Wat is alles? Is alles informatie?

“Zijn is informatie” (Luciano Floridi)

Tussen de werkelijkheid die de receptiviteit gegeven is, en de betekenis die deze werkelijkheid kan krijgen, schijnt een onderscheid te bestaan.” (Emmanuel Levinas)

In dit stukje bespreek ik het werk van Professor Luciano Floridi, filosoof van het informatiebegrip. Hij beweert dat alles informatie is. Maar wat is dat?

Het is een sleutelbegrip van onze hedendaagse westerse cultuur. Daarom is het van belang te snappen wat dit begrip inhoudt. Hoe wordt alles opgevat als alles informatie is? Ik hoop in dit stukje een bijdrage te leveren tot het begrip dat de lezer die met mij meedenkt van informatie heeft. Daarmee leveren we niet alleen een bijdrage aan het project van Professor Floridi, maar tevens aan het zelfbegrip van onze tijd.

Naast de woorden informatie en gegeven komen een aantal woorden frequent in onderstaande tekst vaak voor. Dat zijn: kwantiteit, structuur, onverschilligheid, uitwendigheid, (on)betrokkenheid. Ze kenmerken een mathematische denkhouding en een daarbij behorende benadering van de werkelijkheid. Diverse denkers over informatie hebben opgemerkt dat informatie ‘een verschil is dat iets uitmaakt’. Informatie heeft met ‘nieuws’ te maken, met het opmerkelijke.

We vermoeden dat informatie als zodanig aan de mathematische sfeer die gekenmerkt wordt door uitwendigheid en onverschilligheid ontsnapt. Iedere poging informatie weer op mathematische wijze te begrijpen zal dan ook tekort doen aan de werking en de werkelijkheid van informatie. Vanuit dit vermoeden en met deze waarschuwing op zak bespreek ik Floridi’s filosofie van informatie.

Floridi (2007) wijst op het nieuwe van het woord “informatie”.

““Information” is one of those crucial concepts whose technical meaning we have not inherited or even adapted from ancient philosophy or theology. It is not a Greek word, and the Latin term happens to have a different meaning, largely unrelated to the way we understand information nowadays.”

Maar volgens de etymologie komt het woord ‘informatie’ van het Latijnse woord ‘informare’, dat vormgeven betekent. En dat lijkt toch wel degelijk verwant aan ons informatiebegrip.

Het Griekse woord ‘technè’ betekent kunde of kunst. Paradigmatisch is het pottenbakken, de kunst waarmee klei een bruikbare vorm gegeven wordt. We zouden met een latijns woord dit vormgeven ‘informeren’ kunnen noemen. En zo is iedere techniek eigenlijk al informatietechniek, het uitdrukken van een (conceptuele) vorm in de materie (zie Fleischhacker 1992).

De techniek heeft een ontwikkeling doorgemaakt: in plaats van klei als materiaal wordt in de computer informatie als materiaal verwerkt. Daaruit blijkt het reflexieve en algemene karakter van de moderne technologie: de informatietechnologie is de technologie van de technologie. Informatie heeft betrekking op een toestand en wordt tevens gepresenteerd door een toestand van een als systeem gedacht deel van de werkelijkheid. Het gaat om toestanden formeel genomen, toestanden als toestanden. Bij informatiesystemen hebben te maken met fysische systemen met toestanden die staan voor mentale denkinhouden die als toestanden van denksystemen (wiskundige modellen) worden opgevat.

De taal als expressie en communicatiemiddel is nauw verbonden met informatie. Het is door middel van taal dat wij informatie uitwisselen. In taal komt het denken als denken tot uitdrukking. Anderzijds is het zo dat als we een verschijnsel beschrijven als het uitwisselen van informatie dan is er ook altijd sprake van een codering of taal.

Woorden zijn klanken, door de stem gevormde geluiden, die gebruikt worden en ontstaan zijn om ergens de aandacht op te vestigen of die uiting zijn van een (innerlijk) beleven dat de aandacht vraagt. Het is een eenheid van materie en vorm dat in het gebruik verwijst naar iets, de betekenis, als een min of meer beoogd effect. Het woord herinnert aan deze oorsprong en leent zich voor (her)gebruik. Het woord is beeld dat voor iets anders staat.

Informatie is een fascinerend begrip omdat het reflexief is: het betreft (een resultaat van) het denken van de werkelijkheid zoals deze door ons bedacht, gevormd is.

Omdat informatie over een denker informatiever is wanneer we zijn denken vergelijken met dat van een andere denker zal ik het werk van Professor Floridi confronteren met het denken van een andere filosoof, G.W.F. Hegel. Niet dat deze denker zich expliciet over informatie heeft uitgesproken, maar omdat we in zijn denken (met name in zijn Wissenschaft der Logik) verschillende aanknopingspunten kunnen vinden die tot verheldering van het informatiebegrip leiden. Daarbij zal ik dankbaar gebruik maken van de lessen en teksten van mijn leermeester de wiskundige, logicus en filosoof Louk Fleischhacker die mij tijdens mijn studie wiskunde en informatica heeft ingevoerd in het denken van deze soms moeilijk te doorgronden Duitse filosoof. In zijn colleges ging het erom inzicht te krijgen in de eigen aard van het wiskundig denken. Belangrijk omdat het zo wijdverbreid en bepalend is voor de moderne tijd. Ik vermoed dat we pas goed zullen begrijpen wat informatie is wanneer we begrijpen wat ‘uitwendigheid’ inhoudt en wat die eigen aard van het mathematische denken is.

G.W.F Hegel, L.E. Fleischhacker en L.Floridi

De wiskunde wordt vanouds geprezen vanwege de onveranderlijke waarde van haar waarheden. Dat heeft alles te maken met de aard van de wiskundige objecten. Die zijn onveranderlijk en bovendien onafhankelijk van de zintuiglijke waarneming. Wat niet wegneemt dat de zintuiglijke waarneming basis is voor de wiskundige begripsvorming. Maar niet het zintuiglijke als waarneembaar is de bron, maar het structurele, het kwantitatieve aan de waarneembare werkelijkheid.

Wiskundige objecten en waarheden zijn niet aan slijtage onderhevig. Wat wel aan slijtage onderhevig is dat is de materie, deze verandert voortdurend van vorm. Dat geldt in het bijzonder voor informatie. Hoe kan het dan dat de toepassing van de wiskunde zowel op theoretische wijze in de natuurwetenschappen als op praktische wijze in de techniek zo succesvol is? Of moeten we misschien vraagtekens plaatsen bij dat vermeende ‘succes’ van de toepassing van het mathematische denken? Waar vinden we in de werkelijkheid iets dat dit denken een halt toeroept, een werkelijkheid die niet door door denken begrepen kan worden? Het leven?

Inleiding in het denken over verandering

Lang geleden dacht men dat rupsen en vlinders geheel verschillende dieren waren. Het duurde duizenden jaren voordat mensen erachter kwamen dat de kruipende, dikke rups later in zijn leven verandert in een fladderende, tere vlinder.” (De Vlinderstichting)

Het bijzonder van de diersoort mens is volgens de Franse filosoof Henri Bergson dat deze zich af en toe even kan bevrijden uit het driftige leven waarin de dieren gevangen lijken te zitten en van de overlevingsdrang die hem tot arbeid en het maken van steeds maar nieuwe technologie aanzet. De mens vindt af en toe tijd en aanleiding om waarom te vragen. Vooral nu die technologie een vorm heeft gekregen waarin de mens zichzelf als arbeider en berekenend denker tegenover zich ziet. De autonome technologie bevrijdt de mens van de arbeid zodat hij tijd heeft om in het rijk der vrijheid na te denken. Tevens houdt de technologie hem een spiegel voor.

Hoe zijn we hier gekomen?

In het begin was er niets. Zo wordt wel gedacht. Maar hoe kan uit niets iets ontstaan? Is dan de vraag. Misschien was er geen begin. Is er altijd wel iets geweest. Verandering? Maar dan moet er iets zijn dat verandert, iets dat iets anders wordt. Dat betekent dat er een verschil moet bestaan tussen het ene wat het was en het andere wat het wordt. In hoeverre, in welke zin, zijn die twee, dat ene en dat andere, er al voorafgaand aan de verandering? En bovendien moet het zo zijn dat datgene wat verandert in zekere zin onverschillig is tegenover dit ene en het andere, het blijft in die verandering immers zichzelf; het iets dat verandert. Het stoot zich als het ware af van de uiterlijke eigenschappen die het heeft.

Wat is het dat van rups vlinder wordt? Er kunnen wel tegelijkertijd rupsen en vlinders zijn, maar kan het leven tegelijk rups en vlinder zijn? De rups is niet vlinder en de vlinder is niet rups. Of is dat te verstandelijk en oppervlakkig gedacht? Toont de werkelijkheid dan niet dat de rups vlinder wordt, zoals het eikeltje een eik. Maar dan moet de rups toch in aanleg al vlinder zijn geweest.

De natuur kent geen sprongen. Wordt wel gezegd. Er is geleidelijkheid in de verandering. Maar water kan toch plotseling ijs worden en wanneer wordt het virus dat dode materie is een levend iets?

“Men probeert maar al te graag in de geleidelijkheid van de overgang een verandering begrijpelijk te maken; maar de geleidelijkheid is de louter onverschillige verandering, het tegendeel van de kwalitatieve verandering. In de geleidelijkheid is veeleer de samenhang van de beide realiteiten – ze worden als toestanden of als zelfstandige dingen opgevat – opgeheven; het is gesteld, dat geen ervan de grens van de ander is, maar dat de een de ander slechts uiterlijk is; hiermee wordt juist dat wat we nodig hebben voor ons begrip, ook al is daarvoor nog maar weinig vereist, verwijdert.” (Hegel, WdL I, p. 438, eigen vertaling) .

Dat we de metamorfose van vlinder en rups niet echt begrijpen hoe diep we ook duiken tot in de kleinste cellen van het leven, dat geldt niet alleen voor deze specifieke bestaanswijze en verandering. Het onbegrip, dat we soms het toevallige noemen tegenover het wetmatige, regelmatige van de natuur is volgens Hegel een logische noodzakelijkheid, het hoort bij het denken van de werkelijkheid.

De basis van informatie is het gegeven. Een gegeven is iets dat het verschil maakt (Floridi 2014). Om verschil te kunnen maken met iets anders moet het zelf ook iets zijn. De 0 en de 1 zijn zelf ook iets, ze zijn daarin niet volledig bepaald door het onderscheid met het andere. Ook al maakt het niet uit of we dit en dat nu 0 en 1 of 1 en 0 noemen, als we het maar kunnen onderscheiden. Maar we moeten wel kiezen en daar aan vasthouden! Om te kunnen bepalen, vastleggen, wat iets zelf is, in onderscheid van het andere, moet dat andere ook bepaald zijn, als achtergrond waar tegen het gegeven oplicht.

Informatie is gedateerd, de werkelijkheid van nu waarop ze betrekking heeft, is niet meer die van gisteren. In de krant van vandaag wordt morgen de vis verpakt. Wil informatie iets zijn dan moet ze boven de vluchtigheid van de tijd uitsteken. Ze moet iets algemeens zeggen. Haar inhoud moet abstract zijn. Wie informatie wil delen moet, hetzij direct, hetzij indirect, refereren naar dezelfde werkelijkheid, de uiteindelijke maat van de informatie.

Bij Hegel is de kwantitatieve bepaling een onverschillige bepaling. In zoverre het zo is dat de bepaalde grootte van iets niet wezenlijk is is het ‘slechts kwantitatief’, onverschillig. De maat is de eenheid van kwaliteit en kwantiteit. Een verandering van grootte kan wel degelijk een wezenlijk, kwalitatief verschil maken. Wanneer we iets meten leggen we een ideële maateenheid (een vastgestelde, conventie) op aan datgene waarvan we de maat nemen. Deze kamer is drie meter breed. In de wei staan drie paarden. Het resultaat van het meten is informatie. Het zijnde heeft een kwalitatief en een kwantitatief aspect. In de maat geeft het gegeven zijnde iets van zichzelf prijs; eigenschappen. Pure uitwendigheid (wat onverschillige bepaling is aan het zijn zelf, Hegel) wordt uiterlijkheid, een verwijzing naar iets kwalitatiefs.

Informatie betreft de kwantitatieve uitdrukking van iets kwalitatiefs. Daarom is het niet hetzelfde als kennis, omdat niet alle kennis op een kwantitatieve wijze is uit te drukken. Wezenlijke kennis, kennis van het wezen, niet. Informatie wordt wel subjectloze kennis genoemd. Informatie zegt iets over de werkelijkheid zonder dat de spreker daar zichzelf in betrekt. De inhoud van informatie is onafhankelijk van degene die de informatie verstrekt. Informatie wordt in een vastgelegde taal uitgedrukt en overgedragen. Een dergelijke taal heet ook wel code. Binnen een beroepsgroep spreekt men vakjargon. De machine heeft een eigen programmeertaal waarin vastgelegd wordt in welk format gegevens (data) worden ingevoerd en uitgevoerd.

Ook in (Floridi 2014) komen we de drie aspecten van informatie tegen: er zijn gegevens, deze hebben een vastgelegd format en de gegevens hebben betekenis.

Iets wat betekenis heeft is een teken. Om als teken te worden gezien moet iets worden opgemerkt. Wanneer we in het zand een opmerkelijke structuur zien dan vermoeden we dat het iets betekent, dat er een verklaring voor is. Zodra we die verklaring gevonden hebben geeft de tekening informatie. Het kan verwijzen naar een fysische oorzaak, maar ook naar een bedoeling. Het kan bedoeld zin als een aanwijzing voor iemand.

Floridi onderscheid ‘omgevingsinformatie’. Dat zijn gegevens die ‘hun eigen semantiek hebben onafhankelijk van een intelligente entiteit die ze produceert of verstrekt.” (p. 28). Een voorbeeld dat Floridi geeft zijn de jaarringen in de stam van een boom, aan de hand waarvan je de leeftijd van de boom kunt aflezen. Voor omgevingsinformatie zijn twee systemen nodig a en b die gekoppeld zijn. Die hebben beide een kenmerk a:F en b:G. De verbinding tussen die twee laat de waarnemer van a:F zien dat b in toestand G is. De verbinding tussen a en b is een wet of regel. Floridi noemt de lakmoesproef als voorbeeld om te bepalen (meten) of een vloeistof basisch of zuur is. (p. 38) Het ene betekent het andere. Maar soms zegt Floridi is er helemaal geen betekenis in het spel. “Zulke informatie kan bestaan uit netwerken of patronen gecorreleerde gegevens die moeten worden opgevat als zuiver fysieke verschillen. Planten, dieren en mechanismen kunnen praktisch gebruik maken van omgevingsinformatie, zonder semantische verwerking van gegevens met betekenis.”(p. 39) In het hoofdstuk dat over biologische informatie gaat komt Floridi terug op dit moeizame begrip omgevingsinformatie.

In dat hoofdstuk wordt een onderscheid gemaakt tussen: a) informatie als werkelijkheid (de jaarringen), b) informatie voor de werkelijkheid (instructie, algoritmes) c) informatie over de werkelijkheid.

Een vooralsnog duistere term die Floridi introduceert is ‘semantische inhoud’. “Informatie in de zin van semantische inhoud komt voor als instructie en als feit.

Het knipperen van een dashboard lampje kun je ‘vertalen in semantische inhoud’: a) als instructie om iets te doen, de accu vervangen of b) als feitelijke informatie – de accu is leeg.

Instructie kan omgevingsinformatie zijn, daarover meer in het hoofdstuk over biologie, of semantische inhoud. Dat hangt ervan af of “betekenis een vereiste functie is”. (p. 40). Bij een instructie is er geen situatie of toestand waarop de informatie betrekking heeft. Een instructie dient om een toestand tot stand te brengen. Voorbeeld: als het bi-metaaltje in de waterkoker de stroomkring onderbreekt stopt het verwarmen. Dat kan worden geïnterpreteerd als instructie-informatie. Maar ook als iemand een instructie geeft om iets te doen is er sprake van instructie-informatie.

Volgens Floridi komen in toverspreuken beide: instructie en feitelijke informatie samen. Hiermee bedoelt hij waarschijnlijk zoiets als “Sesam open u”, door de instructie wordt waargemaakt wat er gezegd wordt. Het zijn bijzondere performatieve uitingen, uitingen die door ze uit te spreken hun bedoeling als vanzelf realiseren. Is dat niet precies wat we doen als we een geprogrammeerde machine een opdracht geven? Maar vindt de fysische realisatie niet plaats als bij toverslag maar door middel van de fysische processen in de door ons gemaakte machine die met het uitspreken van de instructie in gang worden gezet. De machine die onze taal lijkt te verstaan heeft iets magisch als we vergeten hoe dit ‘verstaan’ door middel van een ingenieus door ons bedachte constructie tot stand komt. Dit vergeten maakt ook precies de zin van de techniek uit. Het gaat de gebruiker om het doel en niet om de listige wijze waarop dit wordt bereikt. Gebruiksvriendelijke techniek is techniek die simpelweg functioneert en zich niet opdringt aan, maar verborgen blijft voor de gebruiker.

Instructies zijn niet waar of onwaar. Feitelijke informatie kan waar of onwaar zijn. Het gaat bij feiten dus kennelijk om informatie als een bewering die betrekking heeft op een stand van zaken.

Floridi noemt dit ‘feitelijke semantische informatie’. Hij geeft daarvan de volgende definitie.

“p kan feitelijke semantische informatie worden genoemd mits deze bestaat uit goed geformeerde, waarachtige gegevens met betekenis”

Floridi zegt dat we dit niet moeten verwarren met ‘feitelijk semantische inhoud’. Die kan onwaar zijn. Semantische informatie die feitelijk is is per definitie ook waarachtig.

Onware informatie is schijn-informatie. Het is geen informatie. Onware of schijn-informatie is informatie waarvan de semantische inhoud onwaar is.

In het hoofdstuk over biologische informatie merkt Floridi op dat genetische informatie nauwelijks beschouwd kan worden als ‘semantisch informatie in preciese zin’ (p. 86). Omdat ze daarvan geen enkele kenmerkende eigenschap heeft: opzettelijkheid, intentionaliteit en waarachtigheid. De genen zijn de code zelf. “Genen versturen geen informatie, zoals dat gaat bij radiosignalen.” Genen dragen geen informatie zoals een postduif een bericht meedraagt.” (p. 86). Genen zijn een soort van performatief, ze beschrijven niets, maar doen iets.

Meten

Meten komt in verschillende vormen voor. Het stellen van een vraag is een meting. Denk aan een enquete of een gesloten interview waar standaardvragen gesteld worden, eventueel multiple-choice-vragen. Kant had het over de zekere gang van de experimentele wetenschapper die de natuur bevraagd. Informatie is het antwoord op een vraag, wordt wel gezegd. Ook aanwijzen is een vorm van meten. Daarmee bepalen we iets door middel van de plaats in de ruimte. Welke? Die daar. Dat werkt als je de ruimte waarin gewezen wordt deelt. Door een gemeenschappelijke taal kunnen we identificeren wat we bedoelen, aanwijzen.

Ook het waarnemen is een vorm van meten. Ik zie dat het regent. De onmiddellijke zekerheid van het weten dat het regent in de waarneming (beleving) levert het gegeven als onbetwijfelbare basis van de informatie die ik uitdruk in de gedachte ‘het regent’. Dat gegeven kan nog van alles betekenen, maar dat het regent is een onomstotelijk gegeven, een feit.

Informatie is geen brood

Informatie is een economisch goed (commodity). In die zin is het vergelijkbaar met andere economische waren (schaarse goederen waaraan behoefte is, waar vraag naar is en die verhandeld worden), zoals brood. Het belangrijke verschil zit hem in het feit dat terwijl een brood hetzelfde brood blijft onafhankelijk van wie het brood bezit, informatie niet op deze wijze bestaat buiten degene die over de informatie beschikt. Je kunt niet over informatie spreken alsof het iets bepaalds is buiten het feit dat je de informatie hebt. Dit heeft informatie gemeen met kennis. Je kunt niet over iets spreken als iets als gekend zonder dat iets ook daadwerkelijk te kennen. Informatie wel ‘subject-loze kennis’ genoemd. Juist daarom is het verhandelbaar, omdat het onafhankelijk is van degene die de informatie heeft geproduceerd.

Wanneer we dus informatie kopen betalen we geld voor iets waarvan we niet weten wat het waard is. (De andere kant van deze interactie is dat we ook niet weten wat het ‘geld’ waard is.) Je zou kunnen tegenwerpen dat we dan ook geen informatie verhandelen, maar gegevens, data. Maar wat heb je aan gegevens die je al hebt? Hoe kun je voor de koop bepalen of je de data al hebt? Op grond van informatie over de gegevens, meta-informatie. Die zegt waar de informatie betrekking op heeft en mogelijk hoe het verkregen is. Uiteindelijk moet er vertrouwen zijn in de informatiebron op het moment dat de informatie wordt gegeven. Een filosofie van informatie behoort tot de filosofie van de intersubjectiviteit. Iedereen kan zeggen “ik beloof morgen te komen”, maar dat is nog niet beloven. Niemand anders dan ik kan voor mij iets beloven. De bewering “hij belooft morgen te komen” is geen belofte.

Paradoxen van informatie

Wanneer we informatie, de uitdrukking van iets kwalitatiefs op kwantitatieve wijze, als iets kwantitatiefs gaan specificeren en de inhoud (dat is de kwaliteit) ervan gaan meten, dat is in een mathematische structuur uitdrukken, dan komen we in de problemen. Dit leidt tot paradoxen. Het klassieke voorbeeld is de paradox van de kaalkop of van de hoop (sorites).

Uit hoeveel graankorrels bestaat een hoop. En als ik een korrel weg neem? En dan nog een? Hegel bespreekt de paradoxen in het hoofdstuk over de maat.

“De verlegenheid, de tegenspraak die resulteert, is geen Sofisme in de gebruikelijke zin van het woord, alsof zo’n tegenspraak een valse voorspiegeling zou zijn. Het valse (onware) is wat de aangenomen ander, dat is ons gewone bewustzijn, begaat, namelijk de kwantitatieve bepaling slechts voor een onverschillige grens te houden, dat wil zeggen deze als kwantiteit te nemen. Deze aanname wordt door de waarheid, waartoe ze gevoerd wordt moment van de maat te zijn en met de kwaliteit samen te hangen, tegen gesproken. Wat weersproken wordt is het eenzijdig vasthouden aan de abstracte kwantumbepaling.” (Hegel WdL I , p. 398. mijn vertaling)

Het is de list van het technische begrip die de dingen bij hun kwantitatieve, onverschillige, moment, als kwantum vastpakt om ze te veranderen. Zo kunnen we op technische, dat is uitwendige wijze, door het toepassen van een algemene regel of methode, voor ons betekenisvolle veranderingen te weeg brengen.

In de informatietheorie kennen we de Bar-Hillel Carnap paradox. Deze is het gevolg van een verwarring van modaliteiten: mogelijkheid en noodzakelijkheid. Deze verwarring leidt er toe waarheid en onwaarheid als grensgevallen van kansen te zien (wat waar is heeft kans 1, wat onwaar is heeft kans 0) hetgeen gebruikelijk is in mathematische theorieën van waarschijnlijkheid.

De paradox komt voort uit de gedachte dat een zin informatiever is naarmate deze meer mogelijkheden uitsluit (het ‘selectieve’ informatiebegip). Stel iemand heeft in gedachte een getal onder de 10. Je mag door ja/nee vragen het getal zien te achterhalen. Het antwoord op de vraag “is het getal kleiner dan 5?” is informatiever dan het antwoord op de vraag “is het 5?”. De eerste sluit de helft van de mogelijkheden uit, de laatste slechts één mogelijkheid.

De tautologie “Het regent of het regent niet” zegt niets over de toestand van de wereld. Het is logisch waar. Omdat ze niets over de feitelijke wereld zeggen zou je ze ook geen kans moeten toekennen. Wanneer je dat echter wel doet volgen paradoxen. De verwarring zit hem er in dat het feit niet als feit tegenover de mogelijkheid wordt gezien maar realisatie van een mogelijkheid, iets dat ook niet het geval had kunnen zijn. We stelden hier boven al dat een gegeven niet slechts bepaald is in onderscheid van wat niet gegeven is, (als kwantiteit) maar wat het ook had kunnen zijn (zoals Shannon zijn begrip informatie opvat) maar dat het zelf ook iets positiefs moet zijn, een kwaliteit moet hebben. Als het een feit is dat Cesar de Rubicon over is gestoken dan kan het niet zijn dat hij dit niet heeft gedaan. Een mathematiek van informatie die informatie, hetgeen wezenlijk een verhouding is van een kwaliteit en kwantiteit, op kwantitatieve wijze wil uitdrukken zal daarom tekort schieten als uitdrukking van het informatie-begrip.

Professor Floridi en anderen hebben gemeend deze paradoxen van de semantische informatie te kunnen omzeilen door van informatie te eisen dat deze waar is. In een mathematische theorie van ware informatie (Strongly Semantic Information) is de aanname a) dat de informatiebron betrouwbaar is, b) dat het communicatiekanaal storingsvrij is (geen ruis) en c) dat de ontvanger kennis heeft van de werkelijkheid w waarop de informatie betrekking heeft (Floridi 2004,2007). Daarmee haalt Floridi de angel uit het wespennest van de handelswaar. Het zijn precies de condities die maken dat er geen sprake meer is van informatie zoals dit begrip in de wereld van de informatieverwerking leeft. Het gaat hier precies om een meten van de inhoud van informatie vanuit het gezichtspunt van een formele buitenstaander, buiten de interactie om. Alsof het mogelijk is de inhoud van informatie te bepalen zonder die informatie zelf te hebben.

Formele kennistheorieën leiden noodzakelijk aan dit zelfde euvel: de wens om als buitenstaander iets over kennis als resultaat van interactie te zeggen. Vanuit zo’n formeel standpunt verdwijnt het verschil tussen informatie en kennis. Een onderscheid waaraan we toch nog even willen vasthouden. (Je kunt nog zoveel informatie over iemand hebben, dat wil niet zeggen dat je hem of haar ook kent.) De bewering dat kennis waar geloof is (truthful belief) gaat uit van een objectief belief. Alsof je iets kunt geloven dat je niet voor waar houdt ! Als je iets gelooft dan geloof je dat dat waar is. Deze formele theorieën gaan dan ook over reconstructies van kennis en geloof die als reconstructie de oorspronkelijke, dat is: de werkelijke, concrete, inhoud van deze begrippen, vernietigen.

Hierboven had ik het over de “verwarring van modaliteiten: mogelijkheid en noodzakelijkheid”. Wat bedoel ik daarmee?

De deelbaarheid is slechts een mogelijkheid en die gaat als mogelijkheid niet op in het feitelijk bestaan van de delen. Aristoteles en Hegel verschillen soms in hun opvattingen over de kwantiteit als deelbaarheidsbeginsel van de stoffelijke zijnden, maar hierover zijn ze het eens. (zie Fleischhacker, Over de grenzen van de kwantiteit, p. 131).

Is het niets dan misschien in aanleg al iets geweest? Dan was het dus niet helemaal, niet absoluut, niets! Dan moet het niets dat er al was iets van dat zijn waarin het niets is, als in een omgeving, in zich hebben opgenomen om iets te worden. Zoals de vlinder iets uit de omgeving, energie, in zich op moet nemen om in leven te blijven, eitjes te leggen en rups te worden.

Waarom is er iets (en niet veeleer niets)?

Dat is de eerste (metafysische) vraag. Daarover kunnen we kort zijn. Het kortste antwoord is: daarom. Dit antwoord verwijst terug naar de vraag. Als er niets was, was deze vraag er ook niet. In zekere zin impliceert de vraag stellen al het antwoord erop. Maar vraagt de waaromvraag niet naar een reden of oorzaak? Ja, maar die reden of oorzaak, hoe we het ook noemen, is toch zelf ook. Is die dan onderscheiden van het zijn waarvan het de reden of oorzaak is? Nee, als er al iets is, dan moet dat ook zelf reden of oorzaak zijn. Het zijn is dus reden of oorzaak. De vraag is veroorzaakt door het zijn. Dat tevens het antwoord op de vraag is. Het zijn is dus eigenlijk de vraag naar het waarom ervan. Dit roept de vraag op naar de relatie tussen het zijn en de vraag naar het waarom ervan. Die twee zijn in zekere zin hetzelfde (zoals we eerder concludeerden) maar ook onderscheiden. De vraag veronderstelt het bestaan van een vrager en een bevraagde. Of op zijn minst suggereert de vraag het bestaan van die twee. Maar hiermee zijn we al op weg naar een antwoord op de tweede vraag, de vraag waar we het hier over willen hebben.

Je zou kunnen tegenwerpen dat het antwoord op deze eerste vraag wel heel erg afhankelijk is van het stellen van de vraag zelf. Zonder de vraag zou dit antwoord er niet zijn. Daar zit wat in. De vraag is dan ook niet zomaar een vraag. Het is niet een vraag zoals : waarom ruikt het hier naar mest? Het antwoord: “daarom: als het niet naar mest zou ruiken zou de vraag niet gesteld worden” is niet acceptabel. Dat ligt al anders bij de vraag: waarom ruikt het? “Omdat het ruikt.” verwijst zowel naar dat wat er geroken wordt als naar de ruiker. (Het woord ‘ruiker’ wordt ook gebruikt voor een bos bloemen, die ruikt.) Zijn is weliswaar niet geroken worden, maar wel waargenomen worden. De eerste vraag is uiting van verwondering, van bewustzijn van hetgeen we waarnemen: het zijn: er is iets dat is. Maar waarom? Daarom.

De tweede metafysische vraag is: Wat is alles? Ofwel: wat is dat waarvan we zeggen dat het is. Dit is de vraag naar een nadere bepaling van het zijn waarvan we weten dat het is. Dit vooronderstelt dat wat is bepaalbaar is. Verschillende denkers hebben uitgedrukt wat het zijn is. Zijn is getal zijn. Zijn is God zijn. Zijn is leven zijn. Zijn is begrip. Een moderne hedendaagse opvatting is dat alles informatie is. Zijn is informatie. Moeten we tussen al deze historische bepalingen van het bepaalbare zijn een keuze maken? Dat doe ik niet. Ik stel mij verzoenend op en vat al deze uitingen op als uitingen van een inzicht in het zelfde zijn. Alle wetenschappers streven naar dezelfde waarheid. Ik ga er dus vanuit dat het zijn zowel getal, als God, als vraag, als antwoord, als leven, als ook informatie is. Hoe kan het zijn al die verschillende bepalingen hebben? Omdat deze verschillende inzichten getuigen van een verschillend perspectief op zijn. Dat perspectief, dat cultureel, historisch bepaald is, maakt hoe het zijn zich toont. Een perspectief is als het ware een manier van vragen naar het zijn. Een verzoenende bepaling probeert de verschillende bepalingen van het zijn in het gekozen perspectief te zien.

Wat hebben die verschillende bepalingen van zijn met elkaar te maken? Hoe kan iets zowel leven zijn en ook begrip en informatie tegelijk? Omdat bijvoorbeeld leven zich onder een bepaald perspectief als informatie, onder een ander perspectief als begrip toont. En omdat informatie zich als leven, of als begrip toont.

Dit is dus anders dan bij de bekende dubbelzinnige tekening die zowel als tekening van een hazekop als van een eendekop gezien kan worden. De haas is niet een eend en de eend is niet een haas. De relatie tussen de tekening, de lijntjes op papier, en dat wat het voorstelt is puur uitwendig, toevallig, zoals bij ambigue woorden zoals ‘bank’. Bij de relaties tussen zijn en leven en zijn en informatie gaat het om veruitwendigingen van het zijn, niet om uitwendige bepalingen die het zijn niet aan zouden gaan, zoals het teken als fysisch iets de betekenis die er aan toegekend is niet aangaat.

We zullen niet teveel hooi op de vork nemen en ons hier beperken tot twee bepalingen van zijn: zijn als leven en zijn als informatie. Die begrippen lijken heel erg ver uit elkaar te liggen maar daar denken de bioinformatici en mathematisch biologen en sommige theoretisch fysici anders over. (zie bijvoorbeeld Floridi 2014).

Als alles informatie is en als het leven is, dan moet het leven informatie zijn. Omgekeerd: als alles leven is en informatie is, dan moet informatie leven zijn. Hoe kunnen we dit begrijpen? De volgende denkexercitie is bedoeld meer inzicht te krijgen in deze twee sleutelbegrippen van ons bestaan. Ik neem daarbij als eerste leidraad het werk van de filosoof Professor Luciano Floridi (geb. 1964) die het zijn als informatie heeft bepaald. De tweede leidraad vind ik in het werk van de filosoof G.W.F. Hegel (1770-1831), voor wiens denken het begrip leven een sleutelbegrip is. Wat deze twee filosofen gemeen hebben is dat ze wetenschappelijke filosofen zijn. Kennis en wetenschap (science) zijn kernthema’s in hun denken. Opdat er werkelijk sprake is van kennen, moet de werkelijkheid gekend zijn. De wetenschapper gaat uit van de kenbaarheid van het zijn. Voor Hegel en zijn tijdgenoten was de natuurwetenschap (Newton’s science) het meest aansprekende voorbeeld van wetenschap. De filosoof Hegel stelde zich als doel deze wetenschap te begrijpen. De experimentele mathematische natuurwetenschap construeert modellen waarin ze de werkelijkheid probeert af te beelden. Er is sprake van kennis wanneer er geen verschil meer is tussen model en werkelijkheid. Althans geen verschil meer dat er inhoudelijk toe doet. Model en werkelijkheid verschillen weliswaar in wijze van zijn, maar daar zien we van af als we vanuit het perspectief van de wetenschap ernaar kijken. De andere kant van deze onverschilligheid vinden we daar waar het verschil er wel toe doet, dat betekenisvol is: in de wereld van de informatie.

Het grote succes van de experimentele natuurwetenschap, waarin het mathematisch concept als beeld tegenover de fysische realiteit staat, is de praktische werking ervan: dat is de werkelijkheid als resultaat van haar toepassing, de concrete confrontatie van het abstracte begrip met de werkelijkheid. De wetenschappelijke modellen functioneren in de technische constructies. Het meest expliciet in de programmeerbare automaten. De kunstmatige intelligentie als realisatie, als werkende wetenschap, roept de vraag weer op naar het verschil tussen deze vorm van intelligentie en de oorspronkelijke intelligentie. De technische simulaties lijken zo op de echte dingen dat ze de vraag oproepen naar de echtheid, naar de oorspronkelijkheid der dingen. Kennelijk is de buitenkant, de verschijningsvorm niet de uiteindelijke maatstaf.

Een Encyclopedie van het Informatiebegrip

In het begin van dit artikel had ik het over ‘het werk van Professor Luciano Floridi’. Dat werk is allerminst af.

De onderdelen van Floridi’s tetralogie over het informatiebegrip (bron personal website)

Professor Floridi heeft zich als doel gesteld een encyclopedie in de vorm van een tetralogy van de informatie te schrijven. Zijn Principia Philosophiae Informationis moet de beginselen van een filosofie van informatie bevatten. Zijn project beoogt in zekere zin het zelfbegrip van onze tijd, het informatietijdperk, uit te drukken. Het schema (afkomstig van zijn persoonlijke website) toont de delen ervan. Delen daarvan zijn in diverse artikelen verschenen (zie de literatuurlijst onder het kopje Bronnen). Het deel OUP 2010 is in het Nederlands vertaald in de serie Elementaire Deeltjes met als titel Informatie. (Floridi 2014) (De vertaling slaat hier en daar de plank mis. Zo komen we de term ‘echte getallen’ tegen als vertaling van ‘real numbers’.)

De informatierevolutie

In (Floridi 2014) merkt de auteur op dat we de geschiedenis van de mens kunnen vatten onder ‘het informatietijdperk’. Immers: “Zonder registratie geen geschiedenis.” (p. 9) Wat niet beschreven is en gelezen wordt, behoort per definitie niet tot de historie van de mens. De geschiedenis begint waar de mens zichzelf en anderen informeert over de gebeurtenissen in zijn leven door deze te beschrijven.

Volgens Floridi zijn we getuige van een vierde revolutie in de westerse wereld: “pas sinds heel kort zijn onze vooruitgang en onze voorspoed grotendeels afhankelijk van het efficiënt management van de levenscyclus van informatie”. (Floridi 2014, p.9)

De informatierevolutie is voorafgegaan door drie andere wetenschappelijke revoluties die zowel het zelfbeeld van de mens als dat van de wereld veranderden.

Na de Copernicaanse, de Darwiniaanse en de Freudiaanse revolutie zitten we nu (1921) midden in de informatierevolutie. De Britse wiskundige Alan M. Turing is volgens Floridi de kandidaat bij uitstek om als sleutelfiguur voor deze revolutie gekozen te worden. De Turing machine, naar hem genoemd, is een wiskundig model, een systeem, dat de theoretische basis is voor de intuïtieve begrippen programmeerbare machine en berekenbaarheid, ofwel programmeerbaarheid. Iedere functie die programmeerbaar is en dus door wat voor computer dan ook kan worden uitgevoerd of berekent, kan door een Turing machine berekend worden. En omgekeerd. Er zijn verschillende andere modellen voor het intuïtieve begrip berekenbaarheid ontwikkeld. Deze blijken allemaal gelijkwaardig te zijn met de Turing machine.

Wezenlijk kenmerk van een programmeerbare machine is dat je een deel van het systeem als programma kunt opvatten. Het onderscheid tussen functie en argument, tussen programma en data zit in het hoofd van de programmeur. En moet in het systeem worden geïmplementeerd. In de machine zijn het allebei coderingen bestaande uit rijtjes 0-en en 1-en, geheugentoestanden. Bepaalde delen van de toestand van het systeem worden als programma, andere als data opgevat. De elektromechanische constructies (hardware, logische circuits) zijn zodanig dat deze functioneren volgens de betekenis die we er aan geven.

Programmeren bestaat uit het instellen van een begintoestand. Vervolgens zorgt de automatische klok voor het ‘draaien van het programma’. De verschillende toestanden die doorlopen worden, worden door de programmeur gezien als toestanden van een rekenproces dat zichzelf in stand houdt (reproduceert).

Om het begrip morele agent te specificeren, definiëren (Floridi en Sanders, 2004) een autonome agent als een dergelijk dynamisch systeem, een systeem dat zijn eigen programma bevat. Traditioneel moet een moreel subject aan een aantal voorwaarden voldoen om morele agent te worden genoemd. Zo moet deze zelfstandig zijn: zelf in vrijheid kunnen handelen. Maar hoe bepaal je dat? Om dit lastige probleem bij het denken over moraliteit en verantwoordelijkheid te omzeilen specificeren ze een morele agent als een soort Turing machine, een dynamisch systeem dat zijn eigen programma bevat. Uiteraard lost dit het de vraag naar het wezen van de moraliteit niet op.

Soorten informatie

In de inleiding van “Informatie” citeert hij Claude Shannon die een wiskundige communicatietheorie ontwikkelde. Gezien de vele verschillende manieren waarop het woord ‘informatie’ gebruikt wordt en gezien de vele verschijningsvormen van informatie op heel veel gebieden van het denken en werken, meende Shannon: “Het valt nauwelijks te verwachten dat één concept van informatie recht kan doen aan de talloze mogelijke toepassingen van dit algemeen terrein.” (Shannon en Weaver 1949; Nederlandse vertaling in Floridi 2014, p. 7). Velen na hem, waaronder Floridi, hebben later hun twijfel uitgesproken of een unificerend informatiebegrip mogelijk zou zijn. Ook in dit werk presenteert Floridi geen unificerende theorie van het informatiebegrip. Een onbevredigende situatie. Wat zit ons denken dwars dat het maar niet lukken wil het begrip informatie helder te krijgen?

In onderstaand schema komen de begrippen ‘gegevens’, ‘feiten’ en ‘informatie’ voor. Het is een cluster dat centraal staat in het denken over informatie.

Wat is een gegeven?

Een definitie die Floridi geeft is: gegeven = een x die anders is dan y, twee niet-geïnterpreteerde variabelen (p.29).

Een concreet gegeven is iets wat je aanneemt als gegeven. Maar hoe vatten we het concreet gegeven op? Het gegeven kan betrekking hebben op een zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, maar ook op de intelligibele structuur van het zintuiglijk waarneembare, de wijze waarop wij het voor ons kennen zien. In dat laatste geval vatten we het gegeven op als teken van een structuurelement binnen een bepaalde structuur. De concrete werkelijkheid van het dashboard lampje dat brand zien we als teken dat er iets mis is. We zien het branden van het lampje als iets dat binnen een veld van mogelijke ‘toestanden’ een bepaalde plaats heeft. Dit is de wijze waarop het gegevene gezien wordt vanuit het uitwendig perspectief, van waaruit de werkelijkheid gemathematiseerd wordt.

Informatie is de betrekking van deze twee wijzen waarop we het gegeven opvatten. Bij informatie hebben we te maken met een relatie tussen een waarneembare kwaliteit en een structurele, kwantitatieve uitdrukking daarvan.

We zeggen dat informatie iets is dat je uit gegevens af kan leiden. Wat de gegevens je zeggen. De thermometer wijst 38.4 graden Celsius aan. Dat betekent dat de patient koorts heeft. Het gegeven geeft informatie over de toestand van de patiënt. We zeggen ook wel dat het een feit is dat de patiënt koorts heeft, als we menen dat het werkelijk zo is en niet alleen maar onze toevallige mening of waarneming is. We gaan uit van de betrouwbaarheid van de meting, onze waarneming. Maar we kunnen ook zeggen dat deze meting informatie geeft over de toestand van de patiënt. Wat gegeven is is ook al informatie. Gegeven en informatie zijn dus relatie-begrippen. Een feit is wat het geval is. In het schema van Floridi lijkt het alsof er twee soorten feiten bestaan: ware en onware feiten. Dat is merkwaardig. Een feit is immers iets dat werkelijk het geval is en dat is noodzakelijk zo. Als het een feit is dat ‘Ceasar de Rubicon over is getrokken’ dan is het niet mogelijk dat dat niet zo is. Ook maakt Floridi onderscheid tussen informatie, wat op ware feiten berust, en informatie die dat niet is: die informatie is onbedoeld of bedoeld onjuist. Hier is ‘informatie’ iets dat door middel van een bewering door iemand of iets medegedeeld wordt. Als de thermometer stuk is geeft deze mij misleidende informatie, als ik niet weet dat hij stuk is. Ik kan pas van misleidende informatie spreken op grond van kennis van de feiten. Ik moet dan weten wat werkelijk het geval is. Dat kan ik denken te weten op grond van andere informatie die ik betrouwbaar(der) vindt. Deze informatie kan ik ontlenen uit wat mij door waarneming gegeven is. Of informatie wel of niet waar is, is dus een kwestie van vertrouwen. Daarmee is duidelijk het informatie begrip thuis hoort in een filosofie van de intersubjectiviteit. In haar meest concrete, expliciete, vorm vinden informatie bij interacties tussen mensen en tussen mensen en machines.

Floridi onderscheidt een aantal ‘soorten’ informatie. Deze worden in aparte hoofdstukken van het deeltje Informatie besproken. Ze zijn gerelateerd aan verschillende perspectieven van waaruit we de werkelijkheid benaderen: wiskundig, fysisch, biologisch en sociologisch.

Overzicht van de structuur van informatie

Mathematische informatie: hierin gaat het over informatie in de zin van Shannons communicatie-theorie waarin informatie puur kwantitatief wordt gezien als statistisch verschijnsel. De ingenieur die het kanaal maakt en de benodigde capaciteit moet bepalen is niet geïnteresseerd in de betekenis (de eigenlijke inhoud) van de berichten. Hij telt voorkomens van tekens en woorden (de entropie van de taal) ten behoeve van een efficiënte codering. Berichten en woorden die vaak voorkomen krijgen een korte code (‘de’,’op’, ín’), zeldzame berichten een langere code (‘fietsventieldopje’). (Zie ook mijn blog Het Kanaal over de Italiaan Guglielmo Marconi.) . De ‘hoeveelheid’ informatie wordt volgens deze theorie bepaald door middel van kansrekening. Hoe zeldzamer een bericht hoe meer informatie het bevat. Dat hoeveelheid informatie iets geheel anders is dan informatie-inhoud (betekenis) daarvan was Shannon zich wel bewust.

Het begrip informatieinhoud houdt een merkwaardige verdubbeling in. Waarin onderscheidt de inhoud zich van de informatie waarvan het de inhoud is? Ook het begrip hoeveelheid informatie is onduidelijk. Hoe bepaal je de hoeveelheid van betekenis van iets? Is het begrip hoeveelheid wel van toepassing op informatie? Moeten we niet veeleer spreken van de intensiteit van informatie dan van de hoeveelheid informatie?

Semantische informatie: wat is informatie zonder betekenis? Volgens Floridi moet informatie waar zijn om informatie te zijn. In dit hoofdstuk legt Floridi de paradox van Bar-Hillel-Carnap uit en hoe hij deze oplost. Hierboven heb ik al commentaar gegeven op deze aanpak. Een ander probleem met de wiskundige informatietheorie die probeert betekenis mee te modelleren is het Schandaal van de Deductie (Hintikka). Voor de Alwetende die alle logische gevolgen van een theorie in één blik overziet (denk aan de God van Leibniz) bevat een Sudoku puzzel als opgave net zoveel informatie als de al volledig ingevulde oplossing. Het heeft geen zin voor de Alwetende de puzzel op te lossen. Ook hoeft hij geen ingewikkelde wiskundige formules uit te rekenen. Hij ziet meteen dat er 1 uitkomt. De Alwetende heeft geen computers nodig. Waarom mensen wel? Waarom wil de mens de ingewikkelde integraal nog uitrekenen? Omdat de uitkomst, zeg 1, hem meer zegt. Daarmee kan hij het gegeven passen in zijn eigen ‘praktische kennisbestand’. We zien de complexe formule als een uiterlijke vorm van de eigenlijke inhoud, de betekenis die de expressie voor ons heeft: 3 + 4 is 7. Je zegt niet ik zal even informeren hoeveel er uit komt als je een wiskunde som zelf uitrekent. Dat kun je wel zeggen als je een ander (of een computer) vraagt wat er uit komt.

Fysieke informatie. Dit gaat over de natuur van de fysica als informatie. Zoals bekend lost de materiële werkelijkheid, de natuur, in de kennisvorm van de mathematisch fysica op in wiskundige formules en modellen. Idealiter in recepten voor een computer die de fysische processen simuleren. Voor de fysicus bestaat de werkelijkheid uit informatie in de vorm van kwantumdeeltjes, kansverdelingen.

De fysicus John A. Wheeler (1911-2008) formuleerde de idee “It from bit”: alle fysische entiteiten zijn informatie-theoretisch van oorsprong.

Na vele jaren onderzoek op het terrein van de kwantummechanica (o.a. met Niels Bohr) en de informatietheorie is de vraag wat deze ons te zeggen hebben met betrekking tot de eeuwen oude vraag “How come existence?”.

“Bohr’s modest words direct us to the supreme goal: Deduce the quantum from an understanding of existence.” (Wheeler). Dit is ook de opdracht die Hegel aan de filosofie gaf: het begrijpen van de mathematische fysica als wetenschap van de natuur.

Het zijn wordt volgens Wheeler bepaald door de antwoorden op een reeks ja/nee vragen.

“No element in the description of physics shows itself as closer to primordial than the elementary quantum phenomenon, that is, the elementary device-intermediated act of posing a yes-no physical question and eliciting an answer or, in brief, the elementary act of observer-participancy. Otherwise stated, every physical quantity, every it, derives its ultimate significance from bits, binary yes-or-no indications, a conclusion which we epitomize in the phrase, it from bit.”

Waarmee meteen gezegd is dat het van de vragen, van het meetinstrument, afhangt hoe het zijn zich toont.

It from bit. Otherwise put, every it — every particle, every field of force, even the space-time continuum itself — derives its function, its meaning, its very existence entirely — even if in some contexts indirectly — from the apparatus-elicited answers to yes-or-no questions, binary choices, bits.”

“‘It from bit’ symbolizes the idea that every item of the physical world has at bottom—a very deep bottom, in most instances—an immaterial source and explanation; that which we call reality arises in the last analysis from the posing of yes–no questions and the registering of equipment-evoked responses; in short, that all things physical are information theoretic in origin and that this is a participatory universe.”(Wheeler, 1990, p. 5 geciteerd uit: Beavers’ A brief introduction to philosophy of information, )

We kunnen het universum niet kennen zonder eraan deel te nemen. De vereenzelviging, objectivering, van de informatie-inhoud die we ontvangen van het zijn als antwoord op de vragen die we stellen (het mogen binaire vragen zijn) met het zijn zelf; dat is een gedachte die we vaker tegen komen. Informatie is als object gedachte kennis. Het kennend subject wordt in de werkelijkheid geprojecteerd.

Biologisch informatie. Floridi wijst in dit hoofdstuk op het onderscheid tussen het attributief en het predicatief gebruik van de term ‘biologische informatie’. Deze term kan zowel duiden op informatie zoals dat in de levensprocessen functioneert (‘informatie die zelf biologisch van aard is’, Floridi 2014, p. 82), dit wordt bedoeld in het predicatief gebruik, als ook op informatie over biologische feiten, als onderdeel van de biologie als wetenschap. Het verschil komen we ook tegen bij het gebruik van de term ‘fysisch’. Dat kan ook ‘predicatief’ verwijzen naar de kennis zoals die in de natuur zelf voorkomt, zoals blijkt uit de doelmatigheid van de levensprocessen. (Kijk maar hoe intelligent de vlinder is!) We kunnen in alles wel een subject zien, zoals we overal wel informatieverwerking in kunnen zien, maar in hoeverre dat adequaat is hangt af van de mate waarin het ons werkelijk aanspreekt en uitnodigt.

Kan biologische informatie, zoals genetische informatie als semantische informatie worden opgevat, vraagt Floridi zich af (p. 86). Dat is de vraag naar de aard van subject-zijn van de levende materie. Floridi’s antwoord: genetische informatie is niet opzettelijk, noch intentioneel, noch waarachtig.

Interessant is de opmerking dat genen ‘meer een performatief zijn’. Zoals: de taalhandeling “Ik beloof om acht uur te komen.” Het bijzondere aan dergelijke taalhandelingen is dat ze doen wat er gezegd wordt (althans wanneer ze serieus bedoeld en begrepen worden). Bovendien moet juist dit gezegd worden door degene die de belofte doet om de handeling van beloven uit te voeren. Beloven is dus een heel ander soort daad dan het beschrijven van iets, zoals in een oordeel. (zie Boukema, 1980 en mijn blog Sofia’s taalhandelingen) . Als we iemand wakker maken met de woorden “wakker worden!” dan wordt het effect ervan niet tot stand gebracht door de betekenis die begrepen wordt, maar door een uiterlijke eigenschap van de taalhandeling: het geproduceerde geluid. Dat veroorzaakt het beoogde effect van de opdracht. We hadden dan ook net zo goed tot de slapende kunnen roepen: “mooie rode tomaten!”. Het had het zelfde effect gehad. Waarom we dat niet doen, en waarom mensen die een microfoon testen dat doen door ‘test, test, test te roepen, dat weet ik niet. Wanneer we een machine een opdracht geven door deze aan te spreken dat vertoont gelijkenis met het gebruik van “wakker worden”: het is de fysische activiteit die gepaard gaat met het geven van de opdracht (het geluidsignaal) dat een werking veroorzaakt ‘in de machine’, een werking die voor ons de betekenis heeft van het verstaan en reageren op de betekenis van de door ons gegeven opdracht. We hebben die machine zo gemaakt dat dit zo werkt.

Het verwezenlijken van het doel van een uiting door de uiting in de juiste omgeving te doen, dat is dus precies wat we doen als we een programmeerbare machine een instructie geven. We zouden dus kunnen zeggen dat Floridi hier biologische informatie vergelijkt met informatie zoals dat in een computerprogramma functioneert. De werking van de tekens in de automaat, van software en hardware, doen denken aan de combinatie van sleutel en slot, die moeten structureel overeenkomen opdat het werkt. Volgens Floridi “draagt de sleutel geen informatie”, zoals een postduif een bericht. Dat klopt: de sleutel heeft een structuur die past bij de structuur van het slot.

“Het programma is als een sleutel, die voor ons toegang tot een huis betekent en tegelijk door hem ín te voeren’ in het slot ook die bewerkstelligt. Dit berust er niet op dat het slot op een of andere manier weet dat iemand die de sleutel bezit, toegang tot het huis mag hebben. Het slot werkt eenvoudig zo, dat het voor ons lijkt alsof het dit weet. En het is erop gemaakt om zo te werken, juist zoals een computer zo werkt alsof een ingevoerd programma als opdracht begrepen en uitgevoerd wordt.” (Fleischhacker, p. 29)

Weet de vlinder wat hij doet en waar het zijn eitjes moet leggen opdat de kans op overleven zo groot mogelijk is? Of werkt het alleen maar zo dat het lijkt alsof het dit weet? Is ons begrip van de levensprocessen ook in het leven van de individuen zelf als begrip aanwezig?

Genetici spreken over boodschap RNA en genetische codes die “informatie dragen” en “versturen”. Zo kunnen we het ook zo zien dat het virus de sleutel heeft om via de celwand van de gast het lichaam binnen te dringen. Maar dit is slechts “bij wijze van spreken”. Het verschil met de computer is dat wij de computer bedacht hebben en vervolgens met gebruik van natuurwerkingen dit concept hebben gerealiseerd. Terwijl we dit idee van de sleutel en het slot vervolgens in de natuur herkennen en het zo beschrijven. De computer is anders dan het levende organisme een technisch middel dat we programmeren opdat het werkt zoals wij willen.

We spreken regelmatig over onze computers alsof ze intelligent zijn, terwijl we weten dat dit niet zo is.” (Floridi 2014, p.86). Inderdaad, onze taal is veelzinnig. Maar wat betekent dat? Uit de veelzinnigheid blijkt dat er geen eenduidige relatie bestaat tussen de woorden en dat wat we ermee uitdrukken. En op grond waarvan weten we dat computers niet intelligent zijn, terwijl het er soms wel op lijkt. En als we het gedrag van een vlinder intelligent noemen, bedoelen we dat in dezelfde zin intelligent als wanneer we van een mens zeggen dat deze intelligent is? Of van een machine?

Dynamische structuren (zoals die in de mathematische biologie voorkomen om de levensprocessen te beschrijven, RodA) zijn een bijzonder soort informatie-entiteiten die in zichzelf instructies, programma’s of imperatieven zijn.” (Floridi 2014, p. 87).

Kennen, informatie vergaren is iets wat tot het leven behoort. Een theorie over informatie is daarom zelf-reflexief. Leven is informatie verwerken ten behoeve van het eigen voortbestaan, volgens eigen recept. Het heeft noch oorzaak, noch reden, noch doel buiten zichzelf. Het is zowel causa sui, als Selbstzweck; zijn eigen oorzaak en doel in zichzelf.

In Floridi & Sanders (2004) wordt een poging gedaan om de vraag of een technisch systeem een ‘morele agent’ is te preciseren. Pas dan kunnen we het immers eens worden over een antwoord op deze vraag. F&S definiëren daartoe deze agenten op een wiskundige manier als een transitiesysteem. Zo’n systeem is op ieder moment in een bepaalde toestand. Die toestand bestaat op zich weer uit deeltoestanden.

Opdat zo’n systeem een autonoom genoemd kan worden moet deze in zekere zin uit ‘zichzelf’ kunnen acteren. Daarom bevat een deel van de toestand (‘het geheugen’) het programma van de agent. Dat zijn de actuele transitieregels die de toestandsverandering van het systeem bepalen/beschrijven. F&S spreken van een ‘cognitive trick’. Deze ‘trick’ berust echter op een verwarring: de beschrijving van het systeem wordt als onderdeel van het systeem zelf gezien. Variabelen waarmee de verandering van het systeem beschreven wordt krijgen ook een functie in het systeem zelf.

De toestand van een systeem dat we als autonome agent opvatten (zie Floridi en Sanders 2004) heeft voor ons de betekenis van een functie die op het systeem als toestand zelf wordt toegepast, zodat deze overgaat in een nieuwe toestand die weer als toestand van het zelfde systeem kan worden opgevat.

De idee van leven dat we als autonome agent begrijpen komt op mathematische wijze tot uitdrukking in de formule van de zelfapplicatie van de zelfapplicatie Z(Z)=Z(Z), waarbij Z de functie is die het argument op zichzelf toepast. We kunnen de betekenis van een computerprogramma niet anders op mathematische wijze, als functie, uitdrukken dan door deze zelfapplicatie functie. We herkennen hierin de reflexieve structuur van de performatieve taalhandeling: de betekenis ervan realiseren door de handeling uit te voeren. Ik roep wakker worden en via de fysische werking van het uitspreken wordt de ander wakker. Het bedoelde effect treed op via de uitwendige omweg van de fysica. De toestand van de machine heeft als betekenis voor ons het programma volgens welke deze werkt. Alleen voor ons is deze toestand een mogelijke toestand onderscheiden van vele andere toestanden. Deze feitelijke toestand bepaalt tevens het fysische proces dat in werking treedt en dat wij zien als de uitvoering van het programma. Dat fysische proces is het resultaat van de hardware constructie van de machine. Het is als het ware het slot waarop de sleutel (het programma) past. De sleutel geeft bij invoering toegang tot het proces.

Vanuit het mathematische standpunt is er geen onderscheid tussen de automatie (artificial life) en het levende organisme. Hier gaat het om een soort verschil dat buiten de sfeer van de informatie, van het technische, valt. Dit is wat we een wezenlijk verschil noemen. Het leven verschilt wezenlijk van het mechanisme, maar kan er niet zonder. Het komt in het mechanisme tot leven.

“Die absolute Indifferenz ist die letzte Bestimmung des Seins, ehe dieses zum Wesen wird; sie erreicht aber dieses nicht. Sie zeigt sich noch der Sphäre des Seins anzugehören indem sie noch als gleichgültig bestimmt, den Unterschied als äusserlichen, quantitative an ihr hat.” (Hegel, Wissenschaft der Logik I, p. 456)

Bij Hegel is de Idee, zijnde de eenheid van begrip en werkelijkheid, van het subjectieve weten en de objectiviteit (het redelijke is werkelijk, het werkelijke redelijk), in haar onmiddellijke vorm het leven zelf. (Wissenschaft der Logik II, pp. 466-470).

De vraag naar het verschil

Het verschil tussen de werking van een ‘denkende machine’ (computer) en echt denken (zoals wij mensen doen) is geen verschil tussen twee verschijnselen die we naast elkaar kunnen zetten en zo met elkaar kunnen vergelijken. Dat kan niet omdat we deze in de werkelijkheid niet van elkaar kunnen scheiden. Zonder ons denken zijn er geen natuurprocessen, laat staan computers die we als ‘denkend’ kunnen gebruiken. Wezenlijk is de verhouding, de relatie die constituerend is voor de aard van de beide relata, mens en machine. Zonder die verhouding zijn ze niet wat ze zijn. Een computer kan dan ook niet onafhankelijk van ons denken werken. Altijd wanneer we lezen over de prestaties van de computer of de kunstmatige intelligentie in vergelijking met die van de mens (“AI kan beter emoties herkennen dan mensen”) moeten we ons dit realiseren.

Dat wezenlijke van relatie zijn, geldt ook voor informatie: het is wat het is in relatie tot ons denken. Informatie los zien van ons kennen is als praten over tekens die geen betekenis hebben. We kunnen de tekens wel als object van buiten af beschouwen en de structuur van de zo geconstrueerde formele talen (codes) bestuderen, maar in zoverre we dat doen zijn het juist niet de tekens die we gebruiken en die in dat gebruik iets betekenen.

Professor Floridi is zeer actief lid van diverse internationale commissies en werkgroepen op het terrein van de ethiek en de wetgeving rond informatie en mede-auteur van diverse EU-rapporten op dit gebied.

In een interview met De Tijd geeft hij blijk van zijn zorg om de toekomst van onze samenleving. “Mijn ergste scenario: een maatschappij die zich dood entertaint.”

 “Los van de eindeloze sciencefiction-rampscenario’s, realistisch: een maatschappij met almaar minder engagement, die compleet geabsorbeerd is door zichzelf. Een maatschappij die er basically geen moer meer om geeft. En hoe minder ze om dingen geeft, hoe meer ze zich dood entertaint. Al die ongelooflijke technologie zal dan gebruikt worden voor a) bewaking, voor b) entertainment en c) om de anderen op afstand te houden. Zo’n samenleving zou voor mij een historische miskleun zijn.”

Ethische kwesties

Ethiek betreft de vraag hoe te zijn. Het gaat in de ethiek dus om de kwestie wat te doen dat goed is voor het leven. Het leven is de maat van het handelen. Het leven duidt zowel de totaliteit als geheel aan, als de vele levende individuen die elk op eigen wijze leven en deelhebben aan het leven. Het individuele leven botst regelmatig met het leven van de ander of met het leven in zijn algemeenheid. De moraal probeert in dit conflict op redelijke wijze te bemiddelen. De ethiek zoekt het redelijke midden tussen conflicterende deugden en perspectieven. Ook hier zien we weer het onderscheid tussen de normatieve (voorschrijvende) en de beschrijvende ethiek.

We denken bij ethiek van informatie aan privacy, het beschermen van het zelf en de eigendommen die moeilijk van ons zelf los te maken zijn, zoals onze persoonsgegevens, onze identiteit. Identiteitsfraude, het zich toe-eigenen van de identiteit van de ander, is een geliefd misdrijf. Technologie heeft geleid tot het realiseren van dingen, artefacten die zich voordoen als echte dingen. Artefacten die pretenderen te kunnen denken, intelligent te zijn en mens te zijn. Vanuit een structureel, mathematisch gezichtspunt zijn deze artefacten (agenten) niet van echte mensen te onderscheiden. Maar zijn ze daarmee echt? Hoe maak je het verschil tussen echt en simulatie als je geen contact hebt met de echtheid? Is er zoiets als een “impliciete intuitie”, begrip dat we niet begrijpen, maar dat we slechts kunnen uitoefenen?

Inside information

Informatie kan oneigenlijk gebruikt en verkregen worden. Het is een juridisch begrip: onrechtmatig verkregen bewijs. Alsof het leven een spel is, met regels over welke kennis je wel en niet mag gebruiken. Een voorbeeld van het oneigenlijk gebruik van informatie is het gebruik van voorkennis in de aandelenhandel. Beroemd is het Marconi schandaal dat het vertrouwen in de Britse politiek in het begin van de vorige eeuw danig op de proef stelde. Leden van de regering kochten aandelen van de Marconi Company, toen ze wisten van op handen zijnde contracten over de aanleg van een netwerk van communicatiekanalen tussen het Britse rijk en de VS. (zie mijn blog over Het Kanaal.)

De informatie-ethiek van Floridi betreft niet alleen het leven van mensen, niet alleen dat van dieren, niet alleen de levende natuur, maar alles wat informatie is, het gehele zijn. Alles wat is, heeft recht te zijn: robots, boeken, rivieren en vissen. En ook virussen. Hoe lossen we conflicten op tussen botsende waarden? Is er geen ordening van waarden?

De ordening van de zijnden naar hun zijn wordt bepaald door de mate waarin het leven in de soorten van zijnden is gerealiseerd. De lagere zijnsvormen zijn opgenomen in de hogere vormen: de mens is dier, de dier is vegetatief. Het virus is een lagere vorm van zijn. Waar staat de robot in deze ordening? Wat houdt het recht op bestaan van een robot in?

Zodra er een conflict optreedt, klinkt de roep om een leider die van boven af als rechter optreedt en zegt hoe te handelen. “De politiek moet het oplossen”. Ze moet zeggen wat we mogen zeggen. Alsof deze een onafhankelijke positie als buitenstaander en onbetrokken figuur de waarheid in pacht heeft en weet wat we moeten doen. We onderscheiden verschillende machten (trias politica) die elkaar in evenwicht moeten houden. Het toeslagenschandaal heeft laten zien hoe belangrijk het voor de rechtvaardigheid is dat we kunnen vertrouwen op de politiek, en dat de juiste informatie beschikbaar is om controle uit te kunnen oefenen. Ook in het toeslagenschandaal leek het vaak te gaan om informatie uitwisseling.

De ambtenaren van de overheidsdiensten vergaten dat de individuele burger als persoon niet opgaat in de informatiestructuren zoals die in de regels van de dienst functioneren. Een gevolg van de geest van onze tijd die beheerst wordt door een ongereflecteerd mathematiseren en informatiseren van de werkelijkheid. De bestuursrechter had daar op moeten toezien, maar die verzaakte hun taak controle uit te oefenen op de uitvoerende macht.

De ‘onaansprakelijke’ macht

In het genoemde interview met De Tijd spreekt Floridi over de ‘onaansprakelijkheid’ van de macht en het grote belang van goede informatie-uitwisseling tussen de drie gescheiden machten.

“Wat maakt een dictatuur tot een dictatuur? Niet het aantal mensen dat de macht heeft. Maar het feit dat degene die de macht heeft, die macht ook uitoefent. Als dat dezelfde mensen zijn, heb je een dictatuur. Want dan wordt die macht onaansprakelijk. Dat hoeft geen probleem te zijn, als je de beste dictator ter wereld hebt. Je kunt je vingers kruisen, en hopen op een heilige. Maar dat is geen strategie. Hopen om de loterij te winnen is geen businessplan. Je wil uitgaan van het slechtst denkbare scenario. Wat als?”

“In een goede democratie ligt de macht bij het volk. En het volk geeft die macht aan de politici die ze verkiest, en die de macht dan uitoefenen zonder ze te bezitten. Hoe beter dat volk geïnformeerd is, hoe beter het kan kiezen. En hoe meer controle het kan uitoefenen op die macht. Maar: het volk die macht zelf laten uitvoeren, zou een vergissing zijn. We hebben al veel te veel tijd verloren met te praten over e-democratie. Veel populistische praatjes over ‘de macht aan het volk geven’, door dat volk over elk thema zelf te laten stemmen, zijn gewoon een poging om een dictatuur te verbergen achter de getallen.”

Over het mathematische en het metafysische begrijpen

Juist in een tijd waarin de mens zich voortdurend dreigt te verliezen in zijn uitwendige gestalten, is de filosofie in de verleiding ook te proberen hem juist vanuit die gestalten te begrijpen. Dat is iets ander dan: die gestalten als zelfveruitwendigingen van de mens te begrijpen.”.

Dit schreef Louk Fleischhacker in de syllabus Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken n.a.v. het college in het studiejaar 1975/76. Toen ik vele jaren later deze tekst nog eens las schreef ik in de kantlijn de namen Dennett en Floridi. Ik meende dat deze hedendaagse denkers over wetenschap en technologie zich aan deze verleiding schuldig maakten. Wat de laatste betreft: na het lezen van de diverse werken van Professor Floridi meen ik dat dat niet altijd het geval is. Het punt is dat Floridi het mathematisch denken als methode soms wel toepast, maar soms ook niet. De aanpak in (Floridi en Sanders 2004) en in (Floridi 2004 en 2006) zijn voorbeelden van het eerste. Hij onderscheidt verschillende informatiebegrippen waarbij het voor mij soms moeilijk is er een noodzakelijk logisch verband in te zien. Nergens reflecteert Floridi echter op de mathematische denkwijze zelf, zoals Aristoteles, Hegel en Fleischhacker dat doen. Volgens mij is inzicht in die denkwijze van belang om grip te krijgen op het informatiebegrip.

“Wiskundig denken is het denken over structuren op een manier alsof ze alleen uit ‘intelligibele materie’ (Aristoteles) bestonden. Met andere woorden, denken over iets alsof het structuur (iets zuiver kwantitatiefs) is, in plaats van dat het een structuur heeft.” (Fleischhacker 1992, p. 18).

Het zijn gaat volgens de mathematische metafysica op in de kwantitatieve structuur, de wijze waarop wij de werkelijkheid vanuit het mathematische perspectief benaderen en construeren. Alles is een getal, alles is een verzameling, alles is een functie, alles is een programma, alles is informatie. De werkelijkheid is het telbare, het deelbare, het meetbare, het programmeerbare, het mededeelbare.

Het wiskundige denken is gericht op het wiskundig kennen, de kennis van de structuren van de werkelijkheid. De kwantiteit is de categoriale grond van dit kennen van de waarneembare wereld. “Kwantiteit is datgene wat verdeelbaar is in samenstellende delen die elk voor zich weer iets individueels zijn.” (Aristoteles). Kwantiteit kennen we als aantal (discrete kwantiteit, dat is zonder aangrenzende delen) of als hoegrootheid (continue kwantiteit, dat is met aangrenzende delen).

In het mathematisch kennen wordt dat wat gekend wordt binnen de ken-relatie gesteld als iets dat het tegengestelde is aan het kennen zelf, pure uitwendigheid. Het denken dat op dit kennen gericht is, is zuiver verstandelijk; het hoeft geen rekenschap van zichzelf af te leggen.

Hegel is weinig lovend over het mathematisch denken. In het voorwoord van zijn Phänomenologie des Geistes gaat hij uitvoerig in op de aard van dit denken in vergelijking met het ‘wetenschappelijk’ (dat is bij Hegel het filosofische) denken.

“De evidentie van dit gebrekkig kennen, waar de wiskunde trots op is en waarmee zij pronkt tegen de filosofie, berust slechts op de armoede van haar doel en op de gebrekkigheid van haar materie; deze evidenties is dus van die aard, dat de filosofie deze moet verachten. – Het doel of begrip van de wiskunde is de grootte. Dit is juist de onwezenlijke verhouding waaraan alle begrip ontbreekt.” (Hegel, 1978, p. 81)

Wij zouden zeggen: het doel of begrip van de wiskunde is de structuur.

Iedere poging tot daadwerkelijke zelf-reflectie van het wiskundig denken leidt tot een paradox, waarvan de bekendste de Russel-paradox is; het gevolg van de poging het verzameling begrip zelf als verzameling (dat is op uitwendige wijze) uit te drukken. De wiskunde van het wiskundig denken (in de vorm van de metamathematica en de mathematische logica) hebben tot onvolledigheidsstellingen geleid: de wiskunde kan zichzelf niet van een consistente basis voorzien. Deze uitwendige vorm van zelfreflectie van het mathematische denken heeft als positief resultaat de programmeerbare machine opgeleverd, de realisatie van het wiskundig denken zelf in de vorm van een fysische werking.

De metafysica van “alles is informatie” ontstijgt het mathematisme waarvoor alles structuur is. Informatie is immers iets structureels dat een kwaliteit van iets uitdrukt, het betekent iets. Informatie verwijst naar iets dat buiten het structurele ligt.

Ik vermoed dat een filosofische reflectie op de eigen aard van het wiskundig denken er toe kan leiden de verschillende vormen van informatie, die we hier aan de hand van Floridi’s werk hebben besproken, onder een unificerend begrip te brengen. Ik hoop met deze bijdrage te hebben laten zien dat het bestuderen van Hegel’s Wissenschaft der Logik daarvoor de moeite loont.

Het milieuprobleem

Floridi’s ethiek is een ecologische ethiek. Zijn kritiek op veel bestaande ethische theorieën is dat deze te ego-centrisch zijn, te veel de individuele mens centraal stellen. Een filosofie van het informatiebegrip kan niet heen om wat wellicht het grootste pijnpunt van onze tijd is: het milieuprobleem en daarmee samenhangend klimaatverandering en migratie.

Het Maxwell-duiveltje bestaat niet. Informatie-uitwisseling gaat gepaard met energie-verbruik. Datacenters zijn verantwoordelijk voor substantiële delen van de energie-consumptie en CO2-uitstoot. En dit wordt alsmaar meer. Het is een hardnekkig probleem. Al in de jaren 70 verscheen het rapport “Grenzen aan de Groei” van een groep bezorgde wetenschappers. Wat heeft die hardnekkigheid van het probleem met de populariteit van het wiskundig denken te maken? Ik denk meer dan de meeste mensen denken. Daarom is het belangrijk de impact van dit denken te doorzien.

Het eerste automatisme

Mijn kleindochter Lilly kon net tot twintig tellen toen kennelijk het kwartje viel en ze het door had. Ze begreep het taalsysteem waarmee we de getallen benoemen. Ze kon verder: eenentwintig, tweeëntwintig, …dertig, eenendertig, … en nog verder. En toen vroeg ze me: hoeveel getallen zijn er?

Zijn? Daar zeg je zoiets.

De idee dat je alsmaar door kan tellen, dat er geen einde aan komt, is typisch voor het wiskundig denken dat haar gedachte objecten tegenover de echte eindige werkelijkheid plaatst. Wat tel je als je de getallen telt? Dat zijn de objecten die de wiskundige creatieve geest heeft gemaakt met de onderscheiden namen om de onderscheiden dingen te tellen. Het getal drie werd losgemaakt uit de drietallen van wat dan ook: drie paarden, drie stoelen, drie mensen. Zo ook met de andere getallen. En elk getal kreeg een eigen naam, een identifier, in een cijfersysteem, een formele taalstructuur van tekens. Bij het tellen van de getallen schrijven de getallen die we tellen zelf voor in welke volgorde ze geteld moeten worden. Er is niets buiten dit tellen van de getallen dat het proces stopt. De getallen tellen als het ware zichzelf. Er zijn oneindig veel, zoveel als je vol kunt houden en je beseft dat het aantal niet afhangt van het toevallige moment dat je stopt. Dat dat onwezenlijk is aan het eigenlijke proces dat oneindig is. Wat je zelf doet is eigenlijk alleen de motor zijn, de pendulum, het tikken van de klok, inhoudsloos denken, waarvan de inhoud volstrekt buiten dit tikken ligt, in de getallen.

Het tellen van de getallen is het eerste en eenvoudigste voorbeeld van het automatisme, van het inhoudsloze denken dat zichzelf, zijn eigen van zichzelf vervreemde inhoud, denkt.

Er zijn oneindig veel getallen (in potentie). Een eindige wiskunde is geen wiskunde; die bestaat niet. De eindigheid van de fysische werkelijkheid is onwezenlijk aan het oneindig ideaal van de wiskunde. Dit ideaal komen we tegen in de gewenning, de idee dat alles zal blijven zoals het is en dat ook morgen water uit de kraan zal komen, de zon op zal komen, en dat er na morgen weer een morgen is. Deze idee mathematisch uitgedrukt in de formule Z(Z)=Z(Z), de formule die het automatisme, de eindeloze herhaling van het tellen van de getallen volgens het voorschrift van de getallen zelf, uitdrukt, is diep geworteld in de moderne geest.

(Zie over de relatie van deze formule met Heideggers beschouwing over Der Satz vom Grund mijn artikel over het grondprobleem.)

Maar de wal keert het schip. De aardse bronnen, het bestand, is eindig. We worden nu dagelijks geconfronteerd met de gebakken peren ten gevolge van de mateloosheid die het wiskundig denken eigen is. Wetenschappers die werken op het terrein van de Natuurlijke Taalverwerking (Natural Language Processing) een kernthema van de Artificial Intelligence waarschuwen voor de als maar toenemende energieconsumptie en CO2 emissies die gepaard gaan met het trainen van alsmaar complexere datamodellen. (zie bijvoorbeeld Strubell, 2019).

Floridi’s ethiek is een ethiek die, geconfronteerd met de milieuproblematiek, een antwoord probeert te geven op de mateloosheid van onze tijd. Het is een zoektocht naar de wezenlijke maat: het leven.

We moeten beter met onze aandacht om gaan volgens Floridi. We zijn ‘informatie-obees’.

“De overgang van schaarste naar overvloed verandert het spel compleet. We zullen wel beter leren selecteren en focussen – als we geluk hebben. Maar op dit moment zie ik vooral heel veel van het omgekeerde. Heel veel afleiding en verstrooiing. Informatie verbruikt aandacht. Dat weten we al decennia. En hoe meer informatie, hoe meer aandacht je moet schenken.”

Het hebben van informatie doet de vraag om meer informatie toenemen. Informatie is misschien wel het meest verslavende consumptiegoed van onze samenleving.

Tot slot

Volgens Professor Floridi is informatie alleen dan informatie als het ware informatie is. Er is niet zoiets als informatie die een beetje waar is. Ik begrijp dit als een moreel standpunt: informatie moet om echt informatie te zijn waar zijn. Daar moeten we naar streven. Ik vat het op zoals wanneer we zeggen dat een mens pas echt mens is wanneer deze vrij is. Of dat een gesprek pas echt een gesprek is wanneer het een open (‘Herrschaftsfrei’) gesprek is. Het is aan de filosofie zich voortdurend met het zijn te verstaan om de inhoud van deze begrippen waar te maken.

Bronnen

Rieks op den Akker (1983). De zelfstandigheid van automaten en de semantiek van programmeertalen, Intern rapport Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen (ook als intern rapport verschenen bij de Onderafdeling der Informatica).

Yehoshua Bar-Hillel en Rudolph Carnap (1952). ‘An Outline of a Theory of Semantic Information’, Research Laboratory of Electronics, Massachusetts Institute of Technology.

Anthony F. Beavers (2016). A Brief Introduction to the Philosophy of Information.  Logeion – Information Philosophy 3.1 (2016): 16-28.

Harm Boukema (1980). Intentionele analyse van illocutioary acts. In: Filosofische Reeks nr. 6 – 1980. Filosofische lezingen gehouden op de Eerste Nederlandse Filosofiedag 15 september 1979, Universiteit van Amsterdam.

Louk Fleischhacker (1976). Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken, Collegedictaat 2de semester van het collegejaar 1975/76 Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Technische Hogeschool Twente, 1976.

Louk Fleischhacker (1982). Over de grenzen van de kwantiteit. Proefschrift. Amsterdam UvA; 24.09.1982.

Louk Fleischhacker (1992). Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken en van de Informatietechniek, syllabus van het collegejaar 1990/91. Faculteit der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Universiteit Twente, 1992.

Louk Fleischhacker (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Louk E. Fleischhacker (1998). On the notion of life. Theor. Biosci. (1998) 117; 139-160.

Luciano Floridi (2003). On the intrinsic value of information objects and the infosphere. In: Ethics and Information Technology, volume 4, pages 287–304(2002)

Luciano Floridi (2006), “The Logic of Being Informed”, Logique et Analyse, 49, pp. 433-460

Luciano Floridi (2004), “Outline of a Theory of Strongly Semantic Information”, Minds and Machines, 14, pp. 197-222

Luciano Floridi (2007). In defence of the veridical nature of semantic information. EUJAP, Vol. 3, Nr.1, 2007.

Luciano Floridi (2008). The Method of Levels of Abstraction. Minds & Machines 18, 303–329 (2008).

Luciano Floridi (2010). The Philosophy of Information as a Conceptual Framework. Know Techn Pol 23, 253–281 (2010).

Luciano Floridi, L. (2011) The Philosophy of Information, Oxford, UK: Oxford University Press. Een metafysica waarin het informatiebegrip centraal staat.

Luciano Floridi (2014). Informatie. In de serie elementaire deeltjes. Amsterdam University Press. (Dit is de vertaling van Information: a very short introduction, Oxford University Press, 2010)

Luciano Floridi (ed.) (2016). The Routledge Handbook of the Philosophy of Information.

Luciano Floridi, Sanders, J. (2004). On the Morality of Artificial Agents. Minds and Machines 14, 349–379 (2004).

G.W.F. Hegel (1969). Wissenschaft der Logik I en II, Deel 5 en 6 van de Werke in Zwanzig Bänden. Theorie Werkausgabe Suhrkamp Verlag, 1969.

G.W.F.Hegel (1978). Het wetenschappelijk kennen, Dit is de door Peter Jonkers vertaalde Vorrede van de Phänomenologie des Geistes (1807). Boom Meppel, 1978.

Hintikka, J. 1970. On semantic information. In: J. Hintikka; P. Suppes (eds.) Information and Inference. Dordrecht, Holland: D. Reidel Publishing Company

Emmanuel Levinas (1971). Het menselijk gelaat. Ambo n.v.,Bilthoven. Hierin: Betekenis en zin, pp.152-191. (Vertaling van La signification et le sens. in: Revue de Métaphysique et de Morale 69 (1964), 125-156.)

Donald MacKay, 1950. The Nomenclature of Information-theory;
Proceedings of Information-theory Symposium, London, Sept. 1950.

Claude Shannon, Warren Weaver (1949). The Mathematical Theory of Communication, Urbana, IL: University of Illinois Press.

Strubell, E., Ganesh, A., & McCallum, A. (2019). Energy and Policy Considerations for Deep Learning in NLP. ArXiv, abs/1906.02243.

John A. Wheeler (1990) ‘Information, Physics, Quantum: The Search for Links’ in W. Zurek (ed.) Complexity, Entropy, and the Physics of Information, Redwood City, CA: Addison-Wesley.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply