Geschiedenis van de vrijheid – een omgevallen boekenkast

La liberté est donc un fait et, parmis les faits, que l’on constate, il n’en est pas de plus clair.” (Bergson)

Vrijheid is een feit: het kan niet ontkend worden, zonder het daadwerkelijk te bevestigen. Moeten wij blij zijn dat Annelien de Dijn in vrijheid (hoezeer ze ook gemotiveerd was door de historische omstandigheden) besloot een tiental jaren van haar nog zo jonge leven te besteden aan de geschiedenis van De Vrijheid ?

Jazeker, moeten we dat! Vrijheid – een woelige geschiedenis (Alfabet Uitg. 2021), is een prachtig en in zekere zin ook wel een indrukwekkend boek geworden.

Zo’n geschiedenisboek is weer eens wat anders dan Heyting’s “Projectieve Meetkunde”, Spinoza’s “Ethica”, of Wittgenstein’s “Tractatus-Logico-Philosophicus”. Hier valt immers niets te bewijzen. Of toch?

Het moeilijkste van zo’n project lijkt me om enige orde aan te brengen in de chaos van feiten die de geschiedenis van de vrijheid ons toont. Hoe orden je dat zootje? Hoe breng je enige systematiek in al die titels, documenten, ideeën en ‘feiten’? En is er al niet genoeg over de vrijheid geschreven? Is een nieuwe orde nog denkbaar?

Die orde wordt geschapen door de vragen die de schrijfster hebben gemotiveerd zich aan dit project te zetten. Wat betekent ‘vrijheid’ in een samenleving? De vraag dringt zich meer dan ooit op nu een pandemie ‘de vrijheid’ lijkt te bedreigen. Die vereist een sterke centrale aanpak van de Nationale overheden, idealiter waar nodig aangestuurd en begeleid door supra-nationale overheden (zoals de EU) en instituties (zoals de WHO). Het virus trekt zich nu eenmaal niet veel aan van landsgrenzen. Die aanpak, die soms diep ingrijpt in het leven van de burger, is voor velen van hen moeilijk te verteren. Ze zien dit als beperking van de keuzevrijheid, wat het ook is. Maar we moeten vrijheid uiteraard niet identificeren met keuzevrijheid.

Tegenwoordig, zo stelt AD, betekent vrijheid voor veel mensen vooral het bezit van allerlei individuele rechten, waaronder het recht op privacy en bescherming van het persoonlijke domein, tegen inmenging van de overheid. Dat is niet altijd zo geweest. Ooit werd de vrijheid van de mensen door westerse denkers en politici gezien als controle door het volk van de manier waarop het wordt geregeerd. De centrale vraag die AD probeert te beantwoorden is dan ook hoe het moderne idee van een in zekere zin anti-democratische ‘negatieve’ (Isaiha Berlin) vrijheid in de Westerse wereld ontstaan is.

Vrijheidsboom met Jakobinermuts. Op de achtergrond Schengen. (J.W. von Goethe, 1792). Op het bord: Passants, cette terre est libre

Haar zoektocht begint in het oude Griekenland. Op de reis langs talloze denkers over vrijheid en langs talloze politici beschrijft de auteur de ideeën van Plato, Cicero, Locke, Rousseau en vele anderen. Het boek dat zo’n 460 pagina’s telt, barst uit haar voegen van de historische anekdotes gelardeerd met vele citaten. Het telt alleen al 60 pagina’s met notities, waarin een verbluffende hoeveelheid referenties naar historische teksten. De naïeve lezer, zoals ik, heeft er geen idee van hoeveel boeken, artikelen en traktaten er zijn geschreven over de vrijheid.

Afgezien van het centrale thema: de verandering van het vrijheidsbegrip als verhouding tussen de macht en autonomie van het individu, de algemene wil van het volk en de rol van het door het volk of door de traditie gekozen machthebbers, zit er niet veel logica in het verhaal van de geschiedenis.

Het boek Vrijheid nodigt uit om Hegel’s Grundlinien der Philosophie des Rechts, waarin het recht als het ‘Dasein der Freiheit‘ wordt behandeld, en zijn Philosophie der Geschichte nog eens door te worstelen. De Vrijheid van de Dijn leent zich uitstekend als verzameling van voetnoten bij deze wat systematischer behandeling van de historische ontwikkeling van het moderne vrijheidsbegrip, zoals door Hegel bij de aanvang van de 19de eeuw beschreven.

Of doe ik haar project hiermee te kort? Dit is geen ideeëngeschiedenis. Hoe verhoudt de inzet van historische figuren die strijd voerden voor de vrijheid zich ten opzichte van de historische ontwikkeling van het idee van vrijheid? In de Inleiding gaat De Dijn op deze kwestie en het gevaar van mythologisering van de ideeëngeschiedenis in.

Zolang ideeënhistorici onthouden dat de geschiedenis die ze vertellen een geschiedenis is die door mannen en vrouwen is voortgebracht om hun eigen particuliere aan context gebonden redenen, zou het mogelijk moeten zijn de valkuilen van mythologisering te omzeilen.”

De dialectiek zit hem er in dat die ‘context gebonden redenen’ juist niet particulier zijn. (En niet toevallig?) Het zijn de ideeën die in de tijd leven die de mannen en vrouwen weer aanzetten de geschiedenis op een bepaalde wijze voort te brengen. Die dialectiek neemt Hegel mee in zijn opvatting van geschiedenis. Zo schrijft hij over de rol van de individuen in de wereldgeschiedenis in de ‘Grundlinien der Philosophie des Rechts:

“An der Spitze aller Handlungen, somit auch der welthistorischen, stehen Individuen als die das Substantielle verwirklichenden Subjektivitäten.” (par. 348)

De Dijn voert de historische figuren ten tonele vanwege de waarde van hun ideeën over vrijheid en hun politieke idealen in de context van haar systematische zoektocht naar een antwoord op de vragen die haar hiertoe brachten.

De rol van de ideeën komt duidelijk naar voren in de betekenis die het historisch materiaal speelt in De Dijn’s onderzoek.

De dubbele rol van de documenten

De historische documenten spelen een dubbele rol in het boek van De Dijn. Niet alleen om zelf te vernemen wat er ‘feitelijk’ (volgens anderen) gebeurd is, maar vooral ook om te zien hoe historische figuren via documenten ‘feitelijk’ kennis namen van ideeën over de vrijheid en de politiek en hoe deze ideeën hun standpunten en oproer beïnvloed hebben. Deze documentale geschiedenis levert de Dijn bewijsmateriaal voor haar inzichten in de motieven die een rol hebben gespeeld. Zo schrijft ze in de Inleiding.

Als ik bijvoorbeeld beweer dat achttiende-eeuwse revolutionairen zich baseerden op het antieke concept van vrijheid, kan ik aantonen dat ze toegang hadden tot antieke teksten waarin het concept van vrijheid een cruciale rol speelde, en dat zij zelf dachten dat ze bezig waren een met de oudheid geassocieerd concept van vrijheid te doen herleven.” (p.19)

Aantonen is nog geen bewijzen. Het is het bewijzen zoals dat in de rechtszaal gebeurt, niet het bewijzen zoals van de Stelling van Pappos in de projectieve meetkunde. Bewijzen is hier aannemelijk maken; het gaat in de geschiedeniswetenschap om ‘probable’, niet om ‘provable’.

De Dijn’s documentale geschiedenis kan gezien worden als de bemiddeling van de verhalende geschiedenis die vertelt over historische figuren met de ideeëngeschiedenis door aan te tonen hoe ideeën via de historische documenten (media) het gedoe van de historische figuren in hun feitelijke omstandigheden hebben bepaalt. Daarmee ontmythologiseert ze enerzijds de ontaarde ideeëngeschiedenis en schept ze anderzijds enige orde en begrip in het toevallige en chaotische karakter van het gedoe.

Wat is vrijheid?

Ik ben vrij als ik weet wat ik wil en datgene doe waarvan ik inzie dat het noodzakelijk is gezien de sociale en politieke omstandigheden waarin ik verkeer.

Het is zo invoelbaar, het enthousiasme waarmee de vrijheidsstrijders ten strijde gingen en nog steeds gaan, voor de ‘goede zaak’, voor God en vaderland. Het enthousiasme waarmee tien of honderd duizenden jonge mannen zich aanmelden in Engeland en andere landen in Europa om mee te strijden in de Grote Oorlog.

Maar ook de ellende is dat. Wij kennen de beelden. Tegenwoordig real-time via de nieuwsmedia. Hoeveel doden heeft de strijd voor de vrijheid niet opgeleverd? Is de strijd, eventueel tot de dood erop volgt, onlosmakelijk verbonden met vrijheid en heeft wie niet strijd voor zijn vrijheid zich feitelijk al ten dode opgeschreven?

Is het beeld dat De Dijn schetst waarheidsgetrouw?

Bestaat er waarheid in de geschiedenis? Bestaan er feiten? Is Asterix en Obelix waarheidsgetrouw?

Neem Vercingetorix (ca. 82 – 46 v.Chr.) de Gallische koning uit Auvergne die aan het hoofd stond van de Gallische Opstand tegen de Romeinen in 53 – 52 v.Chr. , een historische figuur. Nadat hij lange tijd in vergetelheid was geraakt vond de ‘herontdekking’ van Vercingetorix plaats onder het bewind van Napoleon III. De keizer schijnt enige historische belangstelling te hebben gehad. De historische figuur van Vercingetorix bleek een uitstekend middel om de nederlaag van Frankrijk tegen Pruisen van 1871 te verwerken. Hij werd een held. Maar of Asterix en Obelix waarheidsgetrouw is? Hoe waarheidsgetrouw is de presentatie van het Marconi schandaal in the TV-serie Downton Abbey? Ik vind dat nogal irritant, die films of tv-series die suggereren een waarheidsgetrouw beeld van de ‘echte’ geschiedenis te schetsen. Ik moet me dan altijd bij de lurven pakken en denken dit beeld is een onderdeel van de geschiedenis. Je zit er midden in!

Historici als De Dijn kunnen op grond van uitvoerig bronnenonderzoek, als een soort van detective, de ‘waarheid’ zien te achterhalen. Maar de vraag of er geen ander materiaal is dat anders aantoont zal wel tot in de eeuwigheid blijven bestaan. En historici zullen elkaar met de feiten om de oren slaan. Ik ben geen historicus.

Ik sta er helemaal blanco in, in deze geschiedschrijving over de vrijheid. Ik heb dan ook niets inhoudelijks toe te voegen aan, of op te merken over de interpretaties die de schrijfster van de politieke ideeën en schermutselingen tussen revolutionairen, anti-revolutionairen, Jakobiners en monarchisten te berde brengt. Ik neem alles zoals ze het beschrijft en ik raak erdoor geboeid. Alles is immers mogelijk en alles is wel eens gebeurd of gezegd als het over de vrijheid gaat.

Ik snap wel dat wanneer het volk zijn eigen regering kiest er van de weeromstuit eens een overheid aan de macht komt die blijkt in de ogen van het volk zich tegen de wil van het volk te keren. Ik snap ook dat er een elite kan zijn die vindt dat het klootjesvolk, de plebejers, niet te veel macht moeten hebben omdat ze immers dom zijn. De verlichte idee van Descartes dat het verstand het best verdeelde goed ter wereld is, wordt niet door iedereen altijd gedeeld. Bovendien, je moet je verstand natuurlijk wel goed gebruiken.

Ik snap dat wie de vrijheid als bezit ziet, op den duur door de vrijheid bezeten kan worden, zodat de vrijheid in haar tegendeel verkeert. Het is de dialectiek van de meester en de knecht, van het volk en de staat die de sociale en politieke werkelijkheid van de vrijheid uitmaakt.

Bij de vraag of het waar is wat AD beweert moest ik denken aan een opmerking die Ludwig Wittgenstein maakte over het boek Geschlecht und Charakter: Eine prinzipielle Untersuchung van Otto Weininger.

Even iets over deze jongeling voor wie hem nog niet kent.

Otto Weininger werd in Wenen in 1880 geboren en hij stierf in 1903, ook in Wenen. Maar voor dat hij op 23-jarige leeftijd (!) een eind aan zijn leven maakte, zelfmoord was overigens in de mode in het Wenen van de beginjaren van de nieuwe eeuw (een ultieme vorm van bevrijding), publiceerde hij het boek Geschlecht und Charakter: Eine prinzipielle Untersuchung.

Het boek bevat behalve zijn proefschrift dat hij op 21 jarige leeftijd schreef drie delen: Over de vrouw en het universum, Over het jodendom en Over de vrouw en de mensheid. Otto’s vader was een joodse goudsmit, maar Otto werd na zijn promotie aan de Universiteit van Wenen aanhanger van het protestantisme. Hij was zeer intelligent en hij beschouwde zichzelf vermoedelijk als een genie.

Over dit boek schreef Wittgenstein in een brief aan zijn Cambridge studiegenoot, Moore:

“Ik kan me best voorstellen dat je weinig bewondering hebt voor Weininger: de vertaling is slecht en je moet wel het gevoel hebben dat Weininger een vreemdeling voor je is ….. Het is waar dat hij fantasie heeft, maar een grootse fantasie. Je hoeft het niet met hem eens te zijn, of beter, je kunt het niet met hem eens zijn, maar het grootse ligt in datgene waar we het mee oneens zijn. Het is zijn enorme vergissing die groots is. Ik bedoel, globaal gezegd, als je een ~ voor het hele boek zet, drukt het een belangrijke waarheid uit. (citaat uit: Monk, The Duty of Genius, p.312, 313)”

Wittgenstein zegt hierin dat de inhoud geniaal is, maar niettemin onwaar. Als je een niet-teken voor de tekst van het hele boek zet dan drukt het een belangrijke waarheid uit. In de brief gebruikt Wittgenstein het ~ teken dat gebruikelijk is voor de negatie in de propositielogica die hij in de Tractatus ontwikkelt. Neem bijvoorbeeld de mening die Weininger over de vrouw heeft. Weininger beschouwt de vrouw als de bron van alle kwaad. Daarvan zegt Wittgenstein: “How wrong he was. My God how wrong.”

Ik zeg dit vanwege de moderniteit die tot uitdrukking komt in de wijze waarop Wittgenstein over de inhoud en de waarheid van Weininger’s boek oordeelt. De moderniteit waarin de strikte scheiding wordt gemaakt tussen de inhoud van de zinnen, wat er beweerd wordt, en de waarheidswaarde ervan. De inhoud van een boek kan groots zijn ook al ben je het er helemaal niet mee eens. Zelfs zo dat als je de inhoud ervan negeert (er ‘niet’ voor denkt) het waar wordt. De inhoud is hetzelfde. Een zin kan immers van zichzelf niet zeggen of deze waar is.

Let wel, bij De Dijn’s Vrijheid heb ik dit niet. Waarom toch de gedachte aan deze passage van LW? Vanwege de wijze van betrokkenheid die de lezer bij de inhoud van het verhaal kan hebben. En dan bedoel ik niet alleen bij de waarheid, maar bij de geschiedenis waarover verhaald wordt, de geschiedenis van de vrijheid.

Die betrokkenheid van De Dijn bij de inhoud is een heel andere dan die van de schrijfster van Het Hooge Nest bijvoorbeeld, of van de schrijver van Is dit een Mens? (Primo Levi). Het is de betrokkenheid van een student die uren, dagen en nachten doorbrengt in de universiteitsbibliotheken van Berkeley, Berlijn, London en Parijs op zoek naar historische documentatie die relevant is voor het verhaal dat ze vertellen wil, voor haar project. Er spreekt een professionele distantie uit.

Maar moet die gaan zonder directe betrokkenheid? Misschien is het modern, deze opvatting over geschiedschrijving als professie en dat professionaliteit distantie vereist. Zoals de triagist bij code zwart niet als internist direct betrokken mag zijn bij de covid patiënt waarover ze moet beslissen. De emotionele betrokkenheid staat immers een eerlijke besluitvorming in de weg. Die laten we liever over aan de subjectloze procedures. Professionaliteit is werken volgens procedures, met distantie.

Napoleon, intocht in Jena, 1806

Wanneer je Marx’ geschiedenis van de arbeid en het kapitalisme leest of Hegel’s fenomenologie van de objectieve geest dan voel je de betrokkenheid bij de historische situatie waarin deze verkeerden en hun werk schreven. Je ziet hoe Hegel, die net zijn Phänomenologie des Geistes had afgerond, met instemming de intocht van zijn held Napoleon in Jena (1806), de ‘wereldziel’, aanschouwt. “Het is inderdaad een wonderlijke ervaring om zo’n individu te zien, dat hier op een punt geconcentreerd zittend op een paard, de hele wereld omvat en beheerst.” schrijft Hegel.

Je ziet hoe Marx de ellende die de industriële revolutie in Engeland (door Hegel zo bewonderd!) de arbeiders heeft gebracht en hoe die hem dwingt zijn historische project af te maken. Bij De Dijn ‘s Vrijheid heb ik die emotionele drive, gevoed door de huidige staat van de sociale en politieke vrijheid in haar eigentijdse wereld niet gevonden.

(Naschrift: In een interview met Trouw komt die persoonlijke betrokkenheid van de schrijfster veel meer tot zijn recht.)

Wat hebben we geleerd van de geschiedenis?

Is er vooruitgang in de geschiedenis van de vrijheid? Is er een ontwikkeling van het vrijheidsbegrip? Leren we iets van het verleden? Wat leert De Dijn’s Vrijheid ons? Wat heeft de burger, de PvdA, de VVD, de PVV aan haar analyses? Het zijn vragen die niet aan de orde komen in dit boek.

Het vooruitgangsidee is een moderne idee. Hier heerst de Hegeliaanse idee van de wereldgeschiedenis als “der Fortschritt im Bewustsein der Freiheit“. Wellicht heeft dit te maken met de waarde die de moderne mens hecht aan de technologie en de wetenschap. Wat heerst is een drang om nieuws om vernieuwing. Wetenschap, techniek en economie zijn nauw met elkaar verweven.

Wat werkelijk nieuw is, is dat we de tijd hebben omgedraaid. Het beeld dat onze moderne samenleving aan de monitor ligt is versterkt door de pandemie. Het nieuwe normaal is dat we onze geschiedenis vooruit plannen. We meten van alles, stikstof, zuurstof, virussen, contacten, klimaatveranderingen, weidevogels, en zetten piketpaaltjes in de toekomst waar we onze plannen op in richten. Alles voor de bestendigheid van het leven. Niet ons leven, net alleen het leven van de huidige generatie maar van het leven tout court. Zo schrijven we de geschiedenis van de vrijheid nog voordat we hem beleven.

Is ‘vrijheid’ een constante?

De historicus David Wootton wijst er in zijn “The Invention of Science. A new history of the scientific revolution” op dat kennis niet altijd is geweest wat het nu is. Voor 1700 waren er volgens hem geen feiten. Dat wil zeggen er waren wel feiten, maar deze werden niet als feiten gezien. In die zin was er dus ook geen informatie. Het is lastig om ons in te denken in andere tijden, en in het denken van mensen uit andere tijden. We kunnen hen niet onze maat, onze kijk op de werkelijkheid, opleggen.

De Dijn is een historicus, geen antropoloog. Volgens Weber is rationaliteit de sleutel voor het begrip van wat er in een samenleving gebeurt. Maar wat is rationeel in andere tijden, in andere culturen? De antropoloog E. Evans-Pritchard rapporteert in Witchcraft, Oracles and Magic among the Azande (1937) over rationaliteit in de cultuur van de Azande van binnenuit. Hoe ze denken en wat ze doen hoe ze gebeurtenissen en eigen handelen verklaren door middel van heksen, orakels en wonderen is voor hen rationeel. Voor de buitenstaander is hun wereld volstrekt irrationeel.

Kunnen we het label ‘vrijheid’ wel plakken op zulke verschillende samenlevingen als die welke De Dijn in haar boek noemt? Is vrijheid hetzelfde in een samenlevingsvorm van 30 mannen, vrouwen en kinderen, in een Griekse stadstaat waarin er een aangeboren onderscheid is tussen slaven en vrijgestelden? Doet de verandering van het vrijheidsbegrip zoals De Dijn die illustreert wel recht aan de veranderlijkheid van de idee vrijheid door de verschillende samenlevingsvormen heen? Is er geen tijd geweest waarin vrijheid helemaal niet bestond, zoals er geen feiten en geen informatie bestond? Wij proberen vooral vrij te worden van onze tradities, van onze aangeboren eindigheid, van onze genen, van onze geslachtelijkheid. Wij bepalen zelf wel hoe wij willen leven en wie we zijn voor anderen.

Onze vrijheid in het rijke Westen staat niet los van de (on)vrijheid van de mannen, vrouwen en kinderen in de sloppenwijken van India en China die er voor zorgen dat wij voor een paar luizige centen ieder jaar een nieuw mobieltje kunnen aanschaffen. Dat we elk jaar (maand?, week?) nieuwe kleren kunnen kopen voor een paar euro bij de Primark.

Onze economie wordt niet meer gedreven door de arbeid zoals in Marx’ tijd. Wij leven in een samenleving waarin kennis en technologie de belangrijkste motor van de economie zijn geworden. De arbeid is uit onze samenleving weggewerkt door automatisering en export. De strijd voor de vrijheid zal een rechtstreeks gevolg zijn van deze nieuwe feiten. De strijd tussen het rijke Westen en de Anderen.

De Amsterdamse filosoof en antropoloog Jan Hollak heeft in verschillende artikelen geschreven over de betekenis van de moderne technologie voor de moderne opvatting van de vrijheid als zelfstandigheid (autonomie). Men leze bijvoorbeeld zijn Hegel, Marx en de Cybernetica of zijn magistrale rede Van Causa sui tot Automatie, werken die hij schreef in de woelige jaren 60 waarin nieuwe generaties studenten universiteitsgebouwen bezettend vochten voor hun vrijheid. In een tijd waarin KU Nijmegen, waar Hollak in 68 zijn inaugurele rede hield, nog een Marxistisch-Leninistisch rood bolwerk was. Een heel andere geschiedenis van de vrijheid. Hoe verhoudt De Dijns geschiedenis van de Vrijheid zich tot deze geschiedenis van het wetenschappelijk denken en technologie in dienst van de naar autonomie strevende moderne mens?

Tot slot, nogmaals de vraag die ik aan het begin stelde:

Moeten wij blij zijn dat Annelien de Dijn in vrijheid besloot een aantal jaren van haar jeugdige leven te besteden aan de geschiedenis van De Vrijheid ?

Ja zeker! Zei ik. En ik wil daar geen woord aan af doen. Maar…

Ik hoop en verwacht dat haar nieuwe boek over de geschiedenis van nu gaat; dat haar nieuwe boek over een thema gaat waarbij ze echt op een persoonlijke manier betrokken is, als individu van deze tijd anders dan alleen als professionele historica die het verleden van een afstand bestudeert en optekent, zonder dit inhoudelijk te betrekken op de sociale en politieke staat van haar eigen samenleving van nu.

Ze heeft er in ieder geval het schrijftalent voor. Ik wens haar veel succes.

Good goan!

PS: Over mijn persoonlijke geschiedenis schreef ik eerder in mijn blog Over geschiedenis en in heel veel andere blogs.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply