Waarom onze taal veelzinnig moet zijn

De taal kent verschillende vormen van woord-gebruik waarin één en hetzelfde woord met verschillende betekenissen voorkomt. Zo kent de taal de analogie (‘gezonde’ voeding), de metafoor (‘de avond van het leven’), de ambiguïteit (‘de bank’). Bij ‘overdrachtelijk’ woordgebruik wordt een woord in ‘overdrachtelijke’ zin gebruikt (schreeuwende kleuren). Dit in tegenstelling tot de letterlijke zin. Woorden hebben kennelijk een letterlijke betekenis en daarnaast niet-letterlijke betekenissen. Ik heb daar moeite mee. Waarin onderscheidt de letterlijke betekenis van een woord zich van de niet-letterlijke betekenissen?

Woorden worden in de loop van de levendige geschiedenis van de taal van de ene gebruikssituatie overgedragen naar een andere nieuwe gebruikssituatie. Maar niet willekeurig. De wetenschappelijke en technische ontwikkeling speelt daarbij vaak een rol. Zo wordt het woord intelligent tegenwoordig niet alleen maar gebruikt voor mensen en nadere levensvormen, maar ook steeds vaker voor technische producten. We spreken van ‘intelligente’ machines, van ‘programmeertalen‘. Een vorm van overdrachtelijk taalgebruik waarmee het woord ‘intelligent’ een ‘nieuwe’ betekenis krijgt. Een machine is immers niet op dezelfde manier intelligent als een mens intelligent is en een programmeertaal is een taal die niemand spreekt.

Er is echter een verschil met de manier waarop het rood van de roos verschilt van het rood van het bloed, of waarop het schreeuwen van de kleur verschilt van het schreeuwen van de kat in het nauw, of waarop gezonde voeding op een andere wijze gezond is dan de mens die zich ermee voedt. Of neem de verschillende betekenissen van het woord ‘hulplijn’. Een hulplijn is zowel een lijn die iemand een drenkeling toewerpt, een communicatiemiddel dat iemand kan gebruiken om een probleem op te lossen, maar ook een lijn die getrokken wordt als middel om een bewijs van een meetkundige stelling te leveren. Maar bij het gebruik van het woord intelligent als we het over machines hebben is iets anders aan de hand. Aan de machine die ‘denkt’ en een taal ‘spreekt’ komt namelijk iets wezenlijks van het denken en spreken tot uitdrukking. Het machinale of mechanische is een aspect van taal en denken. Er is een zeer intieme relatie tussen intelligentie en machines. Daarbij speelt de taal een sleutelrol. De taal heeft net als het technische ding een bepaalde vorm van zelfstandigheid: de taal spreekt als het ware vanzelf.

Wanneer ik hierboven stel dat één en hetzelfde woord verschillende betekenissen kan hebben, dan onderscheid ik het woord van zijn betekenis. Maar deze komen nooit separaat in de werkelijkheid voor: een woord, of teken of gebaar zonder betekenis is geen woord, teken of gebaar. Betekenisloze symbolen bestaan niet. Woorden hebben altijd zowel een uitwendige zintuiglijke verschijningsvorm, een klank als een inhoud, iets mentaals. Woorden verwijzen voor wie ze als woord bestaan in het gebruik naar iets buiten de taal. Zodra we erover nadenken onderscheiden we de aspecten, teken, betekenis, en gebruik, die juist in het gebruik van het woord niet bestaan.

Het spreken is ook een fysisch proces dat als zodanig door de zelfstandige werking van de natuur als het ware kan worden overgenomen: de sprekende machine. De woorden kunnen als uiterlijke bouwstenen gerepresenteerd worden door fysische toestanden van een machine en door operaties volgens bepaalde regels gecombineerd worden tot zinnen. Deze reeksen van woorden kunnen door geluid makende apparaten worden omgezet in simulatie van een sprekende stem. We kunnen een apparaat zodanig in richten dat het werkt volgens de betekenis van de woorden die we er tot richten. Het geluidsignaal dat met het uitspreken van de woorden gepaard gaat tijdens het uitspreken veroorzaakt (door ons als invoer van het apparaat beschouwd) een werking die we zien als het uitvoeren van de bedoeling die we in de geuite woorden hebben uitgedrukt. Dit is in a nutshell het principe van de automaat. Om een eenvoudig voorbeeld te geven van zo’n constructie: men houdt een stukje papier voor de mond en roept “wapper, wapper, wapper”. En het papiertje voert de instructie subiet uit. Alsof het papier de bedoeling van de opdracht om te wapperen begrijpt. We maken gebruik van de natuurnoodzakelijke gevolgen van de actie die we uitvoeren. De natuur werkt volgens wetten die in wiskundige vergelijkingen kunnen worden uitgedrukt. De vallende steen kan daarom beschouwd worden als een machine die exact uitrekent met welke snelheid deze de grond moet raken. Als zus het geval is dan gebeurt met zekerheid zo. Als A dan B. Het is alsof de natuur denkt iedere keer als A gebeurt moet ik B doen. De natuur werkt in die zin logisch. Iedere keer als ik wapper zeg wappert het blaadje. Daar kunnen we op rekenen. Het is precies vanwege de wetmatigheid van de natuur die in mathematische relaties tussen verschillende variabelen van een systeem uitgedrukt kan worden dat machines goed zijn in rekenen. Het rekenen is bij uitstek een denken dat machinaal verloopt, met tekens, die staan voor wiskundige objecten (zoals getallen) worden manipulaties uitgevoerd volgens eenduidige regels. De abacus kan als rekenmachine gebruikt worden omdat er een eenzinnig verband bestaat tussen de rijtjes balletjes en de bewerkingen die we ermee uitvoeren en de getallen en de rekenkundige operaties die deze representeren. Wanneer ik twee stokjes op tafel leg en nog een drie dan kan ik ze vervolgens als geheel tellen; vijf stokjes. Zo kan ik uitrekenen dat 2 plus 3 gelijk is aan 5. De eenzinnige relatie tussen de cijfers of de verzameling stokjes enerzijds en de getallen anderzijds, tussen de ‘tekens’ en hun betekenissen, deze eenzinnigheid die zo kenmerkend is voor de wiskunde bestaat niet in de gewone omgangstaal.

Waarom heet een logische schakeling logisch?

Iedere machine zit in zekere zin logisch in elkaar, namelijk omdat er begrip van een doelmatig proces in uitgedrukt is. Maar een logische schakeling is logisch op nog een speciale manier die daarvan onderscheiden is. Een logische schakeling is niet alleen logisch zoals elke machine logisch is dat het volgens een begrepen wetmatigheid op bepaalde invoer met bepaalde uitvoer reageert, maar we noemen deze bij uitstek logisch omdat de relatie tussen de invoer en de uitvoer een logische operatie representeert. De logische AND-schakeling werkt zodanig dat de relatie tussen de waarden van de invoerkanalen A en B en het uitvoerkanaal C beschreven wordt door de logische AND-operatie: de uitvoer C is dan en alleen dan waar als zowel A als B waar zijn. Zo wordt ook de logisch “als A dan B” operatie, de operatie die als het ware de basis is van het technische denken: als ik X doe gebeurt er Y, expliciet door een logische schakeling gerepresenteerd.

Wat zegt dit nu over de betekenis en het gebruik van het woord ‘intelligent’ als we dit van een machine zeggen? Betekent dit dat de machine intelligent is zoals de mens intelligent is en dat de machine rekent zoals de mens rekent?

De vraag suggereert een tegenoverstelling tussen het denken van de machine en het denken van de mens. Dat die tegenoverstelling een basale denkfout is heb ik hierboven geprobeerd uit te leggen. Het is een fout die veel gemaakt wordt. Zoals het woord niet zonder haar betekenis bestaat, zo bestaat de machine niet zonder de mens en het denken dat de machine bedacht heeft en voor wie de machine machine is.

Betekent dit dat de mens een machine is? Dat het denken en spreken bij mensen net zo verloopt als bij de machine? Dat zou betekenen dat de mens slechts in de uitwendigheid bestaat, dat het een fysisch proces is dat zijn betekenis als informatie-verwerkend of rekenproces aan iets anders ontleent; aan iets dat buiten de mens bestaat. We kunnen wel doen alsof we een machine zijn en ons laten programmeren om bepaalde taken uit te voeren, maar we kunnen ook zelf bepalen welk doel we nastreven.

Niet alleen machines wordt intelligentie toegezegd ook andere levensvormen. Dieren zijn ook slim. Maar hier gaat het om een andere relatie met de menselijke intelligentie dan die bij de technische artefacten.

De slimheid van het virus

In een krantenartikel over het ontstaan van mutaties van virussen kwam ik de volgende zin tegen. “Bezien vanuit het virus een slimme zet: een virus kan nu eenmaal meer gastheren besmetten als we snotterend blijven rondlopen, dan wanneer we rillend van de koorts in bed kruipen.” (Maarten Keulemans in de Volkskrant). Het virus wordt hier slim genoemd. Alsof het virus doelbewust kiest voor een mutatie die haar meer kans geeft te overleven. Als wij in de natuur iets ontdekken dat kennelijk een bestaansrecht heeft verworven en zich in stand kan houden dan kunnen we daar nog niet uit concluderen dat dit bestaan de uitdrukking is van een van te voren bedacht plan, zoals dat bij een door de mens bedacht technisch artefact het geval is. Wanneer wij een virus een slimme schaakspeler noemen in een overlevingsspel met de afweersystemen van de mens dan is er sprake van een metafoor waarin we een vermogen van de mens projecteren op de natuur. Een vorm van antropomorfisme. Het virus kunnen we wel slim noemen, maar we weten dat het anders slim is dan een machine. De slimheid die we toekennen aan de activiteit die tot het behoud van het bestaan van de levensvorm behoort wordt gezien als het resultaat van wat Richard Dawkins de algemene wet van de “survival of the stable” noemt, een generalisatie van Darwin’s wet van de ‘survival of the fittest’. Dingen die wij als bestaand beschouwen moeten niet bedacht worden, maar door de mens opgemerkt en geobserveerd worden. Daarvoor is het noodzakelijk dat de dingen een zekere stabiliteit hebben. Ze moeten een ‘levensduur’ hebben die lang genoeg is om door ons te worden opgetekend. De elementaire deeltjes in de kwantumfysica leven kort maar lang genoeg om door de natuurkundigen geobserveerd te worden. Deze vormen verdienen een naam. Net als de atomen, de moleculen en de virussen. Of we het virus een levensvorm noemen is een kwestie van perspectief. De wetenschap, de biologie, de biochemie, de fysica kan niet uitmaken of het virus tot de levende of tot de levenloze natuur behoort. Iedere definitie die een classificatie van levende en levenloze natuur beoogt is betrekkelijk willekeurig. Ook al willen we wel graag dat het gebruik van de termen in overeenstemming zijn met wat we gewoonlijk er onder verstaan. Wat de wetenschap levend noemt moet wel iets van leven hebben.

In zijn Selfish Genes and Selfish Memes vergelijkt Dawkins het virus als survival machine met de programmeerbare computer. De machine is weliswaar door de programmeur geprogrammeerd, maar deze werkt daarna zelfstandig en wordt niet meer door de mens gecontroleerd bij elke stap die deze doet. Op een vergelijkbare manier zou het virus zijn survival machine zelfstandig laten werken. Deze vergelijking gaat me te ver. De programmeerbare machine is als technisch artefact waargave van een door de mens bedacht ontwerp dat in een programmeertaal wordt uitgedrukt en door de machine wordt uitgevoerd. Dat geldt niet voor het virus, dat in de natuur voorkomt. Dat de schaakcomputer zelfstandig in elke situatie zijn volgende zet bepaalt doet hier niets aan af. Dawkins ziet de zelfstandige machine in één lijn als voortzetting van de evolutionaire ontwikkeling van het virus tot de levensvormen waarvan de van zich zelf en de natuur bewuste mens de meest ontwikkelde vorm is. Zal de machine in de toekomst als volgende levensvorm de mens overnemen? Wanneer dat zo is dan zal de mens daarin als levensvorm opgenomen zijn geheel in lijn met de hierboven geschetste mens-machine-relatie.

Terug naar de veelzinnigheid van de taal. Dat we woorden als intelligent, denken en rekenen zowel gebruiken voor eigenschappen van machines als van mensen en andere levensvormen is uitdrukking van de intieme relatie die het menselijke met het machinale heeft: de mens heeft de machine zowel bedacht, maar ook ontdekt als iets dat in haar omgaan met haar natuur aanwezig is. In het algemeen kunnen we stellen dat de veelzinnigheid van de taal de veelheid van verschijningsvormen van de werkelijkheid reflecteert. Zo noemen we verschillende zaken levend omdat er iets van het leven in tot uitdrukking komt. Dat veelzinnigheid iets anders is dan dubbelzinnigheid zal uit bovenstaande betoog duidelijk zijn geworden.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply