Het verkeerde been

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over Het Verkeerde Been.

Ik was linksbuiten; stijf links. Later toen ik wegens gebrek aan natuurijs in Twente binnen in ijshallen rondjes moest rijden – rondjes die altijd linksom gaan – werd ik tweebenig. Het linkerbeen had de functie van standbeen overgenomen. Bij een passeerbeweging uit stand komt het er op aan de tegenstander op het verkeerde been te zetten. Ik vond dat echt genieten, vooral wanneer je daarna de bal nog net voor de achterlijn kon voorzetten waarna de inlopende spits het leer snoeihard tegen de touwen kletst. We kenden de term toen nog niet, maar dat was echt kicken.

Je kunt ook met het verkeerde been uit bed stappen. Ik hou daar niet van.

U moet er maar eens opletten. Wanneer je mensen bij elkaar ziet staan in een gesprek verwikkeld en ze wisselen van gespreksonderwerp dan nemen ze ook vaak een andere houding aan. De spreker die van perspectief verandert wisselt van standbeen. Ze steunt dan op een andere voet. Een interessant fenomeen, dat door sociologen uit en te na bestudeerd is. Misschien zijn er wel proefschriften over geschreven. Boeiende materie.

Vroeger toen er nog theatervoorstellingen voor een publiek waren kon je zien dat de performer op het toneel een andere plek op het toneel in nam wanneer deze veranderde van onderwerp of perspectief. Mensen die college gaven en daarbij op een soort toneel stonden voor een zaal met publiek die deden dat ook.

Het is lastig om dit te doen als je via Zoom of Skype college moet geven. In de jaren 90 gaf ik vanuit het PTT kantoor in Hengelo college voor studenten in een zaaltje in Leeuwarden. De eerste experimenten van “The University of Twente” met het geven van college op afstand. Erg moeizaam. Wanneer een student daar hoestte of nieste zwenkte de camera naar hem toe zodat de student mij vol in het gezicht proestte. Dat is niet wat je wil. Nu niet, toen ook niet. Adressering (“audience design“, het signaleren tegen wie je spreekt) is ook lastig via zo’n kanaal. Bovendien, weet je nooit wie er allemaal meeluistert. En wanneer er ook nog vertraging in de lijn zit dan komen backchannel signalen niet op de juiste plek aan. Je denkt dan huh? Waar slaat dit op! Ook deixis, als “dit“, is vaak lastig als je de fysische ruimte niet deelt met de ander.

Ook de taal, de manier van spreken, verandert wanneer de spreker op een ander been gaat staan. De oorzaak voor zo’n verandering van standbeen en taalgebruik kan van buiten komen. Bij voorbeeld in de vorm van de buurvrouw waarover de dames het net hadden toen ze zich bij hen voegde. Dat kan een verandering van standbeen tot gevolg hebben. Het gespreksonderwerp verandert en soms ook de taal (“code shift“): bijvoorbeeld van plat Twents naar een ander dialect.

Footing

We liggen wegens het virus met zijn allen al een tijdje aan de monitor. Het virus heeft ons op het verkeerde been gezet. Of misschien moeten we ons wat neutraler uitdrukken: we zijn op een ander been gezet. Welk been? Wat is er veranderd? Hoe is de taal veranderd? Wie heeft er een andere positie ingenomen? In welk participatie-kader?

Het fenomeen dat ik bedoel staat in de sociologie bekend als footing en de socioloog verbonden aan dit fenomeen is de in Canada geboren Erving Goffman (1922-1982). Hij werd bekend van zijn bestseller “The Presentation of Self in Everyday Life” (1959). Goffman schreef kritisch over de behandeling van patienten in psychiatrische instellingen (“Asylum“). In Nederland kwam die kritiek een decennium later met Jan Foudraines “Wie is van hout?” (1971).

Goffmans latere werk is van grote waarde voor iedereen die geinteresseerd is in hoe mensen met mensen communiceren. Voor de communicatie-ingenieur, door Goffman treffend gekarakteriseerd als “someone optimistic about the possibility of culture-free formulations“, voor de linguist die de taal wil bestuderen in de context van de ontmoeting van mens tot mens (“talk-in-interaction“), de context waarin de taal thuis is, en voor degene die een al dan niet professionele interesse heeft in het thema intersubjectiviteit, zoals de BOA die hangjongeren belerend wil toespreken – de-escalatie hoe doe je dat – of de politieman die een verdachte moet interviewen. (Maar ik betwijfel of binnen een 1-jarige politie-opleiding naast Leary’s rose ook Goffman nog op adekwate wijze behandeld kan worden. )

Goffmans belangrijkste artikelen zijn verschenen in een paar bundels: Interaction Rituals: essays on face-to-face behavior (1967), Frame Analysis: An essay on the organization of experience (1974) en Forms of Talk (1981).

Sociale Interactie als systeem

Vanaf het midden van de vorige eeuw werd het systeemdenken steeds populairder: de wetenschap maakte van alles een systeem. Shannon en Weaver’s klassieker The Mathematical Theory of Communication waarin het communicatie-model gepresenteerd werd is van 1949. Wiener’s Cybernetics over “communication in the animal and the machine” is van 1948, en Ludwig von Bertalanffy’s Society for General System Research werd opgericht in 1956. Als een virus verspreidde het systeem-idee zich door de wetenschap, zich niets aantrekkend van de grenzen tussen de verschillende disciplines. Zelfs verpleegkundigen moesten in systemen denken.

UIt: The Mathematical Theory of Communication (1949)

In Replies and Responses stelt Goffman expliciet dat we een gesprek kunnen beschouwen als een communicatie-systeem.Hij somt op waaraan zo’n systeem moet voldoen. Er moeten akoestische signalen overgebracht kunnen worden die interpreteerbaar zijn. Het moet mogelijk zijn om backchannel of feedback signalen te geven, evenals contact-signalen, de mogelijkheid om te onderbreken, te stoppen, de beurt te wisselen (turn-taking), te selecteren aan wie een spreker zijn boodschap in het bijzonder richt (audience design, adressering). Er moeten mogelijkheden zijn voor framing, zodat de spreker aan kan geven hoe zijn bericht gelezen moet worden. Er moeten normatieve regels zijn die deelnemers verplichten eerlijk en volledig te zijn (Grice’s logica van de conversatie: als iemand met drie kinderen op de vraag of hij twee kinderen heeft met ja antwoord, dan houdt die zich er niet aan.). En er moeten regels zijn die vastleggen welke rechten de verschillende soorten participanten hebben; wat mogen luisteraars, aanwezige kijkers, journalisten, tolken wel en wat niet.

Als een gesprek een communicatie-systeem is dan zijn de deelnemers eraan ook systemen. In de introductie van de bundel Interaction Rituals stelt Goffman de vraag wat nu eigenlijk het subject is van zijn Interaction Research.

Diepe Problematiek

Zijn werk, en niet alleen zijn werk, getuigt van de diepe problematiek die deze vraag oproept. Enerzijds bestaat het onderwerp uit de “small behaviors“, de korte momenten (macro-interacties) en de syntax van de verbale en niet-verbale bijdragen van deelnemers aan een sociale ontmoeting. Syntax bepaalt de volgorde van bijdragen van gesprekspartners: een vraag vraagt om een antwoord, een voorstel om een response. Deze “adjacency pairs” vormen als het ware de bouwstenen van de dialoog.

Not then men and their moments. Rather moments and their men.

Anderzijds wordt het onderwerp bepaald door de vraag wat de minimale eisen zijn die we aan een actor (de “men“) moeten stellen opdat deze kan optreden in een sociale ontmoeting, zodat deze zich ordelijk gedraagt (“and have an orderly traffic of behavior emerge.”), waarbij orderlijk niet noodzakelijk sociaal acceptabel in de enge zin betekent. Ook a-sociaal gedrag is vanuit Goffman’s perspectief heel ordelijk.

Voor de ingenieur die zich als doel stelt artificiele agenten (sociale robots) te maken die als actor kunnen optreden in sociale ontmoetingen, is vooral die laatste kant relevant. Hoe moeten we een robot maken zodat deze zich op een sociale manier gedraagt. Waarom zou een robot zich “sociaal” moeten gedragen? Het antwoord is: omdat dat beter is voor een effectieve en efficiente communicatie. Het sociale, de sociale norm staat ten dienste van de economie van de communicatie, de informatie-uitwisseling. Een robot die zich sociaal gedraagt, dat werkt prettiger. Is het idee.

Toen de indianen voor het eerst een stoomboot op de Mississippi rivier zagen aankomen, hielden ze dit voor een groot bezield dier. Sommige mensen die voor het eerst met een sociale robot te maken hebben denken dat deze artefacten een zelf hebben dat door hun gerespecteerd moet worden. Dat is een misverstand dat meestal vrij snel opgehelderd wordt.

Een goed motief om aan de ontwikkeling van androides – kunstmatige mensen – is om helder te krijgen wat je niet kunt maken. Het ontdekken van de grenzen van het maakbare. De Japanner Hiroshi Ishiguro maakt androides, artefacten die griezelig veel op hem zelf en familieleden van hem lijken. De Nederlandse primatoloog Frans de Waal bezocht Ishiguros “griezelvallei”. Wanneer we zo’n androide iets zien doen dat we herkennen van mensen dan “denken we automatisch dat hij – de androide – zich ook iets afvraagt, terwijl iedereen weet dat robots zich niets afvragen.“.

Wanneer één van mijn apen opkijkt van mijn hand naar mijn gezicht, doet hij dat vermoedelijk om precies dezelfde reden als een kind. Apen lijken op ons via homologie, afstamming; robots slechts via analogie.” (Bezoek aan de Griezelvallei, Psych. Magazine, Febr. 2013).

Na enige tijd met een robot in huis te hebben gezeten vinden we dat het ding gewoon moet doen wat het moet doen en wel op het juiste moment. Mensen die andere mensen louter als gebruiksvoorwerp zien en die sociaal doen omdat dat beter is voor de communicatie zien geen verschil met de manier waarop anderen met sociale robots omgaan. Voor de blanke westerling was de zwarte inwoner van de koloniale gebieden een op hen zelf lijkende creatie. Uitermate geschikt om naar de blanke hand te zetten.

Er zijn mensen die vragen wat het effect is van de introductie van nieuwe technologie op de praktijk waarin deze wordt toegepast. Het is minstens zo belangrijk te onderkennen dat nieuwe “autonome” technologie niet aan het begin maar aan het eind staat van een historische ontwikkeling. Eerst moest het begrip “behavior” losgeweekt worden van de persoon voordat het mogelijk werd “behaviors” door middel van fysische processen te animeren. Eerst moesten we rekenen en denken als vorm van regelgestuurd handelen zien voordat het geprogrammeerd kon worden en door machines uitgevoerd.

Wie denkt dat machines kunnen denken die houdt er een machinaal idee van denken op na. Wie van mening is dat robots de arbeid van mensen kunnen overnemen die houdt er een abstract, robotesk idee van arbeid op na; een idee waaruit de persoon en de waarde van de arbeid voor de persoon verdwenen is. Wat is het perspectief van waaruit het niet uitmaakt of het werk door robots of door mensen wordt gedaan? Wat is vanuit dit perspectief het produkt van het werk? Onze economie is in hoge mate een abstractie van het werkelijke leven. Arbeid wordt slavenarbeid. Maar wie speelt de rol van de meester?

Wie spreekt hier?

In Footing geeft Goffman ook een beschrijving van de spreker. Die kan op verschillende manieren beschreven worden. Hij beweegt zijn lippen op en neer, begeleid dit met gebaren en gezichtsuitdrukkingen. Hij is een sound box, hij functioneert als een animator. Hij is de “talking machine“. Hij is een individu bezig met het produceren van uitingen. Animator en ontvanger of luisteraar zijn complementaire rollen, ieder aan een kant van het communicatiekanaal. De abstracties animator, auteur en principaal staan voor de drie aspecten van het spreken: wie produceert het geluid (animator), van wie is de tekst (auteur), en namens wie wordt er gesproken (principaal). Ze bepalen samen het “productie format” van het spreken. Daarbij komt nog dat de spreker tijdens zijn speech “van pet kan verwisselen”; een andere sociale rol spelen. Politici en bestuurders met verschillende functies zijn daar bedreven in. “Als burgemeester heb ik daar geen kennis van.” sprak de burgemeester van Enschede regelmatig wanneer hem informatie gevraagd werd die hij als voorzitter van de Ontwikkelingsmaatschappij Vliegveld Twente wel degelijk had, maar waarover hij als voorzitter in de gemeente raad niets kon meedelen “vanwege bedrijfsbelangen”.

Wanneer de voetbalsupporter gedreven door de massa voor aanvasng van de interland wedstrijd luidkeels het Nederlandse volkslied zingt “Ben ik van Duitsen bloed” en “De koning van Hispanje heb ik altijd geeerd.“, dan weten wij niet wie “ik” is. Maar een ding is zeker het is niet de zingende voetbalsupporter.

Heel veel tekst die wij op rituele wijze produceren is niet van ons zelf.

Dat geldt niet alleen voor het rituele “Goedemorgen” en “Sorry“, maar ook voor de toewensingen die dezelfde voetbalsupporter, gedreven door de stemming van de wedstrijd, uit in de richting van de scheidsrechter of van een speler met een andere huidskleur. Wie of wat spreekt hier eigenlijk?

America’s first Donald Trump klaagde recentelijk, nadat een tweet van hem de fact check niet had overleeefd, dat het niet goed was dat niemand verantwoordelijk is voor wat er allemaal op de sociale media verkondigd wordt. Daarmee raakt hij aan een belangrijk probleem. Verantwoordelijkheid is een lastig punt in een anonieme samenleving, waarin sprekers niet menen wat ze zeggen en zich onder verschillende petten verschuilen. Het beantwoorden van de vraag “Wie spreekt hier eigenlijk?” is niet eenvoudiger geworden nu er steeds meer door machines (algoritmes) gesproken wordt. Een interessant thema voor de nieuwe Minister van Digitalisering.

De sociale interface

Een belangrijk kant van technologie is de interface. De interface van een instrument is hoe het ding zich toont aan de gebruiker en laat zien of en hoe het beschikbaar is voor interaktie. Het toont ook de toestand van het systeem voor zover dat relevant is voor de gebruiker. Het dashboard voor het monitoren van de samenleving in tijden van Corona is de interface, het controle- en bedieningspaneel voor het aansturen van de zieke patient, de door het virus aangetaste samenleving. Het fenomeen taal stelt net als een virus ons voor de vraag wie eigenlijk dat autonome, zelfstandige individue is, waarvan we denken dat het via allerlei kanalen en het aanleren van de taal, de samenleving opbouwt. Is het niet “language and society first” en dan “the men”?

Face is een kernthema in het werk van Goffman. Face bepaalt in hoge mate hoe wij omgaan met de ander in een sociale interaktie. Wij willen niet ons gezicht verliezen en we willen dat de ander ons respecteert. Anderzijds willen we de ander in zijn waarde laten en er voorzorgen dat hij of zij geen gezichtsverlies lijdt. De sociale norm zegt dat we anderen altijd de kans moeten geven zijn of haar gezicht te redden. Althans als we met elkaar verder willen; al dan niet door de situatie gedwongen.

Face is ook het sprekende gezicht dat ons in een face-to-face-gesprek meedeelt hoe het met de ander gesteld is. Meer nog dan de woorden die uit de mond stromen spreekt het gezicht. Haar “honest signals” liegen niet. Een regering, een arts, die alleen naar cijfers en grafieken op een dashboard kijkt mist wezenlijke informatie over de toestand van de patient. Sterker nog: die kunnen haar wel eens op het verkeerde been zetten.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply