De blinde schaakcomputer

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over de kwestie of computers blind kunnen schaken en aanverwante problemen, zoals daar zijn:

  1. Een probleem dat door de beruchte tekst On Denoting van Bertrand Russell wordt opgeroepen.
  2. Een probleem dat het waterleidingbedrijf heeft met adreswijzigingen.
  3. Het privacy-probleem van de moderne wetenschapper.

Eerst schaken

Het bordspel schaken stamt volgens de legende (het internet) uit India waar het al ver voor onze jaartelling werd gespeeld. De huidige variant van het schaakspel voor twee spelers ontstond aan het eind van de 15e eeuw in Frankrijk, toen de dame met de huidige mogelijkheden haar intrede deed in het spel (eerder was het een tamelijk zwak stuk). In het London International Chess Tournament van 1883 werd de schaakklok geïntroduceerd. Er werd tijdens officiele wedstrijden een limiet aan de bedenktijd gesteld. Steinitz wordt beschouwd als de eerste wereldkampioen schaken. Hij won in 1886 na 24 partijen van Johan Zukertorte. In Nederland werd schaken pas populair in 1935 toen Max Euwe de Russische kampioen Aljechin uitdaagde en hem versloeg. Euwe werd de eerste Nederlandse wereldkampioen schaken. Anno nu is de in Rusland geboren Anish Koemar Giri (Sint-Petersburg, 1994) de hoogstgeplaatste voor Nederland spelende schaakgrootmeester.

Een spel zoals het schaken heeft strikte spelregels dus je kunt een computer ook instructies geven het spel te spelen. Je moet er voor zorgen dat hij netjes op zijn beurt wacht. De uitdaging is om telkens de beste zet te berekenen. Ik zeg met opzet berekenen want een computer kan niet anders dan rekenen; en dat weet hij ook niet. Vanaf ongeveer 1980 werden toernooien gehouden om te kijken welke schaakcomputer het beste is. De schaakcomputer Deep Blue van IBM was de eerste die een tweekamp tegen de regerend wereldkampioen winnend afsloot. In 1996 versloeg de machine Garri Kasparov met 4-2.

Bij het blindschaken mag de speler het speelbord, speelveld of de spelsituatie niet kunnen zien. Alle voorgaande zetten van hemzelf en de tegenstander moeten worden onthouden om zo de aktuele spelsituatie zich voor de geest te kunnen halen. De blindschaker mag ook niet voelen waar de stukken staan; elke vorm van zintuigelijke waarneming is uitgesloten. Het enige wat hij binnen krijgt is de zet van de tegenstander. De Belg Koltanowski was erin gespecialiseerd. Hij speelde in 1937 in Edinburgh tegen 34 niet-blinde tegenstanders. Na 13½ uur had hij 24 partijen gewonnen en 10 remise gespeeld. Ongelooflijk, maar het schijnt echt waar te zijn.

Op het internet kun je nog veel meer informatie vinden over de geschiedenis van het schaken en het blindschaken. Maar waarom vinden we niets over computers die blind schaken? Kunnen ze dat niet? Maar eerst een gesprek met een agent van het gemeentelijk waterleidingbedrijf, het bedrijf dat ons kraanwater aan huis bezorgd.

Wat is in een naam?

Eerste gesprek:

Goedemorgen! Wat kan ik voor u doen? Ik wil een adreswijziging doorgeven. Uw naam? Russell, B. Russell. Geboortedatum? 18-05-1872. Hmm, volgens de statistieken had u al lang dood moeten zijn. Ik ben niet dood. Dat zie ik, adres? ASW17. Ik kan geen Russell, op dat adres vinden. Probeert u LWW152. Hebbes! U was uw adres even kwijt? Nee, zoals ik zei, ik kom een adreswijziging doorgeven. U bent verhuisd? Nee, niet verhuisd, ik heb een ander adres. Uw huis is verplaatst naar een andere locatie? Nee, een ander adres. Maar meneer, als u een ander adres heeft en u bent niet verhuisd dan zijn er twee mogelijkheden: u bent overleden, wat u niet bent, zegt u, of het object LWW152 bestaat niet meer en dan bent u dakloos, want uw adres is LWW152. Mijn adres is ASW17. En u bent nog steeds meneer B. Russell van LWW152? Jazeker ben ik dat. Okay, dan maak ik even een nieuw object voor u aan. Doet u dat. Dan wens ik u nog een fijne dag, meneer Russell. Ook zo.

Tweede gesprek – een half jaar later.

Goedemorgen! Wat kan ik voor u doen? Ik heb een klacht. Uw naam? Russell, B. Russell. Ik was hier een tijdje geleden om… Uw geboortedatum? 18-05-1872. U had volgens de statistieken al lang dood moeten zijn. Ben ik niet. Dat zie ik, adres? ASW17. Hebbes, wat kan ik voor u doen? Ik heb een klacht: u heeft mij een dubbele rekening gestuurd voor ASW17 en voor LWW152. Even kijken,dat klopt: u bent eigenaar van twee objecten: ASW17 en LWW152. Ik heb een tijdje geleden een adreswijziging doorgegeven. U bent verhuisd? Nee, een adreswijziging, vanwege ruilverkaveling, het huis staat nu aan een andere weg. Het object is verplaatst, zegt u? Nee. de locatie is veranderd, dat wil zeggen het adres ervan. U beweert dat LWW152 veranderd is in ASW17? Zo zou je het kunnen zeggen, ja. Maar meneer LWW152 en ASW17 zijn toch echt twee objecten, voor beide staat u als eigenaar in het systeem, dus u krijgt voor beide een rekening. Maar LWW152 bestaat niet meer. Ah: verbrand, afgebroken? we hebben niets doorgekregen daarover. Nee, er is niks mis met mijn huis. Meneer, er zijn twee mogelijkheden: u bent eigenaar van twee objecten, LWW152 en ASW17, of LWW152 bestaat niet meer. Dat klopt. Maar u zegt dat LWW152 is veranderd in ASW17. Klopt! Maar dan hebt u dus geen huis meer, maar u zegt dat u wel een huis heeft. Zoals ik al zei: het adres is veranderd. Ja maar u bent niet verhuisd, u probeert mij ervan te overtuigen dat LWW152 en ASW17 dezelfde objecten zijn. Ja! Maar, meneer, straks gaat u me nog vertellen dat 3 hetzelfde is als 2! , maar ik ben de Paus niet, ik kan dit niet zo maar veranderen; ik moet dit overleggen met de systeembeheerder; u hoort nog van ons; fijne dag nog. Ook zo.

Het heeft drie jaar geduurd voor dat de heer Russell geen jaarrekening meer kreeg voor zowel LWW152 als ASW17 op zijn nieuwe adres ASW17. Wij vermoeden dat de programmeur een identiteitsprobleem had, waardoor ergens in het systeem een programmeerfoutje is ontstaan. Misschien ten gevolg van een verwarring van object-gelijkheid (equals) en adres-gelijkheid (==)? Maar de fout kon ook wel eens dieper zitten en elders weer opduiken. Laten we het beste er maar van hopen.

Wat we met namen doen

De naam Bertrand Russell is verbonden aan de Britse wiskundige, logicus, filosoof en vredesactivist Bertrand Russell (geboren 18-05-1872 en overleden op 02-02-1970). In 1905 verscheen On Denoting. Hij was toen net bekomen van de schrik na zijn ontdekking van de Russell paradox. Hij had het probleem in zekere zin ook zelf gemaakt. Vandaar Russell paradox. Maar een oplossing had hij nog niet. Dat zie je vaak bij denkers, dat ze problemen die ze zelf maken niet ook zelf kunnen oplossen. Misschien is de enige oplossing dan ook niet meer te denken. Maar ja, dat zou op zelfmoord neerkomen. Geen gemakkelijke keuze.

Russell presenteert een theorie over refereren. Dat is wat wij met namen doen. Het artikel “On Denoting” telt zo’n 14 pagina’s en gaat over “denoting phrases” zoals “een man”, “de koning van Frankrijk”, “het meisje”, “de wereldkampioen schaken”, of “de blinde computer”. Hij zet zijn theorie af tegen die van de Duitser Frege en de Oostenrijker Meinong, die elk hun eigen theorie daarover hadden. Ik moet even uitleggen wat de beide heren hadden bedacht, om Russell’s theorie in perspectief te plaatsen.

Betekenis en verwijzing

De wiskundige, logicus en filosoof Gottlob Frege (1848-1925) wordt wel beschouwd als de grondlegger van de mathematische logica. Eindelijk, na zo’n 2000 jaar, zou de wereld verlost worden van de logica en de metafysica van Aristoteles. De intellectuele kringen in Wenen en Cambridge hadden schoon genoeg van de oude Griekse substantie-leer. Een vraag die bij Frege op kwam is wat we met “gelijkheid” bedoelen. Is het een relatie? Dat is toch wel het minste wat we ervan kunnen zeggen! Maar waar tussen? Tussen objecten, of tussen namen of tekens waarmee we objecten aanduiden? De gelijkheid a=a is logisch waar in tegenstelling tot de gelijkheid a=b, die het resultaat van onderzoek kan zijn en die in dat geval nieuwe kennis uitdrukt. Over deze kwestie gaat Frege’s Uber Sinn und Bedeutung (1892). Het resultaat van zijn analyse is een onderscheid tussen de Sinn en de Bedeutung van een teken, een woord of een expressie. Een expressie betekent iets, datgene waarnaar het verwijst, en drukt iets uit. Door dit onderscheid te maken kunnen we bijvoorbeeld zeggen “De Morgenster is de Avondster” of “Het snijpunt van de lijnen a en b is het snijpunt van de lijnen b en c”. Of LWW152 is ASW17. De Bedeutung is gelijk, maar de wijze waarop ernaar verwezen wordt (de Sinn) zijn verschillend. De gelijkheid a=b is dus noch een gelijkheid tussen twee namen, noch tussen twee objecten.

Waarom had de man van het waterleidingbedrijf problemen met de gelijkstelling van 3 en 2? Omdat hij daarbij dacht aan het gelijkstellen van het getal 3 en het getal 2. Terecht dat hij dit niet zo maar kon doen. Maar had hij kunnen accepteren dat 3 en 2 tekens zijn voor hetzelfde getal, zoals 1+1 en 2 ook staan voor het zelfde getal ? Maar welk getal is dat dan waar 2 en 3 naar refereren. Is dat dan het getal 2 of het getal 3. Of nog weer een ander getal? Waarom dacht de man dat het gelijkstellen van 3 en 2 zoiets was als het gelijkstellen van LWW152 en ASW17? Omdat hij daarmee dezelfde problemen had. Net zoals bij 3 en 2 kent hij de objecten niet anders dan via de wijze waarop er naar gerefereerd wordt in zijn systeem. Omdat ze daarmee overeenkomen. Zoals 2 2 is en Russell Russell. Je kunt wel 1 bij 2 optellen, maar 2 wordt nooit 3. Dan zou het hele systeem instorten. Wiskundige objecten zijn onveranderlijk, omdat het pure gedachtedingen zijn die we identificeren door middel van een teken.

Van Sinn en Bedeutung is volgens Frege nog onderscheiden de innerlijke voorstelling die we van de Bedeutung hebben. Dat is iets subjectiefs. De Sinn van het teken is daarentegen niet subjectief. Volgens Frege is het wel mogelijk dat een woord geen Bedeutung heeft, maar een woord zonder Sinn dat kan niet. Dat is net zoiets als een teken zonder betekenis. De betekenis is geen bijkomstig predikaat van een teken. Een woord of een expressie moet iets uitdrukken om woord of expressie te zijn. Een teken zonder betekenis is geen teken, maar slechts een inktkrabbel of wat ook. De uitdrukking “De huidige koning van Frankrijk” heeft bijvoorbeeld wel een zin (Sinn), maar geen betekenis, Bedeutung, omdat er niet zo’n koning is, waarnaar verwezen kan worden.

Vergelijk nu: “De dame is van ivoor” met “De dame mag diagonaal over het bord bewegen.” De eerste “De dame” verwijst naar een fysiek object dat als schaakstuk gebruikt wordt, de tweede “De dame” verwijst naar het specifieke schaakstuk in het schaakspel waarvan de identiteit volledig bepaald wordt door de spelregels, door wat je er als speler mee kan doen in het spel. De wijze waarop de dame is gematerialiseerd of gevisualiseerd is volstrekt irrelevant. Vandaar dat schaken net als rekenen blind kan gebeuren. Je hebt er alleen maar een hoofd voor nodig (met enige inhoud). Een dergelijk verschil is er bij “de koning van Nederland heeft een baard” en “de koning van Nederland is voorzitter van de Raad van State“. Als de koning van Nederland een baard heeft dan heeft de voorzitter van de Raad van State ook een baard. Dit is waar. Ook als Nederland geen koning heeft.

De theorie van Alexius Meinong

De Oostenrijker Alexius Meinong (1853-1920) had een andere theorie over betekenissen van expressies die geen Bedeutung hebben. Zulke expressies bestaan namelijk niet in zijn ogen. Elke expressie verwijst naar een object; ook “de vierkante cirkel” of “de huidige koning van Frankrijk”. Maar soms is zo’n object niet. Wat kun je dan van zo’n object zeggen? Meinong toont zich daarin zeer tolerant: alles. De vierkant cirkel is zowel cirkel als vierkant. Maar een cirkel is toch niet vierkant. Geen probleem, zegt Meinong. (Doet me denken aan de jood Anatevka uit Fiddler on the roof.) Russell zag als logicus wel een probleem met de theorie van Meinong, die van mening was dat je van sommige objecten zowel kunt zeggen dat ze aan een bepaalde eigenschap voldoen als dat ze er niet aan voldoen.

Kort gezegd komt de theorie van Russell op het volgende neer:

“This is the principle of the theory of denoting I wish to advocate: that denoting phrases never have any meaning in themselves, but that every proposition in whose verbal expression they occur has a meaning.”

Frege’s oplossing voor het probleem van de “koning van Frankrijk” bestaat uit de introductie van een kunstmatig object, de null-klasse, een onbepaald object. De bewering dat de huidige koning van Frankrijk kaal is, is volgens hem onwaar (“heeft de waarheidswaarde onwaar”) want het object, het onbepaalde ding, heeft die eigenschap niet. Russell merkt op dat dit in elk geval niet tot logische tegenstrijdigheden leidt, zoals de theorie van Meinong. Toch vindt Russell het maar niks.

…this procedure, though it may not lead to actual logical error, is plainly artificial,
and does not give an exact analysis of the matter
”.

Die exacte analyse bestaat uit een vertaling van de zin in een logische formule. Een voorbeeld. De zin “De koning van Frankrijk is kaal” wordt geanalyseerd als: “er is een uniek object x waarvoor geldt dat deze koning van Frankrijk is en dat deze kaal is“. Wanneer u dit een logische oplossing vindt dan komt dat omdat u gewend bent aan deze logika. Aan deze manier van doen. Russell en Frege waren grondleggers van een logica, de mathematische predikatenlogica en een wijze van denken, die uiteindelijk zou leiden tot de moderne denkmachine, de computer. Voor de geleerden die zo rond 1900 leefden was dat nog moeilijk in te zien, maar voor ons is dat eenvoudig te begrijpen. Achteraf is het nu eenmaal mooi wonen. Hoe zit dat?

Machines kunnen niets met zulke abstracte dingen als getallen. Maar wel met tekens die naar getallen wijzen, want tekens hebben ook een materiele kant. Je kunt het getal 3 voorstellen door drie streepjes of stokjes, of wat ook, als je maar konsekwent bent en voor elk getal een uniek ander teken gebruikt. Wil je een machine dus gebruiken om voor je te rekenen dan moet je rekenen als een manipuleren van tekens, van expressies zien. En dat is precies wat de meta-mathematische logica deed: een wiskunde van het wiskundig, logisch redeneren. Frege en ook Russell reduceerden op deze manier de wiskunde tot logica, een stel denkregels. Logica is de wetenschap van het juiste denken en Aristoteles had al uitgelegd dat dat een kwestie is van de juiste regels volgen. Zijn Organon bevat een volledige opsomming van de geldige denkschema’s voor de syllogismen. Een voorbeeld van een syllogisme is: Socrates is een mens. Alle mensen zijn sterfelijk. Dus: Socrates is sterfelijk. Logica en werkelijkheid zijn op elkaar aangewezen anders zou geen kennis mogelijk zijn.

Volgens Aristoteles bestaat de werkelijkheid uit substanties die eigenschappen hebben. Socrates is een substantie, net als deze roos een substantie is. Als ik een oordeel uitspreek in de vorm van een propositie zoals “Deze roos is rood” dan druk ik daarmee uit dat aan deze substantie het predikaat rood-zijn toekomt. Rood is voor de roos een bijkomstig predikaat. Een roos kan ook wit zijn. De kleur kan veranderen en toch blijft het dezelfde roos. Een propositie is waar als de relatie tussen substantie en predikaat overeenkomst met die in de werkelijkheid (die onafhankelijk van ons denken bestaat en kenbaar is – anders was geen kennis mogelijk). Het klassieke voorbeeld van deze overeenstemming tussen expressie en werkelijkheid is: “De zin sneeuw is wit is waar dan en slechts dan als sneeuw wit is.” Menszijn is niet een bijkomstig maar een substantieel predikaat van Socrates. Het is een wezenlijk kenmerk, zeg maar. Wanneer een substantieel predikaat van een substantie verandert dan neemt de stof een andere vorm aan: de substantie verandert. De nieuwe geleerden van rond de vorige eeuwwisseling probeerden los te komen van dit klassieke Aristotelische werkelijkheidsbeeld (metafysica). Wat kenmerkend is voor Aristoteles werkelijkheid is dat echte substanties, unieke objecten, zijn en die zijn niet kenbaar. De wetenschap gaat dan ook niet over unieke mensen maar over soorten, categorieen. De medische wetenschap zegt bijvoorbeeld niets over de unieke substantie, Socrates; alleen over ziektes en ziektebeelden. Substanties veranderen steeds en zijn onkenbaar. Een op het eerste gezicht merkwaardig idee van de oude Griek. Maar hij heeft wel een punt. Een belangrijk punt.

Het begrip van de functie en de functie van het begrip

Frege haalde in zijn Begriffschrift, het begrip functie (uit de wiskundige analyse) van stal. Een functie is een rekenregel uitgedrukt door een expressie waarin een variabele (meestal x) voorkomt. Als we de functie f=λx. (x+2) op het getal 3 toepassen, krijgen we f(3) ofwel 3+2; en dat is 5. Dat is de waarde van de functie voor het argument 3. Frege beschouwde het predikaat “is rood” als een functie. Wij zeggen nu: het predikaat rood-zijn is de functie λx. is_rood(x) die toegepast op een subject, bijvoorbeeld “deze roos” de bewering “is_rood(deze roos)” oftewel in fatsoenlijk Nederlands “Deze roos is rood” oplevert. En de Bedeutung van zo’n bewering is volgens Frege een waarheidswaarde. Welke? Dat hangt af van de werkelijke kleur van deze roos. Precies zoals bij de oude Grieken, zou je zeggen. Toch lijkt er wel iets veranderd te zijn. Wat heet! Immers, niet “deze roos” is de primaire substantie, zoals bij Aristoteles, maar de eigenschap “is rood”, de functie is het primaire object geworden. De moderne logici hebben met hun predikatenlogica de metafysica van Aristoteles op zijn kop gezet!

Waarom is volgens Russell het onderwerp dat hij behandelt zo belangrijk? Die vraag beantwoordt hij in de volgende passages.

“The subject of denoting is of very great importance, not only in logic and mathematics, but also in the theory of knowledge. For example, we know that the centre of mass of the Solar System at a definite instant is some definite point, and we can affirm a number of properties about it, but we have no immediate acquaintance with this point, which is only known to us by description. The distinction between acquaintance and knowing about is the distinction between the things we have presentations of and the things we only reach by means of denoting phrases.”(…)

“In perception we have acquaintance with the objects of perception, and in thought we have acquaintance with objects of a more abstract logical character; but we do not necessarily have acquaintance with the objects denoted by phrases composed of words with whose meaning we are acquainted.”   (On Denoting, p.479)

Het is lastig om een vertaling te vinden voor de Engelse termen “to have acquaintance with” en “to know about”. Maar het is duidelijk dat de eerste hetzij kennis is die in de zintuigelijke waarneming haar directe oorsprong vindt hetzij kennis is van abstracte, dat is mijns inziens wiskundige, objecten, die alleen in ons denken bestaan (zuivere gedachtedingen). Van veel zaken hebben we alleen kennis via beschrijvingen ervan. We zijn er niet bekend mee. BNers zijn bekende mensen, in die zin dat het publiek veel van hun weet via de media. Maar dat wil niet zeggen dat ze veel mensen kennen. 

Mij doet Russell’s tekst onmiddellijk denken aan de agent van het waterleidingbedrijf en zijn computersysteem. De agent heeft allerlei informatie over de heer Russell, maar hij kent hem niet. Totdat Russell opmerkt “Ik ben niet dood.” We zien de agent over zijn brilletje heen kijken wanneer deze opmerkt: “Dat zie ik”. Hij neemt Russell waar. We hebben de neiging deze vorm van kennen te onderscheiden van het ontvangen van informatie. Stel u zich voor dat u uw geliefde vraagt: “Hou je nog een beetje van me?” en hij antwoordt: “Ik zal even informeren.”.

Kun je bekend met iemand zijn terwijl die jou niet kent? Of houdt iemand kennen noodzakelijk in dat deze jou ook kent? Zonder deze wederkerigheid is er sprake van weten van, of informatie hebben over iemand. In een echte intersubjectieve kennisrelatie is er wederkerigheid. Je ziet de ander die jou ziet zien. Het gekende is actief betrokken bij het gekend worden. Kenner en gekende zijn als het ware een in het kennen. Dit is echter een ideaalbeeld van kennen dat we vermoedelijk nooit echt kunnen realiseren. (Misschien is kennis van wiskundige objecten wel de enige vorm van kennis die aan dit ideaalbeeld voldoet. Maar dat zijn dan ook geen lichamelijke van ons onderscheiden objecten.)  Kunnen we ons informeren over wat er in de wereld gebeurd zonder dat de wereld ziet wat wij doen? Willen we meedoen aan het gebeuren, zonder dat we onze identiteit prijs geven aan het gebeuren? Willen we kijken maar niet bekeken worden? Voor het systeem zijn we x waarvoor een aantal proposities gelden: naam, adres, persoonsnummer. Maar het systeem kent u niet. Ze heeft alleen heel veel informatie over u. Toch kloppen we wel aan bij het loket van het systeem als we menen recht te hebben op een uitkering. Dan zul je je toch kenbaar moeten maken. En wie beroemd wil worden moet met de billen bloot.

Meester en knecht

Ik ben dienstweigeraar en ik moest “vervangende dienst” doen. Ik werd daarvoor geplaatst op het Arbeidsbureau te Enschede. Dat is wat nu het UWV heet: de instantie die beslist over uitkeringen. Ik werkte op de administratie-afdeling. Mijn werk bestond uit het bijwerken van de persoonsdossiers, de stamkaarten, die in grote metalen kasten in hangmappen waren opgeborgen. De nieuwe informatie kwam op speciale formulieren van beneden. Deze waren daar ingevuld door de lokettisten die klanten te woord stonden. Was er een nieuwe klant dan moest er een nieuw dossier worden aangemaakt. Na het bijwerken van de dossiers werden deze weer opgeborgen in de mappen. Ik denk dat ik er zo’n drie weken werkte toen ik me moest melden bij de directeur, de heer H. Deze deelde mij mee dat er klachten waren over mijn werkwijze. Was was het geval?

Op de formulieren die ik moest verwerken kwamen opmerkingen voor als  “vrouw met getatoeerde armen”, “man staat constant kouwend voor je”, “Turk; maakt niet de indruk echt werk te zoeken.”. Ik had tegenover mijn collega’s  – ambtenaren die er al wat langer zaten – te kennen gegeven dat ik dit type opmerkingen niet overnam op de stamkaarten. Ik moest dat volgens de instructies toch echt wel doen. Maar ik nam alleen die informatie in de dossiers op die ik van belang vond. 

De directeur H (ik kort zijn naam om privacy-redenen af tot H): Waarom doet u niet wat u wordt opgedragen? Ik: Die opmerkingen zijn persoonlijke indrukken van een loketbeambte die niet van belang zijn; ze kunnen verkeerd geinterpreteerd worden en doen geen recht aan de klant. H: Ze zijn van belang: we willen weten wat voor vlees we in de kuip hebben voor we een uitkering geven. Ik: U kent de mensen niet, u hebt alleen dossierkennis; de mens laat zich zo niet kennen; het dossier probeert vast te leggen wat veranderlijk is; de klant is morgen anders; naar de kapper geweest in een goeie bui. H: Wij nemen geen beslissing voor een dag; zodra iemand zich meldt bij ons loket voor een uitkering doet hij een beroep op het systeem en is daarmee onderworpen aan het systeem. Ik: maar het is niet nodig op te nemen in het dossier welke indruk iemand maakt op een lokettist. H: U gaat daar niet over; u moet uw taak uitvoeren. Ik: Ik doe wat mij goed dunkt. H: Ik ben hier de meester; u bent hier de knecht. Hier scheiden onze wegen; ik neem contact op met de dienst. 

Ik kon vertrekken en moest mij melden in Den Haag. “Neem uw toilet-artikelen en schone kleding mee.” stond op de uitnodiging.  Ik wist wat mij te wachten stond. Ik ging niet.        

De blinde schaakcomputer

Is “de blinde schaakcomputer” zoiets als “een vierkante cirkel” en verwijst het naar een niet bestaand ding? Of bestaat het wel? Wanneer we zeggen dat iemand blind is dan bedoelen dat hij een vermogen dat hij als mens, van nature heeft, mist. Zoals de dove niet-horend is, is de blinde mens niet-ziende. Hij mist een zintuig waarmee hij de wereld kan waarnemen op basis waarvan hij een voorstelling kan maken, die verwijst naar datgene buiten hem dat hij waarneemt. Dat “buiten” is onlosmakelijk verbonden met onze lichamelijke wijze van bestaan. Blind zijn behoort dus tot het gebied van de levende wezens; niet tot de niet-levende dingen. Wil de term blind dus slaan op computer dan moeten we die als een levend ding beschouwen en wel als iets dat van nature in staat is om te zien. De idee van de blinde computer vraagt dus om het onderscheid tussen een ziende en een niet-ziende computer. Dat is op het eerste gezicht eenvoudig te realiseren met sensoren. De ziende schaakcomputer heeft sensoren die gericht zijn op het fysieke schaakbord, zodat deze computer op ieder moment de stand op het bord waar kan nemen. De blinde computer heeft deze visuele sensoren niet. Deze heeft zoals eerder gezegd alleen een intern beeld van het schaakbord met daarop de stukken. Dat is allemaal opgeslagen in het interne geheugen van de computer. Maar wat is het verschil tussen deze twee? Wat voegen het bord in de buitenwereld van de computer en de sensoren waarmee deze het bord kan waarnemen toe aan het vermogen van de schaakcomputer? In aanmerking genomen dat de computer over voldoende geheugen beschikt en geen fouten maakt, helemaal niets. Ik neem aan dat dit duidelijk is.

Kunnen we een blinde computer maken die een blind schakende mens simuleert? Dat zou in principe wel kunnen. We moeten dan de werking van het geheugen simuleren. Maar dat is een heel ander project.

Waar het hier om gaat is het inzicht dat computers wel kennis hebben van de werkelijkheid via beschrijvingen en beelden die ze binnen krijgen, maar niet bekend zijn met de dingen en de mensen in die werkelijkheid. Russell’s onderscheid is dus inderdaad van groot belang voor ons inzicht in de werking van computers en systemen.

Eerder merkte ik op dat computer die schaken hun zetten moeten berekenen omdat computers rekenmachines zijn die alleen maar kunnen rekenen. Men zegt wel dat computer steeds meer taken van de mens kunnen overnemen en beslissingen kunnen nemen, maar dat is allemaal door berekeningen te doen. Maar is rekenen niet iets dat eigenlijk alleen mensen kunnen? En moet je dan ook niet zeggen dat rekenmachines eigenlijk ook niet kunnen rekenen? Om die vraag te beantwoorden moeten we hem omdraaien: kunnen mensen rekenen zonder machine? Het antwoord is ontkennend: zonder machine kan de mens niet rekenen. Omdat rekenen een machinaal proces is. Maar zou u tegen kunnen werpen, een machinaal proces is toch een fysisch proces. Dat klopt. Maar doet er niet toe. Het is volstrekt irrelevant voor het rekenen hoe we dit representeren. Net zomin als er een interne relatie bestaat tussen het woord “boom”en het object boom. Als we maar konsekwent zijn en eenzinnige tekens en processen gebruiken als representatie. Wij mensen kunnen niet rekenen zonder een systeem van tekens en eenduidige regels voor het manipuleren ervan, omdat dat uitmaakt wat rekenen in wezen is.

Conclusie (soort van)

Het moderne privacy-probleem is direct verbinden met het probleem van identiteit.

Het privacy-probleem is een probleem van de techniek. Daarom is het geen technisch probleem: het is geen probleem dat zich door middel van techniek laat oplossen.

Het is een van die problemen die door een bepaalde manier van denken, logica en metafysica (wereldbeeld), ontstaan en die zich niet door denken binnen deze logica laat oplossen.

In die zin is het geen probleem maar een paradox.

Om tot inzicht te komen in de huidige problemen rond identiteit en privacy is het nuttig om terug te keren naar de bronnen van onze hedendaagse logica. De wijze waarop Frege, Russell en vooral ook Wittgenstein met problemen van taal en werkelijkheid worstelden is bijzonder leerzaam en draagt op fundamentele wijze bij aan het inzicht in de problematiek van de moderne naar autonomie en automatie strevende mens.

Aristoteles’ idee dat de substantie, de unieke persoon, onkenbaar is, is zo gek nog niet. De moderne wetenschappen met hun statistieken geven wel veel informatie (Russell’s beschrijvingen) maar kennen de mens als individu niet. Reichenbach’s probleem van de referentieklasse werkt door in de praktische problemen die we tegenkomen bij de toepassing van statistieken, big data en machine learning, zoals bijvoorbeeld bij predictive policing.

Wanneer Aristoteles het over de onkenbare individuele substantie had doelde hij op de eerste klas burgers, zoals Socrates. Niet op het gewone volk, de knechten en slaven. In een modern democratie is iedereen zowel meester als knecht, zowel autonoom als een radertje in de machinerie van het systeem. Dat is mooi, maar soms lastig te accepteren.

Good goan!

Opdracht

Ik draag dit essay op aan mijn stadgenoot de CDA-politicus en Tweede-Kamer-lid Pieter Omtzigt omdat hij als een hedendaagse Socrates door door te vragen zich verzet tegen De Systemen om op te komen voor het individu wanneer deze door deze systemen worden gekrenkt.

Bronnen en referenties

Frege, Gottlob, 1892, ‘Über Sinn und Bedeutung’, Zeitschrift für Philosophie
und philosophische Kritik 100, pp. 25-50.

Russell, Bertrand. (1905) ‘On Denoting’, Mind n.s. 14, pp. 479-93, repr. in Russell, B. (1994), Collected Papers 4, pp. 415-27.

Boukema, Harm, “Russell en Wittgenstein: Vriendschap in onenigheid”, op zijn persoonlijke pagina harmboukema.nl

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply