“De portier is een invalide” – de jacht naar informatie

De portier is een invalide.

Over welke portier heeft hij het? zult u zich misschien afvragen. Maar zo bedoel ik het niet. ‘De portier is een invalide’ is één van de meest beroemde openingszinnen uit de Nederlandse literatuur. Het is de eerste zin van de avonturenroman Nooit meer slapen van W.F. Hermans.

Wat ik er dan wel mee bedoel is dit. Ik ben al een tijdje op jacht naar het informatie begrip. Ik wil weten wat dat is. Nu las ik in The Invention of Science van de historicus David Wootton de volgende passage:

We take facts so much for granted that there have been few attempts to write their history, and none of them satisfactory. Yet, our culture is as dependent on facts as it is on gasoline. It is almost impossible to imagine doing without facts, and yet there was a time when facts did not exist.” (Wootton, 2016, p.252)

En ik dacht: geldt wat Wootton hier zegt over ‘facts’ niet ook voor ‘informatie’?

Is er een tijd geweest waarin informatie niet bestond? Het woord mag dan oud zijn dat wil niet zeggen dat er altijd het zelfde mee werd aangeduid. Zoals niet ieder geknipper met de ogen een knipoog is en niet iedere knipoog hetzelfde betekent. Of, zoals de stoommachine van Heron van Alexandrië een heel andere betekenis heeft en dus eigenlijk een heel ander ding is dan de stoommachines die werkten in de Engelse spinnerijen ten tijde van de Industriële Revolutie.

Wat is informatie?

Wikipedia zegt:

Informatie (van Latijn informare: “vormgeven, vormen, instrueren”) is alles wat kennis toevoegt en zo onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. Strikt genomen is informatie pas informatie als die interpreteerbaar is. (opgezocht 17-03-2021)

Informatie is iets; het bestaat. Het is een economisch schaars goed. In die zin dat er meer behoefte aan is dan dat het beschikbaar is. Informatie is tegenwoordig misschien nog wel belangrijker dan ‘gasoline’. Alles draait in het ICT tijdperk om informatie. In de wereld van Luciano Floridi, de filosoof van de informatie, is zelfs alles informatie. “Esse est informati”.

Maar als wat voor feiten geldt ook voor informatie geldt en er een tijd geweest is dat er geen informatie was, was er dan niets? Hoe moeten we dan de tijd en hoe moeten we dan de geschiedenis opvatten?

In het hoofdstuk Facts gaat Wootton op zoek naar de oorsprong van het feit. Wat zijn dat voor dingen?

Over ‘fact’ zegt Ronald Barthes (citaat uit Wootton, 2015):

The fact can only have a linguistic existence, as a term in a discourse, and yet it is exactly as if this existence were merely the ‘copy’, purely and simply, of another existence situated in the extra-structural domain of the ‘real’. (Barthes, The Discourse of History, 1967).

“Het feit kan alleen maar een talig bestaan hebben, als een term in een tekst.”

Maar, voegt Barthes toe: het is exact alsof dit bestaande object, slechts een ‘copy’ is, puur en simpel, van een ander bestaand iets, iets dat gesitueerd is in het buiten-structurele domein van de ‘realiteit’.

Maar geldt dat ook niet voor informatie? Wat is het verschil tussen een feit en informatie?

Terug naar de openingszin: De portier is een invalide.

De betekenis is, zou Bertrand Russell zeggen (cf. “On Denoting”): Er is een X en die X is portier en die X is invalide”. Alsof het het begin van een wiskundig betoog is.

Wat is de informatiewaarde van deze zin? Onder welk opzicht moeten we deze zin zien opdat we zouden zeggen dat deze informatie bevat in de zin dat deze kennis toevoegt en zo “onwetendheid, onzekerheid, onbepaaldheid vermindert”? Merk op dat volgens deze definitie er onwetendheid moet zijn. Moet de onwetende zich hiervan bewust zijn?

Het is een feit: De portier is invalide. Welke portier? De portier waar het in de openingszin van dit verhaal over gaat. Het verhaal dat de lezer die deze zin leest als een nieuwe wereld binnen treedt. Deze portier die “gesitueerd is in het buiten-structurele domein van de ‘realiteit'”, de wereld van de roman.

Maar geeft de zin ons informatie? Alleen dan, ben ik in eerste instantie geneigd te zeggen, wanneer het als antwoord op een vraag bedoeld is. Een vraag die voortkomt uit onwetendheid en de wens om iets bepaalds te weten. Een vraag stellen is een soort van meten. Als ik Hermans zou vragen “Kunt u mij iets vertellen over de portier?” dan geeft “De portier is een invalide?” mij informatie over die portier, waarbij ik aanneem dat we allebei met ‘de portier’ naar dezelfde figuur refereren. Maar kan ik die vraag er niet bij denken en daarmee de zin als antwoord op deze vraag zien? Is het dan wel informatie?

Informatie moet ergens over gaan. Net als het feit van Barthes moet de zin de pretentie hebben een afbeelding (‘copy’) te zijn van iets in een wereld buiten de structuur van de zin zelf. De zin geeft informatie en daarmee kennis over datgene waarover het zegt het te hebben.

Informatie is iets wat medegedeeld wordt en heeft de taal nodig als vehikel.

Is “feitelijke informatie” dan dubbelop? Is er ook niet feitelijke informatie?

Informatie heeft de pretentie waar te zijn. De eis die we aan informatie stellen is dat het verifieerbaar is. Volgens Floridi is informatie die niet waar is geen informatie. Dat is volgens mij niet helemaal zo. Informatie moet verifieerbaar zijn; het is een communicatie object; iets dat gecreëerd wordt in een interactie-proces.

In die zin geeft “De portier is invalide.” ons geen informatie. En dat is natuurlijk ook helemaal niet de functie van de zin. Waar kun je de wereld van het verhaal nu beter binnen gaan dan bij de portier? De mededeling dat deze een invalide is doet de lezer al het ergste vermoeden over het verloop van het verhaal. Maar dit terzijde.

Informatie is als resultaat van een meting, uitdrukking van iets kwalitatiefs op kwantitatieve, structurele wijze. Het gaat dus altijd over meetbare gegevens uitgedrukt in een taal waardoor de kennis die erin uitgedrukt medegedeeld kan worden. Niet een getal, niet 2, maar de tafel is 2 meter lang. Dat geeft informatie. Het heeft een ideële structuur als maat nodig. Informatie is een identiteit die resultaat is van een vergelijking.

“De portier is een invalide” is als uitdrukking van een oordeel geen informatieve zin.

Daarvoor moet deze als mededeling gezien worden, niet puur als oordeelszin. Als oordeel drukt deze meteen de waarheid ervan uit. Als informatieobject heeft deze slechts de pretentie waar te zijn, een feit te verbeelden.

Informatie is iets dat medegedeeld wordt en dat pretendeert ergens iets over te zeggen, feitelijk te zijn. Feitelijke informatie heeft betrekking op feiten.

Informatie bestaat uit eenheden, resultaten die toegevoegd kunnen worden aan een reeds bestaande hoeveelheid informatie. Informatie moet coherent zijn, mag geen logische tegenspraken bevatten.

Tijd en informatie

Informatie is gedateerd. Het is gebaseerd op gegevens, data. We hebben niets aan oude informatie. Een bustijdentabel op een webpagina waarop niet staat wanneer deze is bijgewerkt en of deze actueel is, is waardeloos.

De zin “Het regent” als mededeling is alleen zinvol als het tijdstip waarop het betrekking heeft voor de ontvanger duidelijk is. Anders heeft deze zin net zo weinig informatiewaarde als de zin “De portier is een invalide.”.

Historische informatie is informatie over historische feiten. “De zon scheen op de dag dat de Muur viel.” is historische informatie in zoverre het bedoeld is als iets te zeggen over de toestand van de wereld op een bepaald moment in de geschiedenis. Ook als het opgevat wordt als uitdrukking van emotie bij de schrijver? In dat geval geeft het informatie over de schrijver.

De wereld is de verzameling van feiten. Informatie heeft betrekking op de feiten van Wittgenstein. Het zijn de linguïstische objecten, de ‘facts’, van Barthes.

De historicus zoekt naar (informatie over) historische feiten. De filosoof zoekt de historie van het feit en van informatie.

Als er voor 1700 geen feiten bestonden, dan was er voor 1700 ook geen informatie.

Het is altijd lastig om een begin in de tijd aan te geven van een verschijnsel, maar op een gegeven moment ontstond er een strict onderscheid tussen de bepaaldheid van iets en al dan niet bestaan ervan; tussen wát iets is en óf het is.

Ik vind het heel merkwaardig dat wat iets is totaal niet afhangt van of het werkelijk bestaat of niet.

En toch is dat de wereld waarin we leven. We leven in een wereld waarin we door middel van technologie dingen maken en demonstreren waarvan we ons steeds vaker afvragen ‘of het wel echt is’. Artificiële dingen, informatie, stemmen, die steeds exacter lijken op echte dingen, echte stemmen; die pretenderen echt te zijn. Wat kunnen we nog geloven? Waarop kunnen we nog vertrouwen?

“Een zin kan onmogelijk van zichzelf zeggen of deze waar is.” (Wittgenstein).

Kan een intelligente machine van zichzelf zeggen of deze de waarheid spreekt?

Na de “mechanisering van het wereldbeeld” (Dijksterhuis) die een “mathematisering van het wereldbeeld” bleek te zijn, kwam de informatisering van de samenleving, de “de Vierde Revolutie” van Luciano Floridi, de tijd van de automatisering en de kunstmatige intelligentie. We leven nu in een tijd van verwarring. Niet “het einde van de geschiedenis” (Fukuyama). Wel de tijd waarin we de geschiedenis herwaarderen, nu we ons ervan bewust worden dat de technische controle over natuur en samenleving niet tot die vrijheid leidt die we dachten ermee te realiseren.

Het einde van de onpersoonlijke wetenschap

Informatie als onpersoonlijke, subjectloze, ‘objectieve’ vorm van kennis is kenmerkend voor het tijdperk van de wetenschap als project met als doel kennis-verwering ten dienste van de rationalisering van het arbeid en de samenleving. Kennis is geen persoonlijke kennis maar een bijdrage aan de kennis van de samenleving. Het moet dan ook gedeeld (kunnen) worden en geleerd kunnen worden uit leerboeken. Die kennis is idealiter mathematisch en liefst nog in berekenbare modellen uit de drukken, waardoor de werkelijkheid gesimuleerd kan worden.

Persoonlijke kennis in de zin van zelfontplooiïng van het individu als persoon is minder van belang. De persoon ontwikkelt zich door zich objectieve kennis en informatie eigen te maken om zodoende een bijdrage te kunnen leveren aan de economie: het moet nuttig zijn; dienstbaar als technisch middel.

Deze vorm van kennis en deze werkelijkheid staat in het teken van onbetrokkenheid. De persoon staat tegenover de werkelijkheid die hij probeert te kennen.

Ik denk dat we van het ICT tijdperk kunnen leren hoe onbevredigend dit is. Weliswaar hebben we vaak wel belangstelling voor anderen, en voor ons zelf, maar daarbij gaat het ook weer om ons zelf of de ander als iemand die buiten ons staat, iemand die ons in principe vreemd is. We ervaren dan ook de diepe kloof die er bestaat tussen “informatie over iemand hebben” en “iemand kennen”.

Er wordt veel gecommuniceerd maar dat is iets anders dan interesse.

De God van het “Nader tot U” is vervangen door de God van de filosofie, de wetenschap, de technologie. Die God is allang dood verklaard.

Hoe nu verder? Welke kant op is vooruit? Of is dit het eind van de ‘vooruitgang’?

Bronnen

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply