De macht der gewoonte

Philosophers—for all their air of superior wisdom—are given a hard time by people who persist with questions, pushing them from every corner into which they retreat, finally bringing them to some dangerous dilemma.”

“Custom, then, is the great guide of human life.”

(David Hume, Enquiry Concerning Human Understanding, 1748)

Van de macht der gewoonte worden we ons meestal bewust wanneer we iets gedaan hebben dat we achteraf gezien beter niet hadden kunnen doen. Zo sluit ik me zelf weleens buiten door de deur achter me dicht te trekken als ik even naar buiten moet. Macht der gewoonte.

We wonen nu alweer een maand in Zuid-Alentejo. Vanwege de pandemie was het alweer bijna een jaar geleden dat we het huis achter ons lieten. Het is altijd weer even wennen voordat je aan de gewoontes van het land gewend bent. Wat helpt is dat er altijd heel veel te doen is: een kapot ruit moet gerepareerd, een buitenmuur moet hersteld (taipa muren vragen regelmatig onderhoud), de tuin moet opgeruimd. En er moeten dingen geregeld met de bank (een per post verstuurd bankpasje was niet aangekomen), met de verzekering (wordt de gebroken ruit vergoed?) en met de financas (hoe vul ik in hemelsnaam dat belastingformulier in?). De mevrouw van de lokale BPI bank begroette ons toen we met mondkapjes -hier draagt men overal in publieke ruimtes mondkapjes- het bankkantoor binnen gingen nadat ze met een druk op een knop de deur had opengemaakt. Ze wist zelfs onze naam nog! En waarvoor we kwamen. Kom daar in Nederland maar eens om. Zijn daar nog bankkantoren waar je door een mens van vlees en bloed wordt geholpen?

Elk land, elke cultuur heeft zo zijn eigen gewoontes en tradities.

In Nederland zijn we gewend om het toiletpapier na gebruik in de pot te laten vallen. Hier, hebben we gemerkt, kunnen we dat beter niet doen. De afvoer raakt binnen de kortste keren verstopt. Het is altijd even wennen om de gewoontes van dit huis weer aan te leren. Dingen die je niet gewoon bent vragen extra aandacht. Door gewoontes gaan dingen vanzelf en hebben we meer tijd voor andere dingen. Wat kost het niet een moeite om een andere taal te moeten gebruiken dan je gewend bent!

“Custom, then, is the great guide of human life”, schreef David Hume.

De middag loopt al bijna ten einde, een uur of vier is het. De hete zon staat aan een azuurblauwe hemel. Het is nog zo’n 25 graden. We rijden terug naar huis. De zon die brandt door de voorruit wekt de gedachte op aan een warme avond buiten bij het huis, genietend van het uitzicht op het golvende roestbruine landschap, de rust en de geuren van Zuid-Alentejo. Maar het is al oktober en dit is het zuiden van Portugal en we realiseren ons dat het over een paar uurtjes al weer donker wordt. Dan is het zo koel dat we al gauw een warme trui aan zullen trekken. Ook in de associatie van een warme nazomermiddag met de idee van een lange lichte en warme avond buiten uit zich de macht der gewoonte.

De macht der gewoonte beheerst niet alleen ons gedrag, maar meer nog ons denken dat op grond van in het geheugen opgeslagen ervaringen verwachtingen koppelt aan onze waarnemingen.

Wanneer er iemand is die ons op de betekenis van de gewoonte voor ons kennen en doen heeft gewezen dan is wel de schotse filosoof David Hume (1711-1776). Wat kunnen wij weten? vroeg hij zich af. Hoe is het mogelijk dat wij zekere conclusies kunnen trekken op grond van onze ervaringen? Kunnen we dat eigenlijk wel?

David Hume statue aan de Royal Mile in Edinburgh.

Hij schreef er twee dikke boeken over. De Treatise (1739) en de Enquiry (1748). Dat die boeken zo dik zijn is omdat hij alle mogelijke wegen nagaat om een antwoord op die ene vraag te vinden. Daarbij komen zulke diverse voorbeelden aan de orde als “Op grond waarvan weten we dat de zon morgen op zal komen?” en “Hoe weet ik dat dit brood voedzaam is?” Kunnen we op grond van onze ervaring dat elke dag de zon op is gekomen concluderen dat deze morgen ook op zal komen? En: hoe kan ik op grond van de zintuiglijk waarneembare kenmerken van dit brood concluderen tot de verborgen voedzame kracht ervan; dat het eten ervan goed is voor mijn gezondheid? Hoe kunnen we op grond van onze beperkte ervaring algemene conclusies trekken? Dat deze steen als ik hem loslaat zal vallen? Op grond waarvan kennen we de relatie tussen oorzaak en effect? Waarop baseren we onze verwachtingen voor wat er zal gebeuren? Het zijn formulering van wat de filosofen het inductieprobleem noemen. Hume’s antwoord is uiteindelijk: het is de macht der gewoonte. Niet dat het antwoord hem tevreden stelde. Gewoonte is immers geen echte reden. De gewoonte zit in de natuur van de mens en berust volgens hem op een natuurlijke harmonie en het feit dat de natuur een zekere uniformiteit kent. Hij nodigt zijn lezers uit met een beter antwoord te komen. Hume gebruikt soms het woord ‘custom’, soms ‘habit’. De relatie tussen het brood en het voedzame ziet hij als een oorzaak gevolg relatie. Ze is gebaseerd op ervaringen. Die tot een gewoonte (‘custom’) leiden.

Ian Hacking vraagt zich in The Emergence of Probability af waarom de geschiedenis heeft moeten wachten op David Hume voordat het inductieprobleem en deze sceptische houding tegenover de wetenschap met zoveel kracht naar boven kwam. Dat heeft volgens hem alles te maken met het verdwijnen van een kwalitatief onderscheid tussen opinie en kennis.

Vroeger konden we twee soorten kennis onderscheiden. De ‘low sciences’, waaronder de medische kennis, bestaat uit opinies, deze zijn ‘probable’ omdat ze afkomstig zijn van een autoriteit. Kennis betreft de interpretatie van signalen (rook is een teken van vuur). Daar tegenover staan de ‘high sciences’, zoals de mechanica, waar kennis inzicht in oorzaken is. Tot 1600 bestond er volgens Hacking geen ‘evidence of things’, geen notie van ‘inductief bewijs’. Dit onderscheid verdwijnt volgens Hacking geleidelijk. Opinies werden een soort van kennis en tekens (‘signs’ en ‘testimonies’) werden evidence wanneer ze frequent aanleiding zijn tot het maken van de juiste voorspelling. Vanaf nu is ervaringskennis altijd min of meer waarschijnlijk (‘probable’). Causale uitspraken zijn gebaseerd op gewoonte. Het is niet meer mogelijk door redenering (demonstratie) uit principes tot oorzaken van verschijnselen te besluiten. Je zou in Hume’s sceptische houding ten aanzien van ons kenvermogen de bron van de bewering dat wetenschap ‘ook maar een mening is’ kunnen herkennen. Ik denk dat dat we daarmee Hume tekort doen. Hij pleit er juist voor heel erg kritisch te zijn en hij onderscheid meningen naar de mate waarin ze door ervaringen gesteund worden. “A wise man, therefore, proportions his belief to the evidence.” De wetenschap onderscheidt zich nog van de volkse mening door de mate waarin ze op feiten en ervaringen gebaseerd is. Zekerheid bestaat alleen in het domein van de wiskunde. Van de zuivere wiskunde, in de meetkunde en in de algebra, wel te verstaan. Daarbuiten heerst de macht der gewoonte gebaseerd op generalisaties, het onderkennen of opvatten van zaken, dingen, gebeurtenissen als gelijkelijk (‘similar’).

Een brood is een brood. Zoals een roos een roos is. Maar door schade en schande kunnen we leren dat er dingen zijn die we brood noemen en daar op lijken maar die we minder lekker vinden en misschien zelfs wel ongezond zijn. Denk aan mensen die geen gluten mogen hebben omdat ze er ziek van worden. Sommige mensen houden niet van roggebrood (roggebrood wordt meer gegaard dan gebakken) of niet van zuurdesembrood. Is Hume niet een beetje te veel aan het generaliseren wanneer hij zowel de relatie tussen brood en de voedzaamheid als de dagelijkse opkomst van de zon als voorbeelden aanhaalt van gevolgtrekkingen die gebaseerd zijn op gewoonte? De kwestie is of het generaliseren recht doet aan de werkelijkheid. Is het niet zo dat de werkelijkheid ook al iets algemeens aan zich moet hebben om vatbaar te zijn voor ons begrip? Met andere woorden moet de algemeenheid niet net zozeer een aspect van de werkelijkheid zijn als het particuliere, het bijzondere? Deze roos is een roos, ik vat het hier voor mij aanwezige op als vallend onder het algemene begrip. Dit brood is een exemplaar van de substantie brood.

Wanneer alle raven die ik gezien heb zwart zijn, mag ik dan concluderen dat alle raven zwart zijn? Als alle olifanten die ik tot nu toe gezien heb een slurf hebben, mag ik dan concluderen dat alle olifanten een slurf hebben? De kwestie is of het tot raaf zijn behoort om zwart te zijn, zoals het tot het olifant zijn behoort een slurf te hebben.

De ethische kwestie: wanneer doet de macht der gewoonte de werkelijkheid geweld aan?

Als alles, ons denken en doen, terug te voeren is tot de macht der gewoonte, dan is het de vraag hoe wij enig grip houden op die macht. Is die macht iets dat ons overkomt of hebben we daar zelf invloed op? Dat lijkt mij een ethische kwestie. Wanneer doet de macht der gewoonte de werkelijkheid geweld aan? Door particuliere zaken en verschijnselen als gelijk te beschouwen. Uit economische overwegingen hebben we die neiging. Het kost veel minder inspanning om verschillende zaken maar gelijk te behandelen dan elk zaak apart te moeten beschouwen. Vanaf een afstand zijn alle Turken, alle Chinezen, gelijk.

Zoals gezegd is volgens Hacking Hume’s inductieprobleem, zijn sceptische houding ten aanzien van ons kenvermogen, mogelijk geworden door het verdwijnen van het onderscheid tussen kennis die bestaat uit het verklaren van tekens door autoriteiten enerzijds en de kennis van oorzaken en gevolg op basis van rationele principes (natuurwetten). Dat blijkt ook uit het belang dat Hume er kennelijk aan hecht om zijn kritiek te geven op mensen die in wonderen geloven. Onder wonderen verstaat Hume verklaringen van mensen die een zekere autoriteit genieten, zoals de apostelen in de Bijbel, van bepaalde verschijnselen, zoals het veranderen van wijn in bloed of van brood in vlees. Deze zijn volgens Hume ongeloofwaardig omdat ze in strijd zijn met de directe waarneming, met de feiten. Wonderen bestaan niet in Hume’s wereld, omdat ze in strijd zijn met wat gewoon is.

De miracles waar Hume het over heeft zijn iets anders dan die waar Wittgenstein en Nietzsche het over hebben. Voor de laatsten is het wonderlijke onaantastbaar voor de wetenschap omdat ze tot een andere werkelijkheid behoort. Voor Wittgenstein is het ethische, het wonderlijke niet in woorden te vatten. Het ligt buiten de orde van de taal. Voor Nietzsche en voor Wittgenstein is het wonderlijke het onverklaarbare aan de werkelijkheid.

Bronnen

Hacking, Ian (2006). The Emergence of Probability: a philosophical study of early ideas about probability, induction and statistical inference. Second Edition, Cambridge University Press, 2006.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply