s. Het gaat over “denoting phrases” zoals “een man”, “de koning van Frankrijk”, “het meisje”. Wat betekenen dergelijke taal-elementen eigenlijk? Wat betekent “de huidige koning van Frankrijk” als die niet bestaat? Russell vindt Frege’s oplossing (het heeft een welbepaalde Sinn maar de Bedeutung is een object zonder eigenschappen) weliswaar niet onlogisch, maar ook niet bevredigend. Russell ziet een zin als “De koning van Frankrijk heeft een baard.” als een aankleding van de logische formule “Er is een x waarvoor geldt: x is koning van Frankrijk en x heeft een baard“. Dat lost het probleem op: de zin is onwaar want er is niet zo’n x.”.

Waarom is volgens Russell het onderwerp dat hij behandelt zo belangrijk? Die vraag beantwoordt hij in de volgende passages.

“The subject of denoting is of very great importance, not only in logic and mathematics, but also in the theory of knowledge. For example, we know that the centre of mass of the Solar System at a definite instant is some definite point, and we can affirm a number of properties about it, but we have no immediate acquaintance with this point, which is only known to us by description. The distinction between acquaintance and knowing about is the distinction between the things we have presentations of and the things we only reach by means of denoting phrases.”(…)

“In perception we have acquaintance with the objects of perception, and in thought we have acquaintance with objects of a more abstract logical character; but we do not necessarily have acquaintance with the objects denoted by phrases composed of words with whose meaning we are acquainted.”   (On Denoting, p.479)

De UWV kent mij niet. Maar ze hebben wel beschrijvingen van mij. In de computer van de UWV staat dat ik 2 jaar in dienst ben geweest van het Ministerie van Defensie. Dat is onjuist. Ik was in dienst van Sociale Zaken. Als dienstweigeraar. Ik stuur een brief aan UWV dat hun informatie niet juist is. Ze zeggen we hebben deze informatie gekregen/overgenomen van het Ministerie. Die heb ik een e-mail gestuurd en gebeld. Een agent beloofde het na te gaan. Tot nu toe niets meer van gehoord. Mensen die in dezelfde tijd leven kunnen in principe met elkaar communiceren. Zo lang we leven hebben we nog de mogelijkheid invloed uit te oefenen op wat er over ons in de archieven geschreven staat.

Oorlog

In 1914 breekt de Grote Oorlog uit. Ludwig zit dan in Noorwegen waar hij rust zoekt om aan zijn Logisch-Philosophische Abhandlung te werken. Hij vertrekt naar Oostenrijk; er moet gevochten worden. “Hoewel hij wegens een tweezijdige liesbreuk van militaire dienst is vrijgesteld, sluit hij zich 7 augustus vrijwillig bij het Oostenrijkse leger aan. In eerste instantie wordt hij aan het Oostfront ingeschakeld, waar hij zich bijzonder moedig gedraagt.” (Boukema).

In 1918, tijdens zijn laatste verlof beeindigt hij het schrijven eraan. Terug aan het Zuid-front wordt zijn regiment gevangen genomen door het Italiaanse leger. Zijn manuscript komt met hulp van het Rode Kruis bij Frege en Russell terecht. Wanneer hij uit krijgsgevangenschap vrij komt spreekt hij met Russell in Den Haag af om de inhoud te bespreken. In 1919 schoolt Ludwig zich om. Hij wordt onderwijzer op een school in de bergen van Oostenrijk. In 1921 verschijnt, na hulp van Frege bij het zoeken van een uitgever, de eerste druk.

Kunnen mensen elkaar verstaan?

Hoe kunnen kunnen mensen elkaar verstaan? Kunnen mensen elkaar verstaan?

Ludwig schrijft in een Vorwort (Wenen, 1918):

Dieses Buch wird vielleicht nur der verstehen der die Gedanken die darin ausgedruckt sind – oder doch ähnliche Gedanken – schon selbst einmal gedacht hat.”

Het is dus geen leerboek, zegt hij. Ik begin dus maar achter in; in de hoop dat daar de ontknoping staat. En jawel, daar staat het:

7. Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.

Jan Hollak noemde dit in zijn afscheidscollege in Nijmegen (21-02-1986) “precies de onzinnigste uitspraak” van de hele Tractatus. Want, zo zegt hij, als je ergens niet over kan spreken dan kun je er ook niet over zwijgen.

De uitspraak lijkt een tautologie. En als zodanig logisch equivalent met p \/ ~p . Die zijn “bedingungslos wahr” (4.461). Toch zegt het wel iets meer dan dat.

Waar je niet over spreken kan”, Waar refereert deze “denoting phrase” naar? Als het geen Bedeutung heeft dan kun je er inderdaad net zo goed van zeggen dat je er niet over kunt zwijgen als dat je er niet over kunt spreken. Zulke zaken bevinden zich aan gene zijde van wat zich laat uitdrukken in taal. En aangezien voor Ludwig alleen dat bestaat wat in taal kan worden afgebeeld, geschreven of gezegd, kunnen we er alles over zeggen zonder de waarheid geweld aan te doen. En dus ook dat je er niets over kunt zeggen.

Wat Ludwig probeert in zijn Tractatus vast te leggen is wat je met taal kunt beschrijven om als het ware van binnenuit vast te leggen welke de grenzen zijn van wat je nog kunt beschrijven. Wat daarbuiten ligt is waar het in het leven om gaat. Dat houden we voor ons zelf. Dat is Ludwig’s privacy. Dat is wat zijn vriend Bertrand de acquaintance noemde (zaken die we zelf in de wiskunde bedacht hebben of die we direct op zintuigelijke wijze waarnemen) in onderscheid van de dingen die we alleen door middel van beschrijvingen (indirect via de taal) kennen waar we slechts informatie over hebben.

Van Heinrich Hertz en van Ludwig Boltzmann leerde Ludwig dat het Beeld van de werkelijkheid wiskundige formules zijn waarvan het verband wordt vastgelegd in wiskundige modellen.

“We maken voor onszelf inwendige beelden of symbolen van de uitwendige voorwerpen en wel maken we ze zodanig dat de denknoodzakelijke gevolgen van de beelden steeds weer de beelden van de natuurnoodzakelijke gevolgen der afgebeelde voorwerpen zijn.” (Vertaling Louk Fleischhacker (1974))

Dit principe van Hertz wordt uitgebuit in de denkende machines, nadat de electrotechnische ingeneurs de logica van de waarheidswaarden in de vorm van logische schakelingen hebben gematerialiseerd. Een grote stap in de ontwikkeling van de automatie!

De idee van de Tractatus is dat we buiten de afbeelding in taal, waarvan de betekenis bestaat in logische formules, niets over de werkelijkheid kunnen zeggen. Ook niet over de afbeelding zelf, de relatie tussen het beeld en de werkelijkheid van de mechanica.

4.1 Die Satz stellt das Bestehen und Nichtbestehen der Sachverhalte dar.

4.11 Die Gesamtheit der wahren Sätze is die gesamte Natuurwissenschaft.

Shannon en Weaver: communicatie en informatie

Op 12 december van het jaar 1901 verzond de Italiaanse uitvinder en ondernemer Marconi de eerste morse-signalen vanuit Cornwall over de Atlantische oceaan, waar ze een fractie van een seconde later in New Foundland werden ontvangen. Over de Atlantische Oceaan, over een afstand van zo’n 3200 kilometer. Het eerste draadloze intercontinentale communicatiekanaal met radiogolven was geboren.

Een halve eeuw, waarin onder meer het Marconi-schandaal en twee wereldoorlogen, verstreek voordat in 1949 Shannon en Weaver hun The Mathematical Theory of Communication publiceren. Het is een top tien publicatie van de afgelopen eeuw dat gaat over het sleutelbegrip van de nieuwe tijd: informatie. De vraag die Shannon en Weaver aan de orde stellen betreft de capaciteit van het communicatiekanaal. Anders gezegd: hoe kunnen we de boodschappen die verzonden worden het beste coderen om zoveel mogelijk gebruik te maken van de beschikbare hoeveelheid toestanden van het systeem. Een economisch probleem. Het was de ingenieurs al lang duidelijk dat onze natuurlijke taal een veel te inefficient middel is voor het transporteren van informatie.

Informatie contra betekenis

Een paar citaten uit het door Weaver geschreven eerste inleidende hoofdstuk “Some recent contributions“.

“The word communication will be used here in a very broad sense to include all of the procedures by which one mind may affect another.”

“The language of this memorandum will often appear to refer to the special, but still very broad and important, field of the communication of speech…”

Het gaat dus in het bijzonder om de processen waarin door middel van spraak een geest (Eng. mind) een andere geest beinvloedt.

Vervolgens worden drie niveaus van communicatie elk met hun eigen probleem onderscheiden: 1) het technische: hoe accuraat kunnen symbolen worden overgestuurd vanuit een bron via een kanaal naar een zender? 2) het semantische: hoe precies brengen de ontvangen symbolen de bedoelde betekenis over? en 3) het economische: hoe effectief beinvloedt de ontvangen betekenis het gedrag van de ontvanger?

Bij de telegraaf betreft het technische probleem de accurate codering van de mogelijke boodschappen die een zender kan versturen door een communicatiekanaal. Taal is alles wat gezegd kan worden. Hoe meer er gezegd kan worden des te meer bits zijn gemiddeld nodig om berichten over te sturen. Bestaat de taal alleen uit de woorden “Ja” en “Nee” dan is 1 bit voldoende. Verder is het nuttig om veel gebruikte letters, woorden en boodschappen een kortere code te geven dan de minder vaak voorkomende. Coderingstheorie is toegepaste kansrekening.

Het woord “informatie“, zegt Weaver, heeft in deze theorie niet de alledaagse betekenis. Je moet het niet verwarren met betekenis. Het betekenis aspect is volstrekt niet van belang voor het technische aspect waar de ingenieur naar kijkt.

De hoeveelheid informatie wordt niet bepaald door wat je zegt, maar door wat je had kunnen zeggen. (“To be sure, this word information in communication theory relates not so much to what you do say, as to what you could say.”) . Informatie is de maat voor de keuzevrijheid die de zender heeft bij het selecteren van zijn bericht. De hoeveelheid informatie wordt bepaald door de hoeveelheid aan mogelijkheden die de zender had toen hij zijn keuze maakte. Laat een zender zich bij het beantwoorden van een ja/nee-vraag volledig bepalen door de vraag die gesteld wordt: “Wilt u koffie of thee?“, dan heeft deze een keuze uit twee mogelijkheden. Zijn antwoord bevat dan 1 bit informatie.

Het technische probleem is hoe rekening houdend met de kansverdeling over de ruimte van alle mogelijke uitdrukkingen in de taal van zender en ontvanger deze het beste gecodeerd kunnen worden. Het beste is het meeste efficiente. Ook Hertz en Boltzmann vonden een halve eeuw eerder al dat het beste wiskundige model voor de mechanische systemen gekozen zou moeten worden op grond van een economisch criterium. Het beste model heeft een minimale entropie. Het beste model maakt optimaal gebruik van de kennis over de relaties die er bestaan tussen de micro-toestanden die de natuur aanneemt.

Het semantische probleem betreft hoe de ontvanger het ontvangen bericht begrijpt of interpreteert in relatie tot de bedoelde betekenis van de zender. Kortom snapt de luisteraar aan de ene kant de spreker aan de andere kant van het kanaal wel? Om aan te geven hoe lastig dit probleem is geeft Weaver een beschrijving van wat later het probleem van common knowledge (David Lewis, Convention, 1969), of shared knowledge (Stephen Schiffer, Meaning, 1972) genoemd zou worden. Weaver stelt het volgende vast:

Als de heer X denkt dat hij niet begrijpt wat de heer Y zegt, dan is het theoretisch niet mogelijk dat Y door maar door te gaan met het gesprek met X volledig opheldering te geven zodat X het wel begrijpt in eindige tijd. Immers, als Y vraagt: “begrijp je nu wat ik bedoel?” en X zegt daarop: “Zeker snap ik het.” dan biedt dit geen enkele garantie dat ze tot gedeelde kennis zijn gekomen.

Met andere woorden het is niet mogelijk kennis te delen. Common knowledge kan niet tot stand gebracht worden in de eindige tijd die de sprekers tot hun beschikking hebben.

Dit fundamentele communicatieprobleem (“basic difficulty”) kan, zo stelt Weaver, voor zover het om gesproken interactie gaat, tot een tolereerbaar probleem worden teruggebracht (maar nooit volledig worden geelimineerd) door “explanations” die a) niet meer dan benaderingen zijn van de ideeen die verklaard worden, en die b) begrijpelijk zijn omdat ze uitgedrukt worden in een taal die van te voren al duidelijk is gemaakt “by operational means”. Bij voorbeeld, zegt Weaver, kost het niet veel tijd om de symbolen voor “ja”en “nee” in welke taal dan ook begrijpelijk te maken.

De psycholinguisten Herbert Clark en Catherine Marshall (1981) noemen Weaver’s “basic difficulty” de Mutual Knowledge Paradox. Stel Anna vraagt Bob: “Wat vond je van de film?” refererend naar Monkeys Business (MB) die ze net gezien hebben. Anna en Bob moeten niet alleen beide naar MB refereren, Anne moet weten dat Bob dit weet, Bob moet weten dat Anna weet dat Bob weet dat … en zo voort. Ad infinitum. Dit vereist een oneindig groot geheugen. Niet te doen.

De moderne vorm van het probleem is in termen van software agenten die met elkaar moeten onderhandelen om tot een overeenstemming te komen. We zien dan ook herformuleringen van de paradox in de formele kennis-logica (zie Fagin et al. 1996). Hoe kunnen we bewijzen dat een groep met elkaar communicerende agenten elkaar begrijpt? Het antwoord is simpel: dat kunnen we niet. Conclusie: als we van buiten af niet kunnen controleren wat software agenten aan kennis delen en of ze het elkaar eens zijn, dan zijn er twee opties: a) we vertrouwen er op dat deze agenten zelf uitmaken welke kennis ze delen en welke niet, of b) we vertrouwen de zaak niet en trekken de stekker eruit.

Wat iedere onbenul weet

Common knowledge is wat iedere onbenul weet (“what any fool knows”) zei de wiskundige en computer wetenschapper John McCarthy (1927-2011), een van de grondleggers van de Kunstmatige Intelligentie (AI) en ontwerper van de programmeertaal LISP. Iedere gek weet wat ieder lid van een bepaalde gemeenschap weet.

Anna vraagt Bob: “Have you ever seen the movie showing at the Roxy tonight”?

Hoe kunnen Anna en Bob tot de conclusie komen dat ze elkaar begrijpen? Dat ze inzien dat ze naar dezelfde werkelijkheid refereren met de frase “the movie showing at the Roxy tonight“? De kwestie is vele malen aan de orde geweest. Weaver noemt het een serieus probleem in Shannon en Weaver’s klassieker The Mathematical Theory of Communication. Hij verwacht niet dat Anne en Bob er uit komen wanneer de kwestie eenmaal aan de orde is gesteld. Niet in eindige tijd, niet binnen dit gesprek. Maar, zegt hij, misschien kunnen ze gebruik maken van gemeenschappelijke kennis die ze buiten het gesprek om hebben opgedaan. Zo moet het mogelijk zijn het eens te worden over de betekenis van “Ja” en “Nee”.

De Mutual Knowledge Paradox is een probleem dat voortkomt uit de wijze waarop over communicatie en taal gedacht wordt. Die wijze van denken is reflecterend en technologisch: er wordt vanuit de techniek naar de werkelijkheid gekeken. De paradox is typisch een probleem van de techniek dat zich niet door technische middelen laat oplossen. Dit soort paradoxen kunnen alleen worden opgelost door ze weg te gooien als een oude ladder. Maar wel nadat je deze gebruikt hebt om er zicht op te krijgen. Wat zien we wanneer we die ladder opgeklommen hebben en afgedaald zijn in de recente geschiedenis van de informatie-theorie?

Herbert Clark en Catherine Marshall spreken van de Mutual Knowledge Paradox. Zij zoeken de oplossing voor het probleem van de oneindigheid in physical co-presence en linguistic co-presence. De eerste vorm refereert naar de onmiddellijke aanwezigheid van Anna en Bob in een fysieke omgeving die het mogelijk maakt objecten aan te wijzen. Lichamelijkheid is wezenlijk voor het delen van gedachten. Marconi’s draadloze telegraaf, het gebruik van Morse-code is een afgeleide van de gebarentaal waarmee boodschappen over werden geseind.

Waarom zou de luisteraar meteen moeten weten waar de spreker naar refereert? Hij kan toch de namen nemen voor wat ze zijn. Zoals Russell opmerkt in On Denoting: we kennen veel dingen slechts via de beschrijving. Zolang het er niet op aan komt een concreet uniek object aan te wijzen dat aan de gegeven beschrijvingen voldoet, zolang is het voldoende dat de beschrijvingen logisch consistent zijn. Het is alsof je een stel wiskundige vergelijkingen krijgt die je op een gegeven moment een unieke oplossing hebben. Dat is het beeld dat opgeroepen wordt.

Bovendien, en dat is de derde vorm van Clark en Marshall’s co-presence: een gesprek is geen geisoleerde aktiviteit die zich in een vacuum afspeelt. De gesprekspartners zijn lid van een leefgemeenschap. Ze delen een taal. Common knowledge komt niet tot stand door boodschappen heen en weer te sturen tussen verder geisoleerde systemen. Dit is waar Weaver ook naar refereerde.

Een kwestie van vertrouwen

Common knowledge is een paradox, zoals de Russell paradox; een formele constructie die niet verwijst naar iets dat echt bestaat. Het is een verzinsel van een geest die zich al reflecterend van het gesprek heeft afgezonderd en van buiten af zich afvraagt hoe het mogelijk is dat gesprekspartners elkaar verstaan. De echte vraag is niet hoe het mogelijk is dat ze elkaar verstaan; de echte vraag is òf ze elkaar verstaan. En dat is precies de vraag waarop de gesprekspartners door het gesprek te vervolgen een antwoord proberen te vinden. Simpelweg door te doen. Common knowledge bestaat alleen als intentioneel object. Niet als iets dat al bestaat maar waaraan gewerkt wordt. In die zin ligt het buiten ieder gesprek. Het is een aanname die gesprekspartners in vertrouwen maken: dat we daarnaar streven: kennis delen.

Harvey Sacks, grondlegger van de Conversatieanalyse, heeft dit goed begrepen. Volgens zijn ethnomethodologie moet de gespreksanalist zich strikt beperken tot de bijdragen van de deelnemers aan het gesprek: het is in eerste instantie en uitsluitend de reaktie van de luisteraar op de spreker die leidend is voor de betekenis van wat er gezegd wordt. De bewering dat Anna Bob niet verstaat of verkeerd begrijpt kan alleen op grond van wat er gezegd wordt gestaafd worden. Welke kennis gedeeld wordt is niet iets wat een buitenstaander aan gaat. Dat is strikt prive. Het behoort tot de kennis van de gesprekspartners, niet tot de buitenstaander. Sören Kierkegaard was een van de eersten die wees op de bedenkelijke rol die de media in onze tijd zouden gaan spelen.

Shannon en Weaver en in hun kielzog Clark en Marshall nemen het technische standpunt in van de ingenieur die van buiten af naar het taalgebruik kijkt zonder zich op dat moment te realiseren dat hij als niet deelnemend aan het gesprek niet meer de taal spreekt die hij zou spreken wanneer hij in gesprek is met de mensen waarover hij het heeft.

Twijfel en vertrouwen

De twijfel en scepsis die voortkomt uit de onoverbrugbare afstand die het verstand in haar reflexieve houding tussen geest en werkelijkheid creeert kan alleen te niet gedaan worden door een fundamenteel en uiteindelijk niet te verantwoorden vertrouwen. Maar waarin ?

Descartes had God om de band te herstellen tussen zijn ideeen en de werkelijkheid, voor Hume was er de Natuurlijke Harmonie die garant stond voor de validiteit van zijn ideeen omtrent de oorzaken van de verschijnselen. En wij? Wat hebben wij nu God dood is, we ons ver verwijderd hebben van de Natuur en ons de maat laten nemen door de door ons zelf bedachte automaten?

Resteert er voor de moderne mens dan niets anders dan de paradoxen van het verstand dat op mathematische zekerheden uit is? De paradoxen die het verstand doen stil staan en die verwijzen naar dat waarover wij niet kunnen spreken.

Bronnen

Clark, Herbert en Marshall Catherine (1981) Definite Reference and Mutual Knowledge, In: H.H. Clark, Arenas of Language Use, The University of Chicago Press, 1992.

Fagin, Ronald; Halpern, Joseph; Moses, Yoram; Vardi, Moshe (1996), Reasoning about knowledge, MIT Press, Cambridge, Mass., 1996

Fleischhacker, Louk (1974). Inleiding Logica (I en II). Collegediktaat, Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen.

Frege, Gottlob, 1892, ‘Über Sinn und Bedeutung’, Zeitschrift für Philosophie
und philosophische Kritik 100, pp. 25-50.

Hertz, Heinrich (1894). Die Prinzipien der Mechanik in neuen Zusammenhange dargestellt. Mit einen Vorworte von H. von Helmholtz.

Hollak, Jan (1986) Afscheidscollege; gehouden op 21 februari 1986. Transcriptie van band opgenomen in de bundel Denken als bestaan: het werk van Jan Hollak, Samenstelling en redaktie: Petra Hollak, Eindredaktie: Wim Platvoet, Uitgeverij DAMON, Budel, 2010.

Janik, Allan en Toulmin, Stephen (1984), Het Wenen van Wittgenstein. Boom Meppel.

Russell, Bertrand. (1905) ‘On Denoting’, Mind n.s. 14, pp. 479-93, repr. in Russell, B. (1994), Collected Papers 4, pp. 415-27.

Boukema, Harm, “Russell en Wittgenstein: Vriendschap in onenigheid”, op zijn persoonlijke pagina harmboukema.nl

Wittgenstein, Ludwig (1921). Logisch-philosophische Abhandlung (Tractatus logico-philosophicus)

Tegen de muur

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het vandaag over De Muur.

Berlijn, 1975

Ien van de Heuvel (1927-2010) was een Rooie Vrouw, Eerste Kamer-lid voor de PVDA en later voorzitter van die Partij. In 1975 leidde zij een bezoek met partijleden aan de DDR (de Deutsche Demokratische Republik; voor wie er nooit geweest is: misschien alleen bekend van de film Das Leben der Anderen, 2006).

Natuurlijk werd ook de Berlijnse Muur bezocht. Bij terugkomst deed Ien haar beruchte uitspraak ‘De Muur is historisch noodzakelijk’. Ook ik meen me dit nog goed te herinneren. Maar…

“Er ging een schok van herkenning door ons heen.” schrijft Hans Renner in mei 2008 in een artikel in de Groene Amsterdammer dat gaat over de Praagse lente van 1968. Renner was in 1968 student aan de Karels Universiteit in Praag, maar vertrok in september van dat jaar naar Nederland, zodat ik hem tijdens mijn vele bezoeken aan die Praagse universiteit in latere jaren daar nooit heb kunnen ontmoeten. Ik maakte er kennis met de Jakobsladder die als personenlift in het hoofdgebouw aan Karlovo Namesti dienst deed.

“Wij leerden namelijk”, schrijft Renner, “op de communistische scholen dat deze antifascistische Schutzwall noodzakelijk was in de strijd voor vrede en tegen het West-Duitse revanchisme en het Amerikaanse imperialisme.”

In 2010 schreef de Volkskrant naar aanleiding van het overlijden van de Rooie Vrouw:

In 1975 kwam ze ongelukkig in het nieuws: ze leidde een PvdA-delegatie naar de DDR en deed na afloop van dat bezoek de uitspraak dat de Berlijnse muur historisch gezien juist was geweest. Nadat onder anderen partijleider Joop den Uyl de uitspraak feitelijk en politiek onverstandig had genoemd, nam ze haar woorden terug.”

De Wikipedia pagina over Ien van de Heuvel meldt dat het ANP, de Volkskrant, Renner en ook ik zich al die tijd vergist hebben. Het zou niet de voorzitter geweest zijn die deze historische uitspraak deed, maar delegatielid Jan Nagel, toen PVDA, later 50-plus, nu misschien 50-plusser. Maar wie het ook was, ik houd het op de voorzitter zelf, de uitspraak is gedaan:

De Berlijnse Muur is een historische noodzakelijkheid.”

Het is niet onbelangrijk dat de Berlijnse muur op het moment dat deze stelling, in 1975, betrokken werd een feit was. Diverse mensen waren al tegen dit feit aangelopen, hadden geprobeerd eromheen, of overheen te gaan. Anderen waren er onderdoor gegaan. Kortom de muur was een massief onontkoombaar historisch feit.

Hoe had Ien de uitspraak bedoeld? Wat wilde ze ermee zeggen? Was dit een simpele filosofische constatering, volgens de logica die zegt dat al wat is noodzakelijk is zoals het is. In die zin is de Berlijnse muur inderdaad een noodzakelijkheid waar geen speld tussen te krijgen is. Net als Auschwitz of de muur in Israel. Of bedoelde ze met dat “historische” iets meer dan een filosofisch inzicht uit te drukken? Koos ze daarmee, per slot was Ien een Rooie Vrouw, partij voor de lieden achter het Ijzeren Gordijn en vond ze de beslissing een Muur te bouwen tussen Oost en West een juiste beslissing. En had ze dus eigenlijk gezegd:

Het bouwen van De Berlijnse Muur was een juiste beslissing.”?

We kunnen ons de teleurstelling en de “schok van herkenning” bij Renner en al die anderen voorstellen toen ze de Rooie Vrouw dit hoorden zeggen na haar bezoek aan de DDR. Soms helpt het zaken te accepteren als je inzicht verschaft wordt in wat er achter zit. Hoe het tot stand is gekomen. Een recent voorbeeld…

Leeuwarden, 2020

Zoals bekend konden wegens Corona de voetbalcompetities niet worden uitgespeeld. Op het moment van afbreken van de competities in Nederland door de KNVB stond Cambuur stijf bovenaan in de eerste divisie. Bij deze stand zou volgens afgesproken promotie-degradatie-regels de club weer terugkeren in de eredivisie. Als dit de stand zou zijn nadat de competitie volgens plan was verlopen. Maar toen Corona roet in het eten gooide, moesten er nog negen rondes gespeeld worden. Wat te doen?

Diverse mogelijkheden dienen zich aan. Deze wellicht niet.

Parijs, 1650

Het is 1650 en we zijn in Parijs. Pascal en Fermat zijn bezig met hun geliefde dobbelspel als moeders Fermat de kroeg binnenkomt en komt melden dat het eten klaar is en dat het uit is met de pret. Oeps! Gehoorzaam als de heren waren besloten ze het spel te stoppen. Maar hoe nu de pot te verdelen in aanmerking nemend de stand van het spel nu het van hoger hand zo abrupt is afgebroken?

De rest is bekend. Christiaan Huijgens kwam na enig nadenken met een voor alle partijen bevredigende oplossing. Later zou hij zijn oplossing motiveren in wat het eerste leerboekje in de kansrekening werd: Van Reeckening in Spelen van Geluck.

Helaas. De KNVB besloot anders. Nadat ze de clubs had geraadpleegd besloot ze dat Cambuur en De Graafschap niet zouden promoveren en dat RKC en ADO niet zouden degraderen. Cambuur reageerde bij monde van de trainer Henk de Jong furieus. Dit was de grootste schande in de geschiedenis van de KNVB. Een alleszins begrijpelijke reaktie.

Cambuur en De Graafschap gingen in beroep maar de rechter stelde de KNVB in het gelijk. Volgens de rechter heeft het bestuur betaald voetbal van de KNVB correct gehandeld.

Wat was het motief van de rechter?

Het genomen besluit is niet zo onredelijk dat het teruggedraaid moet worden“, stelde de rechter.

De KNVB heeft met de rug tegen de muur een besluit moeten nemen. Ze moet rekening houden met alle clubs. Er zijn altijd clubs die pech hebben. Het is heel zuur voor Cambuur en De Graafschap, maar dat is onvoldoende om het besluit terug te draaien.”

Ik neem aan dat de redelijkheid van een besluit beoordeeld wordt op de redelijkheid van de motieven en de geldigheid van de argumenten die er voor door de KNVB gegeven zijn. Omdat volgens de rechter bij een ander besluit andere clubs zouden klagen, zag deze geen reden het besluit aan te vechten. Volgens de rechter was de KNVB slordig geweest in de communicatie naar de clubs toe (was er sprake geweest van een stemming, een raadpleging, of alleen een polsing bij de club voordat de uitkomst aan de kant werd geschoven?). Maar de KNVB had geen procedure fouten gemaakt.

In de kern is de situatie als volgt.

Autoriteit K staat met de rug tegen de muur en moet een keuze maken tussen alternatieven A en B. K kiest voor A en deelt dat betrokken partijen mee. Partij B voelt zich benadeeld en gaat naar de Rechter. De Rechter verklaart: als K voor B had gekozen had partij A geklaagd. K stond met de rug tegen de muur en moest beslissen. Ergo er is niks mee mee.

Het is alsof de rechter zegt er is een muur en de muur is een historisch feit. Jammer maar helaas, maar een feit is een feit. De rechter heeft met geen woord gerept over de redelijkheid van het besluit op grond van een analyse van de door de KNVB genoemde motieven en een afweging van alternatieven. Waarom niet?

Het antwoord is simpel: die motieven waren er niet. Nergens werd ook maar met een woord gerept over de motivatie van de KNVB voor de keuze die ze gemaakt had (tegen de opinie van de meerderheid van de clubs in, waar ze inderdaad formeel niet aan gehouden was). De directeur Eric Gudde stelde: er zijn in deze zaak alleen maar verliezers. Maar inzicht geven in hoe de KNVB tot juist dit besluit gekomen was; het zat er niet in. De KNVB bleef gesloten als de Berlijnse muur en deed geen enkele poging de redelijkheid van haar besluit inzichtelijk te maken.

Wat erger is: de rechter vond dat kennelijk ook niet nodig. Ze accepteerde het KNVB besluit als een historische noodzakelijkheid. Zo niet Welmoed.

De Friese Welmoed Sijtsma, de liefste NPO presentratice van het opinieprogramma Op1, opgegroeid in mijn geboorteplaats Leeuwarden, en wellicht deswegen een beetje meer betrokken bij het lot Cambuur aangedaan dan haar Twentse collega, stelde in het tv-programma waarin de zaak nabesproken werd dan eindelijk de vraag die gesteld moest worden en die niemand tot dan toe gesteld had: “Maar waarom heeft de KNVB nu juist deze beslissing geno…?

Helaas kon ze haar vraag naar de motivatie van de KNVB niet eens afmaken. Die werd overspoeld door het geleuter van de experts aan tafel. Was Welmoed wat minder lief en bescheiden geweest dan had ze de muur die de KNVB is misschien kunnen doorbreken en had het nog interessant kunnen worden. Het zit er niet in.

De KNVB blijft nog even het bolwerk waar achter op gronden waarover wij alleen kunnen speculeren besloten wordt over zaken betreffende de belangrijkste bijzaak in het leven. Laten we hopen op betere tijden.

Bliuw sterk en good goan!

When one coach is not enough…

The main idea of the EU Horizon 2020 project Council of Coaches is to have a number of coaches that you can gather and meet. I think it is a clever idea (you never know where playing video games are good for…). Why?

Here I present the challenges I see in this project regarding reseach in the use of virtual conversational characters for serious applications (other than demonstrators, gaming or art) . There is an extensive project website containing a lot of information.

Goal of the project is to help elderly people like me (for practical purposes: 55+ and you are old nowadays; and young as well) to reflect on their health issues. Specific target are the chronic diseases: lung-diseases (astma; copd) , heart-diseases, chronic back pain; obesitas, diabetes. If you happen to suffer from one of these the others will most of the time come soon. How to cope with this situation?

To be honest – and why shouldn’t I ? – I do not know how many people (in the target group) reflect on their health issues so that they search for help. And if they do what is the trigger and what are their needs and where do they go for help. I myself, I call the doctor if I think there is something not good with my body; maybe after I searched on the internet to see what information I can find. We had a chat once with an internet doctor when we were abroad and needed some medical advice. When we have a lasting back pain we go to a doctor. The doctor says: it’s the age. Ageing is slowly dying. You have to live with that. Or die, if you want. We are getting older and I think we are not special.

Digital coaching app all over the place

There are digital personal diabetes coaches in the form of an app that runs on your mobile phone. Some of them have an embodied character that pops up when you want. They try to motivate you to measure your glucose regularly. There are physical activity coach apps. There are food coaches; sleep coaches, depression coaches; budget coaches. The most important function is that they help you to monitor your physical or financial condition in terms of some vital physiological or financial parameters and some of your daily health-related activities. And sometimes they can give you personal advice. Your values are either obtained from sensors connected to the app (step counter, glucose meter), from information you provide yourself by typing in values in form fields, from other applications you use. And sometimes from a short information dialog with your personal coach. But this is still a real challenge: to have a free, open, natural interaction in your own language with an artificial conversational agent that is really of your help.

I am rather sceptic about the potentials of human-virtual human-interaction. The value of apps is that they store relevant data, they can help you reflect on a specific health related issue: your weight, your diabetes. People that use such an app for a longer time are already motivated to keep an eye on their health condition. You data can easily be shared with your doctor. Older people forget things; it helps you remember. Ease of use and functionality is what counts. Should it be fun to work with an app? I think it is a nice added value. But it should not undermine the primary functions. For fun there are games.

Serious coaching games

Children like games. In one of the Human Media Interaction projects at Twente University we built a gamification platform to support young diabetes patients in dealing with their disease. In a journal paper we discuss what barriers we encounter on the path from design to the final implementation and inclusion in the current health ecostructure. Some elderly people like games as well. So why not design serious games that help people with their personal issues in a challenging way?

The very idea of the Council of Coaches project comes from the world of video games. Different coaches, covering expertice in various domains of life, chat about some issues relevant for and brought in by the user. This way the user need not be actively contribute to the conversation all the time. She can jump in whenever she likes.

One of the big challenges of the project is to get content for the health dialogs. How to feed the virtual coaches so that they are able to contribute in a sensible way to a conversation about the personal issues raised by a user? Maybe interaction and cooperation with real public coaching sessions can be of help.

Health Insight:  Council of Coaches as Interactive TV format

On the list of Most Important Things For a Good Life a good health condition seems to be number one. But football is definitely second. The most popular and most awarded TV production in the Netherlands for many years already was Voetbal Inside. A council of four football (soccer) coaches discusses the most important issues of the week. TV watchers can drop a line via social media and ask questions, often addressed to one of the council members. The issue selected by the moderator is shown on screen and lively discussed by the different characters of the council (see Figure X). It is a mixture of spontaneous live and scripted interactive TV. Sometimes direct video communication with a guest/watcher is broadcasted.

Why not exploit Council of Coaches as an Interactive TV format. The Dutch Omroep MAX  would be the first to be interested. They target the older segment of the Dutch TV watchers. They have close contacts with care institutes for elderly people. Most popular program of Omroep MAX is the cooking/bakery contest “Heel Holland Bakt’’  in which “normal’’ people take part.  Omroep MAX might be interested to cooperate in a TV series where normal people can discuss their health related problems (focusing on a specific disease or general health related issue: diabetes or obesitas) with the Council of Coaches on TV. The Council consists of well-known medical experts and other “Well known Dutch’’ that suffer from the disease of the week. The recordings together with the feedback about engagement (e.g., audience ratings) can be used as training material for home-made artificial coaches. TV doctors we have already for quite some time but a council of coaches that discusses a statement like “Doctor, I have diabetes could it be because of stress in my work?’’  (see for an answer: https://www.dokterdokter.nl/gezondheid/tv-dokter/page/2/    )   could be a valuable addition. For the society it would be a welcome contra-weight against all those media productions and commercials that promote the food industry.

Figure 1:  The Council of Football Coaches, one of the most popular interactive TV productions in the Netherlands about the second most important thing in men’s life.

Figure 2. Insight. The Council of Coaches on TV. 

Figure 2 shows the Council of Coaches on TV. The picture on top shows a scene from the popular Dutch OmroepMAX TV production “Hendrik Groen’’ about a group of elderly people in an elderly house. The character on the right is Hendrik. The character on the left is his best friend Evert, a diabetic. Evert likes to drink, maybe a bit too much. He just had his leg cut off in hospital because of gangrene (necrosis caused by diabetes).  At the bottom you see the question under discussion. The council members are known Dutch TV personalities and experts in food, diabetes care.  They discuss the problem and conclude that it would be good that diabetics find out for themselves how their blood glucose values are affected by the alcohol consumption because. TV watchers can download the COACH app, that can be connected to their glucose meter.  The app allows them to chat with their personal diabetes coach, a virtual replica of one of the council members (they lent their voice and style to the character).  The coach gives them instructions how to perform the test and motivates them to adhere to the protocol for the duration of the test and to keep track of their alcohol consumption. Outcomes are sent to the COUCH server and shared with the audience in a following episode of Health Insight.

Spoken dialog with artificial characters: a real challenge

The problem of real-time automatic speech recognition is, and will remain, “close to being solved’’, thanks to Big Data and DNN technology. Real-time is a necessary requirement for spoken dialog that doesn’t suffer from processing delay and that allows realistic turn-taking and interrupting behaviour.  One big problem is the recognition of special utterances, named entities, and newspeak.  Data used for training machines is typically historical and outdated. Hence the need for continuous updates. As Hugo Brandt-Corstius – one of the founding fathers of Dutch research in formalisation of natural languages – used to say, “Wat je ook doet, de semantiek gooit roet.” (“Whatever you do, semantics bothers you”).

The generation of natural live-like speech is ready to be exploited by virtual characters (see: https://deepmind.com/blog/wavenet-generative-model-raw-audio/ ) so it is possible to have a personal coach with the voice of, for example, André van Duin (Evert in the Hendrik Groen TV series) or Trump to name a trustworthy figure.

An unsolvable paradox

But the core problem of an artificial dialog is the logic of the conversation. There is none. And if there is some logic it is the participants themselves who decide what it is. Not the designer. Trying to design a system for natural open dialog is trying to solve a paradox. Being a conversational partner you do not want to control the other party’s response. Of course when you ask a question you more or less force the other to respond in some way or another. But not in a deterministic way. That’s the whole idea of a question, isn’t it? Getting to know someone is different from asking all kinds of information about or from someone. The best realisable technical system offers the users a number of options. It also has a number of options the system can choose from to respond to a user’s action. These systems assume by desing that the world of conversations is closed; that there is something like a mathematical space of all possible conversations. That language is a system. I believe it is not. Autonomous agents ignore the users’ freedom, their identity and autonomy. The very concept of user already challenges these human values.

Demonstrators

Modern projects deliver demonstrators. Project reviewers don’t like to read reports or scientific publications. Show me.

The Council of Coaches project built a functional demonstrator. The world of possible conversations is designed using a dialog editing system, called WOOL also developed in the project. So every conversation that a user and the coaches in the council have is a realisation of one of a huge set of possible paths of pre-scripted dialog continuations.

In another technical demonstration system embodied virtual 3D characters simulate realistic multi-party conversations. It demonstrates progress made and state-of-the-art in the development of turn-taking, addressing and argumentative dialog behavior generation for artificial conversational embodied 3D characters.

Societal Challenges

In his “Computer Power and Human Reason’’ Joseph Weizenbaum tries to understand how it is possible that people interact with his computer program ELIZA as if they are talking to a real human. The psychological value of interaction with artificial characters is also the theme of Sherry Turkle’s “Alone together”. As long as people recognize themselves in the answers given and as long as there is sufficient room for interpretation for the user her experience of being recognized by the system is strengthened.

Council of Coaches is a project that builds bridges between new media, art and design, and technology.

How will people stand towards virtual health coaches? Will they see them as personal coaches that they are willing to share their personal experiences and part of their life with?  Do members of the council have to say only what we (or the medical people) believe is correct or do we allow bad or sceptic characters?  Is the system seen as a medical instrument? Or is it a system that tries to make users aware of the way they stand towards their own life in whatever way that we believe that works?

Moreover, do users want to have private discussions with one of the virtual coaches? May a coach deceive the patient or withhold information because he believes it is not good for the client’s health to know? Old issues in medical ethics get a new dimension when coaching in the health domain becomes virtual. What is new is that many users are inclined to uncritically believe what the computer says: “The computer told me!”. These are some of the societal issues that have to be considered before the Council of Coaches will find its place in the social organization of patient-centered health care.

Future dream and worst scenarios

Some people prefer to talk about their personal health issues with a virtual character instead of talking to a human expert. Others are more or less forced by the health care system to first chat with an e-health coach before they see a real human. I am not sure if this is a healthy thing. Maybe the Council of Coaches can help the users to identify their personal issues and brake the barriers to talk to real humans.

A worst case scenario would be, when society decided to replace human coaches and experts by artificial agents because of the economic burden of a human good quality health care system for elderly people. Many people have the impression that western society is moving in the direction of this worsest scenario rules by policies that have unlimited trust in autonomous artificial intelligent agencies.

The Council of Coaches project has delivered a proof of concept and a software platform and tools that can be applied for building end user applications in other domains, for example for social skill training in professional organisations.

The real danger of autonomous agents

Regarding the discussion about “autonomous technology’’ (social robots, killer robots, autonomous cars, virtual coaches that would take the place of real humans): some people see a danger in the growing number and autonomy of intelligent machines that would take over the world. I believe the following makes more sense.

“The real danger, then, is not machines that are more intelligent than we are usurping our role as captains of our destinies. The real danger is basically clueless machines being ceded authority far beyond their competence.’’ (Daniel.C.Dennett, In: The Singularity—an Urban Legend? 2015).

References

Harm op den Akker et al., 2018. Council of Coaches – A Novel Holistic Behavior Change Coaching Approach. Proceedings of the 4th International Conference on Information and Communication Technologies for Ageing Well and e-Health

Sherry Turkle (2011). Alone together: why we expect more form technology and less from each other. Basic Books, New York, 2011.

Joseph Weizenbaum, 1976. Computer Power and Human Reason: from judgement to calculation. W. H. Freeman & Co. New York, NY, USA, 1976.

Mijn Corona App

In de serie Denken in Tijden van Corona presenteren we hier MijnApp.

MijnApp of kortweg MAP is de naam van Mijn Corona App.

Wat doet Mijn Corona App MAP voor mij, voor onze kinderen, voor de samenleving, voor de GGD? MAP stuurt wanneer ik dat wil informatie over mij die ik in de app heb opgeslagen en die alleen voor mij toegankelijk is, naar de GGD.

Wanneer doe ik dat? Wanneer ik denk dat ik besmet ben met het virus of wanneer de GGD mij benadert om gegevens van mij op te sturen. Ik bepaal welke gegevens. De GGD vraagt.

Zijn mijn gegevens veilig? (Privacy)

MAP gebruikt IRMA voor veilige opslag en versturen van mijn gegevens. IRMA is niet alleen de naam van Irma de gebarentolk maar ook van het platform van de Nederlandse Privacy by Design Foundation. Zie mijn blog in deze serie: De attributen van IRMA.

Wat moet u doen? U moet helemaal niets! Gebruik is geheel vrijwillig, maar wordt beloond. Omdat de verspreiding van MAP helpt tegen de verspreiding van het virus zijn er grote financiele en economische voordelen aan het installeren en gebruik van MAP. Hoe meer mensen MAP gebruiken des te eerder zijn we van dat klote virus af. Dat is de motivatie. Meer over beloning verderop.

Heeft MAP sensoren nodig?

Nee. MAP heeft geen sensoren nodig. Geen bluetooth of camera of wat, geen GPS voor locatie informatie. Niets van dat alles. Het is volledig stand-alone. Ik moet alleen op het internet voor het downloaden en wanneer ik mijn gegevens wil delen met de gezondheidsinstantie GGD.

Hoe kan ik met MijnApp helpen?

Dat is de belangrijkste vraag!

Het doel van MAP is bestrijding van het virus. Dat is taak van ons allen. De GGD heeft als overheidstaak deze taak te coordineren. Hoe? Door in de gaten te houden waar het virus opduikt en door maatregelen voor te stellen aan de overheid.

Daarvoor heeft GGD gegevens van mij en ons nodig. Wanneer en welke gegevens?

Wanneer de GGD u benadert (per telefoon of hoe ook) bij haar contactonderzoek dan vraagt de GGD om mijn gegevens. Die staan in mijn MAP en die kan ik, als ik dat wens, opsturen.

Maar ook als ik denk ziek te zijn en het niet vertrouw kan ik contact opnemen en op verzoek mijn gegevens opsturen naar de GGD of eventueel huisarts of ziekenhuis als ik dat wil en dat nuttig is.

Mijn gegevens staan in mijn MAP. Welke gegevens? Zie onder Welke gegevens staan in mijn app?

Taak Overheid en NPO

De verspreiding van MAP wordt ondersteund door de overheid, die via dagelijkse spotjes op publieke NPO zenders en andere omroepen de verspreiding van MAP stimuleert en uitlegt hoe het werkt.

Een termometer toont dagelijks hoeveel MAPs gedownload zijn. En hoeveel er daadwerkelijk gebruikt worden.

Welke gegevens staan in mijn MAP?

Zodra ik MAP heb geinstalleerd kan ik daarin gegevens van mij opslaan.

Dat kan ik met de hand zelf doen. Welke?

MAP heeft vakjes voor bepaalde soorten gegevens. Of ik die invul of leeg laat moet ik zelf weten. Maar hoe meer gegevens ik opsla des te meer kan ik opsturen als dat nuttig is voor de bestrijding van het virus. Ik mag zelf bepalen welke gegevens ik opsla.

Er zijn een aantal soorten gegevens die ik kan opslaan in MAP. Deze zijn alleen voor mij zelf. Ik kan later als dat nodig is zelf bepalen welke gegevens ik opstuur.

Min of meer vaste gegevens die ik slechts eenmalig hoeft in te vullen omdat ze niet of nauwelijks veranderen.

  1. Persoonsgegevens: naam, geboortedatum, geslacht.
  2. Adresgegevens
  3. Persoonsgegevens: lengte, gewicht,
  4. Medische gegevens: chronische ziektes en medicatie
  5. Leef/woon: alleenstand, samenwonend, gezinsamenstelling (ivm dagelijke contacten)
  6. Werk/vrije tijd/ regelmatige sociale aktiviteiten; gebruik openbaar vervoer

Dynamische gegevens over mijn dagelijkse sociale contacten

Iedere dag of wekelijks houd ik bij in mijn app welke aktiviteiten ik heb gedaan. Het gaat om aktiviteiten waarbij ik in contact kan zijn geweest met het virus via anderen (besmetting). Ook hier bepaal ik zelf wat ik invul en wanneer ik deze gegevens invul. Natuurlijk vul ik geen gegevens in waarvan ik weet dat ze niet kloppen eik probeer zo volledig mogelijk te zijn.

Beloning voor gebruik MAP

Installatie en gebruik van MAP wordt beloond. Iedereen die MAP installeert en gegevens invult helpt met bestrijding van het virus. De belangrijkste beloning is dat we weer normaal kunnen samenleven. Dat we weer kunnen samenwerken en naar een voetbalwedstrijd gaan, naar de kroeg, naar school of universiteit, of naar ons vakantiehuisje in het buitenland.

Maar de overheid, wij dus, zal voor iedere MAP een bedrag storten in een fonds voor de bestrijding van het virus en de gevolgen ervan in landen waar de kinderen het veel slechter hebben dan wij.

Zodra ik mijn gegevens beschikbaar stel voor gebruik door de GGD krijg ik korting op mijn ziektekostenpremie als beloning. Per slot van rekening draag ik bij aan de uitvoering van een kostbare taak van de GGD.

Hoe voer ik die gegevens allemaal in?

Zoals gezegd met de hand. Maar het kan handiger wanneer u gebruik maakt van andere apps. Met de IRMA app kunt u persoonsgegevens ophalen (via beveiligde kanalen) . IRMA kan ook worden gebruikt voor het versturen van uw gegevens naar de GGD en andere gezondheidsdiensten.

Koppelen met uw lifestyle/gezond bewegen app.

Ik kan mijn MAP koppelen aan mijn gezond bewegen app (voorbeeld Strava app met SamenGezond app van zorgverzekering MENZIS) die opslaat hoeveel ik beweeg en waar ik ben geweest. Let wel: deze apps hebben wel locatie gegevens (GPS data) nodig. MAP heeft dat niet. Google houdt ook bij waar je bent geweest als je dat toestaat. Kun je ook koppelen. Hoeft niet.

Succes factoren MAP

Met MAP bepaal ik zelk of en welke gegevens ik beschikbaar stel

Gebruik MAP levert mij direct wat op

MAP wordt ondersteund door overheid, media en verzekeraars.

MAP helpt de GGD in hun tracing taak.

Gebruik MAP wordt gemonitored en draagt bij aan bestrijding virus en armoe in arme landen.

Door MAP te gebruiken heb ik het gevoel zelf bij te dragen aan een gezonde samenleving.”

Merk op dat MENZIS het gebruik van de SamenGezond app stimuleerde door korting op de premie van aanvullende verzekeringen. Dit was een groot succes.

Zie mijn blog A Causal Diagram on COVID-19 Infection voor uitleg van de factoren die een rol spelen bij het verspreiden van het virus

Disclaimer

MAP moet nog ontwikkeld worden.

Het ideale mondkapje

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over het ideale mondkapje.

Uit de diverse berichten en documenten over zogenoemde mondkapjes kunnen we concluderen dat de volgende soorten mondkapjes onderscheiden kunnen worden:

  1. Medische mondkapjes
  2. Mondkapjes voor algemeen gebruik
  3. Mondkapjes voor gebruik door personeel van verzorgingshuizen
  4. Mondkapjes die geen CE-merk hebben
  5. Mondkapjes die uit China of Taiwan komen
  6. Dure mondkapjes die niet in Zwitserland gemaakt zijn
  7. Mondkapjes die van oude t-shirts of te kleine onderbroekjes gemaakt zijn
  8. Doorzichtige mondkapjes
  9. Niet-ideale mondkapjes waar je een zuurstofgebrek van krijgt
  10. Mondkapjes die bedoeld worden wanneer de Minister het over “mondkapjes” heeft.
  11. Mondkapjes die niet voldoen aan de door het RIVM gestelde eisen
  12. Mondkapjes die mensen in het openbaar vervoer plegen te dragen
  13. Mondkapjes die op onjuiste wijze gedragen worden
  14. Mondkapjes die bij de neus zijn gepakt
  15. Mondkapjes die herbruikbaar zijn, maar niet wasbaar
  16. Mondkapjes die niet in de winkel te koop zijn
  17. Mondkapjes die slechts beperkte tijd gedragen mogen worden
  18. Gebreide mondkapjes van Alpaca wol
  19. Blauwe mondkapjes
  20. Mondkapjes die niet in deze lijst voorkomen maar er wel in hadden gemoeten
  21. Mondkapjes zonder gebruiksaanwijzing
  22. Mondkapjes waarover gezeurd wordt
  23. Mondkapjes die zouden moeten helpen tegen de verspreiding van het corona virus wanneer ze op juiste wijze gebruikt worden en van het juiste materiaal gemaakt zijn.
  24. Niet bestaande ideale mondkapjes
  25. Knellende ondraagbare mondkapjes

Verder zagen wij mensen die achter het stuur van hun auto een mondkapje dragen. Wij hebben ruitenwissers aan de binnenkant laten aanbrengen. Wij vroegen ons af of dit ook mag.

Keep safe en good goan!

Lucas’ Kip

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het vandaag over de kip van Lucas.

De kip

Er was eens een boer die Lucas heette. Hij woonde op een boerderij zoals de meeste boeren die Lucas heten. Naar die boerderij liep een zandweg waarover elke dag een vrachtauto kwam om spullen te brengen en op te halen.

En midden op die zandweg zat een kip. Elke ochtend heerlijk in de zon in het zand. En elke ochtend als de kip de vrachtauto voelde aankomen waggelde de kip naar de kant van de weg en wachtte daar tot hij weer voorbij was. Dat was slim van die kip. Tot op een dag…

Op een dag begon de kip na te denken. En ze dacht: ik sta elke ochtend voordat die vrachtauto komt op. Waarom al die moeite. Het is nog altijd goed gegaan. De vrachtauto heeft me nog nooit overreden. En op die dag nam de kip een besluit: ze bleef zitten. Domme kip… het is niet goed met haar gegaan.

De doktersassistente

Elk jaar bezoek ik trouw de doktersassistente. Het is een hele mooie blonde doktersassistente die uit Kiev komt. Maar daar kom ik niet voor. Ze doet een zogenaamde health check. Ze meet wat en vraagt wat;en kijkt veel op een computerscherm, waarop grafieken staan. Ze meet mijn bloeddruk. En ze zegt: meneer (ze zegt meneer tegen mij) ik snap niet waarom u die medicijnen nog slikt. Ik zeg: het is maar 5 mg hoor. En trouwens, zeg ik, kent u dat verhaal van die kip? Welke kip? zegt ze. Die kip op dat zandpad, zeg ik. Die ken ik niet, zegt ze. Ik vertel het verhaal van Lucas’ kip. Oh, zegt ze u bedoelt uit voorzorg? Soort van, zeg ik.

Het Lucas principe

Het Lucas’ principe is een bekend principe in de economie bedacht door meneer Lucas. Het zegt dat als je bijvoorbeeld fort Knox jarenlang hebt bewaakt tegen inbrekers en uit de statistieken blijkt dat er al jaren geen inbraken zijn geweest; dat als je dan de strategie verandert en de bewaking van het fort stopt, dat dan daarmee de wereld er voor de inbrekers heel anders uit komt te zien, dan toen die was voordat je het besluit nam. En dat je dan de reden waarom je je strategie veranderde te niet doet. Zodat je die niet meer daarop kan baseren. Dat is lastig.

Die kip dat zijn wij en die inbrekers dat is het virus. Die kip voelde precies wanneer de vrachtwagen eraan kwam. Wij niet.

Rutte is niet zo dom als Lucas’ kip. Hij snapt dat de kip eerst een beetje aan de kant moet gaan; niet te veel. Pas als dat goed gaat mag de kip blijven zitten. Niet eerder.

En nu naar de kapper! Hoera!

Good goan!

Brief aan de kleinkinderen

In de serie Denken in Tijden van Corona deze keer een brief aan de kleinkinderen.

Lieve Lily, Abel en Sofia,

Er zijn weinig dingen zeker in het leven maar als jullie dit lezen dan hebben we het overleefd. We dat is de samenleving, wij mensen, jullie, jullie papa en mama, opa’s en oma’s, juffen en meesters en al die andere mensen die leven. Dat heet samenleving. Omdat ze proberen samen te leven en omdat dat nu eenmaal moet als je allemaal op een kluitje zit. (De aarde is een kluitje die rondtolt in het heelal. Jullie kennen hem wel van de Prins en de Boa Constrictor die een Olifant had opgegeten). Op dat kluitje samenleven is niet altijd even makkelijk. Dat weten jullie misschien wel. Ook jullie hebben wel eens ruzie, met elkaar, met papa of met andere kinderen. Het is fijn als er dan een mama is die je kan troosten.

Nu wij deze brief aan je schrijven ligt de samenleving op de Intensive Care. Aan de monitor. Jullie kennen dat misschien wel. Als iemand, zeg maar een meneer die we voor het gemak Koeman noemen heel erg ziek is, en het gevaar bestaat dat Koeman dood gaat, dan moet meneer Koeman naar het ziekenhuis. Daar worden allemaal apparaten aangesloten op Koeman om de hartslag en de temperatuur en zo te meten. De dokters proberen zo te ontdekken wat er aan de hand is. Als ze weten wat er aan mankeert dan kunnen ze er misschien wat aan doen. Een pilletje of soms een operatie. Opa was een keer heel ziek en bijna dood. De dokter heeft toen een ziek stukje van opa weggesneden en pilletjes gegeven. Dat hielp. Als hij dit schrijft leeft hij nog. Het is fijn dat de dokter opa weer beter kon maken zodat hij nog een tijdje bij jullie kon zijn en onkruid kan wieden in de groentetuin.

Maar nu ligt de hele samenleving in het ziekenhuis, aan de monitor. Daarom mogen we ook niet bij elkaar op bezoek komen. Want wie moet bij wie op bezoek komen? We zijn allemaal ziek of we kunnen elkaar allemaal ziek maken. De mensen weten namelijk vaak niet of ze al ziek zijn of nog niet ziek zijn. En ze weten ook niet wie er allemaal ziek zijn. Daarom mogen we niet bij elkaar op bezoek komen. En het vervelende is dat de dokters het ook niet weten. Sommige dokters zijn zelf ook ziek. En er zijn zelfs al een paar dood gegaan. En zusters ook. Iedereen, de hele samenleving, kijkt nu de hele dag thuis naar de televisie en naar computerschermen (dat heten monitors) om te kijken hoe het met de patient, hun zelf dus gaat. Het is wel lastig hoor als je zelf ziek bent om te zien of je ziek bent en hoe dat komt.

Jullie weten vast wel van jullie mama’s dat je om gezond te blijven gezonde dingen moet eten (zoals appels en patat) en gezonde dingen moet doen (zoals gezond eten en poepen en spelen). Anders wordt je te dik of te dun. En dan wordt je eerder ziek dan later. En wie wil dat nou? Wij niet. De meeste mensen denken dat ze heel gezond leven en doen en dat ze gezond denken. En toch is er kennelijk iets heel erg mis gegaan. Daarom liggen we allemaal aan de monitor. Wat is er misgegaan? Sommige mensen denken dat we in het verleden moeten zoeken naar de oorzaak van de ziekte: de ziektebron. Het verleden is wat geweest is. Weet je nog dat je een keer heel hard viel toen je hard moest rennen? Je had toen heel veel pijn en bloed. Dat is verleden tijd. Dat heet met een moeilijk woord geschiedenis. Misschien zit er nog een litteken van op je knie. Dat is het geheugen van je knie. Het helpt je voor de herinnering; dat je er weer aan denkt. Als je dat wil. Pijn is niet leuk dus dat wil je waarschijnlijk niet.

Vandaag is het 5 mei, Bevrijdingsdag. Dat is de dag dat we denken aan de bevrijding van ons land. Ons land is Nederland, waar jullie geboren zijn. Misschien wonen jullie als je dit leest wel in een ander land. Een bevrijding; dat is als je lange tijd opgesloten hebt gezeten en je weer naar buiten mag. We willen natuurlijk allemaal weer gauw bevrijd worden uit het ziekenhuis, zodat we weer op bezoek kunnen komen. Maar vandaag vieren we dat we bevrijd zijn van de oorlog met de vijand. De meeste mensen denken dan aan 5 mei 1945. Dat is 75 jaar geleden. Dat lijkt heel lang geleden Je papa en mama waren toen nog niets eens geboren. Die zaten nog in de buik van hun moeders, die ook nog in de buik zaten van hun moeders. Die hebben de oorlog wel meegemaakt. Waarom was die oorlog? vraag je misschien.

Wist ik het maar. Op bevrijdingsdag proberen we allemaal een antwoord te vinden op precies die vraag: waarom oorlog? Waarom maken mensen zo veel ruzie en maken ze elkaar dood. In de oorlog werden heel veel mensen, vooral joodse mensen, maar ook zigeuners, door heel veel andere mensen weggejaagd, opgesloten in gevangenkampen en dood gemaakt. Omdat ze niet wilden dat die andere mensen ook leefden. Die mochten er niet zijn. Waarom niet? Omdat er geen plaats voor hun was. Waarom niet? Allemaal vragen. Er is niet een antwoord; er zijn heel veel antwoorden. Maar we weten niet of het goede antwoord erbij is. Wij denken soms dat er geen goed antwoord bestaat. Nu denken jullie misschien dat die mensen die andere mensen dood maken domme mensen waren. Ze waren misschien wel stom, maar niet dom. Er waren hele slimme, geleerde, mensen bij. Ze hadden heel diep nagedacht hoe ze het beste de joden konden verjagen en vermoorden. Ze hadden er een hele machinerie voor gemaakt. En ze dachten dat het goed was wat ze deden. Maar ja; wat is goed?

Wat wij wel weten is dat oorlog niet goed is. Wij lazen de boeken van mensen die het overleefd hebben. Die schreven ons wat ze hadden meegemaakt. Dat is niet fijn om te lezen. Maar we wilden het wel weten. Omdat we met hun verder willen leven. Wij bezochten na de oorlog de kampen waar de joden vermoord zijn. Vaders, moeders, opa’s en oma’s en ook kinderen! Je opa was in Buchenwald, waar we leerden dat je moet werken om vrij te zijn, en we bezochten Teresienstadt. Die lagen toen nog in landen aan de andere kant van de muur. De muur? zeg je.

Ja, er was na de oorlog een muur gebouwd. Dwars door Europa. Overal prikkeldraad en wachters met geweren. De stad Berlijn was in twee delen opgesplitst door een dikke hoge muur. Wij mochten wel naar de andere kant, maar vrienden van ons die aan de andere kant woonden, die mochten niet zomaar naar ons toe. Daar stond je dan met ze naar die stomme muur te kijken. Die mensen daar zaten opgesloten. Waarom? Tja, waarom? Omdat sommige mensen, geleerden die het voor het zeggen hebben dat beter vonden voor iedereen. Gelukkig is die muur weer afgebroken. We konden toen weer zonder gedoe de grens over naar de andere kant.

Gisteren was 4 mei. Dat komt altijd voor 5 mei. Maar dat wisten jullie al. Dan is er in Nederland dodenherdenking, We denken dan aan al die papa’s, mama’s, opa’s en oma’s en kinderen die dood gemaakt zijn in De Oorlog. En ook aan die andere mensen die ze dood maakten, want die gingen eigenlijk ook een beetje dood. Er worden kransen gelegd en we zijn een paar minuten stil. Op onze monitoren, op de beeldschermen, keken we even niet naar onze hartslag en onze temperatuur, maar naar grote mensen die iets voorlezen. De Koning sprak het volk, dat zijn wij, toe. Dat heet een toespraak. Hij vertelde over de moeder van zijn oma, die heette Wilhelmina, dat die niet zo aardig was geweest voor de joodse mensen in Nederland. Hij zei dat hem dat speet. Dat is goed, want hij meende het. Misschien helpt het. Zoals een pleister op je knie als je gevallen bent.

Er was ook een toespraak van een joodse schrijver, Een meneer, Arnon heet ie, die vertelde dat we goed moeten luisteren naar de mensen die de oorlog en de kampen hebben meegemaakt. Om te begrijpen wat er precies allemaal gebeurd is. Begrijpen is zoiets als zien. Maar of dat helpt? Ja, gelukkig hebben ook veel joodse mensen de oorlog overleefd. Niet alleen omdat ze er dan over kunnen vertellen, maar omdat het mensen zijn zoals wij.

Heel veel joodse mensen gingen na de oorlog naar Het Beloofde Land. Dat land heet nu Israel. Het is een heel mooi land, met veel zon en mooie stranden en mooie groene delen, met veel fruitbomen. Maar ook veel grote woestijnen vol met zand. En je hebt de dode zee. Die heet zo omdat hij heel zout is. Zo zout dat geen vis erin kan leven. En ze zeggen dat Jezus er geboren is; op eerste Kerstdag was dat. Dat staat allemaal in de Bijbel. De mensen die vinden dat ze in Israel thuis zijn die denken dat omdat het in de Bijbel staat. Het is dus een heel belangrijk geschiedenisboek.

Er staan hele mooie verhalen in, Maar ook niet zulke mooie. Het is zo’n belangrijk boek dat het in alle talen van de wereld is vertaald. Zodat iedereen het kan lezen. In de 17de eeuw was er in Batavia dat is een stad ver weg die nu Djakarta heet, een meneer die heette Jacobus heette. Toevallig ook Op den Akker van achteren, net als jullie. Jacobus vertaalde dit dikke oude boek in de Portugese taal. De taal van Sofia’s moeder en van Sofia’s andere opa en oma. Zodat de mensen uit Portugal die in Batavia woonden het ook konden lezen. Hij vond dat ze dat moesten lezen. Waarom? Tja.

Die Jacobus was in Meurs geboren. Dat was toen van Nederland. Die stad die nu in Duitsland ligt, was door een overoveroverovergrootvader van onze Koning veroverd op de vijand, de Spanjaarden. Maurits heette die grootvader. Net als de broer van onze Koning. Toevallig he? Die Nederlanders, jullie voorvaderen, zo heet dat, die speelden de baas in Batavia. Ze hadden dat geleerd van de Portugezen. Nederlanders waren daar erg goed in: de baas spelen. Ook als anderen dat niet wilden. De Koning heeft gezegd dat hij daar spijt van heeft. Dat is goed. Net als een pleister op een zere knie als je gevallen bent. Maar of het helpt?

De Bijbel vertaald in het Portugees voor de mensen in Batavia

Je opa heeft een tijdje in dat mooie land Israel gewoond en gewerkt. In Tel Aviv, de hoofdstad. Hij ging elke week met de bus naar Jeruzalem voor zijn werk. Een hele leuke oude stad; met kleine straatjes waar je van alles kunt kopen. Met op een berg een oude grote tempel met een gouden rond dak. Je moet daar je schoenen uit doen voor je naar binnen gaat. Waarom? Omdat het een heilige plek is. Je opa en oma zijn er samen op vakantie geweest. We waren bij de Dode Zee en in Bethlehem (Beth = huis en lehem is brood). Daar is Jezus geboren (staat in de Bijbel). Je opa moest heel lang wachten voordat je oma eindelijk kwam aan vliegen. Je oma was toen nog heel jong en slank en we waren nog niet getrouwd. Vliegen was toen best wel een beetje gevaarlijk want er waren soms kapingen. Dat is als anderen een vliegtuig afpikken van de piloot. Omdat ze ergens anders heen willen. Door Palestijnen. Die hadden ruzie met de joodse inwoners van Israel. Het Beloofde Land was een deel van Palestina waar de Palestijnen woonden. En er werden ook wel bommen neergelegd op het strand. Net als in de oorlog. Overal liepen politiemensen met geweren op wacht. Net als vlak na de oorlog op het station van Oost-Berlijn en bij de muur.

Je opa werkte voor een groot computerbedrijf, IBM. Jotbetmem zei men daar tegen. IBM maakte de eerste schaakcomputer die zo slim was dat hij de wereldkampioen versloeg. Maar dat was veel later. Je opa moest nog naar de overkant van de straat lopen om het programma in te leveren voordat het door de computer kon worden gelezen en er weer wat uitkwam. Stom he! Tussen de middag liep hij naar het strand. Het was altijd mooi genoeg weer om te zwemmen. Je opa woonde in een kamer op de campus van de universiteit, het Technion. Studenten moesten om beurten wachtlopen met een geweer om de schouder omdat ze niet wilden dat iedereen er zo maar naar binnen kon lopen. Vooral de Palestijnen niet. Waarom het land Het Beloofde Land heette en waarom de Palestijnen boos waren op de joodse inwoners?

Tja, de joodse schrijver Arnon, die die toespraak hield, vertelde dat we de geschiedenis niet moesten vergeten omdat we daarvan kunnen leren. Dat klopt. Maar waar moeten we beginnen? De geschiedenis bestaat uit verhalen. Verhalen van mensen. En die vertellen niet dezelfde verhalen. De flat waar je opa woonde in Tel Aviv is gebouwd op een heuvel aan de noordrand van de stad. Precies op een plek waar vroeger een Palestijns dorp was. Er is heel veel gebouwd door de nieuwe bewoners van Israel. Op heel veel plaatsen waar eerst Palestijnen woonden. In kleine dorpjes, met een paar hutjes, en wat dieren en wat groentetuintjes.

Vele jaren nadat je opa en oma er op vakantie waren, hebben de joodse bewoners van Israel muren gebouwd, waarachter Palestijnen wonen. Zodat die niet zomaar overal naar toe kunnen. Precies zoals in Berlijn na de oorlog. De oorlog die we hier herdenken.

Een paar dagen geleden vierden de joodse Israeliers en heel veel joden verspreid over de hele wereld de dag die Yom Ha’atzmaut heet, Onafhankelijkheidsdag. Ze vieren dat vanaf die dag in 1948 de inwoners van Israel zelf mogen bepalen hoe ze leven. Israel werd een eigen land met eigen wetten, zoals Nederland en Duitsland. Dat was tijdens een oorlog met de Palestijnse Arabieren. De Palestijnen verloren die oorlog en een deel van hun land. Ze moesten zich terugtrekken of wegvluchten naar andere landen. Zoals de joden moesten vluchten uit Portugal, Frankrijk, Duitsland en Polen voor en tijdens de oorlog. De oorlog die wij nu herdenken. Voor de Palestijnse bewoners was de Onafhankelijkheidsdag die door de religieuze joden overal gevierd wordt, een catastrofe. Dat is een ramp. Ze noemen het al-Nakba. Ze herdenken dat op de plaats van hun dorpjes door de nieuwe joodse bewoners huizen en andere gebouwen zoals een universiteit werd gebouwd. Ze werden weggejaagd. Maar anderen zeggen dat ze uit zich zelf vertrokken. Dat is nou geschiedenis.

Anderen zullen jullie misschien een ander verhaal vertellen. Toen jullie opa in Tel Aviv werkte, werkte aan de Universiteit ook een man die Judea heet. Hij is geboren in Het Beloofde Land. Zijn vader en moeder waren uit Polen daar naartoe verhuisd. Je opa heeft hem nooit ontmoet. Maar Judea schreef moeilijke boeken met veel wiskunde erin. Je opa las die boeken omdat hij het interessant vond. (Het nieuwste boek van hem heet Waarom? grappig he?) Het is een geleerde man die veel belangrijke prijzen heeft gewonnen. Pas vele jaren later leerde je opa dat Judea ook in Tel Aviv woonde toen je opa er was. Nu woont Judea in Amerika. Judea had een zoon Daniel. Of heeft? Daniel was journalist van een Amerikaanse krant. Hij was voor zijn werk in Pakistan, een land ver weg. Maar ook weer niet zo ver. Daniel werd vermoord. Onthoofd. Wij denken door dezelfde mensen die in Amerika met een vliegtuig door kantoorgebouwen vlogen. De moordenaars van Daniel moeten nog straf krijgen. Waarom werd Daniel onthoofd? Hij was jood en daar was hij trots op. Het verhaal gaat dat zijn laatste woorden waren: “Mijn vader is jood, mijn moeder is jood. Ik ben jood.” Dat heet identiteit: dat je weet wie je bent en waar je vandaan komt. Veel mensen zijn daarnaar op zoek. Anderen zijn bang dat ze het kwijt raken. Het is iets heiligs denken wij.

Je opa heeft met Judea te doen. Je zoon wordt vermoordt. Dat is niet niks. Stel je voor dat Abel vermoord wordt. Wat zou zijn papa een verdriet hebben! En wij ook natuurlijk. Daniel was net zo oud als mijn jongste zoon, de papa van Sofia. We hebben iets met Israel: met de joden en met de Palestijnen. Als jullie opa Judea vertelt hoe triest hij het vindt wat er in Israel gebeurt en dat de apartheidspolitiek van Israel (er zijn aparte wetten voor joden en Palestijnse inwoners, net als hier in de oorlog die we herdenken) een gevolg is van de vervolging van de joden in de geschiedenis (de holocaust), dan plaatst Judea je opa meteen in een kamp van mensen die volgens hem veel te veel begrip hebben voor de Palestijnen. Mensen die voor samen leven zijn. In vrede samenleven met de mensen die je zoon vermoord hebben is lastig. In Israel is nog steeds geen vrede. Waarom niet? Tja.

Ondertussen liggen we nog steeds aan de monitor en we weten niet wat ons hier gebracht heeft. De dokters meten en de geleerde mensen die het zouden moeten weten omdat dat hun beroep is, zijn het niet met elkaar eens. Ze slaan elkaar met feiten en kennis uit hun boeken om de oren. We weten het nog niet. Iedereen roept dat we meer moeten meten. Meer monitoren, meer naar beeldschermen kijken. Maar wij willen naar buiten. Op onze bevrijdingsdag.

Veel mensen zeggen dat je pas iets weet als je meet. Maar of dat wel zo is. Je kunt immers niet alles meten. Misschien kun je de belangrijkste dingen in het leven wel juist niet meten. Omdat ze onmeetbaar zijn.

Als we jullie vragen of jullie nog een beetje van ons houden. Zeggen jullie dan “We zullen even meten“? Of zeggen jullie dan:

We houden heel veel van jullie !

Nou dan!

Opa en oma (van de geitjes).