De strijd van Omtzigt voor het recht op informatie – een dubbelrecensie

“Esse est information” (Luciano Floridi)

“Als er geen ruimte meer is voor reflectie, dreigt dan niet het gevaar van een banale organisatie?” (Meralda Slager, De Banaliteit van het Goede)

Een paar dagen geleden kocht ik bij de lokale boekhandel Broekhuis te Enschede twee boeken. Het ging me eigenlijk om Een nieuw sociaal contract van Pieter Omtzigt, bekend Tweede Kamerlid, onder meer vanwege zijn inzet voor de slachtoffers van de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst. Het boek was te goedkoop om gratis bezorgd te worden dus zocht ik er iets bij. Het werd Informatie van de Italiaan Luciano Floridi, hoogleraar in Oxford en directeur van het Digital Ethics Lab van het Oxford Internet Institute. Het boek is een vertaling van het in 2010 verschenen Information, a very short introduction. Met Floridi’s filosofie en ethiek voor het tijdperk van de informatie- en communicatie-technologie ben ik al een tijdje aan het worstelen. In mijn blog De Belastingdienst als Infosfeer pas ik als het ware zijn construct, de infosfeer, toe op deze overheidsinstelling. De vraag die dan boven tafel komt is: is er in de infosfeer nog plaats voor verantwoordelijkheid en voor de “innerlijke” drive het goede te doen? De ondervragingscommissie onder aanvoering van Chris van Dam kreeg in de talloze interviews met betrokken ambtenaren en bewindslieden maar geen bevredigend antwoord op deze vraag. “U zoekt iemand die verantwoordelijk is” zei een betrokken directeur generaal tegen de ondervragingscommissie, “die zult u hier niet vinden”.

In 1987 organiseerde de Technische Hogeschool Twente, mijn alma mater, een conferentie met de titel Technology and Responsibility. Maarten Coolen, een docent van mij van de UvA, analyseert in zijn bijdrage Philosophical Anthropology and the Problem of Responsibility in Technology de “pragmatic paradox” van onze tijd. Aan de ene kant maakt de ontwikkeling van de technologie een verantwoorde praktijk met betrekking tot de door haar veroorzaakte problemen meer dan ooit noodzakelijk. Aan de andere kant maakt deze zelfde ontwikkeling van de technologie en de daarmee gepaard gaande organisatie van de samenleving een verantwoorde praktijk schijnbaar onmogelijk. Coolen zag twee mogelijke houdingen tegenover deze paradox. De eerste is: je kop in het zand steken. Voor wie dat niet wil rest slechts de taak om de situatie te begrijpen. Ik zie dat als een moreel appel. Ken uw situatie en doe wat er gevraagd wordt. De filosoof Floridi, lid van het World Economic Forum’s Council on The Future of Technology, Values and Policy, en de politicus Omtzigt hebben elk hun eigen weg gevonden om aan dit morele appel gehoor te geven. Zowel de filosoof als de politicus, besluiten hun werk met een roep en een aanzet voor een nieuw sociaal contract. Toeval bestaat niet. Kennelijk vraagt de tijd erom.

Ik bespreek eerst het werk van de politicus, dan dat van de filosoof en hoop zo hun beider inspiratie enigszins over te brengen op de lezer. Als ik daar in slaag ben ik een tevreden mens.

Een nieuw sociaal contract

Het boek telt zes delen. Het eerste deel (55 van de ruim 200 pagina’s) ‘Over Pieter Omtzigt’ heeft de vorm gekregen van een interview. Dit format maakt van dit deel een heldere en biografisch geordende inleiding in de onderwerpen van de komende vijf delen, waarvan het laatste een voorstel bevat voor een nieuw sociaal contract. Filosofe en columniste Welmoed Vlieger stelt de vragen die Omtzigt de gelegenheid bieden de lezer te vertellen over zijn achtergrond en motivatie voor zijn werk in de politiek, de ontwikkeling van zijn wetenschappelijke inzichten in de econometrie en de ervaringen die de basis vormen voor zijn gedrevenheid. Naast de kernthema’s van het boek: Corruptieschandalen in ‘Europa’, het Blinde Geloof in Modellen, het Toeslagenschandaal die de noodzaak van een Nieuw Sociaal Contract moeten verhelderen, komen ook wat meer ‘persoonlijke’ zaken aan de orde.

Wie de kandidatenlijst van de verschillende partijen bekijkt ziet dat verreweg de meeste leden in de buurt van Den Haag en Amsterdam wonen. Het is Omtzigt een doorn in het oog omdat hij het ziet als een teken en of oorzaak van de afstand tussen de burger en de Haagse politiek. Vandaar zijn pleidooi voor een meer regionaal kiesstelsel. Omtzigt koos ervoor na zijn omzwervingen in Twente terug te keren.

Als bewoner van het buitengebied van Lonneker herken ik zijn waardering voor de Twentse ‘noaberschap’ en gemeenschapszin. Maar hoe houden we die gemeenschapszin in stand in onze moderne samenleving? Hoe houdt mijn buurman nazaat van vele generaties melkveehouders op de Linderes stand tegen de globalisering, de robotisering en de wetten en regels van “die politici in Brussel” ? Omtzigt: “Dat we geen duidelijk antwoord hebben op de vraag welke waarden we delen in Nederland is echt een probleem.”

Wanneer je de sociale media mag geloven dan zijn er nogal wat mensen die bij de aanstaande TweedeKamer-verkiezingen op Omtzigt hadden gestemd ware het niet dat ze daarmee een stem geven aan zijn politieke partij, het CDA, een partij die – het kan niet ontkend worden, medeverantwoordelijk is voor de erbarmelijke staat van de rechtsstaat. De vraag of hij (nog) wel bij die partij past zal menigeen zich dan ook hebben gesteld. Het antwoord op de vraag naar “jouw keuze voor het CDA” was voor mij wel verrassend. De eerste reden die Omtzigt noemt waarom hij “overtuigd lid” werd van het CDA is omdat het “de enige partij was die een plan had om de VUT af te schaffen”. Om economische redenen. De VUT blaast de nationale economie op. Hij werkte aan de opheffing van de VUT om het pensioenstelsel te behouden. Met name het nabestaandenpensioen hield zijn bijzondere aandacht. Het pensioenstelsel was eigenlijk helemaal niet bedoeld voor ouderen, zegt Omtzigt. Het is opgericht voor wezen en weduwen en voor mannen die door een ongeval arbeidsongeschikt zijn geworden. Inmiddels is de VUT afgeschaft en de pensioengerechtigde leeftijd met de levensverwachting verhoogd. Geen reden voor Omtzigt om het CDA de rug te keren, want het christen-democratisch fundament van de partij spreekt hem aan. “Ik kom uit een katholiek nest, het geloof is voor mij een bron van inspiratie”. Omtzigt strooit niet met Bijbel-citaten. Maar het gedachtegoed van Thomas, de filosoof en theoloog uit Aquino is hem als het ware met de paplepel ingegoten. Geen woorden, maar daden is een devies dat hem beter past. Of: bid en werk. Zijn doel: een rechtvaardige samenleving.

Door zijn ontmoeting met Ayfer Koç werd zijn belangstelling voor de situatie van de christenen in het Midden-Oosten en voor godsdienstvrijheid in het algemeen gewekt. Met Ayfer heeft hij vier dochters. Ze vluchtte met haar gezin toen ze negen jaar was uit Zuid-Oost Turkije omdat ze er als Syrisch-orthodoxe christenen niet veilig waren. Ze studeerde Bestuurskunde aan de Universiteit Twente en is nu fractievoorzitter van het CDA in Enschede. Ja, Omtzigt is een soort van thuis bij het CDA.

Dat hij er niet voor schroomt kritiek te uiten op partijgenoten blijkt onder andere uit de manier waarop hij de corruptie onder leden van zijn EVP in het Europese Parlement aanpakte. De president van Azerbeidzjan kocht deze parlementariërs om met oliegeld voor steun van allerlei praktijken die indruisen tegen de mensenrechten. “Politieke gevangenen werden gewoon onder het tapijt geveegd”. Ook hier net als later in de toeslagenaffaire koos hij voor de principiële lijn. Typerend is zijn opmerking: “In de Grondwet staat ook nergens dat alleen Kamerleden van de oppositie de regering moeten controleren.” Het is inmiddels bekend: het dichtgetimmerde regeerakkoord en de strikte rolverdeling van zogenaamde oppositie-partijen en regeringspartijen die in vrijwel elke kwestie de keuzes voor of tegen al vast zouden leggen is hem een gruwel. Evenals het gebrek aan inhoudelijk debat, de op sensatie beluste media en pers, die meedeint met de waan van de dag en het enorme gebrek aan wetenschappelijke onderzoekers in ‘Den Haag’. Het interview biedt een verrassende inkijk in de soms verbazingwekkende praktijken waarmee een Tweede Kamerlid te maken heeft.

Een bom onder de corruptie op Malta

Op 16 oktober 2017 ontplofte een bom onder de auto van de Maltese journaliste Daphne Anne Caruana Galizia. Een brute moord op de anticorruptie-activiste, die verslag uitbracht over politieke corruptie op Malta, lid van de EU. Haar zoons benaderden Omtzigt als lid van de Raad van Europa om hulp. Omtzigt stond toen al bekend vanwege zijn inzet voor klokkenluiders, waaronder Edward Snowden. Hij werd naar Malta afgevaardigd om onderzoek te doen naar de staat van de rechtsstaat. Al gauw bleek dat er helemaal geen sprake was van een scheiding van machten en ‘checks-and-balances’ die de macht van het recht en het recht van de macht in evenwicht moeten houden. Minister-president Joseph Muscat had alle touwtjes in handen. Hij benoemde zelf de rechters en de hoge ambtenaren volgens de regels van de vriendjespolitiek. Omtzigt werd van alle kanten tegengewerkt en persoonlijk door Muscat en zijn vriendjes zwart gemaakt. Ze waren direct of indirect betrokken bij de moord op Caruana Galizia. Hij verplaatste zich op Malta vergezeld van een tweetal door ‘de vijand’ aangestelde beveiligers. Geen geruststellend idee. Zijn verslagen van deze en andere onderzoeksmissies voor de Raad van Europa, onder ander naar Ijsland en Oekraïne, doen de lezer denken aan Zweedse en Deense misdaadseries als Borgen of the Team van Arne Dahl en aan de misdaadthrillers van Charles den Tex. Omtzigt heeft de missies in de criminele buitenlanden van Europa overleefd.

In deel twee bespreekt hij de Europese samenwerking. Hoe kunnen we de problemen van de democratische rechtsstaat te boven komen? Het wankele vertrouwen bij de burger door allerlei politieke affaires zetten vraagtekens bij de legitimiteit van Europa als eenheid. Omtzigt voert de moedige houding van rechtsgeleerde Rudolph Cleveringa, bekend vanwege zijn verzetslezing in 1940 aan de Leidse universiteit, op als leidraad voor de strijd tegen het onrecht en de problemen in Europa. Omtzigt: We moeten er voor zorgen dat afspraken kunnen worden afgedwongen. En verder moeten we vasthouden aan de principes van rechtvaardigheid tegen de vriendjespolitiek en de partijbelangen in, met oog voor de individuele burger.

We zien door de modellen de werkelijkheid niet meer

Deel III is weer van een heel ander karakter. Hierin gaat Omtzigt tekeer tegen het denken in en vasthouden aan ‘modellen’. Nu is er waarschijnlijk geen wetenschap waarin zulke complexe modellen gemaakt worden dan in de economie. Omtzigt wijdde er zijn promotieonderzoek in Florence aan en schreef er een proefschrift over. En als iedereen het nou eens was over welk model het beste was. De werkelijkheid schrijft (helaas) niet voor hoe deze gemodelleerd moet worden. Dat is een kwestie van keuzes die je maakt en de doelen die je hebt. Er worden verschillende aannames gemaakt en er wordt van ‘onbelangrijke’ zaken geabstraheerd. Omtzigt haalt de bekende uitspraak van George Box aan: “All models are wrong, but some are useful“. Omtzigt: “In Nederland echter bepalen modellen ons beleid.”

“We lijken soms te denken dat modellen beter zijn in het maken van beleidskeuzes dan mensen”

Hoe modellen de werkelijkheid kunnen verhullen laat Omtzigt zien aan de hand van een paar concrete voorbeelden over de koopkrachtplaatjes. Is er nog iemand die begrijpt hoe de rekenmodellen eruit zien die bepalen hoe hoog je netto inkomen zal zijn? Wat is het netto effect als je 100 euro extra inkomen hebt? Omtzigt rekent aan de hand van twee voorbeeldhuishoudens voor hoe het draagkrachtbeginsel helemaal verloren is gegaan in de mist van toeslagen en kortingen. Waardoor onverantwoorde inkomensverschillen ontstaan die tegen elk gevoel van rechtvaardigheid in gaan. Het biedt een leerzame inkijk in de keuken van onze wetgever.

Omtzigt wijst op het probleem om als Tweede Kamerlid ook maar iets zinnigs te zeggen wanneer modellen niet transparant zijn, zoals die van het Planbureau voor de Leefomgeving bij het berekenen van de CO2 effecten van elektrisch rijden. Verschillende adviseurs van de regering komen met tegengestelde adviezen op grond van niet transparante modellen, met verschillende aannames en definities. Afijn, wie het nieuws en de cijfers over besmettingen en ziekenhuisopnames van het RIVM een beetje heeft gevolgd die kent de problemen. Je moet er voor doorstuderen om het te snappen en dan snap je het nog niet. Wat de burger betreft:moet deze alles wel snappen? Blijkt uit de wil om alles te snappen niet een gebrek aan vertrouwen in wetenschappers en politici? Niemand zal ontkennen dat ons belasting- en toeslagenstelsel veel te complex en daarom alleen al niet rechtvaardig is. Wat nou, inclusie! Maar wie doet er wat aan? Het heeft er alle schijn van dat het dezelfde complexiteit is, maar nu in de besluitvormingsprocessen, die er voor zorgt dat er niets aan verandert.

Over reproduceerbaarheid

Wanneer Omtzigt het heeft over het gebrek aan transparantie van modellen wijst hij op een “gouden standaard in natuurwetenschappen”: een experiment moet reproduceerbaar zijn. Hij maakt vervolgens een sprong naar de econometrische modellen. “In de context van econometrische modellen houdt dit in dat je modellen openbaar moeten zijn, zodat duidelijk is welke aannames je maakt en welke schattingen je hebt.” Omtzigt haalt hier mijns inziens twee zaken door elkaar. Reproduceerbaarheid is een belangrijk criterium dat we opleggen aan de onderzoekmethode ten behoeve van de geloofwaardigheid van de door middel van die methode verkregen resultaten. Onderzoekresultaten zijn objectief in zoverre ze expliciet in relatie tot een reproduceerbare methode gepresenteerd worden. Heel veel onderzoekresultaten soms gepubliceerd in de beste journals met name in de sociale wetenschappen bleken niet reproduceerbaar te zijn. Het gaat dan niet alleen om de statistische methodes, maar vooral ook om de manier waarop de data is verkregen, hoe er is gemeten en wat. Omtzigt doelt met reproduceerbaarheid vooral op het eerste onderdeel: wat doet het model vervolgens met die data.

Welke studie je tegenwoordig ook volgt, het kan haast niet missen of je wordt als student lastig gevallen met een Inleiding in de Statistiek. Maar als ergens de uitspraak van de wiskundige Godfrey Harold Hardy (1877-1947) geldt dat “a little learning is a dangerous thing” dan is het wel hier als het gaat om de statistische wetenschap. De experimentele en mathematisch fysici hebben ondertussen wel begrepen dat wezenlijke aspecten van de natuur ontsnappen aan hun wiskundige modellen. In de sociale wetenschappen en bij de meeste politici lijkt er nog steeds een heilig ontzag te zijn voor modellen. Hoe wiskundiger en berekenbaarder de modellen zijn des te indrukwekkender. Als de computer het zegt dan moet het toch wel waar zijn. Of het pleidooi van Omtzigt voor meer wetenschap en denkkracht als ondersteuning van de overheid gehoor vindt? Laten we het hopen. Maar een garantie voor een kritische houding ten aanzien van het denken in en het gebruik van modellen is daarmee zeker niet gegarandeerd. Dat vraagt om nog weer een andere discipline.

Het schandaal van de toeslagen

In deel IV komt het toeslagenschandaal uitvoerig aan de orde. Voor wie het rapport Ongekend Onrecht van de commissie van Dam heeft gelezen bevat het misschien niet zo heel veel nieuws. Maar toch: ook de lezer die wel het rapport heeft gelezen en die wel naar de interviews van de betrokken ambtenaren en betrokken politici heeft gekeken op TV die valt bij het lezen van Omtzigts’s relaas nog weer van de ene verbazing in de andere. Hoe is het toch in hemelsnaam mogelijk dat het zo mis heeft kunnen gaan in de rechtsstaat Nederland? Het antwoord van Omtzigt is helder: er is van alles mis met die rechtsstaat. De administratie van de Belastingen is een informatiepuinhoop, de regering geeft geen gehoor aan de vraag om informatie, er is geen openheid naar de Tweede Kamer toe, de rechter beschermt niet de burger maar de Staat. De toezichthoudende instanties hebben gefaald of hun rapporten werden in een la weggestopt. De formeel verantwoordelijke snel van stoel wisselende ministers, staatssecretarissen en directeuren generaal van de diensten communiceren slecht en produceren rapporten en documenten die net als de rekenmodellen het zicht op de werkelijkheid verbloemen. De lezers van de talloze documenten en verslagen leggen geen relatie meer met de echte werkelijkheid. Deze simulacra worden voor de werkelijkheid en waar gehouden. Ze leiden een eigen leven. Achteraf hoor je verschillende betrokkenen tijdens de interviews zeggen: “ik ken het stuk wel maar het drong toen niet tot me door wat het betekende.” Maar achteraf kijk je de koe in de kont. En voor de ambtenaren die hun dag bij de diensten turend achter beeldschermen doorbrengen en werken met anonieme gedepersonaliseerde informatie-eenheden geldt de gouden regel “niet uit de school klappen”. Klokkenluiders worden gestraft. Met ambtenaren wordt door kamerleden uitsluitend in het geheim gesproken.

In deel V maakt Omtzigt duidelijk dat de problemen met de kinderopvangtoeslag niet op zichzelf staan. Er zijn diverse “dossiers” die vergelijkbare misstanden tonen: de behandeling van de aardbevingsschade in Groningen, de leenbijstand, de problemen bij het CBR. De participatiewet die het recht op bijstand regelt en de verplichtingen van de burger vastlegt. Deze gaat uit van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de individuele burger. Wat Omtzigt niet noemt zijn de problemen bij Defensie, de Veiligheidsdiensten en bij de Nationale Politie als het gaat om check-and-balances om informatievoorziening aan de kamer. Bijna dagelijks horen we van ICT problemen bij de diensten. Steeds vaker treden er problemen met de beveiliging van persoonsgegevens bij de overheidsinstanties, waardoor het vertrouwen in een overheid die zou moeten zorgen voor de burgers dreigt te verdwijnen. “De problemen zitten diep” en vragen volgens Omtzigt om na te denken over “een nieuw sociaal contract.” Een voorstel daartoe doet hij in het laatst deel van zijn boek.

Dat begint met een omschrijving van het begrip rechtvaardigheid van de Dominicaanse monnik, filosoof en theoloog Thomas van Aquino, de man die de Aristotelische denkbeelden op geheel eigen wijze wist op te nemen in het christelijke gedachtegoed. “Rechtvaardigheid is de houding krachtens welke iemand met standvastige en bestendige wil aan ieder zijn rechten toekent.” Het ieder zijn deel is volgens Omtzigt een kernwaarde van onze moderne rechtsstaat. Deze gelijke rechten voor iedere burger horen ook tegenover de overheid gewaarborgd te zijn. De toeslagenaffaire heeft aangetoond dat dat ook in Nederland alles behalve vanzelfsprekend is. “De gehele trias politica heeft over langere termijn gefaald.” Het recht moet de macht van het recht inperken. De ‘rule of law’ en de scheiding der machten moet het recht van de macht waarborgen. Wat moet er volgens Omtzigt veranderen? De Nederlandse rechter moet de door het parlement aangenomen wetten direct kunnen toetsen aan de Grondwet (1). Er moet een nieuw kiesstelsel komen met regionale kieskringen om de afstand tussen burger en overheid te verkleinen (2). Weg met coalitieakkoorden en het snel er doorjassen van nieuwe wetten en regels en meer specialistische ondersteuning (3). Een onafhankelijke Afdeling bestuursrechtsspraak (4). Een beter benaderbare ambtelijke dienst, die begrijpelijke teksten maakt en betere bescherming biedt aan klokkenluiders (5). Meer en betere onafhankelijke externe onderzoekscommissies (6). Zorg voor een onafhankelijk maatschappelijk middenveld, dat niet door de overheid wordt gesubsidieerd (7). Meer aandacht voor de grondwettelijke taken van de overheid: bestaansrecht en spreiding van welvaart, voldoende woningen en goed onderwijs voor iedereen.(8). Minder modellen en meer denken (9). Een goede informatiehuishouding.(10).

Het zijn geen verrassende voorstellen die hij doet. Maar in een tijd waarin de principes van de democratie vergeten lijken te zijn is het goed er nog eens opnieuw op te wijzen en aan te werken. In de democratie gaat het om de verwerkelijking van de vrijheid voor alle burgers. Waaraan moet de institutionele uitwerking van de democratische rechtsstaat voldoen? Meuwissen noemt in zijn Recht en Vrijheid (1982) de volgende criteria. Als eerste het instituut vertegenwoordiging als uitdrukking van distantie, vertrouwen en verantwoordelijkheid.Je moet enerzijds besluiten in vertrouwen over (kunnen) laten aan anderen. Anderzijds is die ander verantwoording schuldig. Ten tweede moet de democratie georganiseerd zijn als een rechtsstaat. Een geordende constitutie en de heerschappij van de wet (rule of law) zijn noodzakelijke voorwaarden. De trias politica is een waarborg tegen machtsmisbruik en draagt wezenlijk bij aan de vrijheid. Ten derde moet er een waarborg zijn voor politiek pluralisme. Besluiten worden genomen na debatten tussen voor en tegenstanders van bepaalde opvatting die streven naar consensus over het algemeen belang. Wederzijds respect en tolerantie als basisprincipes van een democratische samenleving krijgen in een meerpartijenstelsel uitdrukking. Ten vierde moeten staat en maatschappij met elkaar verweven zijn en streven naar de realisatie van sociale grondrechten, de behoeftebevrediging van allen door allen. Ook de maatschappelijke organisaties die met betrekking tot een bepaalde levenssfeer (onderwijs, geloof, sport, landbouw) invloed uitoefenen op de politiek dienen democratisch te zijn. Ten vijfde geldt in de democratie het meerderheidsbeginsel. De idee is dat niemand de waarheid in pacht heeft en dat iedereen volgens zijn eigen visie gelijk heeft. Dus als er besloten moet worden dan geldt het getalscriterium: de meeste stemmen gelden. Maar in de meerderheidsbeslissing moet ook de mening van de minderheden zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Dit wordt al te vaak vergeten. Democratie is niet alleen de wet van de meerderheid.

Omtzigt’s nieuw sociaal contract is een uitwerking van deze aloude beginselen.

“Politiek hoort waardegedreven te zijn”

Maar regels en wetten zijn waardeloos en werken niet zonder een ‘standvastige en bestendige wil’ om het goede te doen. Omtzigt wijst er tenslotte met een woord van Meester Eckhart op dat fundamentele veranderingen voort moeten komen uit “innerlijkheid”, een juiste richtinggevende levenshouding die is neergelegd in de geest van de wet. Het gaat er niet om iedereen direct af te maken omdat ie een keer een fout maakt. “We moeten als burger een zekere mildheid tonen” Was het niet Aristoteles die er in zijn Ethica Nicomachea al op wees dat het er in het leven om gaat het juist midden te kiezen tussen mildheid en volharding in het doen van het goede.

Een nieuw sociaal contract van Pieter Omtzigt is een boek geschreven door een gedreven politicus dat de vinger op de zwakke plekken van onze rechtsstaat legt.

Het banale van het alledaagse

Wanneer Omtzigt wordt geprezen vanwege zijn inzet voor de slachtoffers van de toeslagenaffaire is zijn reaktie steevast: “Ik doe ‘gewoon’ mijn werk als kamerlid.” Helaas is wat hij en zijn collega Renske Leijten deden: het opkomen voor het recht van de slachtoffers van de ook door hen zelf gemaakte regels, wetten en instituties helemaal niet zo gewoon.

Deden en doen ook de ambtenaren die bij de Belastingdienst – en bij die andere overheidsinstellingen waar zich vergelijkbare problemen voor doen – ook niet “gewoon hun werk”? Omtzigt lijkt van mening dat “de meeste ambtenaren deugen”. Maar is dat genoeg? Moeten we niet juist soms niet willen deugen en door de dagelijkse gang van zaken heen prikken en reflecteren op de vraag “waar ging het ons ook al weer om?”.

De problemen van de instituties in de context van de informatierevolutie

Tegenover de “innerlijkheid”, de morele drive, het morele plichtsbesef waar Omtzigt ons op wijst, zonder welke regels en procedures dood zijn, staat de uitwendigheid van de technologie en de documenten waarin die regels wetten en procedures worden vastgelegd. Die uitwendigheid neemt steeds meer een zelfstandige vorm aan, o.a. in de vorm van intelligente systemen. In Luciano Floridi’s filosofie van de informatie schetst hij een nieuwe basis, een metafysica, voor het informatietijdperk. De werkelijkheid is een infosfeer, een ecologie van informatie-entiteiten en inforgs, kunstmatige en menselijke agenten die in een netwerk elkaars identiteit en functies wederzijds bepalen door interacties. Wat die zelfstandigheid, die autonomie van de technologie doet met mensen, met hun relatie tot het werk, het leven, kortom: hun identiteit, dat is een thema dat veel te weinig aandacht heeft gekregen in de discussies over de problemen met de instituties.

In de dagelijkse strijd die Omtzigt in de politiek voert gaat het vrijwel altijd om informatie. Zonder de juiste informatie is het voor hem als kamerlid niet mogelijk zijn taak als volksvertegenwoordiger goed uit te voeren. Hij komt bovendien op voor het recht van iedere burger op informatie (op grond van de WOB) en voor het beschermen van diens privacy, van de persoonsgegevens en de persoonlijke identiteit en integriteit. Burgers werden door de Belastingdienst op grond van ‘voorspellende algoritmes’ en statistische modellen ten onrechte als “fraudeur” bestempeld. Er werden en worden persoonsgegevens bewaard en gebruikt, zoals het feit of iemand een dubbele nationaliteit heeft. Ook de Autoriteit PersoonsGegevens werd door de diensten tegengewerkt zodat ze hun controlerende taak onvoldoende konden uitvoeren. Voor de veiligheidsdiensten is informatie een bestaansvoorwaarde.

De overheersende invloed van de ICT is aanleiding voor herbezinning op de fundamenten van onze ethische standpunten.

In de eerste zeven hoofdstukken van Informatie vat Floridi de belangrijkste gestaltes van het informatiebegrip samen. Informatie treedt op waar gegevens zijn die het verschil maken, daardoor ze ook tekens van iets zijn die betekenis hebben. Volgens Floridi bestaan er fysische informatie-entiteiten als “van de geest onafhankelijke structuurelementen”. Je kunt denken aan viroïden, aan DNA, verpakt in eiwitstructuren. Genetici gen-technologen beschrijven het proces van voortplanting en mutatie in termen van informatiegeneratie, transformatie en verwerking. Biologische informatie, het DNA, een virus, heeft net als een computerprogramma het karakter van een sleutel, een code die toegang geeft tot de omgeving en daar in actief wordt. Floridi raakt in Informatie vrijwel alle grote problemen uit de geschiedenis van het denken. Dat is omdat hij klassieke ideeën uit de metafysica’s van Plato, Aristoteles en Thomas opnieuw overdenkt en als het ware in nieuwe informatie-theoretische termen beschrijft. Het boek biedt dan ook stof tot denken voor nog vele jaren. Filosofie is nooit af. Floridi’s filosofie is niet af. Op zijn persoonlijke website zegt hij dat hij op driekwart van zijn informatie-project is. Ik weet niet hoe hij dit kan weten en ik betwijfel het.

Een filosofisch werk laat zich niet samenvatten. Vanwege onze gedeelde interesse in het onderwerp van de technologie en de betekenis ervan voor de antropologie komen veel van zijn filosofische thema’s in diverse van mijn blogs aan de orde. Misschien wat minder systematisch en met een wat meer persoonlijke noot. Maar ik ben dan ook geen filosoof. Men leze bijvoorbeeld “Het schandaal van de waarheidswaarden” en “Het Kanaal“, maar eigenlijk gaan al mijn schrijfsels over het zelfde: als de tong die maar niet ophoudt naar de zere kies te gaan.

Floridi wordt wel verweten de mens te identificeren met een informatie-verwerkende machine. Deze gedachte werpt hij verre van zich. Zijn informatie ontologie is een ontologie van structuren. “Esse est information”. De werkelijkheid is een infosfeer, een omgeving van informatie-eenheden, actoren en ‘patienten’, zowel mensen als artefacten. Al wat is is informatie; van een kiezelsteentje op het grindpad tot een complexe samenleving van mensen en machines. De grondgedachte van zijn metafysica is klassiek: het Zijn is Gegeven zijn en het Zijn is het Goede. De tegenpool is chaos, wanorde. Floridi noemt het, enigszins verwarrend, entropie, maar je moet denken aan de informatiepuinhopen bij de Belastingdienst, waardoor het niet meer mogelijk is om relevante informatie binnen redelijke tijd boven water te krijgen.

Zijn infosfeer vertoont enige gelijkenissen met het Mathematisch Universum van de fysicus Max Tegmark (zie zijn Our Mathematical Universe). Tegmark’s ‘externe’ werkelijkheid is een wiskundige structuur, een complexe Hilbert-ruimte. Bij Floridi is het universum als infosfeer een dynamische structuur, geen wiskundig object. Lijkt het. Bij Floridi zowel als bij Tegmark ligt een vorm van ‘mathematisme’ (in de zin van Fleischhacker, zie zijn Beyond Structure, 1995), een vereenzelviging van het metafysische, en het fysische met het mathematische op de loer.

Hoe valt Floridi’s informatiebegrip te rijmen met de opvatting dat informatie het resultaat is van een meting, de uitdrukking van een kwaliteit op kwantitatieve wijze, dat is binnen een voorafgegeven structuur. Daarmee komt overeen de idee van informatie als datgene wat ‘boven tafel komt’ als antwoord op een gerichte vraag. De vraag biedt de structuur waarin het antwoord gegeven wordt. Informatie is resultaat van een interaktie, tussen een kennend subject en de werkelijkheid. Het lijkt erop dat Floridi dit resultaat van een meting, deze polaire eenheid, weer als het ware terugwerpt, objectiveert, in de realiteit. De steen van Rosetta is volgens hem dan ook informatie; ook zonder een subject voor wie het ontsloten is. Betekenen tekens iets, ook als er niemand is voor wie het teken iets betekent? Bestond de Stelling van Pythagoras, deze informatie-eenheid in de zin van Floridi, al vóór dat deze geformuleerd werd? Het zijn telkens weer terugkerende vragen die om telkens weer eigentijdse antwoorden vragen. Worden wiskundige stellingen ontdekt, zoals de beeldhouwer het beeld uit het rotsblok bevrijdt? Of zijn het constructies die ontspruiten uit onze creatieve geest? Misschien moeten we het verstand – het vermogen dat de werkelijkheid van nature telkens weer uit elkaar legt – even vergeten. Immers: hoe zouden we de vallende steen nu kunnen gebruiken om met de formules van Newton de snelheid te berekenen waarmee deze vanaf een bepaalde hoogte op de grond valt, wanneer de steen deze wetten niet uit zichzelf al kende, lang voordat Newton geboren werd? Het zou interessant zijn om Tegmark’s Universum en Floridi’s Infosfeer diepgaander met elkaar te confronteren, maar dit is niet de tijd, noch de plaats om dat te doen.

Een alomvattende ethiek voor het informatie-tijdperk

Ik ga hier iets verder in op het onderwerp van het laatste hoofdstuk van Floridi’s Informatie. Daarin presenteert hij een ethiek voor het informatietijdperk, een algemene aanpak voor morele kwesties rond informatie, het alomvattende zijn in al haar vormen. Vergelijk het met een milieu-ethiek waarin de morele kwesties gerelateerd worden aan de morele status van biologische entiteiten en eco-systemen welke berust op de intrinsieke (positieve) waarde van het leven en de (negatieve) waarde van het lijden. Deze ethiek is bio-centrisch gericht. Elke levensvorm, niet alleen de mens, elke component van onze leefomgeving, is een morele ‘patient’ en heeft een morele status. Ook rivieren en bomen hebben op grond daarvan bestaansrechten die vastgelegd worden in wetten en regels. Als we ‘leven’ vervangen door ‘bestaan’, dat is informatie in de zin van Floridi, dan wordt enigszins duidelijk wat hij met een informatie-ethiek bedoelt. Het lijden in de biocentrische milieu-ethiek wordt ‘entropie’ of chaos in de ontocentrische informatie-ethiek.

In analogie met het rechtvaardigheidsbeginsel, het uitgangspunt van Omtzigt’s ‘antropocentrische’ sociaal contract, geldt voor Floridi het ontologisch gelijkheidsprincipe: iedere vorm van informatie/zijn heeft een minimaal, oorspronkelijk recht van bestaan. Het is het uitgangspunt voor Floridi’s ‘ontologische trust’ een alomvattend nieuw sociaal contract, volgens welke ieders handelen onpartijdig, universeel en ‘zorgzaam’ is. Het commentaar van Floridi op het ‘sociaal contract’ in de zin van Omtzigt is dat het vaak en te veel antropocentrisch geïnterpreteerd wordt. De ontologische trust biedt een basis voor zo’n sociaal contract. Ze is gegeven met het bestaan: wie of wat bestaat participeert aan de ‘ontologische trust’. Iedere trustee is vanwege zijn bestaan, ‘onvrijwillig en ontontkoombaar’, in relatie tot alle andere bestaande trustees gebonden aan het contract. Het pact behelst een relatie van ‘wederkerige waardering, dankbaarheid en zorgzaamheid’. Deze relatie wordt bevorderd door de erkenning dat alle entiteiten afhankelijk zijn van elkaar.

Het belang van een ontocentrische informatie-ethiek boven een milieu- (en zorg-) ethiek kan volgens Floridi niet licht overschat worden. Milieu-ethiek is vooringenomen tegen wat onbezield, levenloos, niet-tastbaar, toekomstig, verleden en abstract is. Ook onbezielde, niet-tastbare, of intellectuele objecten hebben een minimale morele waarde.

Maar op grond waarvan moeten we dan in concrete situaties bepalen wat het zwaarst moet wegen? Is er geen ‘objectieve’ rangorde van waarden? Het is één van de vele vragen die Floridi’s filosofie en ethiek oproept. Het is onder andere de Twentse techniekfilosoof Philip Brey die dit punt opwerpt. Floridi treedt zijn commentatoren met open vizier en met veel waardering tegemoet. Zijn uitvoerige reacties in “Information Ethics: A Reappraisal” (2008) vormen een welkome aanvulling op de hier besproken inleiding in zijn filosofie en ethiek voor het informatietijdperk.

Zowel Omtzigt’s voorstel voor een “Nieuw Sociaal Contract” als Floridi’s pleidooi voor een Nieuw Ecologisch Pact verdienen onze ruime aandacht. Ze bieden een richtsnoer voor het denken en handelen in het tijdperk van door informatie- en communicatietechnologie beheerste instituties en een perspectief op een rechtvaardige toekomst.

Referenties

Pieter Omtzigt (2021). Een nieuw sociaal contract. Prometheus Amsterdam, 2021.

Luciano Floridi (2014).Informatie. Elementaire deeltjes 11. Amsterdam University Press B.V., Amsterdam, 2014. Vertaling van Information : a very short introduction uit 2010.

Luciano Floridi (2008). Information Ethics: A Reappraisal. Ethics Inf Technol 10, 189–204 (2008)..

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply