Geloven we meer dan we weten of weten we meer dan we geloven?

Er heerst een opvatting over kennis die zegt dat kennen meer is dan geloven. Als je iets weet dan geloof je het niet alleen, maar dan is wat je gelooft ook waar. Je kunt er argumenten voor aandragen en bewijzen dat het zo is. “Knowledge is true belief.”

Anderzijds, wanneer ik geloof dat het regent dan kan het niet zo zijn dat ik tegelijk weet dat het niet regent. Mijn geloven dat het regent houdt in dat dat voor mij waar is. Maar wanneer ik zeg: “ik geloof dat het regent”, dan is het gebruikelijk dat ik daarmee aangeeft dat er niet helemaal zeker van ben. We moeten dus onderscheid maken tussen mijn onmiddellijk, ongereflecteerd ‘geloven’ en mijn bewust, gereflecteerd, geloven. Dat laatste drukken we uit in een propositie. Het eerste, ongereflecteerd geloven is wat ons handelen en denken stuurt. Wanneer ik tijdens een wandeling een bruggetje gebruik om aan de overkant van een watertje te komen, dan blijkt daaruit dat ik geloof dat het mij zal houden. Als blijkt dat dat niet zo is, dan realiseer ik me dat “ik dacht (geloofde) dat het bruggetje me zou houden”. Maar dat is een reconstructie van mijn geloof. Toen ik het bruggetje opliep geloofd ik dat inderdaad maar juist niet op de bewuste wijze waarop ik het geloofde nadat ik deze reconstructie deed. Het is een (ongeoorloofde) projectie op mijn geloof in het verleden, wanneer ik zou zeggen dat ik dat toen geloofde op de wijze waarop ik dat nu doe. Deze twee wijzen van geloven worden vaak verward in formele epistemologische theorieën die proberen de axioma’s van geloven en kennen vast te leggen. Ook in het denken over de verwante noties als “geinformeerd zijn”, “informatie hebben” ligt deze verwarring op de loer.

Volgens de “justified true belief” hypothese kunnen we alleen dan zeggen dat “A weet dat p” wanneer aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: 1) A gelooft dat p 2) p is waar en 3) A heeft goede redenen om p te geloven.

Maar is dit wel voldoende? Gettier meende van niet (Gettier 1963). Er zijn situaties denkbaar waarin aan de drie condities voldaan is, maar waarin er geen sprake is van echt weten, of echte kennis, in de intuïtieve zin. Een voorbeeld dat Gettier geeft is het volgende.

Stel Fred kijkt op zijn horloge en ziet dat het 12 uur is. Het is ook 12 uur. Echter: Freds horloge staat stil, wat hij niet weet. Fred heeft reden om te geloven dat het 12 uur is. Daarom wordt wel aan de drie condities voldaan, maar is er volgens Gettier geen sprake van dat Fred weet hoe laat het is. Het is toevallig zo dat de reden voor zijn geloof dat het 12 uur is overeenkomt met het feit dat het 12 uur is. Het had net zo goed niet 12 uur kunnen zijn.

Anderzijds is het zo dat als je iets gelooft, dan geloof je ook dat het waar is wat je gelooft. Je kunt niet geloven dat het regent en tegelijkertijd je beseffen dat het niet waar is dat het regent. De regen die ik voel of zie is de oorzaak van mijn geloof dat het regent. Fred gelooft dat het 12 uur is en dat het waar is dat het 12 uur is. Maar hoe kan kennen dan ‘meer’ zijn dan geloven?

Als we de ‘waarheid dat p’ onderscheiden van het weten van A dat p, dan voeren we een ander waarheidsbegrip in en een ander weten. Immers: wie weet dat p? Is dat een alwetende buitenstaander die de waarheid kent? Veel formele kennistheorieën bevatten zowel de gekwalificeerde bewering ‘A weet dat p’, als ook de bewering ‘p’, een ongekwalificeerde waarheid. Geloven en kennen onderscheiden zich hierin dat in een kennis-logica geldt: Als S weet dat p dan volgt dat p waar is. In een geloof-logica geldt dit axioma niet. S kan geloven dat p terwijl p niet waar is.

Kennelijk kunnen we het in verschillende situaties over ‘kennen’ of ‘weten dat’ hebben. Een voorbeeld van een school-situatie.

Een docent stelt zijn leerling Jan een vraag om zijn kennis over een bepaald onderwerp te testen. De docent weet dat p en wil weten of de leerling het ook weet en of hij dit kan beargumenteren. De docent wil een antwoord op de vraag: “Weet Jan dat p ?” De docent is de autoriteit die weet wat waar is.

In een dergelijke school-situatie komt het kennen of weten over een met de drie bovenstaande condities.

Deze school-situatie is een andere dan de normale buiten-schoolse situatie waarin we willen weten wie ons kennis of informatie kan verschaffen over een of ander onderwerp. De vraag is dan: Wie weet of p? of wat weet je van p?

Gettier (1963), Weaver (1949) en Clark en Marshall (1981), en veel filosofen die reflecteren over kennis stellen zich op het schoolse standpunt: “knowledge is true belief”. Bernard Williams spreekt in Deciding to believe (1970) van “a deep prejudice in philosophy”.

In de ‘gewone’, buitenschoolse situatie is kennis hebben hetzelfde als informatie hebben, geloven dat iets zo is zoals je gelooft dat het is. De idee van zekerheid of waarheid komt pas op wanneer iemand anders je vraagt of wanneer je jezelf afvraagt: weet je dat wel zeker? of: heb je dat wel goed begrepen?

Wanneer Luciano Floridi stelt dat informatie pas informatie is als het waar is (Floridi 2004, 2007), dan bedoelt hij dat in dezelfde zin als waarin kennis justified true belief is. In werkelijkheid gaat het erom er achter te komen wat waar is. We hebben de neiging de informatie-inhoud die van betrouwbare bronnen komt voor waar te houden, te accepteren. We mogen echter niet uitsluiten dat later kan blijken dat het niet klopt.

Beslissen we wat we geloven?

Volgens Williams beslissen we niet wat we geloven. Dat is een belangrijk inzicht: wat we geloven is geen resultaat van een besluit. Ik besluit niet te geloven dat het regent als ik buiten loop en het regent. En als ik op de klok kijk die 12 uur aanwijst en ik heb geen redenen te geloven dat dat niet klopt, dan geloof ik dat het 12 uur is.

Een andere filosoof die veel over “belief” heeft nagedacht is L.J. Cohen, bekend van The Probable and the Provable. Hij is het met Williams eens. Cohen maakt een onderscheid tussen ‘belief’ en ‘acceptance’. Geloven (belief) is passief. Je bent niet verantwoordelijk voor wat je gelooft. Acceptance is actief, het betekent dat je er naar handelt.

A juror is culpable for relying on beliefs that he has acquired from what he has heard about the defendant outside the court and adopting those beliefs as premisses on which to base conclusions about the defendant’s guilt. But he is not culpable for having the beliefs, if he could not help hearing what he did” (Cohen, 1989, p.370).

Je kunt iets accepteren, er naar handelen of redeneren, zonder er echt in te geloven. We geloven veel dingen. Hetgeen automatisch inhoudt dat het voor ons waar is, zonder het ons te beseffen en ernaar te handelen.

Wanneer Maria zegt “Ik weet het, maar ik kan het niet geloven.” dan bedoelt ze dat ze het niet kan en wil accepteren, ook al weet ze dat het zo is.

Williams wijst op het verschil tussen de uitdrukkingen “Het regent” en “Ik geloof dat het regent”. De eerste is dan eerder een expressie en de laatste een rapportage of beschrijving van mijn geloofstoestand (“belief state” is de Engelse, epistemologische term). Als we zeggen “ik gelóóf dat het regent” dan drukken we uit dat we er niet helemaal zeker van zijn. We benadrukken dat het slechts om mijn geloof gaat.

We kunnen uitspraken als uitdrukkingen van belief states niet los zien van het onderscheid tussen de eerste en de derde persoon.

Je kunt wel zeggen: de machine gelooft dat p, maar het is niet zo.

Je kunt niet zeggen: ik geloof dat p, maar het is niet zo.

Je kunt wel zeggen: ik weet dat p, maar ik geloof het niet.

Je kunt niet zeggen: ik geloof dat p maar ik accepteer het niet.

Het weten en geloven van machines is iets anders dan mijn weten en geloven. Machines accepteren niet. Ze functioneren. Als ze het doen.

Conclusie

Het onderscheid tussen het kennend subject enerzijds en de propositie die gekend wordt anderzijds leidt tot verwarring wanneer we deze twee tegenover elkaar stellen.

Ik denk dat er drie soorten waarheid zijn. 1) Mijn waarheid: wat ik geloof dat waar is 2) De waarheid van de ander: wat de ander gelooft dat waar is, en 3) Wat waar is. Deze laatste wordt wel de metafysische waarheid genoemd. De eerste twee betreffen de epistemologische waarheid. Kan iets waar zijn zonder dat iemand het weet?

Als iemand (een ander of ik) gelooft dat p dan gelooft hij dat dat overeen komt met 3) wat waar is. Dat is de waarheid waar iedereen en in het bijzonder de wetenschappers en filosofen naar streven. Meestal vergeten we dat de waarheid (3) vele gezichten heeft die alle ware gezichten zijn. Ze hoeven elkaar niet tegen te spreken.

We weten meer dan we denken dat we weten, alleen weten we het niet zo precies als we zouden willen. We moeten accepteren dat de waarheid zich niet in volle glorie aan ons openbaart.

Referentie

L. Jonathan Cohen (1989. Belief and Acceptance. Mind, New Series, Vol. 98, No. 391 (Jul., 1989), pp. 367-389. Published by the Oxford University Press on behalf of the Mind Association.

Luciano Floridi (2004), “Outline of a Theory of Strongly Semantic Information”, Minds and Machines, 14, pp. 197-222

Luciano Floridi (2007). In defence of the veridical nature of semantic information. EUJAP, Vol. 3, Nr.1, 2007.

Edmund L. Gettier (1963). Is Justified True Belief Knowledge? Analysis 23 ( 1963): 121-123.

Clark, Herbert en Marshall Catherine, (1981) Definite Reference and Mutual Knowledge, In: H.H. Clark, Arenas of Language Use, The University of Chicago Press, 1992.

Shannon, Claude E. and Weaver, Warren (1949). The Mathematical Theory of Communication. University of Illinois Press, 1949.

Williams, Bernard (1970). Deciding to believe. In: Problems of the self: philosophical papers. Cambridge University Press, 1973.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply