Brief aan de kleinkinderen

In de serie Denken in Tijden van Corona deze keer een brief aan de kleinkinderen.

Lieve Lily, Abel en Sofia,

Er zijn weinig dingen zeker in het leven maar als jullie dit lezen dan hebben we het overleefd. We dat is de samenleving, wij mensen, jullie, jullie papa en mama, opa’s en oma’s, juffen en meesters en al die andere mensen die leven. Dat heet samenleving. Omdat ze proberen samen te leven en omdat dat nu eenmaal moet als je allemaal op een kluitje zit. (De aarde is een kluitje die rondtolt in het heelal. Jullie kennen hem wel van de Prins en de Boa Constrictor die een Olifant had opgegeten). Op dat kluitje samenleven is niet altijd even makkelijk. Dat weten jullie misschien wel. Ook jullie hebben wel eens ruzie, met elkaar, met papa of met andere kinderen. Het is fijn als er dan een mama is die je kan troosten.

Nu wij deze brief aan je schrijven ligt de samenleving op de Intensive Care. Aan de monitor. Jullie kennen dat misschien wel. Als iemand, zeg maar een meneer die we voor het gemak Koeman noemen heel erg ziek is, en het gevaar bestaat dat Koeman dood gaat, dan moet meneer Koeman naar het ziekenhuis. Daar worden allemaal apparaten aangesloten op Koeman om de hartslag en de temperatuur en zo te meten. De dokters proberen zo te ontdekken wat er aan de hand is. Als ze weten wat er aan mankeert dan kunnen ze er misschien wat aan doen. Een pilletje of soms een operatie. Opa was een keer heel ziek en bijna dood. De dokter heeft toen een ziek stukje van opa weggesneden en pilletjes gegeven. Dat hielp. Als hij dit schrijft leeft hij nog. Het is fijn dat de dokter opa weer beter kon maken zodat hij nog een tijdje bij jullie kon zijn en onkruid kan wieden in de groentetuin.

Maar nu ligt de hele samenleving in het ziekenhuis, aan de monitor. Daarom mogen we ook niet bij elkaar op bezoek komen. Want wie moet bij wie op bezoek komen? We zijn allemaal ziek of we kunnen elkaar allemaal ziek maken. De mensen weten namelijk vaak niet of ze al ziek zijn of nog niet ziek zijn. En ze weten ook niet wie er allemaal ziek zijn. Daarom mogen we niet bij elkaar op bezoek komen. En het vervelende is dat de dokters het ook niet weten. Sommige dokters zijn zelf ook ziek. En er zijn zelfs al een paar dood gegaan. En zusters ook. Iedereen, de hele samenleving, kijkt nu de hele dag thuis naar de televisie en naar computerschermen (dat heten monitors) om te kijken hoe het met de patient, hun zelf dus gaat. Het is wel lastig hoor als je zelf ziek bent om te zien of je ziek bent en hoe dat komt.

Jullie weten vast wel van jullie mama’s dat je om gezond te blijven gezonde dingen moet eten (zoals appels en patat) en gezonde dingen moet doen (zoals gezond eten en poepen en spelen). Anders wordt je te dik of te dun. En dan wordt je eerder ziek dan later. En wie wil dat nou? Wij niet. De meeste mensen denken dat ze heel gezond leven en doen en dat ze gezond denken. En toch is er kennelijk iets heel erg mis gegaan. Daarom liggen we allemaal aan de monitor. Wat is er misgegaan? Sommige mensen denken dat we in het verleden moeten zoeken naar de oorzaak van de ziekte: de ziektebron. Het verleden is wat geweest is. Weet je nog dat je een keer heel hard viel toen je hard moest rennen? Je had toen heel veel pijn en bloed. Dat is verleden tijd. Dat heet met een moeilijk woord geschiedenis. Misschien zit er nog een litteken van op je knie. Dat is het geheugen van je knie. Het helpt je voor de herinnering; dat je er weer aan denkt. Als je dat wil. Pijn is niet leuk dus dat wil je waarschijnlijk niet.

Vandaag is het 5 mei, Bevrijdingsdag. Dat is de dag dat we denken aan de bevrijding van ons land. Ons land is Nederland, waar jullie geboren zijn. Misschien wonen jullie als je dit leest wel in een ander land. Een bevrijding; dat is als je lange tijd opgesloten hebt gezeten en je weer naar buiten mag. We willen natuurlijk allemaal weer gauw bevrijd worden uit het ziekenhuis, zodat we weer op bezoek kunnen komen. Maar vandaag vieren we dat we bevrijd zijn van de oorlog met de vijand. De meeste mensen denken dan aan 5 mei 1945. Dat is 75 jaar geleden. Dat lijkt heel lang geleden Je papa en mama waren toen nog niets eens geboren. Die zaten nog in de buik van hun moeders, die ook nog in de buik zaten van hun moeders. Die hebben de oorlog wel meegemaakt. Waarom was die oorlog? vraag je misschien.

Wist ik het maar. Op bevrijdingsdag proberen we allemaal een antwoord te vinden op precies die vraag: waarom oorlog? Waarom maken mensen zo veel ruzie en maken ze elkaar dood. In de oorlog werden heel veel mensen, vooral joodse mensen, maar ook zigeuners, door heel veel andere mensen weggejaagd, opgesloten in gevangenkampen en dood gemaakt. Omdat ze niet wilden dat die andere mensen ook leefden. Die mochten er niet zijn. Waarom niet? Omdat er geen plaats voor hun was. Waarom niet? Allemaal vragen. Er is niet een antwoord; er zijn heel veel antwoorden. Maar we weten niet of het goede antwoord erbij is. Wij denken soms dat er geen goed antwoord bestaat. Nu denken jullie misschien dat die mensen die andere mensen dood maken domme mensen waren. Ze waren misschien wel stom, maar niet dom. Er waren hele slimme, geleerde, mensen bij. Ze hadden heel diep nagedacht hoe ze het beste de joden konden verjagen en vermoorden. Ze hadden er een hele machinerie voor gemaakt. En ze dachten dat het goed was wat ze deden. Maar ja; wat is goed?

Wat wij wel weten is dat oorlog niet goed is. Wij lazen de boeken van mensen die het overleefd hebben. Die schreven ons wat ze hadden meegemaakt. Dat is niet fijn om te lezen. Maar we wilden het wel weten. Omdat we met hun verder willen leven. Wij bezochten na de oorlog de kampen waar de joden vermoord zijn. Vaders, moeders, opa’s en oma’s en ook kinderen! Je opa was in Buchenwald, waar we leerden dat je moet werken om vrij te zijn, en we bezochten Teresienstadt. Die lagen toen nog in landen aan de andere kant van de muur. De muur? zeg je.

Ja, er was na de oorlog een muur gebouwd. Dwars door Europa. Overal prikkeldraad en wachters met geweren. De stad Berlijn was in twee delen opgesplitst door een dikke hoge muur. Wij mochten wel naar de andere kant, maar vrienden van ons die aan de andere kant woonden, die mochten niet zomaar naar ons toe. Daar stond je dan met ze naar die stomme muur te kijken. Die mensen daar zaten opgesloten. Waarom? Tja, waarom? Omdat sommige mensen, geleerden die het voor het zeggen hebben dat beter vonden voor iedereen. Gelukkig is die muur weer afgebroken. We konden toen weer zonder gedoe de grens over naar de andere kant.

Gisteren was 4 mei. Dat komt altijd voor 5 mei. Maar dat wisten jullie al. Dan is er in Nederland dodenherdenking, We denken dan aan al die papa’s, mama’s, opa’s en oma’s en kinderen die dood gemaakt zijn in De Oorlog. En ook aan die andere mensen die ze dood maakten, want die gingen eigenlijk ook een beetje dood. Er worden kransen gelegd en we zijn een paar minuten stil. Op onze monitoren, op de beeldschermen, keken we even niet naar onze hartslag en onze temperatuur, maar naar grote mensen die iets voorlezen. De Koning sprak het volk, dat zijn wij, toe. Dat heet een toespraak. Hij vertelde over de moeder van zijn oma, die heette Wilhelmina, dat die niet zo aardig was geweest voor de joodse mensen in Nederland. Hij zei dat hem dat speet. Dat is goed, want hij meende het. Misschien helpt het. Zoals een pleister op je knie als je gevallen bent.

Er was ook een toespraak van een joodse schrijver, Een meneer, Arnon heet ie, die vertelde dat we goed moeten luisteren naar de mensen die de oorlog en de kampen hebben meegemaakt. Om te begrijpen wat er precies allemaal gebeurd is. Begrijpen is zoiets als zien. Maar of dat helpt? Ja, gelukkig hebben ook veel joodse mensen de oorlog overleefd. Niet alleen omdat ze er dan over kunnen vertellen, maar omdat het mensen zijn zoals wij.

Heel veel joodse mensen gingen na de oorlog naar Het Beloofde Land. Dat land heet nu Israel. Het is een heel mooi land, met veel zon en mooie stranden en mooie groene delen, met veel fruitbomen. Maar ook veel grote woestijnen vol met zand. En je hebt de dode zee. Die heet zo omdat hij heel zout is. Zo zout dat geen vis erin kan leven. En ze zeggen dat Jezus er geboren is; op eerste Kerstdag was dat. Dat staat allemaal in de Bijbel. De mensen die vinden dat ze in Israel thuis zijn die denken dat omdat het in de Bijbel staat. Het is dus een heel belangrijk geschiedenisboek.

Er staan hele mooie verhalen in, Maar ook niet zulke mooie. Het is zo’n belangrijk boek dat het in alle talen van de wereld is vertaald. Zodat iedereen het kan lezen. In de 17de eeuw was er in Batavia dat is een stad ver weg die nu Djakarta heet, een meneer die heette Jacobus heette. Toevallig ook Op den Akker van achteren, net als jullie. Jacobus vertaalde dit dikke oude boek in de Portugese taal. De taal van Sofia’s moeder en van Sofia’s andere opa en oma. Zodat de mensen uit Portugal die in Batavia woonden het ook konden lezen. Hij vond dat ze dat moesten lezen. Waarom? Tja.

Die Jacobus was in Meurs geboren. Dat was toen van Nederland. Die stad die nu in Duitsland ligt, was door een overoveroverovergrootvader van onze Koning veroverd op de vijand, de Spanjaarden. Maurits heette die grootvader. Net als de broer van onze Koning. Toevallig he? Die Nederlanders, jullie voorvaderen, zo heet dat, die speelden de baas in Batavia. Ze hadden dat geleerd van de Portugezen. Nederlanders waren daar erg goed in: de baas spelen. Ook als anderen dat niet wilden. De Koning heeft gezegd dat hij daar spijt van heeft. Dat is goed. Net als een pleister op een zere knie als je gevallen bent. Maar of het helpt?

De Bijbel vertaald in het Portugees voor de mensen in Batavia

Je opa heeft een tijdje in dat mooie land Israel gewoond en gewerkt. In Tel Aviv, de hoofdstad. Hij ging elke week met de bus naar Jeruzalem voor zijn werk. Een hele leuke oude stad; met kleine straatjes waar je van alles kunt kopen. Met op een berg een oude grote tempel met een gouden rond dak. Je moet daar je schoenen uit doen voor je naar binnen gaat. Waarom? Omdat het een heilige plek is. Je opa en oma zijn er samen op vakantie geweest. We waren bij de Dode Zee en in Bethlehem (Beth = huis en lehem is brood). Daar is Jezus geboren (staat in de Bijbel). Je opa moest heel lang wachten voordat je oma eindelijk kwam aan vliegen. Je oma was toen nog heel jong en slank en we waren nog niet getrouwd. Vliegen was toen best wel een beetje gevaarlijk want er waren soms kapingen. Dat is als anderen een vliegtuig afpikken van de piloot. Omdat ze ergens anders heen willen. Door Palestijnen. Die hadden ruzie met de joodse inwoners van Israel. Het Beloofde Land was een deel van Palestina waar de Palestijnen woonden. En er werden ook wel bommen neergelegd op het strand. Net als in de oorlog. Overal liepen politiemensen met geweren op wacht. Net als vlak na de oorlog op het station van Oost-Berlijn en bij de muur.

Je opa werkte voor een groot computerbedrijf, IBM. Jotbetmem zei men daar tegen. IBM maakte de eerste schaakcomputer die zo slim was dat hij de wereldkampioen versloeg. Maar dat was veel later. Je opa moest nog naar de overkant van de straat lopen om het programma in te leveren voordat het door de computer kon worden gelezen en er weer wat uitkwam. Stom he! Tussen de middag liep hij naar het strand. Het was altijd mooi genoeg weer om te zwemmen. Je opa woonde in een kamer op de campus van de universiteit, het Technion. Studenten moesten om beurten wachtlopen met een geweer om de schouder omdat ze niet wilden dat iedereen er zo maar naar binnen kon lopen. Vooral de Palestijnen niet. Waarom het land Het Beloofde Land heette en waarom de Palestijnen boos waren op de joodse inwoners?

Tja, de joodse schrijver Arnon, die die toespraak hield, vertelde dat we de geschiedenis niet moesten vergeten omdat we daarvan kunnen leren. Dat klopt. Maar waar moeten we beginnen? De geschiedenis bestaat uit verhalen. Verhalen van mensen. En die vertellen niet dezelfde verhalen. De flat waar je opa woonde in Tel Aviv is gebouwd op een heuvel aan de noordrand van de stad. Precies op een plek waar vroeger een Palestijns dorp was. Er is heel veel gebouwd door de nieuwe bewoners van Israel. Op heel veel plaatsen waar eerst Palestijnen woonden. In kleine dorpjes, met een paar hutjes, en wat dieren en wat groentetuintjes.

Vele jaren nadat je opa en oma er op vakantie waren, hebben de joodse bewoners van Israel muren gebouwd, waarachter Palestijnen wonen. Zodat die niet zomaar overal naar toe kunnen. Precies zoals in Berlijn na de oorlog. De oorlog die we hier herdenken.

Een paar dagen geleden vierden de joodse Israeliers en heel veel joden verspreid over de hele wereld de dag die Yom Ha’atzmaut heet, Onafhankelijkheidsdag. Ze vieren dat vanaf die dag in 1948 de inwoners van Israel zelf mogen bepalen hoe ze leven. Israel werd een eigen land met eigen wetten, zoals Nederland en Duitsland. Dat was tijdens een oorlog met de Palestijnse Arabieren. De Palestijnen verloren die oorlog en een deel van hun land. Ze moesten zich terugtrekken of wegvluchten naar andere landen. Zoals de joden moesten vluchten uit Portugal, Frankrijk, Duitsland en Polen voor en tijdens de oorlog. De oorlog die wij nu herdenken. Voor de Palestijnse bewoners was de Onafhankelijkheidsdag die door de religieuze joden overal gevierd wordt, een catastrofe. Dat is een ramp. Ze noemen het al-Nakba. Ze herdenken dat op de plaats van hun dorpjes door de nieuwe joodse bewoners huizen en andere gebouwen zoals een universiteit werd gebouwd. Ze werden weggejaagd. Maar anderen zeggen dat ze uit zich zelf vertrokken. Dat is nou geschiedenis.

Anderen zullen jullie misschien een ander verhaal vertellen. Toen jullie opa in Tel Aviv werkte, werkte aan de Universiteit ook een man die Judea heet. Hij is geboren in Het Beloofde Land. Zijn vader en moeder waren uit Polen daar naartoe verhuisd. Je opa heeft hem nooit ontmoet. Maar Judea schreef moeilijke boeken met veel wiskunde erin. Je opa las die boeken omdat hij het interessant vond. (Het nieuwste boek van hem heet Waarom? grappig he?) Het is een geleerde man die veel belangrijke prijzen heeft gewonnen. Pas vele jaren later leerde je opa dat Judea ook in Tel Aviv woonde toen je opa er was. Nu woont Judea in Amerika. Judea had een zoon Daniel. Of heeft? Daniel was journalist van een Amerikaanse krant. Hij was voor zijn werk in Pakistan, een land ver weg. Maar ook weer niet zo ver. Daniel werd vermoord. Onthoofd. Wij denken door dezelfde mensen die in Amerika met een vliegtuig door kantoorgebouwen vlogen. De moordenaars van Daniel moeten nog straf krijgen. Waarom werd Daniel onthoofd? Hij was jood en daar was hij trots op. Het verhaal gaat dat zijn laatste woorden waren: “Mijn vader is jood, mijn moeder is jood. Ik ben jood.” Dat heet identiteit: dat je weet wie je bent en waar je vandaan komt. Veel mensen zijn daarnaar op zoek. Anderen zijn bang dat ze het kwijt raken. Het is iets heiligs denken wij.

Je opa heeft met Judea te doen. Je zoon wordt vermoordt. Dat is niet niks. Stel je voor dat Abel vermoord wordt. Wat zou zijn papa een verdriet hebben! En wij ook natuurlijk. Daniel was net zo oud als mijn jongste zoon, de papa van Sofia. We hebben iets met Israel: met de joden en met de Palestijnen. Als jullie opa Judea vertelt hoe triest hij het vindt wat er in Israel gebeurt en dat de apartheidspolitiek van Israel (er zijn aparte wetten voor joden en Palestijnse inwoners, net als hier in de oorlog die we herdenken) een gevolg is van de vervolging van de joden in de geschiedenis (de holocaust), dan plaatst Judea je opa meteen in een kamp van mensen die volgens hem veel te veel begrip hebben voor de Palestijnen. Mensen die voor samen leven zijn. In vrede samenleven met de mensen die je zoon vermoord hebben is lastig. In Israel is nog steeds geen vrede. Waarom niet? Tja.

Ondertussen liggen we nog steeds aan de monitor en we weten niet wat ons hier gebracht heeft. De dokters meten en de geleerde mensen die het zouden moeten weten omdat dat hun beroep is, zijn het niet met elkaar eens. Ze slaan elkaar met feiten en kennis uit hun boeken om de oren. We weten het nog niet. Iedereen roept dat we meer moeten meten. Meer monitoren, meer naar beeldschermen kijken. Maar wij willen naar buiten. Op onze bevrijdingsdag.

Veel mensen zeggen dat je pas iets weet als je meet. Maar of dat wel zo is. Je kunt immers niet alles meten. Misschien kun je de belangrijkste dingen in het leven wel juist niet meten. Omdat ze onmeetbaar zijn.

Als we jullie vragen of jullie nog een beetje van ons houden. Zeggen jullie dan “We zullen even meten“? Of zeggen jullie dan:

We houden heel veel van jullie !

Nou dan!

Opa en oma (van de geitjes).

De blinde schaakcomputer

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over de kwestie of computers blind kunnen schaken en aanverwante problemen, zoals daar zijn:

  1. Een probleem dat door de beruchte tekst On Denoting van Bertrand Russell wordt opgeroepen.
  2. Een probleem dat het waterleidingbedrijf heeft met adreswijzigingen.
  3. Het privacy-probleem van de moderne wetenschapper.

Eerst schaken

Het bordspel schaken stamt volgens de legende (het internet) uit India waar het al ver voor onze jaartelling werd gespeeld. De huidige variant van het schaakspel voor twee spelers ontstond aan het eind van de 15e eeuw in Frankrijk, toen de dame met de huidige mogelijkheden haar intrede deed in het spel (eerder was het een tamelijk zwak stuk). In het London International Chess Tournament van 1883 werd de schaakklok geïntroduceerd. Er werd tijdens officiele wedstrijden een limiet aan de bedenktijd gesteld. Steinitz wordt beschouwd als de eerste wereldkampioen schaken. Hij won in 1886 na 24 partijen van Johan Zukertorte. In Nederland werd schaken pas populair in 1935 toen Max Euwe de Russische kampioen Aljechin uitdaagde en hem versloeg. Euwe werd de eerste Nederlandse wereldkampioen schaken. Anno nu is de in Rusland geboren Anish Koemar Giri (Sint-Petersburg, 1994) de hoogstgeplaatste voor Nederland spelende schaakgrootmeester.

Een spel zoals het schaken heeft strikte spelregels dus je kunt een computer ook instructies geven het spel te spelen. Je moet er voor zorgen dat hij netjes op zijn beurt wacht. De uitdaging is om telkens de beste zet te berekenen. Ik zeg met opzet berekenen want een computer kan niet anders dan rekenen; en dat weet hij ook niet. Vanaf ongeveer 1980 werden toernooien gehouden om te kijken welke schaakcomputer het beste is. De schaakcomputer Deep Blue van IBM was de eerste die een tweekamp tegen de regerend wereldkampioen winnend afsloot. In 1996 versloeg de machine Garri Kasparov met 4-2.

Bij het blindschaken mag de speler het speelbord, speelveld of de spelsituatie niet kunnen zien. Alle voorgaande zetten van hemzelf en de tegenstander moeten worden onthouden om zo de aktuele spelsituatie zich voor de geest te kunnen halen. De blindschaker mag ook niet voelen waar de stukken staan; elke vorm van zintuigelijke waarneming is uitgesloten. Het enige wat hij binnen krijgt is de zet van de tegenstander. De Belg Koltanowski was erin gespecialiseerd. Hij speelde in 1937 in Edinburgh tegen 34 niet-blinde tegenstanders. Na 13½ uur had hij 24 partijen gewonnen en 10 remise gespeeld. Ongelooflijk, maar het schijnt echt waar te zijn.

Op het internet kun je nog veel meer informatie vinden over de geschiedenis van het schaken en het blindschaken. Maar waarom vinden we niets over computers die blind schaken? Kunnen ze dat niet? Maar eerst een gesprek met een agent van het gemeentelijk waterleidingbedrijf, het bedrijf dat ons kraanwater aan huis bezorgd.

Wat is in een naam?

Eerste gesprek:

Goedemorgen! Wat kan ik voor u doen? Ik wil een adreswijziging doorgeven. Uw naam? Russell, B. Russell. Geboortedatum? 18-05-1872. Hmm, volgens de statistieken had u al lang dood moeten zijn. Ik ben niet dood. Dat zie ik, adres? ASW17. Ik kan geen Russell, op dat adres vinden. Probeert u LWW152. Hebbes! U was uw adres even kwijt? Nee, zoals ik zei, ik kom een adreswijziging doorgeven. U bent verhuisd? Nee, niet verhuisd, ik heb een ander adres. Uw huis is verplaatst naar een andere locatie? Nee, een ander adres. Maar meneer, als u een ander adres heeft en u bent niet verhuisd dan zijn er twee mogelijkheden: u bent overleden, wat u niet bent, zegt u, of het object LWW152 bestaat niet meer en dan bent u dakloos, want uw adres is LWW152. Mijn adres is ASW17. En u bent nog steeds meneer B. Russell van LWW152? Jazeker ben ik dat. Okay, dan maak ik even een nieuw object voor u aan. Doet u dat. Dan wens ik u nog een fijne dag, meneer Russell. Ook zo.

Tweede gesprek – een half jaar later.

Goedemorgen! Wat kan ik voor u doen? Ik heb een klacht. Uw naam? Russell, B. Russell. Ik was hier een tijdje geleden om… Uw geboortedatum? 18-05-1872. U had volgens de statistieken al lang dood moeten zijn. Ben ik niet. Dat zie ik, adres? ASW17. Hebbes, wat kan ik voor u doen? Ik heb een klacht: u heeft mij een dubbele rekening gestuurd voor ASW17 en voor LWW152. Even kijken,dat klopt: u bent eigenaar van twee objecten: ASW17 en LWW152. Ik heb een tijdje geleden een adreswijziging doorgegeven. U bent verhuisd? Nee, een adreswijziging, vanwege ruilverkaveling, het huis staat nu aan een andere weg. Het object is verplaatst, zegt u? Nee. de locatie is veranderd, dat wil zeggen het adres ervan. U beweert dat LWW152 veranderd is in ASW17? Zo zou je het kunnen zeggen, ja. Maar meneer LWW152 en ASW17 zijn toch echt twee objecten, voor beide staat u als eigenaar in het systeem, dus u krijgt voor beide een rekening. Maar LWW152 bestaat niet meer. Ah: verbrand, afgebroken? we hebben niets doorgekregen daarover. Nee, er is niks mis met mijn huis. Meneer, er zijn twee mogelijkheden: u bent eigenaar van twee objecten, LWW152 en ASW17, of LWW152 bestaat niet meer. Dat klopt. Maar u zegt dat LWW152 is veranderd in ASW17. Klopt! Maar dan hebt u dus geen huis meer, maar u zegt dat u wel een huis heeft. Zoals ik al zei: het adres is veranderd. Ja maar u bent niet verhuisd, u probeert mij ervan te overtuigen dat LWW152 en ASW17 dezelfde objecten zijn. Ja! Maar, meneer, straks gaat u me nog vertellen dat 3 hetzelfde is als 2! , maar ik ben de Paus niet, ik kan dit niet zo maar veranderen; ik moet dit overleggen met de systeembeheerder; u hoort nog van ons; fijne dag nog. Ook zo.

Het heeft drie jaar geduurd voor dat de heer Russell geen jaarrekening meer kreeg voor zowel LWW152 als ASW17 op zijn nieuwe adres ASW17. Wij vermoeden dat de programmeur een identiteitsprobleem had, waardoor ergens in het systeem een programmeerfoutje is ontstaan. Misschien ten gevolg van een verwarring van object-gelijkheid (equals) en adres-gelijkheid (==)? Maar de fout kon ook wel eens dieper zitten en elders weer opduiken. Laten we het beste er maar van hopen.

Wat we met namen doen

De naam Bertrand Russell is verbonden aan de Britse wiskundige, logicus, filosoof en vredesactivist Bertrand Russell (geboren 18-05-1872 en overleden op 02-02-1970). In 1905 verscheen On Denoting. Hij was toen net bekomen van de schrik na zijn ontdekking van de Russell paradox. Hij had het probleem in zekere zin ook zelf gemaakt. Vandaar Russell paradox. Maar een oplossing had hij nog niet. Dat zie je vaak bij denkers, dat ze problemen die ze zelf maken niet ook zelf kunnen oplossen. Misschien is de enige oplossing dan ook niet meer te denken. Maar ja, dat zou op zelfmoord neerkomen. Geen gemakkelijke keuze.

Russell presenteert een theorie over refereren. Dat is wat wij met namen doen. Het artikel “On Denoting” telt zo’n 14 pagina’s en gaat over “denoting phrases” zoals “een man”, “de koning van Frankrijk”, “het meisje”, “de wereldkampioen schaken”, of “de blinde computer”. Hij zet zijn theorie af tegen die van de Duitser Frege en de Oostenrijker Meinong, die elk hun eigen theorie daarover hadden. Ik moet even uitleggen wat de beide heren hadden bedacht, om Russell’s theorie in perspectief te plaatsen.

Betekenis en verwijzing

De wiskundige, logicus en filosoof Gottlob Frege (1848-1925) wordt wel beschouwd als de grondlegger van de mathematische logica. Eindelijk, na zo’n 2000 jaar, zou de wereld verlost worden van de logica en de metafysica van Aristoteles. De intellectuele kringen in Wenen en Cambridge hadden schoon genoeg van de oude Griekse substantie-leer. Een vraag die bij Frege op kwam is wat we met “gelijkheid” bedoelen. Is het een relatie? Dat is toch wel het minste wat we ervan kunnen zeggen! Maar waar tussen? Tussen objecten, of tussen namen of tekens waarmee we objecten aanduiden? De gelijkheid a=a is logisch waar in tegenstelling tot de gelijkheid a=b, die het resultaat van onderzoek kan zijn en die in dat geval nieuwe kennis uitdrukt. Over deze kwestie gaat Frege’s Uber Sinn und Bedeutung (1892). Het resultaat van zijn analyse is een onderscheid tussen de Sinn en de Bedeutung van een teken, een woord of een expressie. Een expressie betekent iets, datgene waarnaar het verwijst, en drukt iets uit. Door dit onderscheid te maken kunnen we bijvoorbeeld zeggen “De Morgenster is de Avondster” of “Het snijpunt van de lijnen a en b is het snijpunt van de lijnen b en c”. Of LWW152 is ASW17. De Bedeutung is gelijk, maar de wijze waarop ernaar verwezen wordt (de Sinn) zijn verschillend. De gelijkheid a=b is dus noch een gelijkheid tussen twee namen, noch tussen twee objecten.

Waarom had de man van het waterleidingbedrijf problemen met de gelijkstelling van 3 en 2? Omdat hij daarbij dacht aan het gelijkstellen van het getal 3 en het getal 2. Terecht dat hij dit niet zo maar kon doen. Maar had hij kunnen accepteren dat 3 en 2 tekens zijn voor hetzelfde getal, zoals 1+1 en 2 ook staan voor het zelfde getal ? Maar welk getal is dat dan waar 2 en 3 naar refereren. Is dat dan het getal 2 of het getal 3. Of nog weer een ander getal? Waarom dacht de man dat het gelijkstellen van 3 en 2 zoiets was als het gelijkstellen van LWW152 en ASW17? Omdat hij daarmee dezelfde problemen had. Net zoals bij 3 en 2 kent hij de objecten niet anders dan via de wijze waarop er naar gerefereerd wordt in zijn systeem. Omdat ze daarmee overeenkomen. Zoals 2 2 is en Russell Russell. Je kunt wel 1 bij 2 optellen, maar 2 wordt nooit 3. Dan zou het hele systeem instorten. Wiskundige objecten zijn onveranderlijk, omdat het pure gedachtedingen zijn die we identificeren door middel van een teken.

Van Sinn en Bedeutung is volgens Frege nog onderscheiden de innerlijke voorstelling die we van de Bedeutung hebben. Dat is iets subjectiefs. De Sinn van het teken is daarentegen niet subjectief. Volgens Frege is het wel mogelijk dat een woord geen Bedeutung heeft, maar een woord zonder Sinn dat kan niet. Dat is net zoiets als een teken zonder betekenis. De betekenis is geen bijkomstig predikaat van een teken. Een woord of een expressie moet iets uitdrukken om woord of expressie te zijn. Een teken zonder betekenis is geen teken, maar slechts een inktkrabbel of wat ook. De uitdrukking “De huidige koning van Frankrijk” heeft bijvoorbeeld wel een zin (Sinn), maar geen betekenis, Bedeutung, omdat er niet zo’n koning is, waarnaar verwezen kan worden.

Vergelijk nu: “De dame is van ivoor” met “De dame mag diagonaal over het bord bewegen.” De eerste “De dame” verwijst naar een fysiek object dat als schaakstuk gebruikt wordt, de tweede “De dame” verwijst naar het specifieke schaakstuk in het schaakspel waarvan de identiteit volledig bepaald wordt door de spelregels, door wat je er als speler mee kan doen in het spel. De wijze waarop de dame is gematerialiseerd of gevisualiseerd is volstrekt irrelevant. Vandaar dat schaken net als rekenen blind kan gebeuren. Je hebt er alleen maar een hoofd voor nodig (met enige inhoud). Een dergelijk verschil is er bij “de koning van Nederland heeft een baard” en “de koning van Nederland is voorzitter van de Raad van State“. Als de koning van Nederland een baard heeft dan heeft de voorzitter van de Raad van State ook een baard. Dit is waar. Ook als Nederland geen koning heeft.

De theorie van Alexius Meinong

De Oostenrijker Alexius Meinong (1853-1920) had een andere theorie over betekenissen van expressies die geen Bedeutung hebben. Zulke expressies bestaan namelijk niet in zijn ogen. Elke expressie verwijst naar een object; ook “de vierkante cirkel” of “de huidige koning van Frankrijk”. Maar soms is zo’n object niet. Wat kun je dan van zo’n object zeggen? Meinong toont zich daarin zeer tolerant: alles. De vierkant cirkel is zowel cirkel als vierkant. Maar een cirkel is toch niet vierkant. Geen probleem, zegt Meinong. (Doet me denken aan de jood Anatevka uit Fiddler on the roof.) Russell zag als logicus wel een probleem met de theorie van Meinong, die van mening was dat je van sommige objecten zowel kunt zeggen dat ze aan een bepaalde eigenschap voldoen als dat ze er niet aan voldoen.

Kort gezegd komt de theorie van Russell op het volgende neer:

“This is the principle of the theory of denoting I wish to advocate: that denoting phrases never have any meaning in themselves, but that every proposition in whose verbal expression they occur has a meaning.”

Frege’s oplossing voor het probleem van de “koning van Frankrijk” bestaat uit de introductie van een kunstmatig object, de null-klasse, een onbepaald object. De bewering dat de huidige koning van Frankrijk kaal is, is volgens hem onwaar (“heeft de waarheidswaarde onwaar”) want het object, het onbepaalde ding, heeft die eigenschap niet. Russell merkt op dat dit in elk geval niet tot logische tegenstrijdigheden leidt, zoals de theorie van Meinong. Toch vindt Russell het maar niks.

…this procedure, though it may not lead to actual logical error, is plainly artificial,
and does not give an exact analysis of the matter
”.

Die exacte analyse bestaat uit een vertaling van de zin in een logische formule. Een voorbeeld. De zin “De koning van Frankrijk is kaal” wordt geanalyseerd als: “er is een uniek object x waarvoor geldt dat deze koning van Frankrijk is en dat deze kaal is“. Wanneer u dit een logische oplossing vindt dan komt dat omdat u gewend bent aan deze logika. Aan deze manier van doen. Russell en Frege waren grondleggers van een logica, de mathematische predikatenlogica en een wijze van denken, die uiteindelijk zou leiden tot de moderne denkmachine, de computer. Voor de geleerden die zo rond 1900 leefden was dat nog moeilijk in te zien, maar voor ons is dat eenvoudig te begrijpen. Achteraf is het nu eenmaal mooi wonen. Hoe zit dat?

Machines kunnen niets met zulke abstracte dingen als getallen. Maar wel met tekens die naar getallen wijzen, want tekens hebben ook een materiele kant. Je kunt het getal 3 voorstellen door drie streepjes of stokjes, of wat ook, als je maar konsekwent bent en voor elk getal een uniek ander teken gebruikt. Wil je een machine dus gebruiken om voor je te rekenen dan moet je rekenen als een manipuleren van tekens, van expressies zien. En dat is precies wat de meta-mathematische logica deed: een wiskunde van het wiskundig, logisch redeneren. Frege en ook Russell reduceerden op deze manier de wiskunde tot logica, een stel denkregels. Logica is de wetenschap van het juiste denken en Aristoteles had al uitgelegd dat dat een kwestie is van de juiste regels volgen. Zijn Organon bevat een volledige opsomming van de geldige denkschema’s voor de syllogismen. Een voorbeeld van een syllogisme is: Socrates is een mens. Alle mensen zijn sterfelijk. Dus: Socrates is sterfelijk. Logica en werkelijkheid zijn op elkaar aangewezen anders zou geen kennis mogelijk zijn.

Volgens Aristoteles bestaat de werkelijkheid uit substanties die eigenschappen hebben. Socrates is een substantie, net als deze roos een substantie is. Als ik een oordeel uitspreek in de vorm van een propositie zoals “Deze roos is rood” dan druk ik daarmee uit dat aan deze substantie het predikaat rood-zijn toekomt. Rood is voor de roos een bijkomstig predikaat. Een roos kan ook wit zijn. De kleur kan veranderen en toch blijft het dezelfde roos. Een propositie is waar als de relatie tussen substantie en predikaat overeenkomst met die in de werkelijkheid (die onafhankelijk van ons denken bestaat en kenbaar is – anders was geen kennis mogelijk). Het klassieke voorbeeld van deze overeenstemming tussen expressie en werkelijkheid is: “De zin sneeuw is wit is waar dan en slechts dan als sneeuw wit is.” Menszijn is niet een bijkomstig maar een substantieel predikaat van Socrates. Het is een wezenlijk kenmerk, zeg maar. Wanneer een substantieel predikaat van een substantie verandert dan neemt de stof een andere vorm aan: de substantie verandert. De nieuwe geleerden van rond de vorige eeuwwisseling probeerden los te komen van dit klassieke Aristotelische werkelijkheidsbeeld (metafysica). Wat kenmerkend is voor Aristoteles werkelijkheid is dat echte substanties, unieke objecten, zijn en die zijn niet kenbaar. De wetenschap gaat dan ook niet over unieke mensen maar over soorten, categorieen. De medische wetenschap zegt bijvoorbeeld niets over de unieke substantie, Socrates; alleen over ziektes en ziektebeelden. Substanties veranderen steeds en zijn onkenbaar. Een op het eerste gezicht merkwaardig idee van de oude Griek. Maar hij heeft wel een punt. Een belangrijk punt.

Het begrip van de functie en de functie van het begrip

Frege haalde in zijn Begriffschrift, het begrip functie (uit de wiskundige analyse) van stal. Een functie is een rekenregel uitgedrukt door een expressie waarin een variabele (meestal x) voorkomt. Als we de functie f=λx. (x+2) op het getal 3 toepassen, krijgen we f(3) ofwel 3+2; en dat is 5. Dat is de waarde van de functie voor het argument 3. Frege beschouwde het predikaat “is rood” als een functie. Wij zeggen nu: het predikaat rood-zijn is de functie λx. is_rood(x) die toegepast op een subject, bijvoorbeeld “deze roos” de bewering “is_rood(deze roos)” oftewel in fatsoenlijk Nederlands “Deze roos is rood” oplevert. En de Bedeutung van zo’n bewering is volgens Frege een waarheidswaarde. Welke? Dat hangt af van de werkelijke kleur van deze roos. Precies zoals bij de oude Grieken, zou je zeggen. Toch lijkt er wel iets veranderd te zijn. Wat heet! Immers, niet “deze roos” is de primaire substantie, zoals bij Aristoteles, maar de eigenschap “is rood”, de functie is het primaire object geworden. De moderne logici hebben met hun predikatenlogica de metafysica van Aristoteles op zijn kop gezet!

Waarom is volgens Russell het onderwerp dat hij behandelt zo belangrijk? Die vraag beantwoordt hij in de volgende passages.

“The subject of denoting is of very great importance, not only in logic and mathematics, but also in the theory of knowledge. For example, we know that the centre of mass of the Solar System at a definite instant is some definite point, and we can affirm a number of properties about it, but we have no immediate acquaintance with this point, which is only known to us by description. The distinction between acquaintance and knowing about is the distinction between the things we have presentations of and the things we only reach by means of denoting phrases.”(…)

“In perception we have acquaintance with the objects of perception, and in thought we have acquaintance with objects of a more abstract logical character; but we do not necessarily have acquaintance with the objects denoted by phrases composed of words with whose meaning we are acquainted.”   (On Denoting, p.479)

Het is lastig om een vertaling te vinden voor de Engelse termen “to have acquaintance with” en “to know about”. Maar het is duidelijk dat de eerste hetzij kennis is die in de zintuigelijke waarneming haar directe oorsprong vindt hetzij kennis is van abstracte, dat is mijns inziens wiskundige, objecten, die alleen in ons denken bestaan (zuivere gedachtedingen). Van veel zaken hebben we alleen kennis via beschrijvingen ervan. We zijn er niet bekend mee. BNers zijn bekende mensen, in die zin dat het publiek veel van hun weet via de media. Maar dat wil niet zeggen dat ze veel mensen kennen. 

Mij doet Russell’s tekst onmiddellijk denken aan de agent van het waterleidingbedrijf en zijn computersysteem. De agent heeft allerlei informatie over de heer Russell, maar hij kent hem niet. Totdat Russell opmerkt “Ik ben niet dood.” We zien de agent over zijn brilletje heen kijken wanneer deze opmerkt: “Dat zie ik”. Hij neemt Russell waar. We hebben de neiging deze vorm van kennen te onderscheiden van het ontvangen van informatie. Stel u zich voor dat u uw geliefde vraagt: “Hou je nog een beetje van me?” en hij antwoordt: “Ik zal even informeren.”.

Kun je bekend met iemand zijn terwijl die jou niet kent? Of houdt iemand kennen noodzakelijk in dat deze jou ook kent? Zonder deze wederkerigheid is er sprake van weten van, of informatie hebben over iemand. In een echte intersubjectieve kennisrelatie is er wederkerigheid. Je ziet de ander die jou ziet zien. Het gekende is actief betrokken bij het gekend worden. Kenner en gekende zijn als het ware een in het kennen. Dit is echter een ideaalbeeld van kennen dat we vermoedelijk nooit echt kunnen realiseren. (Misschien is kennis van wiskundige objecten wel de enige vorm van kennis die aan dit ideaalbeeld voldoet. Maar dat zijn dan ook geen lichamelijke van ons onderscheiden objecten.)  Kunnen we ons informeren over wat er in de wereld gebeurd zonder dat de wereld ziet wat wij doen? Willen we meedoen aan het gebeuren, zonder dat we onze identiteit prijs geven aan het gebeuren? Willen we kijken maar niet bekeken worden? Voor het systeem zijn we x waarvoor een aantal proposities gelden: naam, adres, persoonsnummer. Maar het systeem kent u niet. Ze heeft alleen heel veel informatie over u. Toch kloppen we wel aan bij het loket van het systeem als we menen recht te hebben op een uitkering. Dan zul je je toch kenbaar moeten maken. En wie beroemd wil worden moet met de billen bloot.

Meester en knecht

Ik ben dienstweigeraar en ik moest “vervangende dienst” doen. Ik werd daarvoor geplaatst op het Arbeidsbureau te Enschede. Dat is wat nu het UWV heet: de instantie die beslist over uitkeringen. Ik werkte op de administratie-afdeling. Mijn werk bestond uit het bijwerken van de persoonsdossiers, de stamkaarten, die in grote metalen kasten in hangmappen waren opgeborgen. De nieuwe informatie kwam op speciale formulieren van beneden. Deze waren daar ingevuld door de lokettisten die klanten te woord stonden. Was er een nieuwe klant dan moest er een nieuw dossier worden aangemaakt. Na het bijwerken van de dossiers werden deze weer opgeborgen in de mappen. Ik denk dat ik er zo’n drie weken werkte toen ik me moest melden bij de directeur, de heer H. Deze deelde mij mee dat er klachten waren over mijn werkwijze. Was was het geval?

Op de formulieren die ik moest verwerken kwamen opmerkingen voor als  “vrouw met getatoeerde armen”, “man staat constant kouwend voor je”, “Turk; maakt niet de indruk echt werk te zoeken.”. Ik had tegenover mijn collega’s  – ambtenaren die er al wat langer zaten – te kennen gegeven dat ik dit type opmerkingen niet overnam op de stamkaarten. Ik moest dat volgens de instructies toch echt wel doen. Maar ik nam alleen die informatie in de dossiers op die ik van belang vond. 

De directeur H (ik kort zijn naam om privacy-redenen af tot H): Waarom doet u niet wat u wordt opgedragen? Ik: Die opmerkingen zijn persoonlijke indrukken van een loketbeambte die niet van belang zijn; ze kunnen verkeerd geinterpreteerd worden en doen geen recht aan de klant. H: Ze zijn van belang: we willen weten wat voor vlees we in de kuip hebben voor we een uitkering geven. Ik: U kent de mensen niet, u hebt alleen dossierkennis; de mens laat zich zo niet kennen; het dossier probeert vast te leggen wat veranderlijk is; de klant is morgen anders; naar de kapper geweest in een goeie bui. H: Wij nemen geen beslissing voor een dag; zodra iemand zich meldt bij ons loket voor een uitkering doet hij een beroep op het systeem en is daarmee onderworpen aan het systeem. Ik: maar het is niet nodig op te nemen in het dossier welke indruk iemand maakt op een lokettist. H: U gaat daar niet over; u moet uw taak uitvoeren. Ik: Ik doe wat mij goed dunkt. H: Ik ben hier de meester; u bent hier de knecht. Hier scheiden onze wegen; ik neem contact op met de dienst. 

Ik kon vertrekken en moest mij melden in Den Haag. “Neem uw toilet-artikelen en schone kleding mee.” stond op de uitnodiging.  Ik wist wat mij te wachten stond. Ik ging niet.        

De blinde schaakcomputer

Is “de blinde schaakcomputer” zoiets als “een vierkante cirkel” en verwijst het naar een niet bestaand ding? Of bestaat het wel? Wanneer we zeggen dat iemand blind is dan bedoelen dat hij een vermogen dat hij als mens, van nature heeft, mist. Zoals de dove niet-horend is, is de blinde mens niet-ziende. Hij mist een zintuig waarmee hij de wereld kan waarnemen op basis waarvan hij een voorstelling kan maken, die verwijst naar datgene buiten hem dat hij waarneemt. Dat “buiten” is onlosmakelijk verbonden met onze lichamelijke wijze van bestaan. Blind zijn behoort dus tot het gebied van de levende wezens; niet tot de niet-levende dingen. Wil de term blind dus slaan op computer dan moeten we die als een levend ding beschouwen en wel als iets dat van nature in staat is om te zien. De idee van de blinde computer vraagt dus om het onderscheid tussen een ziende en een niet-ziende computer. Dat is op het eerste gezicht eenvoudig te realiseren met sensoren. De ziende schaakcomputer heeft sensoren die gericht zijn op het fysieke schaakbord, zodat deze computer op ieder moment de stand op het bord waar kan nemen. De blinde computer heeft deze visuele sensoren niet. Deze heeft zoals eerder gezegd alleen een intern beeld van het schaakbord met daarop de stukken. Dat is allemaal opgeslagen in het interne geheugen van de computer. Maar wat is het verschil tussen deze twee? Wat voegen het bord in de buitenwereld van de computer en de sensoren waarmee deze het bord kan waarnemen toe aan het vermogen van de schaakcomputer? In aanmerking genomen dat de computer over voldoende geheugen beschikt en geen fouten maakt, helemaal niets. Ik neem aan dat dit duidelijk is.

Kunnen we een blinde computer maken die een blind schakende mens simuleert? Dat zou in principe wel kunnen. We moeten dan de werking van het geheugen simuleren. Maar dat is een heel ander project.

Waar het hier om gaat is het inzicht dat computers wel kennis hebben van de werkelijkheid via beschrijvingen en beelden die ze binnen krijgen, maar niet bekend zijn met de dingen en de mensen in die werkelijkheid. Russell’s onderscheid is dus inderdaad van groot belang voor ons inzicht in de werking van computers en systemen.

Eerder merkte ik op dat computer die schaken hun zetten moeten berekenen omdat computers rekenmachines zijn die alleen maar kunnen rekenen. Men zegt wel dat computer steeds meer taken van de mens kunnen overnemen en beslissingen kunnen nemen, maar dat is allemaal door berekeningen te doen. Maar is rekenen niet iets dat eigenlijk alleen mensen kunnen? En moet je dan ook niet zeggen dat rekenmachines eigenlijk ook niet kunnen rekenen? Om die vraag te beantwoorden moeten we hem omdraaien: kunnen mensen rekenen zonder machine? Het antwoord is ontkennend: zonder machine kan de mens niet rekenen. Omdat rekenen een machinaal proces is. Maar zou u tegen kunnen werpen, een machinaal proces is toch een fysisch proces. Dat klopt. Maar doet er niet toe. Het is volstrekt irrelevant voor het rekenen hoe we dit representeren. Net zomin als er een interne relatie bestaat tussen het woord “boom”en het object boom. Als we maar konsekwent zijn en eenzinnige tekens en processen gebruiken als representatie. Wij mensen kunnen niet rekenen zonder een systeem van tekens en eenduidige regels voor het manipuleren ervan, omdat dat uitmaakt wat rekenen in wezen is.

Conclusie (soort van)

Het moderne privacy-probleem is direct verbinden met het probleem van identiteit.

Het privacy-probleem is een probleem van de techniek. Daarom is het geen technisch probleem: het is geen probleem dat zich door middel van techniek laat oplossen.

Het is een van die problemen die door een bepaalde manier van denken, logica en metafysica (wereldbeeld), ontstaan en die zich niet door denken binnen deze logica laat oplossen.

In die zin is het geen probleem maar een paradox.

Om tot inzicht te komen in de huidige problemen rond identiteit en privacy is het nuttig om terug te keren naar de bronnen van onze hedendaagse logica. De wijze waarop Frege, Russell en vooral ook Wittgenstein met problemen van taal en werkelijkheid worstelden is bijzonder leerzaam en draagt op fundamentele wijze bij aan het inzicht in de problematiek van de moderne naar autonomie en automatie strevende mens.

Aristoteles’ idee dat de substantie, de unieke persoon, onkenbaar is, is zo gek nog niet. De moderne wetenschappen met hun statistieken geven wel veel informatie (Russell’s beschrijvingen) maar kennen de mens als individu niet. Reichenbach’s probleem van de referentieklasse werkt door in de praktische problemen die we tegenkomen bij de toepassing van statistieken, big data en machine learning, zoals bijvoorbeeld bij predictive policing.

Wanneer Aristoteles het over de onkenbare individuele substantie had doelde hij op de eerste klas burgers, zoals Socrates. Niet op het gewone volk, de knechten en slaven. In een modern democratie is iedereen zowel meester als knecht, zowel autonoom als een radertje in de machinerie van het systeem. Dat is mooi, maar soms lastig te accepteren.

Good goan!

Opdracht

Ik draag dit essay op aan mijn stadgenoot de CDA-politicus en Tweede-Kamer-lid Pieter Omtzigt omdat hij als een hedendaagse Socrates door door te vragen zich verzet tegen De Systemen om op te komen voor het individu wanneer deze door deze systemen worden gekrenkt.

Bronnen en referenties

Frege, Gottlob, 1892, ‘Über Sinn und Bedeutung’, Zeitschrift für Philosophie
und philosophische Kritik 100, pp. 25-50.

Russell, Bertrand. (1905) ‘On Denoting’, Mind n.s. 14, pp. 479-93, repr. in Russell, B. (1994), Collected Papers 4, pp. 415-27.

Boukema, Harm, “Russell en Wittgenstein: Vriendschap in onenigheid”, op zijn persoonlijke pagina harmboukema.nl

Sofia’s taalhandelingen

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over Sofia’s taalhandelingen.

Ik loop met de kleine Sofietje van twee turfen hoog (ze heet eigenlijk Sofia omdat ze dat zal worden) over het gras naar de rand van het weiland. De tuin is gescheiden van het weiland door prikkeldraad. Dat kent ze niet, denk ik, dus ik let op dat ze daar niet tegenop loopt. Ik waarschuw haar: pas op! dat is au! Ze lijkt het te begrijpen, maar ik ben er niet gerust op. Kleintjes kunnen soms zo onbehouwen doen. Dan wijst ze naar de verte en roept: koe! Daarbij draait ze zich om naar mij alsof ze wil zeggen: kijk opa! Maar ze is nog niet toe aan twee woorden, laat staan aan een zin als “daar staat een koe” of “ik zie een koe”. En inderdaad aan de overkant staan koeien. (Het meervoud is nog teveel voor dit kinderbrein.) Die koeien staan er sinds gisteren weer, nadat de buurman vorige week de deels verrotte palen van de omheining heeft vervangen door nieuwe eikenstammetjes. Als ze langs een struik loopt wijst ze ernaar, kijkt en roept: boom! Ik merk op dat het wijzen vooraf gaat aan het uitspreken van het woord. Zoals wij mensen gewoon zijn te doen. Waar heeft ze dit geleerd? Ondertussen heeft ze haar zonnebrilletje in het gras laten vallen en als we weer aanstalten maken om terug te kuieren naar het terras probeer ik: neem je bril mee. Ze waggelt er naar toe, pakt het rose plastic brilletje op en doet die op haar neus. “Andersom“, probeer ik. En jawel hoor: ze keert het dingetje om en zet hem op haar neus. Bij de anderen aangekomen doe ik verslag aan de rest van de familie. “Er staan koeien in de wei.” Waarop oma zich tot de kleine wendt : Heb jij koetjes gezien? En wat zegt de koe? (De vraag “wat zegt de [NAAM_DIER]” is een voor haar bekende vraagvorm die we stellen als we met Sofia een van haar dierenplaatjesboekjes doornemen.) Ze produceert een langgerekt boeeee…

Voor wie daar tijd voor heeft roept het kleine voorval enige vragen op. Herkent Sofietje de koe van de dierenplaatjes en lijkt voor haar dan ook de koe op de plaatjes uit haar boekjes (Sofia houdt van samen boekjes kijken), in plaats van andersom? En zal Sofia pas later zeggen dat een plaatje op een koe lijkt, zoals alle grote mensen plegen te doen, en niet andersom? Wanneer lijkt een struik voldoende op een boom om door haar als boom herkend te worden? (Waarom heet een grammaticale ontleedboom die we altijd met de wortel bovenaan tekenen en de woorden die de bladeren heten onderaan, een boom, terwijl het een oppekoppe struik is?) Stel dat ik er niet bij was en het voorval zich had voorgedaan terwijl ze alleen door de tuin dreutelde, had ze dan ook geroepen: koe! en boom! ? Ik denk het niet. Maar waren dan in ieder geval de woordjes koe en boom in haar opgekomen bij het zien van deze objecten? Wat gaat er in dat koppetje om? En als ik het niet was die met haar in de tuin liep, maar haar moeder, of haar Portugese opa Luis? Had ze dan niet koe! geroepen, maar vaca! en niet boom, maar arvore! Alsof de omstandigheden bij haar een ander taalregister opent. En in hoeverre is dat dan hetzelfde als wanneer ik in Portugal ben en probeer me in het Portugees verstaanbaar te maken? Zijn deze talen voor haar twee talen? Of is het net als de euromunt, een taal waarmee ze in meerdere landen uit de voeten kan. En heeft ze een idee van boom dat los staat van de taal die ze gebruikt om dat idee over te brengen via haar stem. Als ware het een virus dat via de lucht wordt verspreid. Je zou Sofietje’s uitroepen van het woordje koe! een taaldaad of taalhandeling kunnen noemen. Immers het is een daad waarbij ze taal gebruikt. Is de taaldaad voor Sofietje’s uitroep wat de koe is voor het woord koe? En als een koe boe! roept is dat dan ook een taaldaad van die koe? En wat bedoelt ze dan daarmee? En voor wie? En wat is het idee dat ze dan overbrengt? Kan het idee via taal overgaan van dier op mens, en mens op dier? Zoals een virus. Deze vragen brengen ons naar Amsterdam, 1979.

De Eerste Nederlandse Filosofiedag

In 1979 nam het Genootschap voor Wetenschappelijke Filosofie het initiatief voor het houden van De Eerste Nederlandse Filosofiedag. Je gelooft het niet, maar dat was inderdaad in pas zo’n anderhalve eeuw na de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden. Precies drie en een halve eeuw nadat ene R. Descartes, als ingeschrevene aan de Akademie van Franeker, in 1629, aan zijn eerste filosofie werkte.

Het doel van deze dag was om de filosofen die na de oorlog zich afgekeerd hadden van iedere vorm van vereniging dan wel zich hadden teruggetrokken in traditionele verenigingen weer eens regelmatig bij elkaar te brengen. Het landschap van de Nederlandse filosofiegemeenschap in de eerste helft van de vorige eeuw kan het beste beschreven worden als een strijdveld, waarop rivaliserende genootschappen elkaar bestreden.

Er waren in de eerste helft van de vorige eeuw meer filosofische genootschappen en clubjes in Nederland dan er in Enschede voetbalverenigingen waren (en dat waren er zo’n 30): hegelianen, kantianen, neo-thomisten, fenomenologen, formalisten, logici. En niet te vergeten de significa, de club van G. Mannoury, die als belangrijkste doel zag om tot een alomvattend begrip te komen en “daarmede de weg te banen naar een vollediger begrip van de onuitputtelijke problemen, waarvoor ieder bezinning op de wereld der verschijnselen ons telkens opnieuw stelt.” Het was inderdaad een problematische tijd, zwanger van oorlog. Kerngereedschap om tot dit nobele doel te komen was het begrip taaldaad, dat wel opgevat werd als het overbrengen van een brok informatie. De taaldaad kent vele varianten: een Nederlandse zin, Sofietjes koe!, een formule, een verkeersbord, een vuistslag. Kortom, de situatie in de filosofie was tamelijk chaotisch.

Nu denkt u misschien dat filosofen verstandige mensen zijn die proberen gezamenlijk wat orde te scheppen en tot wederzijds begrip te komen. Niets is minder waar. Zoals de voetbalverenigingen Sportclub Enschede en Enschedese Boys elkaar te vuur en te zwaard bestreden zo ging het toe in de filosofische arena. Daarbij kwam nog dat politiek en filosofie soms nauw met elkaar verweven waren in de hoofden van de filosofen. Zo maakte Mannoury zich met zijn communistische gedachtengoed niet erg populair. Vooral niet bij de logici onder leiding van de grote E.W. Beth.

Het Genootschap voor Wetenschappelijke Philosophie werd in 1938 de nieuwe naam van het door o.a. T. Goedewaagen in 1924 opgerichte Genootschap voor Critische Philosophie. Deze werd opgericht om plaats te bieden aan filosofen van diverse pluimage. Ook Beth werd lid van de club. Het boterde echter slecht, zowel tussen de verschillende filosofische bloedgroepen en genootschappen als tussen de leden van het Genootschap.

Waarom leidt de gedachtenwisseling in het genootschap niet tot verstandhouding in
den eigenlijke zin des woords
.’ vroeg Beth zich eens vertwijfeld af. Er werd voorgesteld om gebruik te maken van de resultaten van de moderne logica voor het verhelderen van de door de partijen gebruikte redeneerwijzen. Kennelijk was de gedachte dat misverstanden voortkwamen uit de vaagheid en ambiguiteiten van de natuurlijke omgangstaal waarvan men zich in het debat bediende. Rond de eeuwwisseling werd er druk gewerkt, door o.a. Bertrand Russell, aan het ontwikkelen van een meer exacte logische taal die door sommigen werd gezien als de taal waarin je kunt zeggen wat je precies bedoelt. Het mocht niet baten. Naar mate het reine volksvirus de grenzen van Nederland naderde werd het politieke klimaat chaotischer. De hegeliaanse-dialecticus Tobie Goedewaagen, een privaat-docent in de wijsbegeerte aan de Universiteit van Utrecht, zou geprobeerd hebben het Genootschap naar zijn hand te zetten. Menig lid keerde het Genootschap de rug toe. Goedewaagen in 1938. In 1941 verliet Beth het Genootschap vanwege de weinig kritische houding tegenover het populaire Volksempfinden. Goedewaagen, die bijdroeg aan de door de bezetter ingestelde Kultuurkamer bracht het tijdens de oorlog tot leider van de Nederlandse filosofen. Een citaat uit een lezing van deze verdwaalde filosoof wil ik de lezer niet onthouden.

Nederland voerde eenmaal oorlog met Spanje, Engeland en Frankrijk – alle machten, die ons bestaansrecht te land en ter zee trachtten te knotten, met als resultaat: doorlopende chaos in Europa. De vijfdaagsche oorlog [de inval van Duitsland in Nederland in mei 1940] van het Derde Rijk heeft een andere zin. De vreemde macht kwam niet om onze zelfstandigheid te vernietigen, maar om ons volk in te schakelen. Deze ‘oorlog’ was geen ‘oorlog’, doch een ‘revolutie’ onder de vlag eener idee.’

Het is alsof je de door de Fuhrer in mei 1940 tot Rijkscommissaris voor Nederland benoemde Seys-Inquart zelf hoort. Die stelde Goedewaagen aan als secretaris-generaal van het departement van volksvoorlichting en kunsten. Voor de nationaal-socialist en notoire antisemiet Goedewaagen was een ‘eigen volk’ een gezuiverd volk, van vreemde smetten vrij. Kan een filosoof anti-semiet zijn? Kennelijk. Maar kan een goede filosoof anti-semiet zijn? Dat zou toch uitgesloten moet zijn! Na de oorlog heeft deze filosoof in een “gratis door de Nederlandse staat gedurende enige tijd ter beschikking gestelde filosofenkluis” zijn leven nog eens kunnen overdenken. In 1952 werd hem amnestie verleend. Hij kon slechts nog verder leven door een groot deel van zijn leven te vergeten. Maar laten we deze donkere periode snel verlaten en terug gaan naar 15 september 1979.

De Centrale Interfaculteit van de Universiteit van Amsterdam kreeg de eer de filosofiedag te mogen organiseren. Voor belangstellenden die niet aanwezig waren werden de bijdragen ter beschikking gesteld. Gelukkig maar. Want in de categorie Logika en Taalfilosofie vinden we een bijdrage van Harm Boukema. Onder de weinig aantrekkelijke titel Intentionele analyse van illocutionary acts vinden we een voor ons doel interessante analyse van taaldaden. Waarom is deze bijdrage zo interessant en wat heeft het te maken met het bovenbeschreven klein voorval met Sofietje? Maar wie is Harm Boukema? Ken ik hem? Wat heet kennen?

Harm Boukema was universitair docent Geschiedenis van de Wijsbegeerte aan de Universiteit van Nijmegen. (Ook al in 1979? Of zat hij toen nog in Twente?) Zijn werk is te vinden op zijn persoonlijke website. Zijn kritische en sympatieke manier van filosoferen wordt gekenmerkt door zijn belangstelling voor de persoonlijke inspiratie van de filosoof wiens werk hij bespreekt. Wat drijft deze filosoof? Waar worstelt hij mee? Wat is zijn plaats in het historisch filosofisch debat? Inspiratie daar gaat het om in het leven. Of je nu een bevlogen voetballer, filosoof of violist bent. Dat doet er niet toe.

Het is schitterend als je geïnspireerd kunt leven maar als je daar geen zin in hebt, dan is dat ook uitstekend.” zegt hij in een interview naar aanleiding van zijn emeritaat.

Harm Boukema promoveerde in 2010 in Nijjmegen op een wetenschappelijke proeve op het gebied van de filosofie. In zijn 65ste levensjaar, op de dag dat hij vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd de universiteit verliet. Ik weet niet of hij dat al zo gepland had toen hij vele jaren eerder aan een proefschrift begon. Zou het niet eerst over Wittgenstein gaan? Of over Frege? Het werd uiteindelijk Russell. Zijn dissertatie is “een poging de vruchtbaarheid van een “dialectische analyse” aan te tonen door die toe te passen op een geducht en veelbesproken stukje uit de geschiedenis van de vroege analytische filosofie.”

Dat “stukje” is Russell’s On Denoting, een taaie tekst van amper 14 pagina’s, over het referentieprobleem van taal. Het gaat over grammaticale frasen zoals “een meisje”, “de koe”, “sommige mannen”, “alle mannen”, “de koning van Nederland”, “de koning van Frankrijk”. Het zijn frasen waarmee verwezen wordt. Hij noemt ze “denoting phrases”. Maar wat is verwijzen voor relatie? Dat is kort gezegd het referentieprobleem. Voor Sofietje en voor de meesten van ons is het helemaal geen probleem. Het is typisch een filosofenprobleem. Maar volgens Russell is het een belangrijk probleem. Niet alleen van belang voor de logica en de wiskunde, maar ook voor de kwestie wat we onder kennis verstaan. (Kennis was in de 19de eeuw object van een nieuwe wetenschap geworden, de epistemologie.) Je kunt namelijk op twee manieren spreken van kennen. Sommige dingen kennen we alleen via beschrijvingen die we ervan hebben, terwijl we er niet direct bekend mee zijn. Als voorbeeld noemt Russell de “geest” van iemand anders (other people’s minds, seeing that these are not directy perceived). Met dingen waarmee we direct bekend zijn bedoelt Russell kennelijk die dingen die we direct kunnen waarnemen. We kunnen dus zeggen dat Sofietje bekend is met de koeien. Russell is, volgens mij, een dwarse denker. Zo heeft hij ook eens, dwars tegen Wittgenstein in, beweerd dat als we geen prive-taal hadden we ook niet met elkaar konden communiceren. Waar hebben we het over als we het hebben over “de huidige Koning van Frankrijk” of over “het verbrande huis” of over “het snijpunt van de lijnen a en b”? Of als we zeggen “Kijk, daar ligt een opgegeten boterham!”

Ik denk dat de meeste mensen het wel met G. Frege eens zijn dat deze uitdrukkingen iets betekenen maar dat sommige niet naar bestaande objecten of mensen of wat ook verwijzen. Ja, misschien naar een idee, een fantasma, een gedachtenconstructie, iets dat alleen in de geest van iemand die de term hanteert bestaat of iets dat alleen in de taal bestaat. Maar ja, wat is bestaan? Sofietje roept “paard“, waarop opa zegt, nee, het paard is er niet. (Sofietje heeft onthouden dat er de vorige keer een paard in de wei stond.) Frege onderscheidt Sinn en Bedeutung. De uitdrukkingen “het snijpunt van a en b” en “het snijpunt van a en c” hebben verschillende Sinn maar ze kunnen het zelfde punt aanduiden. Dat snijpunt is de Bedeutung van de uitdrukking. De uitdrukking “de volledige planaire graaf op 5 punten” heeft wel degelijk een Sinn, maar zo’n ding bestaat niet. Net zomin als een vierkante cirkel. Probeer het maar eens: teken 5 punten en verbindt elk punt met elk ander punt (een volledige graaf) zonder dat twee lijnstukken elkaar snijden (planair). Dat u dat niet lukt is nog geen bewijs dat het niet kan. Het kan ook aan u liggen. Maar met hulp van Euler kunnen we bewijzen dat het echt niet kan. Probeer het maar eens. Er is niets fijners en mooiers in ons onzeker bestaan dan een waterdicht wiskundig bewijs.

Voordat ik weer bij Harm Boukema terug kom, nog even een opmerking over Sofietje’s koe! Wat de kleine meid ons met deze taaldaad toont, is dat ze de koe opmerkelijk vindt, een verschijnsel dat in haar nog zo prille bestaan kennelijk waard is om door haar opgemerkt te worden. Duitsers, zoals Frege, zouden de term bedeutend hier gebruiken. Ignacio Angelelli wees op deze connotatie van Bedeutung. Een woord betekent niet zomaar iets, maar iets dat wat te betekenen heeft, wat beduidend is.

Harm analyseerde vanuit zijn hegeliaanse en neo-thomistische achtergrond de analytische filosofen. Hij was assistent van Jan Hollak, die later naar Amsterdam verhuisde. Harm droeg zijn proefschrift op in herinnering aan zijn leermeester Jan Hollak. Hij zocht vanuit zijn continentale achtergrond de confrontatie met de analytische filosofen, voor wie de taal een allesbehalve vanzelfsprekend fenomeen is. Platgezegd komt de logica van Hegel erop neer dat de waarheid tot haar recht komt in de verzoening van de strijd tussen twee tegenpolen. Boukema is uit op verzoening. Niet door de tegenstellingen met de mantel der liefde te bedekken, maar door de partijen te begrijpen als tegenstellingen. De filosofische puzzle bestaat erin de gemeenschappelijke eenheid te zoeken in de tegenpolen. Zijn dissertatie – Russell’s Second Paradox: a dialectical analysis of ‘On Denoting’ -“verschaft geen uitgewerkte theorie over tegenstellingen, maar slechts de elementaire richtlijn dat tegenpolen als zodanig iets met elkaar gemeen moeten hebben.”

Van woorden en frasen naar zinnen

J.L. Austin is een van die analytische taalfilosofen waar Boukema in zijn bijdrage zich mee verstaat. Terwijl Russell zich druk maakte over de referentie van woorden en frasen, had Austin meer aandacht voor volledige zinnen. Een bundel essays van Austin is uitgegeven onder de titel “How to do things with words?“. Deze drukt een kernidee uit in de filosofie van Austin: mensen doen iets met woorden. Nu had Plato ook al gezien dat spreken een vorm van handelen is. Wat dat betreft was er dus niets nieuws onder de zon toen Austin zijn gehoor met zijn zelfverzonnen term performative utterance confronteerde. Austin vond het een lelijk woord: performative, maar hij kon geen beter woord vinden “that could do the job”. Maar het voordeel is, zegt Austin, dat het niet een erg diepgaand (Eng. profound) woord is. Iemand die een lezing van hem over dit onderwerp had gevolgd merkte na afloop op: “You know I haven’t the least idea what he means, unless it could be that he simply means what he says.” Waarop Austin’s commentaar luidt: “Well, that is what I should like to mean.” Waarom dan een nieuw woord introduceren? Wat had Austin voor nieuws te vertellen?

Beweringen en waarheidswaarden

Het was hem opgevallen dat de aandacht van de filosofen zich beperkte tot een bepaald soort uitspraken: de bewerende zinnen of oordelen: “Sofia loopt in het gras.“. Kenmerk van deze zinnen is dat ze waar of onwaar zijn. Sommige geleerden vatten de waarheidswaarde van een bewering zelfs op als de betekenis van de zin. Die gerichtheid van de filosofie op constaterende uitspraken kan wellicht verklaard worden vanuit hun interesse voor de Waarheid. Een zin is waar wanneer datgene wat in de zin gezegd wordt in overeenstemming is met de feiten, i.e. met wat werkelijk het geval is. Dus “Sofia loopt in het gras” is waar dan en alleen dan als het werkelijk zo is dat Sofia in het gras loopt. Een maniakaal soort logica. De geleerden, wiskundigen, logici, taalfilosofen, zoals Frege, Wittgenstein en Russell maakten zich vooral druk over de kwestie wanneer een zin zinvol is en wat er eigenlijk bedoeld kan zijn met de zin “De koning van Frankrijk loopt in het gras” wanneer er helemaal geen koning van Frankrijk bestaat!? Heeft zo’n zin nog een waarheidswaarde?

Er is iets merkwaardigs met die waarheidswaarde van beweringen. Wanneer iemand iets beweert, bijvoorbeeld: Deze roos is rood. Dan bedoelt hij daarmee te zeggen dat een zekere roos een bepaalde kleur, namelijk rood, heeft. Wanneer iemand zegt: “Deze roos is niet rood” dan bedoelt hij eveneens iets te zeggen wat het geval is. Dat is iets anders dan te zeggen dat de zin “Deze roos is rood” waar dan wel onwaar is (of, anders gezegd, de waarheidswaarde waar of onwaar heeft). Het is het verschil tussen een oordeel uitspreken en een zin uitspreken die waar is. In het laatste geval worden ware en onware zinnen op het zelfde plan gezet. Terwijl alleen de ware zinnen overeenkomen met een oordeel. Een bewering is een aktiviteit waarin wordt gezegd hoe de zaken ervoor staan. Wanneer we de aandacht richten op de zin in plaats van op het oordeel dan abstraheren we van het oordeel als aktiviteit.

Austin was meer geinteresseerd in de pragmatiek van taal

Het was Austin verder opgevallen dat er zinnen zijn die weliswaar de grammaticale vorm hebben van een bewering (“they look like a statement”) , maar die niet waar of onwaar zijn, terwijl ze niettemin zinvol zijn. Met de term performative wilde hij wijzen op een dergelijk soort van taalgebruik. Hij doelde daarmee op uitingen als “Ik beloof morgen te komen” of “Ik kom morgen”, of “Ik doop u in de naam van …”, of “Ik waarschuw je.” of “Je bent ontslagen.” Anders dan de taaldaden van de Nederlandse significi beperkte zijn aandacht zich tot “echte talige” uitdrukkingen (acts of speech). De Engelse term “speech act” werd in het Nederlands vertaald als “taalhandeling”. Schouderophalen en het afschieten van een kanon vallen buiten dit begrip. Het waren dan ook met name de taalkundigen die zich met deze zaken gingen bezig houden. En in hun kielzog de computerwetenschappers die zich, vooral geinspireerd door de filosoof Searle, bezighielden met de formele beschrijving van de semantiek van natuurlijke taal. Met als doel te specificeren hoe software agenten met elkaar kunnen inter-acteren. En hoe mensen met kunstmatige agenten kunnen “converseren”.

Het bijzondere aan taaluitingen als “Ik kom morgen.” is dat de spreker door dit te zeggen iets doet dat nog heel iets anders is dan spreken: hij belooft degene tot wie hij zich richt morgen te komen. Het is geen verslag van een stand van zaken zoals in “Hij belooft te komen.” Opdat het uitspreken van deze zin een act van beloven is, moet de situatie waarin deze wordt uitgesproken wel aan zekere voorwaarden voldoen. Wanneer ik tegen Sofietje zou zeggen “Er loopt een stier in de wei” dan kan deze expressie in bepaalde omstandigheden als waarschuwing gelden en werken, terwijl het in andere omstandigheden als een simpele opmerking moet worden opgevat om haar opmerkzaam te maken van het feit dat er een stier in de wei loopt. Je kunt dat aan de zin zelf niet afzien.

Bij nadere analyse ontdekte Austin dat ook het uiten van een beweringszin een handeling is en wat dat betreft dus valt onder zijn performatieven. Voor de bijzondere klasse van handelingen die we aanduiden met woorden als bedanken, beloven, bevelen en waarschuwen voerde hij toen de nieuwe term illocutionary act in.

Wat Boukema in zijn bijdrage doet is een analyse van dit type illocutinaire handelingen. Niet vanuit het gebruikelijke linguistische perspectief als “dingen die we met woorden doen“, maar vanuit een filosofie van intersubjectiviteit, als “dingen die tussen mensen gebeuren.” Wanneer ik tegen Sofietje in de gegeven situatie zeg “Het prikkeldraad doet au.” dan doe ik meer dan iets benoemen. En dat is niet alleen zo bij waarschuwen maar ook bij beweren. Als ik zeg “Deze roos is rood” dan refereer ik niet alleen naar een subject (deze roos) waarvan ik een predikaat uitzeg (de roodheid). Ik beweer iets tegen de ander, bijvoorbeeld tegen Sofietje om te demonstreren wat rood betekent. De vraag die Boukema stelt, is: wat is nu de aard van de verbinding tussen het zeggen van de zin en het beloven of tussen het zeggen en het beweren? Het gaat hier om een tamelijk innig verband tussen twee handelingen. In elk geval is het verband tussen de locutionaire act van het zeggen en de illocutionaire act van het beloven of waarschuwen of beweren, een andere dan bij de perlocutionaire handelingen. Alweer een nieuw woord. Wat zijn dat voor dingen? Een paar voorbeelden.

Test, test , test! Mooie rooie tomaten! 2+3 = ?

Wanneer ik iemand wakker wil maken, kan ik dan doen door te zeggen “Wakker worden!” Ik moet dat niet fluisteren, want dan werkt het niet. Het beoogde effect komt immers tot stand vanwege het geluid dat ik maak door het uitspreken van de zin. Ik had ook kunnen roepen “Mooie rooie tomaten!” als ik het maar luid genoeg doe, afhankelijk van de omstandigheden. We hebben overigens van nature wel de neiging om te zeggen wat we doen, zo roepen we “Test, test ,test” als we een microfoon willen testen, maar het is niet noodzakelijk. We hadden ook “Tomaten een kwartje!” kunnen roepen om te testen. Er is een uitwendig verband tussen de betekenis en het bedoelde effect. Rekenmachines werken deels volgens dit principe: het uitwendige verband tussen de door het invoeren van de opdracht beoogde effect en de betekenis die de opdracht voor ons heeft. We kunnen zeggen dat de slaper die wakker wordt daarmee laat zien “begrepen te hebben” wat we bedoelden met “Mooie rooie tomaten!” . Evenzo kunnen we stellen dat de rekenmachine begrepen heeft wat we bedoelden met het invoeren van de expressie “2+ 3 = ” toen deze daarop antwoordde met: “5”. We hebben we machine zo geconstrueerd dat het effect vanhet invoeren van de som een proces te weeg brengt dat we kunnen interpreteren als het uitvoeren van de bedoelde berekening. Het is duidelijk dat het verband waarnaar we aan de hand van Boukema op zoek zijn niet van een dergelijke uitwendige aard is. Maar hoe dan?

Engagerende taalhandelingen

Boukema’s jacht op het bijzondere karakter van de door Austin beoogde illocutionaire taaldaden zoals beloven en waarschuwen, voert hem uiteindelijk tot de invoering van de term engagerende taaldaden. Deze onderscheidt hij van de informerende taaldaden: iemand iets vertellen, een vraag stellen, een opmerking maken. Austin had al gewezen op het feit dat de omstandigheden waarin een illocutionaire daad als beloven voltrokken wordt ge-eigend moet zijn. De uitspraak “ik doop u” werkt alleen maar in een bijzondere situatie wanneer deze wordt uitgesproken door iemand die daartoe bevoegd is en wanneer deze gericht is tot de ander die daarmee gedoopt wordt (of een schip dat daarmee gedoopt wordt). Evenzo vereist het uitspreken van “U bent ontslagen” of “Ik beloof dat ik morgen kom” iets van de spreker, de geaddresseerde en van de situatie waarin deze betrokken zijn. Deze persoonlijke betrokkenheid van de spreker als spreker en de geadresseerde als de ander waartoe de spreker zich richt, zijn degenen die in de inhoud van de handeling een essentiele rol spelen. Als ik zeg “ik beloof je dat ik zal komen” dan is dat slechts waarachtig een belofte als ik en jij daarin als spreker en geaddresseerde betrokken zijn. Bij informerende taaldaden is die immanente betrekking er niet. Wanneer ik tegen Sofietje zeg “Het prikkeldraad doet au” bedoeld als waarschuwing dan druk ik daarmee uit dat ik me om haar bekommer en dat ze op moeten passen. Het zullen zeker niet alleen de woorden zijn die het beoogde effect bereiken. De toon waarop en de hele situatie waarvan we beide deelgenoot zijn maken als het ware waarschuwende karakter ervan. Ik denk dat Sofia dat aanvoelt. Zo, door deze beleving, leert ze wat waarschuwen is. Alleen voor wie weet wat waarschuwen is werkt een waarschuwingsbord. In een voetnoot wijst Boukema erop dat het plaatsen van zo’n bord geen eigenlijke taaldaad is maar de betekenis ontleend en dus afgeleid is van de konkrete daad van het waarschuwen. Engagerende taaldaden ontlenen hun zin aan een betrekking die als zodanig vraagt om een daad waarin ik mij op bepaalde wijze als op jou betrokken engageer.

Voor het juiste begrip van Boukema’s engagerende taaldaden moeten we zien wat hij met de intersubjectieve akt van het “zich tot een ander wenden” bedoelt. Het zich tot een ander wenden is een eigensoortige intentionele gerichtheid waarin de ander niet alleen als ander subject geintendeerd is maar ook als degene voor wie de daad bestemd is. Ik kan dit het beste uitleggen aan de hand van een voorbeeld. Wanneer ik iemand iets geef dan doe ik dat met de intentie dat de ander dat ziet en het gegeven ontvangt (ik neem aan dat de ander daarvoor ontvankelijk is). Pas in het ontvangen is het geven voltooid (gelijk het verstaan het spreken zin geeft). Maar niet alleen het gegeven maar ook dat het gegeven door mij gegeven is moet ontvangen worden. En als gever bedoel ik niet alleen dat de ontvanger het gegeven ontvangt maar ook dat deze mijn geven als bedoelde daad accepteert. De behoefte vernomen te worden door de ander behoort tot de kern van het zich wenden tot de ander. Pas door een dergelijke intersubjectieve relatie komt het subject tot zijn recht als subject. Het is deze reflexiviteit die het wezenlijke verschil maakt met alle andere vormen van beinvloeden: manipuleren, intimideren, dwingen, nudging.

De moderne vormen van intersubjectiviteit zijn het resultaat van interaktie via communicatiemiddelen en het delen van informatie op het internet via social media. Deze zijn afgeleide vormen van de onmiddellijke aanwezigheid en de persoonlijke betrokkenheid van persoon tot persoon in een als gemeenschappelijk ervaren situatie. Zoals het waarschuwingsbord afgeleid is van de engagerende waarschuwingsdaad. Het bord kan echter eenvoudig genegeerd worden. Net als de vele berichten die de wereld ingestuurd worden eenvoudig door niemand verstaan worden.

Wie in deze tijden van Corona ervaring heeft opgedaan met het communiceren via een video-verbinding die heeft ervaren hoe deze omstandigheid invloed heeft op de kwaliteit van het proces. Het zich wenden tot elkaar zonder direct fysiek in elkaars omgeving te zijn doet afbreuk aan de kwaliteit. Je kunt elkaar geen hand geven, je kunt elkaar niet knuffelen, je kunt elkaar niet in de ogen kijken. Lichamelijkheid is misschien wel belangrijker voor intersubjectiviteit dan wij beseffen als we het over het lichaam en de lichamelijke uitingen als communicatiemiddel hebben, zoals we plegen te doen. Voor sommige intersubjectieve handelingen bieden de moderne communicatiemiddelen niet de geeigende voorwaarden.

Waarom was Harm’s bijdrage voor mij interessant? Omdat hij met zijn analyse de taal thuisbrengt waar deze thuis hoort: in de ontmoeting van mensen, in het gesprek, in een concrete situatie die de gesprekspartners delen. Want waar komen vragen en antwoorden anders tot hun recht dan in hun wederzijdse betrekking, in de open dialoog van mens tot mens?

Good goan!

Bronnen en referenties:

Barendse, B.A.M, 1951. Intersubjectief verkeer en lichamelijkheid. In: Zich door het leven heen denken: keuze uit het werk van prof.dr. B.A.M. Barendse. Kok, Kampen.

Angelelli, Ignacio, 1982, ‘Frege’s notion of Bedeutung’, in: Cohen, L. J.,
et al (eds.), Logic, Methodology and Philosophy of Science, VI, 1979,
Amsterdam, North-Holland, pp. 735-753.

Austin, J.L., 1962. How to do things with words, the William James Lectures delivered at Harvard University in 1955. ed. by Urmson, J.O. and Sbisa, Marina, Oxford, 2e druk.

Austin, J.L. 1956. Performative utterances. In: Philosophical Papers, Third Edition, Edited by Urmson, J.O. and Warnock, G.J., Oxford University Press, 1979.

Frege, Gottlob, 1892, ‘Über Sinn und Bedeutung’, Zeitschrift für Philosophie
und philosophische Kritik 100, pp. 25-50.

Boukema, Harm, 1980. Intentionele analyse van illocutioary acts. In: Filosofische Reeks nr. 6 – 1980. Filosofische lezingen gehouden op de Eerste Nederlandse Filosofiedag 15 september 1979, Universiteit van Amsterdam.

Boukema, Harm, 2010. Russell’s second paradox: A Dialectical Analysis of ‘On Denoting’, Proefschrift Universiteit Nijmegen, 2010.

Hacking, Ian, 1980. Wat heeft filosofie met taal te maken? Boom Meppel, 1980.

Russell, Bertrand. (1905) ‘On Denoting’, Mind n.s. 14, pp. 479-93, repr. in Russell, B. (1994), Collected Papers 4, pp. 415-27.

Searle, J.L., 1977. Taalhandelingen: een taalfilosofisch essay. Aula, het Spectrum.

Van Ulsen, Paul., 2017. Organisaties en genootschappen.