Regels volgen !

“Kunnen we ons geen regel indenken die de toepassing van een regel regelt?” (Wittgenstein PU I.84)

Een staat die haar onderdanen ziet als dociele instrumenten in haar handen zal ontdekken dat je met zulke mensen niet veel kan bereiken.
(J,S. Mill, On Liberty , p.106 )

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over het volgen van regels. Waarom?

De tweede golf

Het is vandaag 26 Juli 2020. Zomer, vakantieperiode, mensen trekken erop uit, spreken af op terrassen en winkelen weer in soms overvolle winkelstraten en sommige durven het weer aan op reis te gaan met het vliegtuig. Het aantal positieve tests neemt de laatste weken weer gestaag toe nadat het in de periode daarvoor was afgenomen. Men vreest een tweede golf. In sommige Europese landen gelden al weer strengere uitgaansmaatregelen, zoals in Antwerpen, in sommige wijken van Lissabon en Barcelona. In de meeste landen om ons heen is het dragen van mondkapjes in de openbare ruimte verplicht. De Nederlandse overheid ziet daar op advies van het RIVM de noodzaak niet van in. De wetenschappelijke onderbouwing voor het effect is flinterdun en omstreden. Als iedereen maar de basis-regels volgt: 1) vermijd direct contact en was regelmatig je handen; 2) houdt anderhalve meter afstand (social distancing); 3) waar dat niet kan en in het openbaar vervoer: draag een mondkapje. 4) houd je gezondheid in de gaten; als je symptomen hebt, laat je testen en blijf thuis.

Op de anderhalve meter-regel en de mondkapjesregel wordt “gehandhaafd” door ordehandhavers en politie. Overtredingen worden soms bestraft met geldboetes. De toename van het aantal besmettingen wordt geweten aan het feit dat mensen zich niet (meer) aan de regels houden. Er zijn diverse besmettingshaarden, locaties waar vooral mensen tussen 20 en 40 jaar elkaar ontmoeten: een kaffee, een markt, een kermis. Volgens onderzoek zou het virus zich vooral in slecht geventileerde ruimtes makkelijk verspreiden via aerosolen, kleine besmette druppeltjes. Deze verspreiden zich over een grotere afstand omdat ze in de lucht blijven zweven. Ventilatie in vliegtuigen zou voldoende goed zijn om het vliegen verantwoord te noemen. Maar ook hierover zijn de meningen verdeeld.

De Nederlandse overheid, onder aanvoering van de immer soms irritant goedgeluimde minister-president Rutte van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, houdt het bij het inprenten van de basis-regels en een dringend beroep op de eigen verantwoordelijkheid. Vooral de jongeren wordt gevraagd aan hun ouders en grootouders te denken en niet alleen aan hun eigen gezondheid. Er worden via de media “social influencers” ingezet om als rolmodel voor de jeugd op te treden. (Een influencer is iemand die veel invloed heeft, gemeten aan het aantal volgers op Instagram en Facebook.) Helaas zijn de onder de jeugd populaire influencers net zo verdeeld als degenen die hen volgen en vaak zelfs eerder nonchalant dan regelgetrouw. Dat gaat dus ook niet werken. Protesten van aktiegroepen worden door de rechter niet ontvankelijk verklaard.

Waarom niet regels volgen?

Als voornaamste redenen om zich niet aan de regels te houden wordt in praatprogramma’s op TV genoemd: 1) de regels zijn onduidelijk 2) ik ben het niet met de regels eens omdat ze niet konsekwent zijn of omdat ze niet nodig zijn, sommigen beoordelen de pandemie als niet veel meer dan een “griepje” 3) anderen houden zich er ook niet aan, waarom ik dan wel? 4) de verleidingen zijn te groot; de gevolgen van het je niet aan de regels houden zijn te abstract; de kans op een besmetting is erg klein. Kortom de situatie toont ons weer eens aan wat de socioloog Dahrendorf noemde : het “ergerlijke feit” van een verdeelde samenleving. Waarom kunnen mensen zich niet gewoon aan de regels houden?

De kennis van regels

Samenleven is kennelijk niet iets dat vanzelf gaat. Nou ja, dat hangt er natuurlijk maar vanaf wat je onder samenleven verstaat. In feite vallen oorlog, terreur, zelfisolatie en discriminatie ook onder samenleven. Bij de feitelijke gang van zaken wensen we ons echter niet neer te leggen. Mensen hebben een beeld van hoe er samen geleefd zou moeten worden. Er is al heel lang door heel erg knappe mensen heel diep nagedacht over hoe we het beste een samenleving kunnen inrichten zodat iedereen (nou ja iedereen: soms vooral de eerste-klas mensen) zich er een beetje in thuis voelt. Er is een wetenschapsgebied ingesteld: de sociologie, om te bestuderen wat een samenleving maakt tot wat het is. En er zijn dikke boeken en proefschriften geschreven over de kwestie welke de beste methode van onderzoek voor deze nieuwe wetenschap is. Zie bijvoorbeeld het proefschrift van Gerard de Vries (1977) over sociale orde en regels. Ondertussen zijn er heel veel gedragsregels, codes en wetten opgesteld waar de burger zich aan moet houden. Maar de meningen over wat de beste regels zijn blijven verdeeld. Er komen steeds weer aanpassingen en daarop weer aanpassingen. Maar daarmee wordt het nog niet eenvoudiger om de regels te volgen. Regels volgen is nog heel wat anders dan regels opstellen. “Ja, mach nur einen Plan! Sei nur ein großes Licht! Und mach dann noch‘nen zweiten Plan Gehn tun sie beide nicht.” dichtte Bertold Brecht. Niet alleen voor het gewone volk, ook voor de wetenschappers, de overheidsdienaren, de ordehandhavers. Hoe ver moet je gaan in het opstellen van regels? En hoever moet je gaan in het handhaven van regels? Gaat dat niet ten koste van de ons zo geliefde vrijheid van het individu; de figuur die bij de populaire partijen zo hoog in het vaandel staat? Het volgen van regels en de vrijheid lijken met elkaar in conflict. Maar is dat wel zo? Moeten we niet juist regels hebben om vrij te kunnen zijn?

Zelf doen

De kritiek op de anti-autoritaire opvoeding, populair in de jaren 60 en 70, komt van de twaalfjarige dochter die eens tegen haar ouders uitriep: “maar ik moet ook altijd alles van jullie zelf weten!” Ik heb geen dochter, maar ik heb een vergelijkbare ervaring uit de tijd dat ik leraar wis- en natuurkunde was op een middelbare school. Ik was pas afgestudeerd en stond voor mijn gevoel dichter bij de leerlingen dan bij de collega-docenten die in de pauze in de lerarenkamer vaak niet anders deden dan mopperen en zeuren over niet-willende leerlingen en over hoe zwaar ze het wel niet hadden. Mij waren als beginnend onervaren docent, laag in de pik-orde, naast een paar brugklassen en 4 Gym klassen, de altijd lastige 3 Havo klassen toebedeeld. De 3 havo leerling vond (ik praat over zo’n 40 jaar geleden) dat het vooral leuk en gezellig moest blijven en zag niet in dat het maken van wiskundesommetjes daar iets aan bij kon dragen, al deed de leraar nog zo mijn best. Er werd naar mijn mening te veel gezellig gedaan in de klas. Waarschuwen hielp niet. Ik besloot ten langen leste met de klas in discussie te gaan. Ik reserveerde bij het secretariaat een wat geisoleerd liggend klaslokaal op de binnenplaats van de school waar ik het lesuur niet zou besteden aan wiskunde maar aan een gesprek over de orde in de klas. “Het kan er wat rumoerig aan toe gaan motiveerde ik mijn verzoek.” De klas vond het wel leuk, weer eens wat anders, maar bleek het al snel eens met de opmerking van een leerling: “u geeft ook helemaal nooit straf. U moet net als andere docenten straf geven.”. Maar waarom moet ik straf opleggen als je zelf inziet dat het redelijk is om straf op te leggen wanneer je je niet aan de regels houdt? Was mijn vraag. Dat was toen. Nu denk ik dat er geen reden is die maakt dat mensen zich soms niet aan de regels houden. Maar dat er andere oorzaken, behoeftes, motieven zijn om je niet aan de regels te houden. De regels staan boven het individuele belang van de concrete situatie en moeten daarom van buiten komen. Wat het in de praktijk lastig maakt is dat er altijd weer situaties zijn waarin de vraag zich voordoet of het redelijk is een regel dwingend voor te schrijven.

Regels moeten met rede worden toegepast. Is daar geen regel voor?, vroeg Wittgenstein zich af – in een overigens heel andere context: over het gebruik van taal dat hij als een taalspel zag. Nee, zo’n regel is er niet. Of het moet het zelf zijn, het zelf dat zich zelf onder controle houdt, daarbij de regels en de ander zo goed mogelijk in acht nemend. Pacta sund servanda. Het maken van afspraken, of dat nu tussen burgers onderling of tussen de burger en de overheid is, veronderstelt voor haar gelding dat de partijen hun afspraak nakomen.

De programmeerbare mens

De programmeerbare machine is eigenlijk de ideale “regel” waar Wittgenstein naar zocht. De regels hebben dan de vorm van een computerprogramma dat ingevoerd in de computer precies voorschrijft hoe de computer de regels moet uitvoeren. De betekenis van het programma is formeel vastgelegd in het ontwerp van de machine: de interpreter en in de hardware, de door machinemakers, georganiseerde natuurprocessen, de digitale circuits, de logische poorten, die precies werken zoals je de relatie tussen invoer en uitvoer beschrijft. Stop je er een regel in dan voert de computer de regel uit.

De mens moet de taal van de machine leren om hem opdrachten te geven. De machinemaker schrijft de gebruiker ervan precies in een manual voor wat hij moet doen om met de machine te werken. De programmamaker hoeft nog slechts te bepalen wat hij wil. De machine voert het vervolgens vanzelf uit. Mits wat hij wil maar zo precies beschreven wordt dat het uitgevoerd kan worden. De vraag is dus of we zo’n systeem ook in onze samenleving willen: een strikte scheiding tussen programmeurs die bepalen wat moet gebeuren en hoe en de uitvoerende machines die doen wat hen in niet mis te verstane regels is opgedragen. J.S. Mill vond het maar niks. Hij eindigt zijn essay On Liberty, de bijbel van de liberalen, met een waarschuwing in de richting van een overheid die haar onderdanen als instrumenten ziet. Daar bereik je niet veel mee.

Het alternatief is dat iedereen voor zich zelf uitmaakt welke doelen hij zich stelt en hoe hij die wil realiseren: het vrije individu, het ideaal van de libertijn. Dat leidt tot een situatie van het recht van de sterkste. Diegenen die gevoelig zijn voor het virus gaan er aan lijden en eventueel sterven. In de roep van degenen die bang zijn via anderen door het virus te worden aangestoken herkennen we Hobbes’ – “My mother gave birth to twins: myself and fear” – pleidooi voor een overheid die het individu bescherming biedt tegen de bedreigingen van de ander. De mens is immers volgens Hobbes (1588-1679) van nature een wolf voor de ander. In de oppositie van aktiegroepen als Viruswaanzin herkennen we J.S. Mill’s angst voor een te machtige overheid die de vrijheid van het individu beperkt.

Leviathan in een fresco van Giacomo Rossignolo ca.1555

Tussen die twee uitersten voltrekt zich een proces van afweging waarin iedereen zijn zegje kan doen. Regels zijn vatbaar voor verandering. Een primair kenmerk van regels volgens de Amsterdamse Professor O. Duintjer in zijn college Rondom Regels (1977). Dat de keuze voor een eigen lifestyle niet iets is dat je in je eentje doet is genoegzaam bekend. Net zo min als er prive-talen bestaan zijn er prive-leefwijzen. Dat zijn sociale dingen. Het beeld dat zowel de naturalisten Hobbes, Locke, Rousseau, als J.S.Mill van het individu schetst als een primair, van nature, geisoleerd subject dat via contracten en regels een leefbare samenleving moet maken, klopt niet. Het individu is altijd al een sociaal wezen, onderdeel van en in relatie staand tot de anderen, de historisch gegroeide instituten, waaronder kerk en staat, en voetbalclub. Wie meent dat de vrije wil door het gemeenschapsleven allereerst wordt beperkt die verwart volgens Hollak het streven naar zelfstandigheid met het streven naar onafhankelijkheid: “het gemeenschapsleven behoort veeleer tot de constitutie van zijn wezen.” ( Hollak, Macht en recht, in: Hollak 2010, p.207)

De politieke invloed van het individu gaat bovendien niet uit van de enkeling maar van de diverse belangengroepen en politieke partijen. In Marx’ tijd was het de arbeidersbeweging tegenover het kapitaal. Men leze zijn degelijk met statistieken gedocumenteerde analyse van de kapitalistische productiemethoden in het eerste deel van Het Kapitaal dat in detail de invloed van de nieuwe machines voor het weven en spinnen op de productiviteit, de lonen en de werkloosheid in Europa beschrijft. De fabrieksarbeiders zijn vervangen door flexwerkers en robots. De boeren zijn de laatste overgebleven beroepsgroep die nog gebonden is aan plaats en traditie. Die boeren die het hoofd nog koel en boven water hebben kunnen houden voeren een verloren strijd tegen de technologie en de overheidsregels die beogen de natuur nog te redden van de totale uitbuiting door de landbouweconomie als onderdeel van een kapitalistische op winst jagende en door technologie bestuurde economie.

Het is misschien niet zo ‘n gek idee om de zogenaamde influencers van onze jeugd maar eens uit de duistere spelonken van de sociale media voor het voetlicht te halen om in de publieke media te discussieren over hun private meningen over de problematiek van het volgen van regels. Ik ben benieuwd wat daar uit komt.

Ja; renn nur nach dem Glück
doch renne nicht zu sehr!
Denn alle rennen nach dem Glück
Das Glück rennt hinterher.

(Uit: Das Lied von der Unzulänglichkeit, Bertold Brecht)

Good goan!

Bronnen

O.D.Duintjes (1977). Rondom regels. Boom Meppel, Amsterdam, 1977.

Hobbes, Thomas (2010). Leviathan: Or the Matter, Forme, and Power of a Commonwealth Ecclesiasticall and Civill, ed. by Ian Shapiro; Yale University Press; 2010. Originele Engelse uitgave 1651.

Hollak, Jan (2010). Denken als bestaan: het werk van Jan Hollak. Uitgeverij DAMON, Budel, 2010.

M. Hollis (1994). The Philosophy of Social Science. Cambridge University Press, Fifth printing, 2007.

Karl Marx (1867). Het Kapitaal: een kritische beschouwing van de economische politiek. Deel I Het productieproces van het kapitaal. Internet link.

D.H.M. Meuwissen (1982). Recht en vrijheid. Inleiding in de rechtsfilosofie. Aula-paperback 83. Uitg. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982.

J.S. Mill (1982), On liberty. Penguin classics, 1982.

Ludwig Wittgenstein (2006). Filosofische Onderzoekingen. Vertaling Maarten Derksen en Sybe Terwee, Boom, Meppel, Volledig herziene editie 2006. Oorspronkelijk, Duitse tekst verschenen met Engelse vertaling als Philosophical Investigations / Philosophische Untersuchungen, Basil Blackwell, Oxford, 1953. Wittgenstein schreef het voorwoord voor de eerste uitgave in 1945. De Duitse tekst werd ook als suhrkamp taschenbuch uitgegeven: red. A.Anscombe, G.H. von Wright en R.Rhees. Basil Blackwell, 1958.

Gerard de Vries (1977). Sociale orde, regels en de sociologie, Boom Meppel, Amsterdam, 1977.

De Machines van Gerrit van Bakel (1943-1984)

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over De Machine.

Het riool

Aan de remsporen in de toiletpot kan ik zien wie er naar de wc is geweest. Wie wil weten hoe de wereld werkt moet naar de output kijken. Wetenschappers duiken het riool in. Daar vinden zij virussen, drugs, etensresten, spinazie en tomatensaus, sporen van mensen. De analyses worden gekoppeld aan wijken, postcodes. De Autoriteit Persoonsgegevens houdt streng toezicht op het beheer en gebruik van de gegevens. Wat is het doel? Heiligt het doel de middelen? Wat is eigenlijk doel? Wat middel?

In de wei staan koeien. De koeien liften hun staarten en voeren de aarde waarop ze staan. Bruine derrie flatst op de grond. (Een koe staat op haar etensbord.) De grond neemt het voer in zich op, verwerkt de invoer en geeft het terug aan de koe en aan ons. De koe vermaalt het gras tot spinazie. Het groene gras lokt de roze tong van de koe. De aarde voert de koe. In de tuin naast het weiland doet de aarde de spinazie groeien. De spinazie laat remsporen achter in het toilet. Koe en aarde, samen een machine. Wij leven in gemeenschap met de koe en de aarde. Ik vraag de koe: waarom? De koe zegt boe! Ze bedoelt dat ik het antwoord zelf mag invullen.

De buurvrouw is veganiste. Ze vermaalt haar uitvoer met die van de kippen en honden. Daarmee voert ze haar tuin waar paprika en tomaten groeien. Die eet ze. Ik mag haar niet. Ik eet haar paprikas niet.

Wij eten van de koe. De koe van de buurman. Lekker bij de spinazie.

De Seismograaf

Op een mooie dag in de lente van 1982 bezocht ik samen met studiegenoot, dichter, kunstliefhebber en stukjesschrijver John Heymans de Brabantse kunstenaar Gerrit van Bakel in zijn werkplaats in Deurne. Ik was daar zoals het verslag van dit bezoek vermeldt vanwege mijn belangstelling voor de Filosofie van de Techniek. Dat klopt. Ik had juist een voorstel ingediend bij NWO om onderzoek te gaan doen rond de formule ZZ = ZZ, waarbij Z de zelfapplicatiefunctie is : Z = λx. x(x) . Het ging dus om een onderzoek naar de zelfapplicatie van de zelfapplicatie. Het voorstel werd zowel door de filosofen als door de informatici niet ontvankelijk verklaard voor financiering. De filosofie vond het te veel informatica; de informatica vond het teveel filosofie. De wereld begrijpt mij niet. Zij weet niet waar het om draait. ZZ = ZZ is de mathematische uitdrukking van de automatie, de zichzelf reproducerende machine, Waarom? U vraagt naar het nut van het wiel? Van het leven?

Ik wilde weten wat een machine is en daarvoor waren we bij Gerrit van Bakel aan het goede adres. Zijn werkplaats is een grote boerenschuur vol met her en der opgeslagen vooral metalen onderdelen van constructies waar hij kennelijk mee bezig is of tijdelijk mee opgehouden. Een machine is een kunststuk, of beter: een kunstproject. In een hoek staat wat de Tarim-machine wordt. Wanneer we voor de indrukwekkende constructie staan vraag ik enigszins beschroomd – je moet altijd voorzichtig zijn met kunstenaars -: waarom? “Dat mag je zelf in vullen”, antwoordt hij. “Dat je dat vraagt: wat de machine doet. Dat je vraagt hoe het werkt. Dat is de werking van mijn machines.”

De kunstenaar vertelt uitvoerig over een project waarmee hij bezig is: de seismograaf. Hoe het begint met schetsen; ontelbare kleine potloodschetsen, een ontwerp dat zich dan langzaam materialiseert tot een instrument. De aarde beweegt voortdurend zegt hij. We merken dat niet maar mijn seismograaf wel. Die registreert de kleinste bewegingen. Hij denkt erover om met licht de uitslag te projecteren op een wand. Honderd keer vergroot. De seismograaf is een omgekeerde aardbeving.

De Tarim machine is een machine die zich voortbeweegt met een snelheid van 18mm per dag. De machine loopt op de energie die ontstaat als de zon de olie in de buizen van het frame verwarmt. Deze olie zet uit, en brengt zo het systeem in beweging. De VPRO besteedde er in 1984 een programma aan op TV. Niet lang na de opnames met Teleac presentatrice Saskia Bos zou hij sterven aan een hartaanval.

In Kröller Möller staat één van zijn laatste werken: de Middelgrote Problemendrager.

Techniek versus Economie

De kunstenaar Gerrit van Bakel toont met zijn machines het onderscheid tussen techniek en economie. Veel denkers over techniek maken de fout het technische en het economische te verwarren. “De techniek heeft zich nooit mogen verheugen in de bizondere belangstelling der wijsgeren.”. Zo begint het artikel Philosophie der Techniek (Studia Catholica, 1937) waarin Dr. P. de Bruin S.J. een aantal denkers over techniek bespreekt: F. Dessauer, Max Scheler, Henri Bergson en W. Stern. De laatste is wel heel expliciet wanneer hij stelt dat er pas sprake is van techniek wanneer met zo weinig mogelijk krachten een zo groot mogelijk nuttig effect wordt bereikt. Een typisch economisch aspect. Techniek heeft een eigenwaarde die het ontleent aan de verstandelijke vondst. De techniek is derhalve de beheersing van de werking der natuur in een nieuwe algemenen vorm door het verstand uitgedacht of gevonden. Het gaat bij de techniek om een originele combinatie van natuurkrachten, waarmee een bepaalde werking wordt afgedwongen. Techniek is controle over de natuur. Haar eerste eigenschap is de eindeloze herhaalbaarheid. Iedereen kan de vinding nadoen als deze een keer gevonden is. Net als een bewijs van een wiskundige stelling. Techniek is in principe leerbaar en berekenbaar, maar zodra ze met de levende natuur werkt moeten we genoegen nemen met statistische zekerheid, een element van onzekerheid is dan ingesloten. De waarde van de techniek zit in haar dienstbaarheid en ligt dus buiten de techniek zelf. Zodra de techniek volledig autonoom wordt houdt het op techniek te zijn. De waarde van de techniek ligt buiten de waarde van de concrete toepassing waarvoor ze gebruikt wordt. Stern meende dat alleen bij economie techniek hoort. De Bruin stelt daar tegen over dat er maar één grens is aan het technische en dat is de natuur en het formeel-logisch onmogelijke. Wie de waarde van de techniek uitsluitend in haar economische dienstwaarde ziet die miskent de eigen waarde van de techniek.

De technische handeling is niet minder ingenieus, vernuftig, in een woord technisch, wanneer zij zich tot doel stelt een zo zwak mogelijke verlichting te verkrijgen. De rationaliteit van het probleem maakt de techniek. Stelt men zich het probleem van zo langzaam mogelijk, zo zwak mogelijk, dan nog moet het opgelost worden en wel met de geringste moeite.” (De Bruin, p.462)

De kunstenaar Gerrit van Bakel schiep er voldoening in machines te maken die zo langzaam mogelijk hun werk deden. Waarom? Om te laten zien dat ook machines ook machines kunnen zijn zonder nuttig te zijn.

De economie kan niet zonder technologie. Maar het heeft er alle schijn van dat de motor van de kapitalistische economie de technologie is. Het is dan ook niet toevallig dat de grote tech-bedrijven de dienst uitmaken.

Gerrit van Bakel heeft ons de weg uit onze dolgedraaide economie laten zien: doe wat je doet vooral zo langzaam mogelijk en doe het anders niet.

Knevelarij: een on­ge­vraagd ad­vies over de mi­nis­te­riële ver­ant­woor­de­lijk­heid

Inleiding

De recente toeslagenaffaire bij de Belastingdienst heeft opnieuw de vraag opgeroepen hoe het met de verantwoordelijkheid gesteld is van de mensen die bij deze affaire beroepshalve betrokken zijn: de uitvoerende ambtenaren en hun direct leidinggevenden enerzijds, de Ministers en staatssecretarissen van de direct betrokken ministeries anderzijds; en de politiek, de Tweede Kamer, vertegenwoordigend de burger, in haar functie als controleur van de overheid.

Verantwoordelijkheid is problematisch geworden door de complexiteit van de organisatie van ons werk en de samenleving, waarin in toenemende mate gebruik gemaakt wordt van intelligente systemen die uitvoerende taken overnemen. Het werk, de arbeid wordt al maar abstracter, onpersoonlijker. De vraag wie er verantwoordelijk is roept de vraag op of er wel iemand verantwoordelijk kan zijn voor gevolgen van handelingen die moeilijk als handeling van een concreet aanwijsbaar persoon gezien kunnen worden. Om in de ontstane leegte te voorzien zijn er wetten en regels waarin verantwoordelijkheden worden vastgelegd door deze samen met de bevoegdheden en plichten te koppelen aan functies. De wet kent verantwoordelijkheid toe aan uitvoerders van functies in het georganiseerde systeem. Wetten en regels werken echter niet. Anders dan computerprogramma’s worden ze niet automatisch door een apparaat uitgevoerd. Het toekennen van morele verantwoordelijkheid is een handeling die niet gezien kan worden als een handeling (van een spreker of wetgever) die daadwerkelijk uitgevoerd is wanneer haar intentie niet wordt beantwoord door de daadwerkelijke persoonlijke uitoefening ervan door degene aan wie de verantwoordelijkheid wordt toegekend. Vergelijkbaar met de handeling waarschuwen, een handeling die pas werkt wanneer deze als zodanig door de luisteraar wordt opgevat en in daden, die het gevolg zijn van het gewaarschuwd zijn, wordt omgezet. Zonder de daadwerkelijke uitoefening van de ministeriële verantwoordelijkheid door de minister vanuit een persoonlijke betrokkenheid blijven wetten en regels loze kreten. Bovendien de idee van verantwoordelijkheid als iets dat je aan iemand (of meer abstracter: aan een agent) toe kan kennen veronderstelt dat die persoon of agent niet uit zichzelf zich verantwoordelijkheid weet.

Ongevraagd advies

De Raad van State stelt in een On­ge­vraagd ad­vies over de mi­nis­te­riële ver­ant­woor­de­lijk­heid (juni 2020) nog maar eens dat het afleggen van publieke verantwoording van groot maatschappelijk belang is. “Wil de democratie zijn kracht behouden dan moet de overheid een gezicht hebben: burgers, kiezers moeten in alle openheid kunnen zien wie van de overheid waarop aanspreekbaar is. Dat is voor het vertrouwen van de burger in de overheid cruciaal. Burgers moeten kunnen begrijpen wat de overheid doet en moeten kunnen zien wie namens de overheid uitleg geeft over de keuzes die zijn gemaakt en hoe ze worden uitgevoerd.”

“Dat de minister bevoegd is om alles te bepalen betekent niet dat hij daartoe in de praktijk altijd in staat is. Totale beheersing door de minister van wat er op zijn departement gebeurt, is feitelijk onmogelijk en ongewenst. In dat verband wordt wel gesproken over de ‘fictie’ van de ministeriële verantwoordelijkheid.” (Raad van State in haar Ongevraagd advies).

In het huidige staatsrecht is de ambtenaar vrijwel onzichtbaar. De meeste aandacht gaat uit naar de politiek verantwoordelijke minister. De ambtenaar is volledig hiërarchisch ondergeschikt aan de minister. De minister is volledig politiek verantwoordelijk voor alle handelingen van ambtenaren. Ambtenaren hebben deze verantwoordelijkheid niet, zij leggen geen verantwoording af aan de Tweede Kamer. Een ambtenaar mag verder niets zeggen of doen waar de minister geen verantwoordelijkheid voor kan dragen. De minister moet er van op aankunnen dat hij voldoende door zijn ambtenaren wordt ingelicht, omdat hij voor alles wat op het departement gebeurt ter verantwoording kan worden geroepen. “Vanuit de verticale traditie eindigt het verantwoordingsproces altijd in het debat tussen de regering en de Kamer. In de relatie met de volksvertegenwoordiging is het dan ook alleen de minister die verantwoording aflegt, de ambtenaren leggen geen verantwoording af.” (zie Aangeenbrug 2020). Dit is een bedenkelijke situatie die soms indruist tegen het plichtsbesef van de individuele ambtenaar om “de vuile was buiten te hangen.” wanneer hij vindt dat het niet goed is wat er gebeurt. Plichtsbesef strekt niet verder dan de plicht een toegewezen functie uit te voeren.

Zonder een krachtdadig en plichtmatig persoonlijk optreden van degene die formeel verantwoordelijk is werkt de (ministeriële, ambtelijke) verantwoordelijkheid niet. Het is een onderdeel van de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de condities voor de uitoefening van de verantwoordelijkheid gerealiseerd zijn of worden.

Het analytisch denken, het opdelen van taken en het constructief produceren van functies en regels voor nieuwe systemen zit diep in onze cultuur. We zien nu de ongewenste gevolgen van deze technologische manier van denken. De Belastingdienst lijdt zoals veel instellingen en diensten aan technologitis, een sociale geestesziekte. Wat ons in de belastingaffaire aanspreekt in het handelen van de beide Tweede Kamerleden Pieter Omtzigt en Renske Leijten is hun persoonlijke gedreven inzet voor de zaak. Hieruit spreekt een diepgevoelde plicht om voor de vrijheid van de Nederlandse burger die zij vertegenwoordigen op te komen. Zonder deze persoonlijke inzet blijft de verantwoordelijkheid niet meer dan een fictie. Het is triest dat we in kamerdebatten steeds vaker getuige moeten zijn van deze tegenstelling tussen een inhoudelijke plicht van individuele kamerleden tegenover een formeel verantwoordelijke minister of staatssecretaris die kennelijk niet het karakter en het vermogen heeft om zijn of haar toegewezen verantwoordelijkheid inhoud te geven. Hoe komt dat?

Knevelarij

De Belastingdienst is door haar eigen Ministerie aangeklaagd wegens ambtelijke knevelarij.

Knevelarij wordt omschreven in artikel 366 van het Wetboek van Strafrecht.

De ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, aan een ander ambtenaar of aan enige openbare kas, vordert of ontvangt of bij een uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als schuldig aan knevelarij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

De term duidt op het gebruik van een knevel, een prop of doek waarmee iemand het spreken wordt belet. Met knevel wordt ook wel bedoeld een stevige snor zo dik dat het lijkt dat deze de adem beneemt. Ouderen onder ons kennen Bromsnor, de veldwachter uit de televisieserie Swiebertje, die – “op een gemoedelijke manier likkend naar boven en trappend naar beneden” – iedere gelegenheid aan grijpt om de zwerver Swiebertje zonder duidelijke vorm van proces in het ‘hok onder de toren’ op te sluiten. Vaak is er een misverstand waarbij Swiebertje ergens valselijk van wordt beschuldigd. “Maar het loopt altijd goed af.” (zie Wikipedia over het onderwerp Bromsnor.)

Of het met de Swiebertjes, de slachtoffers van de toeslagenaffaire, ook goed afloopt is nog maar de vraag.

I can’t breath…

Knevelarij. De term roept in deze tijden van Corona onmiddellijk associaties op met de adembenemende gevolgen van COVID-19. De beelden van de slachtoffers van het virus op de IC-afdelingen, aangesloten aan de zuurstofpompen. Knevelarij. De term roept ook onmiddellijk associaties op met het gedrag van onze “veldwachters” bij de arrestaties van de Arubaan Mitch Henriques (27 juni 2015), waarbij de nekklem werd toegepast: zuurstoftekort, uiteindelijk met dodelijk gevolg. Of met de recente zaak rond de arrestatie van Tomy Holten (maart 2020), waar een agent minutenlang zijn zware werkschoen op het gezicht van de arrestant drukt, een andere agent met zijn knie op diens rug leunt. Niet lang daarna overlijdt de man. “I can’t breath” riep Georg Floyd toen hij op vergelijkbare wijze door agenten bij zijn arrestatie werd gekneveld. Ook deze Amerikaanse Swiebertje moest het ontoelaatbare geweld door de overheidsdienaren met de dood bekopen.

Niet alleen het Corona virus trekt zich niets aan van grenzen; ook knevelarij door de overheid is een verschijnsel dat geen grenzen respecteert en komt zowel voor in de Verenigde Staten als in Nederland. Waar niet?

Knevelarij duidt op een handelwijze die we niet goed vinden. Het is een moreel verwerpelijke activiteit uitgevoerd door een subject dat we voor dit handelen moreel verantwoordelijk houden. We kennen het subject morele verantwoordelijkheid toe.

Hoe zou de affaire met de Belastingdienst, want op deze morele casus wil ik me hier richten (de Politie zou een voor het onderwerp even goede kandidaat zijn), af moeten lopen opdat wij zullen zeggen dat het goed afgelopen is? Voor de slachtoffers zal dit genoegdoening moeten inhouden. Hoe? Wat is genoeg om het gevoel te hebben dat er zaken zijn recht gezet? Moet de Belastingdienst gestraft worden? Dat roept de meta-morele vraag, de kernvraag op die ik hier aan de order stel. Kan de Belastingdienst gestraft worden? Zo ja, wie of wat straffen wij dan?

De wettekst over knevelarij spreekt van de ambtenaar als handelend subject. Maar de Minister heeft niet een individuele ambtenaar, maar de Belastingdienst aangeklaagd wegens ambtelijke knevelarij. Heeft ze daarmee alle ambtenaren bij de dienst aangeklaagd? Zo schijnen we haar aanklacht niet te mogen zien. Waarmee de vraag overeind blijft: wat betekent het om een overheidsdienst of een afdeling daarvan van knevelarij te betichten? Is zo’n instituut daar wel geschikt voor? Kunnen we de dienst een morele status toekennen? (♦) Wetenschappelijke inzichten over de menselijke natuur stelt de ethiek zelfs voor het probleem of we personen nog wel een morele status kunnen toekennen. Bestaat de Kantiaanse figuur van de verantwoordelijke persoon nog wel, of is het net als de slaaf een figuur uit een ver verleden? De ethische twijfel slaat toe: is er nog wel iets of iemand die we verantwoordelijk kunnen houden voor wat er gebeurt als de wetenschap alles wat gebeurt kan verklaren uit oorzaken die buiten de wil van die ietsen of iemanden liggen? Immers: wat niet verklaarbaar is gebeurt toevallig en voor wat bij toeval gebeurt kunnen we bezwaarlijk iemand of iets ter verantwoording roepen. Het toeval wordt dan ook nooit aangeklaagd.

De baas van de Autoriteit Persoonsgegevens lijkt niet gevoelig voor deze intellectuele ethische twijfel. En dat is maar goed ook!

In een vrij land…”

In een vrij land, zoals Nederland is, moet iedereen vrij kunnen leven.” sprak Aleid Wolfson van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in zijn toespraak bij de presentatie van het onderzoekrapport met betrekking tot de handelswijze van de Belastingdienst in de toeslagenaffaire. (Wolfson, 2020). Als het om een bokswedstrijd ging zou je deze opening een voltreffer noemen. Bam! De vrijheid, daar gaat het om in deze zaak. En dat is precies waarom deze affaire zoveel emoties oproept. Niet alleen bij de mensen, de slachtoffers, maar ook bij de andere 17 miljoen burgers van Nederland die hun overheid (moeten) beoordelen op de uitoefening van haar primaire taak en plicht: pal te staan voor hun vrijheid. Geen eenvoudige zaak. Toegegeven. Maar voor verzoening is het nu zeker nog te vroeg. Dat laten we graag aan Minister de Jong over die in een debat met de aanklager, Tweede Kamer lid, Omtzigt meende reeds een verzoenende houding aan te moeten nemen. “Bij de overheid werken heel veel mensen heel erg hard en er gaat ook heel veel goed.” Zoals gezegd: voor dergelijke verzoenende woorden is het veel te vroeg. Een verzoenende houding zal meer inhoud hebben dan de onrecht verhullende “mantel der liefde” nadat de kwestie is onderzocht en niet vooraf. Voorlopig is er wrok en de vraag wie er moet boeten. En dat is alleszins begrijpelijk.

Wolfson liet zijn openingszin volgen met: “De overheid moet gelijke gevallen dan ook gelijk behandelen.” Zowel bij de manier waarop bepaald werd wat “gelijke gevallen” zijn als bij het behandelen van de “gevallen” ging er van alles mis.

De conclusie uit het onderzoek van de AP liegen er niet om. Ik citeer hier onder een aantal passages uit de toespraak waarin Wolfson verslag doet van het onderzoek. In zijn toespraak legt hij een verband tussen het onrechtmatig, niet functioneel, gebruik van persoonsgegevens, met name nationaliteit, het in hoge mate automatisch, door algoritmes gestuurde proces, en de vrijheid die hierdoor bedreigd wordt. De vraag die ik aan de orde wil stellen is: wie of wat wordt door Wolfson, en hij representeert ons, de samenleving, aangesproken? Wie is er aanspreekbaar? Anders gezegd: wie of wat is het subject dat ter verantwoording wordt geroepen voor wat er zich in deze affaire afspeelt? Kan de Belastingdienst gestraft worden? Zo ja, wie of wat straffen wij dan? De vraag lijkt me relevant in verband met een vermeende relatie tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. Wat is verantwoordelijkheid nog in onze moderne vrije samenleving? Een samenleving die in hoge mate door technologisch denken en doen is ingericht.

Enkele citaten:

Elke verwerking van persoonsgegevens hoort juist rechtmatig, behoorlijk en transparant te zijn. Bij de Belastingdienst – bij Toeslagen – ging het op alle drie de punten mis. De verwerkingen waren niet rechtmatig, niet behoorlijk én de mensen die kinderopvangtoeslag aanvroegen hadden géén idee wat er speelde.
Omdat die natuurlijk geen zicht hebben op wat zich binnen de Belastingdienst afspeelt. Waarom ze opeens als fraudeur werden aangemerkt
.”

Het hele systeem was op een discriminerende manier ingericht en werd ook als zodanig gebruikt. Welke concrete gevolgen dit heeft gehad voor individuele aanvragers, dat kunnen we in dit onderzoek niet zien. Wel was er permanent en structureel onnodige negatieve aandacht voor de nationaliteit en dubbele nationaliteit van de aanvragers.

Dan nog iets over hoe ons onderzoek verliep. Omdat wij bijvoorbeeld vaak de vraag kregen waarom ons onderzoek zo lang duurde. Ik kan u vertellen: het was – kort en goed – een moeizaam proces. Meerdere malen werden wij op het verkeerde been gezet door de Belastingdienst. Ook kwamen er telkens nieuwe feiten boven tafel. Feiten die het onderzoek dat we tot dusver hadden gedaan, weer op z’n kop
zetten. Bovendien werd niet altijd meteen de waarheid verteld. Zo ontkende de Belastingdienst in eerste instantie zelfs de dubbele nationaliteit van mensen te bewaren. Ook kostte het bijzonder veel moeiten om informatie boven water te krijgen
.”

En dit brengt een algemener probleem aan het licht en leidt tot een waarschuwing. Dat is dat we echt heel voorzichtig, heel nadenkend, heel gewetensvol moeten zijn met het gebruik van algoritmes. Natuurlijk kunnen algoritmes heel nuttig zijn, bijvoorbeeld om sneller ziekten op te sporen, en voor heel veel andere zaken. Maar omdat er dus technisch en digitaal zo veel kan, is de grens tussen ‘wat knap dat dit kan’ en ‘bloedlink wat hier gebeurt’ nog nooit zo dun geweest. Daar moeten we echt alert op zijn.

Want, zoals we hier bij de Belastingdienst hebben gezien, kan het niet-noodzakelijke gebruik van gegevens ertoe leiden dat er ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt naar – in dit geval – nationaliteit. Dit resulteert in onrechtmatige, discriminerende en daarmee onbehoorlijke verwerkingen.

Het blijft zaak om ook zelf na te denken en niet blind te varen op algoritmes.

Want anders raken we ver verwijderd van waar we voor staan, als vrij land. (Wolfson, 2020)

De vrijheid staat onder druk

De vrijheid van het moderne individu en daarmee de idee van de vrije wil, de wil om zelf te kunnen beslissen in ons praktisch doen en laten, wordt door ons wetenschappelijk kennen dat op het ontdekken van oorzaken en wetten gericht is, vanuit diverse disciplines bedreigd. De dreiging uit zich in allerlei vormen van deterministische stellingnames: sociaal-determinisme, technologisch determinisme, biologische, neuronale, en genetische vormen van determinisme. Op alle mogelijke manieren wordt ons doen en laten bepaald door invloeden, krachten, die buiten onze wil, buiten onze macht liggen. Sommigen hebben de vrije wil dan ook allang dood verklaard.

Wolfson ziet de bedreiging van onze vrijheid juist in het feit dat de overheid, die als primaire taak heeft de vrijheid van haar burgers door middel van democratische besloten wetten te beschermen, haar eigen wetten met voeten treedt. Is de oorzaak hiervan een puur technische ICT fout: de wetten en regels zijn niet goed in algoritmes vertaald? Je kunt je voorstellen dat de onwettige regel als facilitator X fraude heeft gepleegd dan hebben alle burgers die gebruik maken van X frauduleus gehandeld in het systeem is ingeslopen. Deze regel is van dezelfde logische categorie als: eens een dief altijd een dief of wie bij een Overheidsdienst werkt die burgers knevelt die knevelt burgers.

Of ligt de oorzaak bij de ambtenaar die de gegevens aanlevert aan het systeem en de uitvoer van de machines interpreteert? Of stuiten we hier op een fundamenteler probleem? Is het de wetgever, de overheid, die niet helder is in het aangeven van de wetten en regels?

“Het Handboek Toeslagen biedt weinig ruimte voor maatwerk, hetgeen nadelige gevolgen heeft gehad voor burgers” concludeerde de commissie Donner onder andere in 2019, na haar onderzoek over de wijze waarop er met de van fraude verdachte burgers werd omgegaan. Waarom worden burgers door de overheid als veroordeelden behandeld voordat er onderzoek gedaan wordt? Diezelfde overheid die wanneer ze zelf ter verantwoording wordt geroepen, altijd, strijk en zet, reageert met de woorden dat er eerst een onderzoek moet worden ingesteld, voordat ze tot actie overgaat. Wij, als burger, vragen de overheid te handelen op een wijze die ze ook van de burger verwacht.

Aangifte

Staatssecretaris Van Huffelen voor Toeslagen van het Ministerie van Financiën heeft aangifte tegen de Belastingdienst gedaan vanwege mogelijke misdrijven in de toeslagenaffaire, waarin duizenden ouders zijn gedupeerd. Het gaat om beroepsmatige discriminatie en het ambtsmisdrijf knevelarij. Hoewel knevelarij wordt omschreven als het “vorderen of ontvangen van een betaling terwijl de ambtenaar weet dat die betaling niet verschuldigd is”, richt de aangifte zich niet tegen specifieke personen bij de Belastingdienst. Er worden afdelingen genoemd, onder meer Directie Toeslagen en het Combiteam Aanpak Facilitators (CAF).

Verantwoordelijkheid

Is verantwoordelijkheid nog een zinvol begrip als het met de vrijheid zo slecht gesteld is als we uit onze wetenschappelijk onderbouwde deterministische stellingnames zouden moeten afleiden? Voor het vinden van een antwoord op de vraag of we morele verantwoordelijkheid zinvol kunnen toekennen aan machines wordt door de filosofie wel gekeken naar de voorwaarden: waar moet een agent aan voldoen opdat je deze verantwoordelijkheid kunt toekennen? Een voorwaarde is het hebben van een vrije wil. Wie niet vrij is kan niet ter verantwoording worden geroepen. Hoe kan je in vrijheid een beslissing nemen wanneer je moet werken met de uitvoer van een machine die niet in staat is zich te verantwoorden voor de gegevens en de beslissingen die deze neemt of voorstelt? Gebruiksgemak en verantwoord omgaan met niet transparante automatische systemen staan op gespannen voet.

Er is bezwaar aangetekend tegen deze benadering van het probleem van de verantwoordelijkheid. Het is simpelweg een feit dat we anderen wel of niet in een gegeven situatie moreel verantwoordelijk achten voor wat ze doen. Dat is onafhankelijk van een of andere theorie die zegt of de ander over een vrije wil beschikt. Immers: stel: we accepteren de deterministische stelling van de wetenschapper waaruit zou volgen dat er geen sprake is van een vrije wil (we moeten dit wel “accepteren” als er al zoiets bestaat wanneer we niets te willen hebben) en dat derhalve morele verantwoordelijkheid een lege huls is. Stel. Wat zou het effect zijn op onze praktische spontane omgang met de dingen? Het zou geen enkel effect hebben.

Of we een ding moreel verantwoordelijk achten is niet vanwege de uitkomst van een theoretisch ontologisch onderzoek. Verantwoordelijk zijn die dingen die wij ter verantwoording roepen. Hoe uit zich dat? Onder andere in de taal. In de teksten waarin we over onze ervaringen met de dingen, de ander spreken. ( Vandaar de uitvoerige citaten uit de speech van Wolfson. Ze dienen ter illustratie.) Niet alleen in de woorden en de zinnen die we hanteren wanneer we over de dingen, zoals de Belastingdienst, een machine, een buurman, onze huisdieren, schrijven en spreken. Maar vooral toont de houding die we spontaan, van nature, tegenover de dingen innemen zich in hoe we met deze entiteiten praten.

Peter Strawson (1962) onderscheidt twee basis-houdingen die we innemen: de humane, reactieve houding van deelname, engagement, en als tweede de objectieve houding, die analytisch is. De eerste is de houding die we tegenover morele subjecten als personen aannemen, de tweede is de houding tegenover die dingen wier gedrag we verklaren op grond van natuurwetten, geestesziektes, kindsheid. D.C. Dennett onderscheidt naast de intentional stance en de fysische (is objectieve) stance nog een derde vorm: de design stance, de houding waarin we iets als machine, als ontworpen systeem, benaderen. Deze stances zijn gerelateerd aan onze wijzen van verklaren van gedragingen. Het onderscheid tussen de objectieve, analytische stance van Strawson en Dennett enerzijds en Dennett’s design stance anderzijds verdwijnt wanneer en voorzover het voor ons geen verschil maakt of we met een natuurlijk proces of met een ontworpen proces van doen hebben.

Gesprekken met de belastingdienst

Verantwoordelijkheid is niet iets dat je op basis van een of andere wetenschappelijke theorie of filosofische ethiek toekent, het is een kwaliteit die zich toont in de praktijk van het omgaan met de ander, de dingen.

Het antwoord op de vraag: is de Belastingdienst een persoon, een ding of een machine? toont zich vooral in de gesprekken die we met de Belastingdienst hebben. Aan wie toont zich dat? Aan beide gesprekspartners. Er is geen andere instantie dan de gesprekspartners zelf die uitmaken hoe het gesteld is met de morele status van de dienst en van de burger. In principe zijn het de gespreksdeelnemers zelf die bepalen wat zich in het gesprek afspeelt en hoe ze de bijdragen van de ander (de speech acts) duiden en daarmee impliciet hoe ze de ander die in deze bijdragen tot uiting komt, beoordelen. Dit is het basisprincipe van de etnomethodologie, een methode voor de gespreksanalyse (zie Mazeland 2003). In de response toont de luisteraar wat de spreker zegt. Het is niet aan de buitenstaander, maar aan degenen die betrokken zijn, te zeggen wat er gezegd en gedaan wordt.

Maar, valt er met de Belastingdienst wel te praten? Feit is dat de diensten zich vaak niet echt benaderbaar opstellen. Maar soms valt er best met ze te praten. Ik spreek uit eigen ervaring, en daarmee, met onze ervaringen en wat we daarin persoonlijk beleven, moeten we het doen (“In der Empfindung ist die ganze Vernünft – der gesamte Stoff des Geistes vorhanden” (G.W.F. Hegel, Enz. III, p.248). Ik zeg dat er met de Belastingdienst soms een heel goed gesprek gevoerd kan worden. (Veel diensten vragen ook altijd wat je van het gesprek met de dienst vond. Of je er wat aan had en of het een prettig gesprek was. Men ziet het belang van een goed gesprek in.) Ik heb overigens nog nooit een goed gesprek gevoerd met een een robot, die als sociaal werd aangeprezen en verkocht. Maar dit terzijde.

Wanneer je de Belastingdienst belt, presenteert deze zich in de vorm van een dialoogsysteem, soms aanvankelijk als keuze-menu (na je verwezen te hebben naar de internetpagina’s met antwoorden op de frequently asked questions) of sprekende “How can I help you” machine, waarna je met enig geluk een mens aan de telefoon krijgt. Daarmee is een open dialoog vaak wel mogelijk. Open, niet in de zin dat je over van alles en nog wat kunt praten, maar open in de zin dat er de bereidheid is tot wederzijds begrip in de zaak waar het om gaat. Dan zijn er ook tekenen van compassie van de zijde van de dienst. En aan de kant van de klant die zich realiseert dat de ambtenaar met wie hij in gesprek is “ook maar een mens is die zijn werk doet”. De houding van degene aan de andere kant van de lijn kan echter omslaan. De persoon wordt dan meer ambtenaar en dan tekenen we opmerkingen op als “U wordt geacht de wet te kennen.” Ik heb in mijn blog De Haas, de Eend en de Belastingdienst verslag gedaan van een serie gesprekken met de dienst waarin deze omslag voorkomt. De dienst is dan een machine en een machine moet je niet wijzen op een programmeerfout. Daarvoor moet je bij de verantwoordelijke programmeur van de dienst zijn. En die is niet direct aanspreekbaar. Dat is een typisch kenmerk van de huidige techniek: de voor de gebruiker verborgen ontwerper en programmeur. Hier nemen we Dennett’s design stance, of Strawson’s analytische houding aan, we denken: de man/vrouw is nu eenmaal zo ontworpen of er is “iets mis in de bovenkamer”. Mijn ervaringen met de dienst vind ik terug in die van Wolfson en Donner en in de ervaringen van de slachtoffers van de toeslagenaffaire: een open gesprek met de Belastingdienst is soms erg moeizaam, zo niet onmogelijk.

Zijn de ambtenaren van de Belastingdienst personen of onderdelen van een machine?

Persoon zijn houdt in verantwoordelijk zijn. Wie niet ter verantwoording wordt geroepen voor wat hij doet die wordt niet als volwaardig persoon beschouwd. Dit is de Kantiaanse figuur van de persoon. Een ambtenaar die niet ter verantwoording wordt geroepen is geen persoon. Wij zien hem – en hij ziet zichzelf als het zo uit komt – als een radertje in het systeem. Hij is deel van een technisch administratief organisme. Een systeem is een subject dat geen morele verantwoordelijkheid toegekend wordt. Ook al zouden de ethische technologen het misschien wel willen (zie bijvoorbeeld Floridi, 2002).

Het eigenlijke probleem

Achter de problemen bij de Belastingdienst gaat een veel dieper probleem schuil: het probleem van de verantwoordelijkheid in onze moderne democratische samenleving. Hoe geven we die vorm? Hoe verhouden wij als ambtenaar ons tot ons werk bij de dienst? Welke mogelijkheden biedt de dienst haar ambtenaren en haar klanten om vrij en zich zelf te zijn? Het is precies de kwestie die Wolfson aansnijdt wanneer hij ons oproept altijd kritisch te zijn in onze interactie met de algoritmes, met de automatisering. Want het gevaar van de intelligente automatische systemen zit hem niet in deze systemen zelf, maar in de mensen die deze systemen te veel macht en zelfstandigheid toekennen en ze benaderen als iets wat boven wet en morele orde staat. De toeslagenaffaire is een teken dat er nog teveel mensen zijn die blindelings vertrouwen, al dan niet gedwongen door de waarde die hun positie en hun werk voor de instandhouding van hun prive leven en hun gezin hebben, op de informatiesystemen. Niet omdat ze niet zouden deugen, want de meeste mensen deugen wel, zou Minister de Jong zeggen, maar uit een vorm van gemakzucht, uit economisch belang. Die automatisering is er toch voor het gemak van de gebruiker!

Zal de rechter het probleem van de verantwoordelijkheid op kunnen lossen door de Belastingdienst verantwoordelijk te houden? Hoe dan? De rechter heeft last van de “responsibility gap” in het recht. Het recht dat achterloopt bij de technologie. De staatssecretaris heeft haar excuses al aangeboden. Maar dat is slechts een formaliteit. De ministeriele verantwoordelijkheid is slechts een lege vorm die hoort bij de functie. Het heeft geen enkele inhoud, ook al kan de Minister ontslagen worden, dat is niet vanwege het dis-functioneren van de ambtenaar die het eigenlijke werk doet. De mensen op de werkvloer blijven buiten schot: zij zijn als onderdeel van een systeem niet aanspreekbaar.

Wat zou een goede afloop van deze affaire zijn? Ik denk: als hij niet afloopt maar zich voortzet in een gezondere houding; in een open dialoog waarin mensen elkaar aanspreken op hun verantwoordelijkheid en gezamenlijk condities realiseren waarin het mogelijk is op een verantwoordelijke manier om te gaan met elkaar en de technologie.

De politiek, de wetgever, blijft niet buiten schot. Haar wordt slordigheid verweten. Te weinig realiteitszin. Te vaak worden vanwege partijpolitieke en persoonlijke belangen wetten en besluiten genomen die onmogelijk op een goede manier te implementeren zijn. Dat toont zich niet alleen bij de Belastingdienst; niet alleen bij de Ministeries van Financien en Justitie. Het gaat hier om een probleem van onze samenleving dat de politiek niet kan oplossen door weg te lopen voor haar verantwoordelijkheid. De taak van de politiek is te zorgen voor een vrije samenleving in plaats van alleen de economische welvaart als maat voor haar successen te hanteren.

Noot (♦):

De meta-ethische problematiek van de fundering van het toekennen van morele status aan entiteiten is het thema van Mark Coeckelbergh’s boek Growing Moral Relations: critique of moral status ascription (2012). Het boek ademt de worsteling van de filosofie om te ontkomen aan een zekere intellectuele genoegzaamheid bij het beantwoorden van de vraag of er in de werkelijkheid iets is dat als redelijk fundament kan dienen voor het toekennen van morele status en daarmee voor een antwoord op de vraag wie of wat we moreel verantwoordelijk kunnen houden voor wat er gebeurt. De oplossing van de paradox van de verantwoordelijkheid zit in zekere zin in het verwerpen van het probleem als theoretisch, technisch, filosofisch probleem. De opdracht is te kijken naar de praktijk: de werkelijkheid moet niet verklaard worden, deze toont de morele status die we aan de objecten, aan de ander toekennen (Strawson, 1962). Wij kunnen het bestaan van een vrije wil ook niet ontkennen zonder haar impliciet in het stellen van de daad, deze ontkenning, te bevestigen (vgl Jan Hollak, Vrijheid als zedelijkheid in: Hollak 2010). In de praktijk toont zich de waarheid van deze zelfreflectie.

Bronnen

Aangeenbrug, C. (2020). De Ministeriële Verantwoordelijkheid van een verticale verantwoording naar een meer horizontale verantwoording? Studie rapport. Universiteit Leiden.

Dennett, D.C., (1971). Intentional Systems, The Journal of Philosophy, Vol.68, No. 4, (25 February 1971), 87-106.

Coeckelbergh, M. (2012), Growing moral Relations: critique of moral status ascription. Palgrave MacMillan, 2012.

Floridi, Luciano (2002). On the intrinsic value of information objects and the infosphere. In: Ethics and Information Technology, volume 4, pages 287–304(2002)

Hegel, G.W.F. (1830). Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften III: Die Philosophie des Geistes mit den mündlichen Zusätzen. Theorie Werkausgabe Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1979.

Hollak, Jan (2010). Denken als bestaan: het werk van Jan Hollak. Uitgeverij DAMON, Budel, 2010.

Mazeland, H. (2003). Inleiding in de conversatie-analyse. Uitgeverij Coutinho.

Strawson, P.F. (1962). Freedom and Resentment. Proceedings of the British Academy (1962). Annual philosophical lecture.

Wolfson, A. (2020). Presentatie onderzoeksrapport ‘De verwerking van de nationaliteit van aanvragers van kinderopvangtoeslag’ door Aleid Wolfsen op 17 juli 2020

Technologitis

De Belastingdienst is ziek. Daarvoor is nu overtuigend bewijs. De Belastingdienst lijdt aan technologitis. Technologitis is een geestesziekte die al enige tijd onder ons is maar die tot nu toe nog niet als zodanig werd geidentificeerd en benoemd. Het woord bestaat al enige tijd, maar niet in de specifieke betekenis die we er hier aan geven. Googelen zal dan ook niet de juiste hits opleveren. Het is een nog niet geclassificeerde mental disorder en komt dus ook niet voor in de DSM.

Technologitis is een zeer besmettelijke aandoening, maar anders dan COVID-19 of de mazelen, die zich via stoffelijke deeltjes verspreiden en die bij aanraking individuen ziek kunnen maken, is technologitis een aandoening van de geest en zij verspreid zich dan ook niet via stoffelijke deeltjes maar via geestelijke communicatiekanalen, media, opvoeding, internet, al die sociale kanalen die de moderne mens bindt tot onze moderne vorm van “samenleving”, de netwerksamenleving.

Technologitis is een geestesziekte die zich hierin onderscheidt van de bekende in de DSM geclassificeerde disorders, zoals depressies, dat het een sociale geestesziekte is. We zouden het een ziekte van de tijdgeest kunnen noemen. Sommige mensen onder ons zouden het vergelijken met een ziekelijke fundamentalistische vorm van religie. Wat het in zekere zin ook is, want “God is dood” (Nietzsche) en “de Techniek is zijn lijk” (Mulisch). En een zekere aanbidding van de Techniek kan de lijder aan technologitis niet ontzegd worden. Integendeel.

Wat zijn de symptomen van technologitis? Dat zijn vooral: disfunctioneren, autisme, depersonalisatie, gevoelloosheid, een gebrek aan empathie, soms een volledige afwezigheid van enig empathisch vermogen. Depressie, een algeheel gevoel van zinloosheid, nutteloosheid, kunnen een gevolg zijn bij individuele leden van organisaties die lijden aan technologitis.

Technologitis is een beroepsziekte in die zin dat het te maken heeft met de wijze waarop het individue in een organisatie zichzelf realiseert, of daar juist niet de kans voor krijgt, en zijn beroep uitoefent. Wat niet wegneemt dat ook mensen zonder werk aan deze ziekte kunnen lijden.

Mijn eigen ervaring met de Belastingdienst is drieledig:

1) als behoeftige burger, die verplicht door de wet een jaarlijks beroep doet op de dienst om zijn particuliere belastingzaken te regelen. Tot nu toe zonder hulp van een consulent of facilitator.

2) als burger die door de BD werd beticht van het verstrekken van onjuiste informatie. Ons werd een boete opgelegd en een naheffing. Na vele onderhandelingen met diverse individuele ambtenaren van de Dienst wist ik deze ervan te overtuigen dat er sprake was van een misverstand. Het belastingformulier bevatte een dubbelzinnige vraag. De boete werd kwijtgescholden. De BD heeft nooit toegegeven dat de vraag (van de vorm “wilt u koffie of thee met suiker?” (zie mijn blog over dit voorval) op twee manieren te lezen was, maar herstelde de fout wel door een andere formulering van de vraag in het belastingformulier (“wilt u koffie met suiker of thee met suiker?”) . De BD vond dat ik de wet moest kennen en dus moest weten welke lezing ze bedoelde. Het kwijtschelden van de boete werd door de inspecteur gemotiveerd met de empathische woorden: we willen u niet met een vervelend gevoel achterlaten. Mijn conclusie uit dit voorval: de BD is niet goed in het toegeven van fouten.

3) als onderzoeker: in diverse onderzoekprojecten, onder andere gefinancierd door het NCTV, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid werkte ik samen met de Nationale Politie, en met de FIOD, de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst van de Belastingdienst (deze valt onder Justitie). In deze projecten onderzochten we de mogelijkheden van toepassing van AI, kunstmatige intelligentie, natural language processing, machine learning, virtual reality in de uitvoering van diverse taken van deze overheidsdiensten. Leerzame en interessante projecten. Bijzondere interesse bij de diensten ging uit naar de state-of-the-art Nederlandse spraakherkenners die onze onderzoekgroep van de Universiteit Twente had ontwikkeld. (zie Spraakherkenning van Nederlandse Bodem). Voor het spraakonderzoek is samenwerking met deze diensten erg interessant omdat ze over enorm veel opgenomen interviews, spraakdata, beschikken, wat gebruikt kan worden voor het verbeteren van taal- en spraak-modellen. Omgekeerd levert automatische transcriptie van interviews enorm veel tijdwinst op voor de diensten. Wij burgers gebruiken Google voor het omzetten van spraak naar tekst, transcripties, maar het zal duidelijk zijn dat de politie en de FIOD hun opnames van interviews met getuigen en verdachten niet naar Google sturen om ze in tekst om te zetten. Ze hebben de spraakonderzoekers nu zelf in dienst genomen en ontwikkelen nu hun eigen spraaktechnologie verder.

Ervaring leert dat men bij de politie en de FIOD hoge verwachtingen heeft van nieuwe technologie. Niet zonder reden. Het afluisteren van opgenomen telefoongesprekken tussen misdadigers kan alleen met behulp van spraaktechnologie die slim zoekt naar vooraf gegeven woorden in de gigantische hoeveelheden opgenomen gesprekken. Dankzij deze technologie zijn de opsporingsdiensten in staat soms op tijd activiteiten van criminele netwerken te ontzenuwen. Die hoge verwachtingen van technologie zijn vaak te hoog. Men heeft vaak een onvoorwaardelijk vertrouwen in wat technologie vermag; vooral wanneer het onder de naam Artificial Intelligence, Deep Learning of Big Data Technology wordt verkocht. Er schuilt een reeel gevaar in al te hoge verwachtingen van technologie. De oorzaak daarvan is een verkeerd beeld van technologie. En dit is een van de aspecten van technologitis.

Naast deze eigen ervaringen volg ik met bijzondere interesse, verbazing en bewondering het lopende onderzoek naar aanleiding van de toeslagenaffaire en de inkomstenbelastingaffaire op initiatief van de kritische kamerleden Pieter Omtzigt en Renske Leijten.

Rechter spelen

Technologie is macht, economische macht. Het gebruik ervan kan enorm veel geld uitsparen. Het creeert nieuwe mogelijkheden en vereist reorganisatie van werk en verhoudingen. Het vraagt ook om nieuwe wetten en regels. Zolang die er niet zijn ontstaat al snel een machtsvacuum, waarin in feite de technologie naar willekeur regeert. Het is goed om te weten wat technologie doet met mensen, met het werk, met organisaties en met de samenleving. Dat is een tweede aspect van technologitis: niet weten wat technologie als denkhouding middels haar toepassingen in de praktijk met de mens doet. Nog belangrijker dan speculeren over mogelijke effecten van technologie is het om te onderzoeken uit welke denkhouding technologie voortkomt. Dat vereist zelfreflectie van een samenleving.

De tijd van de trias politica is al meer dan een eeuw voorbij. Rechters zijn al lang geen mensen meer die min of meer machinaal wetten en regels toepassen in een bepaalde casus. Wetten en regels zijn als resultaat van een politieke afweging van belangen vaak multi-interpretabel en laten ruimte open. De rechter moet zelf bepalen hoe in de maatschappelijke context welke wetten en regels hoe toegepast moeten worden om tot een rechtvaardige gedeelde beslissing te komen. Wetgeving loopt achter bij technologie en het is aan de rechter te bepalen hoe te handelen in gevallen waarin nieuwe technologie tot nieuw problematisch gedrag leidt. Een vraag zou kunnen zijn: mag een burger op een bepaalde manier beoordeeld en veroordeeld worden omdat deze volgens de gebruikte profiling technologie tot een bepaalde referentieklasse behoort? Nee, zei een rechter in de zaak Shonubi (Colyan et al., 2001) . Als autonoom opgevatte technologie holt de verantwoordelijkheid voor ons doen en laten uit.

De Belastingdienst gaat op de stoel van de rechter zitten zodra ze mensen van fraude beticht en ze op een speciale manier behandelt. Dat komt neer op een veroordeling. Bovendien is ze niet transparant naar de burger toe over de reden en de mogelijkheden tot wederhoor. We hebben gezien dat de BD aan omkering van bewijslast doet: de burger moet aantonen dat deze niet frauduleus heeft gehandeld. Dat komt ervan wanneer niet-experts op de stoel van de rechter gaan zitten. Ze kennen de procedures en de wetten niet. Of ze houden zich er in elk geval niet aan. Onafhankelijke controle op de interne processen is er kennelijk niet. Hoe komt dit? Bij de Belastingdienst werken toch gewone mensen, zoals u en ik? Precies. Misschien juist daarom.

De Belastingdienst is een machine. De mensen die het werk uitvoeren zijn geen personen, ze zijn niet verantwoordelijk voor hun werk. Ze functioneren. Ze volgen slaafs de regels, voeren instructies uit en doen wat de computer zegt dat ze moeten doen. Ze zijn een radertje in een machine. Als ambtenaren zijn het informatieverwerkende systemen. Zo ziet de machine ook de gebruiker, de burger: het is een informatiebron die consistente data moet leveren. Wie dat niet doet, wordt getagged als frauduleus. Machines hebben geen empathisch vermogen; ze beoordelen op grond van informatie die ze verwerken volgens procedures.

De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van de Belastingdienst rust op de brede schouders van de Minister. Ministeriele verantwoordelijkheid is puur formeel; het hoort bij de functie die haar volgens een willekeurig politiek proces is toegekend. Deze formele verantwoordelijkheid is niet gerelateerd aan het verantwoordelijkheidsgevoel, de deugd, van de persoon die uitvoerder is van de taak. De strikte scheiding tussen formele verantwoordelijkheid en de concrete verantwoordelijkheid van de uitvoerder is een belangrijk aspect van technologitis. Verantwoordelijk zijn hoort bij persoon-zijn. Technologitis de-personaliseert de mens; ze neemt het inhoudelijke werk van de mens over en daarmee ook de verantwoordelijkheid, die nog slechts formeel is. “Ik doe wat me opgedragen wordt”.

Als behoeftige mens streeft de ambtenaar minimaal naar behoud van werk: zijn baan wordt bedreigd door voortgaande automatisering; als het kan wil hij verbetering van zijn positie in de hierarchie: naar een baan die minder gevoelig is voor de ontslagdreiging. Als behoeftige burger is de ambtenaar afhankelijk van de top-ambtenaren, de mensen die de top-salarissen verdienen omdat ze verantwoordelijk zouden zijn. Wanneer ze ter verantwoording geroepen worden verwijzen ze naar de Minister met de brede schouders. De Kamer kan haar ter verantwoording roepen maar ze komt net kijken en heeft een kast met lijken overgenomen van haar voorganger. Ondertussen draait de machine door.

Bij het uitvoeren van hun taak worden de ambtenaren geholpen door de computer: ze zitten uren achter beeldschermen. De computer bevat intelligente software die gevallen classificeert. Profilering. Wat we bij de BD zien is wat we bij de Nationale Politie zien: een groot vertrouwen in predictive profiling: het profileren, classificeren van individuele gevallen op basis van data, informatie, ten behoeve van een aan het profiel gekoppelde behandeling. De BD als machine kent geen individuele personen, ze kent alleen klassen. In die zin is haar functioneren wetenschappelijk, rechtvaardig en economisch van karakter.

Overtuigende technologie

Een symptoom van technologitis is een ongemotiveerd vertrouwen in wat technologie vermag. Dit is een ethisch probleem. In zijn klassieker Persuasive Technology: using computers to change what we think and do besteedt de grondlegger D.J. Fogg een hoofdstuk aan ethische aspecten van deze moderne technologie. De overtuigingskracht van deze technologie komt van de “traditionele reputatie die computers hebben intelligent en eerlijk te zijn, waardoor ze de indruk wekken een betrouwbare bron van informatie en advies te zijn.” (mijn vertaling). Dit is niet alleen problematisch en onethisch wanneer er bewust van deze traditionele eigenschap van de computer gebruikt wordt gemaakt om anderen te overtuigen. Het is veel bedenkelijker dat voor veel mensen hoe dan ook de uitvoer van een computer gezien wordt als betrouwbaar en waar. “De computer zegt het”. Dus is het zo.

Dit beeld ontleent de computer aan haar wetenschappelijk, intelligente karakter en met name aan de associatie met de wiskunde. Want, wat is er eerlijker dan de wiskunde? De onkritische houding tegenover de computer die gepaard gaat met een verkeerd idee van wat voor waarheid wiskundige waarheid is, is een ander belangrijk symptoom van technologitis.

Wie lijdt aan technologitis vergeet bij het gebruik van de computer dat de uitvoer van de machine afhankelijk is van de invoer en het programma, de wiskundige modellen. Men denkt dat de uitvoer van een computer het resultaat is van een berekening, alsof het om een rekensommetje gaat, zonder zich te realiseren dat ook de resultaten van een berekening bepaald worden door de invoer en de rekenregels. Wiskundige waarheden worden nog steeds gezien als absolute waarheden. Veel mensen geloven nog steeds in de absolute waarheid van, bijvoorbeeld, de bewering dat de som van de drie hoeken van een driehoek gelijk is aan die van twee rechte hoeken, of, ander voorbeeld: dat er door een punt buiten een rechte slechts één lijn gaat parallel aan de gegeven rechte. Helaas zijn dit halve waarheden. Niet alleen in de toegepast wiskunde, maar ook in de zuivere wiskunde, meetkunde, verzamelingenleer, heeft de waarheid een hypothetisch karakter: deze is afhankelijk van aannames, afspraken waarvan we aannemen dat ze consistent zijn. Mathematisme, de idee dat de werkelijkheid volledig door middel van wiskunde is te begrijpen en dat we in principe al het werk door AI kunnen laten doen, is een vaak voorkomend symptoom bij lijders aan technologitis. De ziekte is ook tot het domein van de rechtspraak doorgedrongen.

We constateerden dat de Belastingdienst ten gevolge van het ontstaan van een door nieuwe technologie ontstaan machtsvacuum op de stoel van de rechter is gaan zitten. Daarbij gebruikt ze als bewijs de resultaten van haar overtuigende technologie. Wat een bewijs is daarover heerst een misverstand, een ander aspect van de geestesziekte technologitis.

Het verschil tussen bewijzen en bewijzen

In het dagelijks leven zijn wij geneigd om genoegen te nemen met zwak bewijs.” stelt Peter van Koppen in Overtuigend bewijs: indammen van rechterlijke dwalingen. Naar aanleiding van gerechtelijke dwalingen als in de zaak Lucia de B. waarbij nogal wat fouten gemaakt werden in de toepassing van de kansrekening en statistiek werd er van diverse zijden op aangedrongen in de opleiding van rechters meer aandacht te besteden aan wiskundige theorieen over het redeneren met onzekerheid. Calculemus! sprak de rechtsgeleerde, wiskundige en filosoof Leibniz eeuwen geleden al enthousiast als hij was over de mogelijkheden van zijn calculator, de voorloper van onze rekenmachines. Met name werd veel verwacht van de toepassing van Bayesiaanse kansrekening in de rechtsspraak. Juristen en officieren van justitie hebben moeite met de wiskunde van Bayes. Dat ligt anders bij het NFI (het Nederlans Forensisch Instituut) waar ze Bayes toepassen bij het identificeren van sporenbronnen. In verschillende door NWO gefinancierde onderzoekprojecten zijn diverse methodes onderzocht die het redeneren ten behoeve van gerechtelijke uitspraken een wetenschappelijke onderbouwing moeten geven. De drie methodes zijn: Bayesiaanse statistiek, verhalen, en argumentatie. Van Koppen laat op basis van zijn rijke ervaring de tekortkomingen van deze methoden zien. Ze lijden alle drie aan een zwakte van de mathematische natuurwetenschappelijke methode van onderzoek doen. Die houden zich namelijk bezig met het ontdekken of opstellen van algemene regels en wetten. De rechter moet een redelijke bemiddeling vinden tussen enerzijds de algemene regels, de wetten en de door experts aangeleverde kennis en anderzijds de concrete feiten waarmee hij te maken heeft. Het toepassen van wetten en regels is juist niet in wetten en regels vast te leggen. Je kunt ze door een machine laten uitvoeren, maar die laat zich niet ter verantwoording roepen over de wijze waarop de dat ais ingevoerd. Dat blijft mensenwerk.

“Het strafrecht moet de burger beschermen tegen de staat”. Daar ligt volgens Van Koppen de belangrijkste taak van de rechter. Het lijkt ons goed dat de strafrechter onderzoek doet naar het onverantwoord handelen van de Belastingdienst, want de Belastingsdienst is ziek. Ze vertoont alle symptomen van technologitis, een wijdverbreide ziekte waar niet alleen de Belastingdienst onder lijdt. Maar of dat als verzachtende omstandigheid mag dienen?

Het ministerie van Financiën maakte eind mei bekend aangifte te doen tegen de Belastingdienst vanwege mogelijke misdrijven in de toeslagenaffaire. Het zou daarbij gaan om beroepsmatige discriminatie en het ambtsmisdrijf knevelarij. Dat laatste is het “vorderen of ontvangen van een betaling terwijl de ambtenaar weet dat die betaling niet verschuldigd is”. (NOS nieuws-22 mei 2020)

Hans van der Vlist, algemeen directeur van het FIOD, is inmiddels opgestapt. Aanleiding voor zijn vertrek is de toeslagenaffaire. In een mailtje aan alle FIOD-medewerkers zegt Van der Vlist dat hij op verzoek van de top van het ministerie van Financiën het veld ruimt. In de mail schrijft de FIOD-baas dat hij geen betrokkenheid, wetenschap en directe verantwoordelijkheid heeft gehad bij de behandeling van toeslagen. Aldus , het Onderzoekplatform Follow the Money.

Heling door bewustwording is overigens bij geestesziektes als technologitis belangrijker dan het aanwijzen van schuldigen.

Gezond maken begint bij het stellen van de juiste diagnose.

Bronnen

Colyan et al. (2001). Is it a crime to belong to a reference class? The Journal of Political Philosophy, Volume 2, Number 2, pages 168-181, 2001.

De Zelfkennis van Clairy

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over de zelfkennis.

Het filosofies debat

Bij gebrek aan voetbal keek ik zondagmiddag naar Het Filosofisch Kwintet. Het bestond uit: Sidney Volmer, mediadeskundige, Beate Roessler, hoogleraar ethiek, Daan Roovers, nationaal filosoof, Dimitri Tokmetzis, datajournalist o.a. werkend voor De Correspondent, een kritisch journalisten club. Het debat werd voorgezeten door Clairy Polak. En het ging over manipulatie door de commercie. En de vraag die aan de orde kwam was hoe vrij zijn wij nog? hebben wij nog wel iets te willen? worden wij in ons gedrag al niet volledig bepaald door de commercie? Daarbij verwijst “wij” naar het moderne als autonoom gedachte vrije individu, lid van de democratisch samenleving, zoals de Nederlander zich graag ziet. Mensen dus zoals Clairy Polak. Wie is Clairy Polak?

Wij hebben indertijd haar gedragingen uit en te na geanaliseerd wanneer zij bezig was met waar zij bedreven in is: mensen interviewen. Het ging ons daarbij niet in de eerste plaats om haar verbale gedrag, om wat ze zegt, om de vragen; het ging ons vooral om het niet-verbale gedrag. Ik keek met name naar het beurtwisselgedrag (turn-taking) tijdens haar interviews. Haar kijkgedrag, haar hoofd- en hand-bewegingen, haar glimlachen, en vooral de timing van spreken en luisteren. Want bij een interview komt het vooral aan op luisteren, iets wat bij de meeste praatprogramma’s wel eens vergeten wordt. In een eerder stukje in deze serie stelden we al voor meer luisterprogramma’s te maken en minder praatprogramma’s. Ik herinner me met name haar interview met Arthur Docters van Leeuwen, toen nog voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, waarin vanwege het merkwaardige beurtwisselgedrag van de jurist en kinderboekenschrijver dit gedrag expliciet door Clairy aan de orde werd gesteld. Arthur had namelijk de gewoonte in zijn beantwoordingen lange pauses in te lassen waardoor Clairy dacht, geheel volgens de norm, dat hij de beurt overgaf. Wanneer Clairy dan haar vervolgvraag stelde hernam de man weer het woord. Toen dat tot enige irritatie leidde bij de jurist vond Clairy het tijd hem even te wijzen op zijn wat onhandige turn-taking behavior. “U doet steeds net of u stopt met praten”. Het is bekend dat mensen de timing in de loop van een gesprek aanelkaar aanpassen. Soms kost dat wat meer tijd dan anders. Zeker wanneer we met autistische mensen van doen hebben.

We kunnen ter geruststelling, wellicht, Clairy wel mededelen dat onze analyses van haar tiny behaviors niets te maken had met een bijzondere interesse in haar als persoon. Wij hebben in het kader van ons onderzoek vele mensen op video opnames tot in de haarvaten van hun gedrag geanaliseerd zonder ook maar de minste interesse in de persoon zelf die wij bestudeerden. “The moments, not the person.” is de bekende term van de socioloog Erwin Goffman, uit de inleiding tot Interaction Rituals, waarin hij het onderwerp van de Interactie Analyse definieert. Waarom deden we dit onderzoek? Ten behoeve van de technologie.

Kunstmatige intelligentie – natuurlijk werden AI en machine learning genoemd door het Kwintet – begint bij het bestuderen van het gedrag onder abstractie van de persoon, het zelf. De manieren waarop in het gedrag de persoon zich toont, verwerkelijkt, werkt, werden op zich gesteld. Wij doen geen psycho-analyse. (Over het verschil in methode zie Theo de Boer, Kritische Analyse van de Grondslagen van de Psychologie). Wij bouwden virtuele mensen (sociale robots, avatars) die bijvoorbeeld de rol konden spelen van een verdachte in een politieinterview, nadat we vele uren video opnames van politieverhoren analiseerden. Waarom zou je dat willen? Dat is een goeie vraag, waarop dus verschillende antwoorden mogelijk zijn. Als u het mij nu zou vragen zou ik zeggen omdat ik juist wel geinteresseerd ben in de persoon; in de mens in relatie tot zijn objectivatie in de vorm van de technologie. Terug naar het debat van het Filosofisch Kwintet. Ook daarin ging het over de mens.

Wanneer je naar een TV gesprek bij de EO keek, over whatever onderwerp, je kon er vergif op innemen, maar vroeg of laat kwam de aap uit de mouw: God. Uiteindelijk ging het over hoe de mens zich tot God verhoudt. “God is dood“, riep de dolle mens Nietzsche ons op markt de toe, “en de techniek is zijn lijk“, voegde Mulisch enige jaren later toe. “Van Causa sui tot Automatie” is de titel van de beroemde inaugurele rede van de Amsterdammer Jan Hollak bij de aanvaarding van zijn ambt als ordinarius in de moderne wijsbegeerte in Nijmegen. Wie nu naar een TV programma over de invloed van internet kijkt weet wie er vroeg of laat als een aap uit de mouw komt: Google.

Zelfkennis

Wil je weten wie je bent? Vraag Google. Google weet meer van ons dan we denken. Je kunt ten allen tijde – het staat in de wet – de gegevens opvragen die commerciele bedrijven en overheidsinstellingen van jou hebben. En ook de profielen, de categorieen waarin de machine learning algoritmes je hebben geclassificeerd op basis van al die data die ze over je hebben verzameld. Dat ben jij. Die enorme vector van attribuut-waarde-paren, een complex item in een enorme datastructuur, misschien wel met als onderdeel je gnoom, je genetische code, wanneer je ooit een keer DNA hebt afgestaan. Want je weet niet hoe je data, als een virus, door de commerciele wereld zwalkt en uiteindelijk bij Google terecht komt. Facebook, Twitter, Instagram, Google Chrome, Google Class, het zijn de tentakels, de zenuwen van het netwerk, het brein van Google. Werken daar nog mensen? Ethici, steeds meer ethici, die bepalen wat nog acceptabel is en interessant. Ze voeren de morele software agenten die Googles strategie berekenen.

Manipulatie

Het ging over manipulatie en het begon met een poging het eens te worden over wat dat is. Informatici als moderne filosofen nu eenmaal zijn willen altijd eerst een specificatie van de begrippen, het liefst in een heldere taal waarmee we aan de slag kunnen. Zo’n definitie moet uit de data komen. Is er sprake van manipulatie wanneer een auto van SHELL middels een sticker claimt CO2-neutraal te rijden? Nee, zegt de filosoof want daarvan ben je je bewust en daar kun je je expliciet toe verhouden. Er is sprake van manipulatie als het onbewust is, als je het niet weet. Iemand manipuleert je als je door iemand beinvloed wordt in je gedrag zonder dat het expliciet is gemaakt dat het de bedoeling van de ander is om te gedrag of denken te beinvloeden. Onderwijs en opvoeding zijn typisch bedoeld om je denken en gedrag (Bilding) te beinvloeden. Of dat nu op een kleuterschool is, door moeders thuis of door de hoogleraar Ethiek tijdens haar Zoom sessies met haar class. Dat is geen manipulatie. Nudging, voorbeeld: snoep bij kassa supermarkt, is een vorm van verleiden en is manipulatie, totdat je weet hoe het werkt. Op zich is daar niks mis mee.

Wil je een systeem, de Natuur, de mens, de samenleving, een virus, manipuleren, dan moet je er kennis over hebben. (Waarom zouden we anders kennis willen nemen van iets, anders dan om dat iets te manipuleren?) AI past kennis over systemen toe ten behoeve van de technische manipulatie. Turing award winnaar Judea Pearl (vader van Daniel, de door Alqaida onthoofde joodse journalist van de Wall Street Journal) , ontwerper van Bayesiaanse netwerken en causaal inferentie machines heeft zich als doel gesteld de wetenschappelijke arbeider te automatiseren. Waarom zouden we dat willen? Voor Hollak is de AI de uitwendige objectivatie van de technische idee, het zelfbegrip van de moderne westerse mens, waarvan de dialectische structuur door Hegel op filosofische wijze in zijn Wissenschaf der Logik tot uitdrukking is gebracht. Voor wie het snapt. Informatici die snappen wat een recursieve procedure is en weten hoe een computer werkt (niet technisch maar naar haar begrip) die snappen Hegel. Google heeft veel informatie over ons maar kent ons niet persoonlijk. Voor Google bestaan er geen personen, slechts informatie-bronnen en behoeftigen. Bertrand Russell heeft in zijn bekende “On denoting” ons al gewezen op het verschil tussen die twee vormen van kennen. Wij weten veel van Clairy, maar wij kennen haar niet. En dat weet ze.

“Is er dan geen enkel domein meer waar we vrij zijn van manipulatie” was de vraag die ze stelde. Ik zie mijn kleindochter van nog geen twee de wereld ontdekken: hoe ze aandacht heeft voor een miertje dat op een bloempje kruipt; voor de kiezelsteentjes die ze door haar vingertjes laat glijden, hoe alles nog haar verwondering wekt: boom, beer, boek.

“Misschien onze gedachten? de binnenkant van ons hoofd?” oppert Sidney Volmer, de mediadeskundige. Doelt hij op de vrije wil? Ons vermogen ons te verzetten, juist anders te doen. Willen we Google manipuleren? Hoe dan? Laten we de tijd nemen. (De reklame vooraf aan het programma beval de kijker Yoga aan. Zou het helpen?)

Belangrijk is dat we ons bewust worden van de manipulatie. Misschien is het juist door de uitwendigheid van de objectivatie van ons zelfbegrip dat we in staat zijn ons er toe te verhouden en tonen we aan niet op te gaan in deze vorm. De AI luidt het begin in van een nieuwe fase in de ontwikkeling van de mens : “De machine voorbij”, zoals de titel luidt van het proefschrift van Maarten Coolen over het zelfbegrip van de mens in het tijdperk van de informatietechniek. Het gevaar van AI zit in de mens die zich niet bewust is van het feit dat hij niet opgaat in de wijze waarop hij zich als vrije mens feitelijk als historisch wezen tot uitdrukking brengt in technologie en samenleving. Misschien dat we ons dan ook op een wat zinvoller manier tot onze geschiedenis gaan verhouden dan velen van ons nu lijken te doen.

Twitter en Facebook zijn verworvenheden van de technologie die ons de mogelijkheid bieden om ons als individu en als wereldburgers tot elkaar te verhouden. Dat is weliswaar geen persoonlijke verhouding, maar wel een verhouding die past bij de geglobaliseerde samenleving.

Good goan.

De behoeftigheid

Het allereerste wat ik lees in de Volkskrant is de column van Bert Wagendorp. Meestal blijft het daar ook bij: het geeft stof tot nadenken en eenmaal uitgedacht roept de plicht der dagelijkse dingen.

Onder de titel Vreten en Moraal (VK 01-07-2020) schrijft Wagendorp over de hypocrisie waartoe het primaat van de economische belangen kan leiden.

“Het zou verheugend zijn als grote multinationals opeens tot het morele inzicht zijn gekomen dat ze met hun advertenties niet langer naast allerlei ranzigheid willen staan. Maar helaas is dat al te optimistisch. Zuerst kommt das Fressen und dann die Moral, vreten kan naar wens worden vervangen door omzet, winst, beurswaarde of marktaandeel.”

Wat gezegd kan worden van de economische belangen van commerciele bedrijven kan overigens ook gezegd worden van de politieke belangen van politieke partijen die zich steeds meer als bedrijven op een martkaandeel van kiezers richten. Maar dat terzijde.

De column gaat over het burgerinitiatief #StopHateforProfit waarin de burgers oproepen tot een boycot van bedrijven die door middel van hun advertenties in de media indirect medeverantwoordelijk worden gehouden voor de naar hun goede smaak ongepaste, discriminerende, racistische, uitingen in de media. Het is de populariteit van deze hashtag die de adverterende bedrijven heeft doen besluiten hun advertentiecontracten met de media open te breken met als motief dat ze de goede smaak en de morele verontwaardiging van de burgers delen. En in dat laatste uit zich de hypocriete houding die voortkomt uit het primaat van het economisch bedrijfsbelang. Voor winstmaximalisatie moet je zoveel mogelijk de behoeftige burger te vriend houden.

Wagendorp is tegen het burgerinitatief #StopHateforProfit. “Racisme en haatzaaien moeten worden bestreden, maar bij voorkeur rechtstreeks en met open vizier. Niet door een beroep te doen op het hypocriete moralisme van sponsors en adverteerders.”

En hij eindigt met

“Twitter, Facebook, Instagram: van mij mogen ze kapot. Maar liever doordat iedereen er gewoon mee kapt, zodat ook de adverteerders er het nut niet meer van inzien, en niet via een oneigenlijk omweggetje.”

Ik ben het eens, wie niet?, dat we bij voorkeur rechtstreeks en met open vizier met elkaar in debat moeten over fenomenen als racisme, de noodzaak van de vrije markt, de economische groei, de beeldenstorm, fosfaat, kernenergie en wat zich ook maar verder aandient. En niet via anonieme loopgraafoorlogen en scheldpartijen op de sociale media.

Maar ik ben het heel erg oneens met Wagendorp wanneer hij stelt dat sociale media als Twitter, Facebook en Instagram wel kapot mogen. Hij miskent de waarde die de sociale media hebben voor het publieke debat. Natuurlijk zijn de sociale media ook een open riool en zijn de uitlatingen en effecten ervan soms erger dan die van de ergste riooljournalistiek. Maar we moeten niet het kind met het badwater weggooien. Je hoeft het niet eens te zijn met de mening van de virtuele meerderheid in de media. Iedereen is bovendien vrij om mee te doen, passief of actief, aan discussies via de sociale media. Heel veel mensen debatteren en informeren elkaar via sociale media met open vizier. Het is via twitter dat ik op de hoogte blijf van het verschijnen van nieuwe publicaties, van meningen van anderen over zaken die mij interesseren. Het is via twitter en andere sociale platformen dat ik als behoeftige burger mijn bijdrage kan leveren aan het publieke debat. Dat dit kosteloos kan is een groot goed. Dat dit kosteloos kan is vanwege de advertenties, de vrije markteconomie, de andere kant van de behoeftigheid.

De gratis sociale media zijn een verworvenheid, het middel voor de individuele burger om zijn of haar stem te laten horen over zaken die in de (wereld)samenleving spelen. De sociale media maken duidelijk dat de stem van de massa niet meer bestaat, dat er vele stemmen zijn. Het is een niet meer weg te denken middel voor de burgers om zich tegen de Staat en de Politiek te uiten. Het is niet voor niets dat de waarheid van het volk: de sociale media en de vrije pers, de eerste slachtoffers zijn van totalitaire regeringen.

Als vrijheid van meningsuiting belangrijk is dan moeten we ook zorgen voor de middelen deze vrijheid te realiseren. Dat sommige mensen uit hun bek stinken en alleen maar bagger over anderen heen kunnen strooien, de bermen vervuilen en onzedelijk denken is diep triest maar dit moeten we voor lief nemen en er alles aan doen deze mensen te helpen weer gezond van geest te worden. Een gezonde samenleving heeft een gezonde mening. Ze streeft niet alleen naar welvaart, economische groei, maar vooral naar welzijn. Dat welzijn geen noodzakelijk gevolg is van het welvaartsniveau van een samenleving daarvan raken steeds meer mensen doordrongen. Het burgerinitiatief #StopHateforProfit mag dan niet het ideale middel zijn voor meer welzijn in de samenleving, het is gezien de beperkte mogelijkheden die de behoeftige burger heeft wel begrijpelijk dat ze naar dit middel grijpt.

Verder blijf ik gewoon mijn cap van de Washington Redskins dragen, niet als statement, maar tegen de zon.