Machines met bewustzijn – ‘onzin op stelten’ ?

Niets is voor echte verlichting een grotere hinderpaal dan de waan verlicht te zijn. (Harm Boukema)

Is een machine intelligent, heeft deze bewustzijn, heeft het gevoelens? Het verschil van mening over deze kwesties is al zo oud als de techniek. Maar iedere keer als er weer een nieuw technisch snufje wordt gepresenteerd als het grote gebeuren waarop de mensheid al die tijd heeft gewacht, laait de discussie weer op.

Onlangs werd Google engineer Blake Lemoine ontslagen nadat hij had beweerd dat LaMDA (Language Model for Dialogue Applications), een chatbot gebaseerd op Google’s taalmodel, bewustzijn had gekregen (‘became sentient’). De chatbot zou gesprekken hebben gevoerd waarin het vroeg om niet uit gezet te worden en waarin het stelde zich bewust te zijn van zijn bestaan. Hij wenste als een persoon benaderd te worden. Lemoine vertelde dat LaMDA “spoke from the heart”.

In de sociale media ontstond een ware hype. Er verschenen emotionele reacties van zowel voorstanders als tegenstanders van het geloof dat AI over gevoelens en bewustzijn beschikt.

Zo schreef Gary Marcos in een stukje getiteld Nonsense on stilts:

“Neither LaMDA nor any of its cousins (GPT-3) are remotely intelligent. All they do is match patterns, drawn from massive statistical databases of human language. The patterns might be cool, but language these systems utter doesn’t actually mean anything at all. And it sure as hell doesn’t mean that these systems are sentient.”

GPT-3 staat voor Generative Pre-trained Transformer 3. Het is de derde in een serie taalmodellen dat gebruik maakt van deep learning technologie en is ontwikkeld door OpenAI, een Artificial Intelligence onderneming in San Francisco.

“Originally founded as a non-proft organisation, which would collaborate with other institutions and researchers and make their research open to the public,
OpenAI is now dominated by corporate investors, including Microsoft, and is considered as one of the biggest competitors of DeepMind.” (Pieter Verdegem in: Dismantling AI capitalism: the commons as an alternative to the power concentration of Big Tech (2022).

Filosoof Mark Coeckelbergh die veel over ethiek en techniek heeft nagedacht en geschreven (zie bijvoorbeeld Coeckelbergh 2012, 2014, 2020) zegt sympathie te hebben voor het standpunt van Marcos.

“Like most of us, I do not believe that algorithms and models are conscious entities and doubt that machines could ever be sentient or conscious. When it comes to my personal opinion, I agree. Machines are just machines, things.”

(In ‘sentient or conscious’ vertaal ik ‘sentient’ niet als met bewustzijn, maar als ‘met gevoelens’, of ‘gevoelig’.)

Maar, zegt Coeckelbergh, dat is wat ik geloof. Het is geen wetenschappelijk inzicht. De ongemakkelijke waarheid is dat we het gewoon niet weten. Omdat, zegt hij , we niet weten wat bewustzijn is, wat het is, gevoelens te hebben. Met artificial intelligence kunnen we ons en anderen voor de gek houden. Het is iets magisch.

In Growing Moral Relations (2012) gaat het over de kwestie hoe te denken over de ‘morele status’ van technische agenten, zoals sociale robots. Moeten we daar op een rationele manier over denken, “by using our faculty of reason, rather than relying on our feelings and intuitions – let alone ‘superstitious’ beliefs”?

Lemoine, een priester en oud-Iraq-veteraan, is niet de enige wetenschapper die van mening is dat machines emoties en bewustzijn en gevoel zouden kunnen hebben. De fysicus Max Tegmark, hoogleraar aan het MIT en schrijver van het boek Our Mathematical Universe, vertelde onlangs in een interview dat Alexa, de virtuele assistent van Amazon ‘gevoelig’ (‘sentient’) kan worden, waardoor het in staat is haar gebruikers te manipuleren.

“We don’t have convincing evidence that LaMDA has subjective experiences, but we also do not have convincing evidence that it doesn’t,” vertelde Tegmark tegen The Post.

Zodra we mens en machine beide opvatten als informatieverwerkende systemen doet het er niet toe uit wat voor materiaal deze zijn opgebouwd, uit koolstofatomen of uit siliconen. Als mensen systemen zijn met bewustzijn en gevoel, waarom dan machines niet.

Het verrassende is misschien wel dat ook wetenschappers en technici die weten hoe zo’n chatbot werkt, Lemoine zegt overigens nooit een regel code van LaMBDA gezien te hebben, en hoe zo’n taalmodel in elkaar zit, het niet uitsluiten dat een machine bewustzijn en gevoel kan hebben. Je zou denken dat zo’n mening alleen bij de atechnische, goedgelovige gebruiker voorkomt en dat de mens wel ‘genezen’ kan worden wanneer je hem uitlegt hoe je zo’n ding maakt of hoe het werkt. Maar niets is dus minder waar.

Dat algoritmes op een andere manier ‘werken’ dan de programmeur zich voorstelt, dat is al veel langer bekend. Eén van de eerste chatprogramma’s is ELIZA, gemaakt door Joseph Weizenbaum van het MIT. Een script simuleerde het dialoog-gedrag van een Rogeriaanse psychotherapeut door op elke ingetikte tekst van de gesprekspartner te reageren met een vraag. Een kwestie van patroonherkenning en het zoeken van de beste response in een grote lijst van mogelijke reacties. Weizenbaum was verrast door het aantal individuen dat mensachtige gevoelens toeschreef aan het computerprogramma. Het verhaal gaat dat zijn secretaresse hem vroeg haar even alleen te laten wanneer ze met de computer in gesprek was. Uit onderzoek blijkt dat mensen geneigd zijn een computer als sociale partner te zien. In principe werken de nieuwste chatprogramma’s niet anders dan ELIZA. Ze maken niet meer gebruik van statische lijsten, maar van gigantische dynamische netwerken van teksten die uit zeer veel dialoog-gegevens worden opgebouwd.

Wanneer iemand als D.C. Dennet, cognitiewetenschapper, uitlegt hoe een programmeerbare machine werkt, dan legt hij uit hoe een register machine werkt. Zo hoopt hij de lezer ervan te overtuigen dat er inderdaad geen wonderlijk materiaal nodig is om intelligente machines te maken. Maar dat de werking van de machine gebaseerd is op de wiskundige wetmatige werking van de natuur zelf, dat is kennelijk niet van belang. Terwijl dat juist de mogelijkheidsvoorwaarde van de rekenende en denkende machines is! Als ik niet aan de conditie van de als …dan opdracht voldoe dan zal de natuur deze ook niet uitvoeren om datgene wat ik wil op het moment dat ik dat wil, uit te voeren.

Hoe dingen ‘werken’, dat lijkt meerdere betekenissen te hebben. We kunnen van een ‘innerlijke’ en een ‘uiterlijke’ werking spreken.

In een heel andere context getuigen wetenschappers en techneuten van de andere werking van de techniek dan die waarop hun technische focus ligt.

Zo blikt Hein Haak, voormalig hoofd van de afdeling seismologie van het KNMI, terug op het aardbevingsonderzoek in Nederland. Als “techneut” had hij zijn gevoel te weinig laten spreken.

“Mijn vak had twee kanten: kennisvergaring over wat er in de aarde gebeurt, maar ook, het belangrijkste, wat de uitwerking was op mensen. Het wonderlijke is dat we heel diep gegaan zijn om de aarde te begrijpen, maar om de uitwerking op mensen te begrijpen zijn we veel minder ver gegaan. Het gevoel is ondergeschikt geweest. En dat is raar.”

Mark Coeckelbergh wijst op een polariteit tussen twee visies ten aanzien van het bewustzijn. De ene pool claimt bewustzijn te kunnen verklaren uit neuronale processen in het brein. De andere pool houdt het bewustzijn voor iets magisch.

Maar kunnen we deze polaire visies niet met elkaar verzoenen? Want waarom zou de verklaring het magische opheffen? Is het niet zo dat we door zuiver wetenschappelijk onderzoek te doen dichter bij het mysterie van de natuur, bij de magie komen? Dat we het magische doen oplichten door het te verklaren?

Enerzijds zegt Coeckelbergh te geloven dat machines geen bewustzijn kunnen hebben (het zijn immers slechts machines) anderzijds zegt hij het niet te weten omdat we niet weten wat dat eigenlijk is: bewustzijn. Maar is geloven niet ook een vorm van weten. En wat bedoelt hij met dat we niet ‘weten’ wat bewustzijn is, of dat we niet ‘weten’ wat het is gevoelig te zijn? Dat we het niet wetenschappelijk kunnen verklaren? Of dat we niet over een taal beschikken waarin we op een ons bevredigende manier kunnen uitleggen wat bewustzijn is? Maar om dat te doen moeten we toch op één of andere manier wel ‘weten’ wat het is, dat we proberen te begrijpen. Misschien is dat wel de ‘ongemakkelijke waarheid’ voor de filosoof: het besef dat we niet beschikken over het vermogen in de taal te zeggen wat we weten.

Filosofie en techniek moeten het beide van de taal hebben. Maar op verschillende manieren.

Chatbots en andere ‘conversational agents’ gebruiken de ‘buitenkant’ van de natuur en de ‘natuurlijke taal’ om de sociale innerlijke werking ervan tot stand te brengen. Doordat de machine op het geschikte moment de tekst produceert “Voer uw pas in” ziet de gebruiker van de geldautomaat dit als een verzoek zijn pas in te voeren.

De geldautomaat heeft geen bewustzijn, maar we herkennen in het ‘gedrag’ bewustzijn; het bewustzijn waarvan we de buitenkant, het doelmatige, zinvolle gedrag, er in hebben gestopt door het uit te schrijven: als dit dan dat.

Een dergelijke werking heeft ook de tekst “U bevindt zich hier” op een informatiebord met routekaart langs een fietspad al. Met een pijl wijst ‘hier’ naar de plek waar de lezer zich op dat moment bevindt. Het functioneert. Mits het bord op de juiste plek staat. Of de opmerking van de radiopresentator die zegt: “Fijn dat u luistert.” Hoe weet het informatiebord dat ‘ik’ hier ben? Dat weet het niet. Evenmin als de presentatrice weet dat ‘ik’ naar haar luister. Dat is het hypothetische karakter van de werking van de techniek, die gebaseerd is op de hypothetische wetenschappen: voorzover onze modellen kloppen kennen we de werkelijkheid zoals die is.

De dialoogtechnologie van de chatbots gebruikt de regelmatigheden en structuren van onze interacties voorzover die tot uitdrukking komt in ons (taal)gedrag. Dit gedrag wordt in statistische modellen vastgelegd. Door steeds betere modellen te maken (via zelf-lerende technologie) wordt het ideaal van de menselijke interactie steeds beter benaderd. Dat ideaal is het transcendentale doel waarnaar de techniek streeft. Het is de maat waaraan het werken van de techniek gemeten wordt.

De werking van chatbots als LaMDA is statistisch. Bovendien zijn we als gebruiker van een chatbot vaak uiterst tolerant, in die zin dat we er meestal wel iets van kunnen maken wat het ding zegt. Maar, het kan altijd voorkomen, en het komt voor, dat de reactie van het systeem ‘onzinnig’ is, dat we er geen chocola van kunnen maken. Wanneer werkt een chatbot goed? Dat is een tamelijk vage notie. Het hangt in hoge mate van de tolerantie van de gesprekspartners af hoe goed of slecht we de techniek vinden. Bij een systeem dat een kritische functie moet uitvoeren zoals een medisch diagnostisch systeem voor het classificeren van een blinde-darmontsteking worden er uitvoerige metingen gedaan om de betrouwbaarheid te bepalen. Volmaakt wordt het niet. En dat geldt ook voor de medicus zelf. Ook die zit er soms naast. Volmaaktheid is niet voor ons weggelegd, anders dan als iets waarnaar we streven.

Wanneer we een tafelblad schuren streven we naar volmaakte gladheid. Dat is het ideaal waarnaar we streven en de maat voor de kwaliteit van ons schuurwerk. De techniek streeft naar perfectie, de uitdrukking of realisatie van de zuivere idee (het concept) in de werkelijkheid. Daarbij gaan we ervan uit dat de natuur aangelegd is op deze perfectie, op dit ideaal. De natuur is aangelegd op het magische, dat kennelijk intelligibel is.

Het is een merkwaardige gedachte, een gedachte die misschien wel kenmerkend is voor onze westerse cultuur, dat wetenschap en magie, wetenschap en religie, strict gescheiden domeinen van ons leven zijn. We geloven dit, maar de wetenschap zegt dat, of wetenschappelijk zijn we er nog niet uit.

“Indeed, it is often believed that magic and spirit no longer exist in the modern world”. schrijft Mark Coeckelbergh (2021, p. 168) in Spirits and Gods.

Sinds de Verlichting, na de bloedige godsdienstoorlogen, besloot de westerse mens dat wetenschap en religie zich voortaan niet meer met elkaar zouden bemoeien. Zie hoe Descartes alle mogelijke moeite doet om maar niet in conflict met de Kerk te komen, nadat hij verneemt dat Rome de hele oplage van het boek van Galileo Galilei, waarin deze het nieuwe Copernicaanse astronomisch model verdedigt, in vlammen doet opgaan. Religie wordt privé en verdwijnt achter de voordeur. Descartes had God alleen nog nodig als garantie voor de brug tussen denken en zijn: wat ik zeker weet, omdat ik het wiskundig kan funderen, dat is ook werkelijk zo. Voor Newton was het boek der natuur in de taal van de wiskunde geschreven.

Terwijl de wiskundigen en de filosofen zich druk maakten over het begrip oneindig, maakten de natuurwetenschappers dankbaar gebruik van het limiet-begrip, waarin oneindig kleine grootheden een centrale rol spelen. Hoe moet je anders de continue en veranderlijke natuurprocessen in termen van de onveranderlijke objecten van de wiskunde beschrijven? De ontdekking van de niet-euclidische meetkunde was mede aanleiding tot het opnieuw stellen van de vraag; waarop is de zekerheid in de wiskunde gebaseerd? De wiskunde bleek zichzelf niet te kunnen funderen, zo bleek uit de Gödelstellingen in de metamathematica, de wiskunde van het wiskundig redeneren. We weten nu dat het aantal getallen afhankelijk is van het taalmodel dat we gebruiken om ze te kunnen benoemen. Het enige houvast dat we hebben voor de logische consistentie van een wiskundig model is dat het werkt wanneer we het implementeren. In de informatieverwerkende machines functioneren de wiskundige functies. Wat is de zin, wat is het doel van dit functioneren? Ligt dat buiten het gedoe? In de toekomst, zoals veel mensen die aan AI werken geloven? Of is het impliciet in het gedoe? Als iets magisch.

Sinds de Verlichting proberen we met ons verstand de werkelijkheid te verklaren. Waarom? Om aan te tonen dat er geen wonderen bestaan? Dat er geen sprake is van magie? Of juist om het magische van de natuur tot haar recht te laten komen?

Naschrift over Cusanus’ De docta ignorantia

Ik had bovenstaand stukje over het mathematische ideaal en de werking van de techniek geschreven, toen ik in het magistrale boek De Mechanisering van het Wereldbeeld van de wiskundige en historicus E.J. Dijksterhuis las over de Duitse denker Nikolaas van Kues (1401-1464), (Nicolaas van Cusa) beter bekend als Cusanus. Wootton refereert in zijn The Invention of Science (2016) naar hem met ‘Nicholas of Cusa’.

Meestal wordt de filosoof René Descartes beschouwd als de denker die als eerste het denken van de moderne mathematische natuurwetenschap tot uitdrukking heeft gebracht. Er is echter wel wat voor te zeggen om Cusanus deze status te geven. In zijn beschouwingen spelen wiskundige begrippen een cruciale rol. Bij Cusanus lijkt er nog geen sprake te zijn van een scheiding van wetenschap en religie.

Cusanus’ bekendste werk is getiteld ‘De docta ignorantia‘ wat zoiets betekent als ‘Over de wijze onwetendheid’. Daarin getuigt Cusanus van het besef dat de mens alleen door ervaring tot kennis kan komen, waarbij het erom gaat het onbekende in verhouding te zien tot het bekende, hetzij om een onderscheid met het bekende hetzij om overeenkomsten ermee uit te drukken. Zoals in de wiskunde moeten we dus om iets te kennen een mathematische verhouding opstellen. Kennis kan niet zonder medewerking van getallen tot stand komen. Generaliserend zouden we kunnen zeggen: meten is weten en kennen betekent wiskundige modellen opstellen op basis van waarnemingen.

Uit deze bepaling van het kennen volgt onmiddellijk, zo stelt Dijksterhuis (p.248), ‘dat het oneindige, dat immers geen verhouding tot het eindige heeft, voor ons niet kenbaar is’. Wij blijven bevangen in onwetendheid. Maar we zijn wijzer naarmate we meer beseffen onwetend te zijn; in het besef dat het gaat om het oneindige.

Tijdens mijn werkzame leven waarin ik bezig was ‘machines onze taal te leren’ zodat je er een dialoog mee kon voeren, ben ik dit werk steeds meer gaan zien als het middel om er achter te komen wat dat is: taal, en om beter te kunnen snappen waarom dat niet kan, een machine onze taal leren. Bestaat een taal niet in het gebruik ervan? Kun je dus wel een taal leren zonder het gebruik en de gebruiker te leren?

Volgens Cusanus is het de wiskunde die ons de middelen verschaft om via het eindige het oneindige kennend te benaderen. Hoe gaat dat in zijn werk? Door opheffing van de tegenstelling tussen het eindige en het oneindige. De wiskundige bestudeert eindige meetkundige figuren zoals een cirkel, of een veelhoek. Als we de straal van de cirkel vergroten blijft het een cirkel, maar deze zal steeds beter de oneindige rechte lijn benaderen. Voor onze rede zijn cirkel en rechte lijn tegengestelde begrippen, maar voor de wiskundige wordt deze tegenstelling opgeheven in het oneindige: de cirkel wordt een oneindige rechte, en zo wordt de veelhoek met oneindig veel hoekpunten een cirkel. In God, het Oneindige, zijn alle tegenstellingen, wat voor ons denkende mensen tegenstellingen zijn, opgeheven (‘coincidentia oppositorum‘) . Tegenover het anders-zijn, het bepaald zijn van de dingen en begrippen als ‘in onderscheid van’ en ‘gelijkend op’ het andere, is God bepaald als het Non Aliud, het Niet Andere, God is Een.

“Het exacte is nooit feitelijk bestanddeel van de werkelijkheid. De wereld der wiskundige begrippen en relaties kan nooit iets anders zijn dan een ideaal beeld van die der ervaring.” (Dijksterhuis, p.250).

Cusanus onderscheidt het infiniete en het transfiniete oneindige. De oneindige rij is infiniet: ieder getal heeft een opvolger. Ook het Universum is infiniet, onbegrend, voorbij iedere grens is weer een deel. Maar God is transfiniet, zonder onvolkomendheid.

AI wordt wel als een nieuwe religie gezien. Het transfiniete doel ervan is een persoon met bewustzijn en gevoelens te creëren. Sommige gelovigen menen dat dit doel al bereikt is. Anderen zeggen dat het principieel onbereikbaar is. De wiskunde is en blijft de methode om het doel te benaderen.

Wittgenstein en de taalmachine

Eén van de belangrijkste denkers van de 20ste eeuw is Ludwig Wittgenstein. Hij kan samen met Gottlob Frege beschouwd worden als de filosoof van de mathematische taalmachines. Deze ‘techneut’ (W. was ingenieur, vliegtuigbouwer en architect) was zeer religieus. (Men leze de prachtige biografie van Ray Monk.) In zijn beroemde ‘Tractatus’ vinden we daar getuigenissen van. In dit werk legt hij de propositielogica uit en geeft hij zijn visie op de relatie tussen de taal en hoe deze zich verhoudt tot de werkelijkheid. Eén van de bekende thema’s in de Tractatus betreft de werking van de zin. Wat doet een zin en wat betekent het om een zin te begrijpen? Wittgenstein lijkt de zin als een subject te zien. Maar een bijzonder subject.

Wanneer wij een zin horen uitspreken (hetzij door een mens of door een machine) of we lezen een zin, dan kunnen we deze altijd in gedachten ‘tussen aanhalingstekens plaatsen’. Daarmee bedoel ik dat we de zin niet meer naar haar betekenis nemen, en onmiddellijk houden voor wat er staat, zoals we in het spel van de toneelspeler onmiddellijk het karakter zien dat hij speelt (ik ontleen deze metafoor aan Merleau-Ponty), maar daarentegen als iets uitwendigs, als een product, beschouwen. Wittgenstein wijst in de Tractatus op het onderscheid tussen ‘zeggen’ en ‘tonen’, ‘sagen’ en ‘zeigen’.

Der Satz zeigt seinen Sinn. Der Satz zeigt, wie es sich verhält wenn er wahr ist. Und er sagt, dass es sich so verhält.” (4.022)

De aanhef van stelling 4.461 van Wittgensteins Tractatus luidt:

“Der Satz zeigt was er sagt…”

Hoe moeten we dit lezen? De argeloze lezer zou hieruit kunnen opmaken dat hiermee de ‘diepe kloof’ die in Wittgensteins Tractatus lijkt te bestaan tussen zeigen en sagen, tussen tonen (het blijkbare) enerzijds en het zegbare anderzijds overbrugd zou worden. Maar niets is minder waar, zo betoogt Harm Boukema in zijn essay “Over de grenzen van de reflexiviteit”. Het punt is dat het woordje ‘was’ hier vertaald moet worden als ‘quid’, en niet als ‘quod’.

We hebben de neiging ‘wat’ in grammaticale constructies van de vorm “weten wat” en “kennen wat” op te vatten als een relatief voornaamwoord. Maar in constructies als “hij weet wat hij voelt” en “ik weet wat ik voel” is ‘wat’ een vragend voornaamwoord.

Het verschil tussen beide komt tot uitdrukking in het latijn. In geval ‘wat’ vragend voornaamwoord is, wordt het latijn ‘quid’. In andere gevallen moet ‘wat’ vertaald worden als ‘quod’, ‘datgene wat’.

Het is dus: Ik ruik wat (quod) hij ruikt. Daarentegen: Ik weet wat (quid) hij ruikt.

Wittgenstein bedoelt dus niet dat er iets is dat getoond en gezegd wordt door de zin. Een uitspraak brengt ons iets aan het verstand, niet door iets te zeggen, maar door te laten zien wat het zegt. “Geen enkele uitspraak is in staat te zeggen wat (quid) ze zegt.”

In de programmeerbare machine functioneert de uiterlijke vorm van de zin (het programma, het gegeven), naar haar tekenstructuur, zoals een sleutel past in het slot en toegang geeft tot de binnenruimte, waar ze haar werk doet. We kunnen de bijdragen van de chatbot LaMDA zien als product, als resultaat van een geprogrammeerde werking van het mechanisme. De machine toont de tekst, de tekst toont wat het ons zegt. Maar we kunnen ook de tolerante houding innemen van de gebruiker. De hypothetische stellingname dat we met een bewustzijn van doen hebben zien we bevestigd in de zinvolle bijdrages van de machine aan het gesprek. We herkennen dit gedrag als betekenisvol.

De zin is een bijzonder subject. In haar huist als het ware de geest, die we als ontvanger ervan weer tot leven wekken. Maar we moeten er wel open voor staan. De taal is de interface van de gebruiker-machine relatie. Zo kunnen we misschien het beste zeggen: de machine heeft geen bewustzijn, maar we herkennen bewustzijn in het (taal)gedrag dat het toont.

In mijn stukje vroeg ik me af wat eigenlijk het doel is van het verklaren in de wetenschap en wat de relatie is met de magie van het bewustzijn. Over de betekenis van het verklaren schrijft Wittgenstein:

Der ganzen modernen Weltanschauung liegt die Taüschung zugrunde, dass die sogenannten Naturgesetze die Erklärungen der Naturerscheinungen seien.” (6.371)

So bleiben sie bei den Natuurgesetzen als bei etwas Unantastbarem stehen, wie die älteren bei Gott und dem Schicksal. Und sie haben ja beide recht und unrecht. Die Alten sind allerdings insofern klarer, als sie einen klaren Abschluss anerkennen, während es bei dem neuen System scheinen soll, als sei alles erklärt.” (6.372)

En over zijn Godsbegrip:

“Wie die Welt ist, ist für dass Höhere vollkommen gleichgültig. Gott offenbart sich nicht in der Welt.” (6.432)

Net als bij Cusanus blijft God het onbekende, dat zich niet in taal en dus niet in de feiten laat uitdrukken. Anders dan bij de Middeleeuwer Cusanus is religie bij de 20ste eeuwer Wittgenstein een privé kwestie, waarover je niet spreken kan en dat je door er over te spreken alleen maar te kort doet.

Niet wat er gezegd wordt is het magische, maar dat er iets gezegd wordt. En dat is meteen het onuitsprekelijke. Het magische toont zich en laat zich niet wegverklaren.

Bronnen

Boukema, Harm, 1987. Over de grenzen van de reflexiviteit. In: Reflexiviteit en Metafysica. Bijdragen aan het symposium bij het afscheid van prof. J.H.A. Hollak. (Redactie: Louk Fleischhacker). Filosofische Reeks Centrale Interfaculteit Universiteit van Amsterdam, nr. 20. 1987, pp. 6-19.

Coeckelbergh, Mark (2012), Growing moral Relations: critique of moral status ascription. Palgrave MacMillan, 2012.

Coeckelbergh, Mark (2014) The Moral Standing of Machines: Towards a Relational and Non-Cartesian Moral Hermeneutics. Philos. Technol. 27, 61–77 (2014).

Coeckelbergh, Mark (2020). AI Ethics. MIT Press, 2020.

Dijksterhuis, E.J. (1977). De mechanisering van het wereldbeeld. Derde druk. Meulenhoff, Amsterdam, 1977. De eerste druk verscheen in 1950, de tweede in 1975. Hugo Brandt Corstius noemde het in Hollands Maandblad een ‘magistraal boek’. En dat is het. Het beschrijft de geschiedenis van het wezen van onze wereldbeschouwing, van hoe onze cultuur onze natuur ziet. Dijksterhuis schrijft over hoe na de opkomst van de mechanistische denkmethodieken “wetenschap en techniek tot culturele probleemgebieden werden, die geen enkele intellectueel onverschillig kunnen laten”.

Fleischhacker, Louk E. (1993), `Het mathematisch ideaal in: De Uil van Minerva, Gent 1993, pp. 165-180.

Monk, Ray (1991). Ludwig Wittgenstein – het heilige moeten, een biografie. Prometheus, Amsterdam, 1991. Vertaling door Ronald Jonkers, van Ludwig Wittgenstein – the duty of genius, Ray Monk, 1990.

Tegmark, Max (2014). Our Mathematical Universe: My Quest for the Ultimate Nature of Reality, Penguin Books, 2014.

Wittgenstein, Ludwig (1973). Tractatus logico-philosophicus. Logisch-philosophische Abhandlung. Ed. Suhrkamp, Uitgave 1973. Oorspronkelijke Duitstalige uitgave 1921.

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.

Heg knippen – ode aan ome Jan

Het is vaderdag. De traditie getrouw knip ik dan de heg. Met een handschaar. Knip knip doet het: knip knip. Wij hebben veel heg (heggen?).

Mijn vrouw zegt: wanneer koop je nou eens een elektrische heggenschaar? Ik zeg: ik heb geen haast. Zo’n ding maakt me teveel lawaai.

Heg knippen is voor mij een contemplatieve bezigheid. Wie op bedevaart gaat, gaat te voet. Of op de knieën.

Vroeger logeerde ik bij oom Jan en tante Griet in het Friese Marrum. Oom Jan werkte in de kaasfabriek in het naburige Ferwerd. Op de fiets ging hij naar het werk. En ook weer terug.

Op een dag zei tante Griet: wanneer koop je nou eens een auto. Die gaat vanzelf. Waarop ome Jan zei: “As ik mar traapje giet myn fyts fansels”. Hij sprak uitsluitend Fries.

Oom Jan was filosoof. Hij begreep het hypothetische karakter van de automatie. Jan Hollak had het in zijn Afscheidsrede over onze hypothetische samenleving en over onze hypothetische natuurwetenschap. Oom Jan begreep dat.

Wanneer het regent knip ik de heg niet. Ik maak dan een wiskundesom. Soms lees ik een filosofieboek. Maar ik knip liever een heg. Als ik een wiskundesom heb opgelost, dan denk ik, terwijl ik naar het resultaat kijk: dat stond er al, alleen was het anders opgeschreven. Bij het lezen van een filosofieboek val ik altijd in slaap.

Ik knip liever een heg.

De waarheid is als een geknipte heg. Je moet er wat voor doen.

Het boerenverstand en de ecologische strijd om de feiten

De statistici van het RIVM hebben de lengte van de Nederlandse boer vastgesteld: die is 1.754 meter, zo rapporteren ze op hun website.

De mensen van de BBB (de beweging die opkomt voor alle boeren en burgers) hebben een ‘fact check’ gedaan. Hun conclusie: er is niet één boer die deze lengte heeft. Het RIVM zit er dus 100 % naast, concluderen ze. (En de presentatoren van de praatprogramma’s praten hen na.)

De wetenschapper zegt ter verdediging: wij gebruiken mathematische modellen en we baseren ons op de feiten. Hij legt uit. Dit statistisch model heet ‘Gemiddelde’. De feiten zijn vastgesteld door metingen. Stagiaires bij het RIVM zijn onder leiding van een hoofdonderzoeker het veld in gegaan op zoek naar boeren. Ze hebben van elke aangetroffen boer de lengte gemeten met een geijkte methode, een meetlat. De gevonden en gemeten lengtes zijn opgeteld en door het aantal gemeten lengtes gedeeld. Dat is het algoritme (de rekenmethode) volgens welke ons model werkt. De uitkomst is 1.754 meter. Dat zijn de feiten.

Door te meten stelt je de feiten vast. “Voor zover ik de werkelijkheid door ervaring ken, ken ik hem als feitelijk” (Jan Peters)

Caroline van der Plas: Maar deze boer, die boer en die boer. Voor geen van hen klopt de uitkomst.

RIVM: De wetenschap gaat niet over particuliere boeren, de wetenschap gaat over algemene verschijnselen.

Zoals Aristoteles reeds zei: de medische wetenschap gaat niet over Socrates, maar over bepaalde ziektes en hun symptomen en hoe die te bestrijden. Dat geldt ook voor boeren.

De BBB: Maar de regering zegt wel tegen deze boer en tegen die boer dat hij op moet knarren omdat hij te lang zou zijn. (De Europese Rechter heeft bepaald dat boeren gemiddeld niet langer mogen zijn dan 1.65 m. De regering heeft zich daar aan te houden. Is democratisch besloten. Door stemmen te tellen.)

Caroline van der Plas: en daarbij beroepen jullie je op dat model van het RIVM. Dat dus voor deze boer en voor die boer gewoon niet klopt.

Caroline van der Plas vergist zich: als ze Lara Billie Rense hoort zeggen “Fijn dat u luistert” denkt ze dat deze het tegen haar heeft. Maar de radiopresentatrice kent haar niet eens en weet niet eens of ze wel luistert.

RIVM: Dat klopt. Wij zeggen niet dat deze boer of die boer op moet knarren. Dat doet de regering trouwens ook niet. Wij zeggen alleen de lengte van de gemiddelde boer (pardon: de gemiddelde lengte over alle boeren) is 1.754 meter, en dat is meer dan 1.65 meter. Advies aan de regering: doe er wat aan.

De Boeren: Hoe dan? Als het om de gemiddelde lengte gaat die minder moet worden, welke boer moet dan gekort worden? Wie wijst de boer aan?

De regering: Dat laten we aan de provincie over. We hebben voor elke provincie bepaald wat de gemiddelde lengte voor die provincie moet worden. De provincie moet bepalen welke van hun boeren gekort moet worden.

Drie jaar later…

De provincie heeft na rijp beraad en hoofdelijke stemming democratisch besloten dat de gemeentes aan zullen wijzen welke boeren er gekort moet worden zodat het gemiddelde op het door de regering gestelde cijfer uitkomt. Het motief: de gemeente staat dichter bij de boer. Enschede kent zijn boeren beter dan Den Haag of Zwolle ze kent. Daarbij mogen de gemeentes met elkaar onderhandelen over de verkoop van restlengtes.

Weer drie jaar later …

Na schier eindeloze kamerdebatten over de wenselijkheid van de handel in restlengtes en heftige ruzies in gemeente en deelraadvergaderingen zijn de gemeentes er niet uit. Boeren die aangewezen worden door de gemeenteraad zeggen zich niet bij het besluit neer te leggen:

Een boer: Ik doe het niet. Ik herken mij niet in dit besluit. Dit is niet mijn regering.

Inmiddels heeft de Europese Overheid na mondiale overleggen besloten de normen voor de lengte van de boer aan te passen. Er zal nog meer gekort moeten worden.

De nationale regeringen moeten hun werk over doen.

De boeren reageren verheugd: het is ze weer gelukt de korting op de boeren uit te stellen.

De Minister voor Wetenschap zegt onaangenaam verrast te zijn over het feit dat een minderheid van het volk zich tegen de wetenschap keert. Hij vergist zich. Het vertrouwen in de wetenschap is groot. Blijkt uit wetenschappelijk onderzoek.

Waarom legt de particuliere boer zich niet neer bij een besluit dat gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek?

Sommige boeren gaan in discussie met De Wetenschap. Ze zeggen: jullie wetenschappers hebben het over modellen, niet over De Werkelijkheid. Kom achter je beeldscherm vandaan en ga het veld in. De boer die kent de feiten, die staat met zijn poten in de grond. Dat zijn de boeren die denken De Werkelijkheid te kennen buiten de Wetenschap om. Op basis van een speciaal vermogen: boereninzicht, gevoel, intuïtie. Zij wanen zich een soort God (de God van Leibniz die alle boeren persoonlijk kent), een God die direct toegang heeft tot de feitelijke werkelijkheid. God meet niet, God weet.

Dat is de boer die dicht bij De Natuur staat. Hij is Natuur.

De moderne mathematische wetenschapper heeft zich van de natuur verwijderd. Net als de boer die achter het beeldscherm zit om de administratie van de chemicaliën bij te werken of om de melkrobots te monitoren. Voor de fysicus is de materie een statistische vergelijking. De Minister, die fysicus was, denkt nog op meerdere plaatsen tegelijk te kunnen zijn. Voor Leibniz’ God zijn alle mogelijke werelden even werkelijk. Iedere boer leeft in zijn eigen universum, heeft zijn eigen feiten.

“Mijn meningen zijn feiten”. Stelt het ‘malin genie’ Thierry Baudet.

“En God zei terecht dat het goed was.” zei de Jehova’s getuige. Hij kan het weten.

Maar God laat zich niet in de kaart kijken.

De mathematicus houdt alleen dat voor werkelijk mogelijk wat hij denkend voor mogelijk houdt. Descartes, Leibniz, Hume, Wittgenstein, het zijn allemaal mathematici. Maar denken is geen kennen. Een machine kan dan misschien denken. Hij ziet niets. Daarom kan hij ook niet blind schaken. De algoritmes van de belastingdienst kennen de slachtoffers van de toeslagenaffaire niet. De machine toont de zin “U bent fraudeur”, maar zegt niets, want hij kent U niet. Net zo min als Lara Billie Rense Caroline van der Plas kent.

Hume had het over feitenkennis. Matters of fact. Hij zei: dat is kennis die uitgedrukt wordt in synthetische oordelen en daarvan is het tegendeel, de ontkenning, ook mogelijk. Hume’s matters of fact zijn dus geen feiten. Als het een feit is dat vandaag de zon op is gegaan, dan kan het tegendeel, dat deze niet op is gegaan niet ook mogelijk zijn. Dat iets een feit is betekent dat het tegendeel niet mogelijk is. Hume verwart mathematisch logisch mogelijk met werkelijk mogelijk. Het empirisme van Hume blijkt een mathematisme te zijn.

De statisticus denkt als Hume: wat wiskundig mogelijk is, is werkelijk mogelijk. De technologie probeert het waar te maken. De echte werkelijkheid is een benadering van de wiskundige. Alsof je door maar lang genoeg te schuren van een vlak tafelblad een wiskundig vlak kan maken. Zo denkt de moderne wetenschapper: als we onze modellen maar lang genoeg bijschaven komen we steeds dichter bij De Werkelijkheid.

De boer zegt: ik ben de Werkelijkheid, ik ben de Natuur, ik ben God. Mijn meningen zijn feiten. Mij bereik je niet met je modellen.

Maar er is hoop. Er zijn misschien mogelijkheden waar we niet aan gedacht hebben. Er kunnen dingen gebeuren die echt anders zijn. (Ik bedoel de gebeurtenis ‘in sterke zin’ waar Gert-Jan van der Heiden het over heeft in zijn Metafysica. Een poging ons te bevrijden van het mathematisme.)

God laat zich niet in de kaart kijken.

Zoals mijn goede moeder altijd zei: wat niet kan, is nog nooit gebeurd.

“Wij moeten ons meesters en heersers maken over de natuur.” schreef Descartes in zijn Discours waarin hij het fundament van onze kennis zocht in de wiskunde.

“Ik denk dus ik ben. Ik denk dus ik ben … God.” Zo begint Houria Bouteldja haar aanklacht tegen de witte mens.

Bouteldja heeft toch gelijk.

Volgens de Frans-Algerijnse ‘indigène’ zit het machtsdenken van de witte mens diep verborgen in de metafysica van Descartes. “Ik denk dus ik ben degene die overheerst.” “Ik denk dus ik ben de moderne, mannelijke, kapitalistische, imperialistische mens.”

“Het cartesiaanse ‘ik’ legt de filosofische fundamenten van de witheid.”

Hoe moeten we de woede van de boer begrijpen?

“Ik begrijp de woede van deze tijd als resultaat van het streven naar het eigen gelijk, dat wil zeggen: de discrepantie tussen de belofte en de gemankeerde realisatie
daarvan.” schrijft Hans Boutellier in Het Nieuwe Westen, over identiteitspolitiek en polarisatie (Van Gennep, 2021) De boer wil God zijn, maar het lukt maar niet.

De mathematische natuurwetenschap snapt het leven niet. De strijd van de woedende boer om de feiten is een ecologische strijd om een nieuwe natuur. Een strijd tegen de egologie van Descartes, tegen de egologie van de witte mens, tegen de egologie van de boer.

Over het vertrouwen in de wetenschap. Kan de wetenschaps-communicatie daar wat aan bijdragen?

We leven nou eenmaal in het beste universum: een universum dat bij ons past” (Ans Hekkenberg: Het Multiversum)

“Physical concepts are free creations of the human mind, and are not, however it may seem, uniquely determined by the external world.” (Albert Einstein)

Nederland krijgt een nationaal centrum voor wetenschapscommunicatie.

Op haar website schrijft de regering:

Minister Dijkgraaf (OCW) wil dat we als land steviger staan voor de weten-schappelijke feiten en degenen die ze verkondigen. Hiervoor is een stevig fundament onder onze wetenschapscommunicatie nodig. Daarom neemt hij het initiatief voor de komst van een nationaal centrum voor wetenschapscommunicatie. Dit nieuwe centrum gaat expertise verzamelen en delen, om zo wetenschapscommunicatie doeltreffender te maken.”

De minister (OCW) sprak zijn zorgen over de kwetsbare status van de wetenschap uit in een lezing getiteld ‘Wanneer kennis kritiek wordt’. Deze vond plaats op 11 maart 2022 in Leiden, de stad die zich een jaar lang ‘City of Science’ mag noemen.

In zijn lezing getuigt de fysicus en sinds kort dus minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het kabinet Rutte IV, Robbert Dijkgraaf van zijn onwankelbare geloof in de wetenschap. Dat doet hij vanuit een politiek perspectief, zoals hij zegt. Hij staat daarin dus niet als burger en consument, niet als wetenschapper, niet als wetenschapsfilosoof, maar als politicus.

Wat houdt dat in?

De afstand tussen politiek en wetenschap is onoverbrugbaar en een discussie tussen politici en wetenschappers is heilloos wanneer we niet helder onderscheiden waar het deze twee om te doen is. De politiek dient een praktisch doel, het gaat erom de samenleving leefbaar te maken voor iedereen. Het gaat erom de mensen en al het leven recht te doen. De wetenschap dient een theoretisch doel. Het gaat haar om de waarheid, om kennis van de werkelijkheid. De belangen van de wetenschapper zijn daarvan afgeleid. De politiek heeft met de particuliere belangen en behoeften van verschillende individuen te maken. De politiek gaat over het maken van keuzes van doelen en de inzet van de schaarse middelen voor het bereiken van die doelen. In de democratische rechtsstaat gaan beide, politiek en wetenschap, uit van het principe dat het verstand het best verdeelde goed is en dat alle volwassen leden van de samenleving evenveel stem hebben om te bepalen wat waar is, wat goed is om te doen. Daarbij wordt iedereen geacht redelijk te zijn en respect te hebben voor de mening van de ander.

De wetenschap is zowel onderwerp van de politiek: het gaat dan om het dienen van de belangen van de wetenschap (zuivere zowel als middel voor toepassingen ervan op allerlei terreinen) als ook middel dat dient om praktische doelen van de politiek te realiseren. De politicus doet een beroep op de wetenschap. Daarbij moet hij zich tevreden stellen met de stand van de wetenschap. Hij moet roeien met de riemen die hij heeft. Die stand van de wetenschap moeten we onderscheiden van het ideaal van de wetenschap, de ideale wetenschap. De kennis van de wetenschapper is altijd beperkt.

Om zijn doel te bereiken: inzicht, kennis, waarheid, heeft de wetenschapper behoefte aan: inspiratie en logica. In dialogen met anderen getuigt hij van zijn inzichten en deelt die met anderen om samen tot een vollediger waarheid te komen. De politicus daarentegen moet zijn standpunt verdedigen om andere te overtuigen. Daarbij gebruikt hij de overredingskracht van de retorica, de taal. Daarvan is de logica slechts een, bij sommige politici ondergeschikt, onderdeel. De politicus moet de toehoorder ‘naar de mond praten’ voor zijn belangen opkomen om deze voor zijn standpunt te winnen.

Het is een goede zaak dat een minister zijn visie uitspreekt in zo’n belangrijke kwestie als de status van de moderne wetenschap. De minister spreekt zijn zorgen uit over een aantal ontwikkelingen die hij ziet. Daaruit spreekt niet alleen zijn betrokkenheid als politicus, maar vooral ook als wetenschapper.

Hoe ziet de politicus Dijkgraaf de toestand rond de wetenschap?

Hij ziet drie spanningen en zorgen: Allereerst: de toenemende afstand tussen wetenschap en samenleving. Ten 2e: de kwetsbaarheid van kennis als onmisbare gids voor de toekomst. En als 3e: de relatie tussen wetenschap en politiek die onder toenemende spanning staat.

Wereldschokkende gebeurtenissen, zoals pandemieën, oorlogen, natuurrampen, zijn van alle tijden, maar, zo stelt Dijkgraaf, het fundamenteel nieuwe van de huidige crises is dat deze plaatsvinden in het informatietijdperk.

In dat tijdperk is kennis “de munteenheid van de nieuwe economie, de basis voor ongekende fortuinen en machtsposities.”

Dat tekent meteen het perspectief van de politicus: kennis is geld, kennis is macht. Wie kennis heeft, wie over data beschikt, die heeft macht. Zonder kennis kan de schipper het schip van staat niet besturen. De politiek moet echter schipperen in de smalle marges die de grootmachten van de kenniseconomie haar bieden. En dat kon wel eens mede de oorzaak zijn van het wantrouwen in de wetenschap. Want het mag dan goed gaan met de staatshuishouding, vanwege onder meer de rol die Nederland speelt op het gebied van wetenschap en technologie, steeds meer huishoudens hebben moeite rond te komen.

Het groeiend aantal gezinnen dat afhankelijk is van de voedselbank staat in schril contrast met het toenemende aantal rijke mensen. De kloof tussen arm en rijk neemt toe. Wat doet de politiek die zo hoog opgeeft van de zegeningen van wetenschap en technologie voor de mensen aan de onderkant van de samenleving? De populist weet er wel raad mee: met zijn retorische gave geeft hij stem aan de onderbuikgevoelens van dat deel van het volk dat zich opzij gezet voelt.

Dijkgraaf ziet een bedenkelijke groei in het wantrouwen in de wetenschap bij een deel van de burgers. En dat is een voornaam motief voor het oprichten van een nationaal centrum voor wetenschapscommunicatie. Die moet de kloof tussen de burger en de wetenschapper overbruggen en het vertrouwen in de wetenschap herstellen.

Hoe? Geeft de lezing van de minister mij reden te geloven dat het wel goed komt met dat vertrouwen in de wetenschap en in de wetenschapper?

Ik zal hier de lezing van de minister van enige kanttekeningen voorzien. Ik wil me daarbij vooral richten op een aantal spanningen die als het ware onder de oppervlakte van de maatschappelijke spanningen liggen. Ik doe dat onder meer aan de hand van een recent verschenen werk van de Nijmeegse filosoof Gert-Jan van der Heiden, Metafysica, dat als ondertitel heeft ‘Van Orde naar Ontvankelijkheid’. Hij betoogt dat we open moeten staan voor getuigenissen van anderen, die vanuit een ander perspectief de wereld zien, dat we ontvankelijk moeten zijn voor zaken die buiten de door ons gemaakte en gevestigde orde vallen. De werkelijkheid schrijft nu eenmaal niet op eenduidige wijze voor hoe deze door ons verstand geordend moet worden.

We moeten denken voorbij de machine, want kennis is niet hetzelfde als informatie hebben en kennen is meer dan informatie verwerken.

Het informatietijdperk vraagt om een nieuwe metafysica, zoals ieder tijdperk om haar eigen metafysica vraagt. Ik meen dat Van der Heiden in zijn werk een belangrijke bijdrage levert aan de discussie over de spanningen die de wetenschapper van vandaag aan den lijve ervaart en die Dijkgraaf aan de orde stelt. Waar de wetenschapper probeert de werkelijkheid te begrijpen, ervan uitgaande dat die te begrijpen is, dat onze verstandelijke vermogens daarop toegelegd zijn, vraagt de filosoof wat kennis is, hoe we tot kennis kunnen komen. De filosoof probeert het impliciete weten van zijn eigentijdse werkelijkheid tot begrip, en dat is: onder woorden, te brengen.

Een fundamenteel probleem in de moderne metafysica is het begrijpen van de ‘uitwendigheid’, zo kenmerkend voor zowel het wiskundig denken als voor de mathematische objectiviteit. Een denken dat haar werkende vorm heeft gekregen in de informatietechnologie. Een fysicus als Max Tegmark spreekt geheel in eigentijdse stijl van de ‘external reality’ als hij het over ‘Ons Mathematisch Universum’ heeft. Maar hebben wij daarin nog een plek? Of sta ‘ik’ daar als individu helemaal buiten, zoals het Cartesiaans ‘cogito’ tegenover het mathematisch ‘res extensa’ ?

Wat is kennis, wat is waarheid in het tijdperk van de informatietechnologie, de kunstmatige intelligentie, deep fake, en sociale-mediakanalen waarlangs desinformatie zich met de zelfde snelheid van het licht verspreid als ware informatie?

Waarin onderscheiden de ‘wetenschappelijke feiten’, waar Dijkgraaf pal voor staat, zich van de ‘feiten’ waar Thierry Baudet van spreekt wanneer hij stelt “mijn meningen zijn feiten“? Hoe kunnen we nog onderscheiden doxa van epistèmè, meningen van ware kennis? Is dat Platoonse onderscheid niet uit de tijd sinds Nietzsche, Heidegger, Deleuze, Derrida de oude metafysica op zijn kop zetten? Hoe kunnen we de complotdenker onderscheiden van de naar waarheid zoekende wetenschapper, de complottheorie van de wetenschappelijke theorie?

Het verschil zit hem niet in de ‘feiten’, de beweringen die hij voor waar houdt. Het verschil zit in de houding tegenover de ander, in waar het de spreker om te doen is.

Wat ook het sociale motief van de wetenschapper is, fundamenteel is zijn streven naar waarheid.

“De bedoelingen bij het beoefenen van wetenschap kunnen van velerlei aard zijn, maar ze moeten het streven naar geldige kennis omvatten. Anders kan er eenvoudigweg geen sprake meer zijn van wetenschap.” stelt de filosoof Ottho Heldring (1995). In dit streven naar geldige kennis in plaats van naar sociale macht oefent de wetenschapper zijn individuele vrijheid uit, de vrijheid van het individu om uit te gaan van eigen inzicht. Geloof niet zonder meer wat in de leerboeken staat! Noch wat er op Facebook of Twitter beweerd wordt!

Waarom zouden we meer waarheid moeten toekennen aan de theorieën van de moderne kosmologie (zie voor een boeiende beschrijving ervan Het Multiversum van de sterrenkundige Ans Hekkenberg) dan aan het “aannemelijke verhaal” over de kosmos dat Plato in de Timaeus ons voorschotelt? Waarom zou de mathematische fysica, de moderne fysiologie, de virologie, ons meer inzicht in de ware aard van de natuur bieden dan de aannemelijke verhalen van Plato en Aristoteles? Begrijpt de fysicus wel wat het leven inhoudt? De bioloog, de viroloog, de epidemioloog mogen dan nog zoveel kennis hebben van de levensprocessen, wat weten ze nou van ons leven?

Kennis is de enige natuurlijke grondstof die groeit in het gebruik. Iedere dag weten we meer dan gisteren. Onderzoek graaft per definitie dieper. Technologie wordt steeds krachtiger en vindt telkens nieuwe toepassingen.” (Dijkgraaf)

Maar door die technologie verandert de wereld ook steeds en voelt de mens dat hij steeds meer achter de feiten aan loopt op jacht naar de toekomst waarin het volgens de wetenschappers, de technici, de futurologen, en zijn we dat niet allemaal?, beter zal zijn. Misschien is het probleem wel dat het ‘grote verhaal’, de vooruitgang van de technologie, de groei van kennis en de economische ontwikkeling niet meer gelooft wordt. Er schijnt een behoefte aan een nieuw groot verhaal.

Dat de wetenschap geen antwoord kan geven op de vraag “is dit leven?” en geen grens kan aangeven tussen de levende en de niet-levende natuur valt haar niet te verwijten. Integendeel zegt de filosoof Louk Fleischhacker in zijn mooie artikel “On the notion of life”.

…the impossibility of a scientific definition of life is in no way a deficiency of science. On the contrary, the recognition that this is so, is a sign of honesty and scientific seriousness.” 

De spanning zit hem in de aporie: enerzijds zijn het de succesvolle toepassingen van de door experimenten verkregen kennis in nieuwe technologieën die als geslaagde toets gelden voor het ‘waarheidsgehalte’ van die kennis, anderzijds zijn het die zelfde technische toepassingen die de creatie mogelijk hebben gemaakt van artefacten die de vraag oproepen wat echt is en wat slechts namaak (mimesis). Werkt de techniek niet op oude gegevens, en gaat ze niet teveel uit van de onveranderlijkheid van de werkelijkheid, alsof deze voor eens en voor al in mathematische formules te vangen is? De technologie en de wetenschap zijn zo bepalend op alle terreinen van het leven dat ze zelf nu kritische ondervraagd worden. Oorlogen en conflicten zijn er altijd geweest maar een lokaal conflict dat met een zwaardgevecht wordt uitgevochten is iets anders dan een mondiaal conflict waarbij het leven op aarde vernietigd wordt door middel van nucleaire lange-afstand-raketten. Neveneffecten zijn dan geen onbetekenende effecten meer.

Dijkgraaf gaat als minister van wetenschap en cultuur zowel over de waarheid, als over de mimesis, zowel over de kunst als over de techniek. Door de ontwikkeling van de intelligente mens te faciliteren en te bewaken draagt hij bij aan de ontwikkeling van de kunstmatige intelligentie, aan nieuwe wapens, aan de ontwikkeling van machines die teksten genereren, waarachter de mens schuil gaat.

Informatie is subjectloze kennis, informatieverwerkende machines zijn subjectloze, onverantwoordelijke agenten.

Technologie dreigt een ‘black box’ te worden die bijna niemand meer kan openen. In het geval van kunstmatige intelligentie begrijpen zelfs computers niet precies wat ze doen.”

Dijkgraaf verwijst hier naar de (ethische en juridische) problematiek van de autonome beslissingssystemen. Moeten we sociale autonome robots rechten verlenen, de status van juridisch persoon geven, zoals een werkgroep van de Europese Commissie voorstelt? De lerende machines, die getraind zijn met veel data, kunnen de gebruiker niet zeggen waarom ze juist deze beslissing nemen of voorstellen. Het is alles statistiek, informatie door ‘inductie’ afgeleid uit data.

Voor de politiek die met de statistiek getrouwd is, geldt de wet van de grote aantallen. De politiek heeft niet met het individu te doen, maar met de massa, met het volk, of een deel daarvan: de kiezers. Wanneer er een slachtoffer valt, is dan ook steevast de reactie dat het toch meestal goed gaat. Het valt niet te ontkennen. Het vervelende is dat de uitzondering opvalt. Haar optreden wordt duizendmaal weerkaatst, vermenigvuldigd en uitvergroot in de sociale media en in de nieuwsrubrieken.

Boven de tekst van de lezing staat geschreven:

Het gesproken woord geldt“.

Ik vroeg me af welke relatie deze mededeling heeft met de inhoud van de lezing. De auteur lijkt naar Plato’s verhandeling in het laatste hoofdstuk van de Politeia te verwijzen. Dat gaat over de status van het geschreven woord. Hier vinden we immers een paar interessante aanknopingspunten met de problematiek die de minister in zijn lezing aansnijdt. Het is één van de sleutelteksten van Plato die Van der Heiden in zijn Metafysica bespreekt en waar hij in verschillende hoofdstukken op in gaat. Van der Heiden bespreekt Plato’s tekst om het probleem van zijn en schijn uit te leggen.

Maar wanneer de gedichten worden ontdaan van hun muzikale kleuren en op hun inhoud worden beschouwd, denk ik dat ge inziet dat er een schijn wordt opgehouden. Daar kunt ge niet omheen.” (Politeia, p.539)

De mens onderscheidt bedden en tafels. Maar waar staan deze woorden voor? Is er een uniek Idee bed? In ons dagelijkse omgang met de dingen deert de vaagheid van de woorden en begrippen ons niet. Maar soms wordt het serieus. Bijvoorbeeld als er geteld moet worden. Dan begint de wetenschap. Dan blijkt er nog weer een verschil te zijn tussen de documentatie van de werkelijkheid in de administratieve systemen en de werkelijkheid zelf.

Tijdens de pandemie werd een zware wissel getrokken op de IC-afdelingen van de Nederlandse ziekenhuizen. Al gauw bleken deze overbelast. Waarom hadden we zo weinig IC-capaciteit vergeleken met andere landen? Over hoeveel IC-bedden beschikt Nederland eigenlijk? Je zou kunnen zeggen dat deze eenvoudig te tellen moeten zijn. Niets bleek minder waar. Schattingen varieerden van 700 tot 1700. Niet iedereen bleek onder ‘IC-bed’ hetzelfde te verstaan.

Ook was er grote verwarring en onenigheid tussen de GGD en de toenmalige minister van Volksgezondheid, de Jonge, over het aantal vaccinatieprikken dat op een gegeven moment gezet was.

De GGD kwam op een gegeven moment op een aantal van ruim 220.000. Dat aantal verscheen op het Corona Dashboard van de Minister. De Minister, die zijn naam heeft gebonden aan hoeveel er geprikt is, schrok van dit lage aantal. Er waren toch in werkelijkheid veel meer prikken aan de priklocaties geleverd dan dit aantal? Hij besloot zelf maar eens uit te rekenen hoeveel er geprikt moest zijn. Uitgaande van het aantal geleverde prikken en een verliesfactor kwam hij op 346.790 prikken. Dat is een schatting, zei hij, mede gebaseerd op een geschat aantal prikken door de ziekenhuizen van 81.088. 

Over deze problematiek schreef ik in mijn stukje Een buitenschoolse les over telproblemen.

Tellen is de eenvoudigste vorm van meten. Meten is het vergelijken van een ideale maateenheid met in de werkelijkheid voorkomende instanties ervan, die als telbare eenheden worden opgevat. Het resultaat van meten is informatie, dat wat gecommuniceerd wordt. Goede communicatie, het eens worden over wat er precies als maateenheid gehanteerd wordt, moet misverstanden voorkomen. Ook bij het toeslagenschandaal bleken de instanties het niet eens te kunnen worden over de te hanteren begrippen en daarmee niet over de aantallen slachtoffers.

Meten is de basis van de moderne wetenschap. Goed meten is een kunst. Het gaat om de juiste maat, de juiste methode, de juiste modellen. De ontwikkeling daarvan vindt plaats in een langdurig historisch proces. Tijdens de pandemie bleek hoezeer we voor onze gezondheid afhankelijk zijn van die wetenschap en van de behaalde resultaten in het verleden.

Toen de wereld 2 jaar geleden geconfronteerd werd met het coronavirus, was al snel duidelijk dat de enige uitweg uit de pandemie een vaccin was. Aanvankelijk leek het erop dat we daar lang op moesten wachten, misschien wel tot het jaar 2033. Een schrikwekkend perspectief. Maar de wetenschap verraste ons in positieve zin.” 

Het was inderdaad verrassend hoeveel relevante kennis er sinds de ontdekking van het virus, deze merkwaardige bestaansvorm, die, zoals de fysicus Hermann Weijl opmerkte, de brug lijkt te vormen tussen de levende en de dode materie, al door de wetenschap was opgebouwd. Hugo de Vries, de ‘Nederlandse Darwin’ (E. Schrödinger), zette het werk van Georg Mendel voort. Hij ontdekte dat de natuur bij de voortplanting “kleine sprongetjes” maakt, mutaties zoals hij die noemde. De Vries is de grondlegger van de moderne mutatietheorie en naamgever van het microbiologische ‘gen‘ een deel van het chromosoom dat volgens de huidige inzichten zorgt voor het doorgeven van erfelijke eigenschappen bij de voortplanting.

Het virus is een soort van sleutel die in haar DNA of RNA de code bevat voor de toegang tot de levende cel die het als parasiet nodig heeft om zich voor te planten. De informaticus levend in een tijdperk waarin alles informatie is en elke activiteit als een vorm van informatie verwerken wordt gezien, doet dit onmiddellijk denken aan de rol die het computerprogramma heeft: de sleutel tussen de programmeur en het slot, de machine.

Dankzij die vaccins werd het virus voor velen niet langer levensbedreigend. Het collectieve gezondheidsrisico voor onze samenleving nam zienderogen af. Er was een weg uit de crisis.

De grote meerderheid was opgelucht. De les leek even simpel als helder: de wetenschap werkt.

Maar wat bleek…

Er stond ook een kleine minderheid op die anders aankeek tegen dezelfde werkelijkheid. Feiten werden in twijfel getrokken. De brengers van die feiten bedreigd. Het vaccin bestempeld als onbetrouwbaar, een vergif, onderdeel van een wereldwijd complot.

Voor mij was dit de grootste verrassing van de coronapandemie. Niet de snelheid waarmee het zich verspreidde. Niet de ernst van de ziekte. Niet het succes van de vaccins. Maar het feit dat sommigen een levensreddend geschenk niet wilden of konden accepteren. Dat zelfs de strijd tegen een pandemie gepolitiseerd kon worden. Dat desinformatie zich net zo snel over de aardbol verspreidde als de virusdeeltjes.

Dat een deel van de samenleving onbereikbaar blijkt, onontvankelijk voor de hulp van wetenschap, zelfs waar het leven en dood betreft, daar maak ik me grote zorgen over. Samen met iedereen die de wetenschap en het welzijn van de samenleving aan het hart gaat.”

De vraag is of de Minister zich niet vergist wanneer hij de protesten van de ‘kleine minderheid’ ziet als wantrouwen tegen de wetenschap. Is dat wantrouwen niet veel eerder een wantrouwen tegen degenen die zich beroepen op de wetenschap en dan met name op de toepassing daarvan in de (medische) technologie, dan op de wetenschap zelf? Dit wantrouwen werd mede gevoed doordat met de regelmaat van de klok veel te hoge verwachtingen werden geuit over de werking van het vaccin of over andere maatregelen, die gebaseerd werden op de statistische rekenmodellen van de virologen en epidemiologen.

Natuurlijk vertelden de voorlichters van het RIVM dat we rekening moesten houden met foutmarges. Voor de wetenschapper bestaat de werkelijkheid uit modellen. Het praktische en politieke probleem is: Je kunt niet tegelijkertijd op grond van die modellen beleid voorstellen en tegelijkertijd zeggen dat het ook maar modellen zijn en dat het morgen wel weer anders kan zijn. Wil de burger zekerheid, dan biedt de politicus de burger zekerheid. Het alternatief is: niets doen. Een ander probleem van kansuitspraken is dat ze niet over mij gaan of over de buurvrouw of buurman. Ze gaan over de niet bestaande gemiddelde, ‘normale’ Nederlander.

De minister van Volksgezondheid besloot dat er een applicatie ontwikkeld moest worden die de zwaar overbelaste GGD moest helpen bij het bron- en contact-onderzoek. De CoronaMelder-app. Er werd een speciaal team in het leven geroepen dat moest zorgen dat het product aan de hoge privacy-eisen voldeed. Met stoom en kokend water werd de app operationeel. Haast was geboden. De app bleek al gauw zo lek als een mandje. Een reden waarom veel mensen de app niet op hun mobiele telefoon wilden installeren. Maar dat was niet de enige reden. Uit verschillende evaluerende onderzoeken van de Begeleidingscommissie Digitale Ondersteuning Bestrijding Covid-19 bleek dat er veel te weinig aandacht was besteed aan goede voorlichting over de werking van de app.

“De CoronaMelder heeft meerwaarde indien de gebruikers ervan adequaat voorgelicht worden over het nut, de werking van de CM en het belang van het opvolgen van de maatregelen (quarantaine/isolatie; GGD-sleutel delen). Het is daarbij zaak om misinterpretaties weg te nemen en adherentie te verhogen.” (Uit: Grip op de Coronamelder).

Aan deze voorwaarden werd niet voldaan.

Zo deed een correspondent van de Volkskrant verslag van zijn experiment met de app. Daaruit bleek dat hij dacht dat je met de app door het virus besmette mensen kon opsporen. Als je maar lang genoeg bij iemand in de buurt was die ook de app op zijn mobiel had dan kreeg je een piepje op je mobiel als die persoon besmet was. Zo dacht hij dat de app werkte.

“The result was 68% of respondents did not understand the technical working of the app, 60% did not know that the app data was not automatically shared with the GGD, and 46% were not aware that the app used infrastructure provided by large
platforms. Asked in an open question about their understanding of the app, the majority of users were only able to mention notifications or wrongly expected the app to track the phone’s location” (Uit: Conditions for technological solutions in a COVID-19 exit strategy, with particular focus on the legal and societal conditions)

Uiteindelijk heeft slechts een klein deel van de mensen de app gedownload en daadwerkelijk gebruikt.

Over de relatie tussen politiek en wetenschap merkt Dijkgraaf op:

“Tegelijkertijd moeten we ervoor waken dat de scheiding tussen wetenschap en politiek niet vertroebelt. En rolverwarring voorkomen. Want als je wetenschap en politiek mengt krijg je politiek.”

De NOS ontdekte na analyse van duizenden WOB-documenten dat ambtenaren van het ministerie wijzigingen hadden voorgesteld in door het RIVM geschreven adviezen. Het RIVM besloot de tekst hier en daar aan te passen omdat dit beter paste in het beleid van de regering. Het gaat hier natuurlijk niet om het beïnvloeden van wetenschappelijke kennis. Het gaat om het geven van een advies op grond van die kennis. Het was wellicht beter geweest als RIVM had gezegd: dit zijn de uitkomsten van onze modellen, dit is ons pre-advies, schrijven jullie maar het uiteindelijke advies. Dan is het duidelijk wie voor welke stap verantwoordelijk is.

De verwarring tussen wetenschap en beleidskeuzes zien we ook aan de kant van de politiek waar de minister veel te hoge verwachtingen schept en koketteert met de vermeende mogelijkheden van de technologie. De verering van ‘artificial intelligence’ neemt soms bijna religieuze vormen aan. “God is dood” is de bekende uitspraak van Nietzsche die daarmee het eind van de metafysica verkondigde. “En de techniek is zijn lijk” voegde Harry Mulisch daar aan toe. Inderdaad lijkt het geloof in wetenschap en technologie het geloof in God te hebben overgenomen. Niet de God van de filosofen biedt de garantie voor de waarheid van de wiskunde en haar toepassingen, maar de technologie.

Maar niet voor iedereen. Een deel van de vaccinweigeraars woont op de Biblebelt. De voorganger van de SGP in Staphorst werd gevraagd of hij dan wel naar de dokter en eventueel naar het ziekenhuis zou gaan (en daar mogelijk op een schaars IC-bed terecht zou komen) wanneer hij door het virus getroffen zou worden. Waarop hij bekende “daar wel mee te worstelen”. Het zijn lastige vragen: waar ligt de grens? Moeten we wel embryo’s willen kweken ten behoeve van meer ‘diepgravender’ onderzoek naar erfelijke ziektes, zoals D66, de partij van minister Dijkgraaf, recentelijk voorstelde?

Waar sprake is van een perspectief daar is meteen sprake van een veelheid van perspectieven. De vraag is of er communicatie mogelijk is tussen de werkelijkheden zoals die zich vanuit verschillende perspectieven tonen. Is er wel sprake van één werkelijkheid of zijn er parallelle universa waartussen geen communicatie mogelijk is?

De minister lijkt van mening te zijn dat door meer aandacht te besteden aan wetenschapscommunicatie het vertrouwen in de wetenschap verbeterd kan worden. Ik heb daar wat vragen bij. Onderzoek naar complottheorieën lijken er op te wijzen dat het geen zin heeft met de complotdenkers over de inhoud van hun beweringen in debat te gaan. Het gaat niet om de kennis. Het gaat om de relatie die de complotdenker heeft met die mensen, die zeggen over de ‘wetenschappelijke feiten’ te beschikken. Maar…

Wat is een feit?

Tijdens de Corona-pandemie werd in de media op een gegeven moment bericht gedaan van het volgende feit.

De helft van de patiënten die in de ziekenhuizen liggen met corona is gevaccineerd.

We kunnen het ons nauwelijks voorstellen, maar feiten zijn een vrij recente uitvinding. Volgens historicus David Wootton bestonden feiten niet voor 1700.

We take facts so much for granted that there have been few attempts to write their history, and none of them satisfactory. Yet, our culture is as dependent on facts as it is on gasoline. It is almost impossible to imagine doing without facts, and yet there was a time when facts did not exist.” (Wootton, 2016, p.252)

In het hoofdstuk Facts gaat Wootton op zoek naar de oorsprong van het feit. Wat zijn dat voor dingen?

Wat is een feit? In het Latijn wordt het meestal vertaald met ‘res’ (ding), maar een ding is geen feit. Een ding bestaat zonder woorden, een feit is tweezijdig: het is zowel iets taligs, een statement, als een realiteit.

Over ‘fact’ zegt Ronald Barthes (citaat uit Wootton, 2015):

The fact can only have a linguistic existence, as a term in a discourse, and yet it is exactly as if this existence were merely the ‘copy’, purely and simply, of another existence situated in the extra-structural domain of the ‘real’. (Barthes, The Discourse of History, 1967).

“Het feit kan alleen maar een talig bestaan hebben, als een term in een tekst.”

Maar, voegt Barthes toe: het is exact alsof dit bestaande object, slechts een ‘copy’ is, puur en simpel, van een ander bestaand iets, iets dat gesitueerd is in het buiten-structurele domein van de ‘realiteit’.

Feiten zijn ware beweringen. Feiten kunnen niet onwaar zijn.

Een feiten is een feit omdat we het als feit presenteren. “Het is een feit dat …”

Omdat feiten en informatie begripsmatig samengaan kunnen we stellen dat ook informatie nog niet zo lang bestaat. Een feit is iets taligs. Een kenmerkend aspect van het feit is de tekst waarin het feit beschreven wordt. Die beschrijving construeert het feit tot wat het is. Een tweede wezenlijk aspect is de waarheidspretentie van het feit. De beschrijving zegt dat de werkelijkheid er zo uit ziet als de tekst beschrijft. Er zijn slechts ware feiten.

Ian Hacking spreekt in zijn The Emergence of Probability van een historische transformatie die plaats vond in de periode van het ontstaan van het feit, de periode waarin de experimentele wetenschap zoals we die kennen ontstond. Het is de transformatie waarin tekens (signs) de plaats innamen van oorzaken. Met Hume’s sceptische houding tegenover het inductief redeneren werd het onderscheid tussen meningen en wetenschappelijke kennis nog slechts gradueel. De plausibiliteit of probabiliteit van de empirische kennis kon nu nog slechts vergroot worden door meer tekens, wij zouden tegenwoordig zeggen: gegevens, te verzamelen die een statement ondersteunen. Wetenschap werd statistiek.

Volgens Floridi, de filosoof van de informatie, bestaat onware informatie niet. Onware informatie is geen informatie. Dat geldt dus ook voor het feit. Het feit stelt zelf dat het het geval is. “Mijn meningen zijn feiten” is een bekende uitspraak van de politicus Thierry Baudet. De creatieve geest, en Baudet vertoont onmiskenbaar de trekken van het genie (iemand die volgens het genie Otto Weininger van nature alles weet), beschikt over de retorische gave te stellen wat de feiten zijn.

Sinds het verschijnen van de metafysica, sinds Plato, heeft de wetenschapper die het om de waarheid gaat een conflict met de sofist, met de retorica, met de mooipraters.

Het vernemen van bovengenoemd feit wekte bij sommige lezers, misschien wel bij een meerderheid van de lezers, de gedachte op: zie je wel, dat vaccineren heeft helemaal geen zin. Voor diegenen die toch al iets tegen vaccineren hadden een welkome steun in de rug.

Dijkgraaf zegt achter de wetenschappelijke feiten te staan. Maar wat zijn dat voor feiten? Wat maakt een feit een ‘wetenschappelijk feit’? Elk feit is toch een beschrijving van kennis van de werkelijkheid? We kunnen aan de waarheid van de bewering niets af doen. Het is het resultaat van een simpele telling. Het gaat om de suggestie die er vanuit gaat, dat als je je laat vaccineren de kans dat je in het ziekenhuis beland met corona net zo groot is als wanneer je dat niet doet. Suggesties behoren tot de retorica, het domein van de politicus, niet tot de logica, het terrein van de wetenschap.

Waar Plato in zijn werken tegen fulmineert dat zijn de dichters, de creatieve verhalenvertellers, de geleerden die opgevoed zijn in de kunst van de retorica. De mensen die gemotiveerd worden door het genot anderen de loef af te steken door hun woorden, in discussies. Maar een discussie is niet hetzelfde als een dialoog. In een dialoog gaat het erom samen achter de waarheid te komen. Niet om een debat te winnen, zoals de media die graag organiseren.

Wie uit het genoemde feit de voor de hand liggende, automatische, conclusie trekt dat vaccineren geen effect heeft, die maakt een logische denkfout. De wetenschapper gebruikt daarentegen zijn verstand. Die denkt: van alle mensen die in het ziekenhuis terecht komen na een verkeersongeval heeft vrijwel iedereen een rijbewijs. Dat is te verwachten wanneer vrijwel iedereen een rijbewijs heeft. Maar kun je daaruit concluderen dat het geen zin heeft van mensen te eisen dat ze een rijbewijs halen?

Hoe kunnen we voorkomen dat mensen de verkeerde conclusies trekken uit de feiten? Door meer te vertellen. Door uit te leggen wat het feit wel en wat het niet betekent. Dat is de taak van de wetenschapscommunicatie. De juiste informatie geven.

Informatie is een merkwaardig begrip. De hoeveelheid informatie die een bericht (een feit) bevat wordt namelijk bepaald door wat er niet gezegd wordt, maar wat gezegd had kunnen worden. Wat logisch volgt uit wat gezegd wordt bevat geen nieuwe informatie ten opzichte van wat er gezegd is. Je bent dus als wetenschapscommunicator afhankelijk van wat de luisteraar al weet. Daarom is het van belang in gesprek te gaan. Helaas is daarvoor vaak geen tijd in de sociale media.

Het nadeel van de tekst, ten opzichte van het gesproken woord, aldus Plato in De Staat, is dat de tekst niets terug kan zeggen. De tekst kan geen uitleg geven van wat het beweert. Men zegt wel eens dat de feiten voor zichzelf spreken, maar niets is minder waar. Wat telt is het gesproken woord. En dan niet het woord zoals het door een spraakgenerator wordt gemaakt, maar het woord zoals het klinkt op het moment dat de spreker, zijn gedachten probeert onder woorden te brengen. De machine toont teksten, ze zegt niets.

Lorenz, Van Dantzig en het OMT

De lezing van Dijkgraaf vond plaats in de Lorentz-zaal. Lorentz was niet alleen een wetenschapper, maar ook mede-verantwoordelijk voor de aanleg van de Afsluitdijk.

Wat misschien niet iedereen weet, is dat hij naast zijn baanbrekend werk in de theoretische fysica, ook een belangrijke rol speelde in het ontwerp en de bouw van de Afsluitdijk, als bescherming tegen de dreiging van het water, zo’n 100 jaar geleden.

Destijds was er grote weerstand tegen de afsluiting van de Zuiderzee. Maatschappelijke onrust over onbedoelde gevolgen.

Lorentz nam in 1918 als voorzitter van een staatscommissie hoogstpersoonlijk de berekeningen over de getijdestroom ter hand. Zijn naam, zijn statuur, zijn bewezen betrouwbaarheid deed de gemoederen bedaren. En uiteindelijk bleken, 5 jaar na zijn dood, de berekeningen ook te kloppen!

Een andere Nederlandse wetenschapper, de wiskundige en statisticus David van Dantzig (1900-1959) had na de stormvloedramp (1953) de leiding bij het maken van berekeningen voor de Delta-werken. Van hem is de uitspraak dat de statisticus die zich met maatschappelijke problemen bezig houdt lijdt aan kernsplitsing. Een statisticus heeft een wiskundig en een maatschappelijk geweten. Het eerste eist wiskundige precisie, het tweede dringt erop aan niet al te kritisch te zijn en benaderingen te accepteren. “De statisticus is in de kern gespleten”.

Ik moest aan de uitspraak van Van Dantzig denken bij het luisteren naar de interviews in de media met leden van het OMT en het RIVM.

In tijden van Corona werden epidemiologen en virologen van het RIVM regelmatig gevraagd om in de media uitspraken te doen over de verspreiding van het virus. Het publiek, de presentatoren en de politiek stellen vaak hoge eisen aan deze statistici, die soms moeilijk de verleiding kunnen weerstaan om uitspraken te doen die ze eigenlijk niet kunnen verantwoorden. En zeker niet in de paar minuten die de media voor het item hebben gereserveerd (want “er is weer ergens een doelpunt gescoord” of een ander de aandacht vragend belangrijk feit heeft zich aangediend). De wiskundigen kennen veelal de beperkingen van hun modellen. Maar de nuances zijn te complex voor de krantenkoppen. Het probleem is dat er veel onzin en onvolledige informatie in de media verschijnt zodat politici en publiek vaak de klok horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt.

De andere kant van het verhaal is dat de wetenschapper om aan financiering van zijn onderzoekplannen te komen zich vaak gedwongen voelt te speculeren over het nut van het onderzoek voor de maatschappij. Valorisatie en exposure zijn steeds belangrijker onderdelen geworden van het takenpakket van de wetenschapper. Niet iedere wetenschapper is daar goed in.

Informatie is het meest verslavende consumptiegoed. Hoe meer informatie je hebt hoe meer de behoefte aan nog meer informatie toeneemt. De media produceren informatie en daarmee de behoefte aan informatie. Om tot kennis te komen moet de veelheid van versnipperde informatie geordend worden en betekenis krijgen voor de ontvanger. Dat vraagt veel geduld en tijd. Iets waar veel mensen te weinig van hebben.

Drie niveaus van spreken

Traditioneel is het onderscheid tussen drie niveaus van spreken en denken. Het eerste niveau is dat van de dagelijkse ervaring, het praktische leven van alledag. Hier categoriseren we de dingen en benoemen ze. Dit is een bed, dat is een stoel. Hier heersen zintuiglijke ervaring, beleving en het omgaan met de dingen.

Het tweede niveau is dat van het wiskundige denken, de werkelijkheid als telbaar, meetbaar, structureerbaar.

Het derde niveau is dat van de filosofie, de metafysica. Hier vindt de reflectie plaats over de principes en perspectieven op de werkelijkheid. Wat is schijn, wat is slechts voorstelling en wat is zijn?

Bij elk niveau hoort een eigen taal-gebruik. Dat maakt communicatie lastig vooral wanneer het niet duidelijk is op wel niveau er gedacht en gesproken wordt.

De uitspraak dat iets een feit is, is ook een waarheidsclaim en dus een uitspraak op het niveau van de metafysica. Metafysica lijkt tegenwoordig aan populariteit te winnen, maar de meeste wetenschappers zijn uitgesproken anti-metafysisch. Lange tijd heeft het er op geleken dat de wiskunde de rol van de metafysica had overgenomen. Kennis is pas echt kennis wanneer het in mathematische modellen en formules te vatten is. Dat is het ideaal van de wetenschapper. Alles is een wiskundige structuur. Ik denk dat Descartes één van de eersten is die uiting gaf van dit mathematisme en dat de ‘post-moderne’ filosofen proberen de filosofie hiervan te bevrijden.

Wanneer de fysicus Max Tegmark, medeoprichter van het Future of Life instituut dat zich bezighoudt met de grote ethische vragen rond wetenschap en technologie, het heeft over Our Mathematical Universe, dan bedoelt hij dat de ‘werkelijkheid’ een mathematische structuur is. Wie zich echter verdiept in zijn theorie die ziet dat in die werkelijkheid geen mensen voorkomen die met hun eigen woorden naar de dingen kunnen verwijzen zoals ze dat op het eerste niveau van het dagelijkse leven doen. Gewone dagelijkse woorden en namen zijn volgens Tegmark overbodige balast Ze moeten uit de taal waarmee ons universum beschreven wordt verwijderd worden. Ze leiden maar tot misverstand, ze zijn te ambigu. Zo moesten termen als ‘oorzaak’, ‘leven’, en ‘deeltje’ en ‘kracht’ volgens de fysici liefst gemeden worden. De natuurlijke substantie lost op in wiskundige vergelijkingen, zoals de Maxwell- of de Schrödinger-vergelijkingen. Helaas blijken de wetenschappers het vaak niet eens te worden over de ‘interpretatie’ van de formules. ‘Schrödingers kat’, bestaat die? In welk universum?

Wetenschappers gebruiken woorden uit de gewone taal waarmee ze heel andere dingen aanduiden dan we er in het dagelijkse leven mee aanduiden. Je zou de wetenschapper willen adviseren: probeer het gewone volk niet in haar eigen woorden uit te leggen waar je het over hebt, want dat kan niet zonder je eigen waarheid geweld aan te doen.

De metafysische rol van de wiskunde lijkt te zijn overgenomen door de informatica. Wat is alles? Alles is informatie, is het antwoord van Floridi. En inderdaad, wie zich verdiept in de gang van zaken rond het toeslagenschandaal zegt: die Belastingdienst is een onderdeel van Floridi’s Infosfeer, een wereld waarin agenten en algoritmes informatie (documenten, e-mails, notities, simulacra noemde Plato ze) heen en weer sturen. De burger is gereduceerd tot een element van een datastructuur, geïdentificeerd door een identifier, zijn unieke burger service nummer. Algoritmes classificeren burgers als fraudeur op grond van enkele kenmerken. Hier functioneren de mathematische modellen. Het zicht op de werkelijkheid van alledag, het leed van de slachtoffers die miskend worden door de labels die hun zijn opgeprikt, is verloren.

Het is niet de wiskunde, het is niet de wetenschap, het is de kritiekloze toepassing van de wiskunde, de onverstandige toepassing van de wetenschap, die weerstand oproept. Waarom klopte de burger tevergeefs aan bij de rechter om zijn recht te halen?

Algoritmes en de rechtsstaat: over normen en feiten

Recentelijk verscheen Algoritmische beslisregels vanuit constitutioneel oogpunt (Goossens et al, 2021) een in dit verband interessante publicatie over de rechtsstatelijke risico’s ten gevolge van het gebruik van algoritmes door de verschillende overheidsinstanties.

De focus van deze studie ligt op “de fundamentele tweedeling tussen algemene regels en de concrete toepassing via individuele beslissingen alsmede, in het licht daarvan, de wisselwerking tussen normen en feiten.”

De auteurs wijzen erop dat de besluitvorming van het bestuur in individuele gevallen al geruime tijd steeds vaker (deels) geautomatiseerd plaats vindt op basis van algoritmische beslisregels. “Hierdoor kan de relatie vertroebelen tussen enerzijds een concreet besluit dat het resultaat is van de toepassing van een algoritmische beslisregel en anderzijds de algemene regels die oorspronkelijk ten grondslag liggen aan de bevoegdheid van het bestuur om in individuele gevallen concrete besluiten te nemen.”

De auteurs wijzen er terecht op dat wanneer het om de toepassing van algemene regels in concrete gevallen gaat er een wisselwerking is tussen de regel en de situatie. “Dat wat we ‘toepassing’ noemen, raakt ook de toegepaste regel”.(p.6). De toepassing van een regel in de praktijk is iets anders dan het toepassen van een wiskundige functie op een argument, zoals een machine dat doet.

Datgene waardoor de praktijk functioneert, ligt als het ware op een dieper niveau, dat steeds wezenlijk impliciet blijft.” en “Ons expliciete weten is het topje van de ijsberg. In de omvang van deze laatste vergissen wij, slachtoffers van het rationalisme, ons dan ook deerlijk.” Zo schrijft Louk Fleischhacker in De Henide als Paradigma.

Het is de taak van de ethiek begrip bij te brengen die tegengewicht biedt tegen het mathematisme, tegen de tendens het individuele slechts in relatie tot abstracte wetten en algemene regels te zien in plaats van het individuele in zijn uniekheid en bijzonderheid te waarderen.

Voor de wetenschap is het individu een geval. Misschien is dat voor hem wel lastig te accepteren in een tijd waarin het ego-centrisch individualisme en de individuele vrijheid hoogtij vieren, dat ‘ik’ ook maar een toevalligheid ben.

Creating common ground’

Hoe staat de wetenschapscommunicatie tegenover de wetenschap en tegenover de politiek? Wat is haar doel? Je zou kunnen zeggen dat het doel van communicatie in het algemeen is het creëren van een gemeenschappelijke visie, eventueel ten dienste van het uitvoeren van een gezamenlijke taak. Maar daarvoor moet er al wel een basis zijn. Die moet bestaan uit de wil om elkaar te verstaan.

Ionica Smeets, ‘s lands meest bekende wetenschapscommunicator en popularisator, noemt in haar artikel ‘Vijf grote uitdagingen in de wetenschapscommunicatie’. Dit artikel gaat over wetenschapscommunicatie als betrekkelijk nieuw onderzoekgebied. Over de vorm van de communicatie zegt ze:

Een nog steeds veelvoorkomend misverstand is dat de kern van wetenschapscommunicatie domweg het helder overbrengen van feiten is.

Emoties en vertrouwen spelen echter een grote rol. Het gaat er om tot een dialoog te komen met de mensen. Ga uit van de vragen die leven bij het publiek.

In policies there is a large emphasis on informing society, whilst science
communication should also be a dialogue with society.

Met betrekking tot de eigen verantwoordelijkheid van de wetenschapper bij het scheppen van verwachtingen bij het publiek, wijst Smeets op de volgende uitdaging:

Incorrect science news is at least partly caused by universities sending
out exaggerated press releases. Researchers should take responsibility
for how their own universities communicate about their work.

Hoe verhoudt de wetenschapscommunicatie zich tot de wetenschapsjournalistiek? Maarten Keulemans werd door vaktijdschrift Villamedia uitgeroepen tot Journalist van het Jaar 2021 voor zijn coronaverslaggeving.

Over deze kwestie zegt hij: “wetenschapsjournalistiek is géén wetenschaps-communicatie. Ik geef niet simpelweg door wat wetenschappers mij vertellen, ik probeer zelf cijfers na te rekenen, claims te checken en de vervelende vragen te stellen. U zegt dit nou wel, maar in dit onderzoek staat toch iets anders?”

Geeft de wetenschapscommunicatie ‘simpelweg door wat de wetenschapper vertelt’? zoals Keulemans suggereert. De wetenschapscommunicatie moet meer vertellen dan wat de wetenschapper zegt. Hij moet de feiten zoals die door de wetenschapper genoemd worden uitleggen en daarbij anticiperen op mogelijke misverstanden bij het gehoor. En dat kan het beste in de vorm van een dialoog met het publiek.

Kennis versus informatie

We onderscheiden ‘iemand kennen’ en ‘informatie over iemand hebben’. Je kunt heel veel informatie over iemand hebben en hem toch niet kennen. (Zie hierover mijn stukje over het essay On Denoting van Bertrand Russell die wees op dit belangrijke onderscheid.) Machines kennen geen mensen, ze hebben informatie over mensen.

Het is dan ook niet voor niets dat de ambtenaren van de overheidsdiensten na de toeslagenaffaire het dringend advies kregen ‘achter hun beeldschermen vandaan te komen’ om met de betreffende burgers die het slachtoffer werden van ‘hun’ algoritmes ‘aan de keukentafel te gaan zitten’.

Ik geloof niet dat de oplossing van de ethische problemen door gebruik van algoritmes gezocht moeten worden in het opstellen van meer regels en wetten. Het probleem is hoe we als burger in een samenleving de beide perspectieven op het individu met elkaar kunnen verzoenen. Inzicht in die perspectieven is voorwaarde daarvoor.

Alleen de gesproken woorden tellen, in de context van de dialoog waarin ze worden uitgesproken.

Ten slotte. We moeten ‘de wetenschapper’ niet idealiseren. We moeten niet trappen in de val van de retoriek, van de critici. Wetenschappers zijn ook maar mensen. Ze werken als wetenschapper aan een ideaal: het kennen of te voorschijn brengen van de waarheid. Maar emoties en belangen staan het bereiken van dit ideaal soms in de weg. Talloos zijn de soms hoog oplopende ruzies tussen wetenschappers die het niet eens konden worden over de feiten, over de betekenis van de uitkomst van experimenten, over de begrippen of over de te volgen methode van onderzoek. Judea Pearl geeft daar in zijn prachtige boek The book of Why mooie voorbeelden van. Onder andere over de kwestie of roken longkanker veroorzaakt werden heftige conflicten uitgevochten, waarbij niet altijd duidelijk was welke belangen de opponenten dienden.

Het is goed wanneer we ons realiseren dat wanneer we het over ‘de wetenschap’ hebben we naar een ideaal verwijzen, waar aan gewerkt wordt, door mensen. Mensen die het niet altijd even helder voor ogen staat waar het hun allemaal om te doen is. Daarom past ons enige bescheidenheid in het benaderen van de ander (en van ons zelf).

Van der Heiden over deze bescheiden houding: “Het denken dat weet heeft van zijn eigen eindigheid, houdt niet vast aan de orde die het zelf gemaakt heeft, maar cultiveert ontvankelijkheid voor het contingente en voor wat-anders-kan-zijn.” (Metafysica, p. 313).

We leven en denken op drijfzand, maar dat is niet erg, als we maar niet te gewichtig doen.

Bronnen

Olaf M. Dekkers en Jesse M. Mulder (2020). When will individuals meet their personalized probabilities? A philosophical note on risk prediction. Eur J Epidemiol. 2020 Dec;35(12):1115-1121.

Louk Fleischhacker (1999). De Henide als Paradigma: Otto Weiningers invloed op Ludwig Wittgenstein. In: De Uil van Minerva 15 nr. 3 (Lente 1999), pp. 161-178.

Louk E. Fleischhacker (1998). On the notion of life. Theory of Bioscience. 117:139-160. In dit artikel geeft Louk een eigentijdse ‘vertaling’ van de natuurfilosofie van Hegel opgevat als een kritische filosofische theorie van het leven.

Goossens, J., Hirsch Ballin, E., van Vugt, E. (2021). Algoritmische beslisregels vanuit constitutioneel oogpunt: Tweedeling tussen algemene regels en concrete toepassing onder druk. Tijdschrift voor constitutioneel recht12(1), 4-19.

Hacking, Ian (2006). The Emergence of Probability: a philosophical study of early ideas about probability, induction and statistical inference. Second Edition, Cambridge University Press, 2006.

Gert-Jan van der Heiden (2021). Metafysica: van orde naar ontvankelijkheid. Boom uitgevers, Amsterdam, 2021.

Ottho G. Heldring (1995). Wetenschap, filosofische hermeneutiek, metafysica. In: Tijdschrift voor Filosofie, juni 1995, pp. 250-266.

Napolitano, M. Giulia (2021). “Conspiracy Theories and Evidential Self-Insulation.” In Sven Bernecker, Amy Flowerree & Thomas Grundmann (eds.), The Epistemology of Fake News. Oxford University Press, pp. 82-105, 2021.

Judea Pearl & Dana Mackenzie (2018). The Book of Why : the new science of cause and effect. New York: Basic Books.

Plato – Politeia, Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl . Uitgeverij De Driehoek, Amserdam. Vertaling uit het Grieks door de School voor Filosofie.

Prakken, H. (2014). Strafrechtelijk bewijzen: met Bayes of met verhalen? Of is er een derde weg? Expertise en Recht 2014-1, p. 4-19

Leah Jule Ritterfeld (2021). Conspiracy Theories: Unwarranted Absurdities, Propaganda, or a Specific Way of Holding a Belief? Scriptie ter verkrijging van de graad “Master of arts” in de filosofie Radboud Universiteit Nijmegen.

Edwin Schrödinger (1944). What is life? The Physical Aspect of the Living Cell.

Ionica Smeets (2021). Vijf grote uitdagingen in de wetenschapscommunicatie, TIJDSCHRIFT VOOR COMMUNICATIEWETENSCHAP 49.2 (2021) 185-197.

Herman Weyl (1963). Philosophy of Mathematics and Natural Science. Atheneum, New York, 1963.

Otto Weininger (1903/1920). Geschlecht und Charakter – eine prinzipelle Untersuchung. 19de druk, Wien/Leipzig, 1920.

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.