Over ondoorschijnende contexten

De geest zit niet in elkaar” (L.E. Fleischhacker)

Sommige mensen hebben de onweerstaanbare behoefte alles uit elkaar te halen.

Je kent dat wel. Je fiets, een lamp, de grasmaaier of de zonnetracker is kapot. Je denkt laat ik eens kijken wat er loos is en of ik dit kan repareren. Na een poosje analyseren en klooien blijkt het kapotte onderdeel zodanig in elkaar te zitten dat als je het uit elkaar haalt je het niet meer in elkaar krijgt. Omdat een metalen of plastic lipje afbreekt of zijn veerkracht verliest of omdat het in elkaar geklonken is zodat alleen grof geweld het uit elkaar kan halen. De fabrikant heeft de onderdelen niet in elkaar gezet om ze weer uit elkaar te halen. Is het ding kapot dan zit er niets anders op dan een hele nieuwe te kopen. Soms denk ik wel eens dat “ze” het er om doen. Onze wegwerpmaatschappij.

Maar hier gaat het niet om de problemen die we tegen komen als we dingen uit elkaar willen halen die in elkaar zitten, zoals een fiets of een maaimachine. Hier gaat het over de problemen die optreden als we dingen uit elkaar willen halen die niet in elkaar zitten. Zijn die er dan? Vroeg iemand. Dat is een goeie vraag en daarover gaat dit stukje.

Er zijn twee domeinen die zich opdringen. Het lichaam en de taal.

Wat het eerste betreft. Wie een nieuwe knie, heup, of borst heeft of een ander onderdeel van zijn lichaam heeft laten vervangen die weet dat dit geen triviale reparatie is. Ik ben geen medicus maar ik denk dat deze het me me eens zal zijn dat het lichaam nu eenmaal geen machine is. Omdat het lichaam wel iets van een machine heeft kunnen we ons er toe aan zetten het als een machine te behandelen. Maar we lopen steeds tegen problemen aan die ons wijzen op het feit dat het lichaam niet in elkaar zit zoals een machine in elkaar zit. Een orgaan, zoals een nier of long is onderdeel van een organisme, geen onderdeel van een machine. We zien dat ook bij het toedienen van medicijnen. Deze hebben meestal ‘bijwerkingen’. Onbedoelde neveneffecten. Dat is kenmerkend wanneer een organisch geheel wordt behandeld alsof het een machine is. Bij het lichaam is sprake van een andere deel geheel verhouding dan in de techniek. ‘Onbedoelde neveneffecten’ komen we ook tegen in de vorm van natuurprocessen, zoals luchtvervuiling, plastic soep, klimaatverandering, die het gevolg zijn van ons ingrijpen in de natuur om ons het leven aangenamer te maken.

Een tweede domein waar dit het geval is is het taaldomein. Ook daar lopen we voortdurend tegen problemen aan die te maken hebben met het feit dat we zaken benaderen alsof ze in elkaar zitten terwijl dat hoogst problematisch is. We doen dat op twee manieren.

De eerste manier. We proberen de betekenis van een taaluiting te bepalen terwijl we deze taaluiting uit zijn context halen. We citeren mensen en confronteren ze met uitlatingen die in verschillende contexten heel verschillende geïnterpreteerd kunnen worden.

De tweede manier. We proberen de betekenis van een taaluiting te bepalen door deze te analyseren en de betekenis op te bouwen uit die van de onderdelen. Alsof het om een rekensom gaat. Bij een rekensom kun je de onderdelen eerst apart uitrekenen en vervolgens die van het geheel uit de resultaten van de onderdelen. Bijvoorbeeld als je 2*(3+5) moet uitrekenen dan kun je eerst 3+5 uitrekenen. Vervolgens vervang je 3+5 door 8 zodat je 2*8 krijgt. Dit leert iedereen op school. Je kunt een onderdeel, zeg x, van een formule, zeg x+y, vervangen door een andere, zeg 8, wanneer deze dezelfde waarde heeft als het onderdeel, dus als x=8. Dat dit mag is vanwege de geldigheid van het principe van compositionaliteit. Dat zegt dat je in uitdrukkingen delen mag vervangen door delen die hetzelfde betekenen (dezelfde waarde hebben) zonder de betekenis (waarde) van het geheel te veranderen. Het vervangen doet niets met de context waarin het vervangen wordt. Zoals je in een machine een radertje door een ander radertje kan vervangen als het maar hetzelfde aantal tanden heeft en net zo groot is. Het is dus niet toevallig dat machines zo goed kunnen rekenen. Maar kunnen ze ook met onze gewone taal omgaan en uitrekenen wat de uitdrukkingen van onze taal betekenen?

Het Principe van Compositionaliteit is aan het eind van de 19de eeuw geformuleerd door de wiskundige en logicus Gottlob Frege (1848-1925). Hij werkte aan een betekenistheorie voor beweringen.

Een voorbeeld: als de bewering “Jan gaat naar school” waar is, en Jan is de broer van Piet dan is de bewering “De broer van Piet gaat naar school” ook waar. Je kunt het onderdeel “Jan” vervangen door het onderdeel “de broer van Piet” omdat deze dezelfde verwijzing hebben.

Er zijn echter constructies waarin dit niet opgaat.

U wist dat de broer van Piet naar school ging? Nee, ik zei dat ik wist dat Jan naar school ging, maar ik wist toen niet dat dat de broer van Piet was.

In een debat zegt een kamerlid tegen de Minister U beweert dat U over deze zaak geen kennis had. Minister: Ja. Kamerlid: Maar U hebt dit memo over deze zaak zelf ondertekend. Minister: Maar ik wist toen niet dat dit memo daarover ging. Overigens is dat geen memo maar een kattebelletje.

Intensionele zinsconstructies zoals deze creëren ondoorschijnende contexten.

Is dat erg? vraag je je misschien af. Ja, dat is het, want we willen dat contexten transparant zijn. Het probleem is dat we vaak niet door hebben dat er sprake is van ondoorschijnende contexten. Daardoor ontstaan veel misverstanden.

Hoe groot is de kans dat het aantal chemische elementen groter is dan 100?

Hoe groot is de kans dat 112 groter is dan 100?

Omdat het aantal chemische elementen gelijk is aan 112 zou je kunnen denken dat de vorige twee zinnen hetzelfde betekenen. Waarom is dat niet zo? Omdat de context die door de zinsconstructie gemaakt is niet ‘doorschijnend’ is.

Zinsconstructies die ondoorschijnende contexten creëren komen vaker voor dan u denkt. (Dit is er één. Dat had u waarschijnlijk wel gezien.)

Bij de volgende paren zinnen hangt de interpretatie van dezelfde onderdelen sterk af van de totale context.

Een lid van het OMT wordt altijd bedreigd. Een circel heeft altijd een omtrek.

Iedereen kan winnen. Iedereen kan een drankje krijgen.

Je kunt woorden en zinnen niet zo maar uit hun verband halen zonder de waarheid, wat er werkelijk gezegd is, geweld aan te doen. Frege had dat ook wel door. Hij onderscheidde directe rede en indirecte rede. In “Jan zegt dat …” kun je wat op de plek van de … staat niet vervangen door iets anders. Logisch semantici sporeken soms van modaliteit de dicto en modaliteit de re. Komt de noodzaak of mogelijkheid toe aan het zeggen (de kenner) of aan het gezegde, de zaak zelf (het gekende)?

Er is een getal dat noodzakelijk groter is dan zeven.

Het is noodzakelijk dat er een getal is dat groter is dan zeven.

De onderstaande twee beweringen kunnen allebei waar zijn.

Iedereen kan winnen. Er kan maar één winnen.

Machines snappen dat niet. Omdat ze in elkaar zitten. Ze moeten de taal ‘letterlijk’ nemen want ze hebben geen benul van een wereld buiten de taal. De wereld waarnaar de taal verwijst.

Sommige dingen zitten nu eenmaal niet in elkaar. Zoals de geest. De geest zit niet in elkaar. Het lijkt me goed om ons dat af en toe te realiseren wanneer we aan het analyseren gaan de zaak weer uit elkaar gaan halen en conclusies trekken op grond van uitspraken die uit hun ‘ondoorschijnende’ context zijn gehaald.

De betekenis van een uiting is een geheel dat niet analyseerbaar is. De onderdelen van de uiting moeten niet opgevat worden als bouwstenen waaruit de betekenis wordt opgebouwd. Dit kan het best geïllustreerd worden aan de hand van een plaatje zoals de beroemde haas-eende-kop van Jastrow.

De haas-eende-kop van Jastrow

In de figuur zien we een eende-kop dan wel een haze-kop. Een deel van de tekening is noch een deel van de eende-kop noch een deel van de haze-kop. Als deel is het een lijnstukje waaraan we als geïsoleerde figuur geen betekenis kunnen geven. Dat is niet zo vanwege de ‘dubbelzinnigheid’ van de tekening. Ook een eenzinnige figuur heeft een betekenis die een geheel is dat niet gezien moet worden als het resultaat van een samenstel van betekenissen van de onderdelen van de figuur. Alsof het bij het interpreteren van een figuur om het berekenen van de waarde van een rekenkundige expressie zou gaan.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply