Van orde naar ontvankelijkheid: een nieuwe metafysica voor het informatietijdperk?

Onlangs verscheen bij uitgeverij Boom Metafysica van de Nijmeegse filosoof Gert-Jan van der Heiden. De ondertitel is “van orde naar ontvankelijkheid”. Ik had nog nooit van de auteur gehoord en nog nooit iets van hem gelezen, maar ik ben dan ook geen filosoof. Van der Heiden, hoogleraar metafysica en filosofische antropologie aan de Nijmeegse Radbout Universiteit, is een geweldig boeiende schrijver. Een filosoof die zijn gedachten op een heldere manier kan uitleggen. In hoeverre die gedachten ‘zijn’ gedachten zijn en in hoeverre het schrijven erover de inhoud ervan mede bepalen dat zijn lastige (filosofische) kwesties. In dit boek neemt van der Heiden de lezer mee door de geschiedenis van het denken, een geschiedenis van het denken zoals het in deze tijd aan ons (?, aan hem) verschijnt. Bij deze boeiende reis dient het thema “van orde naar ontvankelijkheid” de rol van een noodzakelijke leidraad, zonder welke we zouden verdwalen in het bergachtige landschap van het denken dat achter iedere bocht die je neemt weer een andere blik op de wijdse werkelijkheid toont. Het is de geschiedenis, de reis, die maakt hoe het denken in onze tijd aan ons verschijnt.

Heeft het moderne denken wel plaats en tijd voor metafysica? In de boekhandel van nu, merken we op (het is de auteur die ons in zijn inleiding op de reis hierop wijst) dat de afdeling Metafysica, zo die er al is, naast de afdeling Esoterie te vinden is. Metafysica deelt met de Esoterie aandacht voor het bovennatuurlijke. Het roept associaties op met religie, met het geloof in goden en mystieke krachten. Je kunt geen boek over metafysica open slaan of vroeg (Spinoza) of laat (Hegel) komt God erin voor.

Is het door de godsdienstoorlogen of door de grote successen van wetenschap en technologie, waarmee we onze eigen boontjes hebben leren doppen, dat de nuchtere moderne mens zich heeft afgekeerd van de metafysica? We staan in de boekhandel liever stil voor de afdeling Natuurwetenschappen of Kunstmatige Intelligentie en laten ons informeren over nieuwe robotica, virtual reality en reizen naar andere planeten. Hoe haalt iemand het in zijn hoofd om in deze tijd nog een nieuwe metafysica te willen schrijven? Alsof er geen serieuzere vragen zijn dan metafysische vragen als “waar is het leven goed voor?”, “wat is waarheid”? en “wat is het zijn?”. “Waarom is er iets en niet veeleer niets?”. Moeten we niet behandeld worden tegen het denken van dergelijke zinloze vragen en gedachten?

Is het niet veel nuttiger om te weten of we bloemkool of spinazie kunnen verbouwen op Mars?

Welke zijn die ‘serieuzere’ vragen dan waar de mens in de 21ste eeuw mee zit? Deze tijd kent problemen die vragen om oplossingen. Zoals daar zijn: een milieu- en klimaatprobleem dat ons confronteert met de eindigheid van de aardse middelen, een migratieprobleem: door (godsdienst)oorlogen en klimaatveranderingen zijn hele volken op de vlucht, verdreven van hun eigen grond op zoek naar een plek waar ze een nieuw bestaan kunnen opbouwen. Zijn wij als land, en volk zo gastvrij om deze mensen die zonder grond zijn in ons midden op te nemen? Is onze orde en cultuur ontvankelijk genoeg om anderen in zich op te nemen?

Dachten we ooit dat we door wetenschap en technologie een toekomst konden bouwen waarin we op basis van een automatisch economisch systeem ons konden bevrijden van de noodzakelijke arbeid, noodzakelijk om te voorzien in onze behoeften, dan is er nu de twijfel of dit wel een realistisch toekomstbeeld is. De wetenschap is versplinterd in talloze deelgebieden, elk met hun eigen leerstoelen en vakbladen. De eenheid is ver te zoeken. En dan is er de onenigheid over de manier waarop we tot oplossingen van de genoemde problemen moeten komen. Hoe organiseren we een samenleving waarin we vrij zijn? De democratische rechtsstaat staat onder druk; de instituties haperen en gaan aan de complexiteit van de ICT systemen ten onder. Kan er nog sprake zijn van individuele verantwoordelijkheid in een samenleving die zo complex is dat niemand meer kan overzien wat de gevolgen zijn van zijn handelen en waarin informatie onbetrouwbaar is en kennis onvolledig? Er is twijfel over of we wel in staat zijn om onze problemen het hoofd te bieden. Er is om te beginnen al onenigheid over de aard en de oorzaak van de problemen. Wat klimaatprobleem! We streefden naar orde, maar de chaos hangt als een zwaard van Damocles boven ons hoofd. Kortom: het zijn smartelijke tijden. Wat hebben we dan aan metafysica?

Is de smart het oog van de geest?

In 1966 hield Jan Hollak bij de aanvaarding van zijn taak als hoogleraar geschiedenis van de westerse wijsbegeerte, zijn beroemde inaugurele rede “Van Causa sui tot Automatie“. Daarin herinnert hij aan de taak die de wijsbegeerte bij uitstek heeft: “het huidige zelfbegrip van de menselijke geest tot uitdrukking te brengen en zij heeft derhalve steeds haar eigen geschiedenis mede tot object.” Hollak komt in zijn boek niet voor maar van der Heidens Metafysica getuigt van deze opdracht.

Om zicht te krijgen op je zelf moet je afstand nemen. Maar afstand nemen is op zich geen garantie voor een beter zicht op je zelf. Je moet wel betrokken zijn bij jezelf. De smartelijk ervaring die je leven door elkaar schudt is vaak de aanleiding voor de afstand. In 1966 was het de afstand tot de ervaring van de twee grote wereldoorlogen die de ruimte bood voor het denken om tot een nieuw, hopelijk beter, zelfbegrip te komen. Zijn wij dat? vroegen we ons af bij het zien van de beelden van de holocaust. Bij het lezen van de berichten uit de kampen. Hoe is het mogelijk dat onze voorouders het ooit zover hebben laten komen? Dat nooit weer, zeiden onze ouders.

Met dat zelfbegrip van de mens in een door ICT-denken beheerste tijd heeft Hollak zich zijn hele leven tot zijn dood in 2003 bezig gehouden. Zijn leven, zijn bestaan was denken, zeiden de mensen die hem hebben meegemaakt. (Ik niet. Ik volgde zijn Amsterdamse colleges via de bandopnames die Louk Fleischhacker, die zijn colleges bezocht en bij hem promoveerde, meebracht naar Twente, waar ik wiskunde en informatica studeerde.)

“Bij Hollak kon je het denken in actie zien” zei Harm Boukema, die assistent van Hollak werd en docent geschiedenis van de westerse filosofie in Nijmegen. Dat denken van de filosoof is een ander denken dan het ‘rekenende denken’ van de ‘intelligente machines’, het technische resultaat van de historische ontwikkeling van de menselijke geest, zoals dat in de geschiedenis van het denken over zichzelf verschijnt. In de intelligente machine (robots, androides) ziet de moderne mens zich met zichzelf geconfronteerd. Maar welk zelf is dat? De mens maakt dingen die niet van echt te onderscheiden zijn. Ze roepen als vanzelf de vraag op wat we met ‘echt’ bedoelen. Wat zijn de kenmerken van dat ‘rekenende denken’? En is er een andere wijze van denken mogelijk? Die vragen komen regelmatig in de Metafysica van van der Heiden terug. Uit zijn behandeling van de verschillende klassieke metafysische vragen blijkt weer eens dat het filosofische denken weliswaar niet zo exact is als het ‘rekenende’ mathematische denken, maar daarom niet minder precies.

Onze tijd wordt wel gekenmerkt als het informatietijdperk. Alles draait om informatie en informatieverwerking. Luciano Floridi, die wel wordt beschouwd als de filosoof van de informatie, beantwoordt de metafysische vraag naar het zijn met: zijn is informatie. Daar tegenover staat het niet-zijn, de chaos, wanorde. Mensen en machines worden als samenwerkende systemen gezien, waarbij ook de mens als informatieverwerkende ‘agent’ wordt opgevat. Was vroeger de arbeid de motor van de economie, tegenwoordig is de wetenschappelijke kennis de motor die tot steeds verdere automatisering leidt. Die automatisering gaat niet zonder problemen. De recente toeslagenaffaire roept het beeld op van de Belastingdienst als ‘infosfeer’ in de zin van Floridi, een complex informatieverwerkend systeem van regels waarin het zicht op de individuele burger verdwenen is. Voor de ambtenaar die achter een beeldscherm tuurt is de burger een datastructuur, een complex van waarden van mathematische variabelen. Niemand is verantwoordelijk voor wat er gebeurt met de uitvoer van de slimme algoritmes. Het is het gevolg van een organisatie van werk waarin de formele verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheid voor het inhoudelijk functioneren volgens de door de wetgever voorgeschreven regels zonder interactie naast elkaar bestaan. De mens wordt door automatisering en robotisering uit zijn als zinvol ervaren arbeid verstoten. Wat valt er buiten het werk nog te doen? Techniek moet dienstbaar zijn aan de mens om techniek te zijn, stelde de filosoof Piet de Bruin. En: een techniek die volledig autonoom is houdt op techniek te zijn. Zijn we geen slachtoffers geworden van de vruchten van het ‘rekenende denken’ van de technologie? Het moderne individu zoekt zijn identiteit in het profiel dat de commerciële bedrijven als Google en Amazon op basis van zijn persoonlijke data hem presenteren. Tevergeefs. Zo confronteert de huidige tijd de mens met zijn eigen zin-vragen.

Tegen deze achtergrond begon ik aan Metafysica. Hoe zou Van der Heiden onze tijd verstaan?

Scepsis en twijfel zijn de vertrekpunten voor het moderne denken

Onze tijd kent een opleving van de metafysica na een periode waarin een anti-metafysische houding de boventoon voerde. Volgens Fleischhacker heeft de wiskunde voor de anti-metafysici de rol van de metafysica overgenomen. Het einde van de metafysica werd ingeluid door “de dood van God”. In de klassieke metafysica werd immers God als het hoogste doel, het Goede, het zijn in al zijn volheid en als eerste oorzaak en als Schepper en kenner van heel de werkelijkheid opgevat. Geen wonder dat dat ons teveel werd. Allemaal projectie, sublimatie, rationalisatie!

Metafysische vragen zijn echter hardnekkig. Van der Heiden gebruikt hier de term ‘fragwürdig’. Dit boek biedt de lezer een overzicht van de metafysische vragen. Aan de hand van een aantal teksten van de grote filosofen, om te beginnen met Plato en Aristoteles, worden een aantal thema’s uitgewerkt. Hierin onderscheidt het boek zich van andere methodes, zoals de systematische metafysica van Jan Peters en van de meer historische inleidingen over een bepaald tijdperk, zoals Armstrong’s Introduction to Ancient Philosophy.

“Dit boek wil uitgaande van de klassieke en moderne bepaling van de metafysica, laten zien hoe de oude metafysische vragen over zijn, denken en waarheid vandaag nog centraal staan.” (p.8-9). Het boek bestaat uit vier delen. In deel I wordt de lezer ingeleid in de klassieke en nieuwe metafysische vragen. Wat is metafysische kennis? Wat is het onderwerp van de metafysica?

“De moderne metafysica wordt getekend door een andere invalshoek dan de klassieke. Waar de klassieke metafysica de orde van het zijn probeert te ontdekken, vragen moderne denkers zich af hoe we, te midden van van de veelheid van overtuigingen, opvattingen en waarheden die in de geschiedenis van de cultuur en het denken geproduceerd zijn, de ware an de onware overtuigingen kunnen scheiden. Scepsis en twijfel zijn daarom de vertrekpunten voor het moderne denken.” (p. 53). Fragmenten van teksten vormen vaak aanleiding voor een uiteenzetting over één van de centrale thema’s in het denken van de grote filosofen. Het is verrassend welk een rijkdom aan ideeën aan de hand van een paar fragmenten in hun samenhang worden behandeld. Hier toont zich de kracht en de expertise van van der Heiden. Die centrale thema’s komen aan de orde in de andere drie delen van het boek. Deel II gaat over zijn en schijn. Klassiek een ontologisch onderscheid: in de schijn toont het zijn zich, volgens het moderne ‘egologische’ denken vinden we de plaats van de schijn in het subject. De problematiek van zijn en schijn wordt aan de hand van enkele dialogen van Plato en de omkering van de Platoons relatie (p. 85) door Nietzsche en Deleuze besproken. De beschouwingen in dit deel over poiesis en mimesis en over de botsing tussen Parmenides en Aristoteles over de kwestie of er niet-zijnden zijn van belang voor het inzicht in het rekenende denken en de eigen aard van het theoretische, technische denken, tegenover het praktische, economische denken. Waarom ontsnapt de verandering, toch een niet onbelangrijk kenmerk van de natuur (en van het leven) aan de mathematiserende wetenschappen? In Deel III Taal en Waarheid gaat het over de hermeneutiek. Hier komt het andere denken aan de orde. Heidegger, Hegels dialectiek en de belangrijke rol van de dialoog bij Gadamer. Hier gaat het over de getuigenis als categorie van verschijnen van het zijn. Na het primaat van het subject zien we hier de intersubjectiviteit als primaire wijze van zijn verschijnen. Van der Heiden refereert niet naar de filosofie van de informatie van Floridi, maar de lezer begrijpt dat het begrip informatie thuis hoort in een filosofie van de intersubjectiviteit die verder gaat dan de communicatie tussen interacterende technische systemen. Van der Heiden biedt voldoende aanknopingspunten voor een kritische analyse van het informatiebegrip. In deel IV Zijn en Grond gaat het over de vraag naar de oorzaak als de grond of reden van het zijnde. De relatie tussen zijn en denken staat nergens zo op het spel als bij de vraag naar de oorzaak. Waar vragen we naar als we vragen waarom iets is zoals het is of gebeurt zoals het gebeurt? Alles heeft een oorzaak. Maar ligt die oorzaak buiten het zijnde, buiten het gebeuren zelf? Om niet in een eindeloze keten terecht te komen is hetzij die oorzaak een niet-zijnde, of het is een zijnde dat zichzelf als oorzaak heeft: causa sui. Misschien kan het toeval ons te hulp komen als verklarende oorzaak. Maar het toeval, is dat niet één van die mythische figuren die het redelijke denken wilde verbannen? Zijn we met de kansrekening en statistiek niet geslaagd op een redelijke en ordelijke manier met het toevallige te rekenen? Maar ontsnapt het particulier unieke historische zijnde niet aan de statistiek? Zodat de statistische kennis slechts informatie levert in plaats van echte kennis. Informatie is een bepaling van een zijnde in termen van de andere mogelijkheden die het niet zijn. Hier denkt het rekenende denken nog over het toevallige, het contingente, te kunnen heersen. Het bezinnende denken, dat van der Heiden wil herwaarderen verwijlt bij het zijnde en ervaart en aanvaardt het historisch unieke gebeuren zelf als waardevol. Het toevallige is wat ons toevalt, waar wij ontvankelijk voor zijn. Wij zijn ‘getuige van het zijn’ (p.313). Het unieke ontvangstoord waar het verwonderlijke en verbijsterende van zijn en werkelijkheid vernomen wordt. “En wat is de mens ten slotte anders dan het zijnde waaraan de taal en de rede zijn toegevallen om dit bekend te maken en te bewaren?”

Met Metafysica heeft Gert-Jan van de Heiden een overtuigende visie gegeven op de tijd van nu in het perspectief van de geschiedenis van het denken vanaf de klassieke denkers via het denken van God als causa sui en de objectivering en opheffing van dit denken naar een nieuwe metafysica van openheid en gastvrijheid voor wat ons toevalt. Een aanrader voor een ieder die even stil wil staan bij wat er hier en nu gebeurt.

Gert-Jan van der Heiden (2021). Metafysica: van orde naar ontvankelijkheid. Boom uitgevers, Amsterdam, 2021.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply