Veeltaligheid

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het nu over Veeltaligheid.

Es ist in Namen dass wir denken“.

Onze kleindochter Sofia wordt meertalig opgevoed. Dat klinkt anders dan het in werkelijkheid is want dat meertalige gaat net zo vanzelf als het voeden en het opvoeden. Ik bedoel maar te zeggen dat er geen extra aandacht besteed wordt aan de opvoeding vanwege het feit dat haar vader het Nederlands en haar moeder het Portugees als moedertaal heeft en dat pa en ma vanaf dat ze elkaar leerden kennen en ook vanwege hun werk regelmatig tot het Engels hun toevlucht nemen.

Sofia is nog geen twee en leert in een hoog tempo de namen van de dingen. Eerst passief; de herkenning van de klanken en de associatie met de dingen. Dan het naproduceren van de klanken. Na papa, mama, opa en oma komen beer boom bal boek, pop. Als mama haar vraagt, wijzend op haar neus, mond, oor, hoe dit heet dan zegt ze de namen in het Portugees. Maar water is altijd aqua. Of ze nu bij ons is of in Portugal. Ze roept wanneer we naar de wei achter het huis lopen “paard” ook al is het paard dat er vorige week stond in geen velden of wegen te zien. Inmiddels is ze toe aan het combineren van dingen: papa auto. Taal is een verschijnsel dat sowieso allerlei vragen oproept, Sofia’s meertaligheid is een fenomeen dat deze nog eens versterkt onder de aandacht brengt.

Taal is eerst klanktaal; zoveel is wel duidelijk. Wij als volwassen sprekers zeggen wel dat Sofia de namen van de dingen opnoemt, maar die namen zijn gesproken gebaren, klanken, waarin wij de namen van de dingen herkennen. Dat de omzetting van deze innerlijke woordklanken naar de namen als geschreven woorden geen trivialiteit is dat leert onze Lilly, die in in klas 2 zit. Het Portugees kent niet alleen andere namen voor de dingen, het klinkt anders dan het Nederlands, het Spaans, het Engels.

Heeft Sofia een moedertaal, het Portugees, en een vadertaal, het Nederlands? Hebben sommige kinderen die tweetalig worden opgevoed een moedertaal die ze uitsluitend met hun moeder spreken en een vadertaal die ze uitsluitend met hun vader spreken? Als het zo is dat wij in namen denken, in welke taal denken tweetalige kinderen dan? Misschien hangt dat samen met het onderwerp waarover gedacht wordt. Ik dacht over technische zaken, zaken waarover ik vooral in wetenschappelijke literatuur had gelezen en waarover ik met anderen collega’s, studenten, sprak, in het Engels wat niet mijn moedertaal is. Alle andere talen dan het Nederlands – misschien ook wel het Fries – zijn voor mij vreemde talen. Talen die ik op latere leeftijd, eerst op school: Engelse, Frans, Duits, later in de praktijk, in beperkte mate heb geleerd.

Maar misschien denken kinderen van twee jaar nog niet in een taal. Waarschijnlijk is het “denken” net als “taal” anders wanneer het over kinderen gaat dan wanneer het over volwassenen gaat. Zijn de woorden die de tweejarige spreekt meer dan klankreproducties? Zijn het ook al woorden die een emotie uitdrukken? Wanneer ik met Sofia naar de wei loop en we naderen het prikkeldraad zegt ze au, en zo klinkt het ook. Maar de emotie die in die klank zit is niet die ze zelf heeft ervaren, want ze heeft zich nog niet aan dit prikkeldraad pijn gedaan. Het is de emotie die klinkt in de waarschuwing die ik bij een eerder gelegenheid uitte: “pas op dat is au”.

De gesproken woorden zouden volgens Aristoteles’ openingszinnen van De Interpretatione (zie onderaan) uitdrukking zijn van wat de ziel ervaart. Maar is dat wel zo? Wat bedoelde hij met de woorden? Kennelijk iets anders dan de toevallige klanken die we met de dingen hebben leren associeren. Want wat hebben de klanken bal, boom en boek nu met een ervaring van de ziel te maken? Of zou het zo kunnen zijn dat de mens in de tijd van Aristoteles veel dichter bij de dingen stond dan nu het geval is en dat de namen voor de dingen inderdaad de expressie waren van een intieme band tussen de ziel, de gedachte en het in die gedachte aanwezige ding? Toen de dingen nog een ziel hadden.

Geschreven woorden en hun letters… (uit: M.Janssen en A.Visser 2002)

“So what is a Word really?” vroegen Maarten Janssen en Albert Visser (2002) zich in navolging van Aristoteles ook al af. Woorden bestaan in hun gebruik en dit vooronderstelt een historische band met het gebruik van hetzelfde woord. In een voetnoot voegen ze hieraan toe een opmerking over het gebruik van de term gebruik (the use of use). Ze zeggen dat we dit gebruik hier cum grano salis moeten nemen. Wanneer op het display van een geldautomaat komt te staan “wilt u uw saldo weten?” dan is er geen persoon die deze vraag uit. Hier is sprake van gebruik van de woorden zonder dat er in eigenlijke zin een gebruiker is die deze woorden uit. Deze woorden functioneren slechts als tekens. Die mogelijkheid ontlenen ze aan een zelfstandigheid die de woorden hebben inzoverre ze begrepen worden als verwijzend naar een ritueel gebruik. De taal is hier een interface tussen mens en machine.

Aristoteles tweede opmerking is dat de geschreven woorden staan voor de gesproken woorden, zoals de gesproken klanken staan voor de zielservaringen. Dat taal primair gesproken taal is, dat is wel duidelijk. Veel mensen kunnen en konden niet lezen en schrijven. En we begrijpen een tekst pas wanneer we de woorden horen. De taalontwikkeling van een kind is ongetwijfeld gekoppeld aan de fysiologische ontwikkeling van zowel het vermogen klanken te produceren als van het vermogen klanken te onderscheiden. Wie het Engels als moedertaal heeft kan het verschil tussen de woorden bed, bat en bad veel beter maken en verstaan dan de Nederlander. De Chinees heeft problemen met de r en de l.

Woorden hebben een betekenis. Dat is helder. Maar wat is “betekenis”? Wat is dat betekenen? Komt de betekenis van “Mijn papa is dokter” uitgesproken door een vijfjarige overeen met dezelfde uitspraak gedaan door een vijftienjarige? En als de tweetalig opgevoede deze zin uitspreekt in haar vadertaal of in haar moedertaal zegt ze dan hetzelfde, alleen in een andere taal? Is het verschil tussen papa en vader of daddy net zo groot als het verschil tussen deze woorden en hun Portugese vertalingen?

Wat nu misschien nog het verschil uitmaakt tussen de talen van Sofia zijn de losse woorden, de klanken die ze koppelt aan de dingen. Maar een taal is niet een verzameling woorden of zinnen. Talen zijn in zekere zin identiteiten die niet vertaalbaar zijn. Het zijn manieren van het uitdrukken van een relatie met de wereld. En die wordt gevoed door de ervaringen van de mensen die met deze taal omgaan door deze te spreken. In die zin creeert de tweetalig opgevoede een nieuwe taal.

De namen van onze taal zijn direct verbonden met de dingen waarvan de namen namen zijn. Wij zeggen dat is een beurtbalkje en de Duitser noemt het een Trenner. De Duitser zegt evenzo “Dass ist ein Trenner und die Hollander nennen es ein Beurtbalkje“. Zo eigenen we de dingen toe in onze gedachten. Wij zien het onderscheid tussen wat iets is en hoe het genoemd wordt door de andere taal gebruiker. Wanneer zou voor Sofia wat water is ook aqua genoemd worden. Of wat aqua is ook water? Heeft ze ook later voor elk ding een eigen naam en een andere vreemde naam? De vraag veronderstelt een dubbele relatie tussen de dingen en de woorden. Enerzijds is die zo dat de dingen onafhankelijk buiten de woorden bestaan. De woorden zijn vertaalbaar, de relatie tussen woord en ding is in zekere zin willekeurig: een brood is een pain. Anderzijds is het ding wat het is zoals in de eigen naam wordt uitgedrukt: wat men in Frankrijk pain noemt is niet hetzelfde als wat men in Nederland een brood noemt. Zo heeft iedere taal zijn eigen woorden en uitdrukkingen; de woorden en uitdrukkingen van een eigen leefwijze.

Je kunt talen niet vertalen, maar je kunt wel proberen samen te leven met mensen die een andere leefwijze hebben.

Taal is niet een afbeelding van de werkelijkheid. Alsof de werkelijkheid een structuur heeft die in de taal wordt gerepresenteerd. Dat is een technische voorstelling waarin taal puur functioneel gebruikt wordt als middel om informatie over te brengen en te delen. Alsof de betekenis van woorden volledig bepaald wordt door het gebruik ervan in de uitwisseling van informatie. De techniek negeert de creativiteit en de uitdrukkingskracht van taal door deze met de functie ervan te vereenzelvigen. Alsof een samenleving tot stand komt door de talige communicatie van hun individuele leden.

Willen we snappen wat taal is dan moeten we snappen wat de relatie is tussen het individu, de individuen en de samenleving waarvan ze deel uitmaken. Het is de in onze cultuur overheersende technische, functionele, denkwijze die ons hindert in het begrijpen van de essentie van een multi-linguale, dat is multi-culturele, samenleving. De ervaring leert dat we pas werkelijk oog krijgen voor de hindernissen die het vasthouden aan de eigen denkwijze, de eigen taal en de eigen cultuur met zich meebrengen door de schokkerende ervaring van een daadwerkelijk confrontatie met onze eigen en andere culturen.

Het negeren en omverwerpen van beelden, hetzij in de taal, als het woord neger, negerzoen of jodenkoek, hetzij in de fysische werkelijkheid moeten als voortekenen van zo’n confrontatie worden opgevat. Of het daarbij zal blijven hangt ervan af of ze inderdaad gezien worden als tekens van een dieperliggend probleem, het probleem van een door informatie-en communicatietechniek beheerste denk- en leefwijze. Misschien dat de veeltalig opgevoeden onder ons een belangrijke bijdrage kunnen leveren tot de zelfbewustwording van de culturen.

Bronnen:

Spoken words are the symbols of mental experience and written words are the symbols of spoken words. Just as all men have not the same writing, so all men have not the same speech sounds, but the mental experiences, which these directly symbolize, are the same for all, as also are those things of which our experiences are the images. This matter has, however, been discussed in my treatise about the soul, for it belongs to an investigation distinct from that which lies before us. ( On Interpretation, part I, Aristotle, written 350 B.C., Translated by E. M. Edghill. )

Maarten Janssen en Albert Visser (2002). Some words on word. Artificial Intellignce Preprint Series Nr. 030, Onderwijsinstituut CKI, Utrecht University, the Netherlands, April 2002

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply