Ludwig’s privacy

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over Ludwig en dat waarover niet gesproken kan worden.

Ludwig

Ik ken Ludwig niet. Net zoals de Belastingdienst of de UWV mij niet kent.

Wat ik van hem weet dat staat geschreven in documenten op het internet of in boeken die in mijn kast of die hier op de tafel naast mij liggen. Zo ben ik bekend bij het UWV of bij de Belastingdienst.

Ludwig is geboren op 26 April 1889 te Wenen, zoon van Karel en Leopoldine. Ludwig overleed op 29 April 1951 te Cambridge, Engeland, aan kanker, net als zijn vader. Een half jaar later werd ik geboren.

Je kunt alleen mensen kennen met wie je in dezelfde tijd leeft. Mijn opa van vaders kant, Hendrikus Wilhelmus Johannes, leefde van 1885 tot 1927. Mijn vader werd geboren in 1914. Maar voorzover bekend hebben ze Ludwig niet gekend. Misschien uit de krant. Ik kan het ze niet vragen. Ze leefden in een andere tijd; communicatie is niet mogelijk.

Hier staat dat Ludwig in 1914 naar de Linzer Realschule ging, “toevallig op hetzelfde tijdstip dat Adolf Hitler die instelling verliet.” Hier staat dat Hitler een klas lager zat. Dat sluit elkaar niet uit. En hier staat: “Als hij gelijktijdig met Hitler, die een klas lager zit, de Realschule in Linz doorloopt, leest Ludwig, zoals zoveel andere pubers uit die tijd, Spinoza en Schopenhauer.” Hier klopt iets niet. Het is een onbelangrijk detail. Waar het om gaat is dat we het moeten doen met wat er over iemand geschreven staat (of gezegd wordt) wanneer we het hem niet zelf kunnen vragen; niet met haar in gesprek kunnen gaan.

Zonder vertrouwen valt niet te leven.

We kunnen een beroep doen op de Logica: is deze informatie consistent? En als de Logica het niet weerspreekt dan rest ons alleen nog: het geloof of ongeloof.

Wat ik geloof is dat het waar is dat wat hier geschreven staat over Ludwig. Dat hij in Linz Heinrich Hertz’ Die Prinzipien der Mechanik las en daarvan onder de indruk was. Dat hij later in Wenen Ludwig Boltzmann’s Populäre Schriften las en zo bekend werd met de statistische mechanica.

“Wir machen uns innere Scheinbilder oder Symbole …”
(Uit: Die Prinzipien der Mechanik, Heinrich Hertz, 1894)

.

Na zijn afstuderen in Wenen, in 1906 studeerde Ludwig Machinenbau in Berlijn. Dat beviel hem niet en hij vertrok in 1908 op advies van zijn vader naar Manchester waar hij vliegtuigbouw studeerde. Hij was echter meer geinteresseerd in de wiskunde. Hij las in een leesclubje Bertrand Russell’s The Principles of Mathematics (1903).

De arme Bertrand had vlak voor de eeuwwisseling in zijn wiskundig bouwwerk gebaseerd op Cantor’s verzamelingenleer een logische fout ontdekt. Later bekend als de Russell Paradox. Hoe kun je nu ook zo dom zijn een begrip op zichzelf toe te passen! Maar als het verstand dat nu niet uitsluit! Wat is er mis met de definitie van heterologisch? (Een woord is heterologisch als het niet autologisch is. Een woord is autologisch als het voldoet aan zijn eigen betekenis, zoals “kort”, “Nederlands”, “vijf-let-ter-gre-pig”.)

In een appendix bespreekt Russell ook Frege’s werk, het begin van de mathematische predikatenlogica. Frege wees op het onderscheid tussen Sinn en Bedeutung van een expressie. Een expressie drukt haar Sinn uit en refereert naar de Bedeutung. Zo kun je zeggen dat twee woorden, zoals de Morgenster en de Avondster een verschillende Sinn hebben maar dezelfde ster beduiden. Zo’n onderscheid heb je in de wiskunde, die per slot de wetenschap van het =-teken is, wel nodig. Frege formuleerde het begrip als functie in zijn Begriffschrift en stelde vast dat de betekenis van de zin haar waarheidswaarde is.

Ludwig was zeer onder de indruk van het werk van de wiskundige en logicus Gottlob Frege. “Eindelijk een filosoof die naar duidelijkheid streeft!” Eindelijk een filosoof die genoeg stijl heeft om te kunnen beantwoorden aan de eisen die Boltzmann aan de filosofen gesteld had!”

Toen Ludwig Frege benaderde met de vraag of hij bij hem kon komen studeren zei deze dat hij te oud was. Op advies van Frege klopte Ludwig aan bij Russell in Cambridge. Het zou het begin worden van een levenslange vriendschap. Hoewel de eerste indruk van Russell niet echt positief was. Twee weken na de eerste kennismaking met “deze Duitser die weigert Duits te spreken”, schrijft Russell in een brief aan zijn geliefde, lady Ottoline Morrell.

“My German engineer, I think, is a fool. He thinks nothing empirical is knowable- I
asked him to admit that there was not a rhinoceros in the room, but he wouldn’t.”

De koning van Frankrijk

In 1905 publiceerde Russell “On Denoting”, een artikel van 14 pagina’s. Het gaat over “denoting phrases” zoals “een man”, “de koning van Frankrijk”, “het meisje”. Wat betekenen dergelijke taal-elementen eigenlijk? Wat betekent “de huidige koning van Frankrijk” als die niet bestaat? Russell vindt Frege’s oplossing (het heeft een welbepaalde Sinn maar de Bedeutung is een object zonder eigenschappen) weliswaar niet onlogisch, maar ook niet bevredigend. Russell ziet een zin als “De koning van Frankrijk heeft een baard.” als een aankleding van de logische formule “Er is een x waarvoor geldt: x is koning van Frankrijk en x heeft een baard“. Dat lost het probleem op: de zin is onwaar want er is niet zo’n x.”.

Waarom is volgens Russell het onderwerp dat hij behandelt zo belangrijk? Die vraag beantwoordt hij in de volgende passages.

“The subject of denoting is of very great importance, not only in logic and mathematics, but also in the theory of knowledge. For example, we know that the centre of mass of the Solar System at a definite instant is some definite point, and we can affirm a number of properties about it, but we have no immediate acquaintance with this point, which is only known to us by description. The distinction between acquaintance and knowing about is the distinction between the things we have presentations of and the things we only reach by means of denoting phrases.”(…)

“In perception we have acquaintance with the objects of perception, and in thought we have acquaintance with objects of a more abstract logical character; but we do not necessarily have acquaintance with the objects denoted by phrases composed of words with whose meaning we are acquainted.”   (On Denoting, p.479)

De UWV kent mij niet. Maar ze hebben wel beschrijvingen van mij. In de computer van de UWV staat dat ik 2 jaar in dienst ben geweest van het Ministerie van Defensie. Dat is onjuist. Ik was in dienst van Sociale Zaken. Als dienstweigeraar. Ik stuur een brief aan UWV dat hun informatie niet juist is. Ze zeggen we hebben deze informatie gekregen/overgenomen van het Ministerie. Die heb ik een e-mail gestuurd en gebeld. Een agent beloofde het na te gaan. Tot nu toe niets meer van gehoord. Mensen die in dezelfde tijd leven kunnen in principe met elkaar communiceren. Zo lang we leven hebben we nog de mogelijkheid invloed uit te oefenen op wat er over ons in de archieven geschreven staat.

Oorlog

In 1914 breekt de Grote Oorlog uit. Ludwig zit dan in Noorwegen waar hij rust zoekt om aan zijn Logisch-Philosophische Abhandlung te werken. Hij vertrekt naar Oostenrijk; er moet gevochten worden. “Hoewel hij wegens een tweezijdige liesbreuk van militaire dienst is vrijgesteld, sluit hij zich 7 augustus vrijwillig bij het Oostenrijkse leger aan. In eerste instantie wordt hij aan het Oostfront ingeschakeld, waar hij zich bijzonder moedig gedraagt.” (Boukema).

In 1918, tijdens zijn laatste verlof beeindigt hij het schrijven eraan. Terug aan het Zuid-front wordt zijn regiment gevangen genomen door het Italiaanse leger. Zijn manuscript komt met hulp van het Rode Kruis bij Frege en Russell terecht. Wanneer hij uit krijgsgevangenschap vrij komt spreekt hij met Russell in Den Haag af om de inhoud te bespreken. In 1919 schoolt Ludwig zich om. Hij wordt onderwijzer op een school in de bergen van Oostenrijk. In 1921 verschijnt, na hulp van Frege bij het zoeken van een uitgever, de eerste druk.

Kunnen mensen elkaar verstaan?

Hoe kunnen kunnen mensen elkaar verstaan? Kunnen mensen elkaar verstaan?

Ludwig schrijft in een Vorwort (Wenen, 1918):

Dieses Buch wird vielleicht nur der verstehen der die Gedanken die darin ausgedruckt sind – oder doch ähnliche Gedanken – schon selbst einmal gedacht hat.”

Het is dus geen leerboek, zegt hij. Ik begin dus maar achter in; in de hoop dat daar de ontknoping staat. En jawel, daar staat het:

7. Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.

Jan Hollak noemde dit in zijn afscheidscollege in Nijmegen (21-02-1986) “precies de onzinnigste uitspraak” van de hele Tractatus. Want, zo zegt hij, als je ergens niet over kan spreken dan kun je er ook niet over zwijgen.

De uitspraak lijkt een tautologie. En als zodanig logisch equivalent met p \/ ~p . Die zijn “bedingungslos wahr” (4.461). Toch zegt het wel iets meer dan dat.

Waar je niet over spreken kan”, Waar refereert deze “denoting phrase” naar? Als het geen Bedeutung heeft dan kun je er inderdaad net zo goed van zeggen dat je er niet over kunt zwijgen als dat je er niet over kunt spreken. Zulke zaken bevinden zich aan gene zijde van wat zich laat uitdrukken in taal. En aangezien voor Ludwig alleen dat bestaat wat in taal kan worden afgebeeld, geschreven of gezegd, kunnen we er alles over zeggen zonder de waarheid geweld aan te doen. En dus ook dat je er niets over kunt zeggen.

Wat Ludwig probeert in zijn Tractatus vast te leggen is wat je met taal kunt beschrijven om als het ware van binnenuit vast te leggen welke de grenzen zijn van wat je nog kunt beschrijven. Wat daarbuiten ligt is waar het in het leven om gaat. Dat houden we voor ons zelf. Dat is Ludwig’s privacy. Dat is wat zijn vriend Bertrand de acquaintance noemde (zaken die we zelf in de wiskunde bedacht hebben of die we direct op zintuigelijke wijze waarnemen) in onderscheid van de dingen die we alleen door middel van beschrijvingen (indirect via de taal) kennen waar we slechts informatie over hebben.

Van Heinrich Hertz en van Ludwig Boltzmann leerde Ludwig dat het Beeld van de werkelijkheid wiskundige formules zijn waarvan het verband wordt vastgelegd in wiskundige modellen.

“We maken voor onszelf inwendige beelden of symbolen van de uitwendige voorwerpen en wel maken we ze zodanig dat de denknoodzakelijke gevolgen van de beelden steeds weer de beelden van de natuurnoodzakelijke gevolgen der afgebeelde voorwerpen zijn.” (Vertaling Louk Fleischhacker (1974))

Dit principe van Hertz wordt uitgebuit in de denkende machines, nadat de electrotechnische ingeneurs de logica van de waarheidswaarden in de vorm van logische schakelingen hebben gematerialiseerd. Een grote stap in de ontwikkeling van de automatie!

De idee van de Tractatus is dat we buiten de afbeelding in taal, waarvan de betekenis bestaat in logische formules, niets over de werkelijkheid kunnen zeggen. Ook niet over de afbeelding zelf, de relatie tussen het beeld en de werkelijkheid van de mechanica.

4.1 Die Satz stellt das Bestehen und Nichtbestehen der Sachverhalte dar.

4.11 Die Gesamtheit der wahren Sätze is die gesamte Natuurwissenschaft.

Shannon en Weaver: communicatie en informatie

Op 12 december van het jaar 1901 verzond de Italiaanse uitvinder en ondernemer Marconi de eerste morse-signalen vanuit Cornwall over de Atlantische oceaan, waar ze een fractie van een seconde later in New Foundland werden ontvangen. Over de Atlantische Oceaan, over een afstand van zo’n 3200 kilometer. Het eerste draadloze intercontinentale communicatiekanaal met radiogolven was geboren.

Een halve eeuw, waarin onder meer het Marconi-schandaal en twee wereldoorlogen, verstreek voordat in 1949 Shannon en Weaver hun The Mathematical Theory of Communication publiceren. Het is een top tien publicatie van de afgelopen eeuw dat gaat over het sleutelbegrip van de nieuwe tijd: informatie. De vraag die Shannon en Weaver aan de orde stellen betreft de capaciteit van het communicatiekanaal. Anders gezegd: hoe kunnen we de boodschappen die verzonden worden het beste coderen om zoveel mogelijk gebruik te maken van de beschikbare hoeveelheid toestanden van het systeem. Een economisch probleem. Het was de ingenieurs al lang duidelijk dat onze natuurlijke taal een veel te inefficient middel is voor het transporteren van informatie.

Informatie contra betekenis

Een paar citaten uit het door Weaver geschreven eerste inleidende hoofdstuk “Some recent contributions“.

“The word communication will be used here in a very broad sense to include all of the procedures by which one mind may affect another.”

“The language of this memorandum will often appear to refer to the special, but still very broad and important, field of the communication of speech…”

Het gaat dus in het bijzonder om de processen waarin door middel van spraak een geest (Eng. mind) een andere geest beinvloedt.

Vervolgens worden drie niveaus van communicatie elk met hun eigen probleem onderscheiden: 1) het technische: hoe accuraat kunnen symbolen worden overgestuurd vanuit een bron via een kanaal naar een zender? 2) het semantische: hoe precies brengen de ontvangen symbolen de bedoelde betekenis over? en 3) het economische: hoe effectief beinvloedt de ontvangen betekenis het gedrag van de ontvanger?

Bij de telegraaf betreft het technische probleem de accurate codering van de mogelijke boodschappen die een zender kan versturen door een communicatiekanaal. Taal is alles wat gezegd kan worden. Hoe meer er gezegd kan worden des te meer bits zijn gemiddeld nodig om berichten over te sturen. Bestaat de taal alleen uit de woorden “Ja” en “Nee” dan is 1 bit voldoende. Verder is het nuttig om veel gebruikte letters, woorden en boodschappen een kortere code te geven dan de minder vaak voorkomende. Coderingstheorie is toegepaste kansrekening.

Het woord “informatie“, zegt Weaver, heeft in deze theorie niet de alledaagse betekenis. Je moet het niet verwarren met betekenis. Het betekenis aspect is volstrekt niet van belang voor het technische aspect waar de ingenieur naar kijkt.

De hoeveelheid informatie wordt niet bepaald door wat je zegt, maar door wat je had kunnen zeggen. (“To be sure, this word information in communication theory relates not so much to what you do say, as to what you could say.”) . Informatie is de maat voor de keuzevrijheid die de zender heeft bij het selecteren van zijn bericht. De hoeveelheid informatie wordt bepaald door de hoeveelheid aan mogelijkheden die de zender had toen hij zijn keuze maakte. Laat een zender zich bij het beantwoorden van een ja/nee-vraag volledig bepalen door de vraag die gesteld wordt: “Wilt u koffie of thee?“, dan heeft deze een keuze uit twee mogelijkheden. Zijn antwoord bevat dan 1 bit informatie.

Het technische probleem is hoe rekening houdend met de kansverdeling over de ruimte van alle mogelijke uitdrukkingen in de taal van zender en ontvanger deze het beste gecodeerd kunnen worden. Het beste is het meeste efficiente. Ook Hertz en Boltzmann vonden een halve eeuw eerder al dat het beste wiskundige model voor de mechanische systemen gekozen zou moeten worden op grond van een economisch criterium. Het beste model heeft een minimale entropie. Het beste model maakt optimaal gebruik van de kennis over de relaties die er bestaan tussen de micro-toestanden die de natuur aanneemt.

Het semantische probleem betreft hoe de ontvanger het ontvangen bericht begrijpt of interpreteert in relatie tot de bedoelde betekenis van de zender. Kortom snapt de luisteraar aan de ene kant de spreker aan de andere kant van het kanaal wel? Om aan te geven hoe lastig dit probleem is geeft Weaver een beschrijving van wat later het probleem van common knowledge (David Lewis, Convention, 1969), of shared knowledge (Stephen Schiffer, Meaning, 1972) genoemd zou worden. Weaver stelt het volgende vast:

Als de heer X denkt dat hij niet begrijpt wat de heer Y zegt, dan is het theoretisch niet mogelijk dat Y door maar door te gaan met het gesprek met X volledig opheldering te geven zodat X het wel begrijpt in eindige tijd. Immers, als Y vraagt: “begrijp je nu wat ik bedoel?” en X zegt daarop: “Zeker snap ik het.” dan biedt dit geen enkele garantie dat ze tot gedeelde kennis zijn gekomen.

Met andere woorden het is niet mogelijk kennis te delen. Common knowledge kan niet tot stand gebracht worden in de eindige tijd die de sprekers tot hun beschikking hebben.

Dit fundamentele communicatieprobleem (“basic difficulty”) kan, zo stelt Weaver, voor zover het om gesproken interactie gaat, tot een tolereerbaar probleem worden teruggebracht (maar nooit volledig worden geelimineerd) door “explanations” die a) niet meer dan benaderingen zijn van de ideeen die verklaard worden, en die b) begrijpelijk zijn omdat ze uitgedrukt worden in een taal die van te voren al duidelijk is gemaakt “by operational means”. Bij voorbeeld, zegt Weaver, kost het niet veel tijd om de symbolen voor “ja”en “nee” in welke taal dan ook begrijpelijk te maken.

De psycholinguisten Herbert Clark en Catherine Marshall (1981) noemen Weaver’s “basic difficulty” de Mutual Knowledge Paradox. Stel Anna vraagt Bob: “Wat vond je van de film?” refererend naar Monkeys Business (MB) die ze net gezien hebben. Anna en Bob moeten niet alleen beide naar MB refereren, Anne moet weten dat Bob dit weet, Bob moet weten dat Anna weet dat Bob weet dat … en zo voort. Ad infinitum. Dit vereist een oneindig groot geheugen. Niet te doen.

De moderne vorm van het probleem is in termen van software agenten die met elkaar moeten onderhandelen om tot een overeenstemming te komen. We zien dan ook herformuleringen van de paradox in de formele kennis-logica (zie Fagin et al. 1996). Hoe kunnen we bewijzen dat een groep met elkaar communicerende agenten elkaar begrijpt? Het antwoord is simpel: dat kunnen we niet. Conclusie: als we van buiten af niet kunnen controleren wat software agenten aan kennis delen en of ze het elkaar eens zijn, dan zijn er twee opties: a) we vertrouwen er op dat deze agenten zelf uitmaken welke kennis ze delen en welke niet, of b) we vertrouwen de zaak niet en trekken de stekker eruit.

Wat iedere onbenul weet

Common knowledge is wat iedere onbenul weet (“what any fool knows”) zei de wiskundige en computer wetenschapper John McCarthy (1927-2011), een van de grondleggers van de Kunstmatige Intelligentie (AI) en ontwerper van de programmeertaal LISP. Iedere gek weet wat ieder lid van een bepaalde gemeenschap weet.

Anna vraagt Bob: “Have you ever seen the movie showing at the Roxy tonight”?

Hoe kunnen Anna en Bob tot de conclusie komen dat ze elkaar begrijpen? Dat ze inzien dat ze naar dezelfde werkelijkheid refereren met de frase “the movie showing at the Roxy tonight“? De kwestie is vele malen aan de orde geweest. Weaver noemt het een serieus probleem in Shannon en Weaver’s klassieker The Mathematical Theory of Communication. Hij verwacht niet dat Anne en Bob er uit komen wanneer de kwestie eenmaal aan de orde is gesteld. Niet in eindige tijd, niet binnen dit gesprek. Maar, zegt hij, misschien kunnen ze gebruik maken van gemeenschappelijke kennis die ze buiten het gesprek om hebben opgedaan. Zo moet het mogelijk zijn het eens te worden over de betekenis van “Ja” en “Nee”.

De Mutual Knowledge Paradox is een probleem dat voortkomt uit de wijze waarop over communicatie en taal gedacht wordt. Die wijze van denken is reflecterend en technologisch: er wordt vanuit de techniek naar de werkelijkheid gekeken. De paradox is typisch een probleem van de techniek dat zich niet door technische middelen laat oplossen. Dit soort paradoxen kunnen alleen worden opgelost door ze weg te gooien als een oude ladder. Maar wel nadat je deze gebruikt hebt om er zicht op te krijgen. Wat zien we wanneer we die ladder opgeklommen hebben en afgedaald zijn in de recente geschiedenis van de informatie-theorie?

Herbert Clark en Catherine Marshall spreken van de Mutual Knowledge Paradox. Zij zoeken de oplossing voor het probleem van de oneindigheid in physical co-presence en linguistic co-presence. De eerste vorm refereert naar de onmiddellijke aanwezigheid van Anna en Bob in een fysieke omgeving die het mogelijk maakt objecten aan te wijzen. Lichamelijkheid is wezenlijk voor het delen van gedachten. Marconi’s draadloze telegraaf, het gebruik van Morse-code is een afgeleide van de gebarentaal waarmee boodschappen over werden geseind.

Waarom zou de luisteraar meteen moeten weten waar de spreker naar refereert? Hij kan toch de namen nemen voor wat ze zijn. Zoals Russell opmerkt in On Denoting: we kennen veel dingen slechts via de beschrijving. Zolang het er niet op aan komt een concreet uniek object aan te wijzen dat aan de gegeven beschrijvingen voldoet, zolang is het voldoende dat de beschrijvingen logisch consistent zijn. Het is alsof je een stel wiskundige vergelijkingen krijgt die je op een gegeven moment een unieke oplossing hebben. Dat is het beeld dat opgeroepen wordt.

Bovendien, en dat is de derde vorm van Clark en Marshall’s co-presence: een gesprek is geen geisoleerde aktiviteit die zich in een vacuum afspeelt. De gesprekspartners zijn lid van een leefgemeenschap. Ze delen een taal. Common knowledge komt niet tot stand door boodschappen heen en weer te sturen tussen verder geisoleerde systemen. Dit is waar Weaver ook naar refereerde.

Een kwestie van vertrouwen

Common knowledge is een paradox, zoals de Russell paradox; een formele constructie die niet verwijst naar iets dat echt bestaat. Het is een verzinsel van een geest die zich al reflecterend van het gesprek heeft afgezonderd en van buiten af zich afvraagt hoe het mogelijk is dat gesprekspartners elkaar verstaan. De echte vraag is niet hoe het mogelijk is dat ze elkaar verstaan; de echte vraag is òf ze elkaar verstaan. En dat is precies de vraag waarop de gesprekspartners door het gesprek te vervolgen een antwoord proberen te vinden. Simpelweg door te doen. Common knowledge bestaat alleen als intentioneel object. Niet als iets dat al bestaat maar waaraan gewerkt wordt. In die zin ligt het buiten ieder gesprek. Het is een aanname die gesprekspartners in vertrouwen maken: dat we daarnaar streven: kennis delen.

Harvey Sacks, grondlegger van de Conversatieanalyse, heeft dit goed begrepen. Volgens zijn ethnomethodologie moet de gespreksanalist zich strikt beperken tot de bijdragen van de deelnemers aan het gesprek: het is in eerste instantie en uitsluitend de reaktie van de luisteraar op de spreker die leidend is voor de betekenis van wat er gezegd wordt. De bewering dat Anna Bob niet verstaat of verkeerd begrijpt kan alleen op grond van wat er gezegd wordt gestaafd worden. Welke kennis gedeeld wordt is niet iets wat een buitenstaander aan gaat. Dat is strikt prive. Het behoort tot de kennis van de gesprekspartners, niet tot de buitenstaander. Sören Kierkegaard was een van de eersten die wees op de bedenkelijke rol die de media in onze tijd zouden gaan spelen.

Shannon en Weaver en in hun kielzog Clark en Marshall nemen het technische standpunt in van de ingenieur die van buiten af naar het taalgebruik kijkt zonder zich op dat moment te realiseren dat hij als niet deelnemend aan het gesprek niet meer de taal spreekt die hij zou spreken wanneer hij in gesprek is met de mensen waarover hij het heeft.

Twijfel en vertrouwen

De twijfel en scepsis die voortkomt uit de onoverbrugbare afstand die het verstand in haar reflexieve houding tussen geest en werkelijkheid creeert kan alleen te niet gedaan worden door een fundamenteel en uiteindelijk niet te verantwoorden vertrouwen. Maar waarin ?

Descartes had God om de band te herstellen tussen zijn ideeen en de werkelijkheid, voor Hume was er de Natuurlijke Harmonie die garant stond voor de validiteit van zijn ideeen omtrent de oorzaken van de verschijnselen. En wij? Wat hebben wij nu God dood is, we ons ver verwijderd hebben van de Natuur en ons de maat laten nemen door de door ons zelf bedachte automaten?

Resteert er voor de moderne mens dan niets anders dan de paradoxen van het verstand dat op mathematische zekerheden uit is? De paradoxen die het verstand doen stil staan en die verwijzen naar dat waarover wij niet kunnen spreken.

Bronnen

Clark, Herbert en Marshall Catherine (1981) Definite Reference and Mutual Knowledge, In: H.H. Clark, Arenas of Language Use, The University of Chicago Press, 1992.

Fagin, Ronald; Halpern, Joseph; Moses, Yoram; Vardi, Moshe (1996), Reasoning about knowledge, MIT Press, Cambridge, Mass., 1996

Fleischhacker, Louk (1974). Inleiding Logica (I en II). Collegediktaat, Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen.

Frege, Gottlob, 1892, ‘Über Sinn und Bedeutung’, Zeitschrift für Philosophie
und philosophische Kritik 100, pp. 25-50.

Hertz, Heinrich (1894). Die Prinzipien der Mechanik in neuen Zusammenhange dargestellt. Mit einen Vorworte von H. von Helmholtz.

Hollak, Jan (1986) Afscheidscollege; gehouden op 21 februari 1986. Transcriptie van band opgenomen in de bundel Denken als bestaan: het werk van Jan Hollak, Samenstelling en redaktie: Petra Hollak, Eindredaktie: Wim Platvoet, Uitgeverij DAMON, Budel, 2010.

Janik, Allan en Toulmin, Stephen (1984), Het Wenen van Wittgenstein. Boom Meppel.

Russell, Bertrand. (1905) ‘On Denoting’, Mind n.s. 14, pp. 479-93, repr. in Russell, B. (1994), Collected Papers 4, pp. 415-27.

Boukema, Harm, “Russell en Wittgenstein: Vriendschap in onenigheid”, op zijn persoonlijke pagina harmboukema.nl

Wittgenstein, Ludwig (1921). Logisch-philosophische Abhandlung (Tractatus logico-philosophicus)

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply