Sofia’s taalhandelingen

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over Sofia’s taalhandelingen.

Ik loop met de kleine Sofietje van twee turfen hoog (ze heet eigenlijk Sofia omdat ze dat zal worden) over het gras naar de rand van het weiland. De tuin is gescheiden van het weiland door prikkeldraad. Dat kent ze niet, denk ik, dus ik let op dat ze daar niet tegenop loopt. Ik waarschuw haar: pas op! dat is au! Ze lijkt het te begrijpen, maar ik ben er niet gerust op. Kleintjes kunnen soms zo onbehouwen doen. Dan wijst ze naar de verte en roept: koe! Daarbij draait ze zich om naar mij alsof ze wil zeggen: kijk opa! Maar ze is nog niet toe aan twee woorden, laat staan aan een zin als “daar staat een koe” of “ik zie een koe”. En inderdaad aan de overkant staan koeien. (Het meervoud is nog teveel voor dit kinderbrein.) Die koeien staan er sinds gisteren weer, nadat de buurman vorige week de deels verrotte palen van de omheining heeft vervangen door nieuwe eikenstammetjes. Als ze langs een struik loopt wijst ze ernaar, kijkt en roept: boom! Ik merk op dat het wijzen vooraf gaat aan het uitspreken van het woord. Zoals wij mensen gewoon zijn te doen. Waar heeft ze dit geleerd? Ondertussen heeft ze haar zonnebrilletje in het gras laten vallen en als we weer aanstalten maken om terug te kuieren naar het terras probeer ik: neem je bril mee. Ze waggelt er naar toe, pakt het rose plastic brilletje op en doet die op haar neus. “Andersom“, probeer ik. En jawel hoor: ze keert het dingetje om en zet hem op haar neus. Bij de anderen aangekomen doe ik verslag aan de rest van de familie. “Er staan koeien in de wei.” Waarop oma zich tot de kleine wendt : Heb jij koetjes gezien? En wat zegt de koe? (De vraag “wat zegt de [NAAM_DIER]” is een voor haar bekende vraagvorm die we stellen als we met Sofia een van haar dierenplaatjesboekjes doornemen.) Ze produceert een langgerekt boeeee…

Voor wie daar tijd voor heeft roept het kleine voorval enige vragen op. Herkent Sofietje de koe van de dierenplaatjes en lijkt voor haar dan ook de koe op de plaatjes uit haar boekjes (Sofia houdt van samen boekjes kijken), in plaats van andersom? En zal Sofia pas later zeggen dat een plaatje op een koe lijkt, zoals alle grote mensen plegen te doen, en niet andersom? Wanneer lijkt een struik voldoende op een boom om door haar als boom herkend te worden? (Waarom heet een grammaticale ontleedboom die we altijd met de wortel bovenaan tekenen en de woorden die de bladeren heten onderaan, een boom, terwijl het een oppekoppe struik is?) Stel dat ik er niet bij was en het voorval zich had voorgedaan terwijl ze alleen door de tuin dreutelde, had ze dan ook geroepen: koe! en boom! ? Ik denk het niet. Maar waren dan in ieder geval de woordjes koe en boom in haar opgekomen bij het zien van deze objecten? Wat gaat er in dat koppetje om? En als ik het niet was die met haar in de tuin liep, maar haar moeder, of haar Portugese opa Luis? Had ze dan niet koe! geroepen, maar vaca! en niet boom, maar arvore! Alsof de omstandigheden bij haar een ander taalregister opent. En in hoeverre is dat dan hetzelfde als wanneer ik in Portugal ben en probeer me in het Portugees verstaanbaar te maken? Zijn deze talen voor haar twee talen? Of is het net als de euromunt, een taal waarmee ze in meerdere landen uit de voeten kan. En heeft ze een idee van boom dat los staat van de taal die ze gebruikt om dat idee over te brengen via haar stem. Als ware het een virus dat via de lucht wordt verspreid. Je zou Sofietje’s uitroepen van het woordje koe! een taaldaad of taalhandeling kunnen noemen. Immers het is een daad waarbij ze taal gebruikt. Is de taaldaad voor Sofietje’s uitroep wat de koe is voor het woord koe? En als een koe boe! roept is dat dan ook een taaldaad van die koe? En wat bedoelt ze dan daarmee? En voor wie? En wat is het idee dat ze dan overbrengt? Kan het idee via taal overgaan van dier op mens, en mens op dier? Zoals een virus. Deze vragen brengen ons naar Amsterdam, 1979.

De Eerste Nederlandse Filosofiedag

In 1979 nam het Genootschap voor Wetenschappelijke Filosofie het initiatief voor het houden van De Eerste Nederlandse Filosofiedag. Je gelooft het niet, maar dat was inderdaad in pas zo’n anderhalve eeuw na de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden. Precies drie en een halve eeuw nadat ene R. Descartes, als ingeschrevene aan de Akademie van Franeker, in 1629, aan zijn eerste filosofie werkte.

Het doel van deze dag was om de filosofen die na de oorlog zich afgekeerd hadden van iedere vorm van vereniging dan wel zich hadden teruggetrokken in traditionele verenigingen weer eens regelmatig bij elkaar te brengen. Het landschap van de Nederlandse filosofiegemeenschap in de eerste helft van de vorige eeuw kan het beste beschreven worden als een strijdveld, waarop rivaliserende genootschappen elkaar bestreden.

Er waren in de eerste helft van de vorige eeuw meer filosofische genootschappen en clubjes in Nederland dan er in Enschede voetbalverenigingen waren (en dat waren er zo’n 30): hegelianen, kantianen, neo-thomisten, fenomenologen, formalisten, logici. En niet te vergeten de significa, de club van G. Mannoury, die als belangrijkste doel zag om tot een alomvattend begrip te komen en “daarmede de weg te banen naar een vollediger begrip van de onuitputtelijke problemen, waarvoor ieder bezinning op de wereld der verschijnselen ons telkens opnieuw stelt.” Het was inderdaad een problematische tijd, zwanger van oorlog. Kerngereedschap om tot dit nobele doel te komen was het begrip taaldaad, dat wel opgevat werd als het overbrengen van een brok informatie. De taaldaad kent vele varianten: een Nederlandse zin, Sofietjes koe!, een formule, een verkeersbord, een vuistslag. Kortom, de situatie in de filosofie was tamelijk chaotisch.

Nu denkt u misschien dat filosofen verstandige mensen zijn die proberen gezamenlijk wat orde te scheppen en tot wederzijds begrip te komen. Niets is minder waar. Zoals de voetbalverenigingen Sportclub Enschede en Enschedese Boys elkaar te vuur en te zwaard bestreden zo ging het toe in de filosofische arena. Daarbij kwam nog dat politiek en filosofie soms nauw met elkaar verweven waren in de hoofden van de filosofen. Zo maakte Mannoury zich met zijn communistische gedachtengoed niet erg populair. Vooral niet bij de logici onder leiding van de grote E.W. Beth.

Het Genootschap voor Wetenschappelijke Philosophie werd in 1938 de nieuwe naam van het door o.a. T. Goedewaagen in 1924 opgerichte Genootschap voor Critische Philosophie. Deze werd opgericht om plaats te bieden aan filosofen van diverse pluimage. Ook Beth werd lid van de club. Het boterde echter slecht, zowel tussen de verschillende filosofische bloedgroepen en genootschappen als tussen de leden van het Genootschap.

Waarom leidt de gedachtenwisseling in het genootschap niet tot verstandhouding in
den eigenlijke zin des woords
.’ vroeg Beth zich eens vertwijfeld af. Er werd voorgesteld om gebruik te maken van de resultaten van de moderne logica voor het verhelderen van de door de partijen gebruikte redeneerwijzen. Kennelijk was de gedachte dat misverstanden voortkwamen uit de vaagheid en ambiguiteiten van de natuurlijke omgangstaal waarvan men zich in het debat bediende. Rond de eeuwwisseling werd er druk gewerkt, door o.a. Bertrand Russell, aan het ontwikkelen van een meer exacte logische taal die door sommigen werd gezien als de taal waarin je kunt zeggen wat je precies bedoelt. Het mocht niet baten. Naar mate het reine volksvirus de grenzen van Nederland naderde werd het politieke klimaat chaotischer. De hegeliaanse-dialecticus Tobie Goedewaagen, een privaat-docent in de wijsbegeerte aan de Universiteit van Utrecht, zou geprobeerd hebben het Genootschap naar zijn hand te zetten. Menig lid keerde het Genootschap de rug toe. Goedewaagen in 1938. In 1941 verliet Beth het Genootschap vanwege de weinig kritische houding tegenover het populaire Volksempfinden. Goedewaagen, die bijdroeg aan de door de bezetter ingestelde Kultuurkamer bracht het tijdens de oorlog tot leider van de Nederlandse filosofen. Een citaat uit een lezing van deze verdwaalde filosoof wil ik de lezer niet onthouden.

Nederland voerde eenmaal oorlog met Spanje, Engeland en Frankrijk – alle machten, die ons bestaansrecht te land en ter zee trachtten te knotten, met als resultaat: doorlopende chaos in Europa. De vijfdaagsche oorlog [de inval van Duitsland in Nederland in mei 1940] van het Derde Rijk heeft een andere zin. De vreemde macht kwam niet om onze zelfstandigheid te vernietigen, maar om ons volk in te schakelen. Deze ‘oorlog’ was geen ‘oorlog’, doch een ‘revolutie’ onder de vlag eener idee.’

Het is alsof je de door de Fuhrer in mei 1940 tot Rijkscommissaris voor Nederland benoemde Seys-Inquart zelf hoort. Die stelde Goedewaagen aan als secretaris-generaal van het departement van volksvoorlichting en kunsten. Voor de nationaal-socialist en notoire antisemiet Goedewaagen was een ‘eigen volk’ een gezuiverd volk, van vreemde smetten vrij. Kan een filosoof anti-semiet zijn? Kennelijk. Maar kan een goede filosoof anti-semiet zijn? Dat zou toch uitgesloten moet zijn! Na de oorlog heeft deze filosoof in een “gratis door de Nederlandse staat gedurende enige tijd ter beschikking gestelde filosofenkluis” zijn leven nog eens kunnen overdenken. In 1952 werd hem amnestie verleend. Hij kon slechts nog verder leven door een groot deel van zijn leven te vergeten. Maar laten we deze donkere periode snel verlaten en terug gaan naar 15 september 1979.

De Centrale Interfaculteit van de Universiteit van Amsterdam kreeg de eer de filosofiedag te mogen organiseren. Voor belangstellenden die niet aanwezig waren werden de bijdragen ter beschikking gesteld. Gelukkig maar. Want in de categorie Logika en Taalfilosofie vinden we een bijdrage van Harm Boukema. Onder de weinig aantrekkelijke titel Intentionele analyse van illocutionary acts vinden we een voor ons doel interessante analyse van taaldaden. Waarom is deze bijdrage zo interessant en wat heeft het te maken met het bovenbeschreven klein voorval met Sofietje? Maar wie is Harm Boukema? Ken ik hem? Wat heet kennen?

Harm Boukema was universitair docent Geschiedenis van de Wijsbegeerte aan de Universiteit van Nijmegen. (Ook al in 1979? Of zat hij toen nog in Twente?) Zijn werk is te vinden op zijn persoonlijke website. Zijn kritische en sympatieke manier van filosoferen wordt gekenmerkt door zijn belangstelling voor de persoonlijke inspiratie van de filosoof wiens werk hij bespreekt. Wat drijft deze filosoof? Waar worstelt hij mee? Wat is zijn plaats in het historisch filosofisch debat? Inspiratie daar gaat het om in het leven. Of je nu een bevlogen voetballer, filosoof of violist bent. Dat doet er niet toe.

Het is schitterend als je geïnspireerd kunt leven maar als je daar geen zin in hebt, dan is dat ook uitstekend.” zegt hij in een interview naar aanleiding van zijn emeritaat.

Harm Boukema promoveerde in 2010 in Nijjmegen op een wetenschappelijke proeve op het gebied van de filosofie. In zijn 65ste levensjaar, op de dag dat hij vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd de universiteit verliet. Ik weet niet of hij dat al zo gepland had toen hij vele jaren eerder aan een proefschrift begon. Zou het niet eerst over Wittgenstein gaan? Of over Frege? Het werd uiteindelijk Russell. Zijn dissertatie is “een poging de vruchtbaarheid van een “dialectische analyse” aan te tonen door die toe te passen op een geducht en veelbesproken stukje uit de geschiedenis van de vroege analytische filosofie.”

Dat “stukje” is Russell’s On Denoting, een taaie tekst van amper 14 pagina’s, over het referentieprobleem van taal. Het gaat over grammaticale frasen zoals “een meisje”, “de koe”, “sommige mannen”, “alle mannen”, “de koning van Nederland”, “de koning van Frankrijk”. Het zijn frasen waarmee verwezen wordt. Hij noemt ze “denoting phrases”. Maar wat is verwijzen voor relatie? Dat is kort gezegd het referentieprobleem. Voor Sofietje en voor de meesten van ons is het helemaal geen probleem. Het is typisch een filosofenprobleem. Maar volgens Russell is het een belangrijk probleem. Niet alleen van belang voor de logica en de wiskunde, maar ook voor de kwestie wat we onder kennis verstaan. (Kennis was in de 19de eeuw object van een nieuwe wetenschap geworden, de epistemologie.) Je kunt namelijk op twee manieren spreken van kennen. Sommige dingen kennen we alleen via beschrijvingen die we ervan hebben, terwijl we er niet direct bekend mee zijn. Als voorbeeld noemt Russell de “geest” van iemand anders (other people’s minds, seeing that these are not directy perceived). Met dingen waarmee we direct bekend zijn bedoelt Russell kennelijk die dingen die we direct kunnen waarnemen. We kunnen dus zeggen dat Sofietje bekend is met de koeien. Russell is, volgens mij, een dwarse denker. Zo heeft hij ook eens, dwars tegen Wittgenstein in, beweerd dat als we geen prive-taal hadden we ook niet met elkaar konden communiceren. Waar hebben we het over als we het hebben over “de huidige Koning van Frankrijk” of over “het verbrande huis” of over “het snijpunt van de lijnen a en b”? Of als we zeggen “Kijk, daar ligt een opgegeten boterham!”

Ik denk dat de meeste mensen het wel met G. Frege eens zijn dat deze uitdrukkingen iets betekenen maar dat sommige niet naar bestaande objecten of mensen of wat ook verwijzen. Ja, misschien naar een idee, een fantasma, een gedachtenconstructie, iets dat alleen in de geest van iemand die de term hanteert bestaat of iets dat alleen in de taal bestaat. Maar ja, wat is bestaan? Sofietje roept “paard“, waarop opa zegt, nee, het paard is er niet. (Sofietje heeft onthouden dat er de vorige keer een paard in de wei stond.) Frege onderscheidt Sinn en Bedeutung. De uitdrukkingen “het snijpunt van a en b” en “het snijpunt van a en c” hebben verschillende Sinn maar ze kunnen het zelfde punt aanduiden. Dat snijpunt is de Bedeutung van de uitdrukking. De uitdrukking “de volledige planaire graaf op 5 punten” heeft wel degelijk een Sinn, maar zo’n ding bestaat niet. Net zomin als een vierkante cirkel. Probeer het maar eens: teken 5 punten en verbindt elk punt met elk ander punt (een volledige graaf) zonder dat twee lijnstukken elkaar snijden (planair). Dat u dat niet lukt is nog geen bewijs dat het niet kan. Het kan ook aan u liggen. Maar met hulp van Euler kunnen we bewijzen dat het echt niet kan. Probeer het maar eens. Er is niets fijners en mooiers in ons onzeker bestaan dan een waterdicht wiskundig bewijs.

Voordat ik weer bij Harm Boukema terug kom, nog even een opmerking over Sofietje’s koe! Wat de kleine meid ons met deze taaldaad toont, is dat ze de koe opmerkelijk vindt, een verschijnsel dat in haar nog zo prille bestaan kennelijk waard is om door haar opgemerkt te worden. Duitsers, zoals Frege, zouden de term bedeutend hier gebruiken. Ignacio Angelelli wees op deze connotatie van Bedeutung. Een woord betekent niet zomaar iets, maar iets dat wat te betekenen heeft, wat beduidend is.

Harm analyseerde vanuit zijn hegeliaanse en neo-thomistische achtergrond de analytische filosofen. Hij was assistent van Jan Hollak, die later naar Amsterdam verhuisde. Harm droeg zijn proefschrift op in herinnering aan zijn leermeester Jan Hollak. Hij zocht vanuit zijn continentale achtergrond de confrontatie met de analytische filosofen, voor wie de taal een allesbehalve vanzelfsprekend fenomeen is. Platgezegd komt de logica van Hegel erop neer dat de waarheid tot haar recht komt in de verzoening van de strijd tussen twee tegenpolen. Boukema is uit op verzoening. Niet door de tegenstellingen met de mantel der liefde te bedekken, maar door de partijen te begrijpen als tegenstellingen. De filosofische puzzle bestaat erin de gemeenschappelijke eenheid te zoeken in de tegenpolen. Zijn dissertatie – Russell’s Second Paradox: a dialectical analysis of ‘On Denoting’ -“verschaft geen uitgewerkte theorie over tegenstellingen, maar slechts de elementaire richtlijn dat tegenpolen als zodanig iets met elkaar gemeen moeten hebben.”

Van woorden en frasen naar zinnen

J.L. Austin is een van die analytische taalfilosofen waar Boukema in zijn bijdrage zich mee verstaat. Terwijl Russell zich druk maakte over de referentie van woorden en frasen, had Austin meer aandacht voor volledige zinnen. Een bundel essays van Austin is uitgegeven onder de titel “How to do things with words?“. Deze drukt een kernidee uit in de filosofie van Austin: mensen doen iets met woorden. Nu had Plato ook al gezien dat spreken een vorm van handelen is. Wat dat betreft was er dus niets nieuws onder de zon toen Austin zijn gehoor met zijn zelfverzonnen term performative utterance confronteerde. Austin vond het een lelijk woord: performative, maar hij kon geen beter woord vinden “that could do the job”. Maar het voordeel is, zegt Austin, dat het niet een erg diepgaand (Eng. profound) woord is. Iemand die een lezing van hem over dit onderwerp had gevolgd merkte na afloop op: “You know I haven’t the least idea what he means, unless it could be that he simply means what he says.” Waarop Austin’s commentaar luidt: “Well, that is what I should like to mean.” Waarom dan een nieuw woord introduceren? Wat had Austin voor nieuws te vertellen?

Beweringen en waarheidswaarden

Het was hem opgevallen dat de aandacht van de filosofen zich beperkte tot een bepaald soort uitspraken: de bewerende zinnen of oordelen: “Sofia loopt in het gras.“. Kenmerk van deze zinnen is dat ze waar of onwaar zijn. Sommige geleerden vatten de waarheidswaarde van een bewering zelfs op als de betekenis van de zin. Die gerichtheid van de filosofie op constaterende uitspraken kan wellicht verklaard worden vanuit hun interesse voor de Waarheid. Een zin is waar wanneer datgene wat in de zin gezegd wordt in overeenstemming is met de feiten, i.e. met wat werkelijk het geval is. Dus “Sofia loopt in het gras” is waar dan en alleen dan als het werkelijk zo is dat Sofia in het gras loopt. Een maniakaal soort logica. De geleerden, wiskundigen, logici, taalfilosofen, zoals Frege, Wittgenstein en Russell maakten zich vooral druk over de kwestie wanneer een zin zinvol is en wat er eigenlijk bedoeld kan zijn met de zin “De koning van Frankrijk loopt in het gras” wanneer er helemaal geen koning van Frankrijk bestaat!? Heeft zo’n zin nog een waarheidswaarde?

Er is iets merkwaardigs met die waarheidswaarde van beweringen. Wanneer iemand iets beweert, bijvoorbeeld: Deze roos is rood. Dan bedoelt hij daarmee te zeggen dat een zekere roos een bepaalde kleur, namelijk rood, heeft. Wanneer iemand zegt: “Deze roos is niet rood” dan bedoelt hij eveneens iets te zeggen wat het geval is. Dat is iets anders dan te zeggen dat de zin “Deze roos is rood” waar dan wel onwaar is (of, anders gezegd, de waarheidswaarde waar of onwaar heeft). Het is het verschil tussen een oordeel uitspreken en een zin uitspreken die waar is. In het laatste geval worden ware en onware zinnen op het zelfde plan gezet. Terwijl alleen de ware zinnen overeenkomen met een oordeel. Een bewering is een aktiviteit waarin wordt gezegd hoe de zaken ervoor staan. Wanneer we de aandacht richten op de zin in plaats van op het oordeel dan abstraheren we van het oordeel als aktiviteit.

Austin was meer geinteresseerd in de pragmatiek van taal

Het was Austin verder opgevallen dat er zinnen zijn die weliswaar de grammaticale vorm hebben van een bewering (“they look like a statement”) , maar die niet waar of onwaar zijn, terwijl ze niettemin zinvol zijn. Met de term performative wilde hij wijzen op een dergelijk soort van taalgebruik. Hij doelde daarmee op uitingen als “Ik beloof morgen te komen” of “Ik kom morgen”, of “Ik doop u in de naam van …”, of “Ik waarschuw je.” of “Je bent ontslagen.” Anders dan de taaldaden van de Nederlandse significi beperkte zijn aandacht zich tot “echte talige” uitdrukkingen (acts of speech). De Engelse term “speech act” werd in het Nederlands vertaald als “taalhandeling”. Schouderophalen en het afschieten van een kanon vallen buiten dit begrip. Het waren dan ook met name de taalkundigen die zich met deze zaken gingen bezig houden. En in hun kielzog de computerwetenschappers die zich, vooral geinspireerd door de filosoof Searle, bezighielden met de formele beschrijving van de semantiek van natuurlijke taal. Met als doel te specificeren hoe software agenten met elkaar kunnen inter-acteren. En hoe mensen met kunstmatige agenten kunnen “converseren”.

Het bijzondere aan taaluitingen als “Ik kom morgen.” is dat de spreker door dit te zeggen iets doet dat nog heel iets anders is dan spreken: hij belooft degene tot wie hij zich richt morgen te komen. Het is geen verslag van een stand van zaken zoals in “Hij belooft te komen.” Opdat het uitspreken van deze zin een act van beloven is, moet de situatie waarin deze wordt uitgesproken wel aan zekere voorwaarden voldoen. Wanneer ik tegen Sofietje zou zeggen “Er loopt een stier in de wei” dan kan deze expressie in bepaalde omstandigheden als waarschuwing gelden en werken, terwijl het in andere omstandigheden als een simpele opmerking moet worden opgevat om haar opmerkzaam te maken van het feit dat er een stier in de wei loopt. Je kunt dat aan de zin zelf niet afzien.

Bij nadere analyse ontdekte Austin dat ook het uiten van een beweringszin een handeling is en wat dat betreft dus valt onder zijn performatieven. Voor de bijzondere klasse van handelingen die we aanduiden met woorden als bedanken, beloven, bevelen en waarschuwen voerde hij toen de nieuwe term illocutionary act in.

Wat Boukema in zijn bijdrage doet is een analyse van dit type illocutinaire handelingen. Niet vanuit het gebruikelijke linguistische perspectief als “dingen die we met woorden doen“, maar vanuit een filosofie van intersubjectiviteit, als “dingen die tussen mensen gebeuren.” Wanneer ik tegen Sofietje in de gegeven situatie zeg “Het prikkeldraad doet au.” dan doe ik meer dan iets benoemen. En dat is niet alleen zo bij waarschuwen maar ook bij beweren. Als ik zeg “Deze roos is rood” dan refereer ik niet alleen naar een subject (deze roos) waarvan ik een predikaat uitzeg (de roodheid). Ik beweer iets tegen de ander, bijvoorbeeld tegen Sofietje om te demonstreren wat rood betekent. De vraag die Boukema stelt, is: wat is nu de aard van de verbinding tussen het zeggen van de zin en het beloven of tussen het zeggen en het beweren? Het gaat hier om een tamelijk innig verband tussen twee handelingen. In elk geval is het verband tussen de locutionaire act van het zeggen en de illocutionaire act van het beloven of waarschuwen of beweren, een andere dan bij de perlocutionaire handelingen. Alweer een nieuw woord. Wat zijn dat voor dingen? Een paar voorbeelden.

Test, test , test! Mooie rooie tomaten! 2+3 = ?

Wanneer ik iemand wakker wil maken, kan ik dan doen door te zeggen “Wakker worden!” Ik moet dat niet fluisteren, want dan werkt het niet. Het beoogde effect komt immers tot stand vanwege het geluid dat ik maak door het uitspreken van de zin. Ik had ook kunnen roepen “Mooie rooie tomaten!” als ik het maar luid genoeg doe, afhankelijk van de omstandigheden. We hebben overigens van nature wel de neiging om te zeggen wat we doen, zo roepen we “Test, test ,test” als we een microfoon willen testen, maar het is niet noodzakelijk. We hadden ook “Tomaten een kwartje!” kunnen roepen om te testen. Er is een uitwendig verband tussen de betekenis en het bedoelde effect. Rekenmachines werken deels volgens dit principe: het uitwendige verband tussen de door het invoeren van de opdracht beoogde effect en de betekenis die de opdracht voor ons heeft. We kunnen zeggen dat de slaper die wakker wordt daarmee laat zien “begrepen te hebben” wat we bedoelden met “Mooie rooie tomaten!” . Evenzo kunnen we stellen dat de rekenmachine begrepen heeft wat we bedoelden met het invoeren van de expressie “2+ 3 = ” toen deze daarop antwoordde met: “5”. We hebben we machine zo geconstrueerd dat het effect vanhet invoeren van de som een proces te weeg brengt dat we kunnen interpreteren als het uitvoeren van de bedoelde berekening. Het is duidelijk dat het verband waarnaar we aan de hand van Boukema op zoek zijn niet van een dergelijke uitwendige aard is. Maar hoe dan?

Engagerende taalhandelingen

Boukema’s jacht op het bijzondere karakter van de door Austin beoogde illocutionaire taaldaden zoals beloven en waarschuwen, voert hem uiteindelijk tot de invoering van de term engagerende taaldaden. Deze onderscheidt hij van de informerende taaldaden: iemand iets vertellen, een vraag stellen, een opmerking maken. Austin had al gewezen op het feit dat de omstandigheden waarin een illocutionaire daad als beloven voltrokken wordt ge-eigend moet zijn. De uitspraak “ik doop u” werkt alleen maar in een bijzondere situatie wanneer deze wordt uitgesproken door iemand die daartoe bevoegd is en wanneer deze gericht is tot de ander die daarmee gedoopt wordt (of een schip dat daarmee gedoopt wordt). Evenzo vereist het uitspreken van “U bent ontslagen” of “Ik beloof dat ik morgen kom” iets van de spreker, de geaddresseerde en van de situatie waarin deze betrokken zijn. Deze persoonlijke betrokkenheid van de spreker als spreker en de geadresseerde als de ander waartoe de spreker zich richt, zijn degenen die in de inhoud van de handeling een essentiele rol spelen. Als ik zeg “ik beloof je dat ik zal komen” dan is dat slechts waarachtig een belofte als ik en jij daarin als spreker en geaddresseerde betrokken zijn. Bij informerende taaldaden is die immanente betrekking er niet. Wanneer ik tegen Sofietje zeg “Het prikkeldraad doet au” bedoeld als waarschuwing dan druk ik daarmee uit dat ik me om haar bekommer en dat ze op moeten passen. Het zullen zeker niet alleen de woorden zijn die het beoogde effect bereiken. De toon waarop en de hele situatie waarvan we beide deelgenoot zijn maken als het ware waarschuwende karakter ervan. Ik denk dat Sofia dat aanvoelt. Zo, door deze beleving, leert ze wat waarschuwen is. Alleen voor wie weet wat waarschuwen is werkt een waarschuwingsbord. In een voetnoot wijst Boukema erop dat het plaatsen van zo’n bord geen eigenlijke taaldaad is maar de betekenis ontleend en dus afgeleid is van de konkrete daad van het waarschuwen. Engagerende taaldaden ontlenen hun zin aan een betrekking die als zodanig vraagt om een daad waarin ik mij op bepaalde wijze als op jou betrokken engageer.

Voor het juiste begrip van Boukema’s engagerende taaldaden moeten we zien wat hij met de intersubjectieve akt van het “zich tot een ander wenden” bedoelt. Het zich tot een ander wenden is een eigensoortige intentionele gerichtheid waarin de ander niet alleen als ander subject geintendeerd is maar ook als degene voor wie de daad bestemd is. Ik kan dit het beste uitleggen aan de hand van een voorbeeld. Wanneer ik iemand iets geef dan doe ik dat met de intentie dat de ander dat ziet en het gegeven ontvangt (ik neem aan dat de ander daarvoor ontvankelijk is). Pas in het ontvangen is het geven voltooid (gelijk het verstaan het spreken zin geeft). Maar niet alleen het gegeven maar ook dat het gegeven door mij gegeven is moet ontvangen worden. En als gever bedoel ik niet alleen dat de ontvanger het gegeven ontvangt maar ook dat deze mijn geven als bedoelde daad accepteert. De behoefte vernomen te worden door de ander behoort tot de kern van het zich wenden tot de ander. Pas door een dergelijke intersubjectieve relatie komt het subject tot zijn recht als subject. Het is deze reflexiviteit die het wezenlijke verschil maakt met alle andere vormen van beinvloeden: manipuleren, intimideren, dwingen, nudging.

De moderne vormen van intersubjectiviteit zijn het resultaat van interaktie via communicatiemiddelen en het delen van informatie op het internet via social media. Deze zijn afgeleide vormen van de onmiddellijke aanwezigheid en de persoonlijke betrokkenheid van persoon tot persoon in een als gemeenschappelijk ervaren situatie. Zoals het waarschuwingsbord afgeleid is van de engagerende waarschuwingsdaad. Het bord kan echter eenvoudig genegeerd worden. Net als de vele berichten die de wereld ingestuurd worden eenvoudig door niemand verstaan worden.

Wie in deze tijden van Corona ervaring heeft opgedaan met het communiceren via een video-verbinding die heeft ervaren hoe deze omstandigheid invloed heeft op de kwaliteit van het proces. Het zich wenden tot elkaar zonder direct fysiek in elkaars omgeving te zijn doet afbreuk aan de kwaliteit. Je kunt elkaar geen hand geven, je kunt elkaar niet knuffelen, je kunt elkaar niet in de ogen kijken. Lichamelijkheid is misschien wel belangrijker voor intersubjectiviteit dan wij beseffen als we het over het lichaam en de lichamelijke uitingen als communicatiemiddel hebben, zoals we plegen te doen. Voor sommige intersubjectieve handelingen bieden de moderne communicatiemiddelen niet de geeigende voorwaarden.

Waarom was Harm’s bijdrage voor mij interessant? Omdat hij met zijn analyse de taal thuisbrengt waar deze thuis hoort: in de ontmoeting van mensen, in het gesprek, in een concrete situatie die de gesprekspartners delen. Want waar komen vragen en antwoorden anders tot hun recht dan in hun wederzijdse betrekking, in de open dialoog van mens tot mens?

Good goan!

Bronnen en referenties:

Barendse, B.A.M, 1951. Intersubjectief verkeer en lichamelijkheid. In: Zich door het leven heen denken: keuze uit het werk van prof.dr. B.A.M. Barendse. Kok, Kampen.

Angelelli, Ignacio, 1982, ‘Frege’s notion of Bedeutung’, in: Cohen, L. J.,
et al (eds.), Logic, Methodology and Philosophy of Science, VI, 1979,
Amsterdam, North-Holland, pp. 735-753.

Austin, J.L., 1962. How to do things with words, the William James Lectures delivered at Harvard University in 1955. ed. by Urmson, J.O. and Sbisa, Marina, Oxford, 2e druk.

Austin, J.L. 1956. Performative utterances. In: Philosophical Papers, Third Edition, Edited by Urmson, J.O. and Warnock, G.J., Oxford University Press, 1979.

Frege, Gottlob, 1892, ‘Über Sinn und Bedeutung’, Zeitschrift für Philosophie
und philosophische Kritik 100, pp. 25-50.

Boukema, Harm, 1980. Intentionele analyse van illocutioary acts. In: Filosofische Reeks nr. 6 – 1980. Filosofische lezingen gehouden op de Eerste Nederlandse Filosofiedag 15 september 1979, Universiteit van Amsterdam.

Boukema, Harm, 2010. Russell’s second paradox: A Dialectical Analysis of ‘On Denoting’, Proefschrift Universiteit Nijmegen, 2010.

Hacking, Ian, 1980. Wat heeft filosofie met taal te maken? Boom Meppel, 1980.

Russell, Bertrand. (1905) ‘On Denoting’, Mind n.s. 14, pp. 479-93, repr. in Russell, B. (1994), Collected Papers 4, pp. 415-27.

Searle, J.L., 1977. Taalhandelingen: een taalfilosofisch essay. Aula, het Spectrum.

Van Ulsen, Paul., 2017. Organisaties en genootschappen.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply