Het mathematisme in de ethiek

Het is al zover gekomen dat nu alleen diegenen wijs gevonden worden die het onderzoek omwille van het geld nastreven.”

(G. Pico della Mirandola, Over de menselijke waardigheid, 1486)

Inleiding: de kritische vraag

Het wiskundig denken is wijder verbreid en zit dieper in onze cultuur en ons leven dan we denken. Het lijkt soms wel alsof we kennis pas als echte wetenschappelijke kennis zien wanneer het in wiskundige structuren en formules kan worden uitgedrukt. Maar wat zijn de vooronderstellingen van het wiskundig denken en kennen?

Is er geen ander soort van weten, een kennen dat de zekerheid van de wiskunde evenaart of misschien zelfs overtreft? Hoe zien de mathematiserende medische wetenschap en de daarop gebaseerde moderne geneeskunde waarmee we in ons leven vroeg of laat, en in een sterk medicaliserende wereld steeds vaker, worden geconfronteerd, het leven van de individuele burger? Hoe kan het door de geneeskunde zo hoog gehouden ethisch principe van het autonome, vrij over zijn eigen leven beslissende, individu stand houden tegen de macht van de zienswijze van de voorspellende geneeskunde?

Onscheidbaar verbonden met het ideaal van het wiskundige denken is de moderne idee van het autonoom rationeel denkend individu, dat onafhankelijk van culturele, religieuze, lichamelijke en andere belemmerende factoren zich vrij opstelt tegen over zichzelf en zijn leven. In zijn “Het Mathematisch Ideaal” laat de wiskundige en filosoof Louk Fleischhacker zien “dat het ideaalbeeld van een vrij zijn wereld construerend subject en dat van een structureerbare, mathematiseerbare wereld nauw met elkaar samenhangen”. Bij een autonoom kennend subject hoort een mathematisch geobjectiveerd wereldbeeld. En dat geldt ook voor het beeld dat dit subject van zijn eigen leven vormt wanneer de wetenschap en de technologie via bijvoorbeeld de moderne geneeskunde zijn leven beinvloedt. Maar kan de mens een realistisch beeld van zijn eigen leven krijgen wanneer het zich er als een autonoom kennend subject buiten plaatst en het leven voorstelt als een proces dat zich buiten hem afspeelt? Dat lijkt een paradox.

Een recent voorbeeld van een mathematisch wereldbeeld schetst de fysicus en oprichter van het Future of Life Institute Max Tegmark in zijn boek “Our Mathematical Universe”. Tegmark noemt zijn mathematische universum dat hij op basis van de nieuwste ontwikkelingen in de fysica van de kleinste deeltjes en de astronomie construeert als een complexe structuur, een Hilbert ruimte, de externe werkelijkheid. Deze onderscheidt hij van de ervaringswerkelijkheid. Het probleem waarmee Tegmark aan het eind van zijn boeiende reconstructie nog blijft zitten is dat hij de ons bekende individuele objecten waaronder ons bekende personen, die als recursieve substructuren in zijn constructie moeten voorkomen, niet in zijn universum kan aanwijzen. Tegmark ziet dat als een probleem dat de toekomst zal oplossen. Ook de toekomst is echter al in zijn tijdruimtelijk universum geobjectiveerd; in de vorm van alle mogelijke trajectorieën die de werkelijkheid voor ons in petto heeft. Bovendien heeft Tegmark de mogelijkheid individuele objecten uit de ons bekende leefwereld aan te wijzen bij voorbaat al uitgesloten. In de externe realiteit komen de namen van de objecten zoals wij die gebruiken en kennen niet voor. Het benoemen van de objecten in de werkelijkheid waarmee we deze identificeren en classificeren is een activiteit welke zelf niet in geobjectiveerde vorm in Tegmark’s universum voorkomt. Dat is kenmerkend voor de uitwendigheid van het mathematische denken dat ze het eigen vrije stellen zelf niet kan verantwoorden.

Ook de mathematische reflexieve structuren van de biomathematica (van den Berg 2017) waarin een poging wordt gedaan de levensprocessen, zoals de evolutie van de soorten, op mathematische wijze te begrijpen, houden deze uitwendige vorm, waarvan het niet duidelijk is waarom nu juist dit het wezen van het leven uitmaakt.

Onze samenleving is in hoge mate verwetenschappelijkt. Een voorbeeld daarvan blijkt uit deze tekst van Toine Heijmans in de Volkskrant van 7 september 2021.

Hulpverlenen is vaak verworden tot een eindeloos heen en weer schuiven van perspectiefplannen en zelfredzaamheidsmatrixen, beoordeeld door anonieme ‘loketten’; hulp vragen is het almaar weer vertellen van hetzelfde verhaal aan nieuwe mensen die de problemen in de juiste hokjes moeten gieten, en met indicatiestellingen grip proberen te houden op de kostenefficiëntie.”

Er lijken scheuren in het vertrouwen in de mathematiserende wetenschap die alles eerst in hokjes wil stoppen en de autonome ‘anonieme’ informatietechnologie te komen. Het wezenlijke, dat waar het om gaat, is overwoekerd door structuren. Het heeft wellicht ook te maken met de onrealistische te hoog gespannen verwachtingen die men van de wetenschap en van de technologie heeft. Wanneer de wetenschappers deze niet kunnen waarmaken; wanneer ze het niet met elkaar eens kunnen worden over welke modellen de werkelijkheid het beste weergeven; als blijkt dat de wetenschap zich vanwege de complexiteit van de werkelijkheid moet beperken tot kansuitspraken of zelfs helemaal niets kan zeggen vanwege het chaotisch gedrag van de systemen, dan wordt de mens, die antwoorden van de wetenschap en oplossingen van de technologie verwacht, ongeduldig. We zien dat deze teleurstelling bij sommigen tot een anti-wetenschappelijke houding leidt. Men vlucht ter verklaring van de verschijnselen in ‘alternatieve’ theorieën, fantasieverhalen, waarin geesten bestaan die de wereld in haar macht hebben. Terug naar de ‘donkere tijden van de Middeleeuwen’.

De keerzijde van de objectiverende wetenschap en technologie is de anonimiteit ervan. De mens heeft zich als persoonlijk verantwoordelijk handelend subject uit het arbeidsproces teruggetrokken. De mens ervaart zich een radertje te zijn in een complexe machinerie, een organisatiestructuur. Het individu moet zich buiten het economisch arbeidsproces realiseren. Hij moet op geheel eigen wijze zijn eigen leven ontwerpen, maar nu niet meer zoals de vrije mens waarover Pico della Mirandola het in de 15de eeuw had, maar zoals de 21ste eeuwse burger die leeft in een wereld die het resultaat is van het werken van de naar autonomie en vrijheid strevende mens als arbeider.

Het is juist de ontwikkeling van de op het mathematiserende denken gebaseerde wetenschap en technologie die het mogelijk en noodzakelijk maken de mathematiserende denkwijze kritisch te doordenken. Alleen zo kunnen we deze denkwijze een eigen plaats geven en de al te hoge verwachtingen ten aanzien van haar mogelijkheden indammen.

In dit opstel wil ik proberen de eigen aard van het wiskundig denken te begrijpen en de uitwerking ervan op de werkelijkheid van ons leven aangeven. Het is een kritiek van het wiskundig denken in de zin van een onderzoek naar de vooronderstellingen en de grenzen van de mogelijkheden van deze wijze van denken. De voorwaarde voor de mogelijkheid de werkelijkheid op mathematische wijze te begrijpen ligt vermoedelijk in het intuïtieve vatten van het principe van de uitwendigheid, het principe waardoor in alles ook een kwantitatief, structureel, element meedoet.

Laat ik vooropstellen dat er geen schoner wetenschap is dan de wiskunde. Ik wil niets afdoen aan de waarde en de schoonheid van de wiskunde. Het is de enige wetenschap die volstrekt zekere, bewijsbare, kennis biedt op grond van exact gedefinieerde begrippen en precies gespecificeerde axioma’s. Deze schoonheid, exactheid en zekerheid ontleedt de wiskunde aan haar methode en de aard van haar objectiviteit: ze stelt wat het geval is en houdt zich daaraan. De ‘wisconst’ werd ook wel ‘stelkunde’ genoemd. Het enige gezag dat ze erkent bij wat de wiskunde als stelbaar ziet is het gezag van de logica. De wiskunde moet logisch consistent zijn. De belangrijkste wet is: iets is waar of niet waar en deze twee sluiten elkaar uit: niets kan onder hetzelfde opzicht tegelijk waar en onwaar zijn. De wiskunde objectiveert de door haar gestelde eigenschappen in de vorm van gedachte objecten die onder de meetkundige of rekenkundige begrippen vallen: driehoek, cirkel, getal. In het algemeen: structuren. Het al dan niet waar zijn van een wiskundige bewering staat tegenover en buiten de inhoud ervan. Zoals het aantal dat resultaat is van het tellen van de dingen onverschillig is voor de wijze waarop het aantal is geteld of berekend, zo is het resultaat van het wiskundig bewijzen onverschillig voor de wijze waarop het bewijs is geconstrueerd of afgeleid.

Daarin verschilt de wiskunde van de filosofie. Deze kent geen beweringen die stellingen zijn waarop verder gebouwd kan worden onafhankelijk van hoe ze ontstaan zijn. De filosofie ontleent haar inhoud, die bovendien voorlopig is, aan haar geschiedenis.

De relaties tussen de begrippen die de wiskunde in stellingen uitdrukt en die ze objectiveert in haar structuren vinden hun inhoud oorspronkelijk in de waarneembare werkelijkheid. Deze is in zekere zin aangelegd op de wiskunde. Het is de waarneembare werkelijkheid, maar niet als waarneembaar maar als uitgebreid, kwantitatief, structureel, die de materie biedt voor de wiskunde. De waarneembare werkelijkheid verschijnt voor de mens als gestructureerd, hetzij ruimtelijk, hetzij getalmatig. De werkelijkheid is voor het wiskundig denken deelbaar, telbaar, structureerbaar, meetbaar. Deze relatie tussen werkelijkheid en wiskundige denken maakt de toepasbaarheid van de wiskunde uit.

De toepassing van het wiskundig denken bestaat uit het meten en structureren van de werkelijkheid. Dit resulteert in wiskundige constructies, wiskundige modellen die als modellen van de werkelijkheid worden opgevat. Hoe de werkelijkheid gemodelleerd wordt of wat er gemodelleerd wordt, dat schrijft deze niet eenduidig voor. De werkelijkheid heeft vele aspecten die op verschillende manieren gemodelleerd kunnen worden.

Waar gemeten wordt worden kwantitatieve eigenschappen van de werkelijkheid in wiskundige grootheden, in structuren uitgedrukt. Het resultaat van een meting levert informatie over de gemeten werkelijkheid voor zover daarin een kwalitatieve eigenschap van de werkelijkheid, de natuur, gekend wordt. Informatie is kennis van eigenschappen op een kwantitatieve manier uitgedrukt in een structuur.

Kenmerkend voor het wiskundig denken is de tegenoverstelling van een abstracte algemene denkwijze (subject) en een door het verstand geconstrueerde keninhoud die de werkelijkheid modelleert (objectiveert).

“It is a characteristic of mathematical thinking that it relates itself to something external to the subject performing it. That means that it regards the distinctions it creates as indifferent with respect to the unity of its object as well as with respect to its own doings. They are distinctions in thought only.” (Fleischhacker, 1995, p. 128).

Het tellen als bron van het automatische rekenen

Wie even stilstaat bij de ons meest bekende vorm van mathematiseren, het tellen, die begrijpt wat deze woorden betekenen. Wat zijn de vooronderstellingen waar de werkelijkheid aan moet voldoen opdat ze door ons geteld kan worden? Ze moet als telbaar voor ons verschijnen. Er moeten eenheden, dingen, onderscheiden worden. Meerdere goed onderscheidbare eenheden. Wanneer we die verschillende dingen tellen vatten we ze op als eenheden van hetzelfde. De waarneembare eigenschappen waarin de dingen van elkaar verschillen doen er voor het tellen niet toe. We staan daar volstrekt onverschillig tegenover. Het zijn allemaal dingen, allemaal dieren, allemaal paarden. Die watheid van de door ons getelde eenheden, maakt de continuïteit uit, het ene dat de veelheid van telbare dingen, objecten, uitmaakt. Verder moeten we onthouden wat we al geteld hebben (geen dingen dubbel tellen). We geven de dingen allemaal een eigen, bekende, naam. De ‘cijfernamen’: 1,2,3,…Het doet er niet toe welk ding we welke naam geven, als we ze maar allemaal een unieke naam geven, die door de volgorde van tellen wordt voorgeschreven.

De namen van de cijfertaal en hun volgorde die we gebruiken bij het tellen, hebben we geleerd, zoals elk taal geleerd moet worden. De werkelijkheid biedt het stopcriterium voor het tellen. Het getelde aantal dingen drukken we uit in het laatste cijfer dat we gebruikten bij het tellen. Zo onthouden we het aantal getelde dingen en we kunnen dit aantal meedelen aan anderen. Het resultaat van deze meting: “Er staan drie paarden in de wei”. Dit resultaat, het aantal, is onafhankelijk van de specifieke volgorde waarin de dingen geteld zijn.

We zien de vele eenheden als elementen van een geheel, een nieuwe eenheid: een verzameling paarden. Dat is abstracter dan als individuen, leden van een groep, een samenleving. Als elementen opgevat staan de dingen volstrekt buiten elkaar. Tijdens het tellen, deze abstracte activiteit, is de werkelijkheid bevroren, onveranderlijk. We vertrouwen op de onmiddellijke waarneming van de onderscheiden dingen die we telden. Deze waarneming is in het begin een fysieke activiteit. Het kind raakt de dingen nog één voor één aan terwijl het telt: dit, dit, dit. Het aanwijzen is een vorm van meten: dit object, deze steen. Het aanraken is het houvast van het waarnemen.

Waar komen de cijfernamen vandaan? In de namen, de woorden voor de dingen, zit de historische bepaaldheid van ons denken in het algemeen en het tellen in het bijzonder. Ooit moeten mensen die namen voor de getallen gemaakt hebben. Het heeft even geduurd voordat de abstracte getalsnamen los kwamen van de namen van de getelde dingen zelf. Sommige talen kennen nog andere woorden voor één en voor twee van hetzelfde. Bijvoorbeeld Grieks: anèr, man; andre; twee mannen. (Struik, 1977, p. 13) . Geleidelijk ontstaan cijfernaamsystemen. Struik geeft een voorbeeld uit het Kamilaroi, een taal van een Australische stam: 1 = mal, 2 = bulan, 3 = guliba, 4 = bulan-bulan, 5 = bulan-guliba, 6 = guliba-guliba (Uit: Conant, The number concept, blz. 106-107.)

Zo ontstaat het getalbegrip met de ontwikkeling van een eigen cijfertaal, de taal waarmee de individuele getallen als abstracte denkinhouden worden onderscheiden. Deze taal is zelf een structuur. Men kan zich voorstellen dat het enige tijd gekost heeft voordat men het getal 0 bedacht. Daarvoor moeten de wiskundige objecten immers los gedacht worden van de waarneembare, fysieke, objecten. Wie telt nou 0 objecten? Hoe kun je nul streepjes onderscheiden en optekenen, als je als afbeelding voor een aantal voor elk geteld element een streepje zet (IIII)? Wanneer het teken 0, mogelijk van het Griekse woord ‘oudèn’ dat niets betekent, werd ingevoerd is onduidelijk. De 0 verving een lege plek of een punt in een positioneel notatiesysteem, een getalsysteem waarin de positie van het cijfer de waarde bepaald, zoals in ons tientallig getalsysteem (203 is een ander getal dan 230 of 23). Dat in de veertiende eeuw in West-Europa haar intrede deed. (Zie (Butterworth 1999) voor een geschiedenis van de getalsystemen.)

We zien dat bij het tellen van dingen er een afbeelding plaats vindt van de dingen op de ideële werkelijkheid van de getallen waardoor de werkelijkheid geordend wordt.

Zodra de getallen een eigen bestaan hebben gekregen los van de waarneembare werkelijkheid rijst de vraag hoeveel er van zijn. Deze vraag kwam bij mijn kleindochter op toen ze de regelmaat in ons getalnamensysteem zag en ontdekte dat ze alsmaar verder kon tellen. “Hoeveel getallen zijn er?”, vroeg ze. De idee dat de getallen zelf te tellen zijn is een merkwaardig iets. Wat je telt zijn immers de door ons zelf gemaakte dingen (objectivaties) van abstracties die we gemaakt hebben voor het tellen van echte dingen, zoals knoopjes of zandkorrels. De getallen zijn zelf telbare objecten geworden. We hebben ze een volgorde gegeven, de volgorde die hun identiteit uitmaakt: vier is wat na drie en voor vijf komt. De getallen schrijven vanwege hun identiteit als geordende getallen voor in welke volgorde we ze zullen tellen. De taal legt deze volgorde vast. We identificeren de getallen met hun unieke namen (ídentifiers’) in het door ons gebruikte getalnamensysteem. Wanneer je de getallen telt dan begin je niet bij 23 en dan 45 en 321 te tellen.

In het tellen van de getallen buigt het wiskundig denken zich op zichzelf terug: het werkt op het resultaat van zijn eigen ontwikkeling die bestond uit de creatie van de getallen als objectivatie van de abstractie van de telbare werkelijkheid. Het tellen van de getallen is een nutteloze bezigheid. Deze nutteloosheid komt tot uitdrukking in de oneindigheid ervan. Als er niets in de werkelijkheid is dat geteld wordt heeft tellen geen nut. Soms is het handig de dingen zo geordend te denken dat we gebruiken kunnen maken van de structuur van de getallen. Vier rijen van vijf huizen is totaal twintig huizen, omdat 4 keer 5 20 is. De zuivere wiskunde van de rekenkunde biedt technieken voor het tellen en voor het rekenen in het algemeen.

We zien hier de begripsmatige kern van de automatisering. Het zijn de cijfers, de getalnamen, de identifiers, die voorschrijven hoe de getallen geteld worden. De taal die een wezenlijke rol speelt in de automatisering is de uitwendige vorm van het rekenend denken. De taaltekens werken in de machine volgens de betekenis die ze voor ons hebben. Het tellen van de telgetallen is een inhoudsloze beweging met een onbereikbaar doel, het vaststellen van het aantal dat zelf door het denken groeit. De getallen tellen zichzelf. Het zijn de werkende tekens van onze rekenmachines.

Het is een vreemde gedachte: dat getallen zichzelf zouden tellen. Maar we zien hier wat er gebeurt wanneer we proberen op een wiskundige manier de werking van een geprogrammeerde machine te begrijpen en te beschrijven. Zo’n machine bevat het voorschrift voor zijn eigen werking in de vorm van een in fysieke toestanden van de machine uitgedrukte code (het programma). We zeggen dat zo’n machine ‘vanzelf’ werkt. Het ‘zelf’ van de machine is het programma, het ontwerp dat de werking ervan beschrijft. We spreken van automaten, autonome machines.

Wie zegt dat de machine niet alleen ‘vanzelf’ werkt, maar ook ‘uit zichzelf’, die overschrijdt een grens, de grens van het fysische naar het biologisch. De grens tussen de levenloze stoffelijke, mechanische werkelijkheid en de levende werkelijkheid.

Dezelfde vreemdheid zien we dan ook wanneer de bioloog de karakteristieke kenmerken van de levensprocessen op mathematische wijze probeert te beschrijven (Carsetti 2021). De levende cel reproduceert zichzelf. Het RNA bevat zijn eigen code voor de productie van de nieuwe cel. Hoe onderscheiden we de levende organische natuur van de anorganische processen? Hoe onderscheiden levensprocessen zich van zuiver mechanische processen? Zit het verschil in een vorm van zelfbegrip? Zit er enige intelligentie in het leven van de cel, dat volledig lijkt te bestaan in een voortdurend proces van deling? Bij de geprogrammeerde machine is het programma er door de mens ingebracht. Maar hoe zit dat bij de levende natuur?

De biochemicus en filosoof Jacques Monod (1910-1976) die de Nobelprijs kreeg voor zijn onderzoek naar de synthese van het virus, vond dat je het levensproces niet op wetenschappelijke wijze verklaart door enkel te verwijzen naar een planmatigheid, een ingebouwd programma. De natuur is een knutselaar die zich houdt aan de principes van zelf-organisatie. Maar welke dat zijn? Komen we daar achter door middel van de ons inmiddels zo eigen mathematische denkwijze? Of lopen we in ons leven tegen de grenzen van dit denken aan? De informaticus helpt ons ook niet. We verhouden ons nu eenmaal op andere wijze tot de vreemde autonome technologie dan tot ons eigen leven. We nemen ons toch niet echt serieus als we ons als een informatieverwerkend systeem zien.

Het object van de wiskunde wordt beschouwd als volledig uitwendig aan het mathematisch denkend en kennend subject. De delen die dit denken onderscheidt denkt ze volstrekt buiten elkaar, als de delen van een ruimte, de punten van een lijn, of de elementen van een verzameling.

Deze denkwijze produceert wanneer ze zich confronteert met de werkelijkheid, informatie en onderkent informatieprocessen, ‘objectieve’, volgens conventionele methodes en procedures verkregen geldige kennis, waaruit het individueel kennend subject is verdwenen (‘informatie is objectieve, subjectloze kennis’) en waarin feiten realisaties zijn van mogelijkheden die net zo goed, als de omstandigheden anders waren geweest, of als we anders hadden gewild, anders hadden kunnen zijn.

In het informatietijdperk bestaat de werkelijkheid voor de mathematiserende wetenschap uit complexe dynamische systemen. De systeemtheorie is de unificerende theorie die vanuit het perspectief van de mathematiek de wetenschappen van de ‘dode’ natuur (fysica) en die van de ‘levende’ natuur verenigt. De discrete toestanden van de continue processen die de dynamiek van deze systemen uitmaken coderen de informatie die als programma’s deze processen besturen. In het mensbeeld van de mathematische metafysica van onze tijd is de mens zoals elk levend individu, een informatieverwerkend systeem. Vanuit het perspectief van de informatie- en systeemtheorie bestaat er geen principieel kwalitatief verschil tussen organische en anorganische natuur, tussen een ‘levende’ cel en een complex DNA molecuul.

‘Mathematisme’ duidt op de onbegrensde onwillekeurige toepassing van de mathematische denkwijze. Het houdt in: 1) het wezen van alles is de structureerbaarheid en 2) iets kennen houdt in de structuur van iets kennen.

De idee dat er zoiets als een afgebakend domein is waarbinnen deze methode toepasbaar is, getuigt van een ruimtelijke voorstelling van zaken die typisch is voor het mathematisch denken. Het mathematisch denken en de informatisering zijn algemeen toepasbaar. De kritische vraag naar haar grens is de vraag naar de eigen aard van het mathematisch perspectief op de werkelijkheid, wat het mathematiserende denken in haar toepassingen – vanuit dat perspectief de werkelijkheid objectiverend – met het leven doet, wat ze te betekenen heeft voor het leven. Het leven dat bestaat in het leven van de individuele mensen. Het eigen leven dat de mens zich niet zo maar even voor kan stellen als iets dat zich buiten hem voltrekt omdat ook dit voorstellen zelf tot zijn leven behoort.

Deze kritische vraag naar de betekenis van de mathematiserende wetenschap en haar toepassingen voor het (individuele) leven van de diersoort mens is bij uitstek de vraag van de ethiek. De ethiek wordt hier gezien als een kritische filosofie van het mathematische denken. De vraag is hoe de ethiek zich tegen de mateloosheid van het mathematische denken te weer kan stellen. Is er ook sprake van mathematisme in de ethiek? Wordt ook de ethicus, zonder zich daarvan bewust te zijn, in zijn denken beheerst door een mathematische denkwijze? Zoja, wat is daar dan mis mee?

Het begrip ‘toepassen van een regel of methode’ moet opnieuw gewogen worden. Het is een sleutelbegrip in het mathematische denken.

Om de gedachten te bepalen, voor concrete voorbeelden van het mathematiserende denken, zal ik me hier vooral richten op de preventieve geneeskunde en op de ethische problematiek die de preventieve geneeskunde met zich mee brengt. Hoe beïnvloedt het mathematische denken in de preventieve geneeskunde, waarin de zorg voor de kwaliteit en de autonomie van het individuele leven net als bij de diagnostiek en de klacht-gebonden medische interventies, nadrukkelijk uitgangspunt van handelen is, het zicht op de ethische probleemstelling? (Elders heb ik aandacht besteed aan pogingen de rechtspraak te mathematiseren. Daarin gaat het ook om het toepassen van procedures en wetten in een concrete situatie op een uniek geval. Zie Bewijzen en Bewijzen is Twee en Wat heet toeval?)

Mijn stelling is dat het de taak van de ethiek is zich te weer te stellen tegen het mathematiserende denken. Om deze taak uit te voeren moet ze zich bewust zijn van haar eigen denkwijze opdat dit niet ten prooi kan vallen aan de tendens tot mathematisme.

Ik zal regelmatig refereren naar een rapport van het Rathenau instituut Gezondheidspolitiek in een risicocultuur – burgerschap in het tijdperk van de voorspellende geneeskunde van K. Horstman, G.H. de Vries en O. Haveman dat geschreven is in het kader van het project ‘Voorspellende geneeskunde (Horstman et al. 1999). Het rapport onderzoekt de ethische aspecten van de voorspellende geneeskunde in het kader van ‘de risicocultuur’.

De voorspellende gepersonaliseerde geneeskunde (Engels: personalized predictive precision medicine) is vooral in een stroomversnelling geraakt door ontwikkelingen in de genetische wetenschappen. Toen het menselijk genoom volledig in kaart was gebracht zijn er hooggespannen verwachtingen gewekt over de mogelijkheden die kennis van het DNA biedt voor het voorspellen van erfelijke bepaalde aandoeningen. De term ‘voorspellende geneeskunde’ dekt echter een veel ruimere lading, namelijk elk medische handelen dat niet klachtgebonden, maar preventief is. We moeten daarbij denken aan nationale programma’s ter voorkoming van longkanker, het tijdig opsporen van borstkanker, prostaatkanker of hart- en vaatziektes, obesitas, etc.

Maar ook aan vaccinatieprogramma’s zoals bijvoorbeeld ter voorkoming of bestrijding van epidemieën.

De wiskunde en het mathematische denken wordt niet alleen toegepast in de medische wetenschappen en de medische technologie, maar ook bij het voorspellen van ‘risico’s’, de kans op ziektes en de inschatting van de opbrengsten van preventief ingrijpen ter voorkoming van risico’s. Het denken in mogelijkheden en kansen speelt daarbij een grote rol.

Naar een voorspellende geneeskunde

In zijn Vertoog over de Methode (1637) legt Descartes (1596-1648) uit waarom hij na zijn ontdekkingen van de beginselen van de natuurkunde deze met de lezer moest delen. Het verborgen houden van deze beginselen kan, zo schrijft hij, niet “zonder grotelijks te zondigen tegen de wet die ons verplicht om zoveel in ons is het algemeen welzijn van alle mensen te bevorderen.”

Descartes zag in dat de door hem ontdekte beginselen der natuur de basis kunnen zijn van inzichten die “zeer nuttig kunnen zijn voor het leven“. De mens kan door aanwending ervan “ons als heer en meester over de natuur maken”. Niet alleen om allerlei “kunstgrepen” uit te vinden waardoor we “zonder enige moeite van de vruchten der aarde en al haar heerlijkheden kunnen genieten, maar in de eerste plaats ook voor het behoud van de gezondheid, welke zonder twijfel het eerste goed en de grondslag van alle andere goederen van dit leven is.”

Uit deze woorden blijkt Descartes’ vooruitziende blik. De moderne wetenschap, de ‘science’ die een aanvang nam in de 15de en 16de eeuw (zie bijvoorbeeld Wootton 2015) en waarvan hij de methode en beginselen beschrijft, hebben niet alleen geleid tot een vergaande automatisering van de arbeid, door allerlei “kunstgrepen” waardoor we “zonder enige moeite” in onze consumptieve behoeftes kunnen voorzien, maar ook tot een staat van medische kennis en gezondheidszorg waardoor het leven van velen met vele jaren is verlengd in vergelijking met de levensduur ten tijde van Descartes. (Het verschil in de gemiddelde sterfteleeftijd van volwassenen in Nederland tussen de 17 eeuw en de 21ste eeuw is zo’n 40 jaar! De verwachte levensduur werd aanzienlijk beïnvloed door de hoge kindersterfte en door pest-epidemieën.)

De geneeskunde heeft in de loop der eeuwen niets aan belang ingeboet. Nog steeds wordt de wens van een langer leven zonder ziektes door velen gedeeld. Het aanzien van de medische wetenschappen en de politieke en economische macht van de medische instellingen berust uiteindelijk op de successen die geboekt zijn in het vervullen van deze breed gedeelde wens. De basis van dit succes is de toepassing van de algemene methode der experimentele wetenschap waarvan Descartes de beginselen in zijn Vertoog heeft beschreven.

Deze succesvolle experimentele methode van de natuurwetenschap berust op een mathematisch wereldbeeld geconstrueerd door een autonoom denkend subject. Dat heeft onder andere Dijksterhuis in zijn magistrale werk De Mechanisering van het Wereldbeeld overtuigend laten zien. Deze mechanisering komt neer, zo besluit hij, op de mathematisering van het wereldbeeld.

“De mechanisering die het wereldbeeld bij de overgang van antieke naar klassieke natuurwetenschap heeft ondergaan, heeft bestaan in de invoering van een natuurbeschrijving met behulp van de mathematische begrippen der klassieke mechanica; zij beduidt het begin van de mathematisering der natuurwetenschap, die in de physica der twintigste eeuw haar voltooiing krijgt.” (Dijksterhuis, p.550).

De aanname van de hypothetische wetenschap is dat de natuur beschreven kan worden in algemene regels en wetten uitgedrukt in wiskundige vergelijkingen tussen variabelen. Experimentele natuurwetenschap en techniek zijn de twee zijden van dezelfde munt. Een succesvol experiment levert een praktisch toepasbaar inzicht in de werking van de natuur op. De moderne medische wetenschap probeert de onderliggende mechanismes van het leven bloot te leggen.

Hoe meer inzicht we hebben in de determinanten van de lichamelijke levensprocessen des te beter zijn we in staat de oorzaken van ongewenste verschijnselen op te sporen en des te beter kunnen we door middel van medische interventies klachten verhelpen. Op basis van inzichten in de bouwstenen en mechanismes van het leven richt de medische wetenschap en praktijk zich steeds meer op het voorkomen van ziektes door in een zo vroeg mogelijk stadium symptomen ervan op te sporen. De medicus grijpt niet alleen in wanneer de individuele patient zich meldt met een klacht, maar hij is steeds meer betrokken bij preventief onderzoek en interventies ter voorkoming van mogelijk optredende ziektes en afwijkingen.

De ook reeds door Descartes voorziene automatisering, die zich niet beperkte tot het overnemen van fysieke arbeid, maar tevens tot de denkarbeid, het verwerken van gegevens en informatie, speelt een belangrijke rol in de medische wetenschap. De interventies in de preventieve sociale geneeskunde zijn gebaseerd op voorspellende modellen die gevoed zijn met gegevens uit patiëntgegevens en bevolkingsonderzoeken. Denk aan onderzoek voor het vroegtijdig opsporen van borst- of darmkanker, of aan interventies ter voorkoming van hart- en vaatziektes of diabetes.

Het onderzoek naar de moleculaire basis van de levensprocessen heeft geleid tot het in kaart brengen van het menselijk genoom. Een ontwikkeling die een stimulans betekende voor het onderzoek naar de genetische factoren voor erfelijke afwijkingen. Deze heeft op haar beurt de mogelijkheden van voorspellende geneeskunde vergroot. De vraag is wat de betekenis van deze ontwikkeling is voor het perspectief op de mens en voor de principes van de medische ethiek.

Tegenover de aantasting en bedreiging van het leven van de individuele mens door tijd en natuur staat de bescherming van het menselijk lichaam tegen ingrijpen door anderen. Na de Tweede Wereldoorlog werd ‘de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam’ internationaal als een fundamenteel ethisch beginsel geformuleerd en met de grondwetswijziging van 1983 is dit beginsel in de Nederlandse Grondwet opgenomen. Artikel 11: ‘Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op de onaantastbaarheid van zijn lichaam,’.

Deze wet is uitdrukking van het recht op privacy en respecteert de autonomie van het individu. Een besluit voor of tegen een medische interventie, of dat nu diagnostisch, curatief of preventief is, moet getoetst worden aan het principe van de persoonlijke integriteit van de individuele patient.

“Cruciaal in de rechtsbescherming van patiënten zijn het autonomiebeginsel, de plicht tot informatie en toestemmingsvereiste. De combinatie van informatie en toestemming (‘informed consent’) vormt de pijler van het huidige patiëntenrecht.” (Rathenau 1999, p.33)

Maar wat betekent die autonomie in de praktijk; in een tijd waarin de burger met de producten, voorstellingen en denkwijze van de op statistische wetenschappen gebaseerde geneeskunde wordt geconfronteerd? Hoe kan de burger beslissen of hij wel of niet zich moet onderwerpen aan een medisch onderzoek of een medische behandeling? Wat is de betekenis van een gezondheidsvoorspelling voor het eigen leven? Hoe stelt de voorspellende geneeskunde het leven voor en wat betekent de autonomie van de burger in dat kader?

Een tweede belangrijk ethisch principe is het beginsel van gelijke behandeling. Voor de wet zijn in principe alle mensen gelijk, ongeacht afkomst, ras, religie. Dit gelijkheidsbegrip moet onderscheiden worden van het gelijkheidsbegrip in wiskundige zin. We komen daar later op terug.

De ‘definitiemacht van de geneeskunde”

Het Rathenau rapport spreekt van de ‘definitiemacht van de geneeskunde’. Daarmee duidt zij op het fenomeen dat de geneeskunde leidt tot medicalisering van het wereldbeeld. Dit komt tot uiting in het normerende taalgebruik. De geneeskunde bepaalt wat ‘gezond’ is en wat ‘ongezond’ is, wat een ‘normale’ BMI (body-mass-index) waarde is voor mannen en vrouwen van een bepaalde leeftijd. De voorspellende geneeskunde bepaalt wat potentieel ongezond is. “De geneeskunde genereert normen om de grens tussen normaal en afwijkend gedrag te bepalen en bewerkstelligt dat problemen in een medische taal worden ge(her)definieerd. De expertise van de geneeskunde vormt daarmee een belangrijke machtsbron.” (Rathenau p. 37) De technische term ‘normaal’ die een wiskundige gedefinieerde waardebereik aangeeft, krijgt een normatieve betekenis.

Het is de geneeskunde die het kader schetst waarbinnen de ‘autonome’ burger voor een beslissing wordt geplaatst die min of meer verstrekkende gevolgen kan hebben voor zijn leven en dat van zijn directe sociale omgeving.

Bij vaccinaties tegen infectieziektes, zoals griep, mazelen, of COVID-19 veroorzaakt door het SARS-Cov-2 virus, speelt de besmettelijkheid een belangrijke rol bij de afweging over noodzaak, wenselijkheid van een medische aanpak. Die besmettelijkheid maakt immers dat het niet om het behandelen van de ziekte op individuele basis gaat, maar om de behandeling of bescherming van de samenleving als geheel. Dat is te meer het geval wanneer de infectie endemische of pandemische vormen aanneemt. Bij de keuze voor de inzet van de (noodzakelijkerwijs) beperkte middelen moet de medicus een afweging maken tussen het belang van de individuele patiënt (burger) en het algemene belang van (een groep in) de samenleving.

Mag de overheid de burgers verplichten zich te laten inenten? Veel mensen verzetten zich tegen een vaccinatieplicht omdat deze tegen de autonomie van het individu indruist. Tegenstanders claimen dat de maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het virus hun vrijheid als autonome burger aantast.

Het is belangrijk dat de burger vertrouwen heeft in de wetenschap en de politiek. Dat deze hem eerlijk zal inlichten over de werking en eventuele bijwerkingen van een vaccin. Daarbij doen zich twee problemen voor. Het eerste is dat de wetenschap alleen kansuitspraken kan doen over het effect van de vaccinatie op grond van metingen. Belangrijker is dat het effect afhangt van het aantal mensen dat zich laat vaccineren. En dat aantal hangt af van het effect van de vaccinatie op het vaccin. We zien hier een kip-ei-probleem. Dit kan opgelost worden hetzij door een autoriteit van buitenaf die vaccinatie verplicht hetzij door een langzaam proces van overleggen waarbij de wetenschap en de politiek de burgers tracht te overtuigen van de noodzaak van vaccinatie.

De ethiek moet de burger beschermen tegen de macht van de geneeskunde. Hoe kan de individuele burger beschermd worden tegen de macht van de geneeskunde? Kan de individuele burger zichzelf voldoende beschermen tegen de macht van de geneeskunde en de druk van de samenleving en de politiek?

Het Rathenau rapport:

“Hoe verhouden de autonomie van individuele burgers, de definitiemacht van de geneeskunde en de macht van de politiek om introductie van voorspellende geneeskunde te reguleren zich tot elkaar? In ons betoog zal duidelijk worden dat
zich rond voorspellende geneeskunde een nieuw type normatieve problemen
voordoet, dat een nieuw kader vergt en dat om publieke c.q. politieke behandeling vraagt. De opkomst van voorspellende, niet klachtgebonden geneeskunde biedt dan ook zowel voor de gezondheidsethiek als voor de politiek en het gezondheidsrecht een grote uitdaging.” (Rathenau, p. 38)

De uitwendigheid van het lichaam

Kenmerkend voor het mathematische denken van wetenschap en techniek is de uitwendigheid ervan. Daarmee wordt bedoeld dat het kennend subject zich als denkend tegenover de werkelijkheid plaatst daarbij afziet van de beperkingen en determinanten die zijn lichamelijkheid en culturele gesitueerdheid met zich meebrengen. Hij maakt een voorstelling van een werkelijkheid die zich buiten hem voltrekt. Die uitwendigheid en afstandelijkheid is de typische denkhouding van de experimentele fysica die streeft naar het experimenteel toetsen van kwantitatieve hypotheses om zo de natuurwetten te leren kennen. Ook in de biologie wordt vanuit dit zelfde perspectief naar de natuur gekeken. Wat overigens niet wegneemt dat er naast de mathematische biologie ook kritiek is op de reductie van de biologie tot de fysica.

Niet alleen de relatie tussen denkend subject en de gekende werkelijkheid is uitwendig, de werkelijkheid zelf wordt vanuit het mathematisch perspectief een rijk van de uitwendigheid (het res extensa van Descartes). Voor Descartes waren ook de wiskundige waarheden aan twijfel onderhevig. Hij had God nodig als instantie die er voor zorgde dat de wiskundige stellingen die voor ons helder zijn ook waar zijn. Gods bestaan moest worden bewezen. Voor de wiskundige Blaise Pascal, een van de grondleggers van de kansrekening, was de conclusie dat God bestaat het resultaat van een beslissingsprobleem. Het verwachte nut in Hem te geloven overtreft het verwachte nut niet in Hem te geloven. Zie Ian Hacking’s geschiedenis van het kansbegrip in “The Emergence of Probability”. Waarmee hij het probleem of je moet geloven in God tot een beslissingsprobleem reduceerde. Pascal volgde exact dezelfde redeneerwijze waarmee we een epidemioloog recentelijk hoorden beargumenteren waarom het verstandiger is om voor vaccinatie tegen het Corona virus te besluiten (een modern beslissingsprobleem).

Vanuit het mathematisch perspectief verschijnt het lichaam en het leven voor de geneeskunde als iets uitwendigs aan het subject. En dat geldt niet alleen voor de wetenschapper als kennend en handelend subject, maar ook voor de wijze waarop deze de relatie van de patient tot zijn lichaam ziet. Dat lichaam is een systeem waarover in medische taal gesproken wordt. Voorbeelden van dergelijk taalgebruik zijn eenvoudig te vinden.

“Sommige mensen reageren niet goed op de vaccinatie vanwege problemen met hun immuunsysteem.”

Zoals hier boven al opgemerkt is, wordt dit soort taalgebruik vaak als normatief ervaren. De opmerking van een arts tegenover een patient over zijn of haar gewicht is zelden zonder een normatieve ondertoon: “zou u niet wat aan uw gewicht doen?” De sociale preventieve geneeskunde houdt zich in toenemende mate bezig met het bevorderen van een ‘gezonde leefstijl’, ter voorkoming van chronische ziektes als diabetes, obesitas en hart- en vaatziektes. De verhouding die we tot ons lichaam en ons leven hebben wordt vanuit het medisch perspectief als een verhouding tot iets uitwendigs aan ons zelf. Als iets dat we kunnen en moeten beheersen en waar we beslissingen over kunnen nemen. De jaarlijkse bodycheck is als een de APK-keuring voor onze auto.

De afstandelijke houding van de geneeskunde is een houding die bij de professie hoort. Ze wordt aangeleerd en door beroepscodes bewaakt. Aan de wetenschappelijke houding en de geneeskunde die daardoor mogelijk is geworden hebben we veel te danken. Het is een goede zaak dat iemand die een been breekt geholpen kan worden en dat we geneesmiddelen hebben gevonden tegen allerlei infectieziektes.

De medicalisering van het taalgebruik als uiting van de definitiemacht van de geneeskunde maakt dat mensen een afstandelijke houding tot zichzelf innemen.

Deze houding botst met de alledaagse werkelijkheid van het leven, waarin we niet alleen ons lichaam hebben als iets uitwendigs in ons leven, maar waarmee we ons identificeren. We zijn lichamelijke geest. De medicus heeft als mens een empathische relatie tot zijn medemensen. En die empathische relatie met de medemens is nog steeds het hart en de ziel van de medicus die zich als medicus verplicht heeft alles te doen wat in zijn vermogen ligt om de zieke mens te helpen.

Uit de artseneed van de KNMG en de VSNU van 2003:

Ik zweer/beloof dat ik de geneeskunst zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens. Ik zal zorgen voor zieken, gezondheid bevorderen en lijden verlichten.

Ik stel het belang van de patiënt voorop en eerbiedig zijn opvattingen. Ik zal aan de patiënt geen schade doen. Ik luister en zal hem goed inlichten. Ik zal geheim houden wat mij is toevertrouwd.

In de voorspellende geneeskunde en de sociale geneeskunde heeft de medicus anders dan in de klachtgebonden medische praktijk niet meer de zorg voor ‘zijn’ individuele patiënt, maar voor de gezondheidstoestand van de samenleving.

Zijn patiënt wordt één van de vele gegadigden, wanneer het om de landelijk gecoördineerde toewijzing van de schaarse IC-bedden aan SARS-Cov-2 patiënten gaat. De medisch/ethische commissie die zich moest buigen over een protocol voor het geval er een landelijk tekort aan IC-bedden voordoet, gaat uit van het principe van gelijke rechten voor iedereen. Dat wil zeggen dat het gelijkheidsbeginsel als ethisch principe geldt. Dat wordt zo opgevat dat toevallige factoren die het verschil maken tussen patiënten in principe geen verschil mogen uitmaken voor de keuze welke patiënt wel en welke niet in aanmerking komt voor een IC-bed. Alleen medische redenen mogen het verschil maken. Dus niet of iemand toevallig dicht bij een ziekenhuis met een beschikbare plaats woont. Alle patiënten worden in een landelijk gecoördineerd systeem ingevoerd en er wordt volgens een afgesproken ethisch protocol berekend of een patiënt verder behandeld zal worden of niet.

Voor de zuiverheid van beslissen wordt er voor gewaakt dat arts of verpleegkundige die in een ziekenhuis de gegevens voor de kandidaat-patiënten in het systeem invoert niet persoonlijk bij de patiënt betrokken is. Het protocol bouwt afstandelijkheid in ter bescherming van de zuiverheid. Betrokkenheid zit op gespannen voet met eerlijkheid. De arts moet zichzelf zien als onderwerp in een systeem, voor het protocol gelijkwaardig aan zijn collegas. Iedere arts is immers bij zijn of haar patiënt betrokken.

Zo’n ethisch protocol gaat uit van het definieerbaar zijn van alle mogelijke situaties die zich voor kunnen doen. wanneer een beslissing genomen moet worden. Het uitgangspunt is een mathematisch model waarop een informatiesysteem gebaseerd wordt dat voor de uitvoering van het protocol zorgt. Er wordt niets aan het toeval overgelaten. Aanname is dat de nodige informatie altijd en tijdig beschikbaar is op het moment dat een besluit genomen moet worden.

Maar hoe realistisch is het te denken dat we het toeval uit kunnen sluiten? Zijn het niet toevallige, feitelijke omstandigheden die op het moment dat het erop aan komt bepalen wat er moet en kan gebeuren?

Hoe autonoom is de mens in het maken van een keuze? Deze vraag roept de vraag op naar de oorsprong van de keuze. Wat maakt dat er op een gegeven moment sprake is van een keuze waar ik iets mee zou moeten doen? Keuzes wijzen op mogelijkheden en die komen niet uit de lucht vallen. Ook mogelijkheden worden gemaakt. Ze worden bedacht.

Het is de technologie die ons nieuwe mogelijkheden biedt, mogelijkheden waarvan we vaak niet helder hebben wat ze precies betekenen. Moet ik wel of niet meedoen aan een test op prostaatkanker? Moet ik me wel of niet laten vaccineren tegen corona? Voor welke beslissing staat de zwangere vrouw die mogelijk een erfelijke aanleg heeft voor een aandoening die ze kan overdragen op haar nog ongeboren kind? Is dat kind al haar kind?

Het leven als proces speelt zich af op een tijdas die bestaat uit levensfasen. Vanuit het perspectief van de voorspellende geneeskunde is iedere burger een potentiële patient die zich in een fase bevindt zoals een ziekteproces. Op sommige momenten kan de burger nog een beslissing nemen die het verloop van het proces nog kan beïnvloeden. De burger staat dan voor de keuze. Keuzeangst en de angst de verkeerde keuze te maken of te hebben gemaakt, zijn bekende verschijnselen die de kwaliteit van leven behoorlijk nadelig kunnen beïnvloeden.

Wat doet het hebben van informatie betreffende mogelijkheden die mijn toekomstig leven kennelijk aangaan mij?

Autonomie en de open toekomst

Het mathematisch denken stelt de tijd en daarmee de tijd van het levensproces voor als een ruimte, waarin het nu een willekeurig punt is net als de andere momenten in het verleden en de toekomst. Het in de geneeskunde gehuldigde autonomieprincipe houdt in dat het individu op elk moment vrij is te beslissen over zijn leven en daarmee over zijn toekomst. De realiteit van de voorspellende geneeskunde maakt dat het noodzakelijk is opnieuw na te denken over wat die autonomie precies inhoudt. Het Rathenau rapport schrijft hierover:

“Het autonomiebeginsel drukt niet alleen de waarde uit van zelfbepaling, maar ook de waarde van een open toekomst. De opkomst van voorspellende geneeskunde noopt ons om de notie van een open toekomst meer gewicht te geven.” (Rathenau, p.106).”

De idee van de autonoom handelende en rationeel beslissende persoon is basis voor de Kantiaanse ethiek. We hebben hierboven, toen we het ethisch protocol voor de toekenning van IC-bedden bespraken, al een voorbeeld gezien hoe “het procedurele karakter van de Kantiaanse ethiek goed aansluit bij de noties van rechtvaardigheid die gangbaar zijn in moderne (verzorgings-) staten, en bij de organisatorische principes van de bureaucratieën die bij de gezondheidszorg betrokken zijn.” (p. 106).

Maar wat nu als volgens de wetenschap het leven van allerlei factoren afhankelijk zijn waar we alleen nog maar in termen van kansen over kunnen spreken? En dat is bij uitstek zo in de geneeskunde die voorspellingen doet en verwachtingen schept en op basis daarvan de mens voor keuzes plaatst die zijn leven drastisch kunnen beïnvloeden. Wat houdt in die situatie ‘autonomie’ in?

Wat hebben de statistische uitspraken van de medische wetenschap mij te vertellen? Die uitspraken gaan immers over gemiddelden over een samenleving, een populatie. Maar wat zegt dat over mij? Aristoteles wees ons er in zijn Ethica Nicomachea al op: de medische wetenschap gaat niet over individuen, niet over Socrates, maar over ziektes, symptomen en dus hooguit over categorieën patiënten. De individuele burger zit met de vraag: tot welke categorie hoor ik? Welke statistieken zijn op mij van toepassing?

De beslissing of op grond van de uitslag van een prenatale test een abortus moet worden afgebroken vanwege het risico op een erfelijke aandoening is van een geheel ander karakter dan de keuze die gemaakt wordt bij het kopen van een wasmachine.

Is de idee dat hier van een ‘rationele beslissing’ sprake is niet veeleer een reconstructie dan dat het de werkelijke situatie van het moment weergeeft? Net als in het geval van de toekenning van IC-bedden is er in een dergelijke situatie nooit sprake van een transparante situatie zoals die vanuit informatie-technisch perspectief wordt voorgesteld. De werkelijkheid ziet er anders uit op het moment dat ‘een keuze zich aanbiedt’ dan op het moment dat er een procedure wordt afgesproken. De situatie zoals die voorgesteld wordt tijdens het ontwerp van een protocol of een technisch middel is niet alleen inhoudelijk anders dan die tijdens het uitvoeren van een protocol of de toepassing van een middel. Situaties staan tegenover de mens die zich in een situatie bevindt als iets buiten hem. Het begrip leefwereld duidt juist op het gegeven dat de mens altijd vanuit zijn situatie betekenis en zin geeft aan de gebeurtenissen in zijn leven.

De idee dat het leven is zoals het tijdens het ontwerp gereconstrueerd is, legt de werkelijkheid het beeld op van de reconstructie. De lichamelijke gesitueerdheid zelf is niet te objectiveren. (zie Coolen, 1986, p. 142).

Bestaat het individuele gezondheidsrisico? De vraag is niet zozeer of we dit kunnen kennen, maar of het wel bestaat?

Er is regelmatig twijfel bij de uitvoerenden van een protocol of er bij het ontwerp wel voldoende rekening is gehouden met bepaalde kenmerken die specifiek zijn voor de situatie waarin besloten moet worden op basis van het protocol. Deze twijfel is van dezelfde aard als de twijfel die bij de individuele burger rijst over de betekenis voor zijn eigen leven van kansuitspraken met betrekking tot een testuitslag. Het betreft hier het algemene probleem van de toepasbaarheid dat veroorzaakt wordt door de abstracte tegenoverstelling van een algemeen begrip of regel enerzijds en de concrete werkelijkheid anderzijds.

De fase waarin een beslissing wordt genomen verandert het perspectief op de situatie. Zo wordt ‘het afbreken van een zwangerschap‘ na enige tijd voor de aanstaande moeder ‘het weghalen van het kindje‘. Voor principiële tegenstanders van abortus betekent dit heel iets anders dan voor de moderne geneeskunde. Het zelfde geldt voor diegenen die vanwege hun geloof tegen vaccinatie zijn. Zij zien een ongepast ingrijpen in ‘Gods werk’.

Het is precies die traditionele levenshouding waarmee Descartes bij de Jezuïeten is opgevoed en waarvan Descartes in zijn Vertoog over de Methode schoorvoetend afstand neemt. Hij realiseerde zich terdege hoezeer zijn ideeën indruisten tegen de opvattingen van de machtige paus in Rome. Toen hij zijn Vertoog af had wachtte hij nog vier jaren alvorens het te publiceren. De reden was dat hij in 1633 vernam dat Rome de hele oplage van het pas verschenen boek Het Systeem der Wereld van Galileo Galileï had verbrand. “Ik beken dat als die leer (van Galileï) onjuist is, alle grondslagen van mijn filosofie het ook zijn, want door deze wordt ze op overtuigende wijze aangetoond.” schrijft Descartes in een brief aan Mersenne in 1633. (vertaling uit Descartes Leven en Werken van prof. H.J. Pos in: Descartes 1937, p. 21).

Had Descartes God nog nodig als garantie voor de waarheid van zijn wiskundige stellingen, voor de wiskundige en theoloog Blaise Pascal (1623-1662), de grondlegger van de waarschijnlijkheidstheorie en maker van een mechanische rekenmachine, was het bestaan van God de uitkomst van een risicoinschatting. Je kon maar beter in Hem geloven dan niet.

De weg naar het verleden, de tijd van de Middeleeuwen waarin de macht van de kerk het leven en denken bepaalde is afgesneden voor de autonome mens die zijn eigen wetten en regels opstelt. Het geloof is voor de moderne mens iets persoonlijks geworden, iets dat buiten het domein van het rationele denken van de wetenschap beleefd wordt. De geloofsovertuiging kan niet door de wetenschap geraakt worden. Wel kunnen bepaalde rituelen die soms religieus van aard zijn botsen met moderne inzichten. Maar dit raakt niet aan het geloof. Er is ook geen inhoudelijk debat over mogelijk. Hier heersen gewenning en de emotionele stem van het volk. Rituelen zijn moeilijk te veranderen omdat de religie haar identiteit eraan ontleent. Ze bestaat uit rituelen.

Is er een alternatief voor de idee van de rationele beslissing? Of een complementair idee dat als aanvulling kan dienen? Bij het zoeken van een alternatief moeten we kijken naar het karakter van het mathematische denken. Wat is de blinde vlek in dit denken? Zoals we hierboven al opmerkten is het de directe betrokkenheid zoals we die in de liefdevolle zorg van de ander en de natuur beleven die aan het afstandelijke mathematiserende denken ontbreekt. De onmiddellijkheid van het nu, van de unieke situatie met haar toevalligheden, waarin een besluit moet worden genomen staat tegenover de abstracte algemeenheid van de situatie zoals die wordt voorgesteld en in mathematische modellen is gemodelleerd.

De ethische commissie die zich buigt over ethische protocollen voor de toewijzing van IC-bedden ten tijde van ‘code zwart’ moet zich ervan bewust zijn van het gevaar de reconstructie van de leefwereld zoals ze die zich voorstelt in de modellen die ze samen met de medische expert ontwerpt niet de echte leefwereld waarin de door haar opgestelde regels moeten werken. De transparantie van de begrippen situatie ontbreekt dan.

“Niet de redelijkheid van de wiskunde moet worden nagestreefd, maar de praktische competentie van bijvoorbeeld de zeeman die bij het uitzetten van zijn koers rekening houdt met de wispelturigheden van wind en getij, vormt het na te streven voorbeeld.” (Horstmann 1999, p.113-114)

De ‘praktische competentie’ waarvan hier gesproken wordt verwijst naar een inzicht in de concrete situaties waarin het erom te doen is, een vorm van intelligentie die impliciet aanwezig is en zich niet in algemene regels laat reconstrueren.

Het perspectief van de geneeskunde op het leven is een ander dan het perspectief van de patient of de burger die tijdens zijn leven geconfronteerd wordt met de technieken van de voorspellende geneeskunde en met de gezondheidspolitiek. Hoe vrij is de ‘autonome’ burger in de keuze waarvoor de geneeskunde hem plaatst?

Vrijheid is iets anders dan onafhankelijkheid van invloeden van buiten af. Het is iets anders of je door eigen inzicht in de omstandigheden tot een bepaalde handeling besluit of dat je door iemand anders gedwongen wordt tot die handeling. In het eerste geval is er sprake van een vrije keuze, in het tweede geval niet. Wat voor de professional een noodzakelijk beslissing is die door zijn kennis van de omstandigheden bepaald wordt, hoeft dat voor de leek niet te zijn. Voor de leek speelt het vertrouwen in de wetenschap en de medicus een grote rol. Zonder vertrouwen in de wetenschap en politiek zal de leek zich in zijn vrijheid zelf te beslissen belemmerd voelen. De betrouwbaarheid van voorspellingen zijn dus van groot belang voor de acceptatie van de situatie waarin de burger zich door de voorspellende geneeskunde geplaatst ziet.

Iedereen weet dat wetenschappelijke inzichten van nu niet die van morgen hoeven te zijn. In het begin van de vorige eeuw dacht men “dat masturbatie op den duur tot
ruggenmergtering of andere vreselijke ziekten zal leiden.” Niet zo lang geleden nog leefde de overtuiging dat zwaarlijvigheid een verhoogd risico op voortijdig
overlijden zou inhouden. “Recent grootschalig longitudinaal onderzoek suggereert echter dat het veronderstelde sterke verband tussen zwaarlijvigheid en voortijdig
overlijden niet aanwezig is. De evidentie dat vermageren het risico op voortijdig overlijden zou beperken wordt recentelijk sterk betwijfeld.” (Rathenau, 1999, p.119). Er zijn zelfs aanwijzingen dat stigmatisering meer invloed heeft op de gezondheidstoestand van mensen met overgewicht dan het overgewicht zelf.(Tomiyama 2018).

In het algemeen is het de vraag in hoeverre het perspectief waarin de voorspellende geneeskunde het individuele leven plaatst wel zo gezond is. De snelheid waarmee nieuwe technologie de markt verovert in de vorm van consumptiegoederen is in de loop der eeuwen enorm toegenomen.

Het ‘quantified self’

Nadat in de 14de eeuw de eerste uurwerken werden gemaakt als reconstructies van het universum – volgens (Draaisma 1986) was de tijdaanduiding slechts een toevallige functie van deze machines – duurde het een aantal eeuwen voordat het gebruikelijk werd dat de mens een uurwerk bij zich droeg. Het mechanische uurwerk was de eerste constructie die vanzelf werkte, een objectivering van de tijd in de vorm van een oneindig voortdurend proces. Nadat de mens een mobiele telefoon bij zich ging dragen duurde het slechts enkele decennia voordat er allerlei functies in werden gebouwd voor het monitoren en controleren van de lichamelijke gedragingen. De stappenteller, de stressmeter, de slaapmeter, de bloeddruk- en bloedsuikermeter kunnen op elk moment ons kwantitatieve informatie geven over onze ‘gezondheidstoestand’. Consumptieve gezondheidstechnologie is de uitwendige economisch vorm waarin de individualiserende voorspellende geneeskunde tot uitdrukking komt en via welke we onszelf het ideaal van een gezond leven in de vorm van een ‘quantified self’ opleggen.

Het lijkt erop dat net als het uurwerk als tijdmeter en organisator van onze beschikbare tijd, een toevallige toepassing was van simulatie model van het heelal, de denkende machine een toevallige toepassing is van de simulatie van het rekenende denken.

Het levensverhaal

“De portier is invalide”. Het lezen van deze zin die de eerste zin is van de roman Nooit meer slapen (W.F. Hermans) plaatst de lezer voor en in een situatie. Zo zonder meer neemt de lezer deze mededeling voor gegeven aan. Hij heeft geen idee waarover het gaat. De vraag “welke portier?” komt niet eens in hem op. Hij leest gewoon door en laat zich meevoeren de wereld van het het verhaal in. Gaande het verhaal worden dingen duidelijker, andere juist onduidelijk.

Zo is het met het leven ook. De wetenschap en de technologie vertellen ons een verhaal waarin we ons laten meevoeren. We kunnen zelf bepalen hoe we dit verhaal interpreteren dat maakt het tot ons verhaal. Maar we hebben niet in de hand met welk verhaal we geconfronteerd worden.

Wetenschap en techniek zijn echter ook interpretaties van een verhaal. Ze zijn net als wij onderdeel van het verhaal dat het leven is en dat we niet in de hand hebben. We kunnen het slechts leven. Van der Heiden (2020) bespreekt in Hermeneutische variaties de filosoof Dilthey. De levensuitingen of -uitdrukkingen, zoals Dilthey wetenschap, kunst en technologie noemt, “zijn niet onmiddellijk voor de mens inzichtelijk of helder, omdat het bewustzijnsleven (waarvan ze uitdrukkingen zijn) voor de mens weliswaar onmiddellijk geleefd wordt en in die zin onmiddellijk gegeven, maar niet onmiddellijk transparant is.” (Van der Heiden, p. 191) .

“Niet de logos als argument of verklaring, maar de mythos, het verhaal, is hier de adequate vorm om een levenssamenhang als eenheid tot uitdrukking te brengen en zo te verstaan of te begrijpen, te geven.” (p.193-194).

De taak van de ethiek

De techniekfilosofie houdt zich veelal bezig met de ethische problemen die de ontwikkeling van nieuwe technologie met zich mee brengt. Techniek speelt een mediërende rol in het leven; het verandert de kijk op ons zelf en de wereld om ons heen. Het is een goede zaak dat er bij het ontwerp van nieuwe technologie nagedacht wordt over de mogelijke gevolgen die introductie ervan heeft op de gebruiker, en op de samenleving. Ethiek moet zich echter niet beperken tot mogelijke impact van de bijzondere producten van het technische denken, maar met de vooronderstellingen van het technisch denken zelf. De ethiek raakt het wezen van de techniek en wezenlijk voor technologie is het mathematische wetenschappelijk denken. Daarom moet de ethiek zich bezig houden met de vooronderstellingen van dit denken met de eigen aard van het mathematische perspectief.

Het is de taak van de ethiek tegen de stroom van het mathematiserende denken in op te komen voor het toevallige, het unieke van de historische situatie waarin we leven. De ethiek moet er voor waken zelf niet bevangen te worden door het mathematische denken. Ze moet zich niet beperken tot het opstellen van ethische protocollen, maar onderzoek doen naar de vooronderstellingen van het denken in protocollen en aandacht vragen voor de gevolgen van het mathematiserende denken.

Giovanni Pico della Mirandola (1463 – 1494) is de auteur van één van de belangrijkste traktaten uit de Renaissance: Oratio de Hominis Dignitate ofwel: Oratie over de menselijke waardigheid. Hij schetst daarin het moderne zelfbeeld van de mens als een zich vrij vormend wezen.

Als vrij en soeverein kunstenaar moet jij als het ware je eigen beeldhouwer zijn en jezelf uitbeelden in de vorm die je verkiest. Je kunt ontaarden in de lagere vormen, de dierlijke, maar je kunt ook door eigen wilsbesluit herboren worden in de hogere vormen, die goddelijk zijn.”

Door middel van wetenschap en technologie heeft de mens dit ideale zelfbeeld van de autonome mens door de eeuwen heen geprobeerd te realiseren. Het heeft geleid tot de vergaande mathematisering en automatisering van de arbeid en de verwetenschappelijking van het individuele leven. Wat in dit ideale zelfbeeld ontbreekt is dat de mens ook is als een dier, lichamelijk en cultureel historisch gebonden aan de natuur waarvan hij een onderdeel is.

De tijd vraag om een heroverweging van het ideale zelfbeeld van de mens als het autonome individu, het mathematisch ideaal van zowel de voorspellende geneeskunde als van de ethiek.

Bronnen

Hugo A. van den Berg (2017). Inceptions of Biomathematics from Lotka to Thom. Science Progress. March 2017:45-62.

Brian Butterworth (1999). The mathematical brain. MacMillan, 1999.

Arturo Carsetti (2021). Life and cognition. A postscript. Academia Letters, Article 2648.

Maarten Coolen (1986). Artificiële Intelligentie als de metafysica van onze tijd. In: Geest, computer, kunst. Peter Hagoort en Rob Maessen (red.) . Stichting Grafiet, Utrecht ,1986.

Olaf M. Dekkers en Jesse M. Mulder (2020). When will individuals meet their personalized probabilities? A philosophical note on risk prediction. Eur J Epidemiol. 2020 Dec;35(12):1115-1121.

Bestaat het individuele gezondheidsrisico? De vraag is niet zozeer of we dit kunnen kennen, maar of het wel bestaat?

“…we have highlighted fundamental questions relating to the philosophy of biology, in particular the question of chance and whether the ontological relationship between things and processes is different in biology as opposed to the non-living world. And such reflections might help us to arrive at a deeper understanding of the
reality that our predictions aim to latch onto, and thereby of the limits of prediction.”

René Descartes (1637/1937). Vertoog over de Methode. Vertaling van Discours de la Méthode door Helana Pos. Met een inleiding van Prof. dr. H.J. Pos, Wereldbibliotheek Amsterdam-W. 1937.

Ignaas Devisch 2008. An open future? The principle of autonomy within medical ‘codes of conduct’ versus the heteronomy effects of predictive medicine. Cent. Eur. J. Med. 3(2), 2008, pp. 141-148.

E.J. Dijksterhuis (1977). De mechanisering van het wereldbeeld. Derde druk. Meulenhoff, Amsterdam, 1977.

Douwe Draaisma (1989). De machine achter het gordijn. In: Geest, computer, kunst. Peter Hagoort en Rob Maessen (red.) . Stichting Grafiet, Utrecht ,1986.

Louk E. Fleischhacker (1993), `Het mathematisch ideaal’ in: De Uil van Minerva, Gent 1993, pp. 165-180.

Louk E. Fleischhacker (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Louk E. Fleischhacker (1998). On the notion of life. Theor. Biosci. (1998) 117; 139-160.

Hacking, Ian (2006). The Emergence of Probability: a philosophical study of early ideas about probability, induction and statistical inference. Second Edition, Cambridge University Press, 2006.

G.W.F.Hegel (1978). Het wetenschappelijk kennen, Dit is de door Peter Jonkers vertaalde Vorrede van de Phänomenologie des Geistes (1807). Boom Meppel, 1978.

Gert-Jan van der Heiden (2021). Metafysica: van orde naar ontvankelijkheid. Boom uitgevers, Amsterdam, 2021.

K. Horstman, G.H. de Vries, O. Haveman, (1999). Gezondheidspolitiek in een risicocultuur; burgerschap in het tijdperk van de voorspellende geneeskunde. Den Haag: Rathenau Instituut, 1999; Studie 38.

Joyner, M. J., & Paneth, N. (2019). Promises, promises, and precision medicine. The Journal of clinical investigation129(3), 946–948.

“The terms precision medicine and personalized medicine have been used interchangeably to refer to the view that incorporating information encoded in the human genome as the dominant factor in the prediction, diagnosis, and treatment of human disease will lead to marked improvements in human health.”

Precision medicine asserts a tight linkage between individual variability in DNA sequence and disease causation.

D.J. Struik (1977). Geschiedenis van de wiskunde. SUA, Amsterdam, 1977.

Max Tegmark (2014). Our Mathematical Universe: My Quest for the Ultimate Nature of Reality, Penguin Books, 2014.

Tomiyama, A., Carr, D., Granberg, E. et al. How and why weight stigma drives the obesity ‘epidemic’ and harms health. BMC Med 16, 123 (2018).

Jack Wilkinson et al. (2020). Time to reality check the promises of machine learning powered precision medicine. Lancet Digital Health Vol. 2; Issue 12, December 2020; Published online september 2020.

Machine learning methodes in combinatie met grote databases van medische gegevens zouden een kwaliteitsverbetering opleveren en meer gepersonaliseerde benadering van de geneeskunde mogelijk maken. De aanvankelijke hooggespannen verwachtingen zijn inmiddels getempered. Genetisch kennis heeft amper meerwaarde boven de reeds bestaande methodes in de gepersonaliseerde voorspellende geneeskunde (Joyner & Paneth 2019).

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.

Omgaan met onzekerheid

“Iets wat zo belangrijk is in het leven, daar wil ik het over hebben. Omdat ik zelf wil leren omgaan met onzekerheid, maar ook omdat ik beter wil begrijpen hoe anderen dat doen en wat voor gevolgen dat heeft voor hoe we samenleven.”

Dit schreef Sanne Blauw van De Correspondent in een bericht aan haar lezers. Ze is op zoek naar mensen die “de fundamentele onzekerheid van het leven niet uit de weg gaan”.

Ze schrijft graag in contact te komen met bijvoorbeeld:

  • Iemand die asiel heeft aangevraagd in Nederland. 
  • Iemand met een vermiste dierbare. 
  • Iemand wiens partner een affaire heeft gehad.
  • Iemand die kiest voor een nomadisch bestaan.
  • Iemand die van het geloof is gevallen.

Aan potentieel gegadigden geen gebrek, lijkt me.

Elders heeft Sanne al eens laten weten dat ze iets met cijfers heeft. Ze heeft econometrie gestudeerd. Er is geen wetenschap waar zoveel met wiskundige modellen wordt gewerkt als in de econometrie. In haar boek met de zelf-reflexieve titel Het best verkochte boek ooit (met deze titel) schrijft ze:

“Nooit eerder was de invloed van cijfers op je leven zo duidelijk als tijdens de pandemie. Maar waar cijfers belangrijk zijn, ligt misleiding op de loer.”

Misschien is het dat ze, net als zovelen tegenwoordig, de zekerheid zocht (en vond? ) in de wiskunde? En dat het besef dat we die zekerheid daar niet kunnen vinden haar onzeker maakt? Is het niet het wiskundig denken dat ons misleidt?

We denken tegenwoordig erg mathematisch. Dat zit veel dieper in onze cultuur en ons denken dan we denken. Hoe je denkt, hoe je tegen de dingen die gebeuren aankijkt, dat is heel erg je zelf, zodat je er moeilijk los van kan komen. Waarom zou je dat ook willen? Waarom zou je die zekerheden die je denken je leveren kwijt willen?

Maar wat nu als die wiskunde niet meer de zekerheid biedt die we dachten dat ze ons bracht? De ontdekking van de niet-Euclidische meetkunde maakte pijnlijk duidelijk dat de werkelijkheid niet eenduidig voorschrijft hoe deze gemodelleerd moet worden. De mathematische vergelijkingen waarin de fysica haar kennis van de natuur uitdrukt roepen de vraag op hoe deze te interpreteren. De materie lijkt op te lossen in statistische vergelijkingen. De fysica onderkent dat de natuur zich houdt aan de principes van relativiteit en onzekerheid. Hoe kan iets tegelijk golf en deeltje zijn, continue en discreet, een reeks toestanden en een proces? De wiskunde vond de oplossing in de infinitesimaalrekening, maar bestaan limieten wel? Wordt een tafel echt vlak als je maar lang genoeg schuurt? Wordt een kans ooit een onmogelijkheid of een zekerheid, zoals de statisticus ons wil doen geloven?

Het program van Hilbert bedoelt om de wiskunde te funderen in een consistent axiomastelsel werd door de onvolledigheidstellingen van Gödel en Tarski om zeep geholpen. De wiskunde is niet in staat zichzelf van een basis te voorzien. Wanneer het wiskundig denken zich over zichzelf terug buigt is het resultaat steevast een logische paradox. De verzameling van alle verzamelingen is geen verzameling, op straffe van logische inconsistentie. We moeten maar aannemen dat de wiskunde klopt. Maar waarom zouden we? Omdat het werkt?

De bijvang van deze grondslagencrisis in de moderne op mathematische idealen gebaseerde wetenschap is de programmeerbare machine, de kunstmatige intelligentie. Het rekenwerk en alles wat tot rekenwerk gereduceerd kan worden wordt voortaan door robots gedaan. De mens die zich meende te vinden in een zinvolle dagtaak wordt meer en meer uit het productieproces gestoten door de machines. Alles, inclusief de mens en de materie, is informatie geworden. Onze identiteit is een datastructuur in een informatiesysteem, zoals dat van de Belastingdienst. Hoe vinden we ooit ons zelf nog terug in dit mathematisch, statistisch, universum?

We herkennen ons in allerlei zaken en omstandigheden die onze uitwendige identiteit uitmaken: onze fysieke omgeving, ons werkblad op ons bureau, de inhoud van de boekenkast, de inrichting van onze kamer, de tuin, het gereedschap, onze kleding, onze bankrekening en verzekeringen. Maar ook in onze sociale omgeving, onze familierelaties, onze gewoontes, rituelen en tradities, in ons geloof, herkennen we ons zelf. In ons werk, in onze sociale status. In onze taal. Het zijn allemaal uitingen van onze persoonlijke identiteit. Ze zeggen wat we zijn.

Maar zoals met alles in de werkelijkheid kan door oorzaken van buiten af plotseling verandering komen in die uitwendigheden.

Wanneer je mij vroeg ” wat ben je?” dan zei ik “wiskunde docent”. Wanneer je dat de buurman vraagt zegt hij: “melkveehouder”. Een ander identificeert zich als “bakker” of “wijkverpleegkundige”. Na het bereiken van de ‘pensioengerechtigde leeftijd’ werd ik ontslagen. Te oud bevonden. Na 40 jaar dienst in het onderwijs. Wat ik nu ben? Ik ben met pensioen, ik was docent. Niet meer. Dan val je terug op ‘jezelf’. Maar was dat niet de docent wiskunde? Je hebt dan geluk als er meer is dan je werk. Iets anders waarin je jezelf kunt vinden. Bijvoorbeeld in de mensen om je heen. Maar wat als die je ook ontvallen?

Ontslagen worden is een “life changing event”, zoiets als je partner verliezen door echtscheiding, ziekte of een ongeval. Of als je van je geloof in God bent afgevallen. Of gevlucht bent uit je geboorteland. Je moet dan op zoek naar de ‘invariant’, naar dat wat in die verandering blijft, je zelf.

Dan blijkt datgene waar je je eerst mee identificeerde zonder het te weten: ‘je leven’, je identiteit, je eigen taal en cultuur, iets uitwendigs te zijn. Zoals je werk dat, wanneer het eenmaal van buiten af abstract genomen wordt en in taken en functies uiteen gevallen is, uitwendig aan je zelf als arbeider is geworden en vervolgens door een machine, een robot, gedaan kan worden. Mensen voeren functies uit in een systeem en iedereen is vervangbaar. Door een ander, en uiteindelijk door een machine. Dat werkt in zoverre die functies uitwendig zijn aan de mens. Als een huis dat niet een woning is, maar iets uitwendigs, een economisch goed, iets dat een functie heeft in een economisch, sociaal systeem.

In een persoonlijke crisis blijken we vast te zitten aan een uiterlijke vorm, een life style, en moeten we op zoek naar een life style coach die ons moet helpen bij het zoeken naar een nieuwe life style. Want hoe kunnen we bestaan zonder een of andere life style, een levensvorm waarin we ons thuis voelen?

Maar welke? Is er een ideaal zelf (iets dat inhoud geeft aan ‘ik ben ik’), een normaal of gemiddeld mens, een profiel, waar we naar op zoek zijn? Komt onze onzekerheid misschien voort uit het besef dat zo’n ideaal niet bestaat, dat het slechts een hersenspinsel is. Zoals de gemiddeldes van de statistici en de getallen waarmee we de verschijnselen om ons heen de maat nemen? Weten we niet allang dat die kunstmatige intelligente wezens die volgens de technologen onze toekomstige opvolgers zijn, slechts virtuele wezens zijn, uitwendige objectivaties van een zelfbeeld waarin we ons niet meer herkennen?

Denken we niet heel erg mathematisch over ons leven als we dit zien als een uitwendig, willekeurige, vervangbare vorm van ons ‘ware zelf’, onze ‘ware identiteit? Die identiteit bestaat immers niet buiten de wijze waarop we ons leven leven, en buiten de wijze waarop we ons er toe verhouden. Die relatie is veel intiemer dan door het woord ‘uitwendigheid’ wordt uitgedrukt. Je moet immers op één of andere manier leven in de uitwendigheid om iemand te zijn. De identiteit die je zoekt daarvan ga je zelf uit. Die is je al gegeven. Wie de zekerheid van zichzelf zoekt, die zoekt het paard terwijl hij er op zit. De levensvorm is veel meer dan een vorm; het maakt de kwaliteit van je leven uit.

Hoe leer je omgaan met onzekerheid? Vraagt Sanne. En ze hoopt van anderen te leren hoe je dat doet. Maar hoe kun je uit de verhalen van anderen leren hoe je zelf met je onzekerheid om moet gaan? Alsof dat iets leerbaars is; zoals de wiskunde iets leerbaars (mathesis) is.

Ik denk dat je er niet mee moet omgaan. Dat je de onzekerheid moet negeren, omdat het niets is, leegte. Laat je mee voeren door de zekerheden van de dingen die wel zijn, dingen, mensen, die iets betekenen in je leven. Dat zou mijn advies zijn.

Wie leeft gaat dood. Zoveel is zeker. Je weet alleen niet zeker wanneer en hoe. Dat kan je erg onzeker maken. Ik kan ‘s nachts als ik wakker lig beklemd raken door allerlei vragen die in mij opkomen. Wie maait het gras als ik er niet ben? Moet ik mijn gereedschap niet alvast netjes opbergen? Wie kent onze bankrekening waarop ons spaargeld staat? Het resultaat van onze zuinige levensstijl die we tot op de dag van vandaag vol hebben gehouden. Wie kan er bij mijn spullen op de computer, mijn administratie. Moet ik daar iets aan doen? Nu al? Hoe bereid ik mij voor op mijn dood zijn? Hoe laat ik mijn leven achter? Is het uit gemakzucht als ik hier niets aan doe? Moet ik me zorgen maken?

Of moet ik denken zoals Epicurus (341-270 v.C.) dacht over het vrezen ?

“Eigenlijk valt er als je leeft niets te vrezen, wanneer je écht doorhebt dat er als je niet leeft niets te vrezen valt.” En over het vrezen van onze dood zegt hij:

“De dood raakt ons in het geheel niet, aangezien de dood er niet is zolang wij bestaan en wij niet bestaan zodra de dood komt.” We zullen onze dood nooit meemaken.

Epicurus had mooi praten. Hij leefde in een tijd waarin er niet nagedacht werd over de toekomst van de aarde. Had hij wel kinderen over wiens toekomst hij zich zorgen moest maken? Wij wel.

Is daar geen app voor, een methode, die je zegt hoe je je moet voorbereiden op je definitieve vertrek? Of moet je dat allemaal zelf maar uitzoeken?

Misschien moeten we wel leven alsof de toekomst niet bestaat!

Zelfreflectie van een kamerlid: over de verleiding het goede te doen

“De smart is het oog van de geest”

Het zijn smartelijke tijden.

In de Tweede Kamer verwijten de volksvertegenwoordigers de regering laakbaar gedrag en wegkijken van de realiteit. Die realiteit heet vandaag Afghanistan. Wat gaat er gebeuren nu de Taliban de zaken heeft overgenomen? Er is chaos. Was er ooit orde?

Is het allemaal voor niets geweest? De doden en de oorlogsgewonden. De oorlogstrauma’s van de ex-militairen, de veteranen, die hun dierbaren zagen omkomen in de strijd voor de Goede Zaak. Het verdriet van de ouders, broers, zussen, neven en nichten.

Wie huis, vrienden en familie achter laat om in een ver land het kwaad te bestrijden, wie de wapens opneemt om een ander eventueel van het leven te beroven, omdat hij anders jou of je vrienden van het leven beroofd, die moet wel overtuigd zijn van het Goede. Het Goede dat is wat ik doe in het leger. Want daar, die anderen daar, is het Kwaad. Voor filosoferen, voor reflectie en twijfel is geen plaats in de strijd op leven en dood. Dat doen ze maar in de Tweede Kamer.

Als de regering besluit dat het leger de strijd moet aangaan met het kwaad in Afghanistan, uit solidariteit of om wat voor nobele reden ook, dan gaan we. De overtuiging het Goede te doen en de onderlinge band van solidariteit sterkt ons in de strijd.

Wanneer iemand een voor hem of haar schokkende gebeurtenis direct heeft meegemaakt. daarvan getuige is geweest of erover gehoord heeft en daarop met intense angst en persoonlijke machteloosheid heeft gereageerd dan is er sprake van een traumatische ervaring.

Een mechanisme voor het verwerking van zo’n ervaring is het volgende. Wie niet meer in staat is het leed te dragen, wie niet meer kan slapen vanwege de beelden die spoken door het hoofd, wie niet meer kan wegkijken die zoekt mogelijk de verlossing in de verdoving: alcohol en drugs. Als medicijn tegen de ondraaglijke last van het bestaan.

Een paar feiten.

De wijdverbreide opiumproductie speelt bij de oorlog in Afghanistan een grote rol. Het land neemt in zijn eentje zo’n 80 procent van de wereldproductie van heroïne voor zijn rekening. De winsten zijn in handen van de machthebbers die hun kapitaal investeren in luxe villa’s en bouwprojecten in Dubai. “Dubai is een heel belangrijk schakelpunt. Niet alleen voor de heroïne zelf, maar ook voor het drugsgeld. Want al die miljarden moeten natuurlijk ergens naartoe. Banken in Dubai zoeken dat criminele geld actief op en financieren er de eindeloze bouwactiviteiten mee.” (journalist Antoinette de Jong in Trouw). Ook in ons land.

Het forse inkomen van de Taliban, 1.6 miljard in de laatste 10 jaar, is afkomstig uit de grondstoffen- en drugshandel, vastgoed, criminele activiteiten als ontvoeringen en met de donaties van buitenlandse organisaties en overheden. Ook in ons land.

The issue of narcotics in Afghanistan – the production and trafficking of poppy based drugs and methamphetamine – remains unaddressed as yet in the Afghan peace process. This remains the Taliban’s largest single source of income. It also has a destabilizing and corrupting effect within Afghanistan and contributes significantly to the narcotics challenges facing the wider international community“(VN rapport van de Security Council over Afghanistan, juni 2021)

Nederland is een belangrijk centrum in de handel van drugs en drugskapitaal. De drugsmaffia dringt steeds meer door in de bestuurslagen, via afpersing en omkoping. Drugsgerelateerde criminaliteit is aan de orde van de dag. Geen dag gaat voorbij zonder een ‘incident’.

Van de volwassen Nederlanders geeft 5 % aan de laatste maand cannabis te hebben gebruikt (Trimbos). Nederland gaat in Europa nog steeds (ver) aan kop wat betreft het laatste-jaar-gebruik van ecstasy: 6,9% versus het EU-gemiddelde van 3,9% onder jongvolwassenen van 15-34 jaar. Het percentage laatste jaar gebruik van cocaine onder Nederlanders van 18 jaar en ouder is bijna 2 %.

Wanneer onze volksvertegenwoordiging, de Tweede Kamer, de Nationale Politie, Defensie, Justitie, een ‘representatieve afspiegeling’ is van de Nederlandse samenleving, wat het ideaal is van de democratie, dan kunt u uitrekenen hoeveel kamerleden, leden van Defensie, Politie en Justitie, drugs gebruiken, in aanraking komen met criminele activiteiten die gerelateerd zijn aan de drugshandel, aan het Kwaad in Afghanistan.

Het is rijkelijk naïef om te geloven in een simpele verdeling van Goed en Kwaad. Wij doen goed, zij zijn het kwaad. Het is rijkelijk naïef te geloven dat je door een missie in een ver buitenland het Goede doet. Voor wie dat gelooft en achteraf bij terugkeer ziet dat het niet zo simpel ligt, dat wat goed leek kwaad bleek en omgekeerd, die valt in een diepe existentiële put. Wat heeft het voor zin gehad?

Er is andermaal de roep om zelfreflectie bij de overheid, in de Tweede Kamer.

Zelfreflectie is er in twee vormen: de uitwendige vorm en de innerlijke vorm.

De standaardreactie van ons en onze overheid op de roep om zelfreflectie is een uitwendige wijze van zelf-reflectie. De installatie van een commissie die onderzoek doet naar de uitwendige oorzaken. Maar daar hebben we genoeg van. De ‘Dauerreflektion’ is kenmerk van onze mediale-samenleving, waarin reflectie op reflectie en controle op controle gestapeld wordt. Wij kijken voortdurend naar ons zelf via het kastje, de media, de praatprogramma’s. Maar we kijken naar onszelf als naar een ander. De beheersing en controle van het zelf laten we aan de ander over, waardoor niemand meer zelf verantwoordelijk is. Want de ander zou dat toch controleren! Daar hebben we toch een commissie, een loket, de politie, een website, een app, voor! Controleren en handhaven dat is de taak van de ander. Maar iedere controle begint bij zelfcontrole, zelfhandhaving, zelfbeheersing.

Echte zelfreflectie is van een andere orde. Daarin gaat het erom de vooronderstellingen, de dieper liggende onuitgesproken vanzelfsprekendheden van het denken en handelen te doorgronden. Niet door van buiten af te analyseren hoe iets tot stand is gekomen, maar door van binnen uit, al denkend het denken op de aannames waarvan uit gedacht wordt, te onderzoeken.

De traumatische ervaringen van onze veteranen hadden wellicht voorkomen kunnen worden wanneer we niet ons hadden laten verleiden door het idee dat wij het goede doen in de strijd tegen het kwaad dat daar zit bij de ander. Wie zo hoog klimt en jubelt zal diep vallen.

De realiteit is dat zowel het goede als het kwade in ons zelf huist. We zijn zelf als samenleving verantwoordelijk voor de ellende in de wereld. En die samenleving zit in ons zelf, als individuele burger, ambtenaar en kamerlid. De productie van drugs door de criminele bendes wordt in stand gehouden door de consumptie ervan. En die vindt niet alleen plaats buiten de Tweede Kamer en buiten ons leger.

Laten we onze jeugd leren dat er meer is dan het denken in termen van pure mathematische uitwendige opposities, van dit en dat, van hier en daar, van Goed en Kwaad, van ik en de ander, van man en vrouw. Een denkwijze die zo kenmerkend is voor onze binaire samenleving die bij elkaar gehouden wordt door ICT.

Laat de smart het oog van de geest zijn en laten we niet langer wegkijken alsof het kwaad alleen daar zit, bij de ander.

Wat is alles? Is alles informatie?

“Zijn is informatie” (Luciano Floridi)

Tussen de werkelijkheid die de receptiviteit gegeven is, en de betekenis die deze werkelijkheid kan krijgen, schijnt een onderscheid te bestaan.” (Emmanuel Levinas)

In dit stukje bespreek ik het werk van Professor Luciano Floridi, filosoof van het informatiebegrip. Hij beweert dat alles informatie is. Maar wat is dat?

Het is een sleutelbegrip van onze hedendaagse westerse cultuur. Daarom is het van belang te snappen wat dit begrip inhoudt. Hoe wordt alles opgevat als alles informatie is? Ik hoop in dit stukje een bijdrage te leveren tot het begrip dat de lezer die met mij meedenkt van informatie heeft. Daarmee leveren we niet alleen een bijdrage aan het project van Professor Floridi, maar tevens aan het zelfbegrip van onze tijd.

Naast de woorden informatie en gegeven komen een aantal woorden frequent in onderstaande tekst vaak voor. Dat zijn: kwantiteit, structuur, onverschilligheid, uitwendigheid, (on)betrokkenheid. Ze kenmerken een mathematische denkhouding en een daarbij behorende benadering van de werkelijkheid. Diverse denkers over informatie hebben opgemerkt dat informatie ‘een verschil is dat iets uitmaakt’. Informatie heeft met ‘nieuws’ te maken, met het opmerkelijke.

We vermoeden dat informatie als zodanig aan de mathematische sfeer die gekenmerkt wordt door uitwendigheid en onverschilligheid ontsnapt. Iedere poging informatie weer op mathematische wijze te begrijpen zal dan ook tekort doen aan de werking en de werkelijkheid van informatie. Vanuit dit vermoeden en met deze waarschuwing op zak bespreek ik Floridi’s filosofie van informatie.

Floridi (2007) wijst op het nieuwe van het woord “informatie”.

““Information” is one of those crucial concepts whose technical meaning we have not inherited or even adapted from ancient philosophy or theology. It is not a Greek word, and the Latin term happens to have a different meaning, largely unrelated to the way we understand information nowadays.”

Maar volgens de etymologie komt het woord ‘informatie’ van het Latijnse woord ‘informare’, dat vormgeven betekent. En dat lijkt toch wel degelijk verwant aan ons informatiebegrip.

Het Griekse woord ‘technè’ betekent kunde of kunst. Paradigmatisch is het pottenbakken, de kunst waarmee klei een bruikbare vorm gegeven wordt. We zouden met een latijns woord dit vormgeven ‘informeren’ kunnen noemen. En zo is iedere techniek eigenlijk al informatietechniek, het uitdrukken van een (conceptuele) vorm in de materie (zie Fleischhacker 1992).

De techniek heeft een ontwikkeling doorgemaakt: in plaats van klei als materiaal wordt in de computer informatie als materiaal verwerkt. Daaruit blijkt het reflexieve en algemene karakter van de moderne technologie: de informatietechnologie is de technologie van de technologie. Informatie heeft betrekking op een toestand en wordt tevens gepresenteerd door een toestand van een als systeem gedacht deel van de werkelijkheid. Het gaat om toestanden formeel genomen, toestanden als toestanden. Bij informatiesystemen hebben te maken met fysische systemen met toestanden die staan voor mentale denkinhouden die als toestanden van denksystemen (wiskundige modellen) worden opgevat.

De taal als expressie en communicatiemiddel is nauw verbonden met informatie. Het is door middel van taal dat wij informatie uitwisselen. In taal komt het denken als denken tot uitdrukking. Anderzijds is het zo dat als we een verschijnsel beschrijven als het uitwisselen van informatie dan is er ook altijd sprake van een codering of taal.

Woorden zijn klanken, door de stem gevormde geluiden, die gebruikt worden en ontstaan zijn om ergens de aandacht op te vestigen of die uiting zijn van een (innerlijk) beleven dat de aandacht vraagt. Het is een eenheid van materie en vorm dat in het gebruik verwijst naar iets, de betekenis, als een min of meer beoogd effect. Het woord herinnert aan deze oorsprong en leent zich voor (her)gebruik. Het woord is beeld dat voor iets anders staat.

Informatie is een fascinerend begrip omdat het reflexief is: het betreft (een resultaat van) het denken van de werkelijkheid zoals deze door ons bedacht, gevormd is.

Omdat informatie over een denker informatiever is wanneer we zijn denken vergelijken met dat van een andere denker zal ik het werk van Professor Floridi confronteren met het denken van een andere filosoof, G.W.F. Hegel. Niet dat deze denker zich expliciet over informatie heeft uitgesproken, maar omdat we in zijn denken (met name in zijn Wissenschaft der Logik) verschillende aanknopingspunten kunnen vinden die tot verheldering van het informatiebegrip leiden. Daarbij zal ik dankbaar gebruik maken van de lessen en teksten van mijn leermeester de wiskundige, logicus en filosoof Louk Fleischhacker die mij tijdens mijn studie wiskunde en informatica heeft ingevoerd in het denken van deze soms moeilijk te doorgronden Duitse filosoof. In zijn colleges ging het erom inzicht te krijgen in de eigen aard van het wiskundig denken. Belangrijk omdat het zo wijdverbreid en bepalend is voor de moderne tijd. Ik vermoed dat we pas goed zullen begrijpen wat informatie is wanneer we begrijpen wat ‘uitwendigheid’ inhoudt en wat die eigen aard van het mathematische denken is.

G.W.F Hegel, L.E. Fleischhacker en L.Floridi

De wiskunde wordt vanouds geprezen vanwege de onveranderlijke waarde van haar waarheden. Dat heeft alles te maken met de aard van de wiskundige objecten. Die zijn onveranderlijk en bovendien onafhankelijk van de zintuiglijke waarneming. Wat niet wegneemt dat de zintuiglijke waarneming basis is voor de wiskundige begripsvorming. Maar niet het zintuiglijke als waarneembaar is de bron, maar het structurele, het kwantitatieve aan de waarneembare werkelijkheid.

Wiskundige objecten en waarheden zijn niet aan slijtage onderhevig. Wat wel aan slijtage onderhevig is dat is de materie, deze verandert voortdurend van vorm. Dat geldt in het bijzonder voor informatie. Hoe kan het dan dat de toepassing van de wiskunde zowel op theoretische wijze in de natuurwetenschappen als op praktische wijze in de techniek zo succesvol is? Of moeten we misschien vraagtekens plaatsen bij dat vermeende ‘succes’ van de toepassing van het mathematische denken? Waar vinden we in de werkelijkheid iets dat dit denken een halt toeroept, een werkelijkheid die niet door door denken begrepen kan worden? Het leven?

Inleiding in het denken over verandering

Lang geleden dacht men dat rupsen en vlinders geheel verschillende dieren waren. Het duurde duizenden jaren voordat mensen erachter kwamen dat de kruipende, dikke rups later in zijn leven verandert in een fladderende, tere vlinder.” (De Vlinderstichting)

Het bijzonder van de diersoort mens is volgens de Franse filosoof Henri Bergson dat deze zich af en toe even kan bevrijden uit het driftige leven waarin de dieren gevangen lijken te zitten en van de overlevingsdrang die hem tot arbeid en het maken van steeds maar nieuwe technologie aanzet. De mens vindt af en toe tijd en aanleiding om waarom te vragen. Vooral nu die technologie een vorm heeft gekregen waarin de mens zichzelf als arbeider en berekenend denker tegenover zich ziet. De autonome technologie bevrijdt de mens van de arbeid zodat hij tijd heeft om in het rijk der vrijheid na te denken. Tevens houdt de technologie hem een spiegel voor.

Hoe zijn we hier gekomen?

In het begin was er niets. Zo wordt wel gedacht. Maar hoe kan uit niets iets ontstaan? Is dan de vraag. Misschien was er geen begin. Is er altijd wel iets geweest. Verandering? Maar dan moet er iets zijn dat verandert, iets dat iets anders wordt. Dat betekent dat er een verschil moet bestaan tussen het ene wat het was en het andere wat het wordt. In hoeverre, in welke zin, zijn die twee, dat ene en dat andere, er al voorafgaand aan de verandering? En bovendien moet het zo zijn dat datgene wat verandert in zekere zin onverschillig is tegenover dit ene en het andere, het blijft in die verandering immers zichzelf; het iets dat verandert. Het stoot zich als het ware af van de uiterlijke eigenschappen die het heeft.

Wat is het dat van rups vlinder wordt? Er kunnen wel tegelijkertijd rupsen en vlinders zijn, maar kan het leven tegelijk rups en vlinder zijn? De rups is niet vlinder en de vlinder is niet rups. Of is dat te verstandelijk en oppervlakkig gedacht? Toont de werkelijkheid dan niet dat de rups vlinder wordt, zoals het eikeltje een eik. Maar dan moet de rups toch in aanleg al vlinder zijn geweest.

De natuur kent geen sprongen. Wordt wel gezegd. Er is geleidelijkheid in de verandering. Maar water kan toch plotseling ijs worden en wanneer wordt het virus dat dode materie is een levend iets?

“Men probeert maar al te graag in de geleidelijkheid van de overgang een verandering begrijpelijk te maken; maar de geleidelijkheid is de louter onverschillige verandering, het tegendeel van de kwalitatieve verandering. In de geleidelijkheid is veeleer de samenhang van de beide realiteiten – ze worden als toestanden of als zelfstandige dingen opgevat – opgeheven; het is gesteld, dat geen ervan de grens van de ander is, maar dat de een de ander slechts uiterlijk is; hiermee wordt juist dat wat we nodig hebben voor ons begrip, ook al is daarvoor nog maar weinig vereist, verwijdert.” (Hegel, WdL I, p. 438, eigen vertaling) .

Dat we de metamorfose van vlinder en rups niet echt begrijpen hoe diep we ook duiken tot in de kleinste cellen van het leven, dat geldt niet alleen voor deze specifieke bestaanswijze en verandering. Het onbegrip, dat we soms het toevallige noemen tegenover het wetmatige, regelmatige van de natuur is volgens Hegel een logische noodzakelijkheid, het hoort bij het denken van de werkelijkheid.

De basis van informatie is het gegeven. Een gegeven is iets dat het verschil maakt (Floridi 2014). Om verschil te kunnen maken met iets anders moet het zelf ook iets zijn. De 0 en de 1 zijn zelf ook iets, ze zijn daarin niet volledig bepaald door het onderscheid met het andere. Ook al maakt het niet uit of we dit en dat nu 0 en 1 of 1 en 0 noemen, als we het maar kunnen onderscheiden. Maar we moeten wel kiezen en daar aan vasthouden! Om te kunnen bepalen, vastleggen, wat iets zelf is, in onderscheid van het andere, moet dat andere ook bepaald zijn, als achtergrond waar tegen het gegeven oplicht.

Informatie is gedateerd, de werkelijkheid van nu waarop ze betrekking heeft, is niet meer die van gisteren. In de krant van vandaag wordt morgen de vis verpakt. Wil informatie iets zijn dan moet ze boven de vluchtigheid van de tijd uitsteken. Ze moet iets algemeens zeggen. Haar inhoud moet abstract zijn. Wie informatie wil delen moet, hetzij direct, hetzij indirect, refereren naar dezelfde werkelijkheid, de uiteindelijke maat van de informatie.

Bij Hegel is de kwantitatieve bepaling een onverschillige bepaling. In zoverre het zo is dat de bepaalde grootte van iets niet wezenlijk is is het ‘slechts kwantitatief’, onverschillig. De maat is de eenheid van kwaliteit en kwantiteit. Een verandering van grootte kan wel degelijk een wezenlijk, kwalitatief verschil maken. Wanneer we iets meten leggen we een ideële maateenheid (een vastgestelde, conventie) op aan datgene waarvan we de maat nemen. Deze kamer is drie meter breed. In de wei staan drie paarden. Het resultaat van het meten is informatie. Het zijnde heeft een kwalitatief en een kwantitatief aspect. In de maat geeft het gegeven zijnde iets van zichzelf prijs; eigenschappen. Pure uitwendigheid (wat onverschillige bepaling is aan het zijn zelf, Hegel) wordt uiterlijkheid, een verwijzing naar iets kwalitatiefs.

Informatie betreft de kwantitatieve uitdrukking van iets kwalitatiefs. Daarom is het niet hetzelfde als kennis, omdat niet alle kennis op een kwantitatieve wijze is uit te drukken. Wezenlijke kennis, kennis van het wezen, niet. Informatie wordt wel subjectloze kennis genoemd. Informatie zegt iets over de werkelijkheid zonder dat de spreker daar zichzelf in betrekt. De inhoud van informatie is onafhankelijk van degene die de informatie verstrekt. Informatie wordt in een vastgelegde taal uitgedrukt en overgedragen. Een dergelijke taal heet ook wel code. Binnen een beroepsgroep spreekt men vakjargon. De machine heeft een eigen programmeertaal waarin vastgelegd wordt in welk format gegevens (data) worden ingevoerd en uitgevoerd.

Ook in (Floridi 2014) komen we de drie aspecten van informatie tegen: er zijn gegevens, deze hebben een vastgelegd format en de gegevens hebben betekenis.

Iets wat betekenis heeft is een teken. Om als teken te worden gezien moet iets worden opgemerkt. Wanneer we in het zand een opmerkelijke structuur zien dan vermoeden we dat het iets betekent, dat er een verklaring voor is. Zodra we die verklaring gevonden hebben geeft de tekening informatie. Het kan verwijzen naar een fysische oorzaak, maar ook naar een bedoeling. Het kan bedoeld zin als een aanwijzing voor iemand.

Floridi onderscheid ‘omgevingsinformatie’. Dat zijn gegevens die ‘hun eigen semantiek hebben onafhankelijk van een intelligente entiteit die ze produceert of verstrekt.” (p. 28). Een voorbeeld dat Floridi geeft zijn de jaarringen in de stam van een boom, aan de hand waarvan je de leeftijd van de boom kunt aflezen. Voor omgevingsinformatie zijn twee systemen nodig a en b die gekoppeld zijn. Die hebben beide een kenmerk a:F en b:G. De verbinding tussen die twee laat de waarnemer van a:F zien dat b in toestand G is. De verbinding tussen a en b is een wet of regel. Floridi noemt de lakmoesproef als voorbeeld om te bepalen (meten) of een vloeistof basisch of zuur is. (p. 38) Het ene betekent het andere. Maar soms zegt Floridi is er helemaal geen betekenis in het spel. “Zulke informatie kan bestaan uit netwerken of patronen gecorreleerde gegevens die moeten worden opgevat als zuiver fysieke verschillen. Planten, dieren en mechanismen kunnen praktisch gebruik maken van omgevingsinformatie, zonder semantische verwerking van gegevens met betekenis.”(p. 39) In het hoofdstuk dat over biologische informatie gaat komt Floridi terug op dit moeizame begrip omgevingsinformatie.

In dat hoofdstuk wordt een onderscheid gemaakt tussen: a) informatie als werkelijkheid (de jaarringen), b) informatie voor de werkelijkheid (instructie, algoritmes) c) informatie over de werkelijkheid.

Een vooralsnog duistere term die Floridi introduceert is ‘semantische inhoud’. “Informatie in de zin van semantische inhoud komt voor als instructie en als feit.

Het knipperen van een dashboard lampje kun je ‘vertalen in semantische inhoud’: a) als instructie om iets te doen, de accu vervangen of b) als feitelijke informatie – de accu is leeg.

Instructie kan omgevingsinformatie zijn, daarover meer in het hoofdstuk over biologie, of semantische inhoud. Dat hangt ervan af of “betekenis een vereiste functie is”. (p. 40). Bij een instructie is er geen situatie of toestand waarop de informatie betrekking heeft. Een instructie dient om een toestand tot stand te brengen. Voorbeeld: als het bi-metaaltje in de waterkoker de stroomkring onderbreekt stopt het verwarmen. Dat kan worden geïnterpreteerd als instructie-informatie. Maar ook als iemand een instructie geeft om iets te doen is er sprake van instructie-informatie.

Volgens Floridi komen in toverspreuken beide: instructie en feitelijke informatie samen. Hiermee bedoelt hij waarschijnlijk zoiets als “Sesam open u”, door de instructie wordt waargemaakt wat er gezegd wordt. Het zijn bijzondere performatieve uitingen, uitingen die door ze uit te spreken hun bedoeling als vanzelf realiseren. Is dat niet precies wat we doen als we een geprogrammeerde machine een opdracht geven? Maar vindt de fysische realisatie niet plaats als bij toverslag maar door middel van de fysische processen in de door ons gemaakte machine die met het uitspreken van de instructie in gang worden gezet. De machine die onze taal lijkt te verstaan heeft iets magisch als we vergeten hoe dit ‘verstaan’ door middel van een ingenieus door ons bedachte constructie tot stand komt. Dit vergeten maakt ook precies de zin van de techniek uit. Het gaat de gebruiker om het doel en niet om de listige wijze waarop dit wordt bereikt. Gebruiksvriendelijke techniek is techniek die simpelweg functioneert en zich niet opdringt aan, maar verborgen blijft voor de gebruiker.

Instructies zijn niet waar of onwaar. Feitelijke informatie kan waar of onwaar zijn. Het gaat bij feiten dus kennelijk om informatie als een bewering die betrekking heeft op een stand van zaken.

Floridi noemt dit ‘feitelijke semantische informatie’. Hij geeft daarvan de volgende definitie.

“p kan feitelijke semantische informatie worden genoemd mits deze bestaat uit goed geformeerde, waarachtige gegevens met betekenis”

Floridi zegt dat we dit niet moeten verwarren met ‘feitelijk semantische inhoud’. Die kan onwaar zijn. Semantische informatie die feitelijk is is per definitie ook waarachtig.

Onware informatie is schijn-informatie. Het is geen informatie. Onware of schijn-informatie is informatie waarvan de semantische inhoud onwaar is.

In het hoofdstuk over biologische informatie merkt Floridi op dat genetische informatie nauwelijks beschouwd kan worden als ‘semantisch informatie in preciese zin’ (p. 86). Omdat ze daarvan geen enkele kenmerkende eigenschap heeft: opzettelijkheid, intentionaliteit en waarachtigheid. De genen zijn de code zelf. “Genen versturen geen informatie, zoals dat gaat bij radiosignalen.” Genen dragen geen informatie zoals een postduif een bericht meedraagt.” (p. 86). Genen zijn een soort van performatief, ze beschrijven niets, maar doen iets.

Meten

Meten komt in verschillende vormen voor. Het stellen van een vraag is een meting. Denk aan een enquete of een gesloten interview waar standaardvragen gesteld worden, eventueel multiple-choice-vragen. Kant had het over de zekere gang van de experimentele wetenschapper die de natuur bevraagd. Informatie is het antwoord op een vraag, wordt wel gezegd. Ook aanwijzen is een vorm van meten. Daarmee bepalen we iets door middel van de plaats in de ruimte. Welke? Die daar. Dat werkt als je de ruimte waarin gewezen wordt deelt. Door een gemeenschappelijke taal kunnen we identificeren wat we bedoelen, aanwijzen.

Ook het waarnemen is een vorm van meten. Ik zie dat het regent. De onmiddellijke zekerheid van het weten dat het regent in de waarneming (beleving) levert het gegeven als onbetwijfelbare basis van de informatie die ik uitdruk in de gedachte ‘het regent’. Dat gegeven kan nog van alles betekenen, maar dat het regent is een onomstotelijk gegeven, een feit.

Informatie is geen brood

Informatie is een economisch goed (commodity). In die zin is het vergelijkbaar met andere economische waren (schaarse goederen waaraan behoefte is, waar vraag naar is en die verhandeld worden), zoals brood. Het belangrijke verschil zit hem in het feit dat terwijl een brood hetzelfde brood blijft onafhankelijk van wie het brood bezit, informatie niet op deze wijze bestaat buiten degene die over de informatie beschikt. Je kunt niet over informatie spreken alsof het iets bepaalds is buiten het feit dat je de informatie hebt. Dit heeft informatie gemeen met kennis. Je kunt niet over iets spreken als iets als gekend zonder dat iets ook daadwerkelijk te kennen. Informatie wel ‘subject-loze kennis’ genoemd. Juist daarom is het verhandelbaar, omdat het onafhankelijk is van degene die de informatie heeft geproduceerd.

Wanneer we dus informatie kopen betalen we geld voor iets waarvan we niet weten wat het waard is. (De andere kant van deze interactie is dat we ook niet weten wat het ‘geld’ waard is.) Je zou kunnen tegenwerpen dat we dan ook geen informatie verhandelen, maar gegevens, data. Maar wat heb je aan gegevens die je al hebt? Hoe kun je voor de koop bepalen of je de data al hebt? Op grond van informatie over de gegevens, meta-informatie. Die zegt waar de informatie betrekking op heeft en mogelijk hoe het verkregen is. Uiteindelijk moet er vertrouwen zijn in de informatiebron op het moment dat de informatie wordt gegeven. Een filosofie van informatie behoort tot de filosofie van de intersubjectiviteit. Iedereen kan zeggen “ik beloof morgen te komen”, maar dat is nog niet beloven. Niemand anders dan ik kan voor mij iets beloven. De bewering “hij belooft morgen te komen” is geen belofte.

Paradoxen van informatie

Wanneer we informatie, de uitdrukking van iets kwalitatiefs op kwantitatieve wijze, als iets kwantitatiefs gaan specificeren en de inhoud (dat is de kwaliteit) ervan gaan meten, dat is in een mathematische structuur uitdrukken, dan komen we in de problemen. Dit leidt tot paradoxen. Het klassieke voorbeeld is de paradox van de kaalkop of van de hoop (sorites).

Uit hoeveel graankorrels bestaat een hoop. En als ik een korrel weg neem? En dan nog een? Hegel bespreekt de paradoxen in het hoofdstuk over de maat.

“De verlegenheid, de tegenspraak die resulteert, is geen Sofisme in de gebruikelijke zin van het woord, alsof zo’n tegenspraak een valse voorspiegeling zou zijn. Het valse (onware) is wat de aangenomen ander, dat is ons gewone bewustzijn, begaat, namelijk de kwantitatieve bepaling slechts voor een onverschillige grens te houden, dat wil zeggen deze als kwantiteit te nemen. Deze aanname wordt door de waarheid, waartoe ze gevoerd wordt moment van de maat te zijn en met de kwaliteit samen te hangen, tegen gesproken. Wat weersproken wordt is het eenzijdig vasthouden aan de abstracte kwantumbepaling.” (Hegel WdL I , p. 398. mijn vertaling)

Het is de list van het technische begrip die de dingen bij hun kwantitatieve, onverschillige, moment, als kwantum vastpakt om ze te veranderen. Zo kunnen we op technische, dat is uitwendige wijze, door het toepassen van een algemene regel of methode, voor ons betekenisvolle veranderingen te weeg brengen.

In de informatietheorie kennen we de Bar-Hillel Carnap paradox. Deze is het gevolg van een verwarring van modaliteiten: mogelijkheid en noodzakelijkheid. Deze verwarring leidt er toe waarheid en onwaarheid als grensgevallen van kansen te zien (wat waar is heeft kans 1, wat onwaar is heeft kans 0) hetgeen gebruikelijk is in mathematische theorieën van waarschijnlijkheid.

De paradox komt voort uit de gedachte dat een zin informatiever is naarmate deze meer mogelijkheden uitsluit (het ‘selectieve’ informatiebegip). Stel iemand heeft in gedachte een getal onder de 10. Je mag door ja/nee vragen het getal zien te achterhalen. Het antwoord op de vraag “is het getal kleiner dan 5?” is informatiever dan het antwoord op de vraag “is het 5?”. De eerste sluit de helft van de mogelijkheden uit, de laatste slechts één mogelijkheid.

De tautologie “Het regent of het regent niet” zegt niets over de toestand van de wereld. Het is logisch waar. Omdat ze niets over de feitelijke wereld zeggen zou je ze ook geen kans moeten toekennen. Wanneer je dat echter wel doet volgen paradoxen. De verwarring zit hem er in dat het feit niet als feit tegenover de mogelijkheid wordt gezien maar realisatie van een mogelijkheid, iets dat ook niet het geval had kunnen zijn. We stelden hier boven al dat een gegeven niet slechts bepaald is in onderscheid van wat niet gegeven is, (als kwantiteit) maar wat het ook had kunnen zijn (zoals Shannon zijn begrip informatie opvat) maar dat het zelf ook iets positiefs moet zijn, een kwaliteit moet hebben. Als het een feit is dat Cesar de Rubicon over is gestoken dan kan het niet zijn dat hij dit niet heeft gedaan. Een mathematiek van informatie die informatie, hetgeen wezenlijk een verhouding is van een kwaliteit en kwantiteit, op kwantitatieve wijze wil uitdrukken zal daarom tekort schieten als uitdrukking van het informatie-begrip.

Professor Floridi en anderen hebben gemeend deze paradoxen van de semantische informatie te kunnen omzeilen door van informatie te eisen dat deze waar is. In een mathematische theorie van ware informatie (Strongly Semantic Information) is de aanname a) dat de informatiebron betrouwbaar is, b) dat het communicatiekanaal storingsvrij is (geen ruis) en c) dat de ontvanger kennis heeft van de werkelijkheid w waarop de informatie betrekking heeft (Floridi 2004,2007). Daarmee haalt Floridi de angel uit het wespennest van de handelswaar. Het zijn precies de condities die maken dat er geen sprake meer is van informatie zoals dit begrip in de wereld van de informatieverwerking leeft. Het gaat hier precies om een meten van de inhoud van informatie vanuit het gezichtspunt van een formele buitenstaander, buiten de interactie om. Alsof het mogelijk is de inhoud van informatie te bepalen zonder die informatie zelf te hebben.

Formele kennistheorieën leiden noodzakelijk aan dit zelfde euvel: de wens om als buitenstaander iets over kennis als resultaat van interactie te zeggen. Vanuit zo’n formeel standpunt verdwijnt het verschil tussen informatie en kennis. Een onderscheid waaraan we toch nog even willen vasthouden. (Je kunt nog zoveel informatie over iemand hebben, dat wil niet zeggen dat je hem of haar ook kent.) De bewering dat kennis waar geloof is (truthful belief) gaat uit van een objectief belief. Alsof je iets kunt geloven dat je niet voor waar houdt ! Als je iets gelooft dan geloof je dat dat waar is. Deze formele theorieën gaan dan ook over reconstructies van kennis en geloof die als reconstructie de oorspronkelijke, dat is: de werkelijke, concrete, inhoud van deze begrippen, vernietigen.

Hierboven had ik het over de “verwarring van modaliteiten: mogelijkheid en noodzakelijkheid”. Wat bedoel ik daarmee?

De deelbaarheid is slechts een mogelijkheid en die gaat als mogelijkheid niet op in het feitelijk bestaan van de delen. Aristoteles en Hegel verschillen soms in hun opvattingen over de kwantiteit als deelbaarheidsbeginsel van de stoffelijke zijnden, maar hierover zijn ze het eens. (zie Fleischhacker, Over de grenzen van de kwantiteit, p. 131).

Is het niets dan misschien in aanleg al iets geweest? Dan was het dus niet helemaal, niet absoluut, niets! Dan moet het niets dat er al was iets van dat zijn waarin het niets is, als in een omgeving, in zich hebben opgenomen om iets te worden. Zoals de vlinder iets uit de omgeving, energie, in zich op moet nemen om in leven te blijven, eitjes te leggen en rups te worden.

Waarom is er iets (en niet veeleer niets)?

Dat is de eerste (metafysische) vraag. Daarover kunnen we kort zijn. Het kortste antwoord is: daarom. Dit antwoord verwijst terug naar de vraag. Als er niets was, was deze vraag er ook niet. In zekere zin impliceert de vraag stellen al het antwoord erop. Maar vraagt de waaromvraag niet naar een reden of oorzaak? Ja, maar die reden of oorzaak, hoe we het ook noemen, is toch zelf ook. Is die dan onderscheiden van het zijn waarvan het de reden of oorzaak is? Nee, als er al iets is, dan moet dat ook zelf reden of oorzaak zijn. Het zijn is dus reden of oorzaak. De vraag is veroorzaakt door het zijn. Dat tevens het antwoord op de vraag is. Het zijn is dus eigenlijk de vraag naar het waarom ervan. Dit roept de vraag op naar de relatie tussen het zijn en de vraag naar het waarom ervan. Die twee zijn in zekere zin hetzelfde (zoals we eerder concludeerden) maar ook onderscheiden. De vraag veronderstelt het bestaan van een vrager en een bevraagde. Of op zijn minst suggereert de vraag het bestaan van die twee. Maar hiermee zijn we al op weg naar een antwoord op de tweede vraag, de vraag waar we het hier over willen hebben.

Je zou kunnen tegenwerpen dat het antwoord op deze eerste vraag wel heel erg afhankelijk is van het stellen van de vraag zelf. Zonder de vraag zou dit antwoord er niet zijn. Daar zit wat in. De vraag is dan ook niet zomaar een vraag. Het is niet een vraag zoals : waarom ruikt het hier naar mest? Het antwoord: “daarom: als het niet naar mest zou ruiken zou de vraag niet gesteld worden” is niet acceptabel. Dat ligt al anders bij de vraag: waarom ruikt het? “Omdat het ruikt.” verwijst zowel naar dat wat er geroken wordt als naar de ruiker. (Het woord ‘ruiker’ wordt ook gebruikt voor een bos bloemen, die ruikt.) Zijn is weliswaar niet geroken worden, maar wel waargenomen worden. De eerste vraag is uiting van verwondering, van bewustzijn van hetgeen we waarnemen: het zijn: er is iets dat is. Maar waarom? Daarom.

De tweede metafysische vraag is: Wat is alles? Ofwel: wat is dat waarvan we zeggen dat het is. Dit is de vraag naar een nadere bepaling van het zijn waarvan we weten dat het is. Dit vooronderstelt dat wat is bepaalbaar is. Verschillende denkers hebben uitgedrukt wat het zijn is. Zijn is getal zijn. Zijn is God zijn. Zijn is leven zijn. Zijn is begrip. Een moderne hedendaagse opvatting is dat alles informatie is. Zijn is informatie. Moeten we tussen al deze historische bepalingen van het bepaalbare zijn een keuze maken? Dat doe ik niet. Ik stel mij verzoenend op en vat al deze uitingen op als uitingen van een inzicht in het zelfde zijn. Alle wetenschappers streven naar dezelfde waarheid. Ik ga er dus vanuit dat het zijn zowel getal, als God, als vraag, als antwoord, als leven, als ook informatie is. Hoe kan het zijn al die verschillende bepalingen hebben? Omdat deze verschillende inzichten getuigen van een verschillend perspectief op zijn. Dat perspectief, dat cultureel, historisch bepaald is, maakt hoe het zijn zich toont. Een perspectief is als het ware een manier van vragen naar het zijn. Een verzoenende bepaling probeert de verschillende bepalingen van het zijn in het gekozen perspectief te zien.

Wat hebben die verschillende bepalingen van zijn met elkaar te maken? Hoe kan iets zowel leven zijn en ook begrip en informatie tegelijk? Omdat bijvoorbeeld leven zich onder een bepaald perspectief als informatie, onder een ander perspectief als begrip toont. En omdat informatie zich als leven, of als begrip toont.

Dit is dus anders dan bij de bekende dubbelzinnige tekening die zowel als tekening van een hazekop als van een eendekop gezien kan worden. De haas is niet een eend en de eend is niet een haas. De relatie tussen de tekening, de lijntjes op papier, en dat wat het voorstelt is puur uitwendig, toevallig, zoals bij ambigue woorden zoals ‘bank’. Bij de relaties tussen zijn en leven en zijn en informatie gaat het om veruitwendigingen van het zijn, niet om uitwendige bepalingen die het zijn niet aan zouden gaan, zoals het teken als fysisch iets de betekenis die er aan toegekend is niet aangaat.

We zullen niet teveel hooi op de vork nemen en ons hier beperken tot twee bepalingen van zijn: zijn als leven en zijn als informatie. Die begrippen lijken heel erg ver uit elkaar te liggen maar daar denken de bioinformatici en mathematisch biologen en sommige theoretisch fysici anders over. (zie bijvoorbeeld Floridi 2014).

Als alles informatie is en als het leven is, dan moet het leven informatie zijn. Omgekeerd: als alles leven is en informatie is, dan moet informatie leven zijn. Hoe kunnen we dit begrijpen? De volgende denkexercitie is bedoeld meer inzicht te krijgen in deze twee sleutelbegrippen van ons bestaan. Ik neem daarbij als eerste leidraad het werk van de filosoof Professor Luciano Floridi (geb. 1964) die het zijn als informatie heeft bepaald. De tweede leidraad vind ik in het werk van de filosoof G.W.F. Hegel (1770-1831), voor wiens denken het begrip leven een sleutelbegrip is. Wat deze twee filosofen gemeen hebben is dat ze wetenschappelijke filosofen zijn. Kennis en wetenschap (science) zijn kernthema’s in hun denken. Opdat er werkelijk sprake is van kennen, moet de werkelijkheid gekend zijn. De wetenschapper gaat uit van de kenbaarheid van het zijn. Voor Hegel en zijn tijdgenoten was de natuurwetenschap (Newton’s science) het meest aansprekende voorbeeld van wetenschap. De filosoof Hegel stelde zich als doel deze wetenschap te begrijpen. De experimentele mathematische natuurwetenschap construeert modellen waarin ze de werkelijkheid probeert af te beelden. Er is sprake van kennis wanneer er geen verschil meer is tussen model en werkelijkheid. Althans geen verschil meer dat er inhoudelijk toe doet. Model en werkelijkheid verschillen weliswaar in wijze van zijn, maar daar zien we van af als we vanuit het perspectief van de wetenschap ernaar kijken. De andere kant van deze onverschilligheid vinden we daar waar het verschil er wel toe doet, dat betekenisvol is: in de wereld van de informatie.

Het grote succes van de experimentele natuurwetenschap, waarin het mathematisch concept als beeld tegenover de fysische realiteit staat, is de praktische werking ervan: dat is de werkelijkheid als resultaat van haar toepassing, de concrete confrontatie van het abstracte begrip met de werkelijkheid. De wetenschappelijke modellen functioneren in de technische constructies. Het meest expliciet in de programmeerbare automaten. De kunstmatige intelligentie als realisatie, als werkende wetenschap, roept de vraag weer op naar het verschil tussen deze vorm van intelligentie en de oorspronkelijke intelligentie. De technische simulaties lijken zo op de echte dingen dat ze de vraag oproepen naar de echtheid, naar de oorspronkelijkheid der dingen. Kennelijk is de buitenkant, de verschijningsvorm niet de uiteindelijke maatstaf.

Een Encyclopedie van het Informatiebegrip

In het begin van dit artikel had ik het over ‘het werk van Professor Luciano Floridi’. Dat werk is allerminst af.

De onderdelen van Floridi’s tetralogie over het informatiebegrip (bron personal website)

Professor Floridi heeft zich als doel gesteld een encyclopedie in de vorm van een tetralogy van de informatie te schrijven. Zijn Principia Philosophiae Informationis moet de beginselen van een filosofie van informatie bevatten. Zijn project beoogt in zekere zin het zelfbegrip van onze tijd, het informatietijdperk, uit te drukken. Het schema (afkomstig van zijn persoonlijke website) toont de delen ervan. Delen daarvan zijn in diverse artikelen verschenen (zie de literatuurlijst onder het kopje Bronnen). Het deel OUP 2010 is in het Nederlands vertaald in de serie Elementaire Deeltjes met als titel Informatie. (Floridi 2014) (De vertaling slaat hier en daar de plank mis. Zo komen we de term ‘echte getallen’ tegen als vertaling van ‘real numbers’.)

De informatierevolutie

In (Floridi 2014) merkt de auteur op dat we de geschiedenis van de mens kunnen vatten onder ‘het informatietijdperk’. Immers: “Zonder registratie geen geschiedenis.” (p. 9) Wat niet beschreven is en gelezen wordt, behoort per definitie niet tot de historie van de mens. De geschiedenis begint waar de mens zichzelf en anderen informeert over de gebeurtenissen in zijn leven door deze te beschrijven.

Volgens Floridi zijn we getuige van een vierde revolutie in de westerse wereld: “pas sinds heel kort zijn onze vooruitgang en onze voorspoed grotendeels afhankelijk van het efficiënt management van de levenscyclus van informatie”. (Floridi 2014, p.9)

De informatierevolutie is voorafgegaan door drie andere wetenschappelijke revoluties die zowel het zelfbeeld van de mens als dat van de wereld veranderden.

Na de Copernicaanse, de Darwiniaanse en de Freudiaanse revolutie zitten we nu (1921) midden in de informatierevolutie. De Britse wiskundige Alan M. Turing is volgens Floridi de kandidaat bij uitstek om als sleutelfiguur voor deze revolutie gekozen te worden. De Turing machine, naar hem genoemd, is een wiskundig model, een systeem, dat de theoretische basis is voor de intuïtieve begrippen programmeerbare machine en berekenbaarheid, ofwel programmeerbaarheid. Iedere functie die programmeerbaar is en dus door wat voor computer dan ook kan worden uitgevoerd of berekent, kan door een Turing machine berekend worden. En omgekeerd. Er zijn verschillende andere modellen voor het intuïtieve begrip berekenbaarheid ontwikkeld. Deze blijken allemaal gelijkwaardig te zijn met de Turing machine.

Wezenlijk kenmerk van een programmeerbare machine is dat je een deel van het systeem als programma kunt opvatten. Het onderscheid tussen functie en argument, tussen programma en data zit in het hoofd van de programmeur. En moet in het systeem worden geïmplementeerd. In de machine zijn het allebei coderingen bestaande uit rijtjes 0-en en 1-en, geheugentoestanden. Bepaalde delen van de toestand van het systeem worden als programma, andere als data opgevat. De elektromechanische constructies (hardware, logische circuits) zijn zodanig dat deze functioneren volgens de betekenis die we er aan geven.

Programmeren bestaat uit het instellen van een begintoestand. Vervolgens zorgt de automatische klok voor het ‘draaien van het programma’. De verschillende toestanden die doorlopen worden, worden door de programmeur gezien als toestanden van een rekenproces dat zichzelf in stand houdt (reproduceert).

Om het begrip morele agent te specificeren, definiëren (Floridi en Sanders, 2004) een autonome agent als een dergelijk dynamisch systeem, een systeem dat zijn eigen programma bevat. Traditioneel moet een moreel subject aan een aantal voorwaarden voldoen om morele agent te worden genoemd. Zo moet deze zelfstandig zijn: zelf in vrijheid kunnen handelen. Maar hoe bepaal je dat? Om dit lastige probleem bij het denken over moraliteit en verantwoordelijkheid te omzeilen specificeren ze een morele agent als een soort Turing machine, een dynamisch systeem dat zijn eigen programma bevat. Uiteraard lost dit het de vraag naar het wezen van de moraliteit niet op.

Soorten informatie

In de inleiding van “Informatie” citeert hij Claude Shannon die een wiskundige communicatietheorie ontwikkelde. Gezien de vele verschillende manieren waarop het woord ‘informatie’ gebruikt wordt en gezien de vele verschijningsvormen van informatie op heel veel gebieden van het denken en werken, meende Shannon: “Het valt nauwelijks te verwachten dat één concept van informatie recht kan doen aan de talloze mogelijke toepassingen van dit algemeen terrein.” (Shannon en Weaver 1949; Nederlandse vertaling in Floridi 2014, p. 7). Velen na hem, waaronder Floridi, hebben later hun twijfel uitgesproken of een unificerend informatiebegrip mogelijk zou zijn. Ook in dit werk presenteert Floridi geen unificerende theorie van het informatiebegrip. Een onbevredigende situatie. Wat zit ons denken dwars dat het maar niet lukken wil het begrip informatie helder te krijgen?

In onderstaand schema komen de begrippen ‘gegevens’, ‘feiten’ en ‘informatie’ voor. Het is een cluster dat centraal staat in het denken over informatie.

Wat is een gegeven?

Een definitie die Floridi geeft is: gegeven = een x die anders is dan y, twee niet-geïnterpreteerde variabelen (p.29).

Een concreet gegeven is iets wat je aanneemt als gegeven. Maar hoe vatten we het concreet gegeven op? Het gegeven kan betrekking hebben op een zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, maar ook op de intelligibele structuur van het zintuiglijk waarneembare, de wijze waarop wij het voor ons kennen zien. In dat laatste geval vatten we het gegeven op als teken van een structuurelement binnen een bepaalde structuur. De concrete werkelijkheid van het dashboard lampje dat brand zien we als teken dat er iets mis is. We zien het branden van het lampje als iets dat binnen een veld van mogelijke ‘toestanden’ een bepaalde plaats heeft. Dit is de wijze waarop het gegevene gezien wordt vanuit het uitwendig perspectief, van waaruit de werkelijkheid gemathematiseerd wordt.

Informatie is de betrekking van deze twee wijzen waarop we het gegeven opvatten. Bij informatie hebben we te maken met een relatie tussen een waarneembare kwaliteit en een structurele, kwantitatieve uitdrukking daarvan.

We zeggen dat informatie iets is dat je uit gegevens af kan leiden. Wat de gegevens je zeggen. De thermometer wijst 38.4 graden Celsius aan. Dat betekent dat de patient koorts heeft. Het gegeven geeft informatie over de toestand van de patiënt. We zeggen ook wel dat het een feit is dat de patiënt koorts heeft, als we menen dat het werkelijk zo is en niet alleen maar onze toevallige mening of waarneming is. We gaan uit van de betrouwbaarheid van de meting, onze waarneming. Maar we kunnen ook zeggen dat deze meting informatie geeft over de toestand van de patiënt. Wat gegeven is is ook al informatie. Gegeven en informatie zijn dus relatie-begrippen. Een feit is wat het geval is. In het schema van Floridi lijkt het alsof er twee soorten feiten bestaan: ware en onware feiten. Dat is merkwaardig. Een feit is immers iets dat werkelijk het geval is en dat is noodzakelijk zo. Als het een feit is dat ‘Ceasar de Rubicon over is getrokken’ dan is het niet mogelijk dat dat niet zo is. Ook maakt Floridi onderscheid tussen informatie, wat op ware feiten berust, en informatie die dat niet is: die informatie is onbedoeld of bedoeld onjuist. Hier is ‘informatie’ iets dat door middel van een bewering door iemand of iets medegedeeld wordt. Als de thermometer stuk is geeft deze mij misleidende informatie, als ik niet weet dat hij stuk is. Ik kan pas van misleidende informatie spreken op grond van kennis van de feiten. Ik moet dan weten wat werkelijk het geval is. Dat kan ik denken te weten op grond van andere informatie die ik betrouwbaar(der) vindt. Deze informatie kan ik ontlenen uit wat mij door waarneming gegeven is. Of informatie wel of niet waar is, is dus een kwestie van vertrouwen. Daarmee is duidelijk het informatie begrip thuis hoort in een filosofie van de intersubjectiviteit. In haar meest concrete, expliciete, vorm vinden informatie bij interacties tussen mensen en tussen mensen en machines.

Floridi onderscheidt een aantal ‘soorten’ informatie. Deze worden in aparte hoofdstukken van het deeltje Informatie besproken. Ze zijn gerelateerd aan verschillende perspectieven van waaruit we de werkelijkheid benaderen: wiskundig, fysisch, biologisch en sociologisch.

Overzicht van de structuur van informatie

Mathematische informatie: hierin gaat het over informatie in de zin van Shannons communicatie-theorie waarin informatie puur kwantitatief wordt gezien als statistisch verschijnsel. De ingenieur die het kanaal maakt en de benodigde capaciteit moet bepalen is niet geïnteresseerd in de betekenis (de eigenlijke inhoud) van de berichten. Hij telt voorkomens van tekens en woorden (de entropie van de taal) ten behoeve van een efficiënte codering. Berichten en woorden die vaak voorkomen krijgen een korte code (‘de’,’op’, ín’), zeldzame berichten een langere code (‘fietsventieldopje’). (Zie ook mijn blog Het Kanaal over de Italiaan Guglielmo Marconi.) . De ‘hoeveelheid’ informatie wordt volgens deze theorie bepaald door middel van kansrekening. Hoe zeldzamer een bericht hoe meer informatie het bevat. Dat hoeveelheid informatie iets geheel anders is dan informatie-inhoud (betekenis) daarvan was Shannon zich wel bewust.

Het begrip informatieinhoud houdt een merkwaardige verdubbeling in. Waarin onderscheidt de inhoud zich van de informatie waarvan het de inhoud is? Ook het begrip hoeveelheid informatie is onduidelijk. Hoe bepaal je de hoeveelheid van betekenis van iets? Is het begrip hoeveelheid wel van toepassing op informatie? Moeten we niet veeleer spreken van de intensiteit van informatie dan van de hoeveelheid informatie?

Semantische informatie: wat is informatie zonder betekenis? Volgens Floridi moet informatie waar zijn om informatie te zijn. In dit hoofdstuk legt Floridi de paradox van Bar-Hillel-Carnap uit en hoe hij deze oplost. Hierboven heb ik al commentaar gegeven op deze aanpak. Een ander probleem met de wiskundige informatietheorie die probeert betekenis mee te modelleren is het Schandaal van de Deductie (Hintikka). Voor de Alwetende die alle logische gevolgen van een theorie in één blik overziet (denk aan de God van Leibniz) bevat een Sudoku puzzel als opgave net zoveel informatie als de al volledig ingevulde oplossing. Het heeft geen zin voor de Alwetende de puzzel op te lossen. Ook hoeft hij geen ingewikkelde wiskundige formules uit te rekenen. Hij ziet meteen dat er 1 uitkomt. De Alwetende heeft geen computers nodig. Waarom mensen wel? Waarom wil de mens de ingewikkelde integraal nog uitrekenen? Omdat de uitkomst, zeg 1, hem meer zegt. Daarmee kan hij het gegeven passen in zijn eigen ‘praktische kennisbestand’. We zien de complexe formule als een uiterlijke vorm van de eigenlijke inhoud, de betekenis die de expressie voor ons heeft: 3 + 4 is 7. Je zegt niet ik zal even informeren hoeveel er uit komt als je een wiskunde som zelf uitrekent. Dat kun je wel zeggen als je een ander (of een computer) vraagt wat er uit komt.

Fysieke informatie. Dit gaat over de natuur van de fysica als informatie. Zoals bekend lost de materiële werkelijkheid, de natuur, in de kennisvorm van de mathematisch fysica op in wiskundige formules en modellen. Idealiter in recepten voor een computer die de fysische processen simuleren. Voor de fysicus bestaat de werkelijkheid uit informatie in de vorm van kwantumdeeltjes, kansverdelingen.

De fysicus John A. Wheeler (1911-2008) formuleerde de idee “It from bit”: alle fysische entiteiten zijn informatie-theoretisch van oorsprong.

Na vele jaren onderzoek op het terrein van de kwantummechanica (o.a. met Niels Bohr) en de informatietheorie is de vraag wat deze ons te zeggen hebben met betrekking tot de eeuwen oude vraag “How come existence?”.

“Bohr’s modest words direct us to the supreme goal: Deduce the quantum from an understanding of existence.” (Wheeler). Dit is ook de opdracht die Hegel aan de filosofie gaf: het begrijpen van de mathematische fysica als wetenschap van de natuur.

Het zijn wordt volgens Wheeler bepaald door de antwoorden op een reeks ja/nee vragen.

“No element in the description of physics shows itself as closer to primordial than the elementary quantum phenomenon, that is, the elementary device-intermediated act of posing a yes-no physical question and eliciting an answer or, in brief, the elementary act of observer-participancy. Otherwise stated, every physical quantity, every it, derives its ultimate significance from bits, binary yes-or-no indications, a conclusion which we epitomize in the phrase, it from bit.”

Waarmee meteen gezegd is dat het van de vragen, van het meetinstrument, afhangt hoe het zijn zich toont.

It from bit. Otherwise put, every it — every particle, every field of force, even the space-time continuum itself — derives its function, its meaning, its very existence entirely — even if in some contexts indirectly — from the apparatus-elicited answers to yes-or-no questions, binary choices, bits.”

“‘It from bit’ symbolizes the idea that every item of the physical world has at bottom—a very deep bottom, in most instances—an immaterial source and explanation; that which we call reality arises in the last analysis from the posing of yes–no questions and the registering of equipment-evoked responses; in short, that all things physical are information theoretic in origin and that this is a participatory universe.”(Wheeler, 1990, p. 5 geciteerd uit: Beavers’ A brief introduction to philosophy of information, )

We kunnen het universum niet kennen zonder eraan deel te nemen. De vereenzelviging, objectivering, van de informatie-inhoud die we ontvangen van het zijn als antwoord op de vragen die we stellen (het mogen binaire vragen zijn) met het zijn zelf; dat is een gedachte die we vaker tegen komen. Informatie is als object gedachte kennis. Het kennend subject wordt in de werkelijkheid geprojecteerd.

Biologisch informatie. Floridi wijst in dit hoofdstuk op het onderscheid tussen het attributief en het predicatief gebruik van de term ‘biologische informatie’. Deze term kan zowel duiden op informatie zoals dat in de levensprocessen functioneert (‘informatie die zelf biologisch van aard is’, Floridi 2014, p. 82), dit wordt bedoeld in het predicatief gebruik, als ook op informatie over biologische feiten, als onderdeel van de biologie als wetenschap. Het verschil komen we ook tegen bij het gebruik van de term ‘fysisch’. Dat kan ook ‘predicatief’ verwijzen naar de kennis zoals die in de natuur zelf voorkomt, zoals blijkt uit de doelmatigheid van de levensprocessen. (Kijk maar hoe intelligent de vlinder is!) We kunnen in alles wel een subject zien, zoals we overal wel informatieverwerking in kunnen zien, maar in hoeverre dat adequaat is hangt af van de mate waarin het ons werkelijk aanspreekt en uitnodigt.

Kan biologische informatie, zoals genetische informatie als semantische informatie worden opgevat, vraagt Floridi zich af (p. 86). Dat is de vraag naar de aard van subject-zijn van de levende materie. Floridi’s antwoord: genetische informatie is niet opzettelijk, noch intentioneel, noch waarachtig.

Interessant is de opmerking dat genen ‘meer een performatief zijn’. Zoals: de taalhandeling “Ik beloof om acht uur te komen.” Het bijzondere aan dergelijke taalhandelingen is dat ze doen wat er gezegd wordt (althans wanneer ze serieus bedoeld en begrepen worden). Bovendien moet juist dit gezegd worden door degene die de belofte doet om de handeling van beloven uit te voeren. Beloven is dus een heel ander soort daad dan het beschrijven van iets, zoals in een oordeel. (zie Boukema, 1980 en mijn blog Sofia’s taalhandelingen) . Als we iemand wakker maken met de woorden “wakker worden!” dan wordt het effect ervan niet tot stand gebracht door de betekenis die begrepen wordt, maar door een uiterlijke eigenschap van de taalhandeling: het geproduceerde geluid. Dat veroorzaakt het beoogde effect van de opdracht. We hadden dan ook net zo goed tot de slapende kunnen roepen: “mooie rode tomaten!”. Het had het zelfde effect gehad. Waarom we dat niet doen, en waarom mensen die een microfoon testen dat doen door ‘test, test, test te roepen, dat weet ik niet. Wanneer we een machine een opdracht geven door deze aan te spreken dat vertoont gelijkenis met het gebruik van “wakker worden”: het is de fysische activiteit die gepaard gaat met het geven van de opdracht (het geluidsignaal) dat een werking veroorzaakt ‘in de machine’, een werking die voor ons de betekenis heeft van het verstaan en reageren op de betekenis van de door ons gegeven opdracht. We hebben die machine zo gemaakt dat dit zo werkt.

Het verwezenlijken van het doel van een uiting door de uiting in de juiste omgeving te doen, dat is dus precies wat we doen als we een programmeerbare machine een instructie geven. We zouden dus kunnen zeggen dat Floridi hier biologische informatie vergelijkt met informatie zoals dat in een computerprogramma functioneert. De werking van de tekens in de automaat, van software en hardware, doen denken aan de combinatie van sleutel en slot, die moeten structureel overeenkomen opdat het werkt. Volgens Floridi “draagt de sleutel geen informatie”, zoals een postduif een bericht. Dat klopt: de sleutel heeft een structuur die past bij de structuur van het slot.

“Het programma is als een sleutel, die voor ons toegang tot een huis betekent en tegelijk door hem ín te voeren’ in het slot ook die bewerkstelligt. Dit berust er niet op dat het slot op een of andere manier weet dat iemand die de sleutel bezit, toegang tot het huis mag hebben. Het slot werkt eenvoudig zo, dat het voor ons lijkt alsof het dit weet. En het is erop gemaakt om zo te werken, juist zoals een computer zo werkt alsof een ingevoerd programma als opdracht begrepen en uitgevoerd wordt.” (Fleischhacker, p. 29)

Weet de vlinder wat hij doet en waar het zijn eitjes moet leggen opdat de kans op overleven zo groot mogelijk is? Of werkt het alleen maar zo dat het lijkt alsof het dit weet? Is ons begrip van de levensprocessen ook in het leven van de individuen zelf als begrip aanwezig?

Genetici spreken over boodschap RNA en genetische codes die “informatie dragen” en “versturen”. Zo kunnen we het ook zo zien dat het virus de sleutel heeft om via de celwand van de gast het lichaam binnen te dringen. Maar dit is slechts “bij wijze van spreken”. Het verschil met de computer is dat wij de computer bedacht hebben en vervolgens met gebruik van natuurwerkingen dit concept hebben gerealiseerd. Terwijl we dit idee van de sleutel en het slot vervolgens in de natuur herkennen en het zo beschrijven. De computer is anders dan het levende organisme een technisch middel dat we programmeren opdat het werkt zoals wij willen.

We spreken regelmatig over onze computers alsof ze intelligent zijn, terwijl we weten dat dit niet zo is.” (Floridi 2014, p.86). Inderdaad, onze taal is veelzinnig. Maar wat betekent dat? Uit de veelzinnigheid blijkt dat er geen eenduidige relatie bestaat tussen de woorden en dat wat we ermee uitdrukken. En op grond waarvan weten we dat computers niet intelligent zijn, terwijl het er soms wel op lijkt. En als we het gedrag van een vlinder intelligent noemen, bedoelen we dat in dezelfde zin intelligent als wanneer we van een mens zeggen dat deze intelligent is? Of van een machine?

Dynamische structuren (zoals die in de mathematische biologie voorkomen om de levensprocessen te beschrijven, RodA) zijn een bijzonder soort informatie-entiteiten die in zichzelf instructies, programma’s of imperatieven zijn.” (Floridi 2014, p. 87).

Kennen, informatie vergaren is iets wat tot het leven behoort. Een theorie over informatie is daarom zelf-reflexief. Leven is informatie verwerken ten behoeve van het eigen voortbestaan, volgens eigen recept. Het heeft noch oorzaak, noch reden, noch doel buiten zichzelf. Het is zowel causa sui, als Selbstzweck; zijn eigen oorzaak en doel in zichzelf.

In Floridi & Sanders (2004) wordt een poging gedaan om de vraag of een technisch systeem een ‘morele agent’ is te preciseren. Pas dan kunnen we het immers eens worden over een antwoord op deze vraag. F&S definiëren daartoe deze agenten op een wiskundige manier als een transitiesysteem. Zo’n systeem is op ieder moment in een bepaalde toestand. Die toestand bestaat op zich weer uit deeltoestanden.

Opdat zo’n systeem een autonoom genoemd kan worden moet deze in zekere zin uit ‘zichzelf’ kunnen acteren. Daarom bevat een deel van de toestand (‘het geheugen’) het programma van de agent. Dat zijn de actuele transitieregels die de toestandsverandering van het systeem bepalen/beschrijven. F&S spreken van een ‘cognitive trick’. Deze ‘trick’ berust echter op een verwarring: de beschrijving van het systeem wordt als onderdeel van het systeem zelf gezien. Variabelen waarmee de verandering van het systeem beschreven wordt krijgen ook een functie in het systeem zelf.

De toestand van een systeem dat we als autonome agent opvatten (zie Floridi en Sanders 2004) heeft voor ons de betekenis van een functie die op het systeem als toestand zelf wordt toegepast, zodat deze overgaat in een nieuwe toestand die weer als toestand van het zelfde systeem kan worden opgevat.

De idee van leven dat we als autonome agent begrijpen komt op mathematische wijze tot uitdrukking in de formule van de zelfapplicatie van de zelfapplicatie Z(Z)=Z(Z), waarbij Z de functie is die het argument op zichzelf toepast. We kunnen de betekenis van een computerprogramma niet anders op mathematische wijze, als functie, uitdrukken dan door deze zelfapplicatie functie. We herkennen hierin de reflexieve structuur van de performatieve taalhandeling: de betekenis ervan realiseren door de handeling uit te voeren. Ik roep wakker worden en via de fysische werking van het uitspreken wordt de ander wakker. Het bedoelde effect treed op via de uitwendige omweg van de fysica. De toestand van de machine heeft als betekenis voor ons het programma volgens welke deze werkt. Alleen voor ons is deze toestand een mogelijke toestand onderscheiden van vele andere toestanden. Deze feitelijke toestand bepaalt tevens het fysische proces dat in werking treedt en dat wij zien als de uitvoering van het programma. Dat fysische proces is het resultaat van de hardware constructie van de machine. Het is als het ware het slot waarop de sleutel (het programma) past. De sleutel geeft bij invoering toegang tot het proces.

Vanuit het mathematische standpunt is er geen onderscheid tussen de automatie (artificial life) en het levende organisme. Hier gaat het om een soort verschil dat buiten de sfeer van de informatie, van het technische, valt. Dit is wat we een wezenlijk verschil noemen. Het leven verschilt wezenlijk van het mechanisme, maar kan er niet zonder. Het komt in het mechanisme tot leven.

“Die absolute Indifferenz ist die letzte Bestimmung des Seins, ehe dieses zum Wesen wird; sie erreicht aber dieses nicht. Sie zeigt sich noch der Sphäre des Seins anzugehören indem sie noch als gleichgültig bestimmt, den Unterschied als äusserlichen, quantitative an ihr hat.” (Hegel, Wissenschaft der Logik I, p. 456)

Bij Hegel is de Idee, zijnde de eenheid van begrip en werkelijkheid, van het subjectieve weten en de objectiviteit (het redelijke is werkelijk, het werkelijke redelijk), in haar onmiddellijke vorm het leven zelf. (Wissenschaft der Logik II, pp. 466-470).

De vraag naar het verschil

Het verschil tussen de werking van een ‘denkende machine’ (computer) en echt denken (zoals wij mensen doen) is geen verschil tussen twee verschijnselen die we naast elkaar kunnen zetten en zo met elkaar kunnen vergelijken. Dat kan niet omdat we deze in de werkelijkheid niet van elkaar kunnen scheiden. Zonder ons denken zijn er geen natuurprocessen, laat staan computers die we als ‘denkend’ kunnen gebruiken. Wezenlijk is de verhouding, de relatie die constituerend is voor de aard van de beide relata, mens en machine. Zonder die verhouding zijn ze niet wat ze zijn. Een computer kan dan ook niet onafhankelijk van ons denken werken. Altijd wanneer we lezen over de prestaties van de computer of de kunstmatige intelligentie in vergelijking met die van de mens (“AI kan beter emoties herkennen dan mensen”) moeten we ons dit realiseren.

Dat wezenlijke van relatie zijn, geldt ook voor informatie: het is wat het is in relatie tot ons denken. Informatie los zien van ons kennen is als praten over tekens die geen betekenis hebben. We kunnen de tekens wel als object van buiten af beschouwen en de structuur van de zo geconstrueerde formele talen (codes) bestuderen, maar in zoverre we dat doen zijn het juist niet de tekens die we gebruiken en die in dat gebruik iets betekenen.

Professor Floridi is zeer actief lid van diverse internationale commissies en werkgroepen op het terrein van de ethiek en de wetgeving rond informatie en mede-auteur van diverse EU-rapporten op dit gebied.

In een interview met De Tijd geeft hij blijk van zijn zorg om de toekomst van onze samenleving. “Mijn ergste scenario: een maatschappij die zich dood entertaint.”

 “Los van de eindeloze sciencefiction-rampscenario’s, realistisch: een maatschappij met almaar minder engagement, die compleet geabsorbeerd is door zichzelf. Een maatschappij die er basically geen moer meer om geeft. En hoe minder ze om dingen geeft, hoe meer ze zich dood entertaint. Al die ongelooflijke technologie zal dan gebruikt worden voor a) bewaking, voor b) entertainment en c) om de anderen op afstand te houden. Zo’n samenleving zou voor mij een historische miskleun zijn.”

Ethische kwesties

Ethiek betreft de vraag hoe te zijn. Het gaat in de ethiek dus om de kwestie wat te doen dat goed is voor het leven. Het leven is de maat van het handelen. Het leven duidt zowel de totaliteit als geheel aan, als de vele levende individuen die elk op eigen wijze leven en deelhebben aan het leven. Het individuele leven botst regelmatig met het leven van de ander of met het leven in zijn algemeenheid. De moraal probeert in dit conflict op redelijke wijze te bemiddelen. De ethiek zoekt het redelijke midden tussen conflicterende deugden en perspectieven. Ook hier zien we weer het onderscheid tussen de normatieve (voorschrijvende) en de beschrijvende ethiek.

We denken bij ethiek van informatie aan privacy, het beschermen van het zelf en de eigendommen die moeilijk van ons zelf los te maken zijn, zoals onze persoonsgegevens, onze identiteit. Identiteitsfraude, het zich toe-eigenen van de identiteit van de ander, is een geliefd misdrijf. Technologie heeft geleid tot het realiseren van dingen, artefacten die zich voordoen als echte dingen. Artefacten die pretenderen te kunnen denken, intelligent te zijn en mens te zijn. Vanuit een structureel, mathematisch gezichtspunt zijn deze artefacten (agenten) niet van echte mensen te onderscheiden. Maar zijn ze daarmee echt? Hoe maak je het verschil tussen echt en simulatie als je geen contact hebt met de echtheid? Is er zoiets als een “impliciete intuitie”, begrip dat we niet begrijpen, maar dat we slechts kunnen uitoefenen?

Inside information

Informatie kan oneigenlijk gebruikt en verkregen worden. Het is een juridisch begrip: onrechtmatig verkregen bewijs. Alsof het leven een spel is, met regels over welke kennis je wel en niet mag gebruiken. Een voorbeeld van het oneigenlijk gebruik van informatie is het gebruik van voorkennis in de aandelenhandel. Beroemd is het Marconi schandaal dat het vertrouwen in de Britse politiek in het begin van de vorige eeuw danig op de proef stelde. Leden van de regering kochten aandelen van de Marconi Company, toen ze wisten van op handen zijnde contracten over de aanleg van een netwerk van communicatiekanalen tussen het Britse rijk en de VS. (zie mijn blog over Het Kanaal.)

De informatie-ethiek van Floridi betreft niet alleen het leven van mensen, niet alleen dat van dieren, niet alleen de levende natuur, maar alles wat informatie is, het gehele zijn. Alles wat is, heeft recht te zijn: robots, boeken, rivieren en vissen. En ook virussen. Hoe lossen we conflicten op tussen botsende waarden? Is er geen ordening van waarden?

De ordening van de zijnden naar hun zijn wordt bepaald door de mate waarin het leven in de soorten van zijnden is gerealiseerd. De lagere zijnsvormen zijn opgenomen in de hogere vormen: de mens is dier, de dier is vegetatief. Het virus is een lagere vorm van zijn. Waar staat de robot in deze ordening? Wat houdt het recht op bestaan van een robot in?

Zodra er een conflict optreedt, klinkt de roep om een leider die van boven af als rechter optreedt en zegt hoe te handelen. “De politiek moet het oplossen”. Ze moet zeggen wat we mogen zeggen. Alsof deze een onafhankelijke positie als buitenstaander en onbetrokken figuur de waarheid in pacht heeft en weet wat we moeten doen. We onderscheiden verschillende machten (trias politica) die elkaar in evenwicht moeten houden. Het toeslagenschandaal heeft laten zien hoe belangrijk het voor de rechtvaardigheid is dat we kunnen vertrouwen op de politiek, en dat de juiste informatie beschikbaar is om controle uit te kunnen oefenen. Ook in het toeslagenschandaal leek het vaak te gaan om informatie uitwisseling.

De ambtenaren van de overheidsdiensten vergaten dat de individuele burger als persoon niet opgaat in de informatiestructuren zoals die in de regels van de dienst functioneren. Een gevolg van de geest van onze tijd die beheerst wordt door een ongereflecteerd mathematiseren en informatiseren van de werkelijkheid. De bestuursrechter had daar op moeten toezien, maar die verzaakte hun taak controle uit te oefenen op de uitvoerende macht.

De ‘onaansprakelijke’ macht

In het genoemde interview met De Tijd spreekt Floridi over de ‘onaansprakelijkheid’ van de macht en het grote belang van goede informatie-uitwisseling tussen de drie gescheiden machten.

“Wat maakt een dictatuur tot een dictatuur? Niet het aantal mensen dat de macht heeft. Maar het feit dat degene die de macht heeft, die macht ook uitoefent. Als dat dezelfde mensen zijn, heb je een dictatuur. Want dan wordt die macht onaansprakelijk. Dat hoeft geen probleem te zijn, als je de beste dictator ter wereld hebt. Je kunt je vingers kruisen, en hopen op een heilige. Maar dat is geen strategie. Hopen om de loterij te winnen is geen businessplan. Je wil uitgaan van het slechtst denkbare scenario. Wat als?”

“In een goede democratie ligt de macht bij het volk. En het volk geeft die macht aan de politici die ze verkiest, en die de macht dan uitoefenen zonder ze te bezitten. Hoe beter dat volk geïnformeerd is, hoe beter het kan kiezen. En hoe meer controle het kan uitoefenen op die macht. Maar: het volk die macht zelf laten uitvoeren, zou een vergissing zijn. We hebben al veel te veel tijd verloren met te praten over e-democratie. Veel populistische praatjes over ‘de macht aan het volk geven’, door dat volk over elk thema zelf te laten stemmen, zijn gewoon een poging om een dictatuur te verbergen achter de getallen.”

Over het mathematische en het metafysische begrijpen

Juist in een tijd waarin de mens zich voortdurend dreigt te verliezen in zijn uitwendige gestalten, is de filosofie in de verleiding ook te proberen hem juist vanuit die gestalten te begrijpen. Dat is iets ander dan: die gestalten als zelfveruitwendigingen van de mens te begrijpen.”.

Dit schreef Louk Fleischhacker in de syllabus Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken n.a.v. het college in het studiejaar 1975/76. Toen ik vele jaren later deze tekst nog eens las schreef ik in de kantlijn de namen Dennett en Floridi. Ik meende dat deze hedendaagse denkers over wetenschap en technologie zich aan deze verleiding schuldig maakten. Wat de laatste betreft: na het lezen van de diverse werken van Professor Floridi meen ik dat dat niet altijd het geval is. Het punt is dat Floridi het mathematisch denken als methode soms wel toepast, maar soms ook niet. De aanpak in (Floridi en Sanders 2004) en in (Floridi 2004 en 2006) zijn voorbeelden van het eerste. Hij onderscheidt verschillende informatiebegrippen waarbij het voor mij soms moeilijk is er een noodzakelijk logisch verband in te zien. Nergens reflecteert Floridi echter op de mathematische denkwijze zelf, zoals Aristoteles, Hegel en Fleischhacker dat doen. Volgens mij is inzicht in die denkwijze van belang om grip te krijgen op het informatiebegrip.

“Wiskundig denken is het denken over structuren op een manier alsof ze alleen uit ‘intelligibele materie’ (Aristoteles) bestonden. Met andere woorden, denken over iets alsof het structuur (iets zuiver kwantitatiefs) is, in plaats van dat het een structuur heeft.” (Fleischhacker 1992, p. 18).

Het zijn gaat volgens de mathematische metafysica op in de kwantitatieve structuur, de wijze waarop wij de werkelijkheid vanuit het mathematische perspectief benaderen en construeren. Alles is een getal, alles is een verzameling, alles is een functie, alles is een programma, alles is informatie. De werkelijkheid is het telbare, het deelbare, het meetbare, het programmeerbare, het mededeelbare.

Het wiskundige denken is gericht op het wiskundig kennen, de kennis van de structuren van de werkelijkheid. De kwantiteit is de categoriale grond van dit kennen van de waarneembare wereld. “Kwantiteit is datgene wat verdeelbaar is in samenstellende delen die elk voor zich weer iets individueels zijn.” (Aristoteles). Kwantiteit kennen we als aantal (discrete kwantiteit, dat is zonder aangrenzende delen) of als hoegrootheid (continue kwantiteit, dat is met aangrenzende delen).

In het mathematisch kennen wordt dat wat gekend wordt binnen de ken-relatie gesteld als iets dat het tegengestelde is aan het kennen zelf, pure uitwendigheid. Het denken dat op dit kennen gericht is, is zuiver verstandelijk; het hoeft geen rekenschap van zichzelf af te leggen.

Hegel is weinig lovend over het mathematisch denken. In het voorwoord van zijn Phänomenologie des Geistes gaat hij uitvoerig in op de aard van dit denken in vergelijking met het ‘wetenschappelijk’ (dat is bij Hegel het filosofische) denken.

“De evidentie van dit gebrekkig kennen, waar de wiskunde trots op is en waarmee zij pronkt tegen de filosofie, berust slechts op de armoede van haar doel en op de gebrekkigheid van haar materie; deze evidenties is dus van die aard, dat de filosofie deze moet verachten. – Het doel of begrip van de wiskunde is de grootte. Dit is juist de onwezenlijke verhouding waaraan alle begrip ontbreekt.” (Hegel, 1978, p. 81)

Wij zouden zeggen: het doel of begrip van de wiskunde is de structuur.

Iedere poging tot daadwerkelijke zelf-reflectie van het wiskundig denken leidt tot een paradox, waarvan de bekendste de Russel-paradox is; het gevolg van de poging het verzameling begrip zelf als verzameling (dat is op uitwendige wijze) uit te drukken. De wiskunde van het wiskundig denken (in de vorm van de metamathematica en de mathematische logica) hebben tot onvolledigheidsstellingen geleid: de wiskunde kan zichzelf niet van een consistente basis voorzien. Deze uitwendige vorm van zelfreflectie van het mathematische denken heeft als positief resultaat de programmeerbare machine opgeleverd, de realisatie van het wiskundig denken zelf in de vorm van een fysische werking.

De metafysica van “alles is informatie” ontstijgt het mathematisme waarvoor alles structuur is. Informatie is immers iets structureels dat een kwaliteit van iets uitdrukt, het betekent iets. Informatie verwijst naar iets dat buiten het structurele ligt.

Ik vermoed dat een filosofische reflectie op de eigen aard van het wiskundig denken er toe kan leiden de verschillende vormen van informatie, die we hier aan de hand van Floridi’s werk hebben besproken, onder een unificerend begrip te brengen. Ik hoop met deze bijdrage te hebben laten zien dat het bestuderen van Hegel’s Wissenschaft der Logik daarvoor de moeite loont.

Het milieuprobleem

Floridi’s ethiek is een ecologische ethiek. Zijn kritiek op veel bestaande ethische theorieën is dat deze te ego-centrisch zijn, te veel de individuele mens centraal stellen. Een filosofie van het informatiebegrip kan niet heen om wat wellicht het grootste pijnpunt van onze tijd is: het milieuprobleem en daarmee samenhangend klimaatverandering en migratie.

Het Maxwell-duiveltje bestaat niet. Informatie-uitwisseling gaat gepaard met energie-verbruik. Datacenters zijn verantwoordelijk voor substantiële delen van de energie-consumptie en CO2-uitstoot. En dit wordt alsmaar meer. Het is een hardnekkig probleem. Al in de jaren 70 verscheen het rapport “Grenzen aan de Groei” van een groep bezorgde wetenschappers. Wat heeft die hardnekkigheid van het probleem met de populariteit van het wiskundig denken te maken? Ik denk meer dan de meeste mensen denken. Daarom is het belangrijk de impact van dit denken te doorzien.

Het eerste automatisme

Mijn kleindochter Lilly kon net tot twintig tellen toen kennelijk het kwartje viel en ze het door had. Ze begreep het taalsysteem waarmee we de getallen benoemen. Ze kon verder: eenentwintig, tweeëntwintig, …dertig, eenendertig, … en nog verder. En toen vroeg ze me: hoeveel getallen zijn er?

Zijn? Daar zeg je zoiets.

De idee dat je alsmaar door kan tellen, dat er geen einde aan komt, is typisch voor het wiskundig denken dat haar gedachte objecten tegenover de echte eindige werkelijkheid plaatst. Wat tel je als je de getallen telt? Dat zijn de objecten die de wiskundige creatieve geest heeft gemaakt met de onderscheiden namen om de onderscheiden dingen te tellen. Het getal drie werd losgemaakt uit de drietallen van wat dan ook: drie paarden, drie stoelen, drie mensen. Zo ook met de andere getallen. En elk getal kreeg een eigen naam, een identifier, in een cijfersysteem, een formele taalstructuur van tekens. Bij het tellen van de getallen schrijven de getallen die we tellen zelf voor in welke volgorde ze geteld moeten worden. Er is niets buiten dit tellen van de getallen dat het proces stopt. De getallen tellen als het ware zichzelf. Er zijn oneindig veel, zoveel als je vol kunt houden en je beseft dat het aantal niet afhangt van het toevallige moment dat je stopt. Dat dat onwezenlijk is aan het eigenlijke proces dat oneindig is. Wat je zelf doet is eigenlijk alleen de motor zijn, de pendulum, het tikken van de klok, inhoudsloos denken, waarvan de inhoud volstrekt buiten dit tikken ligt, in de getallen.

Het tellen van de getallen is het eerste en eenvoudigste voorbeeld van het automatisme, van het inhoudsloze denken dat zichzelf, zijn eigen van zichzelf vervreemde inhoud, denkt.

Er zijn oneindig veel getallen (in potentie). Een eindige wiskunde is geen wiskunde; die bestaat niet. De eindigheid van de fysische werkelijkheid is onwezenlijk aan het oneindig ideaal van de wiskunde. Dit ideaal komen we tegen in de gewenning, de idee dat alles zal blijven zoals het is en dat ook morgen water uit de kraan zal komen, de zon op zal komen, en dat er na morgen weer een morgen is. Deze idee mathematisch uitgedrukt in de formule Z(Z)=Z(Z), de formule die het automatisme, de eindeloze herhaling van het tellen van de getallen volgens het voorschrift van de getallen zelf, uitdrukt, is diep geworteld in de moderne geest.

(Zie over de relatie van deze formule met Heideggers beschouwing over Der Satz vom Grund mijn artikel over het grondprobleem.)

Maar de wal keert het schip. De aardse bronnen, het bestand, is eindig. We worden nu dagelijks geconfronteerd met de gebakken peren ten gevolge van de mateloosheid die het wiskundig denken eigen is. Wetenschappers die werken op het terrein van de Natuurlijke Taalverwerking (Natural Language Processing) een kernthema van de Artificial Intelligence waarschuwen voor de als maar toenemende energieconsumptie en CO2 emissies die gepaard gaan met het trainen van alsmaar complexere datamodellen. (zie bijvoorbeeld Strubell, 2019).

Floridi’s ethiek is een ethiek die, geconfronteerd met de milieuproblematiek, een antwoord probeert te geven op de mateloosheid van onze tijd. Het is een zoektocht naar de wezenlijke maat: het leven.

We moeten beter met onze aandacht om gaan volgens Floridi. We zijn ‘informatie-obees’.

“De overgang van schaarste naar overvloed verandert het spel compleet. We zullen wel beter leren selecteren en focussen – als we geluk hebben. Maar op dit moment zie ik vooral heel veel van het omgekeerde. Heel veel afleiding en verstrooiing. Informatie verbruikt aandacht. Dat weten we al decennia. En hoe meer informatie, hoe meer aandacht je moet schenken.”

Het hebben van informatie doet de vraag om meer informatie toenemen. Informatie is misschien wel het meest verslavende consumptiegoed van onze samenleving.

Tot slot

Volgens Professor Floridi is informatie alleen dan informatie als het ware informatie is. Er is niet zoiets als informatie die een beetje waar is. Ik begrijp dit als een moreel standpunt: informatie moet om echt informatie te zijn waar zijn. Daar moeten we naar streven. Ik vat het op zoals wanneer we zeggen dat een mens pas echt mens is wanneer deze vrij is. Of dat een gesprek pas echt een gesprek is wanneer het een open (‘Herrschaftsfrei’) gesprek is. Het is aan de filosofie zich voortdurend met het zijn te verstaan om de inhoud van deze begrippen waar te maken.

Bronnen

Rieks op den Akker (1983). De zelfstandigheid van automaten en de semantiek van programmeertalen, Intern rapport Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen (ook als intern rapport verschenen bij de Onderafdeling der Informatica).

Yehoshua Bar-Hillel en Rudolph Carnap (1952). ‘An Outline of a Theory of Semantic Information’, Research Laboratory of Electronics, Massachusetts Institute of Technology.

Anthony F. Beavers (2016). A Brief Introduction to the Philosophy of Information.  Logeion – Information Philosophy 3.1 (2016): 16-28.

Harm Boukema (1980). Intentionele analyse van illocutioary acts. In: Filosofische Reeks nr. 6 – 1980. Filosofische lezingen gehouden op de Eerste Nederlandse Filosofiedag 15 september 1979, Universiteit van Amsterdam.

Louk Fleischhacker (1976). Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken, Collegedictaat 2de semester van het collegejaar 1975/76 Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Technische Hogeschool Twente, 1976.

Louk Fleischhacker (1982). Over de grenzen van de kwantiteit. Proefschrift. Amsterdam UvA; 24.09.1982.

Louk Fleischhacker (1992). Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken en van de Informatietechniek, syllabus van het collegejaar 1990/91. Faculteit der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Universiteit Twente, 1992.

Louk Fleischhacker (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Louk E. Fleischhacker (1998). On the notion of life. Theor. Biosci. (1998) 117; 139-160.

Luciano Floridi (2003). On the intrinsic value of information objects and the infosphere. In: Ethics and Information Technology, volume 4, pages 287–304(2002)

Luciano Floridi (2006), “The Logic of Being Informed”, Logique et Analyse, 49, pp. 433-460

Luciano Floridi (2004), “Outline of a Theory of Strongly Semantic Information”, Minds and Machines, 14, pp. 197-222

Luciano Floridi (2007). In defence of the veridical nature of semantic information. EUJAP, Vol. 3, Nr.1, 2007.

Luciano Floridi (2008). The Method of Levels of Abstraction. Minds & Machines 18, 303–329 (2008).

Luciano Floridi (2010). The Philosophy of Information as a Conceptual Framework. Know Techn Pol 23, 253–281 (2010).

Luciano Floridi, L. (2011) The Philosophy of Information, Oxford, UK: Oxford University Press. Een metafysica waarin het informatiebegrip centraal staat.

Luciano Floridi (2014). Informatie. In de serie elementaire deeltjes. Amsterdam University Press. (Dit is de vertaling van Information: a very short introduction, Oxford University Press, 2010)

Luciano Floridi (ed.) (2016). The Routledge Handbook of the Philosophy of Information.

Luciano Floridi, Sanders, J. (2004). On the Morality of Artificial Agents. Minds and Machines 14, 349–379 (2004).

G.W.F. Hegel (1969). Wissenschaft der Logik I en II, Deel 5 en 6 van de Werke in Zwanzig Bänden. Theorie Werkausgabe Suhrkamp Verlag, 1969.

G.W.F.Hegel (1978). Het wetenschappelijk kennen, Dit is de door Peter Jonkers vertaalde Vorrede van de Phänomenologie des Geistes (1807). Boom Meppel, 1978.

Hintikka, J. 1970. On semantic information. In: J. Hintikka; P. Suppes (eds.) Information and Inference. Dordrecht, Holland: D. Reidel Publishing Company

Emmanuel Levinas (1971). Het menselijk gelaat. Ambo n.v.,Bilthoven. Hierin: Betekenis en zin, pp.152-191. (Vertaling van La signification et le sens. in: Revue de Métaphysique et de Morale 69 (1964), 125-156.)

Donald MacKay, 1950. The Nomenclature of Information-theory;
Proceedings of Information-theory Symposium, London, Sept. 1950.

Claude Shannon, Warren Weaver (1949). The Mathematical Theory of Communication, Urbana, IL: University of Illinois Press.

Strubell, E., Ganesh, A., & McCallum, A. (2019). Energy and Policy Considerations for Deep Learning in NLP. ArXiv, abs/1906.02243.

John A. Wheeler (1990) ‘Information, Physics, Quantum: The Search for Links’ in W. Zurek (ed.) Complexity, Entropy, and the Physics of Information, Redwood City, CA: Addison-Wesley.

Over het dialogische karakter van het informatiebegrip

Alles lijkt tegenwoordig om informatie te draaien. Maar zodra we erover nadenken en vragen wat het is dan raken we in verlegenheid. Verschillende denkers over informatie hebben gewezen op het huidige onbegrip rond informatie.

Is informatie pas informatie als het waar is? Bestaat er dan ook onware informatie? Wat is informatie?

Zoals Cantor het aan het eind van de 19de eeuw een schande vond dat iedereen het maar over getallen had terwijl niemand er nog een bevredigende definitie van kon geven, zo spreken hedendaagse denkers er schande van dat er nog geen bevredigende definitie van informatie bestaat.

“Looking to the future, “information” is obviously a fundamental, transdisciplinary concept, and it is somewhat of a scandal that there is not yet an agreed and accepted definition. It would be a major advance if such a concept could emerge, and Floridi’s work in developing both a philosophy of information and theory of information is playing a major role in this.” (Mingers)

Luciano Floridi, een hedendaags informatiefilosoof, heeft zijn scepsis geuit met betrekking tot het succes van pogingen om tot een universele theorie van informatie te komen.

Waarop wijst deze scepsis? Waar komt het vandaan? Wat zegt het over het informatie begrip zelf? Zegt het misschien iets over onze mogelijkheid te begrijpen?

Misschien is het cruciaal voor het informatie begrip te begrijpen wat een feit een feit maakt? Het verschil tussen wat iets is en dat iets is. Tussen informatie en ware informatie. Informatie is het resultaat van een meting. Maar wat is de maat van informatie? Ligt de maat niet in de wijze waarop we het eens worden over het waarheidsgehalte van de informatie? In het gesprek of het conflict.

Maar dan is de vertrouwensrelatie een wezenlijk onderdeel van de informatieinhoud. Zoals de communicatiedeskundige Watzlawick uitdrukt in zijn axioma’s van communicatie. Axioma 2 luidt; Iedere communicatie bezit een inhouds- en betrekkingsaspect. Watzlawick zet de relatie tegenover de inhoud van de informatie. Hij merkt op dat de relatie de inhoud beïnvloedt. Ik zou zeggen: de relatie bepaalt hoe de luisteraar of lezer het gezegde of het geschrevene verstaat.

Het is waar dat de idee van een alwetende god (God?) het denken over de logica van informatie en kennis soms behoorlijk lijkt dwars te zitten. Wij objectiveren en depersonaliseren kennis en informatie om het zo uit de sfeer van de intersubjectiviteit en interactie te halen waarin het thuis is. Hetzelfde is al met de taal gebeurd, we spreken van zinnen alsof het producten zijn die door het spreken geproduceerd worden. Alsof iets zeggen hetzelfde zou zijn als het produceren van een zin. Misschien is dit denken inderdaad wel gemotiveerd door de wens machines, robot intelligentie toe te schrijven en geen onderscheid meer te maken tussen het produceren van een zin en het uiten van een zin als een zeggen van iets. Maar wat zegt dit ons over de wijze waarop we de mens en de techniek verstaan.

Informatie moet in principe verifieerbaar zijn. Het moet bepaalbaar zijn wat het zegt, wat het inhoudt. Wanneer ik zeg “Jan is naar school” dan geef ik je bij conventioneel gebruik van deze zin informatie over Jan. Dat is de naïeve opvatting. We nemen dit aan. Ik neem aan dat dit zo is. Wat ik geloof is wat ik hier uitdruk. Bij nader inzien kan blijken dat het niet klopt. Wist ik niet beter of loog ik?

De communicatie-ingenieur gaat niet over de inhoud van de berichten. Hij is alleen geïnteresseerd in de kansverdeling over de berichten die verstuurd worden omdat deze bepaalt hoe hij deze het meet efficient kan overbrengen. Wanneer het bericht “Het regent en het regent niet” erg vaak voorkomt krijgt deze een korte code. Hij heeft niets met de betekenis te maken. Het enige wat van belang is is dat er een verschil gemaakt wordt tussen twee berichten die niet hetzelfde betekenen. Dat kan met voldoende lange rijtjes van 0-en en 1-en. Van belang is dat gegeven de uitvoer van het kanaal de invoer bepaald kan worden.

Idealiter is wat gehoord wordt gelijk aan wat gezegd is en wat gelezen wordt gelijk aan wat geschreven is. Dat is de ideale communicatie, het delen van informatie als ware het kennis.

Informatie speelt een belangrijke rol bij alles wat we doen. We baseren onze beslissingen op de informatie die we hebben. Maar we evalueren de informatie ook voor dat we ons erop baseren. Informatie die we krijgen kan immers andere informatie tegenspreken. Informatie kan onjuist zijn. Is het dan nog wel informatie?

In everyday speech we say that we have received information, when we know something that we did not know before: when ‘what we know’ has changed.” (MacKay, 1950)

Als we zouden kunnen meten “what we know” dan zouden we kunnen bepalen hoeveel ‘informatie’ de informatie voor de ontvanger bevat. Maar wat is dat “what we know” voor iets? Is dat een veelheid van iets? Is dat wel meetbaar? Heeft dat een volume? Hoe meet je wat je weet?

Iemand laat me een sudoku puzzel zien, wijst een leeg vakje aan en vraagt me of ik weet welk cijfer er in dit vakje moet? Ik weet het zo niet, maar nadat ik de puzzel heb opgelost weet ik het. Zonder dat ik echt nieuwe informatie heb gekregen. In zekere zin is alle informatie die ik nodig heb immers al met de puzzel gegeven. Ik kan door de sudoku regels te volgen het cijfer in het aangewezen hokje berekenen. Ik kan het logisch deduceren uit de informatie die ik heb.

Het is hierbij niet onbelangrijk dat er slechts eindig veel mogelijkheden zijn. Dat geldt niet in het algemeen voor de kennis die ik kan hebben over een onderwerp.

Vergelijkbaar met het oplossen van een sudoku puzzel is het uitrekenen van een wiskundige expressie, bijvoorbeeld van een complexe integraal. Het resultaat van de berekening heeft dezelfde waarde als de waarde van de integraal. Wat voegt het resultaat dan toe aan mijn kennis? Je kunt zeggen dat door het berekenen ik informatie krijg over de waarde van de integraal. Alsof de integraal een gebeurtenis of ding is en het berekenen een vraag stellen of een meting aan het ding of gebeuren. Het wiskundig object vat ik dan als een realiteit op waarover iets te weten valt. Het resultaat biedt overzicht. Het plaatst de expressie in het geheel van mijn kennis. Het getal 1 als uitkomst van een berekening zegt mij vaak meer dan de ingewikkelde expressie waarvan ik de waarde nog moet berekenen.

Dit is de informatieverwerking die we aan de machines overlaten. De mens bepaalt in welke vorm hij het resultaat wil hebben.

De eigenlijke informatie betreft dus wat de betekenis ervan is voor het kennend subject in relatie tot het totaal van kennis die het subject heeft.

Als ik kan meten wat ik weet, weet ik dan ook hoeveel ik niet weet? In hoeverre ken ik alle logische gevolgen van de dingen die ik weet? En: is mijn kennis wel consistent? Bevat het geen tegenspraken?

In  Truth and Probability merkt Frank Ramsey het volgende op.

The degree of belief in p given q is not the same as the degree to which a subject would believe p, if he believed q for certain; for knowledge of q might for psychological reasons profoundly alter his whole system of beliefs.

Dit kunnen we als commentaar zien op de aanzet van MacKay voor het kwantificeren van informatie door te kijken naar het veranderen van de belief state door nieuwe informatie.

Informatie kan bestaande kennis op verschillende manieren veranderen. Allereerst kan het informatie toevoegen aan een model. Het vult als het ware een lege plek op. Maar er is ook informatie die sleutelt aan het model zelf, aan de ‘whole system of beliefs‘. Dat is informatie die het perspectief op de zaak verandert. Dat is informatie die je niet verwacht, die je verrast. Nieuwe informatie kan je er plotseling op wijzen dat je een heleboel nog niet weet, terwijl je dacht al een heleboel te weten.

Selectieve informatie betreft de identificatie van een element uit een gegeven verzameling van elementen. Een mogelijkheid in een veld van mogelijkheden.

De Bar-Hillel-Paradox van Floridi en Hintikka’s Scandal of Deduction komen voort uit het niet onderscheiden van echte informatie en selectieve informatie. Het kansbegrip zoals dat in de kansrekening wordt gemathematiseerd veronderstelt een veld van mogelijkheden, zoals bij selectieve informatie.

De mathematische theorie van informatie gaat er vanuit dat het kennend subject volledig in het kans/belief-model is uitgedrukt. Het abstraheert door deze objectivatie van het concrete dynamische kennende subject. Maar dan verlies je een belangrijk aspect aan informatie: dat wat het voor het subject betekent.

Anders gezegd: het mathematische model houdt in dat iets volledig bepaald is door het onderscheid met andere ietsen, door de plaats die het in een structuur inneemt; door het contrast met alles wat het niet is. De identiteit van een informatie-eenheid is negatief. Maar echte informatie heeft behalve dit kwantitatieve moment ook een positief moment; wat het zelf als kwaliteit is. Informatie betreft altijd iets dat buiten het proces van informatie-verwerking, buiten het berekenen of afleiden valt.

Voor Luciano Floridi is de Bar-Hillel-Carnap paradox reden om te zeggen dat informatie pas betekenisvolle informatie is als het waar is. En daarmee zegt hij eigenlijk: wat jullie nieuwe informatie noemen is pas echte informatie als blijkt waar te zijn wat er gezegd wordt. Maar is dat geen onbereikbaar ideaal?

Alsof onze kennis groeit totdat er niets meer te weten over blijft.

De werkelijkheid zegt niet als een bepaalde event E optreedt dat E mogelijk is, de werkelijkheid toont dat E het geval is. De wiskunde kent echter alleen mogelijkheden en kan niet het werkelijk worden van iets of de groei van kennis als zodanig modelleren. Alles wat de wiskunde voor waar houdt volgt uit de axioma’s die een keer aangenomen zijn. Feiten zijn niet inhoudelijk onderscheiden van de andere mogelijkheden uit het ‘veld van mogelijkheden’ uit het wiskundig kansmodel.

De praktijk is echter dat we voortdurend nieuwe informatie krijgen waarvan we nog maar moeten afwachten of en wat voor nieuwe kennis het oplevert. Informatie is toetsbaar en dus slechts potentieel waar. We moeten die nog verwerken. Dat gebeurt in een confrontatie met alle reeds voor waar aangenomen informatie en met informatie die we bewaarden maar waar we nog niets mee wisten te doen. De waarheid is het doel van de dialoog tussen de waarheid zoekende wetenschappers.

Naar een unificerende theorie van informatie

De scepsis dat een werkelijk begrip van informatie niet voor de mens is weggelegd, zoals onder andere door Shannon, Floridi en Mingers uitgesproken, berust op de verwarring van de twee betekenissen van mogelijk die het wiskundige begrip van mogelijkheid uit de kansrekening en statistiek aankleven. Informatie is een begrip dat tot de intersubjectiviteit behoort, niet tot de wiskunde of de fysica.

Wie alleen ware informatie als informatie opvat die moet hetzij concluderen dat ware informatie niet voor ons is weggelegd, hetzij dat er een alwetende God bestaat voor wie de wereld volstrekt doorzichtig is. Maar die status is voor de mens niet weggelegd. Wij kunnen ons niet buiten de dialoog met de ander en met de werkelijkheid plaatsen.

Bronnen

Hintikka, J. 1970. On semantic information. In: J. Hintikka; P. Suppes (eds.) Information and Inference. Dordrecht, Holland: D. Reidel Publishing Company

Donald MacKay, 1950. The Nomenclature of Information-theory;
Proceedings of Information-theory Symposium, London, Sept. 1950.