Omgaan met onzekerheid

“Iets wat zo belangrijk is in het leven, daar wil ik het over hebben. Omdat ik zelf wil leren omgaan met onzekerheid, maar ook omdat ik beter wil begrijpen hoe anderen dat doen en wat voor gevolgen dat heeft voor hoe we samenleven.”

Dit schreef Sanne Blauw van De Correspondent in een bericht aan haar lezers. Ze is op zoek naar mensen die “de fundamentele onzekerheid van het leven niet uit de weg gaan”.

Ze schrijft graag in contact te komen met bijvoorbeeld:

  • Iemand die asiel heeft aangevraagd in Nederland. 
  • Iemand met een vermiste dierbare. 
  • Iemand wiens partner een affaire heeft gehad.
  • Iemand die kiest voor een nomadisch bestaan.
  • Iemand die van het geloof is gevallen.

Aan potentieel gegadigden geen gebrek, lijkt me.

Elders heeft Sanne al eens laten weten dat ze iets met cijfers heeft. Ze heeft econometrie gestudeerd. Er is geen wetenschap waar zoveel met wiskundige modellen wordt gewerkt als in de econometrie. In haar boek met de zelf-reflexieve titel Het best verkochte boek ooit (met deze titel) schrijft ze:

“Nooit eerder was de invloed van cijfers op je leven zo duidelijk als tijdens de pandemie. Maar waar cijfers belangrijk zijn, ligt misleiding op de loer.”

Misschien is het dat ze, net als zovelen tegenwoordig, de zekerheid zocht (en vond? ) in de wiskunde? En dat het besef dat we die zekerheid daar niet kunnen vinden haar onzeker maakt? Is het niet het wiskundig denken dat ons misleidt?

We denken tegenwoordig erg mathematisch. Dat zit veel dieper in onze cultuur en ons denken dan we denken. Hoe je denkt, hoe je tegen de dingen die gebeuren aankijkt, dat is heel erg je zelf, zodat je er moeilijk los van kan komen. Waarom zou je dat ook willen? Waarom zou je die zekerheden die je denken je leveren kwijt willen?

Maar wat nu als die wiskunde niet meer de zekerheid biedt die we dachten dat ze ons bracht? De ontdekking van de niet-Euclidische meetkunde maakte pijnlijk duidelijk dat de werkelijkheid niet eenduidig voorschrijft hoe deze gemodelleerd moet worden. De mathematische vergelijkingen waarin de fysica haar kennis van de natuur uitdrukt roepen de vraag op hoe deze te interpreteren. De materie lijkt op te lossen in statistische vergelijkingen. De fysica onderkent dat de natuur zich houdt aan de principes van relativiteit en onzekerheid. Hoe kan iets tegelijk golf en deeltje zijn, continue en discreet, een reeks toestanden en een proces? De wiskunde vond de oplossing in de infinitesimaalrekening, maar bestaan limieten wel? Wordt een tafel echt vlak als je maar lang genoeg schuurt? Wordt een kans ooit een onmogelijkheid of een zekerheid, zoals de statisticus ons wil doen geloven?

Het program van Hilbert bedoelt om de wiskunde te funderen in een consistent axiomastelsel werd door de onvolledigheidstellingen van Gödel en Tarski om zeep geholpen. De wiskunde is niet in staat zichzelf van een basis te voorzien. Wanneer het wiskundig denken zich over zichzelf terug buigt is het resultaat steevast een logische paradox. De verzameling van alle verzamelingen is geen verzameling, op straffe van logische inconsistentie. We moeten maar aannemen dat de wiskunde klopt. Maar waarom zouden we? Omdat het werkt?

De bijvang van deze grondslagencrisis in de moderne op mathematische idealen gebaseerde wetenschap is de programmeerbare machine, de kunstmatige intelligentie. Het rekenwerk en alles wat tot rekenwerk gereduceerd kan worden wordt voortaan door robots gedaan. De mens die zich meende te vinden in een zinvolle dagtaak wordt meer en meer uit het productieproces gestoten door de machines. Alles, inclusief de mens en de materie, is informatie geworden. Onze identiteit is een datastructuur in een informatiesysteem, zoals dat van de Belastingdienst. Hoe vinden we ooit ons zelf nog terug in dit mathematisch, statistisch, universum?

We herkennen ons in allerlei zaken en omstandigheden die onze uitwendige identiteit uitmaken: onze fysieke omgeving, ons werkblad op ons bureau, de inhoud van de boekenkast, de inrichting van onze kamer, de tuin, het gereedschap, onze kleding, onze bankrekening en verzekeringen. Maar ook in onze sociale omgeving, onze familierelaties, onze gewoontes, rituelen en tradities, in ons geloof, herkennen we ons zelf. In ons werk, in onze sociale status. In onze taal. Het zijn allemaal uitingen van onze persoonlijke identiteit. Ze zeggen wat we zijn.

Maar zoals met alles in de werkelijkheid kan door oorzaken van buiten af plotseling verandering komen in die uitwendigheden.

Wanneer je mij vroeg ” wat ben je?” dan zei ik “wiskunde docent”. Wanneer je dat de buurman vraagt zegt hij: “melkveehouder”. Een ander identificeert zich als “bakker” of “wijkverpleegkundige”. Na het bereiken van de ‘pensioengerechtigde leeftijd’ werd ik ontslagen. Te oud bevonden. Na 40 jaar dienst in het onderwijs. Wat ik nu ben? Ik ben met pensioen, ik was docent. Niet meer. Dan val je terug op ‘jezelf’. Maar was dat niet de docent wiskunde? Je hebt dan geluk als er meer is dan je werk. Iets anders waarin je jezelf kunt vinden. Bijvoorbeeld in de mensen om je heen. Maar wat als die je ook ontvallen?

Ontslagen worden is een “life changing event”, zoiets als je partner verliezen door echtscheiding, ziekte of een ongeval. Of als je van je geloof in God bent afgevallen. Of gevlucht bent uit je geboorteland. Je moet dan op zoek naar de ‘invariant’, naar dat wat in die verandering blijft, je zelf.

Dan blijkt datgene waar je je eerst mee identificeerde zonder het te weten: ‘je leven’, je identiteit, je eigen taal en cultuur, iets uitwendigs te zijn. Zoals je werk dat, wanneer het eenmaal van buiten af abstract genomen wordt en in taken en functies uiteen gevallen is, uitwendig aan je zelf als arbeider is geworden en vervolgens door een machine, een robot, gedaan kan worden. Mensen voeren functies uit in een systeem en iedereen is vervangbaar. Door een ander, en uiteindelijk door een machine. Dat werkt in zoverre die functies uitwendig zijn aan de mens. Als een huis dat niet een woning is, maar iets uitwendigs, een economisch goed, iets dat een functie heeft in een economisch, sociaal systeem.

In een persoonlijke crisis blijken we vast te zitten aan een uiterlijke vorm, een life style, en moeten we op zoek naar een life style coach die ons moet helpen bij het zoeken naar een nieuwe life style. Want hoe kunnen we bestaan zonder een of andere life style, een levensvorm waarin we ons thuis voelen?

Maar welke? Is er een ideaal zelf (iets dat inhoud geeft aan ‘ik ben ik’), een normaal of gemiddeld mens, een profiel, waar we naar op zoek zijn? Komt onze onzekerheid misschien voort uit het besef dat zo’n ideaal niet bestaat, dat het slechts een hersenspinsel is. Zoals de gemiddeldes van de statistici en de getallen waarmee we de verschijnselen om ons heen de maat nemen? Weten we niet allang dat die kunstmatige intelligente wezens die volgens de technologen onze toekomstige opvolgers zijn, slechts virtuele wezens zijn, uitwendige objectivaties van een zelfbeeld waarin we ons niet meer herkennen?

Denken we niet heel erg mathematisch over ons leven als we dit zien als een uitwendig, willekeurige, vervangbare vorm van ons ‘ware zelf’, onze ‘ware identiteit? Die identiteit bestaat immers niet buiten de wijze waarop we ons leven leven, en buiten de wijze waarop we ons er toe verhouden. Die relatie is veel intiemer dan door het woord ‘uitwendigheid’ wordt uitgedrukt. Je moet immers op één of andere manier leven in de uitwendigheid om iemand te zijn. De identiteit die je zoekt daarvan ga je zelf uit. Die is je al gegeven. Wie de zekerheid van zichzelf zoekt, die zoekt het paard terwijl hij er op zit. De levensvorm is veel meer dan een vorm; het maakt de kwaliteit van je leven uit.

Hoe leer je omgaan met onzekerheid? Vraagt Sanne. En ze hoopt van anderen te leren hoe je dat doet. Maar hoe kun je uit de verhalen van anderen leren hoe je zelf met je onzekerheid om moet gaan? Alsof dat iets leerbaars is; zoals de wiskunde iets leerbaars (mathesis) is.

Ik denk dat je er niet mee moet omgaan. Dat je de onzekerheid moet negeren, omdat het niets is, leegte. Laat je mee voeren door de zekerheden van de dingen die wel zijn, dingen, mensen, die iets betekenen in je leven. Dat zou mijn advies zijn.

Wie leeft gaat dood. Zoveel is zeker. Je weet alleen niet zeker wanneer en hoe. Dat kan je erg onzeker maken. Ik kan ‘s nachts als ik wakker lig beklemd raken door allerlei vragen die in mij opkomen. Wie maait het gras als ik er niet ben? Moet ik mijn gereedschap niet alvast netjes opbergen? Wie kent onze bankrekening waarop ons spaargeld staat? Het resultaat van onze zuinige levensstijl die we tot op de dag van vandaag vol hebben gehouden. Wie kan er bij mijn spullen op de computer, mijn administratie. Moet ik daar iets aan doen? Nu al? Hoe bereid ik mij voor op mijn dood zijn? Hoe laat ik mijn leven achter? Is het uit gemakzucht als ik hier niets aan doe? Moet ik me zorgen maken?

Of moet ik denken zoals Epicurus (341-270 v.C.) dacht over het vrezen ?

“Eigenlijk valt er als je leeft niets te vrezen, wanneer je écht doorhebt dat er als je niet leeft niets te vrezen valt.” En over het vrezen van onze dood zegt hij:

“De dood raakt ons in het geheel niet, aangezien de dood er niet is zolang wij bestaan en wij niet bestaan zodra de dood komt.” We zullen onze dood nooit meemaken.

Epicurus had mooi praten. Hij leefde in een tijd waarin er niet nagedacht werd over de toekomst van de aarde. Had hij wel kinderen over wiens toekomst hij zich zorgen moest maken? Wij wel.

Is daar geen app voor, een methode, die je zegt hoe je je moet voorbereiden op je definitieve vertrek? Of moet je dat allemaal zelf maar uitzoeken?

Misschien moeten we wel leven alsof de toekomst niet bestaat!

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply