Geloven we meer dan we weten of weten we meer dan we geloven?

Er heerst een opvatting over kennis die zegt dat kennen meer is dan geloven. Als je iets weet dan geloof je het niet alleen maar dan is wat je gelooft ook waar. Je kunt er argumenten voor aandragen en bewijzen dat het zo is. “Knowledge is true belief.”

Anderzijds is het zo dat als je iets gelooft dan geloof je ook dat het waar is wat je gelooft. Je kunt niet geloven dat het regent en tegelijkertijd je beseffen dat het niet waar is dat het regent. Maar hoe kan kennen dan ‘meer’ zijn dan geloven?

Kennelijk kunnen we het in verschillende situaties over kennen hebben.

Een docent stelt zijn leerling Jan een vraag om zijn kennis over een bepaald onderwerp te testen. De docent weet dat p en wil weten of de leerling het ook weet en of hij dit kan beargumenteren. De docent wil een antwoord op de vraag: “Weet Jan dat p ?” Deze school-situatie is een andere dan de normale buiten-schoolse situatie waarin we willen weten wie ons kennis of informatie kan verschaffen over een of ander onderwerp. De vraag is dan: Wie weet of p? of wat weet je van p?

Weaver (1949) en Clark en Marshall (1981), en veel filosofen die reflecteren over kennis stellen zich op het schoolse standpunt: “knowledge is true belief”. Bernard Williams spreekt in Deciding to believe (1970) van “a deep prejudice in philosophy”. In de gewone buitenschoolse situatie is kennis hebben hetzelfde als informatie hebben, geloven dat iets zo is zoals je gelooft dat het is. De idee van zekerheid of waarheid komt pas op wanneer iemand anders je vraagt of wanneer je jezelf afvraagt: weet je dat wel zeker? of: heb je dat wel goed begrepen?

Beslissen we wat we geloven?

Volgens Williams beslissen we niet wat we geloven. Dat is een belangrijk inzicht: wat we geloven is geen resultaat van een besluit. Een andere filosoof die veel over “belief” heeft nagedacht is L.J. Cohen, bekend van The Probable and the Provable. Hij is het met Williams eens. Cohen maakt een onderscheid tussen belief en acceptance. Geloven (belief) is passief. Je bent niet verantwoordelijk voor wat je gelooft. Acceptance is actief, het betekent dat je er naar handelt.

A juror is culpable for relying on beliefs that he has acquired from what he has heard about the defendant outside the court and adopting those beliefs as premisses on which to base conclusions about the defendant’s guilt. But he is not culpable for having the beliefs, if he could not help hearing what he did” (Cohen, 1989, p.370).

Je kunt iets accepteren, er naar handelen of redeneren, zonder er echt in te geloven. We geloven veel dingen, wat automatisch inhoud dat het voor ons waar is, zonder het ons te beseffen en ernaar te handelen.

Wanneer iemand zegt “Ik weet het, maar ik kan het niet geloven.” dan bedoelt ze dat ze het niet kan en wil accepteren, ook al weet ze dat het zo is.

Wittgenstein is van mening dat “Ik geloof dat het regent” niet een beschrijving is van mijn “belief” maar een expressie. “Hij gelooft dat het regent.” lijkt me eerder een beschrijving van een toestand, dan een expressie. Zeker wanneer we onder expressie een uitdrukking verstaan van een gemoedstoestand, meer dan van een toestand in de werkelijkheid ‘buiten’ ons.

Williams wijst op het verschil tussen de uitdrukkingen “Het regent” en “Ik geloof dat het regent”. De eerste is dan eerder een expressie en de laatste een rapportage of beschrijving van mijn geloofstoestand (“belief state” is de Engelse, epistemologische term). Als we zeggen “ik geloof dat het regent” dan drukken we uit dat we niet helemaal zeker zijn.

We kunnen uitspraken als uitdrukkingen van belief states niet los zien van het onderscheid tussen de eerste en de derde persoon.

Je kunt wel zeggen: de machine gelooft dat p maar het is niet zo.

Je kunt niet zeggen: ik geloof dat p maar het is niet zo.

Je kunt wel zeggen: ik weet dat p maar ik geloof het niet.

Je kunt niet zeggen: ik geloof dat p maar ik accepteer het niet.

Het weten en geloven van machines is iets anders dan mijn weten en geloven. Machines accepteren niet. Ze functioneren. Als ze het doen.

Referentie

L. Jonathan Cohen (1989. Belief and Acceptance. Mind, New Series, Vol. 98, No. 391 (Jul., 1989), pp. 367-389. Published by the Oxford University Press on behalf of the Mind Association.

Clark, Herbert en Marshall Catherine, (1981) Definite Reference and Mutual Knowledge, In: H.H. Clark, Arenas of Language Use, The University of Chicago Press, 1992.

Shannon, Claude E. and Weaver, Warren (1949). The Mathematical Theory of Communication. University of Illinois Press, 1949.

Williams, Bernard (1970). Deciding to believe. In: Problems of the self: philosophical papers. Cambridge University Press, 1973.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply