De informatie

Informatie is niet meer weg te denken uit onze samenleving. Alles draait om informatie. Maar het verschil tussen data, informatie en kennis is voor velen vaak niet duidelijk. Wat is dat eigenlijk informatie? En waarom zien we tegenwoordig overal ‘informatie’, ‘informatieverwerking’ en ‘informatieoverdracht’?

De grote prevalentie van de term ‘informatie’ is een symptoom van het mathematisme, de metafysica van het denken van de informatiemaatschappij.

Kennis en informatie

Informatie is verwant aan kennis. Er is echter een verschil tussen iemand kennen en informatie over iemand hebben. Ik ken Ludwig Wittgenstein niet ook al heb ik wel enige informatie over deze persoon. Ik weet bijvoorbeeld dat hij een tijdje in Noorwegen woonde, of dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog zich meldde bij het Oostenrijkse leger. Wanneer hij geboren is en waar. Maar ik ken hem niet persoonlijk. Iemand kennen is iemand als persoon kennen. Informatie is kennis die je van anderen over iets of iemand kunt krijgen. Sommige mensen zijn van mening dat een individu niets anders is dan een pakketje informatie. Die individuen vindt je in de administratiesystemen in onze computers.

Er zit altijd iets of iemand tussen datgene waar de kennis betrekking op heeft en jezelf als informatie-ontvanger. Informatie wordt medegedeeld door een informatiebron. Het begrip informatie behoort tot de sfeer van de media, van de communicatie. De informatiefilosoof Luciano Floridi spreekt van de ‘infosphere’. Die term heeft hij niet zelf bedacht, maar hij bedoelt ermee

the whole informational environment constituted by all informational entities (thus including informational agents as well), their properties, interactions, processes and mutual relations“.

De metafysicus Floridi ziet de totaliteit van het zijn als ‘infosphere’. Een opvatting die typisch is voor het mathematisme, de metafysica die de wiskundige structuren voor het wezenlijke van de kenbare werkelijkheid houdt. In A look into the future impact of ICT on our lives (Floridi 2007) probeert hij ‘to capture the new Weltanshaung that might be dawning on us.’. In dit artikel spreekt hij van het ‘her-ontologiseren’ van de werkelijkheid. Het betreft het transformeren van de ‘intrinsieke natuur’ van de dingen. Sommige vormen van biotechnologie vallen hier onder. Onderzoekers spreken in het veld van de DNA-recombinantentechnologie van ‘informatiegeneratie’ door het DNA. Door het veranderen van informatie in het DNA opgeslagen kunnen plantensoorten nieuwe eigenschappen krijgen; aardappels kunnen resistent gemaakt worden tegen bruinrot en bloemen kunnen gekweekt worden met andere dan hun ‘natuurlijke’ kleuren. De vraag is wat nog ‘natuurlijk’ is, want ook de veranderbaarheid van het DNA is een eigenschap van de natuur.

Interessant is dat volgens Floridi deze her-ontologisering door ICT mogelijk is geworden door het opheffen van het onderscheid tussen processen en datgene wat door processen geprocessed wordt: ‘there is no longer any substantial difference between the processor and the processed’. Dit komt mathematisch tot uitdrukking in theorieën waarin alles een functie is. In (Akker 1983) heb ik laten zien dat zelfapplicatie van functies noodzakelijk is voor een mathematische uitdrukking van het begrip van automatie.

Elke eindige verzameling van gegevens, hoe groot die verzameling ook is, elke tekst, kan door een code van 0-en en 1-en worden gerepresenteerd. Die 0 en die 1 mogen we ook vervangen door de symbolen A en B, of door ja en nee. Het enige wat van belang is voor een code is dat de twee symbolen niet gelijk zijn. De 0 is niet de 1 en de 1 is niet de 0. Wat ze zijn doet er niet toe. Wanneer we eenmaal hebben vastgelegd hoe we informatie coderen dan is het natuurlijk wel van belang of ergens in de code een 0 of een 1 staat.

Elke informatie wordt in de Turing machine weergegeven door een reeks van 0-en en 1-en. Het rijtje 00110011 kan zowel een operatie, bijvoorbeeld optelling, betekenen als een bepaald getal. Het veranderen van een rijtje kan dus zowel betekenen dat de code voor een operatie verandert als dat een code voor een gegeven waarop de operatie moet worden toegepast verandert. De totale inhoud van het geheugen bepaalt wat er gebeurt wanneer de machine aan het werk wordt gezet. Dat werk bestaat uit de pure herhaling van steeds dezelfde opdracht: doe de volgende opdracht, doe de volgende opdracht, doe de volgende opdracht, …

Het is de eeuwige herhaling, de slinger van het uurwerk. Mathematisch uitgedrukt in de zelfapplicatie Z Z waarbij Z de zelfapplicatiefunctie is: λx. x (x), het zichzelf reproducerende proces. De machine reproduceert zichzelf. Natuurlijk zal een echte machine niet alleen zichzelf in stand houden. Hij levert ook nog een resultaat: de uitkomst van een berekening.

Welke berekening door de machine wordt uitgevoerd, dat wordt uniek bepaald door de feitelijke toestand van de machine op het moment dat deze aan het werk gaat: het programma en de gegevens. De machine zelf heeft daar geen invloed op. Het is de programmeur die dat bepaalt.

Maar hoe zit het dan bij interaktieve programma’s? Machine reageren toch op invoer uit de omgeving terwijl ze aan het werk zijn? Er is volgens mij geen wezenlijk verschil met de niet-interaktieve machine omdat de invoer ook een toestand is van een invoerveld van het geheugen. Het programma bepaalt wanneer er invoer wordt gelezen en verwerkt. De gebruiker moet weten wanneer deze invoer moet aanleveren en wat dit betekent. Maar dat geldt ook al voor de programmeur die de machine in een begintoestand heeft gebracht. Willen meerdere machines met elkaar communiceren dan moet er een gezamenlijke organisatie zijn die de “uitwisseling van gegevens” regelt. Dit betekent dat deze machines een deel van hun toestand met elkaar delen. Net zo goed als wij die de machine een opdracht geven door een druk op een knop (toets of button) deze knop delen met de machine.

De handleiding van de wasmachine zegt precies wat de gebruiker moet doen. Ze bevat het programma dat de gebruiker moet uitvoeren om de machine te laten werken. De machine veronderstelt de programmeerbaarheid van de mens.

In de infosphere is alles wat is te coderen als informatie. Dat betekent dat alles op een eenzinnige manier te coderen is als reeks van 0-en en 1-en. Die eenzinnigheid zorgt voor de mathematische exactheid, die door de filosoof wordt verward met precisie.

Horen belevingen, het hebben van pijn of het gevoel van geluk ook tot Floridi’s infosphere ?

Wat de een ziet als een informatievraag , kan voor de ander een gevoelige kwestie zijn. Hoeveel drinkt u? vraagt de huisarts aan zijn client. Wat vind je van mijn nieuwe jas? vraagt de moeder aan haar dochter. Het zijn vragen die soms lastig te beantwoorden zijn. In interpersoonlijke relaties gaat het nooit puur om informatie-uitwisseling. Niet alles kan gevraagd en gezegd worden. Informatie-uitwisseling hoort bij een abstracte vorm van intelligentie. In de praktijk gaat het vaak om sociale en emotionele intelligentie (zie het werk van D. Goleman), het vermogen met anderen om te gaan en een sociale verhouding in stand te houden, waarin er sprake is van empathie en respect voor elkaar.

Informatie kan incorrect zijn, een beleving niet

Je kunt informatie over iets of iemand vragen. Bijvoorbeeld hoe laat de trein naar Amsterdam vertrekt of wat voor weer het morgen wordt. Informatie is feitenkennis die met anderen gedeeld kan worden. Informatie geeft je kennis die betrekking heeft op een feitelijke stand van zaken. Die informatie hoeft niet correct te zijn. Dan heeft het betrekking op een niet-feitelijke stand van zaken, eentje die als feitelijk wordt voorgesteld. Wie informatie ontvangt zal dan ook willen beoordelen of deze klopt met de feiten zoals hij of zij deze kent, hetzij uit eigen waarneming, hetzij via media verkregen informatie. Wanneer informaties elkaar tegenspreken moet er besloten worden wat er mee te doen. Een informatiebron is min of meer betrouwbaar.

Informeren en meten

Informatie is kennis over iets in een specifieke vorm. Die vorm staat niet los van de kennisinhoud. In het begrip informatie komen kensubject en keninhoud bij elkaar in een structurele vorm. Die structuur is van het subject en van het object dat de keninhoud bepaalt. De keninhoud betreft een feitelijke stand van zaken.

Je zegt “Ik zal even informeren wat voor weer het is” en dan ga je naar buiten om te kijken wat voor weer het is. Of, je zegt “Ik zal even informeren hoe hoog die tafel is” en dan meet je met een meetlat de hoogte ervan. Wanneer je dat zo zegt, dan zie je de tafel zelf als informatiebron die door middel van het waarnemen of meten je informatie geeft. Meten doen we met een instrument dat de maat eenheid oplegt aan het gemeten object. Het zuivere waarnemen is in die zin geen instrumentele activiteit. Daar om meten van de hoogte van de tafel eerder een vorm van informeren, dan het waarnemen van het weer om te zien wat voor weer het is. De notie “quantitative self” refereert naar het meten van allerlei kenmerken en eigenschappen van een persoon. De quantitative self leest zijn fysieke en emotionele conditie af op sensoren.

Meten is de maat van iets opnemen. Jezelf informeren is de maat van iets via een middel vernemen, bijvoorbeeld door een vraag te stellen aan iemand: “Hoe hoog is die tafel?”. Meten doe je met een meetinstrument. Met een rolmaat of duimstok meet je de hoogte van een tafel. Dat resulteert in het weten van de hoogte die je uitdrukt in een getal en een eenheidsmaat: 80 centimeter. Deze zin: deze tafel is 80 cm hoog geeft informatie over de eigenschap hoogte van deze tafel. Je kunt niet zeggen: een tafel is 80 cm. Dan zou je beweren dat alle tafels 80 cm hoog zijn. Als die bepaalde hoogte bij het begrip tafel hoort. Je kunt wel zeggen: “Een tafel heeft een hoogte.” We noemen dat kennis van het begrip tafel. Dat de hoogte van deze tafel 80 cm is dat is een toevallig feit; maar dat een tafel een hoogte heeft is dat niet; dat is inherent aan het tafel zijn.

Dat 1 + 1 gelijk is aan 2 geeft geen informatie. Dat 11 een priemgetal is of dat een priemgetal een getal is dat alleen deelbaar is door 1 en zichzelf, dat zien we niet als informatie. Wiskundige waarheden zijn geen feitelijke waarheden die we als informatie delen. We spreken van wiskundige kennis. Wiskunde is toepasbaar omdat en inzoverre de werkelijkheid structureerbaar is. De werkelijkheid gaat echter niet op in haar structuur. Volgens het mathematisme kennen we de werkelijkheid pas wanneer we deze in wiskundige modellen kunnen uitdrukken, omdat het wezen ervan structuur is.

Iemand of iets kennen duidt op een intiemere relatie dan informatie over iemand of iets hebben. In het laatste geval ken je iemand van de buitenkant, je kent eigenschappen. Informatie kan wel bijdragen aan kennen; het kan de kennis meer inhoud geven. Informatie is onpersoonlijker en abstracter dan kennis. Dat is het deelbare, en formele karakter ervan. Informatie is onpersoonlijke kennis in een overdraagbare objectieve, uitwendige vorm. Het subject van deze kennisvorm is een abstract subject. Informatie behoort tot de sfeer van de abstracte arbeid, het mechanische en economische. De arbeid heet in deze fase van de technische ontwikkeling informatieverwerken. In de plaats van de fabrieksarbeiders en de mechanische machines uit de spinnerijen, en weverijen zijn de beeldschermwerkers en de informatieverwerkende machines gekomen. Deze sturen het economisch productieproces van de burgerlijke samenleving en houden dit in stand.

Autonome systemen zijn technisch mechanismen die informatie opnemen uit de omgeving waarin ze opereren en die informatie verwerken ten behoeve van hun functioneren. Er zijn verschillende graden van zelfstandige mechanismen.

Informatie is een lastig begrip omdat het niet goed past bij onze verstandelijke wijze van denken dat de mens als geestelijk kennend subject tegenover de wereld plaatst als iets dat daarvan strict gescheiden is. Dat een computer informatie kan verwerken, dat een machine kan rekenen dat zou zonder het berekenbare karakter van de natuur zelf niet mogelijk zijn. Techniek behoort tot onze natuur. Als onderdeel van de natuur zijn we ook technisch. Natuurwetten zijn wetten van onze natuur.

Het onderscheid tussen gegevens en informatie is lastig. Gegevens geven informatie over iets voor iemand die die gegevens in een bepaalde verband kan plaatsen waardoor deze er wat aan heeft. Gegevens zijn dus de basis van de informatie.

Referenties

Akker, op den, Rieks (1983). De zelfstandigheid van automaten en de semantiek van programmeertalen, Intern rapport Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen (ook als intern rapport verschenen bij de Onderafdeling der Informatica).

Luciano Floridi (2007). A look into the future impact of ICT on our lives. The Information Society, 23.1, 59-64 (2007).

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply