Wat is alles? Is alles informatie?

“Zijn is informatie” (Luciano Floridi)

Tussen de werkelijkheid die de receptiviteit gegeven is, en de betekenis die deze werkelijkheid kan krijgen, schijnt een onderscheid te bestaan.” (Emmanuel Levinas)

In dit stukje bespreek ik het werk van Professor Luciano Floridi, filosoof van het informatiebegrip. Hij beweert dat alles informatie is. Maar wat is dat?

Het is een sleutelbegrip van onze hedendaagse westerse cultuur. Daarom is het van belang te snappen wat dit begrip inhoudt. Hoe wordt alles opgevat als alles informatie is? Ik hoop in dit stukje een bijdrage te leveren tot het begrip dat de lezer die met mij meedenkt van informatie heeft. Daarmee leveren we niet alleen een bijdrage aan het project van Professor Floridi, maar tevens aan het zelfbegrip van onze tijd.

Naast de woorden informatie en gegeven komen een aantal woorden frequent in onderstaande tekst vaak voor. Dat zijn: kwantiteit, structuur, onverschilligheid, uitwendigheid, (on)betrokkenheid. Ze kenmerken een mathematische denkhouding en een daarbij behorende benadering van de werkelijkheid. Diverse denkers over informatie hebben opgemerkt dat informatie ‘een verschil is dat iets uitmaakt’. Informatie heeft met ‘nieuws’ te maken, met het opmerkelijke.

We vermoeden dat informatie als zodanig aan de mathematische sfeer die gekenmerkt wordt door uitwendigheid en onverschilligheid ontsnapt. Iedere poging informatie weer op mathematische wijze te begrijpen zal dan ook tekort doen aan de werking en de werkelijkheid van informatie. Vanuit dit vermoeden en met deze waarschuwing op zak bespreek ik Floridi’s filosofie van informatie.

Floridi (2007) wijst op het nieuwe van het woord “informatie”.

““Information” is one of those crucial concepts whose technical meaning we have not inherited or even adapted from ancient philosophy or theology. It is not a Greek word, and the Latin term happens to have a different meaning, largely unrelated to the way we understand information nowadays.”

Maar volgens de etymologie komt het woord ‘informatie’ van het Latijnse woord ‘informare’, dat vormgeven betekent. En dat lijkt toch wel degelijk verwant aan ons informatiebegrip.

Het Griekse woord ‘technè’ betekent kunde of kunst. Paradigmatisch is het pottenbakken, de kunst waarmee klei een bruikbare vorm gegeven wordt. We zouden met een latijns woord dit vormgeven ‘informeren’ kunnen noemen. En zo is iedere techniek eigenlijk al informatietechniek, het uitdrukken van een (conceptuele) vorm in de materie (zie Fleischhacker 1992).

De techniek heeft een ontwikkeling doorgemaakt: in plaats van klei als materiaal wordt in de computer informatie als materiaal verwerkt. Daaruit blijkt het reflexieve en algemene karakter van de moderne technologie: de informatietechnologie is de technologie van de technologie. Informatie heeft betrekking op een toestand en wordt tevens gepresenteerd door een toestand van een als systeem gedacht deel van de werkelijkheid. Het gaat om toestanden formeel genomen, toestanden als toestanden. Bij informatiesystemen hebben te maken met fysische systemen met toestanden die staan voor mentale denkinhouden die als toestanden van denksystemen (wiskundige modellen) worden opgevat.

De taal als expressie en communicatiemiddel is nauw verbonden met informatie. Het is door middel van taal dat wij informatie uitwisselen. In taal komt het denken als denken tot uitdrukking. Anderzijds is het zo dat als we een verschijnsel beschrijven als het uitwisselen van informatie dan is er ook altijd sprake van een codering of taal.

Woorden zijn klanken, door de stem gevormde geluiden, die gebruikt worden en ontstaan zijn om ergens de aandacht op te vestigen of die uiting zijn van een (innerlijk) beleven dat de aandacht vraagt. Het is een eenheid van materie en vorm dat in het gebruik verwijst naar iets, de betekenis, als een min of meer beoogd effect. Het woord herinnert aan deze oorsprong en leent zich voor (her)gebruik. Het woord is beeld dat voor iets anders staat.

Informatie is een fascinerend begrip omdat het reflexief is: het betreft (een resultaat van) het denken van de werkelijkheid zoals deze door ons bedacht, gevormd is.

Omdat informatie over een denker informatiever is wanneer we zijn denken vergelijken met dat van een andere denker zal ik het werk van Professor Floridi confronteren met het denken van een andere filosoof, G.W.F. Hegel. Niet dat deze denker zich expliciet over informatie heeft uitgesproken, maar omdat we in zijn denken (met name in zijn Wissenschaft der Logik) verschillende aanknopingspunten kunnen vinden die tot verheldering van het informatiebegrip leiden. Daarbij zal ik dankbaar gebruik maken van de lessen en teksten van mijn leermeester de wiskundige, logicus en filosoof Louk Fleischhacker die mij tijdens mijn studie wiskunde en informatica heeft ingevoerd in het denken van deze soms moeilijk te doorgronden Duitse filosoof. In zijn colleges ging het erom inzicht te krijgen in de eigen aard van het wiskundig denken. Belangrijk omdat het zo wijdverbreid en bepalend is voor de moderne tijd. Ik vermoed dat we pas goed zullen begrijpen wat informatie is wanneer we begrijpen wat ‘uitwendigheid’ inhoudt en wat die eigen aard van het mathematische denken is.

G.W.F Hegel, L.E. Fleischhacker en L.Floridi

De wiskunde wordt vanouds geprezen vanwege de onveranderlijke waarde van haar waarheden. Dat heeft alles te maken met de aard van de wiskundige objecten. Die zijn onveranderlijk en bovendien onafhankelijk van de zintuiglijke waarneming. Wat niet wegneemt dat de zintuiglijke waarneming basis is voor de wiskundige begripsvorming. Maar niet het zintuiglijke als waarneembaar is de bron, maar het structurele, het kwantitatieve aan de waarneembare werkelijkheid.

Wiskundige objecten en waarheden zijn niet aan slijtage onderhevig. Wat wel aan slijtage onderhevig is dat is de materie, deze verandert voortdurend van vorm. Dat geldt in het bijzonder voor informatie. Hoe kan het dan dat de toepassing van de wiskunde zowel op theoretische wijze in de natuurwetenschappen als op praktische wijze in de techniek zo succesvol is? Of moeten we misschien vraagtekens plaatsen bij dat vermeende ‘succes’ van de toepassing van het mathematische denken? Waar vinden we in de werkelijkheid iets dat dit denken een halt toeroept, een werkelijkheid die niet door door denken begrepen kan worden? Het leven?

Inleiding in het denken over verandering

Lang geleden dacht men dat rupsen en vlinders geheel verschillende dieren waren. Het duurde duizenden jaren voordat mensen erachter kwamen dat de kruipende, dikke rups later in zijn leven verandert in een fladderende, tere vlinder.” (De Vlinderstichting)

Het bijzonder van de diersoort mens is volgens de Franse filosoof Henri Bergson dat deze zich af en toe even kan bevrijden uit het driftige leven waarin de dieren gevangen lijken te zitten en van de overlevingsdrang die hem tot arbeid en het maken van steeds maar nieuwe technologie aanzet. De mens vindt af en toe tijd en aanleiding om waarom te vragen. Vooral nu die technologie een vorm heeft gekregen waarin de mens zichzelf als arbeider en berekenend denker tegenover zich ziet. De autonome technologie bevrijdt de mens van de arbeid zodat hij tijd heeft om in het rijk der vrijheid na te denken. Tevens houdt de technologie hem een spiegel voor.

Hoe zijn we hier gekomen?

In het begin was er niets. Zo wordt wel gedacht. Maar hoe kan uit niets iets ontstaan? Is dan de vraag. Misschien was er geen begin. Is er altijd wel iets geweest. Verandering? Maar dan moet er iets zijn dat verandert, iets dat iets anders wordt. Dat betekent dat er een verschil moet bestaan tussen het ene wat het was en het andere wat het wordt. In hoeverre, in welke zin, zijn die twee, dat ene en dat andere, er al voorafgaand aan de verandering? En bovendien moet het zo zijn dat datgene wat verandert in zekere zin onverschillig is tegenover dit ene en het andere, het blijft in die verandering immers zichzelf; het iets dat verandert. Het stoot zich als het ware af van de uiterlijke eigenschappen die het heeft.

Wat is het dat van rups vlinder wordt? Er kunnen wel tegelijkertijd rupsen en vlinders zijn, maar kan het leven tegelijk rups en vlinder zijn? De rups is niet vlinder en de vlinder is niet rups. Of is dat te verstandelijk en oppervlakkig gedacht? Toont de werkelijkheid dan niet dat de rups vlinder wordt, zoals het eikeltje een eik. Maar dan moet de rups toch in aanleg al vlinder zijn geweest.

De natuur kent geen sprongen. Wordt wel gezegd. Er is geleidelijkheid in de verandering. Maar water kan toch plotseling ijs worden en wanneer wordt het virus dat dode materie is een levend iets?

“Men probeert maar al te graag in de geleidelijkheid van de overgang een verandering begrijpelijk te maken; maar de geleidelijkheid is de louter onverschillige verandering, het tegendeel van de kwalitatieve verandering. In de geleidelijkheid is veeleer de samenhang van de beide realiteiten – ze worden als toestanden of als zelfstandige dingen opgevat – opgeheven; het is gesteld, dat geen ervan de grens van de ander is, maar dat de een de ander slechts uiterlijk is; hiermee wordt juist dat wat we nodig hebben voor ons begrip, ook al is daarvoor nog maar weinig vereist, verwijdert.” (Hegel, WdL I, p. 438, eigen vertaling) .

Dat we de metamorfose van vlinder en rups niet echt begrijpen hoe diep we ook duiken tot in de kleinste cellen van het leven, dat geldt niet alleen voor deze specifieke bestaanswijze en verandering. Het onbegrip, dat we soms het toevallige noemen tegenover het wetmatige, regelmatige van de natuur is volgens Hegel een logische noodzakelijkheid, het hoort bij het denken van de werkelijkheid.

De basis van informatie is het gegeven. Een gegeven is iets dat het verschil maakt (Floridi 2014). Om verschil te kunnen maken met iets anders moet het zelf ook iets zijn. De 0 en de 1 zijn zelf ook iets, ze zijn daarin niet volledig bepaald door het onderscheid met het andere. Ook al maakt het niet uit of we dit en dat nu 0 en 1 of 1 en 0 noemen, als we het maar kunnen onderscheiden. Maar we moeten wel kiezen en daar aan vasthouden! Om te kunnen bepalen, vastleggen, wat iets zelf is, in onderscheid van het andere, moet dat andere ook bepaald zijn, als achtergrond waar tegen het gegeven oplicht.

Informatie is gedateerd, de werkelijkheid van nu waarop ze betrekking heeft, is niet meer die van gisteren. In de krant van vandaag wordt morgen de vis verpakt. Wil informatie iets zijn dan moet ze boven de vluchtigheid van de tijd uitsteken. Ze moet iets algemeens zeggen. Haar inhoud moet abstract zijn. Wie informatie wil delen moet, hetzij direct, hetzij indirect, refereren naar dezelfde werkelijkheid, de uiteindelijke maat van de informatie.

Bij Hegel is de kwantitatieve bepaling een onverschillige bepaling. In zoverre het zo is dat de bepaalde grootte van iets niet wezenlijk is is het ‘slechts kwantitatief’, onverschillig. De maat is de eenheid van kwaliteit en kwantiteit. Een verandering van grootte kan wel degelijk een wezenlijk, kwalitatief verschil maken. Wanneer we iets meten leggen we een ideële maateenheid (een vastgestelde, conventie) op aan datgene waarvan we de maat nemen. Deze kamer is drie meter breed. In de wei staan drie paarden. Het resultaat van het meten is informatie. Het zijnde heeft een kwalitatief en een kwantitatief aspect. In de maat geeft het gegeven zijnde iets van zichzelf prijs; eigenschappen. Pure uitwendigheid (wat onverschillige bepaling is aan het zijn zelf, Hegel) wordt uiterlijkheid, een verwijzing naar iets kwalitatiefs.

Informatie betreft de kwantitatieve uitdrukking van iets kwalitatiefs. Daarom is het niet hetzelfde als kennis, omdat niet alle kennis op een kwantitatieve wijze is uit te drukken. Wezenlijke kennis, kennis van het wezen, niet. Informatie wordt wel subjectloze kennis genoemd. Informatie zegt iets over de werkelijkheid zonder dat de spreker daar zichzelf in betrekt. De inhoud van informatie is onafhankelijk van degene die de informatie verstrekt. Informatie wordt in een vastgelegde taal uitgedrukt en overgedragen. Een dergelijke taal heet ook wel code. Binnen een beroepsgroep spreekt men vakjargon. De machine heeft een eigen programmeertaal waarin vastgelegd wordt in welk format gegevens (data) worden ingevoerd en uitgevoerd.

Ook in (Floridi 2014) komen we de drie aspecten van informatie tegen: er zijn gegevens, deze hebben een vastgelegd format en de gegevens hebben betekenis.

Iets wat betekenis heeft is een teken. Om als teken te worden gezien moet iets worden opgemerkt. Wanneer we in het zand een opmerkelijke structuur zien dan vermoeden we dat het iets betekent, dat er een verklaring voor is. Zodra we die verklaring gevonden hebben geeft de tekening informatie. Het kan verwijzen naar een fysische oorzaak, maar ook naar een bedoeling. Het kan bedoeld zin als een aanwijzing voor iemand.

Floridi onderscheid ‘omgevingsinformatie’. Dat zijn gegevens die ‘hun eigen semantiek hebben onafhankelijk van een intelligente entiteit die ze produceert of verstrekt.” (p. 28). Een voorbeeld dat Floridi geeft zijn de jaarringen in de stam van een boom, aan de hand waarvan je de leeftijd van de boom kunt aflezen. Voor omgevingsinformatie zijn twee systemen nodig a en b die gekoppeld zijn. Die hebben beide een kenmerk a:F en b:G. De verbinding tussen die twee laat de waarnemer van a:F zien dat b in toestand G is. De verbinding tussen a en b is een wet of regel. Floridi noemt de lakmoesproef als voorbeeld om te bepalen (meten) of een vloeistof basisch of zuur is. (p. 38) Het ene betekent het andere. Maar soms zegt Floridi is er helemaal geen betekenis in het spel. “Zulke informatie kan bestaan uit netwerken of patronen gecorreleerde gegevens die moeten worden opgevat als zuiver fysieke verschillen. Planten, dieren en mechanismen kunnen praktisch gebruik maken van omgevingsinformatie, zonder semantische verwerking van gegevens met betekenis.”(p. 39) In het hoofdstuk dat over biologische informatie gaat komt Floridi terug op dit moeizame begrip omgevingsinformatie.

In dat hoofdstuk wordt een onderscheid gemaakt tussen: a) informatie als werkelijkheid (de jaarringen), b) informatie voor de werkelijkheid (instructie, algoritmes) c) informatie over de werkelijkheid.

Een vooralsnog duistere term die Floridi introduceert is ‘semantische inhoud’. “Informatie in de zin van semantische inhoud komt voor als instructie en als feit.

Het knipperen van een dashboard lampje kun je ‘vertalen in semantische inhoud’: a) als instructie om iets te doen, de accu vervangen of b) als feitelijke informatie – de accu is leeg.

Instructie kan omgevingsinformatie zijn, daarover meer in het hoofdstuk over biologie, of semantische inhoud. Dat hangt ervan af of “betekenis een vereiste functie is”. (p. 40). Bij een instructie is er geen situatie of toestand waarop de informatie betrekking heeft. Een instructie dient om een toestand tot stand te brengen. Voorbeeld: als het bi-metaaltje in de waterkoker de stroomkring onderbreekt stopt het verwarmen. Dat kan worden geïnterpreteerd als instructie-informatie. Maar ook als iemand een instructie geeft om iets te doen is er sprake van instructie-informatie.

Volgens Floridi komen in toverspreuken beide: instructie en feitelijke informatie samen. Hiermee bedoelt hij waarschijnlijk zoiets als “Sesam open u”, door de instructie wordt waargemaakt wat er gezegd wordt. Het zijn bijzondere performatieve uitingen, uitingen die door ze uit te spreken hun bedoeling als vanzelf realiseren. Is dat niet precies wat we doen als we een geprogrammeerde machine een opdracht geven? Maar vindt de fysische realisatie niet plaats als bij toverslag maar door middel van de fysische processen in de door ons gemaakte machine die met het uitspreken van de instructie in gang worden gezet. De machine die onze taal lijkt te verstaan heeft iets magisch als we vergeten hoe dit ‘verstaan’ door middel van een ingenieus door ons bedachte constructie tot stand komt. Dit vergeten maakt ook precies de zin van de techniek uit. Het gaat de gebruiker om het doel en niet om de listige wijze waarop dit wordt bereikt. Gebruiksvriendelijke techniek is techniek die simpelweg functioneert en zich niet opdringt aan, maar verborgen blijft voor de gebruiker.

Instructies zijn niet waar of onwaar. Feitelijke informatie kan waar of onwaar zijn. Het gaat bij feiten dus kennelijk om informatie als een bewering die betrekking heeft op een stand van zaken.

Floridi noemt dit ‘feitelijke semantische informatie’. Hij geeft daarvan de volgende definitie.

“p kan feitelijke semantische informatie worden genoemd mits deze bestaat uit goed geformeerde, waarachtige gegevens met betekenis”

Floridi zegt dat we dit niet moeten verwarren met ‘feitelijk semantische inhoud’. Die kan onwaar zijn. Semantische informatie die feitelijk is is per definitie ook waarachtig.

Onware informatie is schijn-informatie. Het is geen informatie. Onware of schijn-informatie is informatie waarvan de semantische inhoud onwaar is.

In het hoofdstuk over biologische informatie merkt Floridi op dat genetische informatie nauwelijks beschouwd kan worden als ‘semantisch informatie in preciese zin’ (p. 86). Omdat ze daarvan geen enkele kenmerkende eigenschap heeft: opzettelijkheid, intentionaliteit en waarachtigheid. De genen zijn de code zelf. “Genen versturen geen informatie, zoals dat gaat bij radiosignalen.” Genen dragen geen informatie zoals een postduif een bericht meedraagt.” (p. 86). Genen zijn een soort van performatief, ze beschrijven niets, maar doen iets.

Meten

Meten komt in verschillende vormen voor. Het stellen van een vraag is een meting. Denk aan een enquete of een gesloten interview waar standaardvragen gesteld worden, eventueel multiple-choice-vragen. Kant had het over de zekere gang van de experimentele wetenschapper die de natuur bevraagd. Informatie is het antwoord op een vraag, wordt wel gezegd. Ook aanwijzen is een vorm van meten. Daarmee bepalen we iets door middel van de plaats in de ruimte. Welke? Die daar. Dat werkt als je de ruimte waarin gewezen wordt deelt. Door een gemeenschappelijke taal kunnen we identificeren wat we bedoelen, aanwijzen.

Ook het waarnemen is een vorm van meten. Ik zie dat het regent. De onmiddellijke zekerheid van het weten dat het regent in de waarneming (beleving) levert het gegeven als onbetwijfelbare basis van de informatie die ik uitdruk in de gedachte ‘het regent’. Dat gegeven kan nog van alles betekenen, maar dat het regent is een onomstotelijk gegeven, een feit.

Informatie is geen brood

Informatie is een economisch goed (commodity). In die zin is het vergelijkbaar met andere economische waren (schaarse goederen waaraan behoefte is, waar vraag naar is en die verhandeld worden), zoals brood. Het belangrijke verschil zit hem in het feit dat terwijl een brood hetzelfde brood blijft onafhankelijk van wie het brood bezit, informatie niet op deze wijze bestaat buiten degene die over de informatie beschikt. Je kunt niet over informatie spreken alsof het iets bepaalds is buiten het feit dat je de informatie hebt. Dit heeft informatie gemeen met kennis. Je kunt niet over iets spreken als iets als gekend zonder dat iets ook daadwerkelijk te kennen. Informatie wel ‘subject-loze kennis’ genoemd. Juist daarom is het verhandelbaar, omdat het onafhankelijk is van degene die de informatie heeft geproduceerd.

Wanneer we dus informatie kopen betalen we geld voor iets waarvan we niet weten wat het waard is. (De andere kant van deze interactie is dat we ook niet weten wat het ‘geld’ waard is.) Je zou kunnen tegenwerpen dat we dan ook geen informatie verhandelen, maar gegevens, data. Maar wat heb je aan gegevens die je al hebt? Hoe kun je voor de koop bepalen of je de data al hebt? Op grond van informatie over de gegevens, meta-informatie. Die zegt waar de informatie betrekking op heeft en mogelijk hoe het verkregen is. Uiteindelijk moet er vertrouwen zijn in de informatiebron op het moment dat de informatie wordt gegeven. Een filosofie van informatie behoort tot de filosofie van de intersubjectiviteit. Iedereen kan zeggen “ik beloof morgen te komen”, maar dat is nog niet beloven. Niemand anders dan ik kan voor mij iets beloven. De bewering “hij belooft morgen te komen” is geen belofte.

Paradoxen van informatie

Wanneer we informatie, de uitdrukking van iets kwalitatiefs op kwantitatieve wijze, als iets kwantitatiefs gaan specificeren en de inhoud (dat is de kwaliteit) ervan gaan meten, dat is in een mathematische structuur uitdrukken, dan komen we in de problemen. Dit leidt tot paradoxen. Het klassieke voorbeeld is de paradox van de kaalkop of van de hoop (sorites).

Uit hoeveel graankorrels bestaat een hoop. En als ik een korrel weg neem? En dan nog een? Hegel bespreekt de paradoxen in het hoofdstuk over de maat.

“De verlegenheid, de tegenspraak die resulteert, is geen Sofisme in de gebruikelijke zin van het woord, alsof zo’n tegenspraak een valse voorspiegeling zou zijn. Het valse (onware) is wat de aangenomen ander, dat is ons gewone bewustzijn, begaat, namelijk de kwantitatieve bepaling slechts voor een onverschillige grens te houden, dat wil zeggen deze als kwantiteit te nemen. Deze aanname wordt door de waarheid, waartoe ze gevoerd wordt moment van de maat te zijn en met de kwaliteit samen te hangen, tegen gesproken. Wat weersproken wordt is het eenzijdig vasthouden aan de abstracte kwantumbepaling.” (Hegel WdL I , p. 398. mijn vertaling)

Het is de list van het technische begrip die de dingen bij hun kwantitatieve, onverschillige, moment, als kwantum vastpakt om ze te veranderen. Zo kunnen we op technische, dat is uitwendige wijze, door het toepassen van een algemene regel of methode, voor ons betekenisvolle veranderingen te weeg brengen.

In de informatietheorie kennen we de Bar-Hillel Carnap paradox. Deze is het gevolg van een verwarring van modaliteiten: mogelijkheid en noodzakelijkheid. Deze verwarring leidt er toe waarheid en onwaarheid als grensgevallen van kansen te zien (wat waar is heeft kans 1, wat onwaar is heeft kans 0) hetgeen gebruikelijk is in mathematische theorieën van waarschijnlijkheid.

De paradox komt voort uit de gedachte dat een zin informatiever is naarmate deze meer mogelijkheden uitsluit (het ‘selectieve’ informatiebegip). Stel iemand heeft in gedachte een getal onder de 10. Je mag door ja/nee vragen het getal zien te achterhalen. Het antwoord op de vraag “is het getal kleiner dan 5?” is informatiever dan het antwoord op de vraag “is het 5?”. De eerste sluit de helft van de mogelijkheden uit, de laatste slechts één mogelijkheid.

De tautologie “Het regent of het regent niet” zegt niets over de toestand van de wereld. Het is logisch waar. Omdat ze niets over de feitelijke wereld zeggen zou je ze ook geen kans moeten toekennen. Wanneer je dat echter wel doet volgen paradoxen. De verwarring zit hem er in dat het feit niet als feit tegenover de mogelijkheid wordt gezien maar realisatie van een mogelijkheid, iets dat ook niet het geval had kunnen zijn. We stelden hier boven al dat een gegeven niet slechts bepaald is in onderscheid van wat niet gegeven is, (als kwantiteit) maar wat het ook had kunnen zijn (zoals Shannon zijn begrip informatie opvat) maar dat het zelf ook iets positiefs moet zijn, een kwaliteit moet hebben. Als het een feit is dat Cesar de Rubicon over is gestoken dan kan het niet zijn dat hij dit niet heeft gedaan. Een mathematiek van informatie die informatie, hetgeen wezenlijk een verhouding is van een kwaliteit en kwantiteit, op kwantitatieve wijze wil uitdrukken zal daarom tekort schieten als uitdrukking van het informatie-begrip.

Professor Floridi en anderen hebben gemeend deze paradoxen van de semantische informatie te kunnen omzeilen door van informatie te eisen dat deze waar is. In een mathematische theorie van ware informatie (Strongly Semantic Information) is de aanname a) dat de informatiebron betrouwbaar is, b) dat het communicatiekanaal storingsvrij is (geen ruis) en c) dat de ontvanger kennis heeft van de werkelijkheid w waarop de informatie betrekking heeft (Floridi 2004,2007). Daarmee haalt Floridi de angel uit het wespennest van de handelswaar. Het zijn precies de condities die maken dat er geen sprake meer is van informatie zoals dit begrip in de wereld van de informatieverwerking leeft. Het gaat hier precies om een meten van de inhoud van informatie vanuit het gezichtspunt van een formele buitenstaander, buiten de interactie om. Alsof het mogelijk is de inhoud van informatie te bepalen zonder die informatie zelf te hebben.

Formele kennistheorieën leiden noodzakelijk aan dit zelfde euvel: de wens om als buitenstaander iets over kennis als resultaat van interactie te zeggen. Vanuit zo’n formeel standpunt verdwijnt het verschil tussen informatie en kennis. Een onderscheid waaraan we toch nog even willen vasthouden. (Je kunt nog zoveel informatie over iemand hebben, dat wil niet zeggen dat je hem of haar ook kent.) De bewering dat kennis waar geloof is (truthful belief) gaat uit van een objectief belief. Alsof je iets kunt geloven dat je niet voor waar houdt ! Als je iets gelooft dan geloof je dat dat waar is. Deze formele theorieën gaan dan ook over reconstructies van kennis en geloof die als reconstructie de oorspronkelijke, dat is: de werkelijke, concrete, inhoud van deze begrippen, vernietigen.

Hierboven had ik het over de “verwarring van modaliteiten: mogelijkheid en noodzakelijkheid”. Wat bedoel ik daarmee?

De deelbaarheid is slechts een mogelijkheid en die gaat als mogelijkheid niet op in het feitelijk bestaan van de delen. Aristoteles en Hegel verschillen soms in hun opvattingen over de kwantiteit als deelbaarheidsbeginsel van de stoffelijke zijnden, maar hierover zijn ze het eens. (zie Fleischhacker, Over de grenzen van de kwantiteit, p. 131).

Is het niets dan misschien in aanleg al iets geweest? Dan was het dus niet helemaal, niet absoluut, niets! Dan moet het niets dat er al was iets van dat zijn waarin het niets is, als in een omgeving, in zich hebben opgenomen om iets te worden. Zoals de vlinder iets uit de omgeving, energie, in zich op moet nemen om in leven te blijven, eitjes te leggen en rups te worden.

Waarom is er iets (en niet veeleer niets)?

Dat is de eerste (metafysische) vraag. Daarover kunnen we kort zijn. Het kortste antwoord is: daarom. Dit antwoord verwijst terug naar de vraag. Als er niets was, was deze vraag er ook niet. In zekere zin impliceert de vraag stellen al het antwoord erop. Maar vraagt de waaromvraag niet naar een reden of oorzaak? Ja, maar die reden of oorzaak, hoe we het ook noemen, is toch zelf ook. Is die dan onderscheiden van het zijn waarvan het de reden of oorzaak is? Nee, als er al iets is, dan moet dat ook zelf reden of oorzaak zijn. Het zijn is dus reden of oorzaak. De vraag is veroorzaakt door het zijn. Dat tevens het antwoord op de vraag is. Het zijn is dus eigenlijk de vraag naar het waarom ervan. Dit roept de vraag op naar de relatie tussen het zijn en de vraag naar het waarom ervan. Die twee zijn in zekere zin hetzelfde (zoals we eerder concludeerden) maar ook onderscheiden. De vraag veronderstelt het bestaan van een vrager en een bevraagde. Of op zijn minst suggereert de vraag het bestaan van die twee. Maar hiermee zijn we al op weg naar een antwoord op de tweede vraag, de vraag waar we het hier over willen hebben.

Je zou kunnen tegenwerpen dat het antwoord op deze eerste vraag wel heel erg afhankelijk is van het stellen van de vraag zelf. Zonder de vraag zou dit antwoord er niet zijn. Daar zit wat in. De vraag is dan ook niet zomaar een vraag. Het is niet een vraag zoals : waarom ruikt het hier naar mest? Het antwoord: “daarom: als het niet naar mest zou ruiken zou de vraag niet gesteld worden” is niet acceptabel. Dat ligt al anders bij de vraag: waarom ruikt het? “Omdat het ruikt.” verwijst zowel naar dat wat er geroken wordt als naar de ruiker. (Het woord ‘ruiker’ wordt ook gebruikt voor een bos bloemen, die ruikt.) Zijn is weliswaar niet geroken worden, maar wel waargenomen worden. De eerste vraag is uiting van verwondering, van bewustzijn van hetgeen we waarnemen: het zijn: er is iets dat is. Maar waarom? Daarom.

De tweede metafysische vraag is: Wat is alles? Ofwel: wat is dat waarvan we zeggen dat het is. Dit is de vraag naar een nadere bepaling van het zijn waarvan we weten dat het is. Dit vooronderstelt dat wat is bepaalbaar is. Verschillende denkers hebben uitgedrukt wat het zijn is. Zijn is getal zijn. Zijn is God zijn. Zijn is leven zijn. Zijn is begrip. Een moderne hedendaagse opvatting is dat alles informatie is. Zijn is informatie. Moeten we tussen al deze historische bepalingen van het bepaalbare zijn een keuze maken? Dat doe ik niet. Ik stel mij verzoenend op en vat al deze uitingen op als uitingen van een inzicht in het zelfde zijn. Alle wetenschappers streven naar dezelfde waarheid. Ik ga er dus vanuit dat het zijn zowel getal, als God, als vraag, als antwoord, als leven, als ook informatie is. Hoe kan het zijn al die verschillende bepalingen hebben? Omdat deze verschillende inzichten getuigen van een verschillend perspectief op zijn. Dat perspectief, dat cultureel, historisch bepaald is, maakt hoe het zijn zich toont. Een perspectief is als het ware een manier van vragen naar het zijn. Een verzoenende bepaling probeert de verschillende bepalingen van het zijn in het gekozen perspectief te zien.

Wat hebben die verschillende bepalingen van zijn met elkaar te maken? Hoe kan iets zowel leven zijn en ook begrip en informatie tegelijk? Omdat bijvoorbeeld leven zich onder een bepaald perspectief als informatie, onder een ander perspectief als begrip toont. En omdat informatie zich als leven, of als begrip toont.

Dit is dus anders dan bij de bekende dubbelzinnige tekening die zowel als tekening van een hazekop als van een eendekop gezien kan worden. De haas is niet een eend en de eend is niet een haas. De relatie tussen de tekening, de lijntjes op papier, en dat wat het voorstelt is puur uitwendig, toevallig, zoals bij ambigue woorden zoals ‘bank’. Bij de relaties tussen zijn en leven en zijn en informatie gaat het om veruitwendigingen van het zijn, niet om uitwendige bepalingen die het zijn niet aan zouden gaan, zoals het teken als fysisch iets de betekenis die er aan toegekend is niet aangaat.

We zullen niet teveel hooi op de vork nemen en ons hier beperken tot twee bepalingen van zijn: zijn als leven en zijn als informatie. Die begrippen lijken heel erg ver uit elkaar te liggen maar daar denken de bioinformatici en mathematisch biologen en sommige theoretisch fysici anders over. (zie bijvoorbeeld Floridi 2014).

Als alles informatie is en als het leven is, dan moet het leven informatie zijn. Omgekeerd: als alles leven is en informatie is, dan moet informatie leven zijn. Hoe kunnen we dit begrijpen? De volgende denkexercitie is bedoeld meer inzicht te krijgen in deze twee sleutelbegrippen van ons bestaan. Ik neem daarbij als eerste leidraad het werk van de filosoof Professor Luciano Floridi (geb. 1964) die het zijn als informatie heeft bepaald. De tweede leidraad vind ik in het werk van de filosoof G.W.F. Hegel (1770-1831), voor wiens denken het begrip leven een sleutelbegrip is. Wat deze twee filosofen gemeen hebben is dat ze wetenschappelijke filosofen zijn. Kennis en wetenschap (science) zijn kernthema’s in hun denken. Opdat er werkelijk sprake is van kennen, moet de werkelijkheid gekend zijn. De wetenschapper gaat uit van de kenbaarheid van het zijn. Voor Hegel en zijn tijdgenoten was de natuurwetenschap (Newton’s science) het meest aansprekende voorbeeld van wetenschap. De filosoof Hegel stelde zich als doel deze wetenschap te begrijpen. De experimentele mathematische natuurwetenschap construeert modellen waarin ze de werkelijkheid probeert af te beelden. Er is sprake van kennis wanneer er geen verschil meer is tussen model en werkelijkheid. Althans geen verschil meer dat er inhoudelijk toe doet. Model en werkelijkheid verschillen weliswaar in wijze van zijn, maar daar zien we van af als we vanuit het perspectief van de wetenschap ernaar kijken. De andere kant van deze onverschilligheid vinden we daar waar het verschil er wel toe doet, dat betekenisvol is: in de wereld van de informatie.

Het grote succes van de experimentele natuurwetenschap, waarin het mathematisch concept als beeld tegenover de fysische realiteit staat, is de praktische werking ervan: dat is de werkelijkheid als resultaat van haar toepassing, de concrete confrontatie van het abstracte begrip met de werkelijkheid. De wetenschappelijke modellen functioneren in de technische constructies. Het meest expliciet in de programmeerbare automaten. De kunstmatige intelligentie als realisatie, als werkende wetenschap, roept de vraag weer op naar het verschil tussen deze vorm van intelligentie en de oorspronkelijke intelligentie. De technische simulaties lijken zo op de echte dingen dat ze de vraag oproepen naar de echtheid, naar de oorspronkelijkheid der dingen. Kennelijk is de buitenkant, de verschijningsvorm niet de uiteindelijke maatstaf.

Een Encyclopedie van het Informatiebegrip

In het begin van dit artikel had ik het over ‘het werk van Professor Luciano Floridi’. Dat werk is allerminst af.

De onderdelen van Floridi’s tetralogie over het informatiebegrip (bron personal website)

Professor Floridi heeft zich als doel gesteld een encyclopedie in de vorm van een tetralogy van de informatie te schrijven. Zijn Principia Philosophiae Informationis moet de beginselen van een filosofie van informatie bevatten. Zijn project beoogt in zekere zin het zelfbegrip van onze tijd, het informatietijdperk, uit te drukken. Het schema (afkomstig van zijn persoonlijke website) toont de delen ervan. Delen daarvan zijn in diverse artikelen verschenen (zie de literatuurlijst onder het kopje Bronnen). Het deel OUP 2010 is in het Nederlands vertaald in de serie Elementaire Deeltjes met als titel Informatie. (Floridi 2014) (De vertaling slaat hier en daar de plank mis. Zo komen we de term ‘echte getallen’ tegen als vertaling van ‘real numbers’.)

De informatierevolutie

In (Floridi 2014) merkt de auteur op dat we de geschiedenis van de mens kunnen vatten onder ‘het informatietijdperk’. Immers: “Zonder registratie geen geschiedenis.” (p. 9) Wat niet beschreven is en gelezen wordt, behoort per definitie niet tot de historie van de mens. De geschiedenis begint waar de mens zichzelf en anderen informeert over de gebeurtenissen in zijn leven door deze te beschrijven.

Volgens Floridi zijn we getuige van een vierde revolutie in de westerse wereld: “pas sinds heel kort zijn onze vooruitgang en onze voorspoed grotendeels afhankelijk van het efficiënt management van de levenscyclus van informatie”. (Floridi 2014, p.9)

De informatierevolutie is voorafgegaan door drie andere wetenschappelijke revoluties die zowel het zelfbeeld van de mens als dat van de wereld veranderden.

Na de Copernicaanse, de Darwiniaanse en de Freudiaanse revolutie zitten we nu (1921) midden in de informatierevolutie. De Britse wiskundige Alan M. Turing is volgens Floridi de kandidaat bij uitstek om als sleutelfiguur voor deze revolutie gekozen te worden. De Turing machine, naar hem genoemd, is een wiskundig model, een systeem, dat de theoretische basis is voor de intuïtieve begrippen programmeerbare machine en berekenbaarheid, ofwel programmeerbaarheid. Iedere functie die programmeerbaar is en dus door wat voor computer dan ook kan worden uitgevoerd of berekent, kan door een Turing machine berekend worden. En omgekeerd. Er zijn verschillende andere modellen voor het intuïtieve begrip berekenbaarheid ontwikkeld. Deze blijken allemaal gelijkwaardig te zijn met de Turing machine.

Wezenlijk kenmerk van een programmeerbare machine is dat je een deel van het systeem als programma kunt opvatten. Het onderscheid tussen functie en argument, tussen programma en data zit in het hoofd van de programmeur. En moet in het systeem worden geïmplementeerd. In de machine zijn het allebei coderingen bestaande uit rijtjes 0-en en 1-en, geheugentoestanden. Bepaalde delen van de toestand van het systeem worden als programma, andere als data opgevat. De elektromechanische constructies (hardware, logische circuits) zijn zodanig dat deze functioneren volgens de betekenis die we er aan geven.

Programmeren bestaat uit het instellen van een begintoestand. Vervolgens zorgt de automatische klok voor het ‘draaien van het programma’. De verschillende toestanden die doorlopen worden, worden door de programmeur gezien als toestanden van een rekenproces dat zichzelf in stand houdt (reproduceert).

Om het begrip morele agent te specificeren, definiëren (Floridi en Sanders, 2004) een autonome agent als een dergelijk dynamisch systeem, een systeem dat zijn eigen programma bevat. Traditioneel moet een moreel subject aan een aantal voorwaarden voldoen om morele agent te worden genoemd. Zo moet deze zelfstandig zijn: zelf in vrijheid kunnen handelen. Maar hoe bepaal je dat? Om dit lastige probleem bij het denken over moraliteit en verantwoordelijkheid te omzeilen specificeren ze een morele agent als een soort Turing machine, een dynamisch systeem dat zijn eigen programma bevat. Uiteraard lost dit het de vraag naar het wezen van de moraliteit niet op.

Soorten informatie

In de inleiding van “Informatie” citeert hij Claude Shannon die een wiskundige communicatietheorie ontwikkelde. Gezien de vele verschillende manieren waarop het woord ‘informatie’ gebruikt wordt en gezien de vele verschijningsvormen van informatie op heel veel gebieden van het denken en werken, meende Shannon: “Het valt nauwelijks te verwachten dat één concept van informatie recht kan doen aan de talloze mogelijke toepassingen van dit algemeen terrein.” (Shannon en Weaver 1949; Nederlandse vertaling in Floridi 2014, p. 7). Velen na hem, waaronder Floridi, hebben later hun twijfel uitgesproken of een unificerend informatiebegrip mogelijk zou zijn. Ook in dit werk presenteert Floridi geen unificerende theorie van het informatiebegrip. Een onbevredigende situatie. Wat zit ons denken dwars dat het maar niet lukken wil het begrip informatie helder te krijgen?

In onderstaand schema komen de begrippen ‘gegevens’, ‘feiten’ en ‘informatie’ voor. Het is een cluster dat centraal staat in het denken over informatie.

Wat is een gegeven?

Een definitie die Floridi geeft is: gegeven = een x die anders is dan y, twee niet-geïnterpreteerde variabelen (p.29).

Een concreet gegeven is iets wat je aanneemt als gegeven. Maar hoe vatten we het concreet gegeven op? Het gegeven kan betrekking hebben op een zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, maar ook op de intelligibele structuur van het zintuiglijk waarneembare, de wijze waarop wij het voor ons kennen zien. In dat laatste geval vatten we het gegeven op als teken van een structuurelement binnen een bepaalde structuur. De concrete werkelijkheid van het dashboard lampje dat brand zien we als teken dat er iets mis is. We zien het branden van het lampje als iets dat binnen een veld van mogelijke ‘toestanden’ een bepaalde plaats heeft. Dit is de wijze waarop het gegevene gezien wordt vanuit het uitwendig perspectief, van waaruit de werkelijkheid gemathematiseerd wordt.

Informatie is de betrekking van deze twee wijzen waarop we het gegeven opvatten. Bij informatie hebben we te maken met een relatie tussen een waarneembare kwaliteit en een structurele, kwantitatieve uitdrukking daarvan.

We zeggen dat informatie iets is dat je uit gegevens af kan leiden. Wat de gegevens je zeggen. De thermometer wijst 38.4 graden Celsius aan. Dat betekent dat de patient koorts heeft. Het gegeven geeft informatie over de toestand van de patiënt. We zeggen ook wel dat het een feit is dat de patiënt koorts heeft, als we menen dat het werkelijk zo is en niet alleen maar onze toevallige mening of waarneming is. We gaan uit van de betrouwbaarheid van de meting, onze waarneming. Maar we kunnen ook zeggen dat deze meting informatie geeft over de toestand van de patiënt. Wat gegeven is is ook al informatie. Gegeven en informatie zijn dus relatie-begrippen. Een feit is wat het geval is. In het schema van Floridi lijkt het alsof er twee soorten feiten bestaan: ware en onware feiten. Dat is merkwaardig. Een feit is immers iets dat werkelijk het geval is en dat is noodzakelijk zo. Als het een feit is dat ‘Ceasar de Rubicon over is getrokken’ dan is het niet mogelijk dat dat niet zo is. Ook maakt Floridi onderscheid tussen informatie, wat op ware feiten berust, en informatie die dat niet is: die informatie is onbedoeld of bedoeld onjuist. Hier is ‘informatie’ iets dat door middel van een bewering door iemand of iets medegedeeld wordt. Als de thermometer stuk is geeft deze mij misleidende informatie, als ik niet weet dat hij stuk is. Ik kan pas van misleidende informatie spreken op grond van kennis van de feiten. Ik moet dan weten wat werkelijk het geval is. Dat kan ik denken te weten op grond van andere informatie die ik betrouwbaar(der) vindt. Deze informatie kan ik ontlenen uit wat mij door waarneming gegeven is. Of informatie wel of niet waar is, is dus een kwestie van vertrouwen. Daarmee is duidelijk het informatie begrip thuis hoort in een filosofie van de intersubjectiviteit. In haar meest concrete, expliciete, vorm vinden informatie bij interacties tussen mensen en tussen mensen en machines.

Floridi onderscheidt een aantal ‘soorten’ informatie. Deze worden in aparte hoofdstukken van het deeltje Informatie besproken. Ze zijn gerelateerd aan verschillende perspectieven van waaruit we de werkelijkheid benaderen: wiskundig, fysisch, biologisch en sociologisch.

Overzicht van de structuur van informatie

Mathematische informatie: hierin gaat het over informatie in de zin van Shannons communicatie-theorie waarin informatie puur kwantitatief wordt gezien als statistisch verschijnsel. De ingenieur die het kanaal maakt en de benodigde capaciteit moet bepalen is niet geïnteresseerd in de betekenis (de eigenlijke inhoud) van de berichten. Hij telt voorkomens van tekens en woorden (de entropie van de taal) ten behoeve van een efficiënte codering. Berichten en woorden die vaak voorkomen krijgen een korte code (‘de’,’op’, ín’), zeldzame berichten een langere code (‘fietsventieldopje’). (Zie ook mijn blog Het Kanaal over de Italiaan Guglielmo Marconi.) . De ‘hoeveelheid’ informatie wordt volgens deze theorie bepaald door middel van kansrekening. Hoe zeldzamer een bericht hoe meer informatie het bevat. Dat hoeveelheid informatie iets geheel anders is dan informatie-inhoud (betekenis) daarvan was Shannon zich wel bewust.

Het begrip informatieinhoud houdt een merkwaardige verdubbeling in. Waarin onderscheidt de inhoud zich van de informatie waarvan het de inhoud is? Ook het begrip hoeveelheid informatie is onduidelijk. Hoe bepaal je de hoeveelheid van betekenis van iets? Is het begrip hoeveelheid wel van toepassing op informatie? Moeten we niet veeleer spreken van de intensiteit van informatie dan van de hoeveelheid informatie?

Semantische informatie: wat is informatie zonder betekenis? Volgens Floridi moet informatie waar zijn om informatie te zijn. In dit hoofdstuk legt Floridi de paradox van Bar-Hillel-Carnap uit en hoe hij deze oplost. Hierboven heb ik al commentaar gegeven op deze aanpak. Een ander probleem met de wiskundige informatietheorie die probeert betekenis mee te modelleren is het Schandaal van de Deductie (Hintikka). Voor de Alwetende die alle logische gevolgen van een theorie in één blik overziet (denk aan de God van Leibniz) bevat een Sudoku puzzel als opgave net zoveel informatie als de al volledig ingevulde oplossing. Het heeft geen zin voor de Alwetende de puzzel op te lossen. Ook hoeft hij geen ingewikkelde wiskundige formules uit te rekenen. Hij ziet meteen dat er 1 uitkomt. De Alwetende heeft geen computers nodig. Waarom mensen wel? Waarom wil de mens de ingewikkelde integraal nog uitrekenen? Omdat de uitkomst, zeg 1, hem meer zegt. Daarmee kan hij het gegeven passen in zijn eigen ‘praktische kennisbestand’. We zien de complexe formule als een uiterlijke vorm van de eigenlijke inhoud, de betekenis die de expressie voor ons heeft: 3 + 4 is 7. Je zegt niet ik zal even informeren hoeveel er uit komt als je een wiskunde som zelf uitrekent. Dat kun je wel zeggen als je een ander (of een computer) vraagt wat er uit komt.

Fysieke informatie. Dit gaat over de natuur van de fysica als informatie. Zoals bekend lost de materiële werkelijkheid, de natuur, in de kennisvorm van de mathematisch fysica op in wiskundige formules en modellen. Idealiter in recepten voor een computer die de fysische processen simuleren. Voor de fysicus bestaat de werkelijkheid uit informatie in de vorm van kwantumdeeltjes, kansverdelingen.

De fysicus John A. Wheeler (1911-2008) formuleerde de idee “It from bit”: alle fysische entiteiten zijn informatie-theoretisch van oorsprong.

Na vele jaren onderzoek op het terrein van de kwantummechanica (o.a. met Niels Bohr) en de informatietheorie is de vraag wat deze ons te zeggen hebben met betrekking tot de eeuwen oude vraag “How come existence?”.

“Bohr’s modest words direct us to the supreme goal: Deduce the quantum from an understanding of existence.” (Wheeler). Dit is ook de opdracht die Hegel aan de filosofie gaf: het begrijpen van de mathematische fysica als wetenschap van de natuur.

Het zijn wordt volgens Wheeler bepaald door de antwoorden op een reeks ja/nee vragen.

“No element in the description of physics shows itself as closer to primordial than the elementary quantum phenomenon, that is, the elementary device-intermediated act of posing a yes-no physical question and eliciting an answer or, in brief, the elementary act of observer-participancy. Otherwise stated, every physical quantity, every it, derives its ultimate significance from bits, binary yes-or-no indications, a conclusion which we epitomize in the phrase, it from bit.”

Waarmee meteen gezegd is dat het van de vragen, van het meetinstrument, afhangt hoe het zijn zich toont.

It from bit. Otherwise put, every it — every particle, every field of force, even the space-time continuum itself — derives its function, its meaning, its very existence entirely — even if in some contexts indirectly — from the apparatus-elicited answers to yes-or-no questions, binary choices, bits.”

“‘It from bit’ symbolizes the idea that every item of the physical world has at bottom—a very deep bottom, in most instances—an immaterial source and explanation; that which we call reality arises in the last analysis from the posing of yes–no questions and the registering of equipment-evoked responses; in short, that all things physical are information theoretic in origin and that this is a participatory universe.”(Wheeler, 1990, p. 5 geciteerd uit: Beavers’ A brief introduction to philosophy of information, )

We kunnen het universum niet kennen zonder eraan deel te nemen. De vereenzelviging, objectivering, van de informatie-inhoud die we ontvangen van het zijn als antwoord op de vragen die we stellen (het mogen binaire vragen zijn) met het zijn zelf; dat is een gedachte die we vaker tegen komen. Informatie is als object gedachte kennis. Het kennend subject wordt in de werkelijkheid geprojecteerd.

Biologisch informatie. Floridi wijst in dit hoofdstuk op het onderscheid tussen het attributief en het predicatief gebruik van de term ‘biologische informatie’. Deze term kan zowel duiden op informatie zoals dat in de levensprocessen functioneert (‘informatie die zelf biologisch van aard is’, Floridi 2014, p. 82), dit wordt bedoeld in het predicatief gebruik, als ook op informatie over biologische feiten, als onderdeel van de biologie als wetenschap. Het verschil komen we ook tegen bij het gebruik van de term ‘fysisch’. Dat kan ook ‘predicatief’ verwijzen naar de kennis zoals die in de natuur zelf voorkomt, zoals blijkt uit de doelmatigheid van de levensprocessen. (Kijk maar hoe intelligent de vlinder is!) We kunnen in alles wel een subject zien, zoals we overal wel informatieverwerking in kunnen zien, maar in hoeverre dat adequaat is hangt af van de mate waarin het ons werkelijk aanspreekt en uitnodigt.

Kan biologische informatie, zoals genetische informatie als semantische informatie worden opgevat, vraagt Floridi zich af (p. 86). Dat is de vraag naar de aard van subject-zijn van de levende materie. Floridi’s antwoord: genetische informatie is niet opzettelijk, noch intentioneel, noch waarachtig.

Interessant is de opmerking dat genen ‘meer een performatief zijn’. Zoals: de taalhandeling “Ik beloof om acht uur te komen.” Het bijzondere aan dergelijke taalhandelingen is dat ze doen wat er gezegd wordt (althans wanneer ze serieus bedoeld en begrepen worden). Bovendien moet juist dit gezegd worden door degene die de belofte doet om de handeling van beloven uit te voeren. Beloven is dus een heel ander soort daad dan het beschrijven van iets, zoals in een oordeel. (zie Boukema, 1980 en mijn blog Sofia’s taalhandelingen) . Als we iemand wakker maken met de woorden “wakker worden!” dan wordt het effect ervan niet tot stand gebracht door de betekenis die begrepen wordt, maar door een uiterlijke eigenschap van de taalhandeling: het geproduceerde geluid. Dat veroorzaakt het beoogde effect van de opdracht. We hadden dan ook net zo goed tot de slapende kunnen roepen: “mooie rode tomaten!”. Het had het zelfde effect gehad. Waarom we dat niet doen, en waarom mensen die een microfoon testen dat doen door ‘test, test, test te roepen, dat weet ik niet. Wanneer we een machine een opdracht geven door deze aan te spreken dat vertoont gelijkenis met het gebruik van “wakker worden”: het is de fysische activiteit die gepaard gaat met het geven van de opdracht (het geluidsignaal) dat een werking veroorzaakt ‘in de machine’, een werking die voor ons de betekenis heeft van het verstaan en reageren op de betekenis van de door ons gegeven opdracht. We hebben die machine zo gemaakt dat dit zo werkt.

Het verwezenlijken van het doel van een uiting door de uiting in de juiste omgeving te doen, dat is dus precies wat we doen als we een programmeerbare machine een instructie geven. We zouden dus kunnen zeggen dat Floridi hier biologische informatie vergelijkt met informatie zoals dat in een computerprogramma functioneert. De werking van de tekens in de automaat, van software en hardware, doen denken aan de combinatie van sleutel en slot, die moeten structureel overeenkomen opdat het werkt. Volgens Floridi “draagt de sleutel geen informatie”, zoals een postduif een bericht. Dat klopt: de sleutel heeft een structuur die past bij de structuur van het slot.

“Het programma is als een sleutel, die voor ons toegang tot een huis betekent en tegelijk door hem ín te voeren’ in het slot ook die bewerkstelligt. Dit berust er niet op dat het slot op een of andere manier weet dat iemand die de sleutel bezit, toegang tot het huis mag hebben. Het slot werkt eenvoudig zo, dat het voor ons lijkt alsof het dit weet. En het is erop gemaakt om zo te werken, juist zoals een computer zo werkt alsof een ingevoerd programma als opdracht begrepen en uitgevoerd wordt.” (Fleischhacker, p. 29)

Weet de vlinder wat hij doet en waar het zijn eitjes moet leggen opdat de kans op overleven zo groot mogelijk is? Of werkt het alleen maar zo dat het lijkt alsof het dit weet? Is ons begrip van de levensprocessen ook in het leven van de individuen zelf als begrip aanwezig?

Genetici spreken over boodschap RNA en genetische codes die “informatie dragen” en “versturen”. Zo kunnen we het ook zo zien dat het virus de sleutel heeft om via de celwand van de gast het lichaam binnen te dringen. Maar dit is slechts “bij wijze van spreken”. Het verschil met de computer is dat wij de computer bedacht hebben en vervolgens met gebruik van natuurwerkingen dit concept hebben gerealiseerd. Terwijl we dit idee van de sleutel en het slot vervolgens in de natuur herkennen en het zo beschrijven. De computer is anders dan het levende organisme een technisch middel dat we programmeren opdat het werkt zoals wij willen.

We spreken regelmatig over onze computers alsof ze intelligent zijn, terwijl we weten dat dit niet zo is.” (Floridi 2014, p.86). Inderdaad, onze taal is veelzinnig. Maar wat betekent dat? Uit de veelzinnigheid blijkt dat er geen eenduidige relatie bestaat tussen de woorden en dat wat we ermee uitdrukken. En op grond waarvan weten we dat computers niet intelligent zijn, terwijl het er soms wel op lijkt. En als we het gedrag van een vlinder intelligent noemen, bedoelen we dat in dezelfde zin intelligent als wanneer we van een mens zeggen dat deze intelligent is? Of van een machine?

Dynamische structuren (zoals die in de mathematische biologie voorkomen om de levensprocessen te beschrijven, RodA) zijn een bijzonder soort informatie-entiteiten die in zichzelf instructies, programma’s of imperatieven zijn.” (Floridi 2014, p. 87).

Kennen, informatie vergaren is iets wat tot het leven behoort. Een theorie over informatie is daarom zelf-reflexief. Leven is informatie verwerken ten behoeve van het eigen voortbestaan, volgens eigen recept. Het heeft noch oorzaak, noch reden, noch doel buiten zichzelf. Het is zowel causa sui, als Selbstzweck; zijn eigen oorzaak en doel in zichzelf.

In Floridi & Sanders (2004) wordt een poging gedaan om de vraag of een technisch systeem een ‘morele agent’ is te preciseren. Pas dan kunnen we het immers eens worden over een antwoord op deze vraag. F&S definiëren daartoe deze agenten op een wiskundige manier als een transitiesysteem. Zo’n systeem is op ieder moment in een bepaalde toestand. Die toestand bestaat op zich weer uit deeltoestanden.

Opdat zo’n systeem een autonoom genoemd kan worden moet deze in zekere zin uit ‘zichzelf’ kunnen acteren. Daarom bevat een deel van de toestand (‘het geheugen’) het programma van de agent. Dat zijn de actuele transitieregels die de toestandsverandering van het systeem bepalen/beschrijven. F&S spreken van een ‘cognitive trick’. Deze ‘trick’ berust echter op een verwarring: de beschrijving van het systeem wordt als onderdeel van het systeem zelf gezien. Variabelen waarmee de verandering van het systeem beschreven wordt krijgen ook een functie in het systeem zelf.

De toestand van een systeem dat we als autonome agent opvatten (zie Floridi en Sanders 2004) heeft voor ons de betekenis van een functie die op het systeem als toestand zelf wordt toegepast, zodat deze overgaat in een nieuwe toestand die weer als toestand van het zelfde systeem kan worden opgevat.

De idee van leven dat we als autonome agent begrijpen komt op mathematische wijze tot uitdrukking in de formule van de zelfapplicatie van de zelfapplicatie Z(Z)=Z(Z), waarbij Z de functie is die het argument op zichzelf toepast. We kunnen de betekenis van een computerprogramma niet anders op mathematische wijze, als functie, uitdrukken dan door deze zelfapplicatie functie. We herkennen hierin de reflexieve structuur van de performatieve taalhandeling: de betekenis ervan realiseren door de handeling uit te voeren. Ik roep wakker worden en via de fysische werking van het uitspreken wordt de ander wakker. Het bedoelde effect treed op via de uitwendige omweg van de fysica. De toestand van de machine heeft als betekenis voor ons het programma volgens welke deze werkt. Alleen voor ons is deze toestand een mogelijke toestand onderscheiden van vele andere toestanden. Deze feitelijke toestand bepaalt tevens het fysische proces dat in werking treedt en dat wij zien als de uitvoering van het programma. Dat fysische proces is het resultaat van de hardware constructie van de machine. Het is als het ware het slot waarop de sleutel (het programma) past. De sleutel geeft bij invoering toegang tot het proces.

Vanuit het mathematische standpunt is er geen onderscheid tussen de automatie (artificial life) en het levende organisme. Hier gaat het om een soort verschil dat buiten de sfeer van de informatie, van het technische, valt. Dit is wat we een wezenlijk verschil noemen. Het leven verschilt wezenlijk van het mechanisme, maar kan er niet zonder. Het komt in het mechanisme tot leven.

“Die absolute Indifferenz ist die letzte Bestimmung des Seins, ehe dieses zum Wesen wird; sie erreicht aber dieses nicht. Sie zeigt sich noch der Sphäre des Seins anzugehören indem sie noch als gleichgültig bestimmt, den Unterschied als äusserlichen, quantitative an ihr hat.” (Hegel, Wissenschaft der Logik I, p. 456)

Bij Hegel is de Idee, zijnde de eenheid van begrip en werkelijkheid, van het subjectieve weten en de objectiviteit (het redelijke is werkelijk, het werkelijke redelijk), in haar onmiddellijke vorm het leven zelf. (Wissenschaft der Logik II, pp. 466-470).

De vraag naar het verschil

Het verschil tussen de werking van een ‘denkende machine’ (computer) en echt denken (zoals wij mensen doen) is geen verschil tussen twee verschijnselen die we naast elkaar kunnen zetten en zo met elkaar kunnen vergelijken. Dat kan niet omdat we deze in de werkelijkheid niet van elkaar kunnen scheiden. Zonder ons denken zijn er geen natuurprocessen, laat staan computers die we als ‘denkend’ kunnen gebruiken. Wezenlijk is de verhouding, de relatie die constituerend is voor de aard van de beide relata, mens en machine. Zonder die verhouding zijn ze niet wat ze zijn. Een computer kan dan ook niet onafhankelijk van ons denken werken. Altijd wanneer we lezen over de prestaties van de computer of de kunstmatige intelligentie in vergelijking met die van de mens (“AI kan beter emoties herkennen dan mensen”) moeten we ons dit realiseren.

Dat wezenlijke van relatie zijn, geldt ook voor informatie: het is wat het is in relatie tot ons denken. Informatie los zien van ons kennen is als praten over tekens die geen betekenis hebben. We kunnen de tekens wel als object van buiten af beschouwen en de structuur van de zo geconstrueerde formele talen (codes) bestuderen, maar in zoverre we dat doen zijn het juist niet de tekens die we gebruiken en die in dat gebruik iets betekenen.

Professor Floridi is zeer actief lid van diverse internationale commissies en werkgroepen op het terrein van de ethiek en de wetgeving rond informatie en mede-auteur van diverse EU-rapporten op dit gebied.

In een interview met De Tijd geeft hij blijk van zijn zorg om de toekomst van onze samenleving. “Mijn ergste scenario: een maatschappij die zich dood entertaint.”

 “Los van de eindeloze sciencefiction-rampscenario’s, realistisch: een maatschappij met almaar minder engagement, die compleet geabsorbeerd is door zichzelf. Een maatschappij die er basically geen moer meer om geeft. En hoe minder ze om dingen geeft, hoe meer ze zich dood entertaint. Al die ongelooflijke technologie zal dan gebruikt worden voor a) bewaking, voor b) entertainment en c) om de anderen op afstand te houden. Zo’n samenleving zou voor mij een historische miskleun zijn.”

Ethische kwesties

Ethiek betreft de vraag hoe te zijn. Het gaat in de ethiek dus om de kwestie wat te doen dat goed is voor het leven. Het leven is de maat van het handelen. Het leven duidt zowel de totaliteit als geheel aan, als de vele levende individuen die elk op eigen wijze leven en deelhebben aan het leven. Het individuele leven botst regelmatig met het leven van de ander of met het leven in zijn algemeenheid. De moraal probeert in dit conflict op redelijke wijze te bemiddelen. De ethiek zoekt het redelijke midden tussen conflicterende deugden en perspectieven. Ook hier zien we weer het onderscheid tussen de normatieve (voorschrijvende) en de beschrijvende ethiek.

We denken bij ethiek van informatie aan privacy, het beschermen van het zelf en de eigendommen die moeilijk van ons zelf los te maken zijn, zoals onze persoonsgegevens, onze identiteit. Identiteitsfraude, het zich toe-eigenen van de identiteit van de ander, is een geliefd misdrijf. Technologie heeft geleid tot het realiseren van dingen, artefacten die zich voordoen als echte dingen. Artefacten die pretenderen te kunnen denken, intelligent te zijn en mens te zijn. Vanuit een structureel, mathematisch gezichtspunt zijn deze artefacten (agenten) niet van echte mensen te onderscheiden. Maar zijn ze daarmee echt? Hoe maak je het verschil tussen echt en simulatie als je geen contact hebt met de echtheid? Is er zoiets als een “impliciete intuitie”, begrip dat we niet begrijpen, maar dat we slechts kunnen uitoefenen?

Inside information

Informatie kan oneigenlijk gebruikt en verkregen worden. Het is een juridisch begrip: onrechtmatig verkregen bewijs. Alsof het leven een spel is, met regels over welke kennis je wel en niet mag gebruiken. Een voorbeeld van het oneigenlijk gebruik van informatie is het gebruik van voorkennis in de aandelenhandel. Beroemd is het Marconi schandaal dat het vertrouwen in de Britse politiek in het begin van de vorige eeuw danig op de proef stelde. Leden van de regering kochten aandelen van de Marconi Company, toen ze wisten van op handen zijnde contracten over de aanleg van een netwerk van communicatiekanalen tussen het Britse rijk en de VS. (zie mijn blog over Het Kanaal.)

De informatie-ethiek van Floridi betreft niet alleen het leven van mensen, niet alleen dat van dieren, niet alleen de levende natuur, maar alles wat informatie is, het gehele zijn. Alles wat is, heeft recht te zijn: robots, boeken, rivieren en vissen. En ook virussen. Hoe lossen we conflicten op tussen botsende waarden? Is er geen ordening van waarden?

De ordening van de zijnden naar hun zijn wordt bepaald door de mate waarin het leven in de soorten van zijnden is gerealiseerd. De lagere zijnsvormen zijn opgenomen in de hogere vormen: de mens is dier, de dier is vegetatief. Het virus is een lagere vorm van zijn. Waar staat de robot in deze ordening? Wat houdt het recht op bestaan van een robot in?

Zodra er een conflict optreedt, klinkt de roep om een leider die van boven af als rechter optreedt en zegt hoe te handelen. “De politiek moet het oplossen”. Ze moet zeggen wat we mogen zeggen. Alsof deze een onafhankelijke positie als buitenstaander en onbetrokken figuur de waarheid in pacht heeft en weet wat we moeten doen. We onderscheiden verschillende machten (trias politica) die elkaar in evenwicht moeten houden. Het toeslagenschandaal heeft laten zien hoe belangrijk het voor de rechtvaardigheid is dat we kunnen vertrouwen op de politiek, en dat de juiste informatie beschikbaar is om controle uit te kunnen oefenen. Ook in het toeslagenschandaal leek het vaak te gaan om informatie uitwisseling.

De ambtenaren van de overheidsdiensten vergaten dat de individuele burger als persoon niet opgaat in de informatiestructuren zoals die in de regels van de dienst functioneren. Een gevolg van de geest van onze tijd die beheerst wordt door een ongereflecteerd mathematiseren en informatiseren van de werkelijkheid. De bestuursrechter had daar op moeten toezien, maar die verzaakte hun taak controle uit te oefenen op de uitvoerende macht.

De ‘onaansprakelijke’ macht

In het genoemde interview met De Tijd spreekt Floridi over de ‘onaansprakelijkheid’ van de macht en het grote belang van goede informatie-uitwisseling tussen de drie gescheiden machten.

“Wat maakt een dictatuur tot een dictatuur? Niet het aantal mensen dat de macht heeft. Maar het feit dat degene die de macht heeft, die macht ook uitoefent. Als dat dezelfde mensen zijn, heb je een dictatuur. Want dan wordt die macht onaansprakelijk. Dat hoeft geen probleem te zijn, als je de beste dictator ter wereld hebt. Je kunt je vingers kruisen, en hopen op een heilige. Maar dat is geen strategie. Hopen om de loterij te winnen is geen businessplan. Je wil uitgaan van het slechtst denkbare scenario. Wat als?”

“In een goede democratie ligt de macht bij het volk. En het volk geeft die macht aan de politici die ze verkiest, en die de macht dan uitoefenen zonder ze te bezitten. Hoe beter dat volk geïnformeerd is, hoe beter het kan kiezen. En hoe meer controle het kan uitoefenen op die macht. Maar: het volk die macht zelf laten uitvoeren, zou een vergissing zijn. We hebben al veel te veel tijd verloren met te praten over e-democratie. Veel populistische praatjes over ‘de macht aan het volk geven’, door dat volk over elk thema zelf te laten stemmen, zijn gewoon een poging om een dictatuur te verbergen achter de getallen.”

Over het mathematische en het metafysische begrijpen

Juist in een tijd waarin de mens zich voortdurend dreigt te verliezen in zijn uitwendige gestalten, is de filosofie in de verleiding ook te proberen hem juist vanuit die gestalten te begrijpen. Dat is iets ander dan: die gestalten als zelfveruitwendigingen van de mens te begrijpen.”.

Dit schreef Louk Fleischhacker in de syllabus Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken n.a.v. het college in het studiejaar 1975/76. Toen ik vele jaren later deze tekst nog eens las schreef ik in de kantlijn de namen Dennett en Floridi. Ik meende dat deze hedendaagse denkers over wetenschap en technologie zich aan deze verleiding schuldig maakten. Wat de laatste betreft: na het lezen van de diverse werken van Professor Floridi meen ik dat dat niet altijd het geval is. Het punt is dat Floridi het mathematisch denken als methode soms wel toepast, maar soms ook niet. De aanpak in (Floridi en Sanders 2004) en in (Floridi 2004 en 2006) zijn voorbeelden van het eerste. Hij onderscheidt verschillende informatiebegrippen waarbij het voor mij soms moeilijk is er een noodzakelijk logisch verband in te zien. Nergens reflecteert Floridi echter op de mathematische denkwijze zelf, zoals Aristoteles, Hegel en Fleischhacker dat doen. Volgens mij is inzicht in die denkwijze van belang om grip te krijgen op het informatiebegrip.

“Wiskundig denken is het denken over structuren op een manier alsof ze alleen uit ‘intelligibele materie’ (Aristoteles) bestonden. Met andere woorden, denken over iets alsof het structuur (iets zuiver kwantitatiefs) is, in plaats van dat het een structuur heeft.” (Fleischhacker 1992, p. 18).

Het zijn gaat volgens de mathematische metafysica op in de kwantitatieve structuur, de wijze waarop wij de werkelijkheid vanuit het mathematische perspectief benaderen en construeren. Alles is een getal, alles is een verzameling, alles is een functie, alles is een programma, alles is informatie. De werkelijkheid is het telbare, het deelbare, het meetbare, het programmeerbare, het mededeelbare.

Het wiskundige denken is gericht op het wiskundig kennen, de kennis van de structuren van de werkelijkheid. De kwantiteit is de categoriale grond van dit kennen van de waarneembare wereld. “Kwantiteit is datgene wat verdeelbaar is in samenstellende delen die elk voor zich weer iets individueels zijn.” (Aristoteles). Kwantiteit kennen we als aantal (discrete kwantiteit, dat is zonder aangrenzende delen) of als hoegrootheid (continue kwantiteit, dat is met aangrenzende delen).

In het mathematisch kennen wordt dat wat gekend wordt binnen de ken-relatie gesteld als iets dat het tegengestelde is aan het kennen zelf, pure uitwendigheid. Het denken dat op dit kennen gericht is, is zuiver verstandelijk; het hoeft geen rekenschap van zichzelf af te leggen.

Hegel is weinig lovend over het mathematisch denken. In het voorwoord van zijn Phänomenologie des Geistes gaat hij uitvoerig in op de aard van dit denken in vergelijking met het ‘wetenschappelijk’ (dat is bij Hegel het filosofische) denken.

“De evidentie van dit gebrekkig kennen, waar de wiskunde trots op is en waarmee zij pronkt tegen de filosofie, berust slechts op de armoede van haar doel en op de gebrekkigheid van haar materie; deze evidenties is dus van die aard, dat de filosofie deze moet verachten. – Het doel of begrip van de wiskunde is de grootte. Dit is juist de onwezenlijke verhouding waaraan alle begrip ontbreekt.” (Hegel, 1978, p. 81)

Wij zouden zeggen: het doel of begrip van de wiskunde is de structuur.

Iedere poging tot daadwerkelijke zelf-reflectie van het wiskundig denken leidt tot een paradox, waarvan de bekendste de Russel-paradox is; het gevolg van de poging het verzameling begrip zelf als verzameling (dat is op uitwendige wijze) uit te drukken. De wiskunde van het wiskundig denken (in de vorm van de metamathematica en de mathematische logica) hebben tot onvolledigheidsstellingen geleid: de wiskunde kan zichzelf niet van een consistente basis voorzien. Deze uitwendige vorm van zelfreflectie van het mathematische denken heeft als positief resultaat de programmeerbare machine opgeleverd, de realisatie van het wiskundig denken zelf in de vorm van een fysische werking.

De metafysica van “alles is informatie” ontstijgt het mathematisme waarvoor alles structuur is. Informatie is immers iets structureels dat een kwaliteit van iets uitdrukt, het betekent iets. Informatie verwijst naar iets dat buiten het structurele ligt.

Ik vermoed dat een filosofische reflectie op de eigen aard van het wiskundig denken er toe kan leiden de verschillende vormen van informatie, die we hier aan de hand van Floridi’s werk hebben besproken, onder een unificerend begrip te brengen. Ik hoop met deze bijdrage te hebben laten zien dat het bestuderen van Hegel’s Wissenschaft der Logik daarvoor de moeite loont.

Het milieuprobleem

Floridi’s ethiek is een ecologische ethiek. Zijn kritiek op veel bestaande ethische theorieën is dat deze te ego-centrisch zijn, te veel de individuele mens centraal stellen. Een filosofie van het informatiebegrip kan niet heen om wat wellicht het grootste pijnpunt van onze tijd is: het milieuprobleem en daarmee samenhangend klimaatverandering en migratie.

Het Maxwell-duiveltje bestaat niet. Informatie-uitwisseling gaat gepaard met energie-verbruik. Datacenters zijn verantwoordelijk voor substantiële delen van de energie-consumptie en CO2-uitstoot. En dit wordt alsmaar meer. Het is een hardnekkig probleem. Al in de jaren 70 verscheen het rapport “Grenzen aan de Groei” van een groep bezorgde wetenschappers. Wat heeft die hardnekkigheid van het probleem met de populariteit van het wiskundig denken te maken? Ik denk meer dan de meeste mensen denken. Daarom is het belangrijk de impact van dit denken te doorzien.

Het eerste automatisme

Mijn kleindochter Lilly kon net tot twintig tellen toen kennelijk het kwartje viel en ze het door had. Ze begreep het taalsysteem waarmee we de getallen benoemen. Ze kon verder: eenentwintig, tweeëntwintig, …dertig, eenendertig, … en nog verder. En toen vroeg ze me: hoeveel getallen zijn er?

Zijn? Daar zeg je zoiets.

De idee dat je alsmaar door kan tellen, dat er geen einde aan komt, is typisch voor het wiskundig denken dat haar gedachte objecten tegenover de echte eindige werkelijkheid plaatst. Wat tel je als je de getallen telt? Dat zijn de objecten die de wiskundige creatieve geest heeft gemaakt met de onderscheiden namen om de onderscheiden dingen te tellen. Het getal drie werd losgemaakt uit de drietallen van wat dan ook: drie paarden, drie stoelen, drie mensen. Zo ook met de andere getallen. En elk getal kreeg een eigen naam, een identifier, in een cijfersysteem, een formele taalstructuur van tekens. Bij het tellen van de getallen schrijven de getallen die we tellen zelf voor in welke volgorde ze geteld moeten worden. Er is niets buiten dit tellen van de getallen dat het proces stopt. De getallen tellen als het ware zichzelf. Er zijn oneindig veel, zoveel als je vol kunt houden en je beseft dat het aantal niet afhangt van het toevallige moment dat je stopt. Dat dat onwezenlijk is aan het eigenlijke proces dat oneindig is. Wat je zelf doet is eigenlijk alleen de motor zijn, de pendulum, het tikken van de klok, inhoudsloos denken, waarvan de inhoud volstrekt buiten dit tikken ligt, in de getallen.

Het tellen van de getallen is het eerste en eenvoudigste voorbeeld van het automatisme, van het inhoudsloze denken dat zichzelf, zijn eigen van zichzelf vervreemde inhoud, denkt.

Er zijn oneindig veel getallen (in potentie). Een eindige wiskunde is geen wiskunde; die bestaat niet. De eindigheid van de fysische werkelijkheid is onwezenlijk aan het oneindig ideaal van de wiskunde. Dit ideaal komen we tegen in de gewenning, de idee dat alles zal blijven zoals het is en dat ook morgen water uit de kraan zal komen, de zon op zal komen, en dat er na morgen weer een morgen is. Deze idee mathematisch uitgedrukt in de formule Z(Z)=Z(Z), de formule die het automatisme, de eindeloze herhaling van het tellen van de getallen volgens het voorschrift van de getallen zelf, uitdrukt, is diep geworteld in de moderne geest.

(Zie over de relatie van deze formule met Heideggers beschouwing over Der Satz vom Grund mijn artikel over het grondprobleem.)

Maar de wal keert het schip. De aardse bronnen, het bestand, is eindig. We worden nu dagelijks geconfronteerd met de gebakken peren ten gevolge van de mateloosheid die het wiskundig denken eigen is. Wetenschappers die werken op het terrein van de Natuurlijke Taalverwerking (Natural Language Processing) een kernthema van de Artificial Intelligence waarschuwen voor de als maar toenemende energieconsumptie en CO2 emissies die gepaard gaan met het trainen van alsmaar complexere datamodellen. (zie bijvoorbeeld Strubell, 2019).

Floridi’s ethiek is een ethiek die, geconfronteerd met de milieuproblematiek, een antwoord probeert te geven op de mateloosheid van onze tijd. Het is een zoektocht naar de wezenlijke maat: het leven.

We moeten beter met onze aandacht om gaan volgens Floridi. We zijn ‘informatie-obees’.

“De overgang van schaarste naar overvloed verandert het spel compleet. We zullen wel beter leren selecteren en focussen – als we geluk hebben. Maar op dit moment zie ik vooral heel veel van het omgekeerde. Heel veel afleiding en verstrooiing. Informatie verbruikt aandacht. Dat weten we al decennia. En hoe meer informatie, hoe meer aandacht je moet schenken.”

Het hebben van informatie doet de vraag om meer informatie toenemen. Informatie is misschien wel het meest verslavende consumptiegoed van onze samenleving.

Tot slot

Volgens Professor Floridi is informatie alleen dan informatie als het ware informatie is. Er is niet zoiets als informatie die een beetje waar is. Ik begrijp dit als een moreel standpunt: informatie moet om echt informatie te zijn waar zijn. Daar moeten we naar streven. Ik vat het op zoals wanneer we zeggen dat een mens pas echt mens is wanneer deze vrij is. Of dat een gesprek pas echt een gesprek is wanneer het een open (‘Herrschaftsfrei’) gesprek is. Het is aan de filosofie zich voortdurend met het zijn te verstaan om de inhoud van deze begrippen waar te maken.

Bronnen

Rieks op den Akker (1983). De zelfstandigheid van automaten en de semantiek van programmeertalen, Intern rapport Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen (ook als intern rapport verschenen bij de Onderafdeling der Informatica).

Yehoshua Bar-Hillel en Rudolph Carnap (1952). ‘An Outline of a Theory of Semantic Information’, Research Laboratory of Electronics, Massachusetts Institute of Technology.

Anthony F. Beavers (2016). A Brief Introduction to the Philosophy of Information.  Logeion – Information Philosophy 3.1 (2016): 16-28.

Harm Boukema (1980). Intentionele analyse van illocutioary acts. In: Filosofische Reeks nr. 6 – 1980. Filosofische lezingen gehouden op de Eerste Nederlandse Filosofiedag 15 september 1979, Universiteit van Amsterdam.

Louk Fleischhacker (1976). Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken, Collegedictaat 2de semester van het collegejaar 1975/76 Onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Technische Hogeschool Twente, 1976.

Louk Fleischhacker (1982). Over de grenzen van de kwantiteit. Proefschrift. Amsterdam UvA; 24.09.1982.

Louk Fleischhacker (1992). Wijsbegeerte van het Wiskundig Denken en van de Informatietechniek, syllabus van het collegejaar 1990/91. Faculteit der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Universiteit Twente, 1992.

Louk Fleischhacker (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Louk E. Fleischhacker (1998). On the notion of life. Theor. Biosci. (1998) 117; 139-160.

Luciano Floridi (2003). On the intrinsic value of information objects and the infosphere. In: Ethics and Information Technology, volume 4, pages 287–304(2002)

Luciano Floridi (2006), “The Logic of Being Informed”, Logique et Analyse, 49, pp. 433-460

Luciano Floridi (2004), “Outline of a Theory of Strongly Semantic Information”, Minds and Machines, 14, pp. 197-222

Luciano Floridi (2007). In defence of the veridical nature of semantic information. EUJAP, Vol. 3, Nr.1, 2007.

Luciano Floridi (2008). The Method of Levels of Abstraction. Minds & Machines 18, 303–329 (2008).

Luciano Floridi (2010). The Philosophy of Information as a Conceptual Framework. Know Techn Pol 23, 253–281 (2010).

Luciano Floridi, L. (2011) The Philosophy of Information, Oxford, UK: Oxford University Press. Een metafysica waarin het informatiebegrip centraal staat.

Luciano Floridi (2014). Informatie. In de serie elementaire deeltjes. Amsterdam University Press. (Dit is de vertaling van Information: a very short introduction, Oxford University Press, 2010)

Luciano Floridi (ed.) (2016). The Routledge Handbook of the Philosophy of Information.

Luciano Floridi, Sanders, J. (2004). On the Morality of Artificial Agents. Minds and Machines 14, 349–379 (2004).

G.W.F. Hegel (1969). Wissenschaft der Logik I en II, Deel 5 en 6 van de Werke in Zwanzig Bänden. Theorie Werkausgabe Suhrkamp Verlag, 1969.

G.W.F.Hegel (1978). Het wetenschappelijk kennen, Dit is de door Peter Jonkers vertaalde Vorrede van de Phänomenologie des Geistes (1807). Boom Meppel, 1978.

Hintikka, J. 1970. On semantic information. In: J. Hintikka; P. Suppes (eds.) Information and Inference. Dordrecht, Holland: D. Reidel Publishing Company

Emmanuel Levinas (1971). Het menselijk gelaat. Ambo n.v.,Bilthoven. Hierin: Betekenis en zin, pp.152-191. (Vertaling van La signification et le sens. in: Revue de Métaphysique et de Morale 69 (1964), 125-156.)

Donald MacKay, 1950. The Nomenclature of Information-theory;
Proceedings of Information-theory Symposium, London, Sept. 1950.

Claude Shannon, Warren Weaver (1949). The Mathematical Theory of Communication, Urbana, IL: University of Illinois Press.

Strubell, E., Ganesh, A., & McCallum, A. (2019). Energy and Policy Considerations for Deep Learning in NLP. ArXiv, abs/1906.02243.

John A. Wheeler (1990) ‘Information, Physics, Quantum: The Search for Links’ in W. Zurek (ed.) Complexity, Entropy, and the Physics of Information, Redwood City, CA: Addison-Wesley.

Over het dialogische karakter van het informatiebegrip

Alles lijkt tegenwoordig om informatie te draaien. Maar zodra we erover nadenken en vragen wat het is dan raken we in verlegenheid. Verschillende denkers over informatie hebben gewezen op het huidige onbegrip rond informatie.

Is informatie pas informatie als het waar is? Bestaat er dan ook onware informatie? Wat is informatie?

Zoals Cantor het aan het eind van de 19de eeuw een schande vond dat iedereen het maar over getallen had terwijl niemand er nog een bevredigende definitie van kon geven, zo spreken hedendaagse denkers er schande van dat er nog geen bevredigende definitie van informatie bestaat.

“Looking to the future, “information” is obviously a fundamental, transdisciplinary concept, and it is somewhat of a scandal that there is not yet an agreed and accepted definition. It would be a major advance if such a concept could emerge, and Floridi’s work in developing both a philosophy of information and theory of information is playing a major role in this.” (Mingers)

Luciano Floridi, een hedendaags informatiefilosoof, heeft zijn scepsis geuit met betrekking tot het succes van pogingen om tot een universele theorie van informatie te komen.

Waarop wijst deze scepsis? Waar komt het vandaan? Wat zegt het over het informatie begrip zelf? Zegt het misschien iets over onze mogelijkheid te begrijpen?

Misschien is het cruciaal voor het informatie begrip te begrijpen wat een feit een feit maakt? Het verschil tussen wat iets is en dat iets is. Tussen informatie en ware informatie. Informatie is het resultaat van een meting. Maar wat is de maat van informatie? Ligt de maat niet in de wijze waarop we het eens worden over het waarheidsgehalte van de informatie? In het gesprek of het conflict.

Maar dan is de vertrouwensrelatie een wezenlijk onderdeel van de informatieinhoud. Zoals de communicatiedeskundige Watzlawick uitdrukt in zijn axioma’s van communicatie. Axioma 2 luidt; Iedere communicatie bezit een inhouds- en betrekkingsaspect. Watzlawick zet de relatie tegenover de inhoud van de informatie. Hij merkt op dat de relatie de inhoud beïnvloedt. Ik zou zeggen: de relatie bepaalt hoe de luisteraar of lezer het gezegde of het geschrevene verstaat.

Het is waar dat de idee van een alwetende god (God?) het denken over de logica van informatie en kennis soms behoorlijk lijkt dwars te zitten. Wij objectiveren en depersonaliseren kennis en informatie om het zo uit de sfeer van de intersubjectiviteit en interactie te halen waarin het thuis is. Hetzelfde is al met de taal gebeurd, we spreken van zinnen alsof het producten zijn die door het spreken geproduceerd worden. Alsof iets zeggen hetzelfde zou zijn als het produceren van een zin. Misschien is dit denken inderdaad wel gemotiveerd door de wens machines, robot intelligentie toe te schrijven en geen onderscheid meer te maken tussen het produceren van een zin en het uiten van een zin als een zeggen van iets. Maar wat zegt dit ons over de wijze waarop we de mens en de techniek verstaan.

Informatie moet in principe verifieerbaar zijn. Het moet bepaalbaar zijn wat het zegt, wat het inhoudt. Wanneer ik zeg “Jan is naar school” dan geef ik je bij conventioneel gebruik van deze zin informatie over Jan. Dat is de naïeve opvatting. We nemen dit aan. Ik neem aan dat dit zo is. Wat ik geloof is wat ik hier uitdruk. Bij nader inzien kan blijken dat het niet klopt. Wist ik niet beter of loog ik?

De communicatie-ingenieur gaat niet over de inhoud van de berichten. Hij is alleen geïnteresseerd in de kansverdeling over de berichten die verstuurd worden omdat deze bepaalt hoe hij deze het meet efficient kan overbrengen. Wanneer het bericht “Het regent en het regent niet” erg vaak voorkomt krijgt deze een korte code. Hij heeft niets met de betekenis te maken. Het enige wat van belang is is dat er een verschil gemaakt wordt tussen twee berichten die niet hetzelfde betekenen. Dat kan met voldoende lange rijtjes van 0-en en 1-en. Van belang is dat gegeven de uitvoer van het kanaal de invoer bepaald kan worden.

Idealiter is wat gehoord wordt gelijk aan wat gezegd is en wat gelezen wordt gelijk aan wat geschreven is. Dat is de ideale communicatie, het delen van informatie als ware het kennis.

Informatie speelt een belangrijke rol bij alles wat we doen. We baseren onze beslissingen op de informatie die we hebben. Maar we evalueren de informatie ook voor dat we ons erop baseren. Informatie die we krijgen kan immers andere informatie tegenspreken. Informatie kan onjuist zijn. Is het dan nog wel informatie?

In everyday speech we say that we have received information, when we know something that we did not know before: when ‘what we know’ has changed.” (MacKay, 1950)

Als we zouden kunnen meten “what we know” dan zouden we kunnen bepalen hoeveel ‘informatie’ de informatie voor de ontvanger bevat. Maar wat is dat “what we know” voor iets? Is dat een veelheid van iets? Is dat wel meetbaar? Heeft dat een volume? Hoe meet je wat je weet?

Iemand laat me een sudoku puzzel zien, wijst een leeg vakje aan en vraagt me of ik weet welk cijfer er in dit vakje moet? Ik weet het zo niet, maar nadat ik de puzzel heb opgelost weet ik het. Zonder dat ik echt nieuwe informatie heb gekregen. In zekere zin is alle informatie die ik nodig heb immers al met de puzzel gegeven. Ik kan door de sudoku regels te volgen het cijfer in het aangewezen hokje berekenen. Ik kan het logisch deduceren uit de informatie die ik heb.

Het is hierbij niet onbelangrijk dat er slechts eindig veel mogelijkheden zijn. Dat geldt niet in het algemeen voor de kennis die ik kan hebben over een onderwerp.

Vergelijkbaar met het oplossen van een sudoku puzzel is het uitrekenen van een wiskundige expressie, bijvoorbeeld van een complexe integraal. Het resultaat van de berekening heeft dezelfde waarde als de waarde van de integraal. Wat voegt het resultaat dan toe aan mijn kennis? Je kunt zeggen dat door het berekenen ik informatie krijg over de waarde van de integraal. Alsof de integraal een gebeurtenis of ding is en het berekenen een vraag stellen of een meting aan het ding of gebeuren. Het wiskundig object vat ik dan als een realiteit op waarover iets te weten valt. Het resultaat biedt overzicht. Het plaatst de expressie in het geheel van mijn kennis. Het getal 1 als uitkomst van een berekening zegt mij vaak meer dan de ingewikkelde expressie waarvan ik de waarde nog moet berekenen.

Dit is de informatieverwerking die we aan de machines overlaten. De mens bepaalt in welke vorm hij het resultaat wil hebben.

De eigenlijke informatie betreft dus wat de betekenis ervan is voor het kennend subject in relatie tot het totaal van kennis die het subject heeft.

Als ik kan meten wat ik weet, weet ik dan ook hoeveel ik niet weet? In hoeverre ken ik alle logische gevolgen van de dingen die ik weet? En: is mijn kennis wel consistent? Bevat het geen tegenspraken?

In  Truth and Probability merkt Frank Ramsey het volgende op.

The degree of belief in p given q is not the same as the degree to which a subject would believe p, if he believed q for certain; for knowledge of q might for psychological reasons profoundly alter his whole system of beliefs.

Dit kunnen we als commentaar zien op de aanzet van MacKay voor het kwantificeren van informatie door te kijken naar het veranderen van de belief state door nieuwe informatie.

Informatie kan bestaande kennis op verschillende manieren veranderen. Allereerst kan het informatie toevoegen aan een model. Het vult als het ware een lege plek op. Maar er is ook informatie die sleutelt aan het model zelf, aan de ‘whole system of beliefs‘. Dat is informatie die het perspectief op de zaak verandert. Dat is informatie die je niet verwacht, die je verrast. Nieuwe informatie kan je er plotseling op wijzen dat je een heleboel nog niet weet, terwijl je dacht al een heleboel te weten.

Selectieve informatie betreft de identificatie van een element uit een gegeven verzameling van elementen. Een mogelijkheid in een veld van mogelijkheden.

De Bar-Hillel-Paradox van Floridi en Hintikka’s Scandal of Deduction komen voort uit het niet onderscheiden van echte informatie en selectieve informatie. Het kansbegrip zoals dat in de kansrekening wordt gemathematiseerd veronderstelt een veld van mogelijkheden, zoals bij selectieve informatie.

De mathematische theorie van informatie gaat er vanuit dat het kennend subject volledig in het kans/belief-model is uitgedrukt. Het abstraheert door deze objectivatie van het concrete dynamische kennende subject. Maar dan verlies je een belangrijk aspect aan informatie: dat wat het voor het subject betekent.

Anders gezegd: het mathematische model houdt in dat iets volledig bepaald is door het onderscheid met andere ietsen, door de plaats die het in een structuur inneemt; door het contrast met alles wat het niet is. De identiteit van een informatie-eenheid is negatief. Maar echte informatie heeft behalve dit kwantitatieve moment ook een positief moment; wat het zelf als kwaliteit is. Informatie betreft altijd iets dat buiten het proces van informatie-verwerking, buiten het berekenen of afleiden valt.

Voor Luciano Floridi is de Bar-Hillel-Carnap paradox reden om te zeggen dat informatie pas betekenisvolle informatie is als het waar is. En daarmee zegt hij eigenlijk: wat jullie nieuwe informatie noemen is pas echte informatie als blijkt waar te zijn wat er gezegd wordt. Maar is dat geen onbereikbaar ideaal?

Alsof onze kennis groeit totdat er niets meer te weten over blijft.

De werkelijkheid zegt niet als een bepaalde event E optreedt dat E mogelijk is, de werkelijkheid toont dat E het geval is. De wiskunde kent echter alleen mogelijkheden en kan niet het werkelijk worden van iets of de groei van kennis als zodanig modelleren. Alles wat de wiskunde voor waar houdt volgt uit de axioma’s die een keer aangenomen zijn. Feiten zijn niet inhoudelijk onderscheiden van de andere mogelijkheden uit het ‘veld van mogelijkheden’ uit het wiskundig kansmodel.

De praktijk is echter dat we voortdurend nieuwe informatie krijgen waarvan we nog maar moeten afwachten of en wat voor nieuwe kennis het oplevert. Informatie is toetsbaar en dus slechts potentieel waar. We moeten die nog verwerken. Dat gebeurt in een confrontatie met alle reeds voor waar aangenomen informatie en met informatie die we bewaarden maar waar we nog niets mee wisten te doen. De waarheid is het doel van de dialoog tussen de waarheid zoekende wetenschappers.

Naar een unificerende theorie van informatie

De scepsis dat een werkelijk begrip van informatie niet voor de mens is weggelegd, zoals onder andere door Shannon, Floridi en Mingers uitgesproken, berust op de verwarring van de twee betekenissen van mogelijk die het wiskundige begrip van mogelijkheid uit de kansrekening en statistiek aankleven. Informatie is een begrip dat tot de intersubjectiviteit behoort, niet tot de wiskunde of de fysica.

Wie alleen ware informatie als informatie opvat die moet hetzij concluderen dat ware informatie niet voor ons is weggelegd, hetzij dat er een alwetende God bestaat voor wie de wereld volstrekt doorzichtig is. Maar die status is voor de mens niet weggelegd. Wij kunnen ons niet buiten de dialoog met de ander en met de werkelijkheid plaatsen.

Bronnen

Hintikka, J. 1970. On semantic information. In: J. Hintikka; P. Suppes (eds.) Information and Inference. Dordrecht, Holland: D. Reidel Publishing Company

Donald MacKay, 1950. The Nomenclature of Information-theory;
Proceedings of Information-theory Symposium, London, Sept. 1950.

De strijd van Omtzigt voor het recht op informatie – een dubbelrecensie

“Esse est information” (Luciano Floridi)

“Als er geen ruimte meer is voor reflectie, dreigt dan niet het gevaar van een banale organisatie?” (Meralda Slager, De Banaliteit van het Goede)

Een paar dagen geleden kocht ik bij de lokale boekhandel Broekhuis te Enschede twee boeken. Het ging me eigenlijk om Een nieuw sociaal contract van Pieter Omtzigt, bekend Tweede Kamerlid, onder meer vanwege zijn inzet voor de slachtoffers van de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst. Het boek was te goedkoop om gratis bezorgd te worden dus zocht ik er iets bij. Het werd Informatie van de Italiaan Luciano Floridi, hoogleraar in Oxford en directeur van het Digital Ethics Lab van het Oxford Internet Institute. Het boek is een vertaling van het in 2010 verschenen Information, a very short introduction. Met Floridi’s filosofie en ethiek voor het tijdperk van de informatie- en communicatie-technologie ben ik al een tijdje aan het worstelen. In mijn blog De Belastingdienst als Infosfeer pas ik als het ware zijn construct, de infosfeer, toe op deze overheidsinstelling. De vraag die dan boven tafel komt is: is er in de infosfeer nog plaats voor verantwoordelijkheid en voor de “innerlijke” drive het goede te doen? De ondervragingscommissie onder aanvoering van Chris van Dam kreeg in de talloze interviews met betrokken ambtenaren en bewindslieden maar geen bevredigend antwoord op deze vraag. “U zoekt iemand die verantwoordelijk is” zei een betrokken directeur generaal tegen de ondervragingscommissie, “die zult u hier niet vinden”.

In 1987 organiseerde de Technische Hogeschool Twente, mijn alma mater, een conferentie met de titel Technology and Responsibility. Maarten Coolen, een docent van mij van de UvA, analyseert in zijn bijdrage Philosophical Anthropology and the Problem of Responsibility in Technology de “pragmatic paradox” van onze tijd. Aan de ene kant maakt de ontwikkeling van de technologie een verantwoorde praktijk met betrekking tot de door haar veroorzaakte problemen meer dan ooit noodzakelijk. Aan de andere kant maakt deze zelfde ontwikkeling van de technologie en de daarmee gepaard gaande organisatie van de samenleving een verantwoorde praktijk schijnbaar onmogelijk. Coolen zag twee mogelijke houdingen tegenover deze paradox. De eerste is: je kop in het zand steken. Voor wie dat niet wil rest slechts de taak om de situatie te begrijpen. Ik zie dat als een moreel appel. Ken uw situatie en doe wat er gevraagd wordt. De filosoof Floridi, lid van het World Economic Forum’s Council on The Future of Technology, Values and Policy, en de politicus Omtzigt hebben elk hun eigen weg gevonden om aan dit morele appel gehoor te geven. Zowel de filosoof als de politicus, besluiten hun werk met een roep en een aanzet voor een nieuw sociaal contract. Toeval bestaat niet. Kennelijk vraagt de tijd erom.

Ik bespreek eerst het werk van de politicus, dan dat van de filosoof en hoop zo hun beider inspiratie enigszins over te brengen op de lezer. Als ik daar in slaag ben ik een tevreden mens.

Een nieuw sociaal contract

Het boek telt zes delen. Het eerste deel (55 van de ruim 200 pagina’s) ‘Over Pieter Omtzigt’ heeft de vorm gekregen van een interview. Dit format maakt van dit deel een heldere en biografisch geordende inleiding in de onderwerpen van de komende vijf delen, waarvan het laatste een voorstel bevat voor een nieuw sociaal contract. Filosofe en columniste Welmoed Vlieger stelt de vragen die Omtzigt de gelegenheid bieden de lezer te vertellen over zijn achtergrond en motivatie voor zijn werk in de politiek, de ontwikkeling van zijn wetenschappelijke inzichten in de econometrie en de ervaringen die de basis vormen voor zijn gedrevenheid. Naast de kernthema’s van het boek: Corruptieschandalen in ‘Europa’, het Blinde Geloof in Modellen, het Toeslagenschandaal die de noodzaak van een Nieuw Sociaal Contract moeten verhelderen, komen ook wat meer ‘persoonlijke’ zaken aan de orde.

Wie de kandidatenlijst van de verschillende partijen bekijkt ziet dat verreweg de meeste leden in de buurt van Den Haag en Amsterdam wonen. Het is Omtzigt een doorn in het oog omdat hij het ziet als een teken en of oorzaak van de afstand tussen de burger en de Haagse politiek. Vandaar zijn pleidooi voor een meer regionaal kiesstelsel. Omtzigt koos ervoor na zijn omzwervingen in Twente terug te keren.

Als bewoner van het buitengebied van Lonneker herken ik zijn waardering voor de Twentse ‘noaberschap’ en gemeenschapszin. Maar hoe houden we die gemeenschapszin in stand in onze moderne samenleving? Hoe houdt mijn buurman nazaat van vele generaties melkveehouders op de Linderes stand tegen de globalisering, de robotisering en de wetten en regels van “die politici in Brussel” ? Omtzigt: “Dat we geen duidelijk antwoord hebben op de vraag welke waarden we delen in Nederland is echt een probleem.”

Wanneer je de sociale media mag geloven dan zijn er nogal wat mensen die bij de aanstaande TweedeKamer-verkiezingen op Omtzigt hadden gestemd ware het niet dat ze daarmee een stem geven aan zijn politieke partij, het CDA, een partij die – het kan niet ontkend worden, medeverantwoordelijk is voor de erbarmelijke staat van de rechtsstaat. De vraag of hij (nog) wel bij die partij past zal menigeen zich dan ook hebben gesteld. Het antwoord op de vraag naar “jouw keuze voor het CDA” was voor mij wel verrassend. De eerste reden die Omtzigt noemt waarom hij “overtuigd lid” werd van het CDA is omdat het “de enige partij was die een plan had om de VUT af te schaffen”. Om economische redenen. De VUT blaast de nationale economie op. Hij werkte aan de opheffing van de VUT om het pensioenstelsel te behouden. Met name het nabestaandenpensioen hield zijn bijzondere aandacht. Het pensioenstelsel was eigenlijk helemaal niet bedoeld voor ouderen, zegt Omtzigt. Het is opgericht voor wezen en weduwen en voor mannen die door een ongeval arbeidsongeschikt zijn geworden. Inmiddels is de VUT afgeschaft en de pensioengerechtigde leeftijd met de levensverwachting verhoogd. Geen reden voor Omtzigt om het CDA de rug te keren, want het christen-democratisch fundament van de partij spreekt hem aan. “Ik kom uit een katholiek nest, het geloof is voor mij een bron van inspiratie”. Omtzigt strooit niet met Bijbel-citaten. Maar het gedachtegoed van Thomas, de filosoof en theoloog uit Aquino is hem als het ware met de paplepel ingegoten. Geen woorden, maar daden is een devies dat hem beter past. Of: bid en werk. Zijn doel: een rechtvaardige samenleving.

Door zijn ontmoeting met Ayfer Koç werd zijn belangstelling voor de situatie van de christenen in het Midden-Oosten en voor godsdienstvrijheid in het algemeen gewekt. Met Ayfer heeft hij vier dochters. Ze vluchtte met haar gezin toen ze negen jaar was uit Zuid-Oost Turkije omdat ze er als Syrisch-orthodoxe christenen niet veilig waren. Ze studeerde Bestuurskunde aan de Universiteit Twente en is nu fractievoorzitter van het CDA in Enschede. Ja, Omtzigt is een soort van thuis bij het CDA.

Dat hij er niet voor schroomt kritiek te uiten op partijgenoten blijkt onder andere uit de manier waarop hij de corruptie onder leden van zijn EVP in het Europese Parlement aanpakte. De president van Azerbeidzjan kocht deze parlementariërs om met oliegeld voor steun van allerlei praktijken die indruisen tegen de mensenrechten. “Politieke gevangenen werden gewoon onder het tapijt geveegd”. Ook hier net als later in de toeslagenaffaire koos hij voor de principiële lijn. Typerend is zijn opmerking: “In de Grondwet staat ook nergens dat alleen Kamerleden van de oppositie de regering moeten controleren.” Het is inmiddels bekend: het dichtgetimmerde regeerakkoord en de strikte rolverdeling van zogenaamde oppositie-partijen en regeringspartijen die in vrijwel elke kwestie de keuzes voor of tegen al vast zouden leggen is hem een gruwel. Evenals het gebrek aan inhoudelijk debat, de op sensatie beluste media en pers, die meedeint met de waan van de dag en het enorme gebrek aan wetenschappelijke onderzoekers in ‘Den Haag’. Het interview biedt een verrassende inkijk in de soms verbazingwekkende praktijken waarmee een Tweede Kamerlid te maken heeft.

Een bom onder de corruptie op Malta

Op 16 oktober 2017 ontplofte een bom onder de auto van de Maltese journaliste Daphne Anne Caruana Galizia. Een brute moord op de anticorruptie-activiste, die verslag uitbracht over politieke corruptie op Malta, lid van de EU. Haar zoons benaderden Omtzigt als lid van de Raad van Europa om hulp. Omtzigt stond toen al bekend vanwege zijn inzet voor klokkenluiders, waaronder Edward Snowden. Hij werd naar Malta afgevaardigd om onderzoek te doen naar de staat van de rechtsstaat. Al gauw bleek dat er helemaal geen sprake was van een scheiding van machten en ‘checks-and-balances’ die de macht van het recht en het recht van de macht in evenwicht moeten houden. Minister-president Joseph Muscat had alle touwtjes in handen. Hij benoemde zelf de rechters en de hoge ambtenaren volgens de regels van de vriendjespolitiek. Omtzigt werd van alle kanten tegengewerkt en persoonlijk door Muscat en zijn vriendjes zwart gemaakt. Ze waren direct of indirect betrokken bij de moord op Caruana Galizia. Hij verplaatste zich op Malta vergezeld van een tweetal door ‘de vijand’ aangestelde beveiligers. Geen geruststellend idee. Zijn verslagen van deze en andere onderzoeksmissies voor de Raad van Europa, onder ander naar Ijsland en Oekraïne, doen de lezer denken aan Zweedse en Deense misdaadseries als Borgen of the Team van Arne Dahl en aan de misdaadthrillers van Charles den Tex. Omtzigt heeft de missies in de criminele buitenlanden van Europa overleefd.

In deel twee bespreekt hij de Europese samenwerking. Hoe kunnen we de problemen van de democratische rechtsstaat te boven komen? Het wankele vertrouwen bij de burger door allerlei politieke affaires zetten vraagtekens bij de legitimiteit van Europa als eenheid. Omtzigt voert de moedige houding van rechtsgeleerde Rudolph Cleveringa, bekend vanwege zijn verzetslezing in 1940 aan de Leidse universiteit, op als leidraad voor de strijd tegen het onrecht en de problemen in Europa. Omtzigt: We moeten er voor zorgen dat afspraken kunnen worden afgedwongen. En verder moeten we vasthouden aan de principes van rechtvaardigheid tegen de vriendjespolitiek en de partijbelangen in, met oog voor de individuele burger.

We zien door de modellen de werkelijkheid niet meer

Deel III is weer van een heel ander karakter. Hierin gaat Omtzigt tekeer tegen het denken in en vasthouden aan ‘modellen’. Nu is er waarschijnlijk geen wetenschap waarin zulke complexe modellen gemaakt worden dan in de economie. Omtzigt wijdde er zijn promotieonderzoek in Florence aan en schreef er een proefschrift over. En als iedereen het nou eens was over welk model het beste was. De werkelijkheid schrijft (helaas) niet voor hoe deze gemodelleerd moet worden. Dat is een kwestie van keuzes die je maakt en de doelen die je hebt. Er worden verschillende aannames gemaakt en er wordt van ‘onbelangrijke’ zaken geabstraheerd. Omtzigt haalt de bekende uitspraak van George Box aan: “All models are wrong, but some are useful“. Omtzigt: “In Nederland echter bepalen modellen ons beleid.”

“We lijken soms te denken dat modellen beter zijn in het maken van beleidskeuzes dan mensen”

Hoe modellen de werkelijkheid kunnen verhullen laat Omtzigt zien aan de hand van een paar concrete voorbeelden over de koopkrachtplaatjes. Is er nog iemand die begrijpt hoe de rekenmodellen eruit zien die bepalen hoe hoog je netto inkomen zal zijn? Wat is het netto effect als je 100 euro extra inkomen hebt? Omtzigt rekent aan de hand van twee voorbeeldhuishoudens voor hoe het draagkrachtbeginsel helemaal verloren is gegaan in de mist van toeslagen en kortingen. Waardoor onverantwoorde inkomensverschillen ontstaan die tegen elk gevoel van rechtvaardigheid in gaan. Het biedt een leerzame inkijk in de keuken van onze wetgever.

Omtzigt wijst op het probleem om als Tweede Kamerlid ook maar iets zinnigs te zeggen wanneer modellen niet transparant zijn, zoals die van het Planbureau voor de Leefomgeving bij het berekenen van de CO2 effecten van elektrisch rijden. Verschillende adviseurs van de regering komen met tegengestelde adviezen op grond van niet transparante modellen, met verschillende aannames en definities. Afijn, wie het nieuws en de cijfers over besmettingen en ziekenhuisopnames van het RIVM een beetje heeft gevolgd die kent de problemen. Je moet er voor doorstuderen om het te snappen en dan snap je het nog niet. Wat de burger betreft:moet deze alles wel snappen? Blijkt uit de wil om alles te snappen niet een gebrek aan vertrouwen in wetenschappers en politici? Niemand zal ontkennen dat ons belasting- en toeslagenstelsel veel te complex en daarom alleen al niet rechtvaardig is. Wat nou, inclusie! Maar wie doet er wat aan? Het heeft er alle schijn van dat het dezelfde complexiteit is, maar nu in de besluitvormingsprocessen, die er voor zorgt dat er niets aan verandert.

Over reproduceerbaarheid

Wanneer Omtzigt het heeft over het gebrek aan transparantie van modellen wijst hij op een “gouden standaard in natuurwetenschappen”: een experiment moet reproduceerbaar zijn. Hij maakt vervolgens een sprong naar de econometrische modellen. “In de context van econometrische modellen houdt dit in dat je modellen openbaar moeten zijn, zodat duidelijk is welke aannames je maakt en welke schattingen je hebt.” Omtzigt haalt hier mijns inziens twee zaken door elkaar. Reproduceerbaarheid is een belangrijk criterium dat we opleggen aan de onderzoekmethode ten behoeve van de geloofwaardigheid van de door middel van die methode verkregen resultaten. Onderzoekresultaten zijn objectief in zoverre ze expliciet in relatie tot een reproduceerbare methode gepresenteerd worden. Heel veel onderzoekresultaten soms gepubliceerd in de beste journals met name in de sociale wetenschappen bleken niet reproduceerbaar te zijn. Het gaat dan niet alleen om de statistische methodes, maar vooral ook om de manier waarop de data is verkregen, hoe er is gemeten en wat. Omtzigt doelt met reproduceerbaarheid vooral op het eerste onderdeel: wat doet het model vervolgens met die data.

Welke studie je tegenwoordig ook volgt, het kan haast niet missen of je wordt als student lastig gevallen met een Inleiding in de Statistiek. Maar als ergens de uitspraak van de wiskundige Godfrey Harold Hardy (1877-1947) geldt dat “a little learning is a dangerous thing” dan is het wel hier als het gaat om de statistische wetenschap. De experimentele en mathematisch fysici hebben ondertussen wel begrepen dat wezenlijke aspecten van de natuur ontsnappen aan hun wiskundige modellen. In de sociale wetenschappen en bij de meeste politici lijkt er nog steeds een heilig ontzag te zijn voor modellen. Hoe wiskundiger en berekenbaarder de modellen zijn des te indrukwekkender. Als de computer het zegt dan moet het toch wel waar zijn. Of het pleidooi van Omtzigt voor meer wetenschap en denkkracht als ondersteuning van de overheid gehoor vindt? Laten we het hopen. Maar een garantie voor een kritische houding ten aanzien van het denken in en het gebruik van modellen is daarmee zeker niet gegarandeerd. Dat vraagt om nog weer een andere discipline.

Het schandaal van de toeslagen

In deel IV komt het toeslagenschandaal uitvoerig aan de orde. Voor wie het rapport Ongekend Onrecht van de commissie van Dam heeft gelezen bevat het misschien niet zo heel veel nieuws. Maar toch: ook de lezer die wel het rapport heeft gelezen en die wel naar de interviews van de betrokken ambtenaren en betrokken politici heeft gekeken op TV die valt bij het lezen van Omtzigts’s relaas nog weer van de ene verbazing in de andere. Hoe is het toch in hemelsnaam mogelijk dat het zo mis heeft kunnen gaan in de rechtsstaat Nederland? Het antwoord van Omtzigt is helder: er is van alles mis met die rechtsstaat. De administratie van de Belastingen is een informatiepuinhoop, de regering geeft geen gehoor aan de vraag om informatie, er is geen openheid naar de Tweede Kamer toe, de rechter beschermt niet de burger maar de Staat. De toezichthoudende instanties hebben gefaald of hun rapporten werden in een la weggestopt. De formeel verantwoordelijke snel van stoel wisselende ministers, staatssecretarissen en directeuren generaal van de diensten communiceren slecht en produceren rapporten en documenten die net als de rekenmodellen het zicht op de werkelijkheid verbloemen. De lezers van de talloze documenten en verslagen leggen geen relatie meer met de echte werkelijkheid. Deze simulacra worden voor de werkelijkheid en waar gehouden. Ze leiden een eigen leven. Achteraf hoor je verschillende betrokkenen tijdens de interviews zeggen: “ik ken het stuk wel maar het drong toen niet tot me door wat het betekende.” Maar achteraf kijk je de koe in de kont. En voor de ambtenaren die hun dag bij de diensten turend achter beeldschermen doorbrengen en werken met anonieme gedepersonaliseerde informatie-eenheden geldt de gouden regel “niet uit de school klappen”. Klokkenluiders worden gestraft. Met ambtenaren wordt door kamerleden uitsluitend in het geheim gesproken.

In deel V maakt Omtzigt duidelijk dat de problemen met de kinderopvangtoeslag niet op zichzelf staan. Er zijn diverse “dossiers” die vergelijkbare misstanden tonen: de behandeling van de aardbevingsschade in Groningen, de leenbijstand, de problemen bij het CBR. De participatiewet die het recht op bijstand regelt en de verplichtingen van de burger vastlegt. Deze gaat uit van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de individuele burger. Wat Omtzigt niet noemt zijn de problemen bij Defensie, de Veiligheidsdiensten en bij de Nationale Politie als het gaat om check-and-balances om informatievoorziening aan de kamer. Bijna dagelijks horen we van ICT problemen bij de diensten. Steeds vaker treden er problemen met de beveiliging van persoonsgegevens bij de overheidsinstanties, waardoor het vertrouwen in een overheid die zou moeten zorgen voor de burgers dreigt te verdwijnen. “De problemen zitten diep” en vragen volgens Omtzigt om na te denken over “een nieuw sociaal contract.” Een voorstel daartoe doet hij in het laatst deel van zijn boek.

Dat begint met een omschrijving van het begrip rechtvaardigheid van de Dominicaanse monnik, filosoof en theoloog Thomas van Aquino, de man die de Aristotelische denkbeelden op geheel eigen wijze wist op te nemen in het christelijke gedachtegoed. “Rechtvaardigheid is de houding krachtens welke iemand met standvastige en bestendige wil aan ieder zijn rechten toekent.” Het ieder zijn deel is volgens Omtzigt een kernwaarde van onze moderne rechtsstaat. Deze gelijke rechten voor iedere burger horen ook tegenover de overheid gewaarborgd te zijn. De toeslagenaffaire heeft aangetoond dat dat ook in Nederland alles behalve vanzelfsprekend is. “De gehele trias politica heeft over langere termijn gefaald.” Het recht moet de macht van het recht inperken. De ‘rule of law’ en de scheiding der machten moet het recht van de macht waarborgen. Wat moet er volgens Omtzigt veranderen? De Nederlandse rechter moet de door het parlement aangenomen wetten direct kunnen toetsen aan de Grondwet (1). Er moet een nieuw kiesstelsel komen met regionale kieskringen om de afstand tussen burger en overheid te verkleinen (2). Weg met coalitieakkoorden en het snel er doorjassen van nieuwe wetten en regels en meer specialistische ondersteuning (3). Een onafhankelijke Afdeling bestuursrechtsspraak (4). Een beter benaderbare ambtelijke dienst, die begrijpelijke teksten maakt en betere bescherming biedt aan klokkenluiders (5). Meer en betere onafhankelijke externe onderzoekscommissies (6). Zorg voor een onafhankelijk maatschappelijk middenveld, dat niet door de overheid wordt gesubsidieerd (7). Meer aandacht voor de grondwettelijke taken van de overheid: bestaansrecht en spreiding van welvaart, voldoende woningen en goed onderwijs voor iedereen.(8). Minder modellen en meer denken (9). Een goede informatiehuishouding.(10).

Het zijn geen verrassende voorstellen die hij doet. Maar in een tijd waarin de principes van de democratie vergeten lijken te zijn is het goed er nog eens opnieuw op te wijzen en aan te werken. In de democratie gaat het om de verwerkelijking van de vrijheid voor alle burgers. Waaraan moet de institutionele uitwerking van de democratische rechtsstaat voldoen? Meuwissen noemt in zijn Recht en Vrijheid (1982) de volgende criteria. Als eerste het instituut vertegenwoordiging als uitdrukking van distantie, vertrouwen en verantwoordelijkheid.Je moet enerzijds besluiten in vertrouwen over (kunnen) laten aan anderen. Anderzijds is die ander verantwoording schuldig. Ten tweede moet de democratie georganiseerd zijn als een rechtsstaat. Een geordende constitutie en de heerschappij van de wet (rule of law) zijn noodzakelijke voorwaarden. De trias politica is een waarborg tegen machtsmisbruik en draagt wezenlijk bij aan de vrijheid. Ten derde moet er een waarborg zijn voor politiek pluralisme. Besluiten worden genomen na debatten tussen voor en tegenstanders van bepaalde opvatting die streven naar consensus over het algemeen belang. Wederzijds respect en tolerantie als basisprincipes van een democratische samenleving krijgen in een meerpartijenstelsel uitdrukking. Ten vierde moeten staat en maatschappij met elkaar verweven zijn en streven naar de realisatie van sociale grondrechten, de behoeftebevrediging van allen door allen. Ook de maatschappelijke organisaties die met betrekking tot een bepaalde levenssfeer (onderwijs, geloof, sport, landbouw) invloed uitoefenen op de politiek dienen democratisch te zijn. Ten vijfde geldt in de democratie het meerderheidsbeginsel. De idee is dat niemand de waarheid in pacht heeft en dat iedereen volgens zijn eigen visie gelijk heeft. Dus als er besloten moet worden dan geldt het getalscriterium: de meeste stemmen gelden. Maar in de meerderheidsbeslissing moet ook de mening van de minderheden zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Dit wordt al te vaak vergeten. Democratie is niet alleen de wet van de meerderheid.

Omtzigt’s nieuw sociaal contract is een uitwerking van deze aloude beginselen.

“Politiek hoort waardegedreven te zijn”

Maar regels en wetten zijn waardeloos en werken niet zonder een ‘standvastige en bestendige wil’ om het goede te doen. Omtzigt wijst er tenslotte met een woord van Meester Eckhart op dat fundamentele veranderingen voort moeten komen uit “innerlijkheid”, een juiste richtinggevende levenshouding die is neergelegd in de geest van de wet. Het gaat er niet om iedereen direct af te maken omdat ie een keer een fout maakt. “We moeten als burger een zekere mildheid tonen” Was het niet Aristoteles die er in zijn Ethica Nicomachea al op wees dat het er in het leven om gaat het juist midden te kiezen tussen mildheid en volharding in het doen van het goede.

Een nieuw sociaal contract van Pieter Omtzigt is een boek geschreven door een gedreven politicus dat de vinger op de zwakke plekken van onze rechtsstaat legt.

Het banale van het alledaagse

Wanneer Omtzigt wordt geprezen vanwege zijn inzet voor de slachtoffers van de toeslagenaffaire is zijn reaktie steevast: “Ik doe ‘gewoon’ mijn werk als kamerlid.” Helaas is wat hij en zijn collega Renske Leijten deden: het opkomen voor het recht van de slachtoffers van de ook door hen zelf gemaakte regels, wetten en instituties helemaal niet zo gewoon.

Deden en doen ook de ambtenaren die bij de Belastingdienst – en bij die andere overheidsinstellingen waar zich vergelijkbare problemen voor doen – ook niet “gewoon hun werk”? Omtzigt lijkt van mening dat “de meeste ambtenaren deugen”. Maar is dat genoeg? Moeten we niet juist soms niet willen deugen en door de dagelijkse gang van zaken heen prikken en reflecteren op de vraag “waar ging het ons ook al weer om?”.

De problemen van de instituties in de context van de informatierevolutie

Tegenover de “innerlijkheid”, de morele drive, het morele plichtsbesef waar Omtzigt ons op wijst, zonder welke regels en procedures dood zijn, staat de uitwendigheid van de technologie en de documenten waarin die regels wetten en procedures worden vastgelegd. Die uitwendigheid neemt steeds meer een zelfstandige vorm aan, o.a. in de vorm van intelligente systemen. In Luciano Floridi’s filosofie van de informatie schetst hij een nieuwe basis, een metafysica, voor het informatietijdperk. De werkelijkheid is een infosfeer, een ecologie van informatie-entiteiten en inforgs, kunstmatige en menselijke agenten die in een netwerk elkaars identiteit en functies wederzijds bepalen door interacties. Wat die zelfstandigheid, die autonomie van de technologie doet met mensen, met hun relatie tot het werk, het leven, kortom: hun identiteit, dat is een thema dat veel te weinig aandacht heeft gekregen in de discussies over de problemen met de instituties.

In de dagelijkse strijd die Omtzigt in de politiek voert gaat het vrijwel altijd om informatie. Zonder de juiste informatie is het voor hem als kamerlid niet mogelijk zijn taak als volksvertegenwoordiger goed uit te voeren. Hij komt bovendien op voor het recht van iedere burger op informatie (op grond van de WOB) en voor het beschermen van diens privacy, van de persoonsgegevens en de persoonlijke identiteit en integriteit. Burgers werden door de Belastingdienst op grond van ‘voorspellende algoritmes’ en statistische modellen ten onrechte als “fraudeur” bestempeld. Er werden en worden persoonsgegevens bewaard en gebruikt, zoals het feit of iemand een dubbele nationaliteit heeft. Ook de Autoriteit PersoonsGegevens werd door de diensten tegengewerkt zodat ze hun controlerende taak onvoldoende konden uitvoeren. Voor de veiligheidsdiensten is informatie een bestaansvoorwaarde.

De overheersende invloed van de ICT is aanleiding voor herbezinning op de fundamenten van onze ethische standpunten.

In de eerste zeven hoofdstukken van Informatie vat Floridi de belangrijkste gestaltes van het informatiebegrip samen. Informatie treedt op waar gegevens zijn die het verschil maken, daardoor ze ook tekens van iets zijn die betekenis hebben. Volgens Floridi bestaan er fysische informatie-entiteiten als “van de geest onafhankelijke structuurelementen”. Je kunt denken aan viroïden, aan DNA, verpakt in eiwitstructuren. Genetici gen-technologen beschrijven het proces van voortplanting en mutatie in termen van informatiegeneratie, transformatie en verwerking. Biologische informatie, het DNA, een virus, heeft net als een computerprogramma het karakter van een sleutel, een code die toegang geeft tot de omgeving en daar in actief wordt. Floridi raakt in Informatie vrijwel alle grote problemen uit de geschiedenis van het denken. Dat is omdat hij klassieke ideeën uit de metafysica’s van Plato, Aristoteles en Thomas opnieuw overdenkt en als het ware in nieuwe informatie-theoretische termen beschrijft. Het boek biedt dan ook stof tot denken voor nog vele jaren. Filosofie is nooit af. Floridi’s filosofie is niet af. Op zijn persoonlijke website zegt hij dat hij op driekwart van zijn informatie-project is. Ik weet niet hoe hij dit kan weten en ik betwijfel het.

Een filosofisch werk laat zich niet samenvatten. Vanwege onze gedeelde interesse in het onderwerp van de technologie en de betekenis ervan voor de antropologie komen veel van zijn filosofische thema’s in diverse van mijn blogs aan de orde. Misschien wat minder systematisch en met een wat meer persoonlijke noot. Maar ik ben dan ook geen filosoof. Men leze bijvoorbeeld “Het schandaal van de waarheidswaarden” en “Het Kanaal“, maar eigenlijk gaan al mijn schrijfsels over het zelfde: als de tong die maar niet ophoudt naar de zere kies te gaan.

Floridi wordt wel verweten de mens te identificeren met een informatie-verwerkende machine. Deze gedachte werpt hij verre van zich. Zijn informatie ontologie is een ontologie van structuren. “Esse est information”. De werkelijkheid is een infosfeer, een omgeving van informatie-eenheden, actoren en ‘patienten’, zowel mensen als artefacten. Al wat is is informatie; van een kiezelsteentje op het grindpad tot een complexe samenleving van mensen en machines. De grondgedachte van zijn metafysica is klassiek: het Zijn is Gegeven zijn en het Zijn is het Goede. De tegenpool is chaos, wanorde. Floridi noemt het, enigszins verwarrend, entropie, maar je moet denken aan de informatiepuinhopen bij de Belastingdienst, waardoor het niet meer mogelijk is om relevante informatie binnen redelijke tijd boven water te krijgen.

Zijn infosfeer vertoont enige gelijkenissen met het Mathematisch Universum van de fysicus Max Tegmark (zie zijn Our Mathematical Universe). Tegmark’s ‘externe’ werkelijkheid is een wiskundige structuur, een complexe Hilbert-ruimte. Bij Floridi is het universum als infosfeer een dynamische structuur, geen wiskundig object. Lijkt het. Bij Floridi zowel als bij Tegmark ligt een vorm van ‘mathematisme’ (in de zin van Fleischhacker, zie zijn Beyond Structure, 1995), een vereenzelviging van het metafysische, en het fysische met het mathematische op de loer.

Hoe valt Floridi’s informatiebegrip te rijmen met de opvatting dat informatie het resultaat is van een meting, de uitdrukking van een kwaliteit op kwantitatieve wijze, dat is binnen een voorafgegeven structuur. Daarmee komt overeen de idee van informatie als datgene wat ‘boven tafel komt’ als antwoord op een gerichte vraag. De vraag biedt de structuur waarin het antwoord gegeven wordt. Informatie is resultaat van een interaktie, tussen een kennend subject en de werkelijkheid. Het lijkt erop dat Floridi dit resultaat van een meting, deze polaire eenheid, weer als het ware terugwerpt, objectiveert, in de realiteit. De steen van Rosetta is volgens hem dan ook informatie; ook zonder een subject voor wie het ontsloten is. Betekenen tekens iets, ook als er niemand is voor wie het teken iets betekent? Bestond de Stelling van Pythagoras, deze informatie-eenheid in de zin van Floridi, al vóór dat deze geformuleerd werd? Het zijn telkens weer terugkerende vragen die om telkens weer eigentijdse antwoorden vragen. Worden wiskundige stellingen ontdekt, zoals de beeldhouwer het beeld uit het rotsblok bevrijdt? Of zijn het constructies die ontspruiten uit onze creatieve geest? Misschien moeten we het verstand – het vermogen dat de werkelijkheid van nature telkens weer uit elkaar legt – even vergeten. Immers: hoe zouden we de vallende steen nu kunnen gebruiken om met de formules van Newton de snelheid te berekenen waarmee deze vanaf een bepaalde hoogte op de grond valt, wanneer de steen deze wetten niet uit zichzelf al kende, lang voordat Newton geboren werd? Het zou interessant zijn om Tegmark’s Universum en Floridi’s Infosfeer diepgaander met elkaar te confronteren, maar dit is niet de tijd, noch de plaats om dat te doen.

Een alomvattende ethiek voor het informatie-tijdperk

Ik ga hier iets verder in op het onderwerp van het laatste hoofdstuk van Floridi’s Informatie. Daarin presenteert hij een ethiek voor het informatietijdperk, een algemene aanpak voor morele kwesties rond informatie, het alomvattende zijn in al haar vormen. Vergelijk het met een milieu-ethiek waarin de morele kwesties gerelateerd worden aan de morele status van biologische entiteiten en eco-systemen welke berust op de intrinsieke (positieve) waarde van het leven en de (negatieve) waarde van het lijden. Deze ethiek is bio-centrisch gericht. Elke levensvorm, niet alleen de mens, elke component van onze leefomgeving, is een morele ‘patient’ en heeft een morele status. Ook rivieren en bomen hebben op grond daarvan bestaansrechten die vastgelegd worden in wetten en regels. Als we ‘leven’ vervangen door ‘bestaan’, dat is informatie in de zin van Floridi, dan wordt enigszins duidelijk wat hij met een informatie-ethiek bedoelt. Het lijden in de biocentrische milieu-ethiek wordt ‘entropie’ of chaos in de ontocentrische informatie-ethiek.

In analogie met het rechtvaardigheidsbeginsel, het uitgangspunt van Omtzigt’s ‘antropocentrische’ sociaal contract, geldt voor Floridi het ontologisch gelijkheidsprincipe: iedere vorm van informatie/zijn heeft een minimaal, oorspronkelijk recht van bestaan. Het is het uitgangspunt voor Floridi’s ‘ontologische trust’ een alomvattend nieuw sociaal contract, volgens welke ieders handelen onpartijdig, universeel en ‘zorgzaam’ is. Het commentaar van Floridi op het ‘sociaal contract’ in de zin van Omtzigt is dat het vaak en te veel antropocentrisch geïnterpreteerd wordt. De ontologische trust biedt een basis voor zo’n sociaal contract. Ze is gegeven met het bestaan: wie of wat bestaat participeert aan de ‘ontologische trust’. Iedere trustee is vanwege zijn bestaan, ‘onvrijwillig en ontontkoombaar’, in relatie tot alle andere bestaande trustees gebonden aan het contract. Het pact behelst een relatie van ‘wederkerige waardering, dankbaarheid en zorgzaamheid’. Deze relatie wordt bevorderd door de erkenning dat alle entiteiten afhankelijk zijn van elkaar.

Het belang van een ontocentrische informatie-ethiek boven een milieu- (en zorg-) ethiek kan volgens Floridi niet licht overschat worden. Milieu-ethiek is vooringenomen tegen wat onbezield, levenloos, niet-tastbaar, toekomstig, verleden en abstract is. Ook onbezielde, niet-tastbare, of intellectuele objecten hebben een minimale morele waarde.

Maar op grond waarvan moeten we dan in concrete situaties bepalen wat het zwaarst moet wegen? Is er geen ‘objectieve’ rangorde van waarden? Het is één van de vele vragen die Floridi’s filosofie en ethiek oproept. Het is onder andere de Twentse techniekfilosoof Philip Brey die dit punt opwerpt. Floridi treedt zijn commentatoren met open vizier en met veel waardering tegemoet. Zijn uitvoerige reacties in “Information Ethics: A Reappraisal” (2008) vormen een welkome aanvulling op de hier besproken inleiding in zijn filosofie en ethiek voor het informatietijdperk.

Zowel Omtzigt’s voorstel voor een “Nieuw Sociaal Contract” als Floridi’s pleidooi voor een Nieuw Ecologisch Pact verdienen onze ruime aandacht. Ze bieden een richtsnoer voor het denken en handelen in het tijdperk van door informatie- en communicatietechnologie beheerste instituties en een perspectief op een rechtvaardige toekomst.

Referenties

Pieter Omtzigt (2021). Een nieuw sociaal contract. Prometheus Amsterdam, 2021.

Luciano Floridi (2014).Informatie. Elementaire deeltjes 11. Amsterdam University Press B.V., Amsterdam, 2014. Vertaling van Information : a very short introduction uit 2010.

Luciano Floridi (2008). Information Ethics: A Reappraisal. Ethics Inf Technol 10, 189–204 (2008)..

Wat is Saul Kripke’s Burger Service Nummer? Een stuk ter verzoening

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over informatie en onze persoonlijke identiteit

“We must be able to express a thought without affirming that it is true.”

(Gottlob Frege, Begriffschrift, 1879)

Naschrift dd. 18-04-2020: ter verzoening

De toeslagenaffaire heeft niet alleen mensen aan het denken gezet, het heeft ook veel kwaad bloed gezet. Dit kwade bloed heeft er toe geleid dat ambtenaren van de Belastingdienst persoonlijk benaderd en belaagd werden. Dit is een kwalijke zaak. Maar het is begrijpelijk. Het is begrijpelijk omdat we niet anders kunnen dan denken dat het uiteindelijk individuen zijn en niet machines of systemen die de dienst uitmaken, de brief versturen waarin staat dat je teveel ontvangen toeslagen moet terugbetalen. De vraag die Chris van Dam, de voorzitter van de kamercommissie die onderzoek deed naar de affaire, stelde was wie er nu verantwoordelijk is voor de ellende die de burgers is aangedaan. Iedereen en niemand, is het antwoord.

Hoe zijn we hierin verzeild geraakt? In een wereld waarin verantwoordelijkheid een formaliteit van een minister is die niet weet wat er onder zijn of haar verantwoordelijkheid gebeurt. In een wereld waarin de uitvoerende ambtenaren hun taken uitvoeren met de enige verantwoordelijkheid dit volgens de regels te doen. In een wereld waarin documenten en memos van vergaderingen de echte werkelijkheid verhullen en waarin de computer volgens algoritmes, die zo complex zijn dat alleen de computer er nog mee kan werken, de te nemen beslissingen over de burger uitspuwen, als een eindoordeel.

Dit stuk is een poging tot verzoening. De beide figuren in dit verhaal, Saul, huisvader en slachtoffer van de toeslagenaffaire, en Kripke, die bij de afdeling toeslagen werkt, blijken één en dezelfde persoon te zijn. Zoals de Morgenster en de Avondster dezelfde planeet Venus bleken te zijn.

Dat de keuze voor deze twee namen niet toevallig is, dat zal in het vervolg wel blijken. Er zit meer achter een Burger Service Nummer dan wij denken.

De Interface en de Spiegel

[In verband met de bescherming van de privacy van betrokken personen zijn de namen in dit verhaal niet de namen van de echte personen. Iedere gelijkenis met echte personen is voor rekening van de lezer.]

Kripke werkt bij de Belastingdienst, afdeling toeslagen. Hij doet aan fraude-detectie in opdracht van Het Ministerie. Fraudeopsporing werd hot, nadat bleek dat honderden Bulgaren in Bulgarije via valse namen, adressen en bankpassen toeslagen ontvingen van de Nederlandse overheid. Als we hem vragen wat hij daar de hele dag doet antwoordt hij: ik kijk naar een beeldscherm. Iedereen hier op de afdeling kijkt naar beeldschermen. Ja, maar…wat doe je dan, vragen we. Ik kijk of er bijzonderheden zijn die opgemerkt moeten worden. Het eigenlijke werk doet de computer. Daarin werken algoritmes die gegevens verwerken. Je houdt dit niet lang vol, omdat je alleen vakjes met cijfertjes ziet en wat velden die wel of niet getagged zijn. Zo is er een vakje voor “fraude”. Het is slaapverwekkend. U weet dat het over mensen gaat? Ja, maar die zie je niet. Daar zorgt de afdeling Interface voor. In verband met de privacy codeert de afdeling Interface alle inkomende informatie. Die koppelt alle gegevens aan een uniek persoonsnummer, het burger service nummer. Dat is wat ik zie: nummers met velden met woorden en vinkjes. De mens, het Ding an sich zie ik niet, dat blijft verborgen.

Saul is werkende huisvader. Hij heeft twee kinderen. Toen ze nog jong waren bracht hij beide kinderen ‘s ochtends voor het werk naar de dagopvang. s’ Middags haalde hij ze weer op. Hij kreeg een vergoeding, een kinderopvangtoeslag van de overheid. Dat maakte het mogelijk om te blijven werken toen zijn vrouw overleed en hij alleen de zorg voor de kinderen had. Op een dag, nu drie jaar geleden, kreeg hij een brief van de afdeling Toeslagen. Het kwam er op neer dat hij “ten onrechte” al die jaren een uitkering had gekregen voor de dagopvang. Hij kreeg een terugvordering van 10.750,23 euro. Te betalen binnen 30 dagen. Toen hij de schrik te boven was pakte hij de telefoon. Na diverse pogingen met vaak lange vergeefse wachttijden kreeg hij eindelijk iemand aan de lijn. Hij zou worden teruggebeld door de betreffende afdeling. Op zijn vraag wie de ambtenaar was die zijn dossier behandelde kreeg hij als antwoord dat ze die informatie niet verstrekten. Dit om de privacy van de medewerkers te beschermen. Ze hadden ervaring met burgers die ambtenaren thuis lastig vielen. Om een lang verhaal kort te maken: het bleek niet mogelijk om iemand aan de lijn te krijgen die bekend was met zijn dossier. Het werk is opgedeeld en verdeeld over deeltijdwerkers. Hij kon een bezwaarbrief schrijven. Dat deed hij. Maar er kwam geen reactie. Hij had de brief net zo goed in een reet van de vloer kunnen doen als in de brievenbus. Ondertussen stond hij bekend als fraudeur. En daar was moeilijk van af te komen.

Eerste Gesprek

Saul: “Waarom moet ik alles terugbetalen?

Ambtenaar: “Omdat u fraudeur bent.”

Saul: “Ik ben geen fraudeur”

Ambtenaar: “U liegt”.

Saul: “Ik lieg niet”.

Ambtenaar: “Dat zeggen alle fraudeurs, omdat ze fraudeur zijn. Als u zou zeggen ‘ik lieg’ dan zou ik u geloven. Nu niet. De computer zegt namelijk dat u fraudeert. Dus bent u een fraudeur. Dat is logisch.

Saul: “Ja, maar…”

Ambtenaar: “Dag meneer, een fijne dag nog.”

Het parlementaire onderzoek

Jaren later kwam er een onderzoekcommissie met een rapport waaruit bleek dat er iets mis was met het systeem. Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt meende: “we zijn vergeten iets in het systeem in te bouwen: misschien een ziel.” Saul en met hem vele anderen waren slachtoffer van “een systeemfout”. Men zocht verantwoordelijkheid, maar vond hem niet. Niemand was schuldig. En iedereen was schuldig. Saul legde zich er niet bij neer. Ook niet toen de Minister beloofde dat hij het bedrag met rente terug zou krijgen. Hij vroeg met een aantal medeslachtoffers een gesprek aan met de betreffende ambtenaren. Dat moest vanwege corona via een online meeting.

Kripke kreeg van zijn chef te horen dat hij uitgenodigd werd voor een online meeting met een paar slachtoffers van de toeslagenaffaire. Ze wilden de mensen die hun dit onrecht hadden aangedaan in de ogen kijken. Toen de meeting plaats vond zag hij in het raster met beelden van deelnemers iemand die erg veel op hem leek. Hij heette Saul. Het leek alsof hij in een spiegel keek. Het zelfde overkwam Saul. Hij meende in de ambtenaar die Kripke heette zich zelf te herkennen.

De reflectie

Het verstand, wat volgens Descartes het best verdeelde goed ter wereld is, heeft de onbeheersbare neiging tot onderscheiden, opdelen, en indelen. Het denkende ik tegenover de uitwendige werkelijkheid. De woorden tegenover de spreker en de betekenis. Zo tracht het de werkelijkheid te beheersen. Maar de ambtenaar is niet alleen maar ambtenaar. Hij is soms ook huisvader. Bij de politie blijken soms ook oplichters en hooligans te werken. Niemand gaat op in de sociale rollen die hij speelt. Het verstand deelt ons leven op in privé en publiek, in ik en de anderen (en “l’ enfer c’est les autres”), in wij en zij. En objectiveert de onderscheiden aspecten: Saul en Kripke.

Bij de presentatie van het rapport van de onderzoekcommissie kinderopvangtoeslag riep de voorzitter Chris van Dam de betrokkenen op te reflecteren op hun rol in deze affaire. Reflecteren is iets anders dan in de spiegel kijken. Als je in de spiegel kijkt zie je jezelf van buiten. Reflecteren is van binnenuit naar je zelf kijken. Aangezien onze sociale rollen evenals ons werk in verschillende organisatie zelf al het resultaat zijn van een verstandsreflectie moeten wij Van Dam’s oproep tot reflectie opvatten als een reflectie op de verstandsreflectie. Dat is geen gemakkelijke opgave. Bovendien is het niet erg populair. Want is het niet zo dat een verbod op reflectie ons uit de crisis in de wetenschappen, die zich aan het begin van de vorige eeuw voltrok, moest helpen?

En heeft dat niet uiteindelijk geleid tot de informatisering van de moderne mens en de westerse samenleving? In een tijd waarin alles om informatie, informatie-voorziening, informatieverwerking en privacy gaat moeten de problemen wel haast te maken hebben met die informatisering. Maar wat is informatie eigenlijk? Wat houdt die informatisering in? Is de mens een informatieverwerkend systeem? Waarom kon de commissie van Van Dam geen verantwoordelijken vinden? Waar is het verantwoordelijke individu dat opgelost schijnt te zijn in objectieve wetenschap en rekenende en steeds autonomer werkende computersystemen?

Wat is informatie?

De eerste vraag op het lijstje van open problemen rondom het begrip informatie van de Italiaanse filosoof Luciano Floridi is: wat is informatie? Het is een filosofische vraag. Het gaat dus niet om een antwoord maar om begrip te brengen bij degenen die er over nadenken en er met anderen over van gedachten wisselen. Het antwoord op een filosofische vraag is altijd voorlopig.

Marcello D’Agostino (2016) stelde een voorlopig antwoord voor op de vraag van Floridi: informatie is dat wat zich aandient als antwoord op een vraag. Als voorbeeld van de soort vragen die hij bedoelt geeft hij: Wat is het telefoonnummer van Luciano Floridi?

Sommige vragen lijken buiten het bereik van D’Agostino’s definitie te vallen. Dat zijn de filosofische vragen, zoals “wat is informatie?”. Ook andere vragen die om de betekenis van een begrip vragen lijken er buiten te vallen. Hoewel er veel voor te zeggen is dat een vraag naar de betekenis van een woord, een vraag waarvan het antwoord op het internet, of een woordenboek wordt gezocht, weer wel een informatie-vraag is. De vraag: “Hou je nog een beetje van me?” lijkt me ook geen informatie-vraag. Tenzij deze vraag beantwoord kan worden door een meting. Maar gek genoeg is daar nog geen meetinstrument voor.

De vraag op welke politieke partij Luciano Floridi stemt is weliswaar een informatievraag, maar niet een vraag die in alle omstandigheden gesteld kan worden. Zo’n vraag zou wel eens door de geadresseerde als een ongepaste vraag kunnen worden opgevat. Toch zijn ook vragen naar privé-gegevens wel informatievragen. Ook het afwerende antwoord: “dat gaat u niets aan!” geeft in zekere zin informatie aan de vragensteller. Namelijk dat de geadresseerde vindt dat hij deze informatie niet wil verstrekken. Maar dan is ook een antwoord als: “dat weet ik niet”, of “daar moet ik over nadenken” op de vraag “wat is informatie?”, of op de vraag “wat is een getal?” weer wél een informatie-vraag. Het verschil met de ‘echte’ informatie-vragen is dat deze (echte vragen) een antwoord verwachten dat door de vraag bedoeld wordt. Zoals de vraag : “hoe laat is het?” vraagt om een tijd en de vraag “hoe oud bent u?” om een leeftijd vraagt. Het is niet de bedoeling van de vraag dat deze beantwoord wordt met : “ik weet het niet”, of: “dat is privé.”

Een informatievraag is een meting. Zo’n vraag bepaalt namelijk wat de mogelijke door de vragensteller beoogde antwoorden zijn. Een ja/nee-vraag vraagt om een ja of een nee als antwoord. In het algemeen wordt bij een meting iets in de werkelijkheid vergeleken met een maat-eenheid, iets ideëels. Sociale wetenschappers (denk aan interviews en enquetes) en overheidsinstanties (vragenformulieren) gebruiken vragenlijsten om de bevraagde te meten: om eigenschappen van hem te weten te komen als antwoord op vooraf gestelde vragen.

Informatievragen zijn de vragen waar Wittgenstein het over heeft in zijn Tractatus wanneer hij stelt:

“Wenn sich eine Frage überhaupt stellen lässt, so kann sie auch beantwortet werden” (Tractatus, 6.5)

Filosofische vragen kunnen dan ook volgens Wittgenstein niet gesteld worden. Hij vond de taal daarvoor niet geschikt. De taal is alleen geschikt om feitelijke vragen in te stellen en te beantwoorden.

Een eis die we aan een vraag om informatie stellen is dat deze door de geadresseerde begrepen wordt zoals deze door de vragensteller bedoeld is. In de eerste plaats moet de vraag grammaticaal ondubbelzinnig zijn. In het belastingformulier van 2013 stond de volgende vraag

Had u recht op een uitkering of op ondersteuning bij het zoeken van werk in het kader van de wet Wajong?”

Twee jaar na het invullen van het formulier kreeg schrijver dezes een navordering plus boete. Bij navraag bleek hij de vraag anders geïnterpreteerd te hebben dan de Belastingdienst bedoeld had. Het kostte hem veel moeite de ambtenaar ervan te overtuigen dat er meerdere lezingen mogelijk zijn. Taalkundigen spreken van een PP-attachment probleem: de propositionele frase “in het kader van de wet Wajong” kan zowel bij “uitkering” als bij “ondersteuning bij het zoeken van werk” horen. De ambtenaar verdedigde de Staat ten slotte met de opmerking dat ik “het moest lezen zoals bedoeld werd“. “De burger wordt geacht de wet te kennen.” Einde gesprek.

Zo’n dialoog betreft de interface tussen het systeem en de ‘gebruiker’, de burger. De wet waarnaar de ambtenaar verwijst is onderdeel van het contract van de interface. We zijn hier gekomen bij een kernprobleem van de informatica. Hoe we de betekenis van de taal kunnen vastleggen zodat communicatie mogelijk is.

Wat is Saul Kripke’s BSN?

Stel dat ik u deze vraag stel. Dat doe ik niet (het is maar een titel) maar stel het geval dat. Het zou mij niet verbazen wanneer dit de volgende wedervraag oproept. Wie is Saul Kripke?

Terzijde: houden we even vast dat we kennelijk een onderscheid maken tussen een vraag en het stellen van een vraag. In het algemeen: tussen een zin en het uiten of gebruik van de zin. Dit onderscheid is de spil in het denken van de wiskundige en logicus Gottlob Frege (1848-1925), één van de belangrijkste filosofen van eind 19de eeuw. In zijn Begriffschrift dat gezien wordt als het begin van de mathematische logica en daarmee van de denkende machines, legt hij de basis voor een logische analyse van de taal ten behoeve van het vastleggen van de logisch betekenis. In een voetnoot schrijft hij:

“We must be able to express a thought without affirming that it is true.”

Het onderscheid wordt uitgebuit in de taaltechnologie, in sprekende machines, door mensen die niet de waarheid spreken en zou tot allerlei problemen en paradoxen leiden. Ludwig Wittgenstein, opvolger en criticus van Frege, probeerde deze te omzeilen door een verbod op de zelfreflectie uit te vaardigen. Het begin van een nieuwe ethiek en een nieuw privacy-begrip. Daarover later meer. Einde terzijde.

Saul Kripke is een Amerikaans filosoof en logicus die veel nagedacht heeft over wat betekenen betekent (de semantiek van taal) en over hoe we moeten denken (logica), met name over wat ‘mogelijk’ en wat ‘noodzakelijk’ is. Ik ken hem niet, maar er is wel veel informatie over hem te vinden, onder andere op wikipedia, waar ik onderstaande foto vond. De man op de foto zou Saul Kripke kunnen zijn.

Ik denk dat kennen iets anders is dan informatie hebben. En dat geldt vooral als het over personen (individuen) gaat. Kunstmatige intelligentie en media-technologie (denk aan sprekende robots, deepfake en virtual reality) wijzen ons er steeds vaker op dat we onderscheid moeten maken tussen het beeld, de stem, het gezicht of de naam van iemand en de persoon ‘er achter’. Tussen de wereld zoals die ons verschijnt en de werkelijke wereld (het ‘Ding an sich‘ van Kant, waar de ambtenaar Kripke het over had).

De semanticus Kripke is bekend vanwege zijn theorie over namen, eigennamen en andere manieren om met name personen te beschrijven. Zijn theorie geeft antwoord op de vraag hoe we de relatie tussen personen en de wijze waarop ze benoemd en beschreven worden moeten denken. Een vraag die daarmee samen gaat is: Kunnen we de identiteit van een persoon kennen? Of blijft de echte persoon voor ons verborgen?

Dit is een afbeelding van Saul Kripke

Mogelijke werelden

Van Kripke is de term “possible worlds semantics”, waarmee een betekenistheorie wordt aangeduid waarin de idee van ‘mogelijke werelden’ centraal staat. Dit idee komt van Leibniz, in zekere zin een voorloper van Frege. Leibniz onderscheidde contingente of feitelijke waarheden die opgaan in ‘onze’, de feitelijke wereld en rationele of logisch noodzakelijke waarheden die opgaan in alle mogelijke werelden die God had kunnen scheppen. Omdat God het beste met de mens voor heeft leefden we volgens Leibniz, in weerwil van allerlei rampen zoals de rampen in Lissabon in 1755, in de beste van alle mogelijke werelden. Vermoedelijk zei hij dit om de kerk te vriend te houden. Maar dit terzijde.

Hebben wij kennis van noodzakelijkheden? Of kunnen we alles betwijfelen? Hoe kunnen we verantwoorden wat we denken en zeggen?

Het sneeuwt

Ik loop door de sneeuw. De harde wind prikt de sneeuwvlokken als spelden in mijn gezicht. Het sneeuwt. Je zou kunnen zeggen dat mijn waarneming een direct gevolg is van het sneeuwen. Het is geen noodzakelijk gevolg ervan: ik weet dat ik het ook níet had kunnen waarnemen, terwijl het wel sneeuwt. Oorzaak (dat het sneeuwt) en gevolg (mijn waarneming dat het sneeuwt) zijn qua inhoud identiek. Dat ik het opmerk is omdat het kennelijk iets opmerkelijks is dat het sneeuwt. Ik voel het en zie het. Als er zekerheid bestaat dan is het hier in de beleving en de onmiddellijke waarneming. Als ik dit betwijfel dan ontken ik mezelf. Het is onmogelijk dat het niet sneeuwt. Als het sneeuwt sneeuwt het noodzakelijk .

Het formuleren en eventueel uitspreken van de oordeelszin “het sneeuwt” is nog weer onderscheiden van de waarneming. Dat gebeurt pas wanneer ik iemand (eventueel mijzelf) dit feit wil mededelen. Het vereist een aparte motivatie. Bijvoorbeeld als ik antwoord geef op de vraag wat voor weer het is. De waarheid van deze zin is een ‘afgeleide’ van de directe waarneming van de toestand in de wereld, zoals ik die beleef.

Een waarneming kan zoals bekend misleidend zijn. We kunnen ons vergissen. Zo kan ik denken dat het sneeuwt op grond van een waarneming die ik op grond van eerdere ervaringen associeer met het verschijnsel sneeuwen (Sinds David Hume weten we hoe dit werkt.) Zo kan het geluid van auto’s die door de straat rijden mij vertellen dat het gesneeuwd heeft. Hier is sprake van een conclusie en niet van een directe waarneming van het verschijnsel het sneeuwt. Het geluid is een teken dat niet veroorzaakt is door de sneeuw, maar dat voor mij de oorzaak is te denken dat het sneeuwt.

De zin “het sneeuwt” uitgesproken door een subject is noodzakelijk waar in zoverre deze uitdrukking is van de directe waarneming door het subject van een toestand waarin het sneeuwt. Deze toestand is gegeven. Het subject toont zich in de waarneming ontvankelijk voor het gegeven. Het subject kan verantwoorden wat hij zegt omdat en in zoverre hij in het oordeel zélf aanwezig is. Hij kan de waarheid niet ontkennen zonder zich zelf buiten spel te zetten. Dit aanwezig zijn en zich presenteren in een taalhandeling maakt de taalhandeling pas valide (‘honest’). Dat geldt niet alleen voor de zogenaamde performatieve daden (Austin), zoals wanneer we iets beloven door te zeggen “ik beloof …”, maar voor alle taalhandelingen (zie Harm Boukema,1980).

Rond de eeuwwisseling naar de 20ste eeuw verkeerde de westerse samenleving in een identiteitscrisis. Het contact met de werkelijkheid was verloren gegaan. De wetenschap, dat is de fysica, had er toe geleid dat niemand nog iets zeker wist.

“Anyone maintaining at the turn of the century that the notions ‘red’ and ‘hard’ (or more abstractly ‘material object’) were reasonably clear notions, that we see red things and see that they are red, and that of course we know what a red object is, etc., would have seemed unutterably foolish.”.

Zo kenmerkt Hilary Putnam de vertwijfeling rond de eeuwwisseling die aanleiding was tot de zoektocht naar nieuwe zekerheid. (Putnam, Mathematics without foundations, 1967). Ook de wiskundige Frege zocht grond onder voeten van de wiskunde. Hij vond het schandalig dat iedereen het maar over getallen had, maar dat niemand in staat was een goede definitie ervan te geven. Hij wil de wiskunde op de logica grondvesten.

Frege is in zijn Begriffschrift alleen geïnteresseerd in bewerende zinnen, zoals “het sneeuwt” of “deze rood is rood”. Hij wil de logische inhoud van de taal isoleren van alle andere aspecten, zoals de psychologische, de talige. Die logische inhoud noemt hij de propositie. Anders dan klassiekers zoals Aristoteles is hij ook niet geïnteresseerd in modale zinnen zoals : “Jan is mogelijk ziek”. Of “Het is noodzakelijk dat 2+2 gelijk is aan 4″.

Wanneer ik zeg dat een propositie noodzakelijk waar is, dan geef ik slechts een indruk van de reden voor mijn oordeel.” Het zegt niets over de logisch inhoud. Aldus Frege.

Om te bepalen of een zin waar is moet je weten waar de namen en beschrijvingen naar verwijzen. Zo is de zin:

“De voorzitter van de Raad van State is de Koning van Nederland”

alleen waar als de twee beschrijvende uitdrukkingen naar dezelfde persoon refereren. De grond voor de waarheid van deze gelijkheid hangt af van de interpretatie: is het bij wet zo geregeld en is de gelijkheid geldig wie de persoon ook is? Of is het een toevallige gelijkheid? Zoals in “De wiskundeleraar van Jan is Saul Kripke”?

“De man die Naming and Necessity schreef is de man op de foto in deze blog.” Deze uitspraak is waar. Beide beschrijvingen refereren naar de persoon Saul Kripke. Het is een aposteriori waarheid, gebaseerd op empirische kennis, of liever gezegd: op informatie over deze persoon.

De zin “De man die Naming and Necessity schreef is de man die Naming and Necessity schreef” is daarentegen een tautologie, een logische apriori waarheid. Frege noemde de betekenis van een uitdrukking de Sinn en de referent de Bedeutung, het object waarnaar de zin verwijst.

Apriori waarheden zijn noodzakelijk waar. Dat wil zeggen ze zijn in alle mogelijke werelden waar. Aposteriori waarheden zijn in sommige werelden waar, in andere niet. Kripke vond in tegenstelling tot Frege en Russell dat eigennamen niet noodzakelijk refereren aan de beschrijvingen van eigenschappen van de persoon waarnaar de naam verwijst. Saul Kripke had immers ook níet de auteur van Naming and Necessity kunnen zijn. Door middel van een beschrijving kun je een persoon nooit uniek identificeren. Daarvoor zijn te generiek. Er zijn veel meer personen die er aan voldoen of eraan zouden kunnen voldoen dan degene die bedoeld wordt.

Namen zijn starre verwijzers

In zijn Princeton-lectures Naming and Necessity voert Kripke het begrip “rigid designator” in (‘starre verwijzers’ heten ze in L.T.F.GAMUT). Hij definieert:

“Let’s call something a rigid designator if in any possible world it designates the same object, a non-rigid or accidental designator if that is not the case.”

Bedoelt Kripke dat een rigid designator een teken is dat noodzakelijk verbonden is met de referent? Dat zou vreemd zijn, want hij stelt als “one of my intuitive theses in my talk I stipulate that proper names are rigid designators” terwijl er toch meer mensen zijn die ‘Aristoteles’ heten.

Waar Kripke op wijst is dat een verwijzing door middel van een begripsinhoud, zoals de “president van de U.S.A.” of “de auteur van Hamlet”, nooit een particulier object of een persoon kan aanduiden, vanwege het algemene karakter ervan, maar dat een eigennaam geen begripsinhoud aanduidt maar in het gebruik naar de bedoelde persoon wijst. Ook al zijn er meer hondjes die Fikkie heten, wanneer ik de naam Kripke gebruik refereer ik naar het unieke individu dat ik met de naam Kripke aanduidt. Als Hesperus en Phosphorus de zelfde ster aanduiden dan is dit in elke mogelijk wereld zo en noodzakelijk.

In “Het wiskundige teken” betoogt Louk Fleischhacker op (voor mij) overtuigende wijze dat er één objectiviteitsgebied is waar we tekens gebruiken als “rigid designators” in de zin van Kripke: bij het benoemen en uniek identificeren van mathematische objecten. Alleen daar is er een noodzakelijk en éénzinnig verband tussen de naam van een object en de individuele identiteit ervan. We gebruiken in de wiskunde tekens om individuele objecten aan te duiden. Dit is noodzakelijk om wiskunde te bedrijven, om te kunnen rekenen en om stellingen te kunnen bewijzen, hetgeen een vorm van rekenen is. We hebben het over driehoek ABC, het getal pi, de verzameling A en de punten p en q. Willen we twee objecten van elkaar onderscheiden dan moeten we ze met verschillende tekens aanduiden. Anders konden we nooit zeggen dat ze gelijk waren. De individualiteit voegt niets toe aan de bepaaldheid, de eigenschappen, van het object. Die liggen volledig vast in de structurele relaties die het tot andere objecten heeft. Zo is de identiteit van een verzameling volledig bepaald door de elementen die het bevat en de relaties tot andere verzamelingen.

Het burger service nummer zoals dat functioneert in de administratie-systemen van de overheid is een “rigid designator”.

In elk onderdeel van het systeem verwijst het naar de zelfde unieke persoon. Refereren als aanwijzen is een vorm van meten: dit is waarover het gaat als ik deze naam, dit nummer, gebruik. Het is de invariant van de datastructuren die de beschrijvingen bevatten waarin de informatie-eenheden, als antwoord op de vragen, over de persoon is vastgelegd. Deze wiskundige structuur bestaande uit attribuut-waarde-paren wordt gevoed door aan de persoon via vragen ‘gemeten’ eigenschappen. En door middel van eventueel op statistieken gebaseerde rekenmethodes (zogenaamde ‘algoritmes’) .

Terwijl de mathematisch fysici al in het zicht zijn gekomen van de grenzen van de mathematisering (zie de problematiek van het meten in de kwantummechanica en de discussie rond de interpretatie van de wiskundige Schrödingervergelijkingen) lijken de sociale wetenschappen nog steeds het wiskundig model als de ideale vorm van uitdrukking van kennis omtrent het gedrag en de eigenschappen van de mens te zien. Zowel de commercie die de burger zoveel mogelijk (privé) informatie ontlokt om via profilering deze op de maat te kunnen bedienen, als de instanties van de overheid maken gretig gebruik van de nieuwste “wetenschappelijke” modellen en algoritmes. Dat de individuele burger steeds meer problemen heeft zich te herkennen in deze modellen blijkt o.a. uit de recente toeslagenaffaire.

Laten we tot slot eens luisteren naar het vervolg van de dialoog tussen de twee karakters Saul en Kripke.

Tweede Gesprek

Saul: Ik wil nog even terugkomen op het eerste gesprek.

Kripke: Zegt u het eens.

Saul: Daarin noemde u mij een fraudeur.

Kripke: Zoals ik u eerder ook zei: ik ben het niet die dat zegt. De computer zegt het. Iedere collega van mij zou hetzelfde zeggen. U moet het ook niet persoonlijk opvatten. Ik zou hetzelfde zeggen als u een ander was geweest.

Saul: Het is uw computer die onwaarheden verkondigt. Doe daar wat aan.

Kripke: Mag ik u vragen? Wie heeft uw formulieren ingevuld?

Saul: Ik zelf. Op mijn computer.

Kripke: Juist, op de computer. En na het intoetsen van de gegevens hebt u de vraag gekregen of u de vragen naar waarheid hebt beantwoord. Hoe heeft u die vraag beantwoord?

Saul: Met ja natuurlijk. Hoe kan ik anders? Of moet ik bij alles wat ik zeg, zeggen dat het waar is? Dan kan ik wel aan de gang blijven!

Kripke: U heeft daar een punt. Het is vanzelfsprekend. Maar ik heb het vragenformulier niet gemaakt. Goed, dus u antwoordde: ja. En toen?

Saul: Toen heb ik op verzenden gedrukt.

Kripke: Juist. En daarmee hebt u onze computer aan het werk gezet. Een proces dat uiteindelijk leidde tot het bericht in uw mailbox dat u moet terugbetalen. Uitleg: fraude. Ik kan niet anders concluderen dan dat u dus zelf dit bericht hebt veroorzaakt. Het systeem laat u zien wat de door u zelf ingevulde gegevens betekenen. Uw computer houdt u dus feitelijk een spiegel voor. Het toont wat u zelf doet.

Saul: U zegt dus dat ik verantwoordelijk ben.

Kripke: Daar komt het wel op neer, ja. De computer rekent alleen. Die maakt geen fouten.

Saul: Maar ik kan mij toch vergist hebben bij het invullen van het formulier!

Kripke: U bedoelt dat u iets anders had moeten zeggen dan wat u feitelijk gezegd hebt?

Saul: Ja.

Kripke: Maar hoe kan ons systeem nu iets anders doen dan reageren op wat u zegt? Ik kan niet in uw hoofd kijken om te zien wat u werkelijk bedoelde of had moeten zeggen. Ik werk bij de belastingdienst. Ik ben geen psycholoog of predikant!

Saul: Maar u, of uw systeem, noemt mij wel een ‘fraudeur’. Dat is nogal een oordeel!

Kripke: U hebt gelijk. U zou dat ook niet zo moeten opvatten. Het is de afdeling Interface die de interne systeemcodes omzet in voor de mensen gewone mensentaal. Het komt erop neer dat er een inconsistentie is in de informatie die u in het systeem hebt ingevoerd. Computers kunnen er nu eenmaal niet tegen dat iemand tegenstrijdige informatie invoert. Ze gaan er vanuit dat de feiten kloppen.

Saul: Zoals ik al zei. Ik heb me misschien ergens vergist.

Kripke: Zoals ik al zei. Wij moeten u op uw woord geloven. Anders hebben we niet. Ik ben geen psychiater.

Saul: Maar u bent wel gek.

Kripke: Dat zijn uw woorden. Een fijne dag nog.

Stellingen

Het Burger Service Nummer functioneert in onze informatiesystemen als een “rigid designator” in de zin van Kripke en implementeert de idee dat de persoonlijke identiteit van de burger door het systeem als de identiteit van een mathematisch object wordt opgevat.

The various systems of mathematical philosophy, without exception, need not be taken seriously. (Hilary Putnam, Mathematics without foundations, Journal of Philosophy 64 (1967) : 5-22)

Paradoxen zoals die van Russell en Grelling vinden hun oorzaak in zelfreflectie. Ook de uitdrukking: “U kunt deze brief als niet verzonden beschouwen”, of “deze zin kunt u als niet gelezen beschouwen” vragen de lezer iets te doen wat hij niet kan doen als antwoord op de vraag en kunnen dus niet letterlijk genomen worden zonder paradoxaal te zijn.

De opvatting van de kansrekening als uitbreiding van de tweewaardige logica zoals we die bij Harold Jeffreys en E.T. Jaynes vinden waarin P(A|H) gezien wordt als extensie van de door Frege in zijn Begriffschrift geïntroduceerde Urteilsstrich |- berust op een verwarring van de begrippen empirisch noodzakelijk en logisch noodzakelijk. (zie H. Jeffreys, Theory of Probability, 1933) .

De bekende “Bar-Hillel–Carnap Paradox” (Bar-Hillel, 1964) is het gevolg van de idee dat ‘informational content’ van een contradictie maximaal is omdat deze alle mogelijke werelden voor onmogelijk houdt, hetgeen op zich al een tegenstrijdigheid inhoudt.

De identiteit van een reëel individu is voor ons onbegrijpelijk. (Louk Fleischhacker, Het wiskundig teken, In: Reflexiviteit en Metafysica, 1987)

De vraag onderaan een formulier of de vragen naar waarheid zijn ingevuld kan niet als een serieuze ja/nee vraag worden opgevat.

De oproep van voorzitter Chris van Dam van de Parlementaire Ondervragings-commissie kinderopvangtoeslag tot zelfreflectie gaat in tegen het in het technologisch denken vigerende reflectieverbod dat sinds het begin van de vorige eeuw vanwege allerlei paradoxen in de wetenschappen geldt. (zie: Harm Boukema, Over de grenzen van de reflexiviteit. In: Reflexiviteit en Metafysica, 1987)

Mensen en machines verwerken beide informatie, maar ze verschillen in zijnswijze. (zie Maarten Coolen, De machine als werkend teken. In: Reflexiviteit en Metafysica, 1987)

De vraag van Luciano Floridi: “wat is informatie?” is geen informatie-vraag, noch een vraag die met het geven van een definitie bevredigend beantwoord kan worden.

Een zin kan onmogelijk van zichzelf zeggen dat deze waar is (Ludwig Wittgenstein, Tractatus Logico Philosophicus, 1922)

Wie een goed mens wil zijn moet zijn verstand gebruiken en wie zijn verstand goed gebruikt is een goed mens. Het primaire doel van het onderwijs is het ontwikkelen van de verstandelijke vermogens. De kennisinhoud is van secundair belang.

Op een computer kun je rekenen, maar je kunt er niet op vertrouwen.

Een feit is tegenwoordig geen feit als er geen feit op staat.

Ethiek en recht moet tegen de mathematisering in opkomen voor het individu dat dreigt verloren te gaan in de mechanisering van statistieken en informatie.

Bronnen

D’Agostino, Marcello 2016. The philosophy of mathematical information. In: Floridi (ed.) The Routledge Handbook of Philosophy of Information, 2016.

Austin, J.L., 1962. How to do things with words, the William James Lectures delivered at Harvard University in 1955. ed. by Urmson, J.O. and Sbisa, Marina, Oxford, 2e druk.

Austin, J.L. 1956. Performative utterances. In: Philosophical Papers, Third Edition, Edited by Urmson, J.O. and Warnock, G.J., Oxford University Press, 1979.

Boukema, Harm, 1987. Familiegelijkenissen – Wittgenstein als criticus en erfgenaam van Frege. Tijdschrift voor Filosofie, 49ste Jaarg., Nr. 1, Ludwig Wittgenstein (Maart 1987), pp. 42-70.

Boukema, Harm, 1987. Over de grenzen van de reflexiviteit. In: Reflexiviteit en Metafysica. Bijdragen aan het symposium bij het afscheid van prof. J.H.A. Hollak. (Redactie: Louk Fleischhacker). Filosofische Reeks Centrale Interfaculteit Universiteit van Amsterdam, nr. 20. 1987, pp. 6-19.

Boukema, Harm, 1980. Intentionele analyse van illocutioary acts. In: Filosofische Reeks nr. 6 – 1980. Filosofische lezingen gehouden op de Eerste Nederlandse Filosofiedag 15 september 1979, Universiteit van Amsterdam.

Boukema, Harm, 2010. Russell’s second paradox: A Dialectical Analysis of ‘On Denoting’, Proefschrift Universiteit Nijmegen, 2010.

Fleischhacker, Louk (red.) (1987). Reflexiviteit en Metafysica. Bundel artikelen uitgegeven naar aanleiding van het symposium bij het afscheid van Prof. Dr. J.H.A. Hollak als hoogleraar geschiedenis van de wijsbegeerte aan de universiteiten van Nijmegen en Amsterdam. Uitgeverij Eburon, Delft, 1987.

Floridi, Luciano (ed.) (2016). The Routledge Handbook of the Philosophy of Information (2016).

Frege, Gottlob (1879). Begriffschrift, a formula language, modeled upon that of arithmetic, for pure thought. Engelse vertaling opgenomen in: Jean van Heijenoort, From Frege to Gödel, a source book in mathematical logic. Harvard University Press, Cambridge , Mass.(1967).

Frege, Gottlob (1986). The Foundations of Arithmetics: a logico-mathematical enquiry into the concept of number. English translation by J.L. Austin, 2nd revised edition. Basil Blackwell Oxford, 1986.

Frege, Gottlob (1882). Uber die wissenschaftliche Berechtigung einer Begriffschrift. Opgenomen in: Gottlob Frege: Funktion, Begriff, Bedeutung, Uitgave: Vandenhoeck & Ruprecht in Gottingen, pp. 91-97, 1975.

Frege, Gottlob, 1892, ‘Über Sinn und Bedeutung’, Zeitschrift für Philosophie und philosophische Kritik 100, pp. 25-50.

Gamut, L.T.F. 1982. Logica, taal en betekenis 2 – intensionele logica en logische grammatica. Aula paperback 77, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982. Gamut staat voor Groningen, Amsterdam en Utrecht, de drie universiteitssteden van het auteurscollectief.

Jeffreys, Harold (1966). Theory of Probability. Oxford Classic Texts in the physical sciences, Clarendon Press, Oxford, 3rd edition, (2003).

Putnam, Hilary (1967). Mathematics without foundations. Reprinted in: Philosophy of Mathematics, selected readings, Paul Benacerraf and Hilary Putnam (eds), Cambridge University Press, Cambridge, 1982.

Wittgenstein, Ludwig (1973). Tractatus logico-philosophicus. Logisch-philosophische Abhandlung. Ed. Suhrkamp, Uitgave 1973. Oorspronkelijke Duitstalige uitgave 1921.