De muizenval en de kenniseconomie

Stel dat de waarheid een muis is. En waarom niet? Dan heb ik die toch maar mooi gevangen. Helaas is hij dood. (vrij naar F. Nietzsche)

Muizen hebben het gemunt op onze boontjes en peultjes. Ik zet een muizenval.

Een muizenval is een slim instrument: een originele door het verstand uitgedachte combinatie van natuurkrachten. Het is niet alleen de druk die de muis op het wippertje uitoefent waardoor het ijzeren staafje los raakt uit het metalen boogje. Het is ook de veerkracht in het verbogen metaaltje dat vervolgens ervoor zorgt dat de metalen klep omklapt en de muis klem zet. Meestal met de dood tot gevolg.

De muizenval; een slimme combinatie van natuurkrachten

Maar er speelt hier nog een andere kracht een belangrijke rol. Zonder de aantrekkingskracht van de pindakaas op de muis zou de muizenval niet werken. Het is deze slimme combinatie van fysische en biologische natuurkrachten die de muizenval tot een succesvol instrument maakt. Je kunt deze geobjectiveerde slimheid, deze intelligentie, voor een paar euro kopen in de dierenwinkel, waar men ook vogel- en visvoer verkoopt. Deze intelligentie is onderdeel van onze economie.

Zoals bij iedere techniek maakt de muizenval gebruik van een aantal in onze natuur ingebouwde automatismen. Automatismen zijn werkingen die vanzelf gaan. We hebben er geen controle over. Ze zijn er in vele soorten. De reflexmatige spierwerkingen, zoals de kniereflex, de ongecontroleerde reflexmatige reacties als er gevaar dreigt, en talloze fysiologische levensprocessen, zoals het kloppen van het hart en de ademhaling. Ook de emotionele reacties, zoals het blozen bij het gevoel van schaamte gaan buiten onze directe wil om. Al deze bewegingen, volgens natuurwetten in de brede zin, zijn automatisch. Wat ook automatisch gaat, dat wil zeggen buiten de directe wil om, is het voor echt en waar houden van dingen die we ‘waarnemen’ en die we lezen of horen. Niemand zegt: als ik zeg dat het regent dan regent het ook. Men zegt: het regent. Of: “Ik heb een muis gevangen” en u gelooft dat onmiddellijk. Dat kan fatale gevolgen hebben, zoals de muis heeft ervaren (of juist niet). De taal zegt dingen die niet waar zijn.

De scholastici onderscheiden, in navolging van Aristoteles en de Arabische filosofen, de vis cogitativa, het vermogen tot objectivering op basis van de verschillende zintuiglijke indrukken, van de vis estimativa, de schattingszin, het vermogen de directe waarde in te schatten. Deze laatste komt ook bij dieren voor, maar het vermogen tot objectiveren niet. Het dier is niet in staat het objectieve gegeven te onderscheiden van het vitale belang. De muis wordt bezeten door het vitale belang van de pindakaas.

De rationele mens onderscheidt zich van het dier waar deze instrumenten kan maken die niet direct gebonden zijn aan het onmiddellijke gebruik voor zijn directe bevrediging. De mens maakt machines om andere machines of instrumenten te maken zoals muizenvallen, of elektronische chips-machines voor algemeen gebruik. Alleen de mens overstijgt zo, in zekere zin, het niveau van de natuurlijke automatismen. Het technische ding ontleent zijn zelfstandigheid en identiteit aan het door de mens bedachte ontwerp. Dat ontwerp is een doelmatig samenspel van krachten, een verstandige ordening van regels en wetten. Die identiteit komt tot uitdrukking in het geven van een soortnaam aan het technische instrument. Deze naam drukt meestal op een of andere manier uit waarvoor het ding gebruikt wordt: ‘muizenval’, ‘televisie’. De naam refereert naar het gebruik, de functie van het instrument. De lexicale structuur van de woorden representeren een relatie tussen de onderdelen ervan: soep-lepel, soep-jurk.

De rationele mens onderscheidt zich ook van het dier waar het zelf nieuwe betekenissen creëert, een eigen taal ontwikkelt. Dat is parallel aan de ontwikkeling van nieuwe instrumenten in de praxis van een samenleving. De woorden en de instrumenten functioneren als communicatiemiddelen, ze verwijzen direct of indirect naar de gedeelde ervaringen van de deelnemers aan een samenleving.

De rationele mens onderscheidt zich van het dier doordat het in staat is de natuurlijke behoeften van de mens te manipuleren. De muis wordt weliswaar aangetrokken door de geur van pindakaas, maar deze maakt zelf geen pindakaas. De mens wel. Daarbij maakt de mens ook de behoefte aan pindakaas. De mens maakt zijn producten aantrekkelijk. Niet alleen voor hemzelf maar ook voor anderen. De reclameindustrie ontwikkelt en gebruikt kennis van de menselijke natuur om nieuwe behoeften te maken op basis van bestaande automatismen.

Productie en consumptie zijn de interacterende processen van de consumptiemaatschappij: de producent creëert de consumptie, de consumptie creëert de productie.

Onze kenniseconomie werkt op basis van automatisering, een autonoom proces dat zichzelf in stand houdt door de mens en natuur steeds meer in zich op te nemen. De melkrobot vraagt om het fokken van een robotkoe, waarvan de spenen passen in de melkbekers van de robot, zoals de oplader in de smartphone. De wetenschappelijke farmacie vraagt om speciaal gekweekte laboratoriummuizen ten behoeve van een statistisch verantwoord onderzoek naar de werking van medicijnen. De samenleving wordt onderwerp van FieldLabs in de wetenschappelijke strijd tegen het virus.

Voor wat betreft de historische ontwikkeling van de techniek is de programmeerbare computer het typische kenmerk van onze op kennis en techniek gebaseerde economie. Het is een taalmachine. Je spreekt het ding aan en het zegt iets terug. De woorden functioneren als sleutels.

De economische macht is in handen van die bedrijven die niet alleen muizenvallen maken maar ook nieuwe behoeftes creëren en in staat zijn de individuele burger te zeggen hoe ze zich zelf kunnen worden, aan welk beeld van zichzelf ze willen of moeten voldoen. Deze bedrijven meten de gedragingen van het individu en leiden daaruit af hoe ze producten kunnen maken die matchen met een door hen zelf van de burger gemaakt profiel.

De naar individuele zelfstandigheid strevende ‘muizenmensen’ menen in het door de marktwerking voor hen gecreëerde beeld zichzelf te vinden. De economie en de bijbehorende participatiewet, volgens welke iedereen mee doet of hij wil of niet, werken als een muizenval voor de door het systeem gecreëerde behoeftige burger.

Pas door inzicht in het virtuele karakter van deze door middel van mediatechniek in stand gehouden werkelijkheid kan de mens zich werkelijk bevrijden uit deze uitbuiting van de natuur. De mens is immers niet puur rationeel denkende geest, maar ook als lichamelijk onderdeel van de natuur.

De wereld is in een situatie terecht gekomen waarin we het gezonde en het economische steeds vaker tegen over elkaar komt te staan. Niet alleen door de corona-pandemie, maar ook door de milieuproblematiek en de problematiek van de integratie van verschillende culturen en religies. Deze tegenoverstelling is een direct gevolg van de mathematische technologische denkwijze van de kenniseconomie.

Het denken in opposities is kenmerkend voor onze samenleving waarin alles draait om informatie en communicatie. Communicatie wordt gezien als iets dat tot stand komt tussen twee in beginsel van elkaar gescheiden zelfstandige individuen of processen. Of tussen een subject en een object. Het is een hopeloos beeld van een hopeloze onderneming.

The fundamental belief of metaphysicians is the belief in oppositions of values. It has not occurred to even the most cautious of them to start doubting right here at the threshold, where it is actually needed the most – even though they had vowed to themselves “de omnibus dubitandum.” (everything is to be doubted) ‘ schrijft Nietzsche in Beyond Good and Evil.

Over de abstracte waarheidswaarden van Frege’s mathematische logica (“een propositie zegt niet of deze waar of onwaar is”, Begriffschrift) merkt Nietzsche op:

We do not consider the falsity of a judgment as itself an objection to a judgment; this is perhaps where our new language will sound most foreign.”

Met andere woorden: het waar of onwaar zijn van een oordeelszin staat als iets anders tegenover de inhoud van het oordeel dat in de zin wordt uitgedrukt. De taal staat tegenover de mensen die zich erin uitdrukken en deze als middel gebruiken om te communiceren.

En hij wijst op de ethische onverschilligheid van deze opvatting over de taal en waarheid.

To acknowledge untruth as a condition of life: this clearly means resisting the usual value feelings in a dangerous manner; and a philosophy that risks such a thing would by that gesture alone place itself beyond good and evil.” (p.7).

Als het waar is wat Nietzsche suggereerde dat het grootste vooroordeel van de westerse filosofie het geloof is in de opposities van waarden dan is volgens Gunkel en Hawhee (2003) de communicatie de apocalyps van dit geloof en de belangrijkste vorm van ketterij.

It is in the name of communication, therefore, that the binary oppositions by which Western thought had defined what is called the real have become thoroughly polluted, contaminated, and untenable.” (Gunkel and Hawhee, p.191)

Communicatie is niet iets dat op een uitwendige wijze tot stand wordt gebracht. Het is altijd al aanwezig en voorondersteld. We moeten opnieuw nadenken over de bijzondere relaties van eenheid en veelheid zoals die concreet tussen het individu en de samenleving bestaat. Dit nadenken zal de oppositie van de rationele mens tegenover de natuur die aan het technische denken ten grondslag ligt moeten overstijgen.

We moeten oppassen niet in onze eigen muizenval te trappen. De natuur kent geen genade.

Bronnen

David Gunkel and Debra Hawhee (2003). Virtual Alterity and the Reformatting of Ethics, Journal of Mass Media Ethics, 18(3&4), 174–194.

Friedrich Nietzsche (2002). Beyond Good and Evil, prelude to a philosophy of the future. Rolf-Peter Horstmann en Judith Norman (eds), Cambridge University Press, 2003.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply