Over aanhalingstekens in onze taal

De grammatica-les (vanwege Corona is de Nederlandse taalles aan mijn Syrische ‘taalmaatje’ online) ging over de constructie ‘zijn + aan het + infinitief’, zoals in het antwoord op de vraag “Wat doe je daar?”: “Ik ben televisie aan het kijken”.

“Docent, ik heb een vraag. Wat zijn die tekens ?” (Mohammed maakt met twee vingers naast zijn oren het bekende aanhalingsteken-gebaar.)

“Dat zijn aanhalingstekens”, antwoord ik. Waarop de vraag volgt wat dat dan betekent en wanneer je die gebruikt. En wat het verschil is met “.

Ik vraag hem: Amsterdam, die mooie stad met hoeveel letters schrijf je dat?

“Negen”, antwoordt hij, nadat hij hardop de letters heeft geteld. Fout !, zeg ik (ik draai er niet om heen als mijn student iets fout doet). Hij kijkt verbaasd op.

“Ik zal het even opschrijven”, zeg ik. En ik tik in de chat box:

Amsterdam die mooie stad, met hoeveel letters schrijft je ‘dat’ ?

“Let op de aanhalingstekens!” roep ik, terwijl ik op de zend-knop druk.

Na enige verbaasde blikken op het scherm geworpen te hebben, turend naar de tekst die ik heb ingetikt, zegt ie: “Ha, drie!”.

Precies! Heel goed!

Je plaatst die aanhalingstekens om een woord heen wanneer je in een zin niet het woord gebruikt, maar wanneer je het woord zelf aan wil wijzen. Probeer ik.

Okay, zegt hij. “En wanneer gebruik je die andere uuh …” Oh, je bedoelt die dubbele aanhalingstekens? “Ja die.” “Hoe heet dat?” “Dat noem je dubbele aanhalingstekens”, zeg ik, en ik tik het even in de chatbox.

En wanneer gebruik je die dan? Wanneer je schrijft wat door iemand gezegd of geschreven is. Bijvoorbeeld: Gisteren zei je: “ik doe het morgen.” Dat is iets anders dan: Gisteren zei je dat je het morgen zal doen. (Dit voorbeeld heb ik van de wiskundige, logicus en filosoof Gottlob Frege, die over de betekenis van taal en de indirecte rede heeft nagedacht. Met zijn Begriffschrift is hij de grondlegger van wat later de mathematische logica zou worden. De bewering: “Gisteren is morgen vandaag.” drukt geen historisch feit uit, dan zou ik moeten zeggen ‘gisteren was…’. Ze drukt een logische relatie uit tussen de begripsinhouden.)

Zo modderen we nog een tijdje door over het gebruik van aanhalingstekens. En dan is de tijd alweer om. Genoeg stof om over na te denken.

Wat bedoelen mensen wanneer ze iets een “taal” noemen?

Er is nog een ander gebruik van de aanhalingstekens. Namelijk wanneer je wilt aangeven dat je een woord niet letterlijk moet nemen.

Op Twitter schreef iemand

In mijn begrip van mijn vak natuurkunde is wiskunde gewoon een zeer bruikbaar en handig stuk gereedschap om de fysische werkelijkheid mee te kunnen beschrijven. Wiskunde is dus een “taal”, die we in de natuurkunde graag gebruiken.

Met de aanhalingstekens rond het woordje ‘taal’ bedoelt de schrijver dat je dit woord niet letterlijk moet nemen. (Achter dat ‘letterlijk’ schuilt overigens op zich al weer een niet-triviale opvatting over betekenis.)

Ooit gaf ik wiskunde-les en dan vroeg ik wel eens aan de student wat wiskunde voor wetenschap is, waar wiskunde over gaat. Diverse keren kreeg ik dan als antwoord dat wiskunde een taal is. De natuurkundige in het Twitter-bericht plaatst er aanhalingstekens om. Ik vat dat “taal” zo op: dat het niet echt een taal is maar ‘een soort van’ taal ( ik haal hier de ‘soort van’ operator van de filosoof D.C. Dennett aan, die maakt hier veelvuldig gebruik van wanneer hij het over de eigenschappen van machines heeft. Die zijn soort van intelligent). Hoe moeten we dat “taal” begrijpen? Bovendien ziet de natuurkundige deze ‘taal’ als een middel dat we “in de natuurkunde graag gebruiken”. Het heeft iets van: we hadden ook andere middelen kunnen gebruiken, maar dit leek ons wel handig. Ik kom daar later nog op terug.

Is wiskunde een taal?

Dat wiskunde een taal is, daar zit wel wat waars in. Deze opvatting dringt zich kennelijk aan ons op. Wiskunde gaat weliswaar over wiskundige objecten, zoals getallen, verzamelingen, in het algemeen: over structuren, maar deze bestaan slechts in ons denken en om het daar over te hebben, bijvoorbeeld in een stelling, in een bewijs, of in een berekening moeten we deze objecten toch aanduiden met tekens. Je kunt het getal 235 niet anders aanwijzen, zoals ik deze tafel aan kan wijzen. We voeren tekens in zoals voor het getal “235”, de driehoek ABC of (3+6)/2. Zonder de tekens, waarmee we de wiskundige objecten aanduiden, bestaan ze niet als voor ons onderscheiden dingen. Door middel van tekens moeten we de objecten identificeren (die tekens zijn namen; het zijn ‘rigid designators’ in de zin van Saul Kripke) Wiskundige objecten zijn weliswaar dingen, maar slechts gedachte dingen. Dingen die buiten het bedacht zijn niet bestaan. In onze ervaringswereld onderkennen we weliswaar eenheden, tweetallen, de vier benen van een paard, maar getallen komen we in deze wereld niet tegen. En dat geldt ook voor de ideële objecten van de meetkunde: punten, lijnen, driehoeken, etc.

Omdat de wiskundige objecten zo gebonden zijn aan ons denken (het zijn creaties van ons denken) ligt het voor de hand ze met de tekens die we gebruiken bij het denken, bewijzen en rekenen, te vereenzelvigen. De balletjes van de abacus, de formules, het zijn tekens die we manipuleren als we rekenen.

We kunnen de werkelijkheid ordenen, waardoor ze een wiskundige structuur heeft. Dat wijst op een zekere potentie, geschiktheid, van de werkelijkheid: deze is telbaar, deelbaar in delen, we kunnen dingen groeperen, classificeren, etc. Door deze onderdelen vast te houden door ze te benoemen kunnen ze komen te staan voor ideële wiskundige objecten. Een verzameling of rijtje balletjes, of een rijtje cijfers op papier, staat voor een bepaald getal. Van de structurele correspondentie tussen de fysische werkelijkheid en de mathematische objecten maken we technisch gebruik. Door de natuur op een bepaalde manier in te richten kunnen we deze voor ons laten werken. Vanwege het feit dat het werktuig of het teken een representatie is voor ons van een wiskundige constructie kunnen we er mee rekenen. Daarmee heeft het werktuig een zelfstandige eigen werking (het ontwerp ervan), zoals de getekende driehoek een driehoek is omdat wij dat zo zien.

In de rekenmachines, werken de wiskundige tekens voor ons. Zonder de ‘taal-revolutie’ in de wiskunde en de filosofie, die zich eind 19de, begin 20ste eeuw voltrok (Frege, Russell, Hilbert, Wittgenstein) als reactie op de grondslagencrisis; zonder de meta-mathematica en de mathematische logica, waarin het wiskundig denken zelf onderwerp van wiskunde werd (via de formalisering van de taal van de wiskunde en de logica), hadden we nu geen programmeerbare automaten.

Natuurlijk is wiskunde geen taal. Hooguit construeert de wiskunde een taal om over haar zaken te kunnen redeneren. Een echte taal is iets waarin mensen met elkaar communiceren en zich voor elkaar verstaanbaar maken. De wiskunde taal kan hooguit gebruikt worden om met machines te communiceren. Het is een machine-taal waarin de tekens en expressies een eenduidige betekenis hebben, zodat je kunt rekenen op de werking van de machine wanneer je die een opdracht geeft. In die zin is deze taal een werktuig.

Een mens is geen machine en daarom is de wiskunde taal geen taal. Hooguit een “taal”. De aanhalingstekens wijzen op een belangrijke eigenschap van onze taal, namelijk dat de woorden en uitdrukkingen erin, niet eenzinnig zijn, zoals in de wiskunde, maar veelzinnig. Die veelzinnigheid is geen gebrek van de taal, meer een wezenlijk kenmerk van haar open karakter dat de openheid van de menselijke geest reflecteert.

Dat de mens geen machine is, dat heeft niet zozeer te maken met het feit dat de mens niet zo goed kan rekenen als een machine, maar eerder nog omdat hij een lichamelijk wezen is dat zich lichamelijk in een wereld, waarover hij kan denken en praten, gesitueerd weet. Machines hebben dat niet. Dat zijn geen lichamelijke wezens zoals wij mensen en andere levende wezens. Probeer met een machine maar eens een gesprek te voeren waarin je gebruik maakt van zoiets als “Gisteren zei je dat je het “morgen” zou doen?” Gisteren? Hoe laat is het? Waar ben ik? zal die machine ‘zich’ afvragen.

De natuurkundige van het Twitterbericht merkt op dat wiskunde gewoon een zeer bruikbaar en handig stuk gereedschap is om de fysische werkelijkheid mee te kunnen beschrijven. De vraag is waarom dit zo is.

De hermeneutiek van de blote kleding

Alle nieuwsmedia meldden onlangs het bericht dat een protestants-christelijke middelbare school in Amersfoort een mail had gestuurd naar ouders met een oproep: zorg dat kinderen ‘gepaste kleding’ dragen naar school. “Dit houdt in: géén blote buiken en alleen broeken of rokjes met een lengte waarbij er geen ongepaste opmerkingen over gemaakt kunnen worden”, schreef de school.

Een croptop (modern Nederlands voor naveltruitje)

Waarom zijn scholen zo allergisch voor naveltruitjes en spaghettibandjes? (rtl nieuws). De directeur is er helder over:

“Als een jong meisje met een diep decolleté in de klas zit, dan kunnen docenten daar last van hebben. Als die er iets van willen zeggen, dan kan zo’n meisje weer reageren met: ‘hij zit naar m’n tieten te staren.'”

Eén van de moeders vertelde in De Amersfoortsche Courant hoe ongelukkig ze was met de maatregel van de school. “De omgekeerde wereld”, zei ze, omdat hiermee het probleem van degenen die vervelende opmerkingen maken, bij de meisjes wordt gelegd.

Het is een elk jaar terugkerend onderwerp: of de school kledingvoorschriften kan opleggen aan leerlingen omdat hun kleedgedrag (seksueel) aanstootgevend zou zijn. Elk jaar met dezelfde voor- en tegenargumenten. Hoe komen we uit deze impasse?

Een middelbare school in Zwolle waarschuwde leerlingen dat naveltruitjes verboden zijn: wie tóch met een blote buik naar de les komt, krijgt een t-shirt van school te leen.

Willy van Berlo, de programmamanager seksueel geweld van Rutgers het kenniscentrum voor seksualiteit, roept scholen op om te stoppen met blote kleding ‘uitdagend’ te noemen. “Daarmee geef je er een seksuele betekenis aan, waar meisjes dan verantwoordelijk voor zijn. Dat klopt niet”. zegt hij. “Je kunt dat als school niet zo stellen. Dan maak je de meiden verantwoordelijk voor het seksuele gedrag wat bepaalde kleding eventueel zou kunnen uitlokken bij jongens of mannen.” Van Berlo vindt dat de school een grens overschrijdt. “Niemand heeft het recht om een vrouw of meisje iets aan te doen, hoe je er ook bij loopt.” (bron: Marije van Beek in: Trouw 19-06-2021)

Belle Barbé, pedagoog, gespecialiseerd in seksuele opvoeding wijst ook op het sekse discriminerende karakter van dergelijke maatregelen.

Barbé: “Vooral meisjes worden aangesproken op hun kleding. Dat is niet eerlijk. Als je bang bent dat korte kleding tot ongewenst gedrag leidt, dan moet je dat gedrag bestrijden, niet de kleding. Met zo’n verbod leg je de verantwoordelijkheid bij de meisjes, niet bij degenen die zich verkeerd gedragen.”

Met het gedrag dat volgens Barbé bestreden moet worden doelt ze op het gedrag (‘het gedoe’) van de mannen (docenten) en niet op het gedrag, de kledingkeuze van de meiden. En dat is bedenkelijk.

Het is een goeie zaak dat de school het onderwerp van de hermeneutiek van het kleedgedrag onder leerlingen en docenten aan de orde stelt. Maar dan moeten we wel dezelfde loopgravenoorlog vermijden die we tot nu toe elk jaar weer zien ontstaan. De opvatting van de pedagoog en de programmamanager van kenniscentrum Rutgers brengen de discussie geen stap verder.

De kwestie roept de algemene vraag op in hoeverre we in ons gedrag rekening moeten houden met de betekenis die dit gedrag voor anderen in onze omgeving kan hebben. Het gaat erom dat we ons bewust worden van het feit dat ons gedrag altijd betekenis heeft voor anderen. In onze kledingkeuze, en hetzelfde geldt voor de woordkeuze, uiten we bewust en meestal onbewust deel te zijn van een bepaalde cultuur, een bepaalde normaliteit. Met ‘doe normaal’ geven we uiting dat we ons en anderen willen houden aan deze onbesproken gedragscode.

Zodra wij anderen ontmoeten komen wij er achter dat wat we ‘normaal’ vinden door anderen soms kennelijk aanstootgevend gevonden wordt. We komen er achter dat ons taalgedrag en andere vormen van uitingen, zoals in de kleding, niet voor iedereen en in alle omstandigheden hetzelfde betekent. Wat de zaak extra compliceert is dat ons gedrag vaak dubbelzinnig is en dat we zelf niet helder hebben wat we precies willen zeggen of hoe we ons willen uiten. We spreken als het ware een taal waarvan we de betekenis en daarmee de uitwerking op anderen niet altijd goed beheersen.

Wat de blote kleding betreft zijn ‘we’ nogal hypocriet, ‘preuts’ en ‘seksistisch’ tegelijk.

De pedagoog Berbé wijst op de tegenstelling tussen de één (simpel gezegd: de man) die door het gedrag van de ander: (de vrouw) verleidt wordt. De man moet leren hier mee om te gaan. Alsof het gedrag van de vrouw op zich niets betekent. Terwijl het gedrag van de vrouw wel degelijk zwaar beladen is van betekenis. En dat geldt ook wanneer de vrouw daarvan niet wil weten, of ‘het zo niet bedoeld’.

Seks en religie zijn gevoelige onderwerpen waar we de neiging hebben de grenzen van wat toelaatbaar is voor de ander te zoeken. We dagen de ander uit. We proberen deze emotioneel te treffen. We proberen de aandacht op onszelf te richten. Ons gedrag staat soms expliciet in functie van de roep om aandacht. De kledingkeuze van de tv-presentatrice is doordacht, niet spontaan. Maar ook als het niet geregisseerd is, is het cultureel bepaald, ‘normaal’.

Het pleidooi voor een standaard schooltenue, zoals op traditionele kostscholen, lost niets op. Ook het simpelweg verbieden van bepaalde kleding is op zich geen oplossing. De primaire taak van de school en de opvoeder is bewustmaking van de hermeneutiek van ‘normaal’; leren wat ons gedrag betekent en dat wie ‘zich’ gedraagt (in woord en kledingkeuze) dat altijd al doet als uiting van de betekenis die dit voor anderen heeft en dat we dat niet zelf en alleen bepalen, maar altijd in interactie met anderen.

Het verbieden van spaghetti bandjes of korte rokjes is geen oplossing. En dat is niet omdat, zoals een artikel in de NRC stelde, omdat de vrouw ‘er niet om vraagt’. De man zal immers stellen dat de vrouw er wel om vraagt, of dat het wel uitdaagt. Zowel de man als de vrouw, kunnen niet heen om het feit dat de betekenis niet iets is dat ze zelfstandig bepalen.

Alleen door zich van deze situatie bewust te worden kunnen we verder komen. Anders komt dezelfde discussie met dezelfde argumenten bij elk controversieel gedrag weer terug.

Het instrumentaal: wat woorden doen

Alle Philosophie ist Sprachkritik” (Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, 4.0031)

 “De techniek heeft zich nooit mogen verheugen in de bizondere belangstelling der wijsgeren.”. Zo begint het artikel Philosophie der Techniek (Studia Catholica, 1937) waarin Piet de Bruin een aantal denkers over techniek bespreekt: Dessauer, Scheler, Bergson en Stern.

Meer dan tachtig jaar later mag de techniek zich verheugen in een toenemende belangstelling van de wijsgeren. Niet alleen de taal en de spelling zijn veranderd, we spreken van ‘filosofen’, ook heeft de ‘techniek’ een andere lading gekregen. Zowel de toenemende belangstelling voor ‘de techniek’ als de veranderde inhoud van die interesse kunnen niet los gezien worden van de toenemende verwevenheid van techniek en economie in onze samenleving.

En het is precies de relatie en het onderscheid tussen het technische en het economische waar de Bruin in zijn artikel de aandacht van de lezer op richt. Die twee worden volgens hem niet altijd goed uit elkaar gehouden.

De waarde van de techniek zit in haar dienstbaarheid en ligt dus buiten de techniek zelf. Zodra de techniek volledig autonoom wordt houdt het op techniek te zijn. De waarde van de techniek ligt buiten de waarde van de concrete toepassing waarvoor ze gebruikt wordt. Op het moment dat de kunstmatige intelligente technologie als een autonoom systeem tegenover de mens verschijnt ontdekt de mens dat hij zich in deze vorm van zelfstandigheid niet kan herkennen. Dat het slechts uitwendigheid is die, om als uiterlijkheid te worden gezien (wat het pretendeert), de innerlijkheid van het begrijpend en waarderend subject blijft vooronderstellen.

De dienstbaarheid en de economische waarde van de technologie verschijnt in steeds meer moderne huiskamers in de vorm van een in onze eigen taal aanspreekbare en sprekende persoonlijke assistent. Aan wiens behoeftes beantwoorden deze assistenten? Aan de behoeftes van de technologieproducent of aan de behoeftes van de individuele behoeftige burger, de consument? Wie maakt in de gesprekken met de assistent de dienst uit? Wie bepaalt waar er behoefte aan is, wat er gezegd en verstaan wordt? Hoe ervaart en beleeft de gebruiker de autonomie van taal en techniek?

De directe aanleiding voor dit schrijven over taal en techniek was het lezen van het artikel “Alexa, define empowerment”: voice assistants at home, appropriation and technoperformances” door Olya Kudina en Marc Coeckelbergh (Kudina 2021).

Het is een academisch journal artikel over de morele aspecten van (het gebruik van) slimme, met behulp van spraak aan te sturen huishoudelijke agenten (“house-hold based voice assistants (VA)”). Bedrijven als Amazon (Alexa), Apple (HomePod/Siri) en Google (Google Home) hebben hun VA op de markt gebracht. Deze persoonlijke assistent staat in direct contact met een groeiende verzameling van intelligente huishoudelijke apparaten die via de VA aan te sturen en te bevragen zijn. De VA is ook de toegang tot de informatie in de wereld, het nieuws, het weerbericht. Ze kan de alleenwonende oudere behulpzaam zijn als een persoonlijke butler.

Uit het abstract:

“This paper aims to show how the production of meaning is a matter of people interacting with technologies, throughout their appropriation and in co-performances. The researchers rely on the case of household-based voice assistants that endorse speaking as a primary mode of interaction with technologies.
By analyzing the ethical significance of voice assistants as co-producers of moral meaning intervening in the material and socio-cultural space of the home, the paper invites their informed and critical use as a form of (re-)empowerment while acknowledging their productive role in human values.”

Wat opvalt is de opmerking “This paper presents an empirically informed philosophical analysis.”. Waarom met zoveel nadruk zeggen dat een filosofische analyse ’empirically informed’ is? Is niet alle filosofie dat? Begint niet alle filosofie in de empirie, bij de ervaring? De opmerking refereert naar een bepaalde ’empirische’ invulling van de filosofie van de techniek waarin het gaat om de betekenis van concrete technologie voor de mens, voor hoe ze hun eigen rol ervaren en hoe het zin geeft aan hun leven. ‘Meaning making’ en ‘mediating morality’ zijn sleutelbegrippen in deze filosofie van de techniek.

Het werk past in een recente stroming in de filosofie die wel met de term ‘experimentele filosofie’ wordt aangeduid. Het betreft experimenteel onderzoek dat specifiek wordt uitgevoerd ten behoeve van het oplossen van filosofische problemen. Filosofen hebben het over ‘waarheid’, ‘betekenis’, maar wat bedoelen ze daar mee? De Noorse filosoof Arne Naess wilde wel eens weten wat de man in de straat onder waarheid verstaat. Daarmee lijkt hij gehoor te geven aan een oproep van Ludwig Wittgenstein, (die er overigens niet op uit was om school te maken en gevolgd te worden; integendeel.)

Alan M. Turing stelde voor de filosofische kwestie of machines kunnen denken (en intelligent zijn) te vertalen in een taalspel: de Turing game. Wanneer mensen op grond van het ‘intelligente gedrag’ van een anoniem artefact niet kunnen bepalen of het om een machine of om een mens gaat dan moeten we het artefact ‘intelligent’ noemen. Wat ‘intelligent’ is wordt binnen dit spel door de regels vastgelegd.

Technologie is macht. Het bepaalt niet alleen hoe wij bezig zijn, maar ook waar wij mee bezig zijn: het bepaalt ons gedrag en ons denken. Het is van belang te onderzoeken hoe die technologie in de praktijk werkt. Kunnen we uit zulk onderzoek algemene inzichten verwerven die we kunnen gebruiken bij het ontwerp van nieuwe technologie? De empirische techniekfilosoof neemt plaats aan de ontwerptafel om te wijzen op de mogelijk ethische implicaties van de nieuwe technologie. In Nederland heeft met name Peter-Paul Verbeek gewezen op de ‘mediërende’ rol van de techniek in de praktijk en, in navolging van de filosoof Hans Achterhuis (1995) op de (impliciete) moraliteit van het technisch artefact.

Die moraliteit zit hem niet zozeer in het technische, maar in het politieke en economische belang. De waardevrije technologie schept de mogelijkheden voor de ‘waardedynamiek’ door het onuitputtelijk scala van praktische economische toepassingen die ze ten dienste van ‘de menselijkheid’ biedt.

De techniek speelt een bemiddelende rol in het bepalen van de subjectiviteit van de gebruiker. “Techniekethiek dient zich te richten op de kwaliteit van deze bemiddeling.” (Verbeek, Ethiek en Technologie, In: Ethische Perspectieven 16, p.2006).

Je kunt het Wereldwijde Internet der Dingen bevolkt met Persoonlijke Assistenten vergelijken met Jeremy Bentham’s Panopticum, een ingenieus gebouwd mensenpark, dat gebruik maakt van automatische ‘prikkels’. “Zijn apparaat is zo geconstrueerd dat het gewenst gedrag vanzelf wordt bereikt. Het zit als het ware reeds in het technisch ontwerp besloten.” schrijft Achterhuis, leermeester van Verbeek, in een artikel waarin hij ervoor pleit het technisch artefact als moraliserend subject te zien in tegenstelling tot de heersende opvatting dat techniek neutraal zou zijn en dat de moraliteit uitsluitend aan de kant van de mens zou zitten. Achterhuis blijft nog uitgaan van de tegenstelling tussen mens en techniek, van de mens die tegenover de natuur staat. Hij kiest alleen voor een andere morele rolverdeling: de moraliteit ligt aan de kant van de techniek, niet aan de kant van de mens.

Is het alleen “bij wijze van spreken” dat we zeggen dat de weg begaan wil worden, dat het instrument uitnodigt om gebruikt te worden, dat de machine ons voorschrijft hoe deze gebruikt moet worden en dat een machine intelligent is? ‘Projectie’, ‘antropomorfismes’? Of spreken we daarmee een ‘werkelijk’ actorschap, een soort van subject-zijn, van de techniek uit? Zijn het niet twee zijden van een zelfde werkelijkheid die in deze wijze van spreken wordt uitgedrukt? In hoeverre is onze kennis van de werkelijkheid ‘onze kennis’? Het is toch juist kennis omdat en in zoverre het inhoudelijk niet van ons is, maar juist van het andere, het gekende, dat een eigen werkelijkheid heeft. Als we de werkelijkheid verwoorden in onze taal dan is het toch juist de bedoeling dat de werkelijkheid zelf daarin aan het woord is! De bruikbaarheid van de taal wordt bepaald door de mate waarin ze de werkelijkheid verwoord en onze bedoeling ermee tot haar recht laat komen.

De min of meer impliciete morele en moraliserende werking van technologie is onderwerp van populaire hedendaagse techniekfilosofie. Techniek heet zelfs politiek te zijn. Het zal duidelijk zijn dat hier een heel ruime betekenis gegeven wordt aan de term ‘techniek’. Kenmerkend is dat het technische en het economische (de sfeer van de behoeftigheid) in deze ruime betekenis bevat zijn. Het vervagen van het onderscheid tussen het technische en het economisch aspect aan het handelen maakt dat de interactie tussen beide domeinen, die zo kenmerkend is voor de kenniseconomie in het informatietijdperk, niet goed geanalyseerd kan worden.

Daardoor is er te weinig aandacht voor de eigen waarde van de idee van techniek, voor de eigen aard van het mathematische en mathematiserende denken, voor de ‘metafysica’ van deze tijd: ‘alles is informatie’ (Luciano Floridi). Om informatie te verwerken heeft de mens behoefte aan meer informatie. Om aan deze behoeftigheid te ontsnappen moet de mens alles in door machines berekenbare modellen worden uitdrukken. Het is de eis van objectieve wetenschappelijkheid van kennis: uitdrukbaar te zijn in mathematische berekenbare modellen. Alles is informatie verwerken en dat is wat onze intelligente autonome machines doen. Wat rest is een kwestie van vertrouwen, vertrouwen dat de machines het goede doen. Hoe ‘trustfull’ is onze AI eigenlijk? In die algemene probleemcontext plaats ik dit experimentele en analytische onderzoek van Kudina en Coeckelbergh.

De wetenschappelijke techniek anonimiseert het menselijk cognitieve subject om het vervolgens te modelleren als onderdeel van een mens-machine-systeem. Techniek en taal worden autonome entiteiten waar we als vreemde wezens tegenover komen te staan, terwijl we er anderzijds een functionerend onderdeel van zijn. Zijn wij dit echt? Is dit echt? Wat moeten we hiermee? Het zijn de vragen naar zin en betekenis die de onze zelf-reflecterende en aansprekende technologie oproepen. Het zijn dergelijke traditioneel filosofische vragen die nu door de resultaten van het wetenschappelijk denken worden opgeroepen.

(Misschien moeten we ons er bij neer leggen dat de technologie in de vorm van een allesomvattend ‘bestand’ de controle heeft overgenomen en dit als een bevrijding zien voor de druk, die de wil om autonoom subject en middelpunt van ons leven te zijn, ons oplegt. Misschien moet het individu zich zelf zien als onbetekenend item in de statistische machinerieën van Google, Amazon en de Veiligheidsdiensten, de grote bedrijven die om ons te dienen, om onze privacy en autonomie te beschermen steeds meer van ons willen en moeten weten.)

Wat betekent deze text voor mij?

Terugkijkend op de interviews met de gebruikers over hun ervaringen met Alexa schrijven de auteurs in de conclusie sectie van het artikel:

“First, we have seen that language plays an important role in the ways people made meaning and performed. Language mediated the communications, but was also crucial in discussions about meaning, e.g. the meaning of privacy, or about – literally – the place of the artifact.”

en:

“Through interaction with the device, but also through interaction with language and via language, the users became aware of issues such as privacy and power.”

Een text begrijpen is als het leren omgaan met een nieuw stuk gereedschap: als lezer moet je het inpassen in je eigen (vage) beeld van de werkelijkheid in de hoop dat dit beeld wat duidelijker wordt, dat het zaken in een nieuw licht plaatst. Een proces van betekenis geven. Waar haakt deze voor mij in hoge mate abstracte en vreemde academische text aan bij mijn eigen ervaring?

Ik was enige tientallen jaren geleden bij diverse (Europese) onderzoekprojecten betrokken waarin het doel was artefacten te maken waarmee de gebruiker in zijn/haar eigen natuurlijke taal (meestal Engels) zou moeten kunnen communiceren. In één van die projecten plaatsten we een pratend konijn in de hal van het huis van oudere inwoners van Sheffield. Met het konijn kon de bewoonster (de deelnemers waren meest oudere alleenwonende dames) over een aantal onderwerpen praten, zoals over het weer, of over uitgangsmogelijkheden. Het konijn kende de agenda van de bewoonster en kon haar herinneren aan gemaakte afspraken. In modern jargon heet het dat het konijn verschillende ‘skills’ had.

Wanneer de bewoonster de voordeur uit ging wenste het konijn haar veel plezier, of vroeg waar ze heen ging. Voor het detecteren van dit feit gaf het sleutelbord in de hal een signaal aan het konijn door wanneer de voordeursleutel door de bewoonster eraf werd gehaald. Eén van de deelneemsters aan het onderzoek vond het nogal storend dat elke keer wanneer ze de voordeur uitging, bijvoorbeeld om afval in de afvalbak te doen, het konijn haar aansprak en vroeg waar ze heen ging. Om van dit gezeur af te zijn, schafte ze zich een extra sleutel aan zodat ze de sleutel niet van het bord hoefde te halen.

Twee derde van de gebruikers van Voice Assistants (‘smart speakers’) vindt de kwaliteit van de spraakherkenning het belangrijkste. Kennelijk is die kwaliteit niet vanzelfsprekend. Spraakherkenning is lastig voor machines. De kwaliteit is in de loop der jaren verbeterd, maar deze is vaak nog onvoldoende. In het Sheffield project bleek al gauw dat de spraakherkenning van het konijn dermate slechts was dat er een andere ‘invoermodaliteit’ gezocht moest worden. De oplossing bestond uit kaarten waarop de diverse uit te spreken dialoogopties voor de gebruiker stonden geschreven. De gebruiker toonde de door haar gekozen uiting aan het konijn die de kaart via een ingebouwde chip herkende en er op reageerde volgens een ontworpen dialoogscript. Zo werd het zeggen of uitspreken vervangen door het tonen. De gebruiker toont een zin. De uitspraak laat (aan het konijn) zien wat deze zegt. De taal wordt vanuit de techniek gedacht.

“Der Satz zeigt was er sagt” (Wittgenstein, Tractatus 4.461)

En hierin moeten we ‘was’ opvatten als ‘quid’, niet als ‘quod’ (zie: Boukema, Over de grenzen van de reflexiviteit, 1987).

Men zegt wel eens dat er geen filosoof is geweest, die zo met de taal geworsteld heeft als Ludwig Wittgenstein. Wie zijn werk leest zal dat beamen. Wat is dat voor taal waarover hij het in de Tractatus heeft? Wordt door hem de taal niet gezien als (of gereduceerd tot) een (logische) programmeertaal, een ‘Begriffschrift’, een taal waarvan de specifieke modaliteit slechts een onbelangrijke aankleding is? De taal waarmee de deelnemers aan het project met het konijn konden communiceren?

In het artikel wordt vanuit een “Wittgensteinian perspective” gekeken naar de rol van de taal in de moderne techniek. Zodra de techniek niet meer rekent op grond van eenzinnige wiskundige taal, maar de natuurlijke, spontane, taal van de eindgebruiker bezigt (volgens statistische modellen) gaat de techniek over in een kunstuiting. Als iets dat niet zozeer een functie heeft, maar daarom nog niet onzinnig is. Haar gebruik wordt een spel, een taalspel. De eindgebruiker moet door experimenteren, in en door de interactie met de VA, de mogelijkheden leren. De vraag die de gebruiker heeft is: begrijpt ze wat ik zeg, wat ik bedoel?

Wat is er met de taal gebeurd?

Dat er iets met de taal gebeurd is, dat onderkende ook de filosoof Martin Heidegger. De taal die door de ‘Sprachmachine’ gesproken wordt is niet de taal van Hebels volksverhalen, de taal waarin het gewone volk de levenservaring verwoordt. In de moedertaal spreekt eigenlijk de taal, niet de mens.

Die Mensch spricht erst, insofern er jeweils der Sprache ent-spricht.

Maar, aldus Heidegger in het essay “Hebel, der Hausfreund”, de relatie tot de taal is veranderd.

Im gegenwärtigen Zeitalter bringt sich aber zufolge der Hast und Gewöhnlichkeit des alltäglichen Redens und Schreiben ein anderes Verhältnis zur Sprache immer entscheidender in die Vorherrschaft. Wir meinen nämlich, auch der Sprache sei nur, wie alles Tägliche sonst, womit wir umgehen, ein Instrument, und zwar das Instrument der Verständigung und der Information.” (Heidegger, 1957, pp34-35)

We hebben weliswaar kennis genomen van deze verandering, maar we kennen nog niet de werkelijke betekenis van deze instrumentele voorstelling van de taal.

Het heeft er alle schijn van, zo meent Heidegger, dat de mens de spraakmachine nog controleert. De waarheid is echter dat de ‘Sprachmachine’ de taal in bedrijf neemt (‘im Betrieb nimmt’) en zo de mens overmeestert.

… the device exercises power over the users by making them adapt to “her” language.” schrijven Kudina en Coeckelbergh naar aanleiding van de interviews met de gebruikers.

In het alledaagse leven, waarin we slechts oppervlakkige zaken aanduiden (de Sachverhalten van Wittgensteins Tractatus?) kunnen we met deze taal wel uit de voeten. Maar er is nog een andere taal. Het is de dichterlijke taal waarin we onze diepere relaties tot de werkelijkheid uitdrukken. Volgens Wittgenstein biedt de taal niet de ruimte om onze ‘diepere’ (religieuze, esthetische of ethische) relaties met de werkelijkheid te verwoorden.

Wat is taal wanneer we denken dat we in ‘onze eigen taal’ met technische artefacten kunnen communiceren? Wanneer we denken een taal te kunnen leren, als iets autonooms, zonder de taalgebruikers te leren kennen? Wie is die gebruiker van de voice assistants?

In het artikel doet Kudina verslag van gesprekken die ze met een aantal gebruikers van Voice Assistants heeft gehad. In die gesprekken herken ik de mevrouw in Sheffield die een extra sleutel kocht. Een manier waarop de concrete gebruiker haar eigen invulling geeft aan het concept van de abstracte (taal)gebruiker van de techniek. Een machtsspel? Maar waarom trok ze de stekker niet uit het konijn? Omdat ze het veel te leuk en interessant vond om mee te doen aan het project? Of was het vanwege de belofte die de techniek inhield: een persoonlijke assistent die je met alle dagelijkse probleempjes helpt. (Toen aan het eind van het project het konijn weer werd meegenomen vertelden de deelnemers dat ze vooral de wekelijkse gesprekjes met de onderzoekers zouden gaan missen. Een moreel probleem waar de wetenschapper te makkelijk over heen stapt. Die neemt het konijn weer mee naar huis.)

Natural language processing is de kern van de kunstmatige intelligentie.

Toen ik jaren geleden probeerde de computer Nederlands te leren begon ik met het schrijven van een grammatica van onze taal. Ik vond het een hele prestatie dat mijn grammatica een correcte ontleding (in de vorm van een ontleedboom) op het scherm kon tonen van de volgende zin:

De technische idee is die abstracte verstandsvorm waarin de mens haar beheersing van de natuur door middel van een originele combinatie van haar krachten tot uitdrukking brengt.

Maar mijn grammatica was absoluut niet geschikt voor het begrijpen van wat mensen tegen een virtuele assistent zeggen. Mensen spreken geen grammaticaal correcte zinnen. Hoewel mijn grammatica in zekere zin een oneindige taal definieerde (je kunt er willekeurig lange zinnen mee genereren) bleken grote taalcorpora vele malen praktischer. De basis voor de taal die de voice assistant verstaat bestaat uit alle uitingen die ooit al eens (in de context van een bepaalde ‘skill’) gezegd zijn. En de reactie die de VA op zo’n herkende uiting geeft is een actie die ooit al eens zinvol, nuttig of toelaatbaar is gevonden. (Toen een gebruiker een vraag stelde over ‘homo-huwelijk’ reageerde een VA met de opmerking dat het maar het beste was te doen alsof deze vraag niet gesteld was. ‘Techniek is politiek’). Met behulp van machine learning methodes kunnen spraakherkenners ontwikkeld worden op basis van grote corpora van taalgebruik. De VA hoeft de taal niet te ‘begrijpen’. Ze hoeft de gebruiker slechts de indruk te geven te snappen wat deze wil. Het criterium vanuit de maker is dat de gebruiker gevangen blijft (‘engaged’) in het gebruik.

Om de beste resultaten te bereiken moeten spraakherkenners getraind worden op de stem en de uitspraak van de individuele gebruiker. Dan kan de VA ook sprekers en stemmen herkennen. Het onderscheid tussen hoe iets gezegd wordt en wat er gezegd wordt is nogal kunstmatig. De filosoof Friedrich Nietzsche heeft er op gewezen dat het veeleer de toon, de muzikaliteit van de klank is die maakt wat we verstaan dan de woorden. Spreken is, veel meer dan schrijven, een lichamelijke, gesitueerde activiteit waarin de stem, de stemming, de (emotionele) betrokkenheid, van de spreker, aangeeft. Zonder die lichamelijke aanwezigheid en de deixis (‘Zeigewörter’) : “ik”, “hier”, “nu”, “jij” die de plaats van het gesprek uitdrukken en bepalen is er geen taal. Daarnaast heeft ook de plaatsing van de uiting als bijdrage in het gesprek betekenis. Iedereen weet hoe lastig het is te communiceren over een kanaal met een vertraging. ‘Natural turn-taking’ is nog steeds lastig in een gesprek met virtual assistants.

Het instrumentalige

De uitdrukking ‘Wat woorden doen‘ behoort, evenals ‘How to do things with words‘, tot een ‘taalspel’ en een bijbehorende ‘denkwijze’ en ‘levensvorm’ waarin de taal functioneel, dat is als instrument, wordt opgevat.

Wat is een instrument? Het is iets dat gebruikt wordt als middel voor een bepaald doel. Bij een instrument hoort een bepaalde wijze van handelen, hanteren. Er is ‘eigenlijk’ en ‘oneigenlijk’ gebruik. De schroevendraaier wordt gebruikt om een blik te openen, de boormachine om een fles te ontkurken. De taal wordt als instrument gebruikt om iets tot stand te brengen. Het mes wordt gebruikt om te snijden. De werkelijkheid is door en voor het mes snijdbaar. Wat snijden is, wat het betekent, dat toont zich in het snijden, in het gebruik van het mes. Of een mes in een gegeven situatie gebruikt moet of mag worden, dat ligt buiten de sfeer van het instrumentalige. Wat er gezegd moet worden ligt buiten de sfeer van de taal. Taal en techniek bepalen het mogelijke, niet wat mag. Buiten haar specifieke gebruik kan een woord alles betekenen.

De zin toont in haar gebruik wat ze betekent. Ze schetst een beeld van de werkelijkheid, hoe de zaken ervoor staan (voorzover de zin waar is; maar dat is wat ze uitdrukt.) (vgl. Tractatus 4.022)

Zoals een mes scherp moet zijn om goed te kunnen functioneren, zo moet de taal een zo helder mogelijk beeld van de werkelijkheid schetsen om te zeggen wat ze bedoelt. Het is de taak van de filosoof het uitspreekbare, zegbare, zo helder mogelijk uit te spreken. Filosofie is geen natuurwetenschap. De filosofie moet de gedachten slijpen en logisch ordenen.

Taalhandelingen zijn uitingen of verwoordingen van een wens of gedachte. Het verwoordingskarakter van de taal maakt gebruik van de flexibiliteit, de ‘gastvrijheid’ en de openheid van de taal en de woorden. Het is dit verwoordingskarakter en deze openheid van de taal die door een eenzijdige focus op het instrumentele, functionele gebruik van de taal wordt genegeerd. De filosofie kan niet zonder de openheid van de taal. Voor de techniek is de openheid een gruwel.

Filosofie van de techniek

Ik onderscheid twee soorten filosofie van de techniek. Ik noem ze zuivere techniek- filosofie en toegepaste techniekfilosofie. Analoog aan zuivere wiskunde en toegepaste wiskunde. De zuivere wiskunde is principieel toepasbaar.

Een typische voorbeeld van zuivere techniekfilosofie is het werk van Maarten Coolen (1992). Ze beschouwt de techniek als uitdrukking van en in relatie tot een bepaalde kenverhouding van de mens tot de natuur. Het werk van Jan Hollak neemt een belangrijke plaats in in deze techniekfilosofie. “Bij Hollak komt het technisch artefact voor als de gestalte waarin een zelfbegrip van de mens (namelijk als autonoom subject) als een objectieve uitwendige gestalte tegenover de mens kan komen te staan.” (Coolen, p.287). Het is de ‘uitwendigheid’ van de objectivering die maakt dat de mens zich niet volledig in de ‘technische subjecten’ kan herkennen.

De toegepaste techniekfilosofie betreft specifieke technische toepassingen binnen de praktische economische behoeftensfeer van de mens. In de fase van de primitieve instrumentele techniek die op vrij natuurlijke wijze in en door het werken aan de natuur ontspruit (in de vorm van een vuistbijl, een hamer, zaag) is het economische aspect niet tot zelfstandigheid gekomen: het is evenals het technische onmiddellijk gebonden aan het werken met het instrument. In de fase van de wetenschappelijke techniek vindt er een omkering plaats: het ontwikkelen van experimentele kennis en technologie zijn van economisch belang. Behoeftes zijn niet meer van nature gegeven, maar worden in een samenleving die op consumptie: de bevrediging van behoeftes, gericht is, gecreëerd. De economie van de informatiemaatschappij draait op (het in stand houden van) de behoefte aan informatie.

Het artikel met de titel “Alexa, define empowerment”: voice assistants at home, appropriation and technoperformances” (Kudina 2021) sluit aan bij een techniekfilosofie van de tweede categorie. Het onderscheid tussen filosofie en sociaal wetenschappelijk onderzoek naar de invloed van technologie op het gedrag van mensen is vervaagd.

Techniek volgens de toegepaste techniekfilosofie is ‘non-neutral’ (in morele zin): ze doet iets met concrete waarden. Daarentegen is de zuivere techniek neutraal, of liever: waarde-onverschillig. Dat is tevens haar grote waarde. Het is van groot belang de onverschilligheid van de zuivere wiskunde en de morele afstandelijkheid van de technologie te onderkennen. De morele problemen die zich voordoen bij de toepassing van de abstracte verstandsvorm (de technische idee) zijn juist door de morele onverschilligheid van deze idee mogelijk gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat technologie mogelijkheden creëert of openbaart, terwijl de ethiek gaat over wat vermag, wat toelaatbaar is. Nieuwe technologie opent discussies over het toelaatbare. Het fundamentele morele probleem zit hem in de zogenaamde zelfstandigheid van het technische: de techniek heeft de neiging zich aan de mens op te dringen, omdat het een ideaalbeeld schetst. De tafel moet vlak zijn. Als het zou werken zoals het zou moeten werken dan zou het mooi zijn. Helaas, de tafel is nooit zo vlak als het mathematische ideale vlak. Het ideaal, het mathematische, ligt buiten de sfeer van het technisch bereikbare.

Een technisch ding heeft op zichzelf geen zelfstandigheid. Het werkt slechts binnen een veel (alles?) omvattende infrastructuur, waarin het een functie vervult en waarin het door alternatieven kan worden vervangen. Deze structuur is de objectieve keerzijde van een wereldbeschouwing.

Zuivere techniek is niet te verwarren met “enabling technology”. Nano-technologie, taal- en spraak-technologie zijn ‘enabling’ technologieën.

Er wordt nergens zoveel van verwacht en er wordt nergens zoveel beloofd als in de wereld van wetenschap en technologie. De kenniseconomie draait op hooggespannen verwachtingen ten aanzien van de resultaten van nieuwe technische ontwikkelingen. Om financiële middelen te verwerven voelen wetenschappers zich vaak gedwongen om de lat hoog te leggen. In een artikel over de ethische aspecten van nano-technologie:

“Thou shalt not exaggerate without reason. But there is reason: one has to mobilize resources to be able to realize (materialize) the promises, and has to do so in
competition with many other claims on such resources. One has to claim more than is reasonable, in order to be able to realize what is actually a reasonable claim.” (Swierstra en Rip, 2007)

De belofte is dat techniek de mens beter maakt. De Virtual Assistant is een consumptiegoed dat hoge verwachtingen schept. De teleurstelling na aanschaf is er vaak niet minder om. Zo’n 25 % van de mensen die een VA hebben gekocht gebruiken deze niet of nagenoeg niet.

Autonomie (empowerment; control) en privacy zijn de onderwerpen die aan de orde komen in de interviews. Het gaat hier om privacy “as related to the lack of knowledge about the device and confusing information from the news pieces”. Met ‘privacy’ wordt hier kennelijk de persoonlijke integriteit bedoeld, het voldoen aan overeengekomen sociale rituelen. De VA vertoont gedrag dat als onbeleefd wordt ervaren. (zie het ‘face werk’ van Erving Goffman, Interaction Rituals). Of het confronteert de gebruiker met nieuws over confronterend gedrag van VAs.

De VA slaat de gesprekken met de verschillende gezinsleden op in haar geheugen. Zijn deze voor iedereen terug te horen? Ouders gebruiken de ‘voice logs’ om hun kinderen te monitoren. Kinderen gebruiken de VA als hulp bij het maken van huiswerk-opgaven. De VA van Amazon komt met een gebruikershiërarchie. De eigenaar van het Amazon account heeft toegang tot de meeste functies.

Het is niet zo dat de VA nieuwe ethische kwesties introduceert. Maar wie Alexa in huis haalt dient zich te realiseren dat hij daarmee tevens een bron van conflicten op de koop toe krijgt. Steeds meer huishoudens hebben meerdere VAs. Hebben deze VAs hun eigen privé-gegevens? Wie bepaalt welke gegevens gedeeld mogen worden met andere VAs of met andere leden van het huisgezin? Wie is deze nieuwe “Hausfreund” ?

We kunnen aan het handelen verschillende aspecten onderscheiden: het technische, economisch, ethische, esthetische, sociale. De toegepaste techniekfilosofie maakt geen duidelijk onderscheid tussen het economische en het technische aspect. De toepassingen van bruikbare technologie worden beschouwd als sociaal-economische produktie- arbeids- en levens-vormen.

In Die Frage nach der Technik merkt Heidegger op dat het wezen van de techniek iets anders is dan techniek (“Die Technik ist nicht das gleiche wie das Wesen der Technik”.) Je zou kunnen zeggen dat de zuivere techniekfilosofie zich meer richt op het wezen van techniek, terwijl de tweede kijkt naar wat de verschillende technieken, concrete toepassingen van een technisch idee, in de praktijk doen.

Volgens Hollak is de technische idee een abstracte verstandsvorm waarin de mens de beheersing van de natuur door middel van een originele combinatie van haar krachten tot uitdrukking brengt. De mens schept (onbewust) met de techniek een bepaald zelfbeeld. De waarde van de techniek zit hem in de mogelijkheid via dit zelfbeeld zichzelf te leren kennen.

Heideggers ‘Wesen der Technik’ komt het meest expliciet tot uitdrukking in de idee van de wetenschappelijk programmeerbare mens en samenleving.

Het technische wordt slechts begrensd door het niet-berekenbare, niet-programmeerbare. Het gebruik van het instrument vraagt om een zekere vaardigheid van de gebruiker. Techniek veronderstelt de programmeerbaarheid van de mens. De handleiding van het apparaat schrijft de gebruiker voor hoe ermee te handelen. Een argument voor het gebruik van de ‘natuurlijke taal’ als interface voor het bedienen van instrumenten is dat daarmee de handleiding overbodig zou worden gemaakt. De gebruiker hoeft zijn wens niet eerst te vertalen in de taal van de machine. Ze kan in haar ‘eigen taal’ zeggen wat ze wil. Maar wat is die ‘eigen taal’?

De grens van de techniek is de mens die zich niet laat programmeren, die de technologie niet slechts gebruikt en bedient zoals deze voorschrijft, maar die vraagt waarom, wat is de zin ervan? Zijn dit vragen die gesteld kunnen worden in de taal van onze virtuele assistent?

Zowel bij Hollak als bij Heidegger is een bepaalde vorm van wetenschappelijkheid de sturende kracht van de technische ontwikkeling. Technologie en experiment waarin mathematische hypothesen (wetten, statistieken, modellen) getoetst worden aan de natuurlijke gegevens, zijn de beide zijden van dit proces. Een succesvol experiment levert een technische mogelijkheid. Als blijkt dat als A dan B, dan kunnen we B realiseren door A te realiseren. Of de mens B wil realiseren, dat staat buiten de zuivere technische relatie. De vooronderstelling is dat de natuur volgens algemene (statistische) wetmatigheden werkt.

Het instrument werkt zolang de werkelijkheid waarin het werkt voldoet aan het beeld of model (wetmatig of statistisch) op basis waarvan het gemaakt is. Het ideale instrument werkt altijd, in de praktijk werkt het instrument meestal. Ideale instrumenten bestaan slechts als maatstaf. Een bevel wordt niet altijd opgevolgd, een vraag wordt niet altijd goed begrepen en beantwoord.

De werkelijke beheersing van de natuur door de mens veronderstelt zelfbeheersing. Het zijn niet alleen de fysische krachten en eigenschappen van de natuur ‘buiten’ de mens (zoals de zwaartekracht) die de mens combineert tot middel van een bepaald doel. Ook de biologische krachten, de natuurlijke driften en neigingen van mens en dier worden als middel gebruikt ten dienste van het leven. De muizenval zou zonder de aantrekkende werking van de pindakaas op de muis niet werken. De muis heeft echter niet altijd trek. De zwaartekracht van de aarde is betrouwbaarder dan de aantrekkingskracht van de pindakaas op de muis.

De toegepaste techniekfilosofie betreft concrete technieken zoals die worden toegepast binnen de economische sfeer van de behoeftigheid en de menselijke waarden. Techniek moet dienstbaar zijn aan de mens, aan haar gebruiker. De meest algemene vorm van die dienstbaarheid is de programmeerbaarheid. De gebruiker geeft het instrument opdrachten. Om het technische instrument bruikbaar te maken, maakt de technologie natuurlijke interfaces. De natuurlijke taal wordt een communicatiemiddel.

Wanneer filosofen een woord gebruiken – ‘weten’, ‘zijn’, ‘voorwerp’, ‘ik’, ‘zin’, ‘naam’ – en het wezen van het ding proberen te vatten, moet je je altijd afvragen: wordt het woord in de taal waar het thuishoort, ooit daadwerkelijk zo gebruikt? – Wij brengen de woorden weer terug van hun metafysische naar hun alledaagse gebruik.” (Wittgenstein PU 119)

In navolging van Arne Naess interviewde Kudina de VA-gebruiker. Op zoek naar betekenis en zin? Op zoek naar de ‘waardendynamiek’ die de consument zich met de VA in huis haalt. Privacy issues spelen: wie kijkt wordt bekeken. ‘Power’ issues ook. Want in tegenstelling tot het konijn dat de belangen van de ‘belangeloze wetenschapper’ vertegenwoordigt, is de persoonlijke assistent Alexa een vertegenwoordiger van één van de machtigste eigenaren en producenten van het moderne virtuele economische panopticum dat ten dienste staat van een (bedrijfs)politiek die er alles aan gelegen is de noodzakelijke voorwaarde van haar dienstbaarheid die bestaat in de behoeftigheid van de consument, in leven te houden. (Niet de nationale regeringen zijn de uitdrukking van de wil van het volk, maar veel eerder de internationale kapitalistische grootmachten als Amazon en Google die niet alleen de media maar ook de ‘uitzendrechten’ beheersen. Ethiek is onderdeel van hun bedrijfspolitiek. Joanne Bryson (2018) stelt dat “the core of all ethics is a negotiated or discovered equilibrium that creates and perpetuates a society”.)

De hermeneutiek van de techniek

“Meaning making” is een sleutel-begrip in een theorie over nieuwe technologie. Meaning is ook sense, zin. Kenmerk van de moderne tijd is dat het subject zich zelf in een geobjectiveerde vorm tegenover zich ziet in de kunstmatige artefacten. De technologie heeft het woord overgenomen. Het subject dreigt zich te verliezen in de techniek. Ze is de weg kwijt. De filosoof Wittgenstein beschouwde dit als het filosofische probleem bij uitstek: Ik weet de weg niet. (PU 123)

Kennelijk is de betekenis niet meer iets vanzelfsprekends; deze moet door een reflectie gemaakt worden. Het gebruik van de techniek moet ingepast worden, een functie krijgen, binnen een project, een levensvorm.

Kudina ontwierp tijdens haar promotieonderzoek een model voor het proces van betekenis-verlenen aan en adopteren (‘appropriation’) van nieuwe technologie, het lemniscaat model (Kudina, 2019). Ze sluit daarmee aan bij, en geeft een eigen interpretatie van een aantal filosofen in de hermeneutische traditie. Hermeneutiek betreft niet alleen de interpretatie van tekst, maar ook van techniek en andere kunstuitingen. Gadamers hermeneutische cirkel stelt het interactie proces voor waarin mensen betekenis geven aan hun ervaringen op grond van hun eigen eerdere ervaringen in een culturele historische context.

Bij Kudina wordt de taal als technisch middel opgevat. De dialoog met de virtuele assistent is de voorstelling van dit instrument.

“Reality becomes intelligible to us through language, where it functions as a medium, or a lens that sharpens the perception of reality and brings it into focus.
In particular, it is through speaking with others or engaging in a mental conversation with the self that a particular meaning comes to being.” (Kudina, 2019, p. 115).

De techniekfilosofen Ihde en Verbeek wijzen op de mediërende rol van het technische instrument in het proces van betekenis geven.

“The technological mediation approach is concerned with the “micro-scale analysis of the mediating roles of technologies in the human-world relations.” (Kudina, 2019, p. 114).

De virtuele assistent staat voor de mediërende rol van de techniek die volgens Kudina in Gadamers model van de heuristische cirkel ontbreekt.

“Yet the technologically-facilitated manner in which the world appears for the person to make sense of does not get a place in the hermeneutic circle. DVAs, by shifting the mode of interacting with technologies to speaking, expand human interaction with the world with new opportunities for engagement without the distraction of typing or swiping.” (Kudina, 2021a).

Kudina’s onderzoek betreft vooral de waardendynamiek als onderdeel van het proces van ‘appropriation’. (Kudina 2021). Kudina geeft een technische interpretatie aan de heuristiek. Dat blijkt wanneer ze haar lemniscaat model uitlegt aan de hand van de casus van de digitale virtuele assistent (zie Kudina 2021, pp.12-13). Het lemniscaat model wordt dan een model voor de uitleg van een communicatieproces.

Techniekfilosofie levert zo een cognitief model op voor het beschrijven van de werking van een communicatiesysteem waarin gebruiker (mens) via technische middelen met de wereld omgaat en deze interpreteert. Haar lemniscaat model is de lens waardoor dit proces beschreven wordt. Het creëert de werkelijkheid van het hermeneutisch proces. Het lemniscaatmodel is zo beschouwd een zelfreflecterend model. Misschien zit daar net het probleem van deze vorm van techniekfilosofie, dat ze zich zelf als onderdeel van de ontwikkeling van technische systemen, als onderdeel van een theorie voor het technisch ontwerp, wil presenteren.

Het lemniscaat model (Kudina, 2019/2021) modelleert de interacties tussen Mens, Techniek en Wereld.

Net zo goed als er geen algemene betekenis van betekenis is: iedere woord, iedere zin is zelf een wijze van betekenen, zo is er geen algemene betekenis van techniek of kunst. Iedere poging een algemene karakterisering te geven van een proces van betekenen doet te kort aan de historiciteit en de creativiteit van de mens en daarmee aan zijn creaties.

De moderne techniekfilosofie is een filosofie die zich verantwoorden wil middels haar functie in technische projecten. De mens in de moderne samenleving werkt aan projecten, aan in de toekomst geprojecteerde doelen. Het technisch bestand blijkt echter niet oneindig te zijn. De principiële herhaalbaarheid van het technische blijkt in de praktijk haar grenzen te hebben. De technologie lijkt problemen met zich mee te brengen die niet als technisch probleem zijn op te lossen. Ze vragen om inzicht in de eigen aard van de technologie, dat zoals De Bruin opmerkte, de neiging heeft een autonome macht te worden die ons leven beheerst, waardoor haar zin, dienstbaar te zijn, achter de horizon verdwijnt.

De functie van humor

Wanneer je de VA Siri vroeg wat de zin van het leven is, antwoordde deze: “42”. Humor ligt buiten het domein van het technische en berekenbare. Ze speelt een belangrijke rol in het omgaan met macht. Pogingen in “Computational Humor” om computers humor te leren herkennen in tekst, dan wel te genereren, hebben slechts dan tot hilarische resultaten geleid wanneer er iets fout ging. Het geloof in de mogelijkheden van de techniek, die altijd in de toekomst liggen, neemt soms religieuze vormen aan. Geen dankbaarder onderwerp voor humor dan de zogenaamde ‘intelligentie’ van machines.

Meeting different world views

Taalgrappen berusten vaak op de veelzinnigheid van taal; op de ambiguïteit van zinnen. (Voor een recent overzicht van methoden en technieken om computers te leren taalgrappen te genereren zie Miriam Amin and Manuel Burghardt (2020).) Soms speelt de humor met de relatie tussen de woordvorm en de betekenis van het woord. Als ‘vissen’ een werkwoord is, waarom dan ‘varken’ ook niet?

Taalgrapje

Language game

Wittgenstein wijst uitdrukkelijk de opvatting dat taal een spel is van de hand. “De taalspelen dienen slechts als vergelijkingsobjecten die licht moeten werpen op de omstandigheden binnen onze taal.” (PU 130).

Het taalspel (elke skill van de VA bepaalt een taalspel) is een maatstaf voor het gebruik van de taal.

De filosofie vraagt naar de zin of betekenis van de dingen en de gebeurtenissen. De zin van de wereld en de betekenis van het leven moeten volgens Wittgenstein buiten de wereld en buiten het leven liggen. In de wereld is alles wat het is en gebeurt alles zoals het gebeurt. In de wereld zijn geen waarden. Die liggen buiten de wereld. De zin is onuitspreekbaar. Die wordt getoond. Alles wat is, is toevallig zo. Het empirische is toevallig, niet noodzakelijk. Het had even goed niet zo kunnen zijn. De waarheidswaarde is iets dat buiten de zin eraan wordt toegekend. Die zit in de totale structuur van de taal. Een zin kan zelf niet zeggen of deze waar is.

Dit is typisch kenmerk van het tijdperk van de informatie. Negatieve informatie bestaat niet. Of een zin waar of onwaar is, dat staat volstrekt buiten de waarde van de zin. De zin is slechts instrument. Informatie is uitwendige kennis; wat een zin toont.

Darum kann es auch keine Sätze der Ethik geben. Sätze können nichts Höheres ausdrucken. (Tractatus 6.24)

De ethiek is transcendentaal en laat zich niet uitspreken.

Deze opvatting van Wittgenstein past geheel en al bij het gezichtspunt waarin de taal een neutraal technisch instrument is, een model of beeld.

Wittgenstein drukt in zijn Tractatus de werking van de taal als instrument uit door middel van het onderscheid tussen ‘sagen’en ‘zeigen’.

“Was gezeigt werden kann, kann nicht gesagt werden.” (4.1212)

Informatie

We kunnen alleen iets zeggen door iets denkbaars uit te sluiten.

Dat denkbare wordt verondersteld al aanwezig te zijn (in een soort van taalbestand) voor er iets gezegd wordt.

Volgens de informatietheorie van Shannon geeft een bericht informatie inzoverre het in relatie wordt gezien tot alle mogelijke berichten. Het bericht zegt iets door wat het niet zegt, maar ook had kunnen zeggen. Dit is de visie op de functie van de taal vanuit het gezichtspunt van de communicatie-ingenieur die een kanaal moet bouwen en een zo efficient mogelijke codering wil maken. De ingenieur heeft niets met de betekenis van het bericht van doen; alleen het voorkomen is van belang.

Het zegbare is beperkt tot datgene waarvan het tegendeel mogelijk is.

Het gaat erom in de taal zo duidelijk mogelijk de gedachten uit te drukken. De natuurlijke taal verkleedt de gedachten (4.002). Ze bevat vele dubbelzinnigheden en emoties.

Het is de logische taal (Freges ‘Begriffschrift’) die door haar structuur, als tekentaal, duidelijk maakt wat ze zegt.

De functie van het begrip

Misschien is het wel een kenmerk van onze tijd, dat alles een functie moet hebben, nuttig moet zijn.

In een Stelling in een recent proefschrift over design van Embodied Conversational Agents in e-Health applicaties drukt de jonge onderzoeker uit waar voor haar de waarde van de wetenschappelijke kennis ligt.

Science in itself does not have value, it is its applicability to society that does.” (Proposition 7 bij Ter Stal, 2021)

Het is de toepasbaarheid in de samenleving die de waarde van de wetenschap uitmaakt. Kennis moet bruikbaar zijn en functioneren wil het waarde hebben. Dat kennis uiting is van de interesse in het wat en hoe van de dingen, de dieren, de schepselen zelf, dat lijkt volkomen uit de tijd.

Die ‘society’, dat is de structuur waarin menselijke en kunstmatige agenten functioneren en zin geven aan elkaars activiteiten door simpelweg op elkaar te reageren. In het artikel wordt de metafoor van de dans gebruikt om de interactieve en co-productieve zingevingsprocessen tussen gebruikers en VAs te karakteriseren. De hamvraag die op de achtergrond speelt is de vraag naar de autonomie van het (post-)moderne subject. Het antwoord op die vraag moet de gebruiker in interactie met de kunstmatige intelligente agenten zien te beantwoorden.

“What are the minimal requirements for an agent so that she can take part in a social encounter “and have an orderly traffic of behavior emerge.”? Vraagt de socioloog Goffman in Replies and Responses (1967). De vraag is of de morele eisen ook onder de minimal requirements vallen. Of is het veeleer zoals Toivakainen, in navolging van Wittgenstein opmerkt dat “Ethics is not a choice we make, but rather a relationship or space of meaning we already find ourselves in.” (Niklas Toivakainen in: Machines and the face of ethics).

Het artikel eindigt met …

“… what humans and technologies do is a dance, but technologies are not the leading partner.”

Is het als geruststelling bedoeld?

Wittgenstein, de filosoof wiens ideeën over taal op de achtergrond meespelen in het artikel, beschouwde de ‘taalspelen’ als ‘vergelijkingsobjecten’, ideale constructies om over de aard van de taal na te denken. De virtuele assistenten functioneren als vergelijkingsobjecten om na te denken en vooral door ervaring te leren wat het betekent op een ‘sociaal’ acceptabele manier met anderen om te gaan.

Bronnen

Hans Achterhuis (1995). De moralisering van de apparaten, Socialisme en Democratie 52(1); pp.3-12, 1995.

Miriam Amin and Manuel Burghardt (2020). A Survey on Approaches to Computational Humor Generation. Proceedings of LaTeCH-CLfL 2020, pages 29–41.
Barcelona, Spain (Online), December 12, 2020.

Bryson, J.J. (2018). Patiency is not a virtue: the design of intelligent systems and systems of ethics. Ethics and Information Technology (2018) 20:15–26.

Maarten Coolen (1992). De machine voorbij. Over het zelfbegrip van de mens in het tijdperk van de informatietechniek, Boom, Meppel, 1992.

Floridi, Luciano (ed.) (2016). The Routledge Handbook of the Philosophy of Information (2016).

Frege, Gottlob (1879). Begriffschrift, a formula language, modeled upon that of arithmetic, for pure thought. Engelse vertaling opgenomen in: Jean van Heijenoort, From Frege to Gödel, a source book in mathematical logic. Harvard University Press, Cambridge , Mass.(1967).

Erving Goffman (1967). Interaction Rituals: essays on face-to-face behavior. 1967.

Martin Heidegger (1957). Hebel, der Hausfreund. Pfullingen, Günther Neske, 1957.

Kinsella, B. and Mutchler, A. (2019). “Smart speaker consumer adoption report. March 2019, US”, Voicebot.ai, available at: https://voicebot.ai/smart-speaker-consumer-adoption-report-2019. (gedownload op 8 juni 2021).

Olya Kudina (2019), “The technological mediation of morality: Value dynamism, and the complex interaction between ethics and technology”, PhD dissertation, University of Twente, Enschede.

Olya Kudina (2021). “Alexa, who am I?”: Voice Assistants and Hermeneutic Lemniscate as the Technologically Mediated Sense-Making. Human Studies, 2012.

Olya Kudina and Mark Coeckelbergh (2021). “Alexa, define empowerment”: voice assistants at home, appropriation and technoperformances. Journal of Information, Communication and Ethics in Society, June 2021.

Silke ter Stal (2021). Look who’s talking – appearance of embodied conversational agents in eHealth. Proefschrift Roessingh Research and Development/Universiteit Twente, Maart 2021.

Tsjalling Swierstra en Arie Rip (2007). Nano-ethics as NEST-ethics: Patterns of Moral Argumentation About New and Emerging Science and Technology. Nanoethics (2007) 1:3–20.

Niklas Toivakainen (2016). Machines and the face of ethics. Ethics and Information Technology 18 (4):269-282 (2016)

Ludwig Wittgenstein (1973). Tractatus logico-philosophicus. Logisch-philosophische Abhandlung. Ed. Suhrkamp, Uitgave 1973. Oorspronkelijke Duitstalige uitgave 1921.

Ludwig Wittgenstein (2006). Filosofische Onderzoekingen. Vertaling Maarten Derksen en Sybe Terwee. Boom, Amsterdam, 2006. Oorspronkelijk Duitse tekst verscheen in 1953 bij Basil Blackwell te Oxford.