De Onzichtbaren – verhalen van Frank Nellen

Wie aan een boek begint laat zich in een andere wereld en naar een andere tijd ‘teleporteren’. In die wereld ontmoet de lezer niet alleen de karakters die aan de fantasie van de schrijver zijn ontsproten, maar indirect ook de schrijver zelf. Wat heeft de schrijver met die andere wereld en wat willen zijn fantasieverhalen de lezer vertellen over de toestand in zijn ‘echte’ wereld, die ook onze wereld is?

In De Onzichtbaren (Uitgeverij Hollands Diep, 2023) van de Nederlandse schrijver Frank Nellen wordt de lezer meegenomen naar het Oekraïene ten tijde van de laatste jaren van de Sovjet Republiek. Het boek stond op de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2024, maar legde het volgens de jury af tegen het nieuwste boek van Rob van Essen, die met Hier kom ik nog op terug de prijs ontving. Wat mij betreft hadden ze allebei de prijs mogen krijgen.

Van Essen voert ons mee in de wereld van Rob Hollander, ‘ambitieloos journalist met als specialisme zeer onwaarschijnlijke verhalen’ die zich, daadwerkelijk, laat teleporteren naar het Amsterdam van de tijd dat hij daar als student filosofie op een avond de dementerende G.B.J. Hilterman in pyama en op geruite pantoffels op de gracht zag wandelen. Hij had de politiek commentator, bekend van zijn wekelijkse radiopraatje over ‘de toestand in de wereld’, natuurlijk naar huis moeten brengen. Hij had dat niet gedaan. Nu kreeg hij de kans dit recht te zetten. Ook na een aantal teleportaties komt het er echter niet van. In plaats daarvan ontmoet hij zijn oude studiegenoten waaronder De Paus, Hegel, De Parachutist, Kimono, en Staartje, met wie hij een gestolen-busreis maakt naar een klooster in Frankrijk, een poging van de solitaire studenten in een commune te leven. Ook dat herstel blijkt niet eenvoudig. Biedt het leven de kans nog ergens op terug te komen? Kun je het verleden overdoen? Zoals de bruggenschilder die nadat hij de laatste brug heeft geschilderd weer terugkeert naar de eerste omdat deze alweer aan een nieuwe opknapbeurt toe is. Hoe zinloos is dat leven! Met het verhaal van de schilder die in Amsterdam de taak heeft twee bruggen te schilderen begint en eindigt het boek van Van Essen. Ze vormen de bijna identieke peilers waartussen het verhaal zich afspeelt. Ze vormen de ingang en uitgang van de fantasiewereld waarin de schrijver de lezer meevoert. Behalve de voornaam Rob zijn er nog een paar overeenkomsten tussen de hoofdpersoon en de schrijver. Beide studeerden filosofie in Amsterdam maar maakten hun studie niet af, zoals de meeste filosofiestudenten. Het verhaal van de Jehova’s getuigen die bij de Van Essens in het streng protestantse Rijssen aanbellen is autobiografisch. Een moeder en haar zoontje kwamen het Woord van God verkondigen. Het jongetje, ongeveer van de leeftijd van de schrijver toen, maakte een diepe indruk op Rob. Het joch, dat Chris Vis blijkt te heten, speelt een belangrijke rol in het verhaal, waarin de schrijver/journalist Rob op zoek gaat naar zichzelf. Afijn, wie het wil weten die leest het zelf maar.

Pavel Oleksandrovitsj Dorosjenko is de hoofdpersoon uit De Onzichtbaren. Samen met Dani, de ik-figuur uit het boek, brengt hij een deel van zijn jeugd door in Taranivka, een dorp tussen eindeloze graanvelden, ver verwijderd van Kiev, met haar fonteinen en aangeharkte parken. Het is jaren 70, ‘in de tijd dat Brezjnev nog niet leed aan constipatie en aambeien’ dat de jongens met allerlei kattenkwaad de traagverlopende tijd verdrijven. De jeugdvrienden verliezen elkaar uit het oog. Maar na vele jaren kruisen hun wegen elkaar weer. Pavel houdt van verhalen. Hij verzamelt verhalen. Hij roept via zijn radiozender de gewone burger, de armoedzaaiers, op hem hun verhalen te sturen. Pavel worstelt met zijn liefde voor het socialisme en zijn geloof in de socialistische heilstaat. De staat die maar niet wil komen. De verhalen zijn het tegengif tegen de lege fraseologie van de overheid. “Pavel bezat het vermogen om je met een handvol woorden te verplaatsen naar andere tijden en werelden.”

Ter introductie van mijn review van De Onzichtbaren volgt hier een citaat daaruit. Het is 1 mei 1983, de dag van de jaarlijkse parade in Kiev. Pavel staat op het balkon van het stadhuis omdat hij even daarvoor de Oekraïense staatsprijs heeft gewonnen. Vanaf het balkon heeft hij goed zicht op de massaliteit.

“Terwijl de liederen uit de luidsprekers schalden, drong het tot Pavel door dat het communisme zich op geheel eigen wijze verhield tot de mens. In tegenstelling tot het fascisme kwam aan het individu nauwelijks betekenis toe. De persoon was geen bestaanseenheid, geen wezen dat op voorwaarde van bloedzuiverheid de apotheose van de natuur belichaamde. Onder het communisme verdween de mens. Vanaf zijn geboorte ging hij op in iets groters, als een regendruppel die neerplenst in een wereldzee. In de woorden van Plato waren zijn ogen, oren en handen gemeengoed. Het was niet de persoon, maar de klasse waartoe hij behoorde die worstelde, die strijd leverde, die een gezicht kreeg. In alles was dit ideologische vertrekpunt terug te vinden. Privébezit bestond niet, persoonlijk ondernemerschap was een doodzonde. De filosofie, de kunsten, de wetenschap: alle bezigheden waarmee een individu zich kon onderscheiden, waren gebonden aan fnuikende voorschriften – die van het realisme, het dialectisch materialisme, het historisch materialisme en natuurlijk, in brede zin, het leninisme -, en zo werden de vruchten van creatieve arbeid methodisch van kleur en eigenschap ontdaan.” (De Onzichtbaren, p. 222)

Pavel was filosofiestudent aan de universiteit in Kiev met als specialisatie de rechtsfilosofie.

“Pavel had het zelf meegemaakt hoe zijn promotor, professor Semonov, met rode pen kruisen door hele delen van zijn proefschrift had gezet, met in de kantlijn verontschuldigende opmerkingen (‘Briljant, maar veel te hegeliaans’; ‘Alsjeblieft, denk aan je toekomst!’; ‘Je hebt gelijk, maar de commissie slikt dit nooit.’)” (De Onzichtbaren, p. 223)

De rechtsfilosofie. Ongetwijfeld een onderdeel van de filosofie waarin de auteur bijzondere belangstelling heeft. Frank Nellen is fiscaal jurist, werkzaam als fiscaal adviseur bij Baker Tilly en als hoofddocent Belastingrecht aan Maastricht University.

Vertolkt de hoofdpersoon Pavel misschien de mening van de schrijver over het socialisme en het communisme van de Sovjet-Unie? Aan het eind van het inleidende hoofdstuk vertelt de ik-figuur Dani over zijn motivatie voor zijn zoektocht naar Pavel. “Het socialisme is een gevallen reus – en ik wil weten hoe dat is gebeurd, waarom een imperium is gesneuveld zonder dat we er iets voor terug hebben gekregen.” Het verhaal van Dani en Pavel is niet alleen het verhaal van de kernramp in Tsjenobyl, de ramp met het onzichtbare atoom, maar ook het verhaal van de ondergang van het socialisme in Rusland.

In een interview op Mr.online.nl zegt de schrijver: “Ik heb me niet willen afzetten tegen het socialistische gedachtegoed. Sterker nog: door mijn jarenlange onderzoek naar de ideologische fundamenten van het socialisme ben ik genuanceerder gaan denken over onze eigen politiek en samenleving. Als westerlingen zijn wij altijd trots geweest op onze overwinning op het communisme in de vroege jaren negentig. Maar is die trots wel helemaal terecht? Inmiddels zien we de schaduwzijden van het neoliberalisme en vrije marktdenken: sociale onthechting, politieke polarisatie, groeiende welvaartsongelijkheid en een aardbol die langzaam kaalgevreten wordt. Waarom willen we altijd méér in materiële zin? Waarom werken we niet harder aan de sociale cohesie in onze samenleving? Mijn boek heeft me met allerlei onverwachte vragen geconfronteerd.”

De moraliteit, het eer en geweten van de rechters, is het onderwerp van Pavel’s studie, de invloed van fascistische taal in de naoorlogse rechtsvinding. Het opschonen van het juridisch jargon: ‘rassenzuiverheid’, ‘ontjoding’, ‘omvolking’, had er niet toe geleid dat het onderliggende fascistische gedachtengoed was verdwenen. “In de bibliotheek van Kiev vindt Dani een aantal artikelen van Pavel. Ze gaan over de moraliteit van de ‘sitzenbleibende rechters in Noorwegen, Denemarken en Nederland’, die nog na de oorlog spreken van ‘unnütze Esser” volgens Pavel niet anders dan een antoniem voor ‘lebensunwerten Lebens’.

Titels van artikelen, zowel als tijdschriftnamen waarin ze verschenen zijn verzonnen, maar het onderwerp, de moraliteit van de rechtspraak, is uit het echte leven gegrepen en gaat de schrijver aan het hart. De term ‘lebensunwerten Lebens’ komt daadwerkelijk voor in de literatuur. De moraliteit van de rechtspraak is een aktueel thema (zie bijvoorbeeld de ‘toeslagenaffaire’), dat de auteur aan het hart ligt.

“Bij sommigen bestaat het beeld dat een moreel kompas binnen het vak ontbreekt. Dat is onjuist.” Stelt de auteur in bovengenoemd interview. “Fiscaal juristen zijn vooral bezig met het realiseren van een evenwichtige, juiste toepassing van het recht. Dit geldt zowel voor adviseurs als voor de medewerkers van de Belastingdienst. In Nederland voeren tienduizenden fiscalisten dagelijks hun werkzaamheden naar eer en geweten uit. Kijk als journalist nou eens naar de verhalen van díe mensen.”

Nu zou je de indruk kunnen krijgen dat De Onzichtbaren een loodzwaar boek is over recht en politiek, over de ‘ellendigheid van het bestaan’ in een Oekraiens dorp. Maar dat is niet het geval. Het is een spannend avonturenboek, dat je in één adem uitleest. Het zit vol hilarische verhalen, zoals over juf Kravets met haar gezicht ‘waar enkel misprijzen vanuit ging’, over de dagelijkse gang van zaken in de armoedige lampenfabriek (“Gedwee en zwijgzaam sjokten we naar binnen, de arbeiders van de revolutie.”), naast indringende beschrijvingen van de trieste gevolgen van de ramp, de werking van het onzichtbare atoom.

De Onzichtbaren ‘betreft een werk van fictie dat een zekere periode uit de geschiedenis beslaat.’ De geschiedenis bestaat in de verhalen. De tijd van de grote verhalen (marxisme, socialisme, communisme, liberalisme) behoort tot het verleden. De grote verhalen zijn ongeloofwaardig geworden. We moeten het doen met de kleine verhalen, de verhalen van de onzichtbaren, de lampenmakers en de bruggenschilders.

Is de zogenaamde waarheid iets anders dan een tijdelijke, en bovendien alleen maar in de taal bestaande constructie die niet in de werkelijkheid verankerd is? Dat is de vraag die de criticus aan het post-modernisme stelt. Alsof er een werkelijkheid bestaat buiten de verhalen.

In De Onzichtbaren wordt zelfs met de waarheid van de wiskunde de draak gestoken. Dani herinnert zich een schooldag waarop juf Kravets de klas overhoorde op hun rekenvaardigheid. Je werd voor de klas geroepen en dan vuurde de juf een serie sommen op je af. “Het was de bedoeling dat je zo snel mogelijk antwoord gaf. Was je te traag, dan maakte ze je uit voor achterlijk varken of stompzinnige ezel.” De sommen werden steeds moeilijker zodat het onmogelijk was de beproeving met succes te doorstaan. Alleen de slimme Pavel lukte dat. Pavel is de lieveling van juf Kravets. Hij leest namelijk boeken. Hij kan niets fout doen in haar ogen. Op een gegeven moment moest Igor voor de klas komen. De eerste tafelsommen zijn nog vrij eenvoudig. Igor weet ze allemaal goed te beantwoorden. Maar toen had Kravets er genoeg van. “Zestien maal acht”, zei ze. Stilte. Na een halve minuut antwoordt Igor: ‘vierendertig’. Kravets herhaalt; ‘zestien maal acht!’. Vierendertig herhaalt Igor. “Kravets opende de lade van het bureau en haalde de liniaal te voorschijn, een metalen lat van een centimeter of zestig. ‘Zestien maal acht’ roept ze. Vierendertig, zegt Igor. “Jij dom varken!”Kravets hief de liniaal en liet hem zwiepend op zijn vingers neerkomen.” Nadat Igor zijn bestraffing lijdzaam heeft ondergaan duwt Kravets hem terug in de schoolbank. “Zeg jij het maar”, zegt ze tegen Pavel die al die tijd onverstoorbaar in zijn boek heeft zitten lezen. ‘Vierendertig’, zegt hij zonder op te kijken. Kravets mond zakte open. ‘Wat zei je?’ ‘Vierendertig’ zei hij nogmaals, terwijl hij opkijkt van zijn boek.

“Een getal was het, meer niet, ondubbelzinnig als het was.” zo herinnert Dani zich het voorval. “Ik kon er niet om heen: Igor had gelijk. Op dat moment was er geen enkel argument dat de juistheid van zijn antwoord kon weerleggen. Zestien maal acht was inderdaad vierendertig en dat betekende dat Kravets er naast zat.” Igor was geen onbenul met een deuk in zijn hoofd. “Pavels stem had een genie onthuld, een jongen die net als Marx en Lenin het uiterst zeldzame vermogen bezat om de mens wanneer hij dwaalt, weer op het juiste pad te krijgen.

Op zoek naar “de ideologische fundamenten van het socialisme”

In iedere cultuur zijn de mensen op een bepaalde manier vervreemd van hun ‘eigenlijke wezen’, van het mens-zijn. Marx, de grondlegger van het communisme, de aanstichter van de revolutie die als doel had de bevrijding van de arbeidersklasse onder het juk van het kapitaal, de groot-industriëlen, ging uit van dit humanistisch mensbeeld, het beeld van de mens als de van zichzelf vervreemde mens.

Wat is de waarde en de betekenis van het individu onder het staatscommunisme? En: wat betekent het individu in het zogenaamde ‘vrije westen’, waarin ‘de onzichtbare hand’ van het marktmechanisme van de burger een consument heeft gemaakt? Een consument die al maar meer wil. Ten koste van ‘de natuur’. Wat is de waarde van de natuur en hoe verhoudt de mens zich tot de natuur? Wat is die ‘eigen natuur’ waarvan de mens zich in de cultuur vervreemdt?

Een groot deel van Oekraïene is onbewoonbaar geworden. Nu eens niet door een kernramp, maar door een oorlog. Een oorlog die van Poetin geen oorlog mag heten omdat het om een ‘militaire operatie’ gaat. Een soort ‘hersteloperatie’ waarin de geschiedenis weer op het juiste pad gezet moet worden. Het Oekraiense volk zou door fascistische krachten van Europa en de NAVO vervreemd zijn geraakt van hun Russische wortels. Ze moeten door Poetin en zijn legers bevrijd worden zodat ze weer terug keren naar de moederborst van Groot Rusland.

Niet alleen Poetin is druk met hersteloperaties. Ook in de democratische rechtsstaten van West-Europa wordt druk gewerkt aan het herstel. In Nederland wordt al jaren gewerkt aan het herstel na de toeslagenaffaire waarin de Belastingdienst vele duizenden voor de uitvoerende ambtenaren onzichtbare burgers vermangelde tussen de raderen van de bureaucratie. Maar niet alleen in Nederland. In de UK en anderen landen doen zich vergelijkbare tragedies met de instituties voor. De sociaal-democratische rechtsstaat staat zwaar onder druk. In Nederland en in heel Europa nemen rechts- en extreemrechtse partijen de regeringen over. Hun politieke leiders zijn in het zadel geholpen door de burgers uit protest tegen de onmachtige nationale overheden die het gezag over eigen land uit handen hebben gegeven aan vreemde krachten. Aan migranten en Europese bureacraten, aan ‘die Groenen in Brussel’ die een eind willen maken aan de landbouw vanwege het broodnodige herstel van de natuurgebieden, die door de industrialisering van de landbouw zijn uitgebuit en uitgeloogd.

Met welke oplossing zullen de nieuwe leiders komen? Vooralsnog is het: ‘weg met het woud van overheidsregels die de vrijheid steeds meer aan banden leggen’, maar ‘leg de wolf in de natuur weer aan banden’. Sluit de grenzen af voor buitenlandse ‘gelukzoekers’. ‘Eigen volk eerst!’. Het ‘eigen volk’, dat is de boer, de mens die nog niet vervreemd is van de natuur, zoals de ecologen en andere wetenschappers. Omdat de boer nog dicht bij de natuur leeft. De boer weet welke kant het op moet. Laat de boer weer doen waar hij goed in is: boeren. En verder geen gezeur, dan komt het allemaal wel goed.

De tijd zal het leren.

Over de geldigheid van de feiten en de feitelijkheid van de wetenschap

De structureerbaarheid van de werkelijkheid gaat niet op in haar feitelijke structuren

De wetenschap wordt beoefend in instituties. Ze doet aan modelvorming. Hoe is het gesteld met de geldigheid van haar produkten? Is deze gedevalueerd tot zuiver economische, politieke geldigheid? Of is er nog zoiets als ‘transcendente’ geldigheid? Geldigheid die de feitelijkheid te buiten gaat.

Ik pak hier de draad op van een eeuwenlange discussie waarin het gaat om de spanning tussen geldigheid en feitelijkheid van de wetenschap. De discussie is nog steeds bijzonder aktueel. De wetenschap staat onder druk. Dat heeft alles te maken met een afkeer van metafysica, die samengaat met een verwetenschappelijking van de filosofie. Het is een verwarring van positieve wetenschap en filosofisch denken waarvan de oorzaak ligt in het overwegend mathematiserende technologische denken dat onze westerse cultuur kenmerkt.

Vindt de ‘transcendentie van het menselijk zijn’ nog weerklank? Of is deze ook ten prooi gevallen aan de oppervlakkigheid van het politieke links-rechts-denken?

Feiten, zoals we die tegenwoordig kennen, bestaan nog niet zo lang, zegt David Wootton in zijn reconstructie van de Scientific Revolution, the Invention of Science.

Feiten ontstaan wanneer ze gedocumenteerd en gedeeld worden met anderen. Niet de experimentele methode, maar de drukpers is volgens Bruno Latour de oorzaak van de Scientific Revolution. De drukpers maakt van privé informatie een publieke zaak. Harde feiten komen, ook volgens Wootton, tot stand door de drukpers.

Niet iedereen die een stem heeft leest boeken of tijdschriften. De meeste stemmen horen we via het klankbord van de sociale media. Een kwart van de Nederlanders kan noch lezen, noch schrijven. De rest heeft meestal geen tijd om zich langer dan een paar seconden op iets te concentreren. Het uiten van een mening is het delen ervan, een druk op een knop. De harde feiten worden gemaakt in de machine van de sociale media. Wie heeft nog tijd achter de woorden te zoeken naar de bron, naar de verwoording? Dat niet alleen de wetenschap, maar ook de democratie bedreigd wordt heeft daarmee te maken dat de idee van democratie verengd wordt tot de idee dat ‘de meeste stemmen tellen’ en dat de partij of de man/vrouw die de meeste stemmen binnenhaalt bij de verkiezingen de macht wordt toegekend. Zo baart de democratie haar eigen ondergang in de vorm van de autoritaire dictatuur. In de plaats van het debat waarbij de focus ligt op de zaken waar het in het leven werkelijk om gaat, gaat het bij deze verwording van de democratie om het manipuleren van de mening van het volk door middel van het aanleggen van oppervlakkige associaties in beeldvorming via de media.

De antropoloog en wetenschapsfilosoof Bruno Latour constateerde dat hij terecht was gekomen in het kamp van degenen die de wetenschap de rug toekeren, waaronder complotdenkers en klimaatontkenners. Mensen die het met de feiten niet zo nauw nemen. Alsof Latour’s onderzoek naar het wetenschappelijke feit als sociale constructie van wetenschappers de intentie had de feiten te negeren. Terwijl hij integendeel door zijn onderzoek juist dichterbij de feiten wenste te komen. (zie Latour 2004).

De wetenschap moet het van het kritische debat hebben wil ze voortgang maken. Dit is een debat waarbij niemand bij voorbaat uitgesloten is. De enige voorwaarde voor deelname is dat de deelnemer gericht is op de waarheid. Wat niet wil zeggen dat hij deze in pacht heeft. Sommige mensen verwarren inhoudelijke kritiek op bepaalde beweringen die als wetenschappelijk zijn gepresenteerd met kritiek op de wetenschap als zodanig. Wetenschappelijke kennis zou ‘ook maar een mening zijn’.

“Het feit dat we in ons denken en handelen op geldigheid betrokken zijn, wijst op het niet-voorwerpelijke karakter van de grondslag van het menselijk bestaan. De consti-tutie van het concrete, individuele subject is mogelijk krachtens de betrokkenheid van het denken en handelen op geldigheid.”

Deze woorden betreffen de studie van de filosoof Ottho Heldring over de relatie tussen feitelijkheid en geldigheid in het denken van Max Weber, de socioloog van de rationele wetenschappelijke samenleving.

Heeft de notie gelding als het om wetenschap gaat nog een andere betekenis dan een zuiver economische, politieke? Is wetenschap een soort van religie geworden? Volgens de gelovige statisticus Ronald Meester vertelt de wetenschap verhalen, die we niet anders moeten zien dan de verhalen in de Bijbel. Is de wetenschapsfilosofie een onderdeel van een Weberiaanse godsdienstsociologie geworden?

Volgens Heldring bestaat de ziel van de wetenschap in de existentiële betrokkenheid van de individuele wetenschapper die streeft naar de geldigheid van zijn kennis. Wat ook de politieke, economische, persoonlijke motieven van de individuele onderzoeker mogen zijn, zonder die betrokkenheid op geldigheid is er geen sprake van wetenschappelijk onderzoek. De transcendentie zou ‘inherent’ zijn aan het menselijk bestaan.

Maar hoe weten we dat ‘de ander’ in zijn spreken en handelen betrokken is op deze ‘transcendente geldigheid’ en dat hij of zij niet uit is op geldigheid van politiek en/of economisch gewin? Misschien moeten we daartoe de ander kennen en is de sleutel te vinden in de intersubjectiviteit van het beoefenen van wetenschap. In wetenschap beoefend door vrije individuen, die daarin hun vrijheid en autonomie verwerkelijken. Maar minstens zo belangrijk is het ‘ken uzelf !’ Ga bij u zelf na wat u motiveert. Als iedereen dat doet dan doet ‘de ander’ het immers ook.

Niet in de mening van het geisoleerde individu dat via de sociale kanalen, waarvan de bandbreedte door het kapitaal en de politiek wordt bepaald, teksten deelt, maar in het samenleven zelf, waarvan het beoefenen van wetenschap een organisch onderdeel is. Wetenschap is altijd een gezamenlijke aktiviteit van mensen geweest die in samenwerking met de instrumenten die ze zo ontwikkelen tot nieuwe kennis en nieuwe praktijken komen. Het is een kenmerk van de kapitalistische wetenschappelijke economieën dat de verschillende aspecten van deze praktijk verdeeld zijn over verschillende instituties: wetenschap, politiek, commerciële bedrijven en de consument, instituties die opereren op een open markt waar een ‘onzichtbare hand’ de chaotische ontwikkelingen bepaalt.

“De innerlijke samenhang van geldigheid en feitelijkheid is niet alleen maar feitelijk, ook al is het een reële samenhang. We moeten deze samenhang immers inzien als noodzakelijke of zinvolle samenhang in het feitelijke. zinvolheid kan niet empirisch geconstateerd worden. Ze kan alleen maar gezien en geëxpliciteerd worden aan de hand van een voorbeeld.”

Heldring gebruikt als voorbeeld het sociologische en wetenschapstheoretische werk van Max Weber. “Zijn sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar rationalisering wordt geleid door intuïties, met name omtrent vrijheid en authenticiteit in het maatschappelijk leven van individuen. Deze intuïties zijn leidende gezichtspunten die het perspectief van het empirisch onderzoek vormen.”

De empirische wetenschap, die noodzakelijk hypothetisch is omdat ze getoetst moet worden aan de feiten, is een bepaalde vorm van rationaliteit. Deze wetenschap valt niet met rationaliteit samen. Wij reflecteren op de wetenschap. Niet alleen door haar feitelijkheid te constateren en zeker niet om daarmee haar waarde te ontkrachten, maar door te zoeken naar de bron. Die bron is de impliciete intuïtie die we in vrijheid uitspreken, zonder welke wetenschap niet kan bestaan, maar die verwoord, gedeeld en getoetst moet worden aan wat we in gemeenschap als feitelijke kennis, als kennis van feiten accepteren.

Het is zaak dicht bij onze eigen ervaring te blijven, omdat de ervaring verwijst naar een geldigheid die tot onze constitutie behoort, een niet tot iets anders te reduceren fenomeen van ons bestaan. Het is de filosofie, die reflecterend op de empirische wetenschappen en de technologie, ons voortdurend moet wijzen op onze subjectiviteit, die zich alleen kan verwerkelijken als intersubjectiviteit, in een gezamenlijke gewetensvolle gerichtheid op geldigheid en vrijheid.

De wetenschap structureert de werkelijkheid en beoefent zo het principe van haar structureerbaarheid, maar deze gaat niet op in de feitelijke historische structuren van de werkelijkheid.

Bronnen

Ottho G. Heldring (1995). Wetenschap, filosofische hermeneutiek, metafysica. In: Tijdschrift voor Filosofie, juni 1995, pp. 250-266.

De wetenschap wordt beoefend in instituties. Ze doet aan modelvorming. Hoe is het gesteld met de geldigheid van haar produkten? Is deze gedevalueerd tot zuiver economische, politieke geldigheid? Of is er nog zoiets als ‘transcendente’ geldigheid? Geldigheid die de feitelijkheid te buiten gaat.

Bruno Latour (2004). Why Has Critique Run out of Steam? From Matters of Fact to Matters of Concern. Critical Inquiry 30 (2):225-248 (2004).

“I myself have spent some time in the past trying to show “‘the lack of scientific certainty’” inherent in the construction of facts. I too made it a “‘primary issue.’” But I did not exactly aim at fooling the public by obscuring the certainty of a closed argument—or did I? After all, I have been accused of just that sin. Still, I’d like to believe that, on the contrary, I intended to emancipate the public from prematurely naturalized objectified facts. Was I foolishly mistaken?”

Ronald Meester (2000). 100%- Zin en onzin van de waarschijnlijkheidsrekening. Inaugurele rede Vrije Universiteit van Amsterdam. Verscheen in Nieuw Archief Wiskunde van het Koninklijk Wiskundig Genootschap. 2000.

Op 24 maart 2000 sprak Ronald Meester zijn oratie uit bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit.

Hij besluit met:

“Om dit zelfbeeld (van de VU) te begrijpen is het nodig om eerst te citeren uit de doelstelling van de Vrije Universiteit: “al haar arbeid in gehoorzaamheid aan het Evangelie van Jezus Christus te richten op het dienen van God en zijn wereld”. Dat is nogal wat, en velen onder u zullen hier niet mee uit de voeten kunnen. Persoonlijk zou ik ook een iets bredere omschrijving toejuichen waarin de nadruk ligt op werken vanuit een bepaald religieus besef in het algemeen.”

Ronald Meester (2022). Wetenschap als nieuwe religie: hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde. Uitgeverij Ten Have, Utrecht, 2022.

Rechtse politici als Gideon van Meijeren van Forum voor Democratie zagen in Meester een medestander van hun kritiek op de wetenschap die in hun ogen ook maar een kwestie van geloven is.

Zie ook mijn blog: De wiskundige modellen vanuit het religieuze besef van Ronald Meester

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.

About the historical, cognitive development of ‘science’. Wootton makes the interesting ‘observation’ that before 1700 facts as we know them now did not exist. From this we may conclude that information as we know it didn’t exist either. Facts and information are historical inventions.