Het bodemloze grondbeginsel en de woede van Mohammed

“Nihil est sine ratione” (Leibniz)

De roos is zonder waarom; zij bloeit omdat ze bloeit. Zij let niet op zichzelf, vraagt niet of men haar ziet.” (Angelus Silesius)

Het denken moet het van de taal hebben. Dat geldt zowel voor het berekenende denken als voor het dichterlijke en filosofische denken. Wat dat laatste betreft: er is geen filosoof die deze stelling beter demonstreert dan Martin Heidegger. En er is geen filosoof die beter heeft begrepen hoezeer ons denken afhankelijk is van de taal en zich door de taal laat misleiden dan Ludwig Wittgenstein. Wittgenstein heeft ons als het ware voor Heidegger gewaarschuwd. De zin kan niet zelf zeggen of deze waar is. Pas op voor de misleiding door de taal! Niemand hoeft u te zeggen hoeveel onzin er wordt beweerd.

Beide filosofen hebben zich met de taal verstaan. Beide hebben geprobeerd het verschil tussen de verschillende denkwijzen en hun relatie tot de taal te verantwoorden. Heidegger door terug te kijken naar de oorsprong van de woorden, Wittgenstein door constructief van binnenuit het zinvolle, functionele, taalgebruik af te grenzen tegenover het misbruik van de taal in de filosofie. De wereld is alles wat het geval is. En wat het geval is laat zich in heldere zinnen uitdrukken, in de formules van de propositielogica. Over wat daar buiten is, daarover moeten we maar zwijgen. Niet omdat dat niet van waarde zou zijn. Integendeel! Juist omdat het van waarde is.

We weten wat het denken heeft opgeleverd. Het berekenende denken is overgenomen door de machines. Wat kan dit denken anders opleveren dan denkende, berekenende, machines! De machine spreekt de taal die gereduceerd is tot een middel voor het transporteren en verwerken van informatie. Mensen en machines informeren elkaar. Ze vormen daarin de werkelijkheid, de mens incluis.

Deze voorstelling, deze werkelijkheid, van mensen en machines die elkaar informeren en al communicerend de werkelijkheid van het leven uitmaken, roept de vraag op naar de zin. Ligt deze buiten deze machinerie? Of is de zin dit leven zelf? Het leven van de cel bestaat uit celdeling, het leven van de vlinder uit zich voortplanten. Het leven houdt de soort in stand. Waartoe?

We vragen niet meer naar oorzaken, naar de grond van het zijn, nu deze vraag haar antwoord heeft gevonden in de autonome machines, die werken volgens de in hun taal voorgeschreven programma’s. De vraag is nu naar de functie, het nut, de zin van dit alles. Wat is de zin van een economische machinerie waarin mensen functioneren als raderen in een machine? Bepaalt deze zelfstandig werkende machine, die volgens zijn eigen in taal uitgedrukte programma werkt zelf wat de zin is van zijn werken? Waar vinden we als individu nog zin? Is er nog zin buiten de economie, buiten de autonome werkende, denkende, vechtende machines.

Hoe zijn we, de moderne westerse mens, hier terecht gekomen? De moderne mens levend in een tijd die wordt beheerst door informatie over de nieuwste technologische snufjes die ons helpen ons gemedicaliseerde leven gezond te leven, over de dreigende uitputting van de schaarse bronnen en over de miljoenen ontheemden die van hun grond en huis en haard zijn weggevlucht op zoek naar een nieuwe plek waar ze thuis kunnen zijn.

De modern denkende mens streeft naar autonomie, een leven onafhankelijk van alles wat zijn streven vrij te zijn belemmert: afkomst, cultuur, historie, het lichaam en geslacht dat hem gegeven is, de aarde, de taal? Wat is de oorsprong van dit streven? Waar vindt hij zijn identiteit?

Aan de hand van Heidegger kijken we terug. Op zoek naar de grond.

Nihil est sine ratione: niets is zonder grond

In zijn lezing Der Satz vom Grund (1957) en in zijn collegereeks tijdens het wintersemester 1955/56 aan de Universiteit van Freiburg analyseert Heidegger een stelling die ons westerse denken eeuwenlang heeft bepaald, een grondbeginsel, principe of axioma van het denken: nihil est sine ratione in het Latijn; niets is zonder grond.

Heidegger hecht er veel waarde aan, op te merken dat het West-Europese denken er pas na een ‘incubatietijd’ van drieëntwintighonderd jaar in slaagde dit beginsel als beginsel van het denken en filosoferen te formuleren. Filosoferen deden de Grieken al vanaf de zesde eeuw voor Christus. Vanaf het begin is er de vraag naar de grond. Pas in de zeventiende eeuw formuleerde Leibniz het beginsel in deze vorm. Leibniz was wiskundige. Hij introduceerde onder andere de term ‘functio’, als uitdrukking van wat ons wiskundig functie-begrip zou worden, om aan te geven hoe de lengte van het stuk van de y-as afhangt van het punt waarvan uit je een raaklijn aan een gegeven kromme in het x/y-vlak trekt.

Leibniz was rechtsgeleerde die een nieuwe rekentaal invoerde waarin voor en tegen argumenten en feiten (met kansen) kunnen worden beschreven zodat in de rechtszaal berekend kon worden wie het gelijk aan zijn zijde had. Calculemus! Laten we uitrekenen wie de waarheid spreekt. Leibniz ontwierp een rekenmachine. En hij was theoloog en filosoof. Bekend is zijn uitspraak dat we in “de beste van alle mogelijke werelden” leven. Het ligt in de almacht en het alziend oog van God dat hij deze wereld heeft gekozen uit het scala van mogelijke werelden die hij zich kon voorstellen. Ook God ontkomt niet aan het universele causaliteitsbeginsel: alles heeft een oorzaak. God is zijn eigen oorzaak en reden. De idee God van de moderne filosofie is de God als causa sui. Ook voor Descartes is het bestaan van God gevolg van zijn eigen wezen. Anders dan in de Middeleeuwen is God niet meer onveroorzaakt. God valt voortaan onder het gezag, de stelling van de menselijke rede.

Heidegger zou geen filosoof zijn als hij niet tot de conclusie kwam dat het grondbeginsel ook op zichzelf betrekking heeft.

In de aantekeningen van zijn Tweede College over Der Satz vom Grund lezen we:

“Naar wij beweren moet het hét beginsel aller beginselen zijn. Op de spits gedreven betekent dit: het beginsel van grond is de grond van alle beginselen. Het beginsel van grond is de grond van het beginsel.” (p. 22)

En:

“Hier draait iets om zichzelf heen. Hier krult iets naar binnen, maar het sluit zich niet af, het ontgrendelt zichzelf op hetzelfde moment. Hier heb je een ring, een levende ring, zoiets als een slang. Hier heeft iets zichzelf bij de staart. Hier heb je een begin dat al is afgerond.” (p. 22)

Het Ouroboros symbool, waarnaar (Andrade 2011) de gelijkheid f(f) = f noemt

In 2011 duikt het oude Griekse symbool Ouroboros, tonende een slang die zichzelf in zijn staart bijt, op in een artikel van vier Chileense wetenschappers. Het artikel heet: Ouroboros avatars: A mathematical exploration of Self-reference and Metabolic Closure. De auteurs zijn de wiskundige Jorge Soto-Andrade, de biologen Sebastian Jaramillo en Juan-Carlos Letelier en de informaticus Claudio Gutierrez. Het gaat over zelfreproductie als één van de meest belangrijke karakteristieke kenmerken van levende organismes. De auteurs trachten dit begrip op zuiver wiskundige wijze tot uitdrukking te brengen. Ze claimen dat dit idee wiskundig uitgedrukt kan worden met de zelf-refererende vergelijking f = f(f). De functie f is dekpunt van zichzelf. Een triviale oplossing van deze gelijkheid is de identiteit, de functie die bij ieder argument waarop het wordt toegepast dat argument zelf weer oplevert.

We moeten een onderscheid maken tussen ‘uit zichzelf’ en ‘vanzelf’.

In 1979 studeerde ik af als wiskundige informaticus op een onderzoek op het gebied van de mathematische semantiek van programmeertalen volgens de recursieve domein theorie van Dana Scott. Daarin verdedig ik de stelling dat de mathematische uitdrukking van het principe van de programmeerbare zichzelf reproducerende automaat de uitdrukking Z(Z) = Z(Z) is, waarbij Z = λx.x(x), de zelfapplicatie functie is. Dit is de dynamische tegenhanger van de Ouroboros vergelijking f(f) = f van Andrade e.a. De zelfapplicatie van de zelfapplicatie levert als resultaat deze zelfde zelfapplicatie weer op; een oneindig voortdurende proces van zelfreproductie.

“Niets is zonder grond. Dit beginsel zegt nu: om het even wat gaat door voor een zijnde wanneer en ook alleen wanneer het voor het voorstellen als een berekenbaar object is gewaarborgd.” (p. 149)

Het machtige principe van Leibniz : “niets bestaat waarvoor geen toereikende bestaansgrond kan worden aangevoerd” ontleedt zijn macht aan “het feit dat dit principe erover beschikt wat als object voor het voorstellen mag gelden, of algemeen wat voor iets zijnds mag doorgaan.” (p. 149).

Dit voorstellend, rekenende denken is het mathematische denken. In (Fleischhacker 1976, 1982, 1995) wordt de mathematische zienswijze in verband gebracht met de overheersende nuttigheidsidee (Hegels idee van het reine Nützen en de wezenloze nuttigheid). De onbetrokkenheid van het kennend subject in de mathematische zienswijze geeft de uitwendige structuur van dat alles middel, nuttig, is voor iets anders. Is er iets buiten de nuttigheidskringloop waarvoor dit alles nuttig kan zijn?

“Het beginsel van grond is het grondbeginsel van het redelijke voorstellen in de zin van het voorstellende rekenen.” Het is dit principe dat volgens Heidegger zijn stempel drukt op de ‘moderne tijd’.

“We weten vandaag de dag (het is 1957 wanneer Heidegger deze woorden spreekt! RodA) zonder het al echt te begrijpen, dat de moderne techniek er onstuitbaar toe aanspoort om haar voorzieningen en producten overal in te voeren en tot het uiterste te perfectioneren.” (p. 150).

De moderne techniek zet aan tot de grootst mogelijke perfectie. De perfectie berust op de algemene berekenbaarheid van de objecten.” (p.150)

Heidegger schets vervolgens het tijdsbeeld van het atoomtijdperk waarin het erom gaat de vrijgekomen energie nodig voor de productie van goederen die de groeiende consumptieve behoeften moeten bevredigen, aan banden te leggen. De mens moet zich telkens weer van het leven verzekeren.

Het heeft er alle schijn van dat het niet meer de economische behoefte is die de techniek bepaalt, maar omgekeerd dat het de technologie is die de behoeftes creëert.

Heidegger zag dit reeds gebeuren en meende dit te begrijpen vanuit de almacht van het beginsel van de grond. De technologie is de motor van de kapitalistische economie. De politiek is er op gericht de behoeftigheid van de burgers in stand te houden. Daarom moet er met spoed een ‘duurzame’ oplossing komen voor het energieprobleem !

“Het trefwoord voor deze grondhouding van het huidige bestaan luidt: informatie.” (p. 154)

We zijn tegenwoordig dan ook eerder geneigd van het informatietijdperk te spreken. De voorstelling van de taal als instrument voor informatieverstrekking heeft in toenemende mate de overhand gekregen. De machines spreken en verstaan onze taal.

We weten inmiddels waar de informatietechnologie toe geleid heeft. Het wereldwijde internet en de sociale media (Twitter, Facebook, Instagram) hebben van de wereld een netwerk van anonieme informatieknooppunten (agenten) gemaakt. Wat Heidegger vergat te zeggen is dat de zin (der Satz), de propositie waarmee Leibniz de band tussen subject en predikaat uitspreekt, niet van zichzelf zegt of deze waar is. Daar had Wittgenstein ons in zijn Tractatus al voor gewaarschuwd.

“Ein Satz kann unmöglich von sich selbst aussagen dass er wahr ist.” (Ludwig Wittgenstein, Tractatus, 1918)

De waarheidswaarde van de zin staat volgens de moderne technische opvatting over de relatie tussen taal en werkelijkheid buiten de beweringsinhoud van de zin. Mensen gebruiken zinnen. Niet omdat ze waar zijn, maar vanwege het beoogde effect.

Niet alles wat zich voordoet als informatie is werkelijk informatie, zegt de informatiefilosoof Luciano Floridi. “Informatie is pas informatie wanneer de inhoud ervan waar is”. Wanneer is informatie waar? Wanneer ze geborgen is in de gegevens. Data is de basis van de ware informatie. De gegevens zijn vanzelfsprekend en onmiddellijk. Dat is waarop we staan en waarop we vertrouwen. Informatie moet om ware informatie te zijn op data berusten. Dit is de moderne variant van der Satz vom Grund. Wat de machine spreekt, hoe de machine beslist, dat hangt af van de gegevens die hij geleerd heeft. Dat is de bias, de grond van het oordeel.

Hiermee komt een andere vergeten kant van de animal rationale, de redelijk mens die in Der Satz vom Grund zijn geborgenheid in de wereld veilig wilde stellen, naar voren. De mens leeft altijd al vanuit een plek in een geboortegrond waar hij een taal heeft horen spreken en heeft leren tellen, (het tellen is het eerste automatische spreken), voor dat hij beseft hier thuis te zijn en een taal te spreken waarin de wereld op een wijze verwoord is waarin zijn denken thuis is. Pas later zal hij wanneer hij hoort van andere talen het verschil beseffen tussen de woorden, het denken en de dingen, tussen “Dit is een brood” en “Zij noemen dit ‘un pain'”.

De moderne mens is een vluchteling, een ontaarde mens. Om oorlog te voeren hoeft hij zijn huis niet uit. Hij stuurt een drone die zelf het vijandelijk doel zoekt. Zijn werken is niet aan een plek gebonden. Overal waar internet is kan hij informatie uitwisselen met de ander, met agenten, mensen of machines. Dit is de bodem die de moderne mens mist. Dit gemis, deze lege plek is de frustratie en de woede van Mohammed de ontheemde vluchteling uit Syrië die zegt; wat moet ik hier mee lopen in de tredmolen van elke dag terwijl daar in mijn eigen land mijn volk lijdt onder de oorlog, exportproduct van het rijke westen.

De causa sui idee heeft in de loop van de geschiedenis de strekking gekregen het wezen van de menselijke vrijheid, de autonome mens, uit te drukken. Maar een soortgelijke autonomie wordt aan de informatieverwerkende systemen toegekend. Dit wijst op het dubbelzinnige karakter van de causa sui idee. Iets kan wel bron zijn van zijn eigen activiteit, zijn eigen handelen, dat betekent nog niet dat het zijn eigen bestaan heeft veroorzaakt.

De creatie van de mogelijkheid wat dan ook te kunnen is iets anders dan over de mogelijkheid beschikken dit of dat te doen. De verwarring tussen deze twee, de identificatie van het logisch mogelijke en het feitelijk mogelijke, alsof het tegendeel van wat feitelijk zo is ook nog steeds mogelijk zou zijn, dat is een kenmerk van het moderne rekenende, mathematische denken. Leibniz dacht vanuit de God voor wie er geen ontologisch onderscheid bestaat tussen feitelijk mogelijk en logisch mogelijk. Wat feitelijk is is gegrond in de volstrekte willekeur van God. Hij heeft vanuit zijn goedheid besloten dat dit de beste keus is uit een veld van mogelijkheden. De God van Leibniz stelt dat het zo is en dan is het zo. Mathematischer kan een mens niet denken!

Is er een alternatief?

Heidegger zocht een alternatief voor het rekenende, mathematische denken dat ons in het atoomtijdperk en in de anonimiteit en subjectloosheid van de informatiecultuur heeft gebracht in de taal van de dichter. Hij haalt Goethe aan.

Hoe? Wanneer? Waar? – De Goden blijven stom! Houd je aan het wijl en vraag toch niet waarom?

In zijn Metafysica – van orde naar ontvankelijkheid, een boek dat mij opnieuw op het spoor zette van de Causa sui idee als draad door de geschiedenis van het mathematische denken, ziet Gert-Jan van der Heiden in de idee van de getuigenis de mogelijkheid de lege plek in het delen van informatie op te vullen. Je kunt niet werkelijk iemand iets meedelen zonder jezelf mee te delen. We moeten ontvankelijk zijn voor de gezichtspunten van anderen, gezichtspunten die geborgen zijn in hun geboortegrond, hun tijd en cultuur en bewaard worden in hun moedertaal.

Leibniz, Angelus Silesius, Heidegger, Wittgenstein, Goethe, Hollak en Van der Heiden, ze zijn allen getuigen van het zijn. “Getuigen is tenslotte de wijze waarop het denken zijn ervaringen bekend maakt en bewaart.” (van der Heiden, p. 313). We moeten ontvankelijk zijn voor het perspectief en de getuigenissen van de anderen. Niet denken dat we zelf de waarheid in pacht hebben. Getuigen kunnen valse verklaringen afleggen. Daarom moeten we ons in ons contact met de anderen niet beperken tot het aanhoren en uitspreken van getuigenissen. Uiteindelijk gaat het erom wat we in ons leven waar maken. Der Satz vom Grund, de roep die het beginsel van grond is, laat zich niet zo maar verstommen.

Bronnen

Rieks op den Akker (1979). Zelfapplicatie en zelfregulatie. Doctoraalverslag Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling Toegepaste Wiskunde, 1979.

Rieks op den Akker (1983). De zelfstandigheid van automaten en de semantiek van programmeertalen, Intern rapport Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen (ook als intern rapport verschenen bij de Onderafdeling der Informatica). Dit is een bewerking van mijn afstudeerverslag verschenen bij de onderafdeling Informatica van de TH Twente (1979).

Jorge-Soto Andrade, Sebastian Jaramillo-Riveri, C. Gutiérrez & J. Letelier (2011). “Ouroboros avatars: A mathematical exploration of self-reference and metabolic closure.” ECAL (2011).

Louk Fleischhacker (1976). Wijsbegeerte van het wiskundig denken. Syllabus van het collegejaar 1975/76. Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, 1976.

Louk Fleischhacker (1982). Over de grenzen van de kwantiteit. Proefschrift Universiteit van Amsterdam, 1982.

Louk Fleischhacker (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Luciano Floridi (2004), “Outline of a Theory of Strongly Semantic Information”, Minds and Machines, 14, pp. 197-222

Luciano Floridi (2007). In defence of the veridical nature of semantic information. EUJAP, Vol. 3, Nr.1, 2007.

Martin Heidegger (2009). Het beginsel grond. Bevat de colleges gegeven in Freiburg 55/56 en de lezing Der Satz vom Grund in de vertaling van Mark Wilschut. Boom/Amsterdam, 2009.

Gert-Jan van der Heiden (2021). Metafysica: van orde naar ontvankelijkheid. Boom uitgevers, Amsterdam, 2021.

Jan Hollak (1966) . Van Causa sui tot automatie. Inaugurele rede Nijmegen. Ook in Hollak en Platvoet (2010)

Jan Hollak en Wim Platvoet (red.) 2010. Denken als bestaan: Het werk van Jan Hollak. Uitgeverij DAMON, Budel, 2010.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.

Leave a Reply