Regels volgen !

“Kunnen we ons geen regel indenken die de toepassing van een regel regelt?” (Wittgenstein PU I.84)

Een staat die haar onderdanen ziet als dociele instrumenten in haar handen zal ontdekken dat je met zulke mensen niet veel kan bereiken.
(J,S. Mill, On Liberty , p.106 )

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over het volgen van regels. Waarom?

De tweede golf

Het is vandaag 26 Juli 2020. Zomer, vakantieperiode, mensen trekken erop uit, spreken af op terrassen en winkelen weer in soms overvolle winkelstraten en sommige durven het weer aan op reis te gaan met het vliegtuig. Het aantal positieve tests neemt de laatste weken weer gestaag toe nadat het in de periode daarvoor was afgenomen. Men vreest een tweede golf. In sommige Europese landen gelden al weer strengere uitgaansmaatregelen, zoals in Antwerpen, in sommige wijken van Lissabon en Barcelona. In de meeste landen om ons heen is het dragen van mondkapjes in de openbare ruimte verplicht. De Nederlandse overheid ziet daar op advies van het RIVM de noodzaak niet van in. De wetenschappelijke onderbouwing voor het effect is flinterdun en omstreden. Als iedereen maar de basis-regels volgt: 1) vermijd direct contact en was regelmatig je handen; 2) houdt anderhalve meter afstand (social distancing); 3) waar dat niet kan en in het openbaar vervoer: draag een mondkapje. 4) houd je gezondheid in de gaten; als je symptomen hebt, laat je testen en blijf thuis.

Op de anderhalve meter-regel en de mondkapjesregel wordt “gehandhaafd” door ordehandhavers en politie. Overtredingen worden soms bestraft met geldboetes. De toename van het aantal besmettingen wordt geweten aan het feit dat mensen zich niet (meer) aan de regels houden. Er zijn diverse besmettingshaarden, locaties waar vooral mensen tussen 20 en 40 jaar elkaar ontmoeten: een kaffee, een markt, een kermis. Volgens onderzoek zou het virus zich vooral in slecht geventileerde ruimtes makkelijk verspreiden via aerosolen, kleine besmette druppeltjes. Deze verspreiden zich over een grotere afstand omdat ze in de lucht blijven zweven. Ventilatie in vliegtuigen zou voldoende goed zijn om het vliegen verantwoord te noemen. Maar ook hierover zijn de meningen verdeeld.

De Nederlandse overheid, onder aanvoering van de immer soms irritant goedgeluimde minister-president Rutte van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, houdt het bij het inprenten van de basis-regels en een dringend beroep op de eigen verantwoordelijkheid. Vooral de jongeren wordt gevraagd aan hun ouders en grootouders te denken en niet alleen aan hun eigen gezondheid. Er worden via de media “social influencers” ingezet om als rolmodel voor de jeugd op te treden. (Een influencer is iemand die veel invloed heeft, gemeten aan het aantal volgers op Instagram en Facebook.) Helaas zijn de onder de jeugd populaire influencers net zo verdeeld als degenen die hen volgen en vaak zelfs eerder nonchalant dan regelgetrouw. Dat gaat dus ook niet werken. Protesten van aktiegroepen worden door de rechter niet ontvankelijk verklaard.

Waarom niet regels volgen?

Als voornaamste redenen om zich niet aan de regels te houden wordt in praatprogramma’s op TV genoemd: 1) de regels zijn onduidelijk 2) ik ben het niet met de regels eens omdat ze niet konsekwent zijn of omdat ze niet nodig zijn, sommigen beoordelen de pandemie als niet veel meer dan een “griepje” 3) anderen houden zich er ook niet aan, waarom ik dan wel? 4) de verleidingen zijn te groot; de gevolgen van het je niet aan de regels houden zijn te abstract; de kans op een besmetting is erg klein. Kortom de situatie toont ons weer eens aan wat de socioloog Dahrendorf noemde : het “ergerlijke feit” van een verdeelde samenleving. Waarom kunnen mensen zich niet gewoon aan de regels houden?

De kennis van regels

Samenleven is kennelijk niet iets dat vanzelf gaat. Nou ja, dat hangt er natuurlijk maar vanaf wat je onder samenleven verstaat. In feite vallen oorlog, terreur, zelfisolatie en discriminatie ook onder samenleven. Bij de feitelijke gang van zaken wensen we ons echter niet neer te leggen. Mensen hebben een beeld van hoe er samen geleefd zou moeten worden. Er is al heel lang door heel erg knappe mensen heel diep nagedacht over hoe we het beste een samenleving kunnen inrichten zodat iedereen (nou ja iedereen: soms vooral de eerste-klas mensen) zich er een beetje in thuis voelt. Er is een wetenschapsgebied ingesteld: de sociologie, om te bestuderen wat een samenleving maakt tot wat het is. En er zijn dikke boeken en proefschriften geschreven over de kwestie welke de beste methode van onderzoek voor deze nieuwe wetenschap is. Zie bijvoorbeeld het proefschrift van Gerard de Vries (1977) over sociale orde en regels. Ondertussen zijn er heel veel gedragsregels, codes en wetten opgesteld waar de burger zich aan moet houden. Maar de meningen over wat de beste regels zijn blijven verdeeld. Er komen steeds weer aanpassingen en daarop weer aanpassingen. Maar daarmee wordt het nog niet eenvoudiger om de regels te volgen. Regels volgen is nog heel wat anders dan regels opstellen. “Ja, mach nur einen Plan! Sei nur ein großes Licht! Und mach dann noch‘nen zweiten Plan Gehn tun sie beide nicht.” dichtte Bertold Brecht. Niet alleen voor het gewone volk, ook voor de wetenschappers, de overheidsdienaren, de ordehandhavers. Hoe ver moet je gaan in het opstellen van regels? En hoever moet je gaan in het handhaven van regels? Gaat dat niet ten koste van de ons zo geliefde vrijheid van het individu; de figuur die bij de populaire partijen zo hoog in het vaandel staat? Het volgen van regels en de vrijheid lijken met elkaar in conflict. Maar is dat wel zo? Moeten we niet juist regels hebben om vrij te kunnen zijn?

Zelf doen

De beste kritiek op de anti-autoritaire opvoeding, populair in de jaren 60 en 70, komt van de twaalfjarige dochter die eens tegen haar ouders uitriep: “maar ik moet ook altijd alles van jullie zelf weten!” Ik heb geen dochter, maar ik heb een vergelijkbare ervaring uit de tijd dat ik leraar wis- en natuurkunde was op een middelbare school. Ik was pas afgestudeerd en stond voor mijn gevoel dichter bij de leerlingen dan bij de collega-docenten die in de pauze in de lerarenkamer vaak niet anders deden dan mopperen en zeuren over niet-willende leerlingen en over hoe zwaar ze het wel niet hadden. Mij waren als beginnend onervaren docent, laag in de pik-orde, naast een paar brugklassen en 4 Gym klassen, de altijd lastige 3 Havo klassen toebedeeld. De 3 havo leerling vond (ik praat over zo’n 40 jaar geleden) dat het vooral leuk en gezellig moest blijven en zag niet in dat het maken van wiskundesommetjes daar iets aan bij kon dragen, al deed de leraar nog zo mijn best. Er werd naar mijn mening te veel gezellig gedaan in de klas. Waarschuwen hielp niet. Ik besloot ten langen leste met de klas in discussie te gaan. Ik reserveerde bij het secretariaat een wat geisoleerd liggend klaslokaal op de binnenplaats van de school waar ik het lesuur niet zou besteden aan wiskunde maar aan een gesprek over de orde in de klas. “Het kan er wat rumoerig aan toe gaan motiveerde ik mijn verzoek.” De klas vond het wel leuk, weer eens wat anders, maar bleek het al snel eens met de opmerking van een leerling: “u geeft ook helemaal nooit straf. U moet net als andere docenten straf geven.”. Maar waarom moet ik straf opleggen als je zelf inziet dat het redelijk is om straf op te leggen wanneer je je niet aan de regels houdt? Was mijn vraag. Dat was toen. Nu denk ik dat er geen reden is die maakt dat mensen zich soms niet aan de regels houden. Maar dat er andere oorzaken, behoeftes, motieven zijn om je niet aan de regels te houden. De regels staan boven het individuele belang van de concrete situatie en moeten daarom van buiten komen. Wat het in de praktijk lastig maakt is dat er altijd weer situaties zijn waarin de vraag zich voordoet of het redelijk is een regel dwingend voor te schrijven.

Regels moeten met rede worden toegepast. Is daar geen regel voor?, vroeg Wittgenstein zich af – in een overigens heel andere context: over het gebruik van taal dat hij als een taalspel zag. Nee, zo’n regel is er niet. Of het moet het zelf zijn, het zelf dat zich zelf onder controle houdt, daarbij de regels en de ander zo goed mogelijk in acht nemend. Pacta sund servanda. Het maken van afspraken, of dat nu tussen burgers onderling of tussen de burger en de overheid is, veronderstelt voor haar gelding dat de partijen hun afspraak nakomen.

De programmeerbare mens

De programmeerbare machine is eigenlijk de ideale “regel” waar Wittgenstein naar zocht. De regels hebben dan de vorm van een computerprogramma dat ingevoerd in de computer precies voorschrijft hoe de computer de regels moet uitvoeren. De betekenis van het programma is formeel vastgelegd in het ontwerp van de machine: de interpreter en in de hardware, de door machinemakers, georganiseerde natuurprocessen, de digitale circuits, de logische poorten, die precies werken zoals je de relatie tussen invoer en uitvoer beschrijft. Stop je er een regel in dan voert de computer de regel uit.

De mens moet de taal van de machine leren om hem opdrachten te geven. De machinemaker schrijft de gebruiker ervan precies in een manual voor wat hij moet doen om met de machine te werken. De programmamaker hoeft nog slechts te bepalen wat hij wil. De machine voert het vervolgens vanzelf uit. Mits wat hij wil maar zo precies beschreven wordt dat het uitgevoerd kan worden. De vraag is dus of we zo’n systeem ook in onze samenleving willen: een strikte scheiding tussen programmeurs die bepalen wat moet gebeuren en hoe en de uitvoerende machines die doen wat hen in niet mis te verstane regels is opgedragen. J.S. Mill vond het maar niks. Hij eindigt zijn essay On Liberty, de bijbel van de liberalen, met een waarschuwing in de richting van een overheid die haar onderdanen als instrumenten ziet. Daar bereik je niet veel mee.

Het alternatief is dat iedereen voor zich zelf uitmaakt welke doelen hij zich stelt en hoe hij die wil realiseren: het vrije individu, het ideaal van de libertijn. Dat leidt tot een situatie van het recht van de sterkste. Diegenen die gevoelig zijn voor het virus gaan er aan lijden en eventueel sterven. In de roep van degenen die bang zijn via anderen door het virus te worden aangestoken herkennen we Hobbes’ – “My mother gave birth to twins: myself and fear” – pleidooi voor een overheid die het individu bescherming biedt tegen de bedreigingen van de ander. De mens is immers volgens Hobbes (1588-1679) van nature een wolf voor de ander. In de oppositie van aktiegroepen als Viruswaanzin herkennen we J.S. Mill’s angst voor een te machtige overheid die de vrijheid van het individu beperkt.

Leviathan in een fresco van Giacomo Rossignolo ca.1555

Tussen die twee uitersten voltrekt zich een proces van afweging waarin iedereen zijn zegje kan doen. Regels zijn vatbaar voor verandering. Een primair kenmerk van regels volgens de Amsterdamse Professor O. Duintjer in zijn college Rondom Regels (1977). Dat de keuze voor een eigen lifestyle niet iets is dat je in je eentje doet is genoegzaam bekend. Net zo min als er prive-talen bestaan zijn er prive-leefwijzen. Dat zijn sociale dingen. Het beeld dat zowel de naturalisten Hobbes, Locke, Rousseau, als J.S.Mill van het individu schetst als een primair, van nature, geisoleerd subject dat via contracten en regels een leefbare samenleving moet maken, klopt niet. Het individu is altijd al een sociaal wezen, onderdeel van en in relatie staand tot de anderen, de historisch gegroeide instituten, waaronder kerk en staat, en voetbalclub. Wie meent dat de vrije wil door het gemeenschapsleven allereerst wordt beperkt die verwart volgens Hollak het streven naar zelfstandigheid met het streven naar onafhankelijkheid: “het gemeenschapsleven behoort veeleer tot de constitutie van zijn wezen.” ( Hollak, Macht en recht, in: Hollak 2010, p.207)

De politieke invloed van het individu gaat bovendien niet uit van de enkeling maar van de diverse belangengroepen en politieke partijen. In Marx’ tijd was het de arbeidersbeweging tegenover het kapitaal. Men leze zijn degelijk met statistieken gedocumenteerde analyse van de kapitalistische productiemethoden in het eerste deel van Het Kapitaal dat in detail de invloed van de nieuwe machines voor het weven en spinnen op de productiviteit, de lonen en de werkloosheid in Europa beschrijft. De fabrieksarbeiders zijn vervangen door flexwerkers en robots. De boeren zijn de laatste overgebleven beroepsgroep die nog gebonden is aan plaats en traditie. Die boeren die het hoofd nog koel en boven water hebben kunnen houden voeren een verloren strijd tegen de technologie en de overheidsregels die beogen de natuur nog te redden van de totale uitbuiting door de landbouweconomie als onderdeel van een kapitalistische op winst jagende en door technologie bestuurde economie.

Het is misschien niet zo ‘n gek idee om de zogenaamde influencers van onze jeugd maar eens uit de duistere spelonken van de sociale media voor het voetlicht te halen om in de publieke media te discussieren over hun private meningen over de problematiek van het volgen van regels. Ik ben benieuwd wat daar uit komt.

Ja; renn nur nach dem Glück
doch renne nicht zu sehr!
Denn alle rennen nach dem Glück
Das Glück rennt hinterher.

(Uit: Das Lied von der Unzulänglichkeit, Bertold Brecht)

Good goan!

Bronnen

O.D.Duintjes (1977). Rondom regels. Boom Meppel, Amsterdam, 1977.

Hobbes, Thomas (2010). Leviathan: Or the Matter, Forme, and Power of a Commonwealth Ecclesiasticall and Civill, ed. by Ian Shapiro; Yale University Press; 2010. Originele Engelse uitgave 1651.

Hollak, Jan (2010). Denken als bestaan: het werk van Jan Hollak. Uitgeverij DAMON, Budel, 2010.

M. Hollis (1994). The Philosophy of Social Science. Cambridge University Press, Fifth printing, 2007.

Karl Marx (1867). Het Kapitaal: een kritische beschouwing van de economische politiek. Deel I Het productieproces van het kapitaal. Internet link.

D.H.M. Meuwissen (1982). Recht en vrijheid. Inleiding in de rechtsfilosofie. Aula-paperback 83. Uitg. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982.

J.S. Mill (1982), On liberty. Penguin classics, 1982.

Ludwig Wittgenstein (2006). Filosofische Onderzoekingen. Vertaling Maarten Derksen en Sybe Terwee, Boom, Meppel, Volledig herziene editie 2006. Oorspronkelijk, Duitse tekst verschenen met Engelse vertaling als Philosophical Investigations / Philosophische Untersuchungen, Basil Blackwell, Oxford, 1953. Wittgenstein schreef het voorwoord voor de eerste uitgave in 1945. De Duitse tekst werd ook als suhrkamp taschenbuch uitgegeven: red. A.Anscombe, G.H. von Wright en R.Rhees. Basil Blackwell, 1958.

Gerard de Vries (1977). Sociale orde, regels en de sociologie, Boom Meppel, Amsterdam, 1977.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply