Het schandaal van de waarheidswaarden

“Ein Satz kann unmöglich von sich selbst aussagen dass er wahr ist.”

(Ludwig Wittgenstein, Tractatus, 1918)

Zo’n halve eeuw geleden verliet ik moeder’s pappot en toog naar Enschede om te gaan studeren aan de Technische Hogeschool Twente, nu University of Twente geheten.

Ik betrad de wereld van de wetenschap, een wereld vol van bevreemdende ervaringen. Eigenlijk ben ik nooit in die wereld thuis geweest. Ik had liever voetballer willen worden want dat was ik. Maar iets zei me dat ik dat beter niet kon doen. Dat ik (Cruijff zou zeggen: ‘je’) aan later moest denken en dat voetballen niet iets is wat je later nog doet. Een argument van niks.

Ik koos voor Twente vanwege de campus, de sportfaciliteiten, het “experiment in het bos”. Toen ik in Hengelo uit de trein stapte voelde het als vakantie.

Het Torentje van Wim T. Schippers op de campus van de Technische Hogeschool Twente. “God is dood en de techniek is zijn lijk.”

Hoewel de TH Twente een twee-jarige propedeuse kende en alle eerstejaars studenten hetzelfde studiepakket hadden, moest je je inschrijven bij een studierichting. Ik koos Werktuigbouwkunde. Niet omdat ik fietsen maken nou zo leuk vond, maar omdat ik op de HBS veel plezier beleefde aan het oplossen van mechanica-sommen. Mechanica werd op de Rijks HBS in Leeuwarden door de docent wiskunde gegeven, dezelfde die analyse en algebra doceerde. En niet door de docent natuurkunde. Voor meetkunde hadden we weer een andere docent. Ik realiseerde me pas later dat dit iets betekende, dat er een geschiedenis van de wiskunde is die dat zo bepaald had.

Over die vervreemding. Als je de wereld van de wetenschap binnengaat kom je met een andere taal in aanraking. Ik herinner mij nog dat ik voor het eerst de term ‘waarheidswaarde’ tegen kwam. Waarschijnlijk bij een college Discrete Wiskunde of Inleiding Logica. Waarheidswaarde? Ja, waarheidswaarde. Duidt dat misschien op de waarde van de waarheid? Nee, eerder op de waardeloosheid van de waarheid, ben ik geneigd te zeggen.

Van het padje

De term ‘waarheidswaarde’ behoort tot een wereld waarin de denkende mens compleet van het padje is geraakt. Die gedachte kwam niet in mij op toen ik er mee in aanraking kwam. Toen keek ik er tegenop. Ik had alleen een vaag gevoel van vervreemding. Ik probeerde maar te wennen aan de betekenis ervan binnen de formele wiskundige logica. Ik leerde ermee rekenen. Nu vraag ik me af wie er in hemelsnaam op het idee is gekomen! Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Wat is dat voor wereld waarin de wetenschap terecht is gekomen?

Niet veel later maakte ik kennis met het vak Kansrekening en Statistiek. Ook al zo’n vreemde wereld. De definitie van kans had niets te maken met wat een normaal mens onder kans verstaat. Bovendien was de definitie circulair. Ze maakte gebruik van het begrip ‘gelijke omstandigheden’, zonder dat te definiëren. Dat moest je maar voor zoete koek nemen. Ik begreep dat hoe vaker je tentamen in dit vak doet des te groter de kans dat je een keer een voldoende haalt. Ik deed er vier keer over. Het kwartje wilde maar niet vallen. Pas toen ik later E.T. Jaynes las begreep ik waar het over ging.

Nog vreemder werd het toen de waarheidswaarden uit de logica als grensgevallen in de kansrekening werden gezien. Ware beweringen hebben kans 1 en onware hebben kans 0. De kansrekening werd gepresenteerd als een soort van wetenschap van hoe het denken met onzekerheid om moet gaan. Ik werd er alleen maar onzekerder van. Hoor ik hier wel thuis?

Het werd nog bonter toen bij het college Informatietheorie docent Kleima vertelde over het begrip entropie. Hij vertelde over het Maxwellduiveltje. Dat die niet bestond. Wat mij wel gerust stelde. Hij rekende zelfs voor op het bord (we hadden toen schoolborden waarop de docent met kalkkrijtjes schreef) hoeveel energie het duiveltje nodig had om de snelheden van de gasmoleculen te meten. Deze bleek precies overeen te komen met de afname van de entropie wanneer de snelle moleculen van de trage door het duiveltje gescheiden werden. Eén van de meest indrukwekkende prestaties die mij tijdens een college op de TH werd getoond. In het college Informatietheorie kwamen Shannon en Weavers’ mathematische theorie van de communicatie en de thermodynamica bij elkaar. Het schiep wat orde in de chaos van de wetenschappen.

Maar de volgende schokkende mededeling deed zich voor in dat college. Kleima legde uit dat entropie een maat is voor chaos. Dat had ik bij het college Fysische Chemie (of Chemische Fysica) al gehoord. Zodra de kansmassa over alle mogelijke toestanden van een systeem gelijkelijk verdeeld is weet je eigenlijk niets en is de entropie maximaal. Maar de theorie leerde ook dat door nieuwe informatie de entropie van de conditionele kansverdeling toe kan nemen! Werkelijk bizar! Dit is toch wat je noemt een paradox! En wij als arme studenten moesten dat allemaal maar leren. Dat dat nou eenmaal zo was. Wen er maar an! Is onderwijs niet een vorm van indoctrinatie?

Ik vluchtte. Ik toog wekelijks naar Amsterdam waar ik een college filosofie ging volgen. Wat een verademing! Hier discussieerde je met studenten van zeer diverse pluimage in een werkgroep (er waren zelfs vrouwelijke studenten!) en besprak je artikelen. Zo zochten we samen naar de waarheid. Die zat ergens in die gesprekken.

In Twente ging ik wiskunde en informatica studeren.

Wat is dat, waarheidswaarde?

Een waarheidswaarde is de waarheid die toe komt aan een bewering. Dat wil zeggen aan een bewerende zin. Er zijn twee waarheidswaarden: waar of onwaar. Vaak gecodeerd als 1 en 0. Neem de zin “Deze roos is rood”. Deze kan volgens deze leer de waarheidswaarde 1 of 0 hebben. De zin drukt een ware bewering uit als deze de waarde 1 heeft en anders een onware bewering.

Het vervreemdende is dat de zin tegenover de werkelijkheid staat waarover deze iets zegt en waarin deze door iemand wordt uitgesproken. Die werkelijkheid staat er helemaal buiten. Die lijkt er helemaal niet meer toe te doen. Eigenlijk zegt die zin helemaal niets meer over de werkelijkheid. Het is de huid die de slang heeft afgelegd. De waarheidswaarde wordt van buiten af toegekend aan de zin. Daarbij zijn waar en onwaar volstrekt symmetrische waarden. Heel anders dan in het dagelijkse gebruik van zo’n zin, in het oordeel dat we uitspreken. Als we zeggen “deze rood is rood” dan bedoelen we toch dat dat waar is! En als we geloven dat een roos rood is dan geloven we toch dat dat waar is! Maar wat is de reden dan om de zin de waarde waar of onwaar toe te kennen? Waarop berust die keuze? Je zou toch zeggen op het feit of deze roos inderdaad rood is. Maar dat is dan toch waar de waarheidswaarde in zit. In het uitlichten van deze werkelijke toedracht, waarin het rood en de roos met elkaar zijn verbonden. De formele zin heeft niets met de echte zin te maken, Hij lijkt er alleen op. Het is een teken voor een wiskundig object geworden, een element uit een formele taal. Een model van de echte taal.

Laten we even terugkeren naar het dagelijkse gebruik van een zin als “Deze roos is rood”. Beeld je een situatie in waarin deze door iemand wordt uitgesproken. Wat is die situatie? Dat kan de volgende zijn. Je bent met een vriend in de tuin. Ze wijst naar een roos en zegt “wat een mooie rode roos”. Waarop je antwoordt: dat is een roze roos. Kijk! Deze roos is rood. En je wijst haar op een andere roos. Waarop ze antwoordt: aha, dus: deze roos is rood. Ja, deze roos is rood.

Dat is de werkelijkheid waarin waarheid en onwaarheid bestaat. De term waarheidswaarde behoort tot een wetenschappelijk/technologische wereld die een soort van abstractie is van de werkelijke wereld waarin we leven.

In die quasi-wereld komen zinnen voor als “Deze roos is rood of deze roos is niet rood”. Dergelijke zinnen, die altijd waarheidswaarde 1 hebben heten in het logische jargon tautologieën. In wat voor situatie in de gewone wereld wordt zoiets beweerd?

Iemand vraagt je: “Wil je koffie of niet?” Waarop je antwoordt: Ja. Als grap. Je neemt letterlijk op wat er gezegd wordt maar je weet wel wat er bedoeld wordt. Het punt is dat we in de normale omgang (communicatie) wat er gezegd wordt zien als uiting van wat er bedoeld wordt. In het normale gebruik zijn de woorden transparant. Alleen als er iets mis gaat focussen we op de woorden, op de taal zelf. Een fiets fietst vanzelf, als je maar trapt. Tot er iets mis gaat. Het probleem is dat dan de situatie waarin de woorden gesproken zijn, de dialoog, wordt vergeten.

Dat het denken van het padje is dat komt vroeg of laat altijd aan het licht wanneer de producten van het denken in de praktijk worden toegepast. Wanneer we vergeten zijn wat de werkelijkheid was die achter deze abstracties schuil gaat en waaraan ze door het denken zijn ontworsteld. De taal is een produkt van het denken, ontstaan in de omgang van mensen. De taal bestaat primair in het mededelen in een situatie waarin mensen samen zijn en dingen doen. Maar de taal heeft zich los geworsteld uit die situatie en is een eigen bestaan begonnen. De zin “Deze roos is rood.” behoort tot deze taal. De taal die we leren spreken. Dat is de eerste abstractie. Deictische woorden als “deze” verwijzen naar de gedeelde situatie waarin de zin gebruikt wordt. Die situatie kan de fysieke direct gedeelde omgeving zijn maar ook een gedeelde mentale constructie. Een ruimte die door een tekst is gemaakt. Zoals wanneer ik zeg: “In de tuin bloeit een roos. Deze roos is rood.”. Dan verwijst ‘deze’ naar de roos waar ik het over had. Je moet maar geloven dat ik de waarheid spreek. De taal biedt de mogelijkheid dingen te zeggen die niet waar zijn. Zoals je een lepel kan gebruiken om de deksel van een pot te halen. Taal wordt een instrument. Niet alleen maar om te zeggen wat waar is maar om een beeld te schetsen.

Er is nog een fenomeen waaruit blijkt dat er iets mis is met dit denken in abstracties. Er duiken allerlei paradoxen op. Daar zijn twee reacties op mogelijk. De één heet reflectie. Daarin wordt gezocht naar de oorsprong van de problematiek. De ander probeert de zaak op te lappen door op het zelfde pad verder te gaan. De laatste is de meest gangbare. Ik heb jaren lang de meest gangbare oplossing methode gevolgd. Die van de informatica. Dat ging zo.

Omdat het subject, de spreker, uit de zinnen is verdwenen moest die weer terug gebracht worden in de taal. Ik leerde de computer de taal spreken. En begrijpen. Dat is een onderdeel van wat nu kunstmatige intelligentie heet (AI, alle informatica is eigenlijk AI). We kwamen er al gauw achter dat communiceren niet alleen met woorden maar ook met lichaamstaal gebeurt. Dus maakten we grafische geanimeerde karakters, avatars, met wie je een gesprek (‘dialoog’) kunt voeren “conversational agents”. Ze konden niet alleen antwoord geven op een vraag maar daarbij je ook aankijken of juist wegkijken. Of triest kijken als ‘ze het niet wisten’. Het bevredigde niet. Ik wist dat ze niet meenden wat ze zeiden. Ik wist dat ze waren geprogrammeerd. Het werd gauw saai want computers zijn goed in hetzelfde exact herhalen, maar niet in flexibele aanpassing aan nieuwe situaties die net even anders zijn dan wat ze geleerde hebben. Omdat ze niet snappen waar het om gaat. In die zin zijn ze niet echt intelligent.

Maar de sprekende machines ‘werken’ in bepaalde situaties wel degelijk. En daar gaat het om in de techniek; dat het werkt. Voorwaarde is dat de gebruiker gelooft dat de machine bedoelt wat hij zegt. Bijvoorbeeld wanneer deze zegt: “Neem uw pas.” of “Toets het bedrag in.” of “Met wie wilt u spreken?” Of “U bevindt zich hier.”. Al deze uitingen werken als ze door de mens (de gebruiker) herkend worden als zinvol in de situatie waarin ze gebruikt worden. Het gaat altijd om herkenbare situaties en standaarduitdrukkingen. Vraag je niet af “Hoe het informatiebord weet dat jij het bent die hier staat als het zegt “U bevindt zich hier.”. Het bord weet het niet.

Tegenwoordig kan zo’n sprekende computer zelfs het werk van de weerman over nemen. Je koppelt hem aan een weermeetstation en laat hem op basis van weermodellen en veel data het weer voorspellen en vervolgens presenteren. Er zijn zelfs al kunstmatige voetbalverslaggevers. Die kun je aanpassen aan de voorkeuren van de luisteraar. De krantlezer krijgt het nieuws dat bij hem past. Waar de mensheid eeuwen aan gewerkt heeft is nu een studentenproject.

Dat het denken dat tot het schandaal van de waarheidswaarde zo viraal is gegaan heeft het te danken aan haar succesvolle toepassingen. Marconi lukte het via draadloze communicatie (radiogolven) om een bericht over het kanaal (1899), even later over de oceaan (1901) te sturen. Hij had een hekel aan school en spijbelde regelmatig. Zijn op zijn zolderkamertje in Bologna in elkaar geknutselde ontvanger en zender brachten de experimentele bevindingen waarmee Herz het gelijk van Maxwells vergelijkingen aantoonde in de praktijk. De theorie werkt. De regering in Italië was niet geinteresseerd. De Britse wel. Hij ging naar Engeland.

Vanaf 1901 was het mogelijk het bericht “Deze roos is rood” draadloos over de Atlantische oceaan van Engeland naar Amerika te zenden. Het zou er niet bij blijven. De Britse regering was niet voor niets geïnteresseerd in Marconi’s vinding. Marconi’s snelle draadloze communicatiekanaal verkleinde de afstand tussen de onderdelen van het Britse rijk. En dat was goed voor de eenheid van het rijk. Helaas bleek een communicatiekanaal geen garantie voor communicatie, noch voor eenheid. Kennelijk is daar meer voor nodig. Het lijkt er zelfs op dat de samenleving meer verdeeld is dan ooit. Zijn we misschien iets wezenlijks vergeten?

Waarheidswaarden, zinnen, teksten en beweringen zonder spreker, acties en taalhandelingen zonder daders, infosferen waarin mensen ronddolen op zoek naar hun identiteit, te midden van software agenten, chatbots en autonome artefacten. Hoe moeten we dit tijdperk duiden?

Filosofie van de Informatie

Luciano Floridi en collega-filosofen doen aan reflectie. Ze zien de paradoxen van het denken en de problemen van de moderne informatie-cultuur als aanleiding om de geschiedenis in te duiken op zoek naar de bron. Waar is het denken van het pad geraakt? Bij Plato, zeggen sommigen. Bij Aristoteles, zeggen anderen. Bij Leibniz, Hume, Frege, Russell, bij Mill? Of heeft de grote Duitse Systeembouwer, G.W.F. Hegel, de wetenschap van het pad gebracht? Wittgenstein wellicht?

Ik denk dat er niet één schuldige is aan te wijzen. Het is in de gesprekken die de denkers met elkaar en hun tijdgenoten voerden dat een netwerk van gedachten ontstond waar het moderne denken de erfenis van is. Wittgenstein en Russell in gesprek met Frege; Frege met Mill en Hume met Leibniz en Leibniz met Aristoteles en die weer met Plato. En de hedendaagse filosofen in gesprek met al die voorgangers. De filosofie moet de werkelijkheid van haar eigen tijd tot begrip brengen. Onze tijd wordt beheerst door ICT en kunstmatige intelligentie. Informatie is het sleutelbegrip. De filosofie heeft daarvoor de beschikking over de taal. Zonder taal is filosofie niet mogelijk. Zonder taal moet ze zwijgen. Maar is de taal wel geschikt voor de filosofie?

Na de Copernicaanse, de Darwiniaanse en de Freudiaanse revoluties voltrekt zich volgens Floridi een Vierde Revolutie, de Informatie Revolutie: alles draait om informatie en alles is informatieverwerking. In zijn Philosophy of Information zoekt hij in talloze gesprekken met de hierboven genoemde filosofen naar de bron, het zelfbegrip van onze tijd. Floridi publiceerde in 2011 een lijst van open problemen, vraagstukken.

De eerste vraag is: wat is informatie?

Frege vroeg: wat is een getal? Hij noemde het schandalig dat de wetenschapper geen antwoord op deze vraag paraat hadden. Zo’n basisbegrip als getal.

Vraag de informaticus wat informatie is. Hij zal het antwoord schuldig blijven, misschien iets stamelen van informatie haal je uit gegevens, uit data. Het is als met de term ‘leven’ . De biologie geeft geen definitie van leven. Net zo min als de gedragswetenschap een definitie van ‘gedrag’ geeft. Informatie is wat zich aanbiedt in antwoord op vragen. Alle vragen?

De vraag “wat is informatie?” is geen vraag om informatie. Het is geen vraag die je iemand anders stelt. Waarom niet? Omdat het vraagt om begrip. Niet naar een feitelijke stand van zaken. Iedereen weet op zijn of haar manier wat informatie is, wat leven, een getal, gedrag is. Waarom zouden we dat willen vastleggen? Zou dat niet de dood in de pot zijn? Het einde van het begrip.

Ik ga in gesprek met een filosoof die mij sympathiek is: Ludwig Wittgenstein. Er is geen kortere samenvatting van het denken dat tot de waarheidswaarden heeft geleid dan zijn Tractatus. In het voorwoord schrijft hij bij de uitgave in 1918:

“Dieses Buch wird vielleicht nur der verstehen, der die Gedanken, die darin ausgedrückt sind – oder doch ähnliche Gedanken – schon selbst einmal gedacht hat.”

“Wat ik hier zeg kun je waarschijnlijk alleen begrijpen als je het zelf al eens gedacht hebt.”

Wat spreekt hieruit? Wat hier uit spreekt is de onmogelijkheid iets nieuws te zeggen. De onmogelijkheid om via de taal een gedachte met een ander te delen die deze gedachte al niet zelf had. Je kunt dus alleen maar het reeds bestaande bevestigen.

Het lijkt wel alsof er geen grotere tegenspraak kan bestaan dan die tussen deze gedachte, de ontkenning van de mogelijkheid tot echte communicatie tussen mensen, en het feit dat in dit boek de machinerie van het denken in waarheidswaarden, de propositielogica, in de stijgers wordt gezet. De waarheidswaarde wordt door een waarheidsfunctie toegekend aan de elementaire zinnen en de niet-elementaire zinnen hebben een waarheidswaarde die volgt uit die van de elementaire zinnen waaruit deze is opgebouwd en de logische operatoren (en, of en niet) voor de opbouw ervan.

“Ein Satz kann unmöglich von sich selbst aussagen dass er wahr ist.” (4.442) . Dat zou namelijk betekenen dat de functie die aan een zin een waarheidswaarde toekent op zichzelf kan worden toegepast. Maar volgens Wittgenstein is dat onmogelijk.

“Eine Funktion kann nicht ihr eigenes Argument sein, wohl aber kann dass Resultat einer Operation ihre eigene Basis werden.” (5.251)

Ik studeerde op de TH af op de zelfapplicatie van functies. Deze is noodzakelijk in een wiskundige semantiek van programmeertalen, waarin de betekenis van een programma een functie is. In de computer functioneren de begrippen die Frege als functie beschouwde. De expressie “Deze rood is rood” ontstaat door het predicaat “is rood” toe te passen op het object “de roos”. Het resultaat is een waarheidswaarde. Er is geen enkele interactie tussen het rood zijn en het subject. Frege’s legde de basis van de mathematische predicatenlogica en daarmee van de ‘denkende’ machines.

De wereld is de verzameling van alles wat het geval is en de taal is een verzameling zinnen. Daarbuiten is niets. Dat wil zeggen, als daar buiten al iets van waarde bestaat dan kan de taal daarover niets zeggen. Je kunt eigenlijk alleen zeggen wat al het geval is.

“Wovon man nicht sprechen kan, darüber muss man zweigen.”

Dit is een morele uitspraak. Dat wordt duidelijk uit Wittgenstein’s latere Lecture on ethics. We moeten zwijgen over zaken die buiten de taal liggen. Uit het oogpunt van communicatie heeft het ook geen zin elkaar dingen te zeggen die er echt toe doen. Want in taal kunnen we alleen de ander iets meedelen dat hij toch al zelf heeft gedacht. Maar wat is communicatie dan nog? En wat is dat waarover je moet zwijgen? Het zelf misschien? Wat privé is?

De berichten die we wel over het kanaal kunnen sturen zijn coderingen van uitspraken over ‘werkelijke’ standen van zaken. Dat wil zeggen van een wiskundig model dat de beide partners met elkaar delen. Het zenden van een bericht is het actualiseren van een mogelijkheid uit een veld van mogelijke toestanden. De informatie-inhoud van het bericht wordt bepaald tegen de achtergrond van dit veld van mogelijke berichten. Precies zoals de kans op een uitkomst van een experiment (een worp met een dobbelsteen) bepaald wordt door de relatie tot de structuur van alle mogelijke uitkomsten. Dit veronderstelt dat je weet wat alle mogelijkheden zijn die zich kunnen voordoen. “De wereld is alles wat het geval is.” En die wereld moet aan beide kanten van het kanaal als zodanig bekend zijn. Een ideale logica.

Het is de logica waarop Frege het wiskundig denken wilde funderen. Maar is wiskunde niet veel meer dan logica?

Het Wiskundig Denken en Identiteit

Het wiskundig denken is bij uitstek logisch en exact. Die exactheid ontleedt het aan het feit dat ze postuleert wat waar is, wat tot het model behoort, welke de individuen zijn en hoe ze benoemd worden. Die individuele objecten zijn onveranderlijk. Je kunt in de wiskunde over objecten redeneren en hun identiteit postuleren zonder dat je ze volledig hoeft te specificeren. Je identificeert ze door ze een eigen naam te geven (Kripke’s ‘rigid designators’) In het beroemde bewijs van de stelling in de Euclidische meetkunde die zegt dat de som van de drie hoeken van een driehoek 180 graden is, hoeven we niet te zeggen of de driehoek ABC die we in dit bewijs ten tonele voeren scherphoekig, stomphoekig of rechthoekig is (het probleem van ‘Locke’s driehoek’). Als we de driehoek tekenen zal het een tekening zijn van een driehoek met één van deze drie eigenschappen. Maar de tekening is voor de wiskunde niet relevant, net zo min als de identifier die we gebruiken om de driehoek aan te duiden.

De wetenschap die exact en logisch wil zijn redeneert niet over de dynamische werkelijkheid maar over wiskundige modellen ervan. Structureringen die niet eenduidig door de werkelijkheid worden voorgeschreven, maar er wel iets over zeggen. Wie meent dat de werkelijkheid zelf een structuur is (zie bijvoorbeeld Max Tegmark’s Our Mathematical Universe) die negeert het onderscheid tussen model en werkelijkheid. Als dat zo was zouden we machines zijn.

In de dagelijkse werkelijkheid zijn individuen niet uniek te identificeren door ze te beschrijven. Namen zijn niet uniek identificerend zoals in de wiskunde. Ook in de computer heeft de identifier binnen een blok een invariante betekenis. Die hebben wij er aan gegeven. Ze zijn volledig bepaald door de functie die ze in het programma hebben. Die functie legt hun betekenis (semantiek) vast.

Voor de rechter is het echter niet te bewijzen in strikt logisch-wiskundige zin dat de verdachte de dader is. Of Demjanjuk en de door de overlevenden van Treblinka als “Iwan de Verschrikkelijke” en “De beul van Treblinka” geïdentificeerde één en dezelfde persoon zijn? Het is nog steeds niet duidelijk. Er is onderscheid tussen iemand kennen en over iemand informatie hebben. Je kunt heel veel informatie over iemand hebben en hem toch niet kennen. (Zie hierover mijn stukje over het essay On Denoting van Bertrand Russell.)

Paradoxen van de Informatica

De ideale logica van de waarheidswaarden en het bijbehorend informatie-begrip leidt tot paradoxen, zoals de Bar-Hillell Carnap Paradox. Maar ook de paradox van Kleima over de toename van entropie bij toename van kennis is zo’n paradox.

De paradox komt voort uit de gedachte dat een zin informatiever is naarmate deze meer mogelijkheden uitsluit. Stel iemand heeft in gedachte een getal onder de 10. Je mag door ja/nee vragen het getal zien te achterhalen. Het antwoord op de vraag “is het getal kleiner dan 5?” is informatiever dan het antwoord op de vraag “is het 5?”. De eerste sluit de helft van de mogelijkheden uit, de laatste slechts één mogelijkheid.

De tautologie “Het regent of het regent niet” zegt niets over de toestand van de wereld. Noch over het weer, noch over de mening van de spreker. “Het is waar of niet” is geen legitiem antwoord op een ja/nee-vraag. Het is een logisch wet. Het is dan ook onzinnig een kans toe te kennen aan deze uitspraak. Niemand zal dit ooit meedelen. Een slim kanaal zal weigeren dit bericht over te sturen. Het communicatiekanaal van Shannon en Weaver kijkt echter niet naar de inhoud, maar naar de talige expressie. Wanneer dit rijtje net zo vaak voorkomt als de boodschap “Goede morgen” dan zal het deze een code geven die net zo lang is als dit bericht. Omdat het dezelfde informatie-inhoud heeft. Het kanaal let niet op de waarheidswaarde, enkel op het voorkomen van de zin. De talige uitdrukkingen hebben voor het kanaal geen betekenis.

Een filosofie van informatie en communicatie is een filosofie van de intersubjectiviteit. Net als het spreken, de taalhandeling, de waarheid en de logica. Een definitie van informatie op zich helpt niet. Zoals geen enkele definitie buiten de wiskunde ons verder helpt. De taak van de filosofie van de informatie is te verhelderen wat we in de veranderende werkelijkheid onder ‘informatie’ verstaan.

Ethiek van de informatie

De 18de en laatste vraag in het lijstje van Floridi luidt: is er een fundament voor een computer ethiek?

Het is opmerkelijk dat ethiek populair is bij filosofen die nadenken over technologie. Het is niet toevallig dat Wittgenstein zijn Tractatus eindigt met een morele stellingname. De ethiek moet tegenwicht bieden tegen de mathematisering van de taal, de logica, de werkelijkheid waarin de persoon een waarde is van een variabele in een computerprogramma. De ethiek gaat niet over kennis, maar over de praktijk van het handelen, wat we er in de concrete situatie mee doen. De ethiek moet ons wijzen op de individuele persoon, de concrete unieke feiten die in de statistieken zijn verdwenen. Op de mens achter de taal.

In de wiskunde wordt de identiteit van de objecten gepostuleerd. Twee objecten kunnen precies gelijk zijn en twee beschrijvingen kunnen naar eenzelfde object verwijzen. Dat is alleen zo als we dat kunnen bewijzen. (Zie Frege’s besreking van de Ochtendster is de Avondster). De eigenschappen van een getal worden volledig bepaald door de relaties met andere objecten binnen een structuur. Die bepalen wat ze zijn.

Voor mensen geldt dat niet. Een persoon heeft sociale rollen, en uiterlijke kenmerken, vertoond gedragingen, heeft een gezicht een eigen stem, een paspoort, een bsn nummer, maar gaat daar zelf niet in op.

Maar wel wanneer we deze persoon identificeren met hun identifier in een computersysteem. In de toeslagenaffaire berekenden computer algoritmes van de Belastingdienst op grond van gegevens van duizenden personen dat deze fraudeur zijn. Ze moesten zelf maar aantonen dat dat ten onrechte was. Maar ze kenden de weg niet bij de Belastingdienst. Konden de ambtenaren er niets aan doen? Nee, zij zijn zelf onderdeel van het systeem. Zij verwerken gegevens volgens de regels. Het zijn de agenten in Floridi’s infosphere. Kon de rechter er dan niets aan doen? De rechter stelde vast dat de algoritmes correcte implementaties van de wetten zijn. En de wet werd andermaal door de wetgevende macht bekrachtigd.

Het privacy-probleem, misbruik van persoonlijke informatie, fraude door middel van deep fake, en identiteitsfraude zijn typische moderne verschijnselen van de informatica. Het zelf, de persoonlijke identiteit, gaat niet op in het beeld dat de anderen ervan tonen, maar zonder dat zelfbeeld, die sociale identiteit, die wij graag via de sociale media uitdragen en zoeken, is er geen identiteit.

En verder ben ik van mening dat iedere Nederlander zijn eigen fiets moet kunnen maken.

Bronnen

Rieks op den Akker (1983). De zelfstandigheid van automaten en de semantiek van programmeertalen, Intern rapport Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen (ook als intern rapport verschenen bij de Onderafdeling der Informatica).

Floridi Luciano (2003). On the intrinsic value of information objects and the infosphere. In: Ethics and Information Technology, volume 4, pages 287–304(2002)

Luciano Floridi (ed.) (2016). The Routledge Handbook of the Philosophy of Information.

Louk Fleischhacker (1976) Wijsbegeerte van Wiskundig Denken, Collegedictaat 2de semester van het collegejaar 1975/76 Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Technische Hogeschool Twente, 1976.

Louk Fleischhacker (1982). Over de grenzen van de kwantiteit. Proefschrift. Amsterdam UvA; 24.09.1982; promotor: Prof. dr. J.H.A. Hollak; co-promotor Prof. dr. P.C. Baayen; co-referent Prof. dr. E. van der Velde.

Louk Fleischhacker (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply