De strijd van Omtzigt voor het recht op informatie – een dubbelrecensie

“Esse est information” (Luciano Floridi)

“Als er geen ruimte meer is voor reflectie, dreigt dan niet het gevaar van een banale organisatie?” (Meralda Slager, De Banaliteit van het Goede)

Een paar dagen geleden kocht ik bij de lokale boekhandel Broekhuis te Enschede twee boeken. Het ging me eigenlijk om Een nieuw sociaal contract van Pieter Omtzigt, bekend Tweede Kamerlid, onder meer vanwege zijn inzet voor de slachtoffers van de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst. Het boek was te goedkoop om gratis bezorgd te worden dus zocht ik er iets bij. Het werd Informatie van de Italiaan Luciano Floridi, hoogleraar in Oxford en directeur van het Digital Ethics Lab van het Oxford Internet Institute. Het boek is een vertaling van het in 2010 verschenen Information, a very short introduction. Met Floridi’s filosofie en ethiek voor het tijdperk van de informatie- en communicatie-technologie ben ik al een tijdje aan het worstelen. In mijn blog De Belastingdienst als Infosfeer pas ik als het ware zijn construct, de infosfeer, toe op deze overheidsinstelling. De vraag die dan boven tafel komt is: is er in de infosfeer nog plaats voor verantwoordelijkheid en voor de “innerlijke” drive het goede te doen? De ondervragingscommissie onder aanvoering van Chris van Dam kreeg in de talloze interviews met betrokken ambtenaren en bewindslieden maar geen bevredigend antwoord op deze vraag. “U zoekt iemand die verantwoordelijk is” zei een betrokken directeur generaal tegen de ondervragingscommissie, “die zult u hier niet vinden”.

In 1987 organiseerde de Technische Hogeschool Twente, mijn alma mater, een conferentie met de titel Technology and Responsibility. Maarten Coolen, een docent van mij van de UvA, analyseert in zijn bijdrage Philosophical Anthropology and the Problem of Responsibility in Technology de “pragmatic paradox” van onze tijd. Aan de ene kant maakt de ontwikkeling van de technologie een verantwoorde praktijk met betrekking tot de door haar veroorzaakte problemen meer dan ooit noodzakelijk. Aan de andere kant maakt deze zelfde ontwikkeling van de technologie en de daarmee gepaard gaande organisatie van de samenleving een verantwoorde praktijk schijnbaar onmogelijk. Coolen zag twee mogelijke houdingen tegenover deze paradox. De eerste is: je kop in het zand steken. Voor wie dat niet wil rest slechts de taak om de situatie te begrijpen. Ik zie dat als een moreel appel. Ken uw situatie en doe wat er gevraagd wordt. De filosoof Floridi, lid van het World Economic Forum’s Council on The Future of Technology, Values and Policy, en de politicus Omtzigt hebben elk hun eigen weg gevonden om aan dit morele appel gehoor te geven. Zowel de filosoof als de politicus, besluiten hun werk met een roep en een aanzet voor een nieuw sociaal contract. Toeval bestaat niet. Kennelijk vraagt de tijd erom.

Ik bespreek eerst het werk van de politicus, dan dat van de filosoof en hoop zo hun beider inspiratie enigszins over te brengen op de lezer. Als ik daar in slaag ben ik een tevreden mens.

Een nieuw sociaal contract

Het boek telt zes delen. Het eerste deel (55 van de ruim 200 pagina’s) ‘Over Pieter Omtzigt’ heeft de vorm gekregen van een interview. Dit format maakt van dit deel een heldere en biografisch geordende inleiding in de onderwerpen van de komende vijf delen, waarvan het laatste een voorstel bevat voor een nieuw sociaal contract. Filosofe en columniste Welmoed Vlieger stelt de vragen die Omtzigt de gelegenheid bieden de lezer te vertellen over zijn achtergrond en motivatie voor zijn werk in de politiek, de ontwikkeling van zijn wetenschappelijke inzichten in de econometrie en de ervaringen die de basis vormen voor zijn gedrevenheid. Naast de kernthema’s van het boek: Corruptieschandalen in ‘Europa’, het Blinde Geloof in Modellen, het Toeslagenschandaal die de noodzaak van een Nieuw Sociaal Contract moeten verhelderen, komen ook wat meer ‘persoonlijke’ zaken aan de orde.

Wie de kandidatenlijst van de verschillende partijen bekijkt ziet dat verreweg de meeste leden in de buurt van Den Haag en Amsterdam wonen. Het is Omtzigt een doorn in het oog omdat hij het ziet als een teken en of oorzaak van de afstand tussen de burger en de Haagse politiek. Vandaar zijn pleidooi voor een meer regionaal kiesstelsel. Omtzigt koos ervoor na zijn omzwervingen in Twente terug te keren.

Als bewoner van het buitengebied van Lonneker herken ik zijn waardering voor de Twentse ‘noaberschap’ en gemeenschapszin. Maar hoe houden we die gemeenschapszin in stand in onze moderne samenleving? Hoe houdt mijn buurman nazaat van vele generaties melkveehouders op de Linderes stand tegen de globalisering, de robotisering en de wetten en regels van “die politici in Brussel” ? Omtzigt: “Dat we geen duidelijk antwoord hebben op de vraag welke waarden we delen in Nederland is echt een probleem.”

Wanneer je de sociale media mag geloven dan zijn er nogal wat mensen die bij de aanstaande TweedeKamer-verkiezingen op Omtzigt hadden gestemd ware het niet dat ze daarmee een stem geven aan zijn politieke partij, het CDA, een partij die – het kan niet ontkend worden, medeverantwoordelijk is voor de erbarmelijke staat van de rechtsstaat. De vraag of hij (nog) wel bij die partij past zal menigeen zich dan ook hebben gesteld. Het antwoord op de vraag naar “jouw keuze voor het CDA” was voor mij wel verrassend. De eerste reden die Omtzigt noemt waarom hij “overtuigd lid” werd van het CDA is omdat het “de enige partij was die een plan had om de VUT af te schaffen”. Om economische redenen. De VUT blaast de nationale economie op. Hij werkte aan de opheffing van de VUT om het pensioenstelsel te behouden. Met name het nabestaandenpensioen hield zijn bijzondere aandacht. Het pensioenstelsel was eigenlijk helemaal niet bedoeld voor ouderen, zegt Omtzigt. Het is opgericht voor wezen en weduwen en voor mannen die door een ongeval arbeidsongeschikt zijn geworden. Inmiddels is de VUT afgeschaft en de pensioengerechtigde leeftijd met de levensverwachting verhoogd. Geen reden voor Omtzigt om het CDA de rug te keren, want het christen-democratisch fundament van de partij spreekt hem aan. “Ik kom uit een katholiek nest, het geloof is voor mij een bron van inspiratie”. Omtzigt strooit niet met Bijbel-citaten. Maar het gedachtegoed van Thomas, de filosoof en theoloog uit Aquino is hem als het ware met de paplepel ingegoten. Geen woorden, maar daden is een devies dat hem beter past. Of: bid en werk. Zijn doel: een rechtvaardige samenleving.

Door zijn ontmoeting met Ayfer Koç werd zijn belangstelling voor de situatie van de christenen in het Midden-Oosten en voor godsdienstvrijheid in het algemeen gewekt. Met Ayfer heeft hij vier dochters. Ze vluchtte met haar gezin toen ze negen jaar was uit Zuid-Oost Turkije omdat ze er als Syrisch-orthodoxe christenen niet veilig waren. Ze studeerde Bestuurskunde aan de Universiteit Twente en is nu fractievoorzitter van het CDA in Enschede. Ja, Omtzigt is een soort van thuis bij het CDA.

Dat hij er niet voor schroomt kritiek te uiten op partijgenoten blijkt onder andere uit de manier waarop hij de corruptie onder leden van zijn EVP in het Europese Parlement aanpakte. De president van Azerbeidzjan kocht deze parlementariërs om met oliegeld voor steun van allerlei praktijken die indruisen tegen de mensenrechten. “Politieke gevangenen werden gewoon onder het tapijt geveegd”. Ook hier net als later in de toeslagenaffaire koos hij voor de principiële lijn. Typerend is zijn opmerking: “In de Grondwet staat ook nergens dat alleen Kamerleden van de oppositie de regering moeten controleren.” Het is inmiddels bekend: het dichtgetimmerde regeerakkoord en de strikte rolverdeling van zogenaamde oppositie-partijen en regeringspartijen die in vrijwel elke kwestie de keuzes voor of tegen al vast zouden leggen is hem een gruwel. Evenals het gebrek aan inhoudelijk debat, de op sensatie beluste media en pers, die meedeint met de waan van de dag en het enorme gebrek aan wetenschappelijke onderzoekers in ‘Den Haag’. Het interview biedt een verrassende inkijk in de soms verbazingwekkende praktijken waarmee een Tweede Kamerlid te maken heeft.

Een bom onder de corruptie op Malta

Op 16 oktober 2017 ontplofte een bom onder de auto van de Maltese journaliste Daphne Anne Caruana Galizia. Een brute moord op de anticorruptie-activiste, die verslag uitbracht over politieke corruptie op Malta, lid van de EU. Haar zoons benaderden Omtzigt als lid van de Raad van Europa om hulp. Omtzigt stond toen al bekend vanwege zijn inzet voor klokkenluiders, waaronder Edward Snowden. Hij werd naar Malta afgevaardigd om onderzoek te doen naar de staat van de rechtsstaat. Al gauw bleek dat er helemaal geen sprake was van een scheiding van machten en ‘checks-and-balances’ die de macht van het recht en het recht van de macht in evenwicht moeten houden. Minister-president Joseph Muscat had alle touwtjes in handen. Hij benoemde zelf de rechters en de hoge ambtenaren volgens de regels van de vriendjespolitiek. Omtzigt werd van alle kanten tegengewerkt en persoonlijk door Muscat en zijn vriendjes zwart gemaakt. Ze waren direct of indirect betrokken bij de moord op Caruana Galizia. Hij verplaatste zich op Malta vergezeld van een tweetal door ‘de vijand’ aangestelde beveiligers. Geen geruststellend idee. Zijn verslagen van deze en andere onderzoeksmissies voor de Raad van Europa, onder ander naar Ijsland en Oekraïne, doen de lezer denken aan Zweedse en Deense misdaadseries als Borgen of the Team van Arne Dahl en aan de misdaadthrillers van Charles den Tex. Omtzigt heeft de missies in de criminele buitenlanden van Europa overleefd.

In deel twee bespreekt hij de Europese samenwerking. Hoe kunnen we de problemen van de democratische rechtsstaat te boven komen? Het wankele vertrouwen bij de burger door allerlei politieke affaires zetten vraagtekens bij de legitimiteit van Europa als eenheid. Omtzigt voert de moedige houding van rechtsgeleerde Rudolph Cleveringa, bekend vanwege zijn verzetslezing in 1940 aan de Leidse universiteit, op als leidraad voor de strijd tegen het onrecht en de problemen in Europa. Omtzigt: We moeten er voor zorgen dat afspraken kunnen worden afgedwongen. En verder moeten we vasthouden aan de principes van rechtvaardigheid tegen de vriendjespolitiek en de partijbelangen in, met oog voor de individuele burger.

We zien door de modellen de werkelijkheid niet meer

Deel III is weer van een heel ander karakter. Hierin gaat Omtzigt tekeer tegen het denken in en vasthouden aan ‘modellen’. Nu is er waarschijnlijk geen wetenschap waarin zulke complexe modellen gemaakt worden dan in de economie. Omtzigt wijdde er zijn promotieonderzoek in Florence aan en schreef er een proefschrift over. En als iedereen het nou eens was over welk model het beste was. De werkelijkheid schrijft (helaas) niet voor hoe deze gemodelleerd moet worden. Dat is een kwestie van keuzes die je maakt en de doelen die je hebt. Er worden verschillende aannames gemaakt en er wordt van ‘onbelangrijke’ zaken geabstraheerd. Omtzigt haalt de bekende uitspraak van George Box aan: “All models are wrong, but some are useful“. Omtzigt: “In Nederland echter bepalen modellen ons beleid.”

“We lijken soms te denken dat modellen beter zijn in het maken van beleidskeuzes dan mensen”

Hoe modellen de werkelijkheid kunnen verhullen laat Omtzigt zien aan de hand van een paar concrete voorbeelden over de koopkrachtplaatjes. Is er nog iemand die begrijpt hoe de rekenmodellen eruit zien die bepalen hoe hoog je netto inkomen zal zijn? Wat is het netto effect als je 100 euro extra inkomen hebt? Omtzigt rekent aan de hand van twee voorbeeldhuishoudens voor hoe het draagkrachtbeginsel helemaal verloren is gegaan in de mist van toeslagen en kortingen. Waardoor onverantwoorde inkomensverschillen ontstaan die tegen elk gevoel van rechtvaardigheid in gaan. Het biedt een leerzame inkijk in de keuken van onze wetgever.

Omtzigt wijst op het probleem om als Tweede Kamerlid ook maar iets zinnigs te zeggen wanneer modellen niet transparant zijn, zoals die van het Planbureau voor de Leefomgeving bij het berekenen van de CO2 effecten van elektrisch rijden. Verschillende adviseurs van de regering komen met tegengestelde adviezen op grond van niet transparante modellen, met verschillende aannames en definities. Afijn, wie het nieuws en de cijfers over besmettingen en ziekenhuisopnames van het RIVM een beetje heeft gevolgd die kent de problemen. Je moet er voor doorstuderen om het te snappen en dan snap je het nog niet. Wat de burger betreft:moet deze alles wel snappen? Blijkt uit de wil om alles te snappen niet een gebrek aan vertrouwen in wetenschappers en politici? Niemand zal ontkennen dat ons belasting- en toeslagenstelsel veel te complex en daarom alleen al niet rechtvaardig is. Wat nou, inclusie! Maar wie doet er wat aan? Het heeft er alle schijn van dat het dezelfde complexiteit is, maar nu in de besluitvormingsprocessen, die er voor zorgt dat er niets aan verandert.

Over reproduceerbaarheid

Wanneer Omtzigt het heeft over het gebrek aan transparantie van modellen wijst hij op een “gouden standaard in natuurwetenschappen”: een experiment moet reproduceerbaar zijn. Hij maakt vervolgens een sprong naar de econometrische modellen. “In de context van econometrische modellen houdt dit in dat je modellen openbaar moeten zijn, zodat duidelijk is welke aannames je maakt en welke schattingen je hebt.” Omtzigt haalt hier mijns inziens twee zaken door elkaar. Reproduceerbaarheid is een belangrijk criterium dat we opleggen aan de onderzoekmethode ten behoeve van de geloofwaardigheid van de door middel van die methode verkregen resultaten. Onderzoekresultaten zijn objectief in zoverre ze expliciet in relatie tot een reproduceerbare methode gepresenteerd worden. Heel veel onderzoekresultaten soms gepubliceerd in de beste journals met name in de sociale wetenschappen bleken niet reproduceerbaar te zijn. Het gaat dan niet alleen om de statistische methodes, maar vooral ook om de manier waarop de data is verkregen, hoe er is gemeten en wat. Omtzigt doelt met reproduceerbaarheid vooral op het eerste onderdeel: wat doet het model vervolgens met die data.

Welke studie je tegenwoordig ook volgt, het kan haast niet missen of je wordt als student lastig gevallen met een Inleiding in de Statistiek. Maar als ergens de uitspraak van de wiskundige Godfrey Harold Hardy (1877-1947) geldt dat “a little learning is a dangerous thing” dan is het wel hier als het gaat om de statistische wetenschap. De experimentele en mathematisch fysici hebben ondertussen wel begrepen dat wezenlijke aspecten van de natuur ontsnappen aan hun wiskundige modellen. In de sociale wetenschappen en bij de meeste politici lijkt er nog steeds een heilig ontzag te zijn voor modellen. Hoe wiskundiger en berekenbaarder de modellen zijn des te indrukwekkender. Als de computer het zegt dan moet het toch wel waar zijn. Of het pleidooi van Omtzigt voor meer wetenschap en denkkracht als ondersteuning van de overheid gehoor vindt? Laten we het hopen. Maar een garantie voor een kritische houding ten aanzien van het denken in en het gebruik van modellen is daarmee zeker niet gegarandeerd. Dat vraagt om nog weer een andere discipline.

Het schandaal van de toeslagen

In deel IV komt het toeslagenschandaal uitvoerig aan de orde. Voor wie het rapport Ongekend Onrecht van de commissie van Dam heeft gelezen bevat het misschien niet zo heel veel nieuws. Maar toch: ook de lezer die wel het rapport heeft gelezen en die wel naar de interviews van de betrokken ambtenaren en betrokken politici heeft gekeken op TV die valt bij het lezen van Omtzigts’s relaas nog weer van de ene verbazing in de andere. Hoe is het toch in hemelsnaam mogelijk dat het zo mis heeft kunnen gaan in de rechtsstaat Nederland? Het antwoord van Omtzigt is helder: er is van alles mis met die rechtsstaat. De administratie van de Belastingen is een informatiepuinhoop, de regering geeft geen gehoor aan de vraag om informatie, er is geen openheid naar de Tweede Kamer toe, de rechter beschermt niet de burger maar de Staat. De toezichthoudende instanties hebben gefaald of hun rapporten werden in een la weggestopt. De formeel verantwoordelijke snel van stoel wisselende ministers, staatssecretarissen en directeuren generaal van de diensten communiceren slecht en produceren rapporten en documenten die net als de rekenmodellen het zicht op de werkelijkheid verbloemen. De lezers van de talloze documenten en verslagen leggen geen relatie meer met de echte werkelijkheid. Deze simulacra worden voor de werkelijkheid en waar gehouden. Ze leiden een eigen leven. Achteraf hoor je verschillende betrokkenen tijdens de interviews zeggen: “ik ken het stuk wel maar het drong toen niet tot me door wat het betekende.” Maar achteraf kijk je de koe in de kont. En voor de ambtenaren die hun dag bij de diensten turend achter beeldschermen doorbrengen en werken met anonieme gedepersonaliseerde informatie-eenheden geldt de gouden regel “niet uit de school klappen”. Klokkenluiders worden gestraft. Met ambtenaren wordt door kamerleden uitsluitend in het geheim gesproken.

In deel V maakt Omtzigt duidelijk dat de problemen met de kinderopvangtoeslag niet op zichzelf staan. Er zijn diverse “dossiers” die vergelijkbare misstanden tonen: de behandeling van de aardbevingsschade in Groningen, de leenbijstand, de problemen bij het CBR. De participatiewet die het recht op bijstand regelt en de verplichtingen van de burger vastlegt. Deze gaat uit van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de individuele burger. Wat Omtzigt niet noemt zijn de problemen bij Defensie, de Veiligheidsdiensten en bij de Nationale Politie als het gaat om check-and-balances om informatievoorziening aan de kamer. Bijna dagelijks horen we van ICT problemen bij de diensten. Steeds vaker treden er problemen met de beveiliging van persoonsgegevens bij de overheidsinstanties, waardoor het vertrouwen in een overheid die zou moeten zorgen voor de burgers dreigt te verdwijnen. “De problemen zitten diep” en vragen volgens Omtzigt om na te denken over “een nieuw sociaal contract.” Een voorstel daartoe doet hij in het laatst deel van zijn boek.

Dat begint met een omschrijving van het begrip rechtvaardigheid van de Dominicaanse monnik, filosoof en theoloog Thomas van Aquino, de man die de Aristotelische denkbeelden op geheel eigen wijze wist op te nemen in het christelijke gedachtegoed. “Rechtvaardigheid is de houding krachtens welke iemand met standvastige en bestendige wil aan ieder zijn rechten toekent.” Het ieder zijn deel is volgens Omtzigt een kernwaarde van onze moderne rechtsstaat. Deze gelijke rechten voor iedere burger horen ook tegenover de overheid gewaarborgd te zijn. De toeslagenaffaire heeft aangetoond dat dat ook in Nederland alles behalve vanzelfsprekend is. “De gehele trias politica heeft over langere termijn gefaald.” Het recht moet de macht van het recht inperken. De ‘rule of law’ en de scheiding der machten moet het recht van de macht waarborgen. Wat moet er volgens Omtzigt veranderen? De Nederlandse rechter moet de door het parlement aangenomen wetten direct kunnen toetsen aan de Grondwet (1). Er moet een nieuw kiesstelsel komen met regionale kieskringen om de afstand tussen burger en overheid te verkleinen (2). Weg met coalitieakkoorden en het snel er doorjassen van nieuwe wetten en regels en meer specialistische ondersteuning (3). Een onafhankelijke Afdeling bestuursrechtsspraak (4). Een beter benaderbare ambtelijke dienst, die begrijpelijke teksten maakt en betere bescherming biedt aan klokkenluiders (5). Meer en betere onafhankelijke externe onderzoekscommissies (6). Zorg voor een onafhankelijk maatschappelijk middenveld, dat niet door de overheid wordt gesubsidieerd (7). Meer aandacht voor de grondwettelijke taken van de overheid: bestaansrecht en spreiding van welvaart, voldoende woningen en goed onderwijs voor iedereen.(8). Minder modellen en meer denken (9). Een goede informatiehuishouding.(10).

Het zijn geen verrassende voorstellen die hij doet. Maar in een tijd waarin de principes van de democratie vergeten lijken te zijn is het goed er nog eens opnieuw op te wijzen en aan te werken. In de democratie gaat het om de verwerkelijking van de vrijheid voor alle burgers. Waaraan moet de institutionele uitwerking van de democratische rechtsstaat voldoen? Meuwissen noemt in zijn Recht en Vrijheid (1982) de volgende criteria. Als eerste het instituut vertegenwoordiging als uitdrukking van distantie, vertrouwen en verantwoordelijkheid.Je moet enerzijds besluiten in vertrouwen over (kunnen) laten aan anderen. Anderzijds is die ander verantwoording schuldig. Ten tweede moet de democratie georganiseerd zijn als een rechtsstaat. Een geordende constitutie en de heerschappij van de wet (rule of law) zijn noodzakelijke voorwaarden. De trias politica is een waarborg tegen machtsmisbruik en draagt wezenlijk bij aan de vrijheid. Ten derde moet er een waarborg zijn voor politiek pluralisme. Besluiten worden genomen na debatten tussen voor en tegenstanders van bepaalde opvatting die streven naar consensus over het algemeen belang. Wederzijds respect en tolerantie als basisprincipes van een democratische samenleving krijgen in een meerpartijenstelsel uitdrukking. Ten vierde moeten staat en maatschappij met elkaar verweven zijn en streven naar de realisatie van sociale grondrechten, de behoeftebevrediging van allen door allen. Ook de maatschappelijke organisaties die met betrekking tot een bepaalde levenssfeer (onderwijs, geloof, sport, landbouw) invloed uitoefenen op de politiek dienen democratisch te zijn. Ten vijfde geldt in de democratie het meerderheidsbeginsel. De idee is dat niemand de waarheid in pacht heeft en dat iedereen volgens zijn eigen visie gelijk heeft. Dus als er besloten moet worden dan geldt het getalscriterium: de meeste stemmen gelden. Maar in de meerderheidsbeslissing moet ook de mening van de minderheden zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Dit wordt al te vaak vergeten. Democratie is niet alleen de wet van de meerderheid.

Omtzigt’s nieuw sociaal contract is een uitwerking van deze aloude beginselen.

“Politiek hoort waardegedreven te zijn”

Maar regels en wetten zijn waardeloos en werken niet zonder een ‘standvastige en bestendige wil’ om het goede te doen. Omtzigt wijst er tenslotte met een woord van Meester Eckhart op dat fundamentele veranderingen voort moeten komen uit “innerlijkheid”, een juiste richtinggevende levenshouding die is neergelegd in de geest van de wet. Het gaat er niet om iedereen direct af te maken omdat ie een keer een fout maakt. “We moeten als burger een zekere mildheid tonen” Was het niet Aristoteles die er in zijn Ethica Nicomachea al op wees dat het er in het leven om gaat het juist midden te kiezen tussen mildheid en volharding in het doen van het goede.

Een nieuw sociaal contract van Pieter Omtzigt is een boek geschreven door een gedreven politicus dat de vinger op de zwakke plekken van onze rechtsstaat legt.

Het banale van het alledaagse

Wanneer Omtzigt wordt geprezen vanwege zijn inzet voor de slachtoffers van de toeslagenaffaire is zijn reaktie steevast: “Ik doe ‘gewoon’ mijn werk als kamerlid.” Helaas is wat hij en zijn collega Renske Leijten deden: het opkomen voor het recht van de slachtoffers van de ook door hen zelf gemaakte regels, wetten en instituties helemaal niet zo gewoon.

Deden en doen ook de ambtenaren die bij de Belastingdienst – en bij die andere overheidsinstellingen waar zich vergelijkbare problemen voor doen – ook niet “gewoon hun werk”? Omtzigt lijkt van mening dat “de meeste ambtenaren deugen”. Maar is dat genoeg? Moeten we niet juist soms niet willen deugen en door de dagelijkse gang van zaken heen prikken en reflecteren op de vraag “waar ging het ons ook al weer om?”.

De problemen van de instituties in de context van de informatierevolutie

Tegenover de “innerlijkheid”, de morele drive, het morele plichtsbesef waar Omtzigt ons op wijst, zonder welke regels en procedures dood zijn, staat de uitwendigheid van de technologie en de documenten waarin die regels wetten en procedures worden vastgelegd. Die uitwendigheid neemt steeds meer een zelfstandige vorm aan, o.a. in de vorm van intelligente systemen. In Luciano Floridi’s filosofie van de informatie schetst hij een nieuwe basis, een metafysica, voor het informatietijdperk. De werkelijkheid is een infosfeer, een ecologie van informatie-entiteiten en inforgs, kunstmatige en menselijke agenten die in een netwerk elkaars identiteit en functies wederzijds bepalen door interacties. Wat die zelfstandigheid, die autonomie van de technologie doet met mensen, met hun relatie tot het werk, het leven, kortom: hun identiteit, dat is een thema dat veel te weinig aandacht heeft gekregen in de discussies over de problemen met de instituties.

In de dagelijkse strijd die Omtzigt in de politiek voert gaat het vrijwel altijd om informatie. Zonder de juiste informatie is het voor hem als kamerlid niet mogelijk zijn taak als volksvertegenwoordiger goed uit te voeren. Hij komt bovendien op voor het recht van iedere burger op informatie (op grond van de WOB) en voor het beschermen van diens privacy, van de persoonsgegevens en de persoonlijke identiteit en integriteit. Burgers werden door de Belastingdienst op grond van ‘voorspellende algoritmes’ en statistische modellen ten onrechte als “fraudeur” bestempeld. Er werden en worden persoonsgegevens bewaard en gebruikt, zoals het feit of iemand een dubbele nationaliteit heeft. Ook de Autoriteit PersoonsGegevens werd door de diensten tegengewerkt zodat ze hun controlerende taak onvoldoende konden uitvoeren. Voor de veiligheidsdiensten is informatie een bestaansvoorwaarde.

De overheersende invloed van de ICT is aanleiding voor herbezinning op de fundamenten van onze ethische standpunten.

In de eerste zeven hoofdstukken van Informatie vat Floridi de belangrijkste gestaltes van het informatiebegrip samen. Informatie treedt op waar gegevens zijn die het verschil maken, daardoor ze ook tekens van iets zijn die betekenis hebben. Volgens Floridi bestaan er fysische informatie-entiteiten als “van de geest onafhankelijke structuurelementen”. Je kunt denken aan viroïden, aan DNA, verpakt in eiwitstructuren. Genetici gen-technologen beschrijven het proces van voortplanting en mutatie in termen van informatiegeneratie, transformatie en verwerking. Biologische informatie, het DNA, een virus, heeft net als een computerprogramma het karakter van een sleutel, een code die toegang geeft tot de omgeving en daar in actief wordt. Floridi raakt in Informatie vrijwel alle grote problemen uit de geschiedenis van het denken. Dat is omdat hij klassieke ideeën uit de metafysica’s van Plato, Aristoteles en Thomas opnieuw overdenkt en als het ware in nieuwe informatie-theoretische termen beschrijft. Het boek biedt dan ook stof tot denken voor nog vele jaren. Filosofie is nooit af. Floridi’s filosofie is niet af. Op zijn persoonlijke website zegt hij dat hij op driekwart van zijn informatie-project is. Ik weet niet hoe hij dit kan weten en ik betwijfel het.

Een filosofisch werk laat zich niet samenvatten. Vanwege onze gedeelde interesse in het onderwerp van de technologie en de betekenis ervan voor de antropologie komen veel van zijn filosofische thema’s in diverse van mijn blogs aan de orde. Misschien wat minder systematisch en met een wat meer persoonlijke noot. Maar ik ben dan ook geen filosoof. Men leze bijvoorbeeld “Het schandaal van de waarheidswaarden” en “Het Kanaal“, maar eigenlijk gaan al mijn schrijfsels over het zelfde: als de tong die maar niet ophoudt naar de zere kies te gaan.

Floridi wordt wel verweten de mens te identificeren met een informatie-verwerkende machine. Deze gedachte werpt hij verre van zich. Zijn informatie ontologie is een ontologie van structuren. “Esse est information”. De werkelijkheid is een infosfeer, een omgeving van informatie-eenheden, actoren en ‘patienten’, zowel mensen als artefacten. Al wat is is informatie; van een kiezelsteentje op het grindpad tot een complexe samenleving van mensen en machines. De grondgedachte van zijn metafysica is klassiek: het Zijn is Gegeven zijn en het Zijn is het Goede. De tegenpool is chaos, wanorde. Floridi noemt het, enigszins verwarrend, entropie, maar je moet denken aan de informatiepuinhopen bij de Belastingdienst, waardoor het niet meer mogelijk is om relevante informatie binnen redelijke tijd boven water te krijgen.

Zijn infosfeer vertoont enige gelijkenissen met het Mathematisch Universum van de fysicus Max Tegmark (zie zijn Our Mathematical Universe). Tegmark’s ‘externe’ werkelijkheid is een wiskundige structuur, een complexe Hilbert-ruimte. Bij Floridi is het universum als infosfeer een dynamische structuur, geen wiskundig object. Lijkt het. Bij Floridi zowel als bij Tegmark ligt een vorm van ‘mathematisme’ (in de zin van Fleischhacker, zie zijn Beyond Structure, 1995), een vereenzelviging van het metafysische, en het fysische met het mathematische op de loer.

Hoe valt Floridi’s informatiebegrip te rijmen met de opvatting dat informatie het resultaat is van een meting, de uitdrukking van een kwaliteit op kwantitatieve wijze, dat is binnen een voorafgegeven structuur. Daarmee komt overeen de idee van informatie als datgene wat ‘boven tafel komt’ als antwoord op een gerichte vraag. De vraag biedt de structuur waarin het antwoord gegeven wordt. Informatie is resultaat van een interaktie, tussen een kennend subject en de werkelijkheid. Het lijkt erop dat Floridi dit resultaat van een meting, deze polaire eenheid, weer als het ware terugwerpt, objectiveert, in de realiteit. De steen van Rosetta is volgens hem dan ook informatie; ook zonder een subject voor wie het ontsloten is. Betekenen tekens iets, ook als er niemand is voor wie het teken iets betekent? Bestond de Stelling van Pythagoras, deze informatie-eenheid in de zin van Floridi, al vóór dat deze geformuleerd werd? Het zijn telkens weer terugkerende vragen die om telkens weer eigentijdse antwoorden vragen. Worden wiskundige stellingen ontdekt, zoals de beeldhouwer het beeld uit het rotsblok bevrijdt? Of zijn het constructies die ontspruiten uit onze creatieve geest? Misschien moeten we het verstand – het vermogen dat de werkelijkheid van nature telkens weer uit elkaar legt – even vergeten. Immers: hoe zouden we de vallende steen nu kunnen gebruiken om met de formules van Newton de snelheid te berekenen waarmee deze vanaf een bepaalde hoogte op de grond valt, wanneer de steen deze wetten niet uit zichzelf al kende, lang voordat Newton geboren werd? Het zou interessant zijn om Tegmark’s Universum en Floridi’s Infosfeer diepgaander met elkaar te confronteren, maar dit is niet de tijd, noch de plaats om dat te doen.

Een alomvattende ethiek voor het informatie-tijdperk

Ik ga hier iets verder in op het onderwerp van het laatste hoofdstuk van Floridi’s Informatie. Daarin presenteert hij een ethiek voor het informatietijdperk, een algemene aanpak voor morele kwesties rond informatie, het alomvattende zijn in al haar vormen. Vergelijk het met een milieu-ethiek waarin de morele kwesties gerelateerd worden aan de morele status van biologische entiteiten en eco-systemen welke berust op de intrinsieke (positieve) waarde van het leven en de (negatieve) waarde van het lijden. Deze ethiek is bio-centrisch gericht. Elke levensvorm, niet alleen de mens, elke component van onze leefomgeving, is een morele ‘patient’ en heeft een morele status. Ook rivieren en bomen hebben op grond daarvan bestaansrechten die vastgelegd worden in wetten en regels. Als we ‘leven’ vervangen door ‘bestaan’, dat is informatie in de zin van Floridi, dan wordt enigszins duidelijk wat hij met een informatie-ethiek bedoelt. Het lijden in de biocentrische milieu-ethiek wordt ‘entropie’ of chaos in de ontocentrische informatie-ethiek.

In analogie met het rechtvaardigheidsbeginsel, het uitgangspunt van Omtzigt’s ‘antropocentrische’ sociaal contract, geldt voor Floridi het ontologisch gelijkheidsprincipe: iedere vorm van informatie/zijn heeft een minimaal, oorspronkelijk recht van bestaan. Het is het uitgangspunt voor Floridi’s ‘ontologische trust’ een alomvattend nieuw sociaal contract, volgens welke ieders handelen onpartijdig, universeel en ‘zorgzaam’ is. Het commentaar van Floridi op het ‘sociaal contract’ in de zin van Omtzigt is dat het vaak en te veel antropocentrisch geïnterpreteerd wordt. De ontologische trust biedt een basis voor zo’n sociaal contract. Ze is gegeven met het bestaan: wie of wat bestaat participeert aan de ‘ontologische trust’. Iedere trustee is vanwege zijn bestaan, ‘onvrijwillig en ontontkoombaar’, in relatie tot alle andere bestaande trustees gebonden aan het contract. Het pact behelst een relatie van ‘wederkerige waardering, dankbaarheid en zorgzaamheid’. Deze relatie wordt bevorderd door de erkenning dat alle entiteiten afhankelijk zijn van elkaar.

Het belang van een ontocentrische informatie-ethiek boven een milieu- (en zorg-) ethiek kan volgens Floridi niet licht overschat worden. Milieu-ethiek is vooringenomen tegen wat onbezield, levenloos, niet-tastbaar, toekomstig, verleden en abstract is. Ook onbezielde, niet-tastbare, of intellectuele objecten hebben een minimale morele waarde.

Maar op grond waarvan moeten we dan in concrete situaties bepalen wat het zwaarst moet wegen? Is er geen ‘objectieve’ rangorde van waarden? Het is één van de vele vragen die Floridi’s filosofie en ethiek oproept. Het is onder andere de Twentse techniekfilosoof Philip Brey die dit punt opwerpt. Floridi treedt zijn commentatoren met open vizier en met veel waardering tegemoet. Zijn uitvoerige reacties in “Information Ethics: A Reappraisal” (2008) vormen een welkome aanvulling op de hier besproken inleiding in zijn filosofie en ethiek voor het informatietijdperk.

Zowel Omtzigt’s voorstel voor een “Nieuw Sociaal Contract” als Floridi’s pleidooi voor een Nieuw Ecologisch Pact verdienen onze ruime aandacht. Ze bieden een richtsnoer voor het denken en handelen in het tijdperk van door informatie- en communicatietechnologie beheerste instituties en een perspectief op een rechtvaardige toekomst.

Referenties

Pieter Omtzigt (2021). Een nieuw sociaal contract. Prometheus Amsterdam, 2021.

Luciano Floridi (2014).Informatie. Elementaire deeltjes 11. Amsterdam University Press B.V., Amsterdam, 2014. Vertaling van Information : a very short introduction uit 2010.

Luciano Floridi (2008). Information Ethics: A Reappraisal. Ethics Inf Technol 10, 189–204 (2008)..

Wat is Saul Kripke’s Burger Service Nummer?

In de serie Denken in Tijden van Corona gaat het deze keer over informatie en onze persoonlijke identiteit

“We must be able to express a thought without affirming that it is true.”

(Gottlob Frege, Begriffschrift, 1879)

De Interface en de Spiegel

[In verband met de bescherming van de privacy van betrokken personen zijn de namen in dit verhaal niet de namen van de echte personen. Iedere gelijkenis met echte personen is voor rekening van de lezer.]

Kripke werkt bij de Belastingdienst, afdeling toeslagen. Hij doet aan fraude-detectie in opdracht van Het Ministerie. Fraudeopsporing werd hot, nadat bleek dat honderden Bulgaren in Bulgarije via valse namen, adressen en bankpassen toeslagen ontvingen van de Nederlandse overheid. Als we hem vragen wat hij daar de hele dag doet antwoordt hij: ik kijk naar een beeldscherm. Iedereen hier op de afdeling kijkt naar beeldschermen. Ja, maar…wat doe je dan, vragen we. Ik kijk of er bijzonderheden zijn die opgemerkt moeten worden. Het eigenlijke werk doet de computer. Daarin werken algoritmes die gegevens verwerken. Je houdt dit niet lang vol, omdat je alleen vakjes met cijfertjes ziet en wat velden die wel of niet getagged zijn. Zo is er een vakje voor “fraude”. Het is slaapverwekkend. U weet dat het over mensen gaat? Ja, maar die zie je niet. Daar zorgt de afdeling Interface voor. In verband met de privacy codeert de afdeling Interface alle inkomende informatie. Die koppelt alle gegevens aan een uniek persoonsnummer, het burger service nummer. Dat is wat ik zie: nummers met velden met woorden en vinkjes. De mens, het Ding an sich zie ik niet, dat blijft verborgen.

Saul is werkende huisvader. Hij heeft twee kinderen. Toen ze nog jong waren bracht hij beide kinderen ‘s ochtends voor het werk naar de dagopvang. s’ Middags haalde hij ze weer op. Hij kreeg een vergoeding, een kinderopvangtoeslag van de overheid. Dat maakte het mogelijk om te blijven werken toen zijn vrouw overleed en hij alleen de zorg voor de kinderen had. Op een dag, nu drie jaar geleden, kreeg hij een brief van de afdeling Toeslagen. Het kwam er op neer dat hij “ten onrechte” al die jaren een uitkering had gekregen voor de dagopvang. Hij kreeg een terugvordering van 10.750,23 euro. Te betalen binnen 30 dagen. Toen hij de schrik te boven was pakte hij de telefoon. Na diverse pogingen met vaak lange vergeefse wachttijden kreeg hij eindelijk iemand aan de lijn. Hij zou worden teruggebeld door de betreffende afdeling. Op zijn vraag wie de ambtenaar was die zijn dossier behandelde kreeg hij als antwoord dat ze die informatie niet verstrekten. Dit om de privacy van de medewerkers te beschermen. Ze hadden ervaring met burgers die ambtenaren thuis lastig vielen. Om een lang verhaal kort te maken: het bleek niet mogelijk om iemand aan de lijn te krijgen die bekend was met zijn dossier. Het werk is opgedeeld en verdeeld over deeltijdwerkers. Hij kon een bezwaarbrief schrijven. Dat deed hij. Maar er kwam geen reactie. Hij had de brief net zo goed in een reet van de vloer kunnen doen als in de brievenbus. Ondertussen stond hij bekend als fraudeur. En daar was moeilijk van af te komen.

Eerste Gesprek

Saul: “Waarom moet ik alles terugbetalen?

Ambtenaar: “Omdat u fraudeur bent.”

Saul: “Ik ben geen fraudeur”

Ambtenaar: “U liegt”.

Saul: “Ik lieg niet”.

Ambtenaar: “Dat zeggen alle fraudeurs, omdat ze fraudeur zijn. Als u zou zeggen ‘ik lieg’ dan zou ik u geloven. Nu niet. De computer zegt namelijk dat u fraudeert. Dus bent u een fraudeur. Dat is logisch.

Saul: “Ja, maar…”

Ambtenaar: “Dag meneer, een fijne dag nog.”

Het parlementaire onderzoek

Jaren later kwam er een onderzoekcommissie met een rapport waaruit bleek dat er iets mis was met het systeem. Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt meende: “we zijn vergeten iets in het systeem in te bouwen: misschien een ziel.” Saul en met hem vele anderen waren slachtoffer van “een systeemfout”. Men zocht verantwoordelijkheid, maar vond hem niet. Niemand was schuldig. En iedereen was schuldig. Saul legde zich er niet bij neer. Ook niet toen de Minister beloofde dat hij het bedrag met rente terug zou krijgen. Hij vroeg met een aantal medeslachtoffers een gesprek aan met de betreffende ambtenaren. Dat moest vanwege corona via een online meeting.

Kripke kreeg van zijn chef te horen dat hij uitgenodigd werd voor een online meeting met een paar slachtoffers van de toeslagenaffaire. Ze wilden de mensen die hun dit onrecht hadden aangedaan in de ogen kijken. Toen de meeting plaats vond zag hij in het raster met beelden van deelnemers iemand die erg veel op hem leek. Hij heette Saul. Het leek alsof hij in een spiegel keek. Het zelfde overkwam Saul. Hij meende in de ambtenaar die Kripke heette zich zelf te herkennen.

De reflectie

Het verstand, wat volgens Descartes het best verdeelde goed ter wereld is, heeft de onbeheersbare neiging tot onderscheiden, opdelen, en indelen. Het denkende ik tegenover de uitwendige werkelijkheid. De woorden tegenover de spreker en de betekenis. Zo tracht het de werkelijkheid te beheersen. Maar de ambtenaar is niet alleen maar ambtenaar. Hij is soms ook huisvader. Bij de politie blijken soms ook oplichters en hooligans te werken. Niemand gaat op in de sociale rollen die hij speelt. Het verstand deelt ons leven op in privé en publiek, in ik en de anderen (en “l’ enfer c’est les autres”), in wij en zij. En objectiveert de onderscheiden aspecten: Saul en Kripke.

Bij de presentatie van het rapport van de onderzoekcommissie kinderopvangtoeslag riep de voorzitter Chris van Dam de betrokkenen op te reflecteren op hun rol in deze affaire. Reflecteren is iets anders dan in de spiegel kijken. Als je in de spiegel kijkt zie je jezelf van buiten. Reflecteren is van binnenuit naar je zelf kijken. Aangezien onze sociale rollen evenals ons werk in verschillende organisatie zelf al het resultaat zijn van een verstandsreflectie moeten wij Van Dam’s oproep tot reflectie opvatten als een reflectie op de verstandsreflectie. Dat is geen gemakkelijke opgave. Bovendien is het niet erg populair. Want is het niet zo dat een verbod op reflectie ons uit de crisis in de wetenschappen, die zich aan het begin van de vorige eeuw voltrok, moest helpen?

En heeft dat niet uiteindelijk geleid tot de informatisering van de moderne mens en de westerse samenleving? In een tijd waarin alles om informatie, informatie-voorziening, informatieverwerking en privacy gaat moeten de problemen wel haast te maken hebben met die informatisering. Maar wat is informatie eigenlijk? Wat houdt die informatisering in? Is de mens een informatieverwerkend systeem? Waarom kon de commissie van Van Dam geen verantwoordelijken vinden? Waar is het verantwoordelijke individu dat opgelost schijnt te zijn in objectieve wetenschap en rekenende en steeds autonomer werkende computersystemen?

Wat is informatie?

De eerste vraag op het lijstje van open problemen rondom het begrip informatie van de Italiaanse filosoof Luciano Floridi is: wat is informatie? Het is een filosofische vraag. Het gaat dus niet om een antwoord maar om begrip te brengen bij degenen die er over nadenken en er met anderen over van gedachten wisselen. Het antwoord op een filosofische vraag is altijd voorlopig.

Marcello D’Agostino (2016) stelde een voorlopig antwoord voor op de vraag van Floridi: informatie is dat wat zich aandient als antwoord op een vraag. Als voorbeeld van de soort vragen die hij bedoelt geeft hij: Wat is het telefoonnummer van Luciano Floridi?

Sommige vragen lijken buiten het bereik van D’Agostino’s definitie te vallen. Dat zijn de filosofische vragen, zoals “wat is informatie?”. Ook andere vragen die om de betekenis van een begrip vragen lijken er buiten te vallen. Hoewel er veel voor te zeggen is dat een vraag naar de betekenis van een woord, een vraag waarvan het antwoord op het internet, of een woordenboek wordt gezocht, weer wel een informatie-vraag is. De vraag: “Hou je nog een beetje van me?” lijkt me ook geen informatie-vraag. Tenzij deze vraag beantwoord kan worden door een meting. Maar gek genoeg is daar nog geen meetinstrument voor.

De vraag op welke politieke partij Luciano Floridi stemt is weliswaar een informatievraag, maar niet een vraag die in alle omstandigheden gesteld kan worden. Zo’n vraag zou wel eens door de geadresseerde als een ongepaste vraag kunnen worden opgevat. Toch zijn ook vragen naar privé-gegevens wel informatievragen. Ook het afwerende antwoord: “dat gaat u niets aan!” geeft in zekere zin informatie aan de vragensteller. Namelijk dat de geadresseerde vindt dat hij deze informatie niet wil verstrekken. Maar dan is ook een antwoord als: “dat weet ik niet”, of “daar moet ik over nadenken” op de vraag “wat is informatie?”, of op de vraag “wat is een getal?” weer wél een informatie-vraag. Het verschil met de ‘echte’ informatie-vragen is dat deze (echte vragen) een antwoord verwachten dat door de vraag bedoeld wordt. Zoals de vraag : “hoe laat is het?” vraagt om een tijd en de vraag “hoe oud bent u?” om een leeftijd vraagt. Het is niet de bedoeling van de vraag dat deze beantwoord wordt met : “ik weet het niet”, of: “dat is privé.”

Een informatievraag is een meting. Zo’n vraag bepaalt namelijk wat de mogelijke door de vragensteller beoogde antwoorden zijn. Een ja/nee-vraag vraagt om een ja of een nee als antwoord. In het algemeen wordt bij een meting iets in de werkelijkheid vergeleken met een maat-eenheid, iets ideëels. Sociale wetenschappers (denk aan interviews en enquetes) en overheidsinstanties (vragenformulieren) gebruiken vragenlijsten om de bevraagde te meten: om eigenschappen van hem te weten te komen als antwoord op vooraf gestelde vragen.

Informatievragen zijn de vragen waar Wittgenstein het over heeft in zijn Tractatus wanneer hij stelt:

“Wenn sich eine Frage überhaupt stellen lässt, so kann sie auch beantwortet werden” (Tractatus, 6.5)

Filosofische vragen kunnen dan ook volgens Wittgenstein niet gesteld worden. Hij vond de taal daarvoor niet geschikt. De taal is alleen geschikt om feitelijke vragen in te stellen en te beantwoorden.

Een eis die we aan een vraag om informatie stellen is dat deze door de geadresseerde begrepen wordt zoals deze door de vragensteller bedoeld is. In de eerste plaats moet de vraag grammaticaal ondubbelzinnig zijn. In het belastingformulier van 2013 stond de volgende vraag

Had u recht op een uitkering of op ondersteuning bij het zoeken van werk in het kader van de wet Wajong?”

Twee jaar na het invullen van het formulier kreeg schrijver dezes een navordering plus boete. Bij navraag bleek hij de vraag anders geïnterpreteerd te hebben dan de Belastingdienst bedoeld had. Het kostte hem veel moeite de ambtenaar ervan te overtuigen dat er meerdere lezingen mogelijk zijn. Taalkundigen spreken van een PP-attachment probleem: de propositionele frase “in het kader van de wet Wajong” kan zowel bij “uitkering” als bij “ondersteuning bij het zoeken van werk” horen. De ambtenaar verdedigde de Staat ten slotte met de opmerking dat ik “het moest lezen zoals bedoeld werd“. “De burger wordt geacht de wet te kennen.” Einde gesprek.

Zo’n dialoog betreft de interface tussen het systeem en de ‘gebruiker’, de burger. De wet waarnaar de ambtenaar verwijst is onderdeel van het contract van de interface. We zijn hier gekomen bij een kernprobleem van de informatica. Hoe we de betekenis van de taal kunnen vastleggen zodat communicatie mogelijk is.

Wat is Saul Kripke’s BSN?

Stel dat ik u deze vraag stel. Dat doe ik niet (het is maar een titel) maar stel het geval dat. Het zou mij niet verbazen wanneer dit de volgende wedervraag oproept. Wie is Saul Kripke?

Terzijde: houden we even vast dat we kennelijk een onderscheid maken tussen een vraag en het stellen van een vraag. In het algemeen: tussen een zin en het uiten of gebruik van de zin. Dit onderscheid is de spil in het denken van de wiskundige en logicus Gottlob Frege (1848-1925), één van de belangrijkste filosofen van eind 19de eeuw. In zijn Begriffschrift dat gezien wordt als het begin van de mathematische logica en daarmee van de denkende machines, legt hij de basis voor een logische analyse van de taal ten behoeve van het vastleggen van de logisch betekenis. In een voetnoot schrijft hij:

“We must be able to express a thought without affirming that it is true.”

Het onderscheid wordt uitgebuit in de taaltechnologie, in sprekende machines, door mensen die niet de waarheid spreken en zou tot allerlei problemen en paradoxen leiden. Ludwig Wittgenstein, opvolger en criticus van Frege, probeerde deze te omzeilen door een verbod op de zelfreflectie uit te vaardigen. Het begin van een nieuwe ethiek en een nieuw privacy-begrip. Daarover later meer. Einde terzijde.

Saul Kripke is een Amerikaans filosoof en logicus die veel nagedacht heeft over wat betekenen betekent (de semantiek van taal) en over hoe we moeten denken (logica), met name over wat ‘mogelijk’ en wat ‘noodzakelijk’ is. Ik ken hem niet, maar er is wel veel informatie over hem te vinden, onder andere op wikipedia, waar ik onderstaande foto vond. De man op de foto zou Saul Kripke kunnen zijn.

Ik denk dat kennen iets anders is dan informatie hebben. En dat geldt vooral als het over personen (individuen) gaat. Kunstmatige intelligentie en media-technologie (denk aan sprekende robots, deepfake en virtual reality) wijzen ons er steeds vaker op dat we onderscheid moeten maken tussen het beeld, de stem, het gezicht of de naam van iemand en de persoon ‘er achter’. Tussen de wereld zoals die ons verschijnt en de werkelijke wereld (het ‘Ding an sich‘ van Kant, waar de ambtenaar Kripke het over had).

De semanticus Kripke is bekend vanwege zijn theorie over namen, eigennamen en andere manieren om met name personen te beschrijven. Zijn theorie geeft antwoord op de vraag hoe we de relatie tussen personen en de wijze waarop ze benoemd en beschreven worden moeten denken. Een vraag die daarmee samen gaat is: Kunnen we de identiteit van een persoon kennen? Of blijft de echte persoon voor ons verborgen?

Dit is een afbeelding van Saul Kripke

Mogelijke werelden

Van Kripke is de term “possible worlds semantics”, waarmee een betekenistheorie wordt aangeduid waarin de idee van ‘mogelijke werelden’ centraal staat. Dit idee komt van Leibniz, in zekere zin een voorloper van Frege. Leibniz onderscheidde contingente of feitelijke waarheden die opgaan in ‘onze’, de feitelijke wereld en rationele of logisch noodzakelijke waarheden die opgaan in alle mogelijke werelden die God had kunnen scheppen. Omdat God het beste met de mens voor heeft leefden we volgens Leibniz, in weerwil van allerlei rampen zoals de rampen in Lissabon in 1755, in de beste van alle mogelijke werelden. Vermoedelijk zei hij dit om de kerk te vriend te houden. Maar dit terzijde.

Hebben wij kennis van noodzakelijkheden? Of kunnen we alles betwijfelen? Hoe kunnen we verantwoorden wat we denken en zeggen?

Het sneeuwt

Ik loop door de sneeuw. De harde wind prikt de sneeuwvlokken als spelden in mijn gezicht. Het sneeuwt. Je zou kunnen zeggen dat mijn waarneming een direct gevolg is van het sneeuwen. Het is geen noodzakelijk gevolg ervan: ik weet dat ik het ook níet had kunnen waarnemen, terwijl het wel sneeuwt. Oorzaak (dat het sneeuwt) en gevolg (mijn waarneming dat het sneeuwt) zijn qua inhoud identiek. Dat ik het opmerk is omdat het kennelijk iets opmerkelijks is dat het sneeuwt. Ik voel het en zie het. Als er zekerheid bestaat dan is het hier in de beleving en de onmiddellijke waarneming. Als ik dit betwijfel dan ontken ik mezelf. Het is onmogelijk dat het niet sneeuwt. Als het sneeuwt sneeuwt het noodzakelijk .

Het formuleren en eventueel uitspreken van de oordeelszin “het sneeuwt” is nog weer onderscheiden van de waarneming. Dat gebeurt pas wanneer ik iemand (eventueel mijzelf) dit feit wil mededelen. Het vereist een aparte motivatie. Bijvoorbeeld als ik antwoord geef op de vraag wat voor weer het is. De waarheid van deze zin is een ‘afgeleide’ van de directe waarneming van de toestand in de wereld, zoals ik die beleef.

Een waarneming kan zoals bekend misleidend zijn. We kunnen ons vergissen. Zo kan ik denken dat het sneeuwt op grond van een waarneming die ik op grond van eerdere ervaringen associeer met het verschijnsel sneeuwen (Sinds David Hume weten we hoe dit werkt.) Zo kan het geluid van auto’s die door de straat rijden mij vertellen dat het gesneeuwd heeft. Hier is sprake van een conclusie en niet van een directe waarneming van het verschijnsel het sneeuwt. Het geluid is een teken dat niet veroorzaakt is door de sneeuw, maar dat voor mij de oorzaak is te denken dat het sneeuwt.

De zin “het sneeuwt” uitgesproken door een subject is noodzakelijk waar in zoverre deze uitdrukking is van de directe waarneming door het subject van een toestand waarin het sneeuwt. Deze toestand is gegeven. Het subject toont zich in de waarneming ontvankelijk voor het gegeven. Het subject kan verantwoorden wat hij zegt omdat en in zoverre hij in het oordeel zélf aanwezig is. Hij kan de waarheid niet ontkennen zonder zich zelf buiten spel te zetten. Dit aanwezig zijn en zich presenteren in een taalhandeling maakt de taalhandeling pas valide (‘honest’). Dat geldt niet alleen voor de zogenaamde performatieve daden (Austin), zoals wanneer we iets beloven door te zeggen “ik beloof …”, maar voor alle taalhandelingen (zie Harm Boukema,1980).

Rond de eeuwwisseling naar de 20ste eeuw verkeerde de westerse samenleving in een identiteitscrisis. Het contact met de werkelijkheid was verloren gegaan. De wetenschap, dat is de fysica, had er toe geleid dat niemand nog iets zeker wist.

“Anyone maintaining at the turn of the century that the notions ‘red’ and ‘hard’ (or more abstractly ‘material object’) were reasonably clear notions, that we see red things and see that they are red, and that of course we know what a red object is, etc., would have seemed unutterably foolish.”.

Zo kenmerkt Hilary Putnam de vertwijfeling rond de eeuwwisseling die aanleiding was tot de zoektocht naar nieuwe zekerheid. (Putnam, Mathematics without foundations, 1967). Ook de wiskundige Frege zocht grond onder voeten van de wiskunde. Hij vond het schandalig dat iedereen het maar over getallen had, maar dat niemand in staat was een goede definitie ervan te geven. Hij wil de wiskunde op de logica grondvesten.

Frege is in zijn Begriffschrift alleen geïnteresseerd in bewerende zinnen, zoals “het sneeuwt” of “deze rood is rood”. Hij wil de logische inhoud van de taal isoleren van alle andere aspecten, zoals de psychologische, de talige. Die logische inhoud noemt hij de propositie. Anders dan klassiekers zoals Aristoteles is hij ook niet geïnteresseerd in modale zinnen zoals : “Jan is mogelijk ziek”. Of “Het is noodzakelijk dat 2+2 gelijk is aan 4″.

Wanneer ik zeg dat een propositie noodzakelijk waar is, dan geef ik slechts een indruk van de reden voor mijn oordeel.” Het zegt niets over de logisch inhoud. Aldus Frege.

Om te bepalen of een zin waar is moet je weten waar de namen en beschrijvingen naar verwijzen. Zo is de zin:

“De voorzitter van de Raad van State is de Koning van Nederland”

alleen waar als de twee beschrijvende uitdrukkingen naar dezelfde persoon refereren. De grond voor de waarheid van deze gelijkheid hangt af van de interpretatie: is het bij wet zo geregeld en is de gelijkheid geldig wie de persoon ook is? Of is het een toevallige gelijkheid? Zoals in “De wiskundeleraar van Jan is Saul Kripke”?

“De man die Naming and Necessity schreef is de man op de foto in deze blog.” Deze uitspraak is waar. Beide beschrijvingen refereren naar de persoon Saul Kripke. Het is een aposteriori waarheid, gebaseerd op empirische kennis, of liever gezegd: op informatie over deze persoon.

De zin “De man die Naming and Necessity schreef is de man die Naming and Necessity schreef” is daarentegen een tautologie, een logische apriori waarheid. Frege noemde de betekenis van een uitdrukking de Sinn en de referent de Bedeutung, het object waarnaar de zin verwijst.

Apriori waarheden zijn noodzakelijk waar. Dat wil zeggen ze zijn in alle mogelijke werelden waar. Aposteriori waarheden zijn in sommige werelden waar, in andere niet. Kripke vond in tegenstelling tot Frege en Russell dat eigennamen niet noodzakelijk refereren aan de beschrijvingen van eigenschappen van de persoon waarnaar de naam verwijst. Saul Kripke had immers ook níet de auteur van Naming and Necessity kunnen zijn. Door middel van een beschrijving kun je een persoon nooit uniek identificeren. Daarvoor zijn te generiek. Er zijn veel meer personen die er aan voldoen of eraan zouden kunnen voldoen dan degene die bedoeld wordt.

Namen zijn starre verwijzers

In zijn Princeton-lectures Naming and Necessity voert Kripke het begrip “rigid designator” in (‘starre verwijzers’ heten ze in L.T.F.GAMUT). Hij definieert:

“Let’s call something a rigid designator if in any possible world it designates the same object, a non-rigid or accidental designator if that is not the case.”

Bedoelt Kripke dat een rigid designator een teken is dat noodzakelijk verbonden is met de referent? Dat zou vreemd zijn, want hij stelt als “one of my intuitive theses in my talk I stipulate that proper names are rigid designators” terwijl er toch meer mensen zijn die ‘Aristoteles’ heten.

Waar Kripke op wijst is dat een verwijzing door middel van een begripsinhoud, zoals de “president van de U.S.A.” of “de auteur van Hamlet”, nooit een particulier object of een persoon kan aanduiden, vanwege het algemene karakter ervan, maar dat een eigennaam geen begripsinhoud aanduidt maar in het gebruik naar de bedoelde persoon wijst. Ook al zijn er meer hondjes die Fikkie heten, wanneer ik de naam Kripke gebruik refereer ik naar het unieke individu dat ik met de naam Kripke aanduidt. Als Hesperus en Phosphorus de zelfde ster aanduiden dan is dit in elke mogelijk wereld zo en noodzakelijk.

In “Het wiskundige teken” betoogt Louk Fleischhacker op (voor mij) overtuigende wijze dat er één objectiviteitsgebied is waar we tekens gebruiken als “rigid designators” in de zin van Kripke: bij het benoemen en uniek identificeren van mathematische objecten. Alleen daar is er een noodzakelijk en éénzinnig verband tussen de naam van een object en de individuele identiteit ervan. We gebruiken in de wiskunde tekens om individuele objecten aan te duiden. Dit is noodzakelijk om wiskunde te bedrijven, om te kunnen rekenen en om stellingen te kunnen bewijzen, hetgeen een vorm van rekenen is. We hebben het over driehoek ABC, het getal pi, de verzameling A en de punten p en q. Willen we twee objecten van elkaar onderscheiden dan moeten we ze met verschillende tekens aanduiden. Anders konden we nooit zeggen dat ze gelijk waren. De individualiteit voegt niets toe aan de bepaaldheid, de eigenschappen, van het object. Die liggen volledig vast in de structurele relaties die het tot andere objecten heeft. Zo is de identiteit van een verzameling volledig bepaald door de elementen die het bevat en de relaties tot andere verzamelingen.

Het burger service nummer zoals dat functioneert in de administratie-systemen van de overheid is een “rigid designator”.

In elk onderdeel van het systeem verwijst het naar de zelfde unieke persoon. Refereren als aanwijzen is een vorm van meten: dit is waarover het gaat als ik deze naam, dit nummer, gebruik. Het is de invariant van de datastructuren die de beschrijvingen bevatten waarin de informatie-eenheden, als antwoord op de vragen, over de persoon is vastgelegd. Deze wiskundige structuur bestaande uit attribuut-waarde-paren wordt gevoed door aan de persoon via vragen ‘gemeten’ eigenschappen. En door middel van eventueel op statistieken gebaseerde rekenmethodes (zogenaamde ‘algoritmes’) .

Terwijl de mathematisch fysici al in het zicht zijn gekomen van de grenzen van de mathematisering (zie de problematiek van het meten in de kwantummechanica en de discussie rond de interpretatie van de wiskundige Schrödingervergelijkingen) lijken de sociale wetenschappen nog steeds het wiskundig model als de ideale vorm van uitdrukking van kennis omtrent het gedrag en de eigenschappen van de mens te zien. Zowel de commercie die de burger zoveel mogelijk (privé) informatie ontlokt om via profilering deze op de maat te kunnen bedienen, als de instanties van de overheid maken gretig gebruik van de nieuwste “wetenschappelijke” modellen en algoritmes. Dat de individuele burger steeds meer problemen heeft zich te herkennen in deze modellen blijkt o.a. uit de recente toeslagenaffaire.

Laten we tot slot eens luisteren naar het vervolg van de dialoog tussen de twee karakters Saul en Kripke.

Tweede Gesprek

Saul: Ik wil nog even terugkomen op het eerste gesprek.

Kripke: Zegt u het eens.

Saul: Daarin noemde u mij een fraudeur.

Kripke: Zoals ik u eerder ook zei: ik ben het niet die dat zegt. De computer zegt het. Iedere collega van mij zou hetzelfde zeggen. U moet het ook niet persoonlijk opvatten. Ik zou hetzelfde zeggen als u een ander was geweest.

Saul: Het is uw computer die onwaarheden verkondigt. Doe daar wat aan.

Kripke: Mag ik u vragen? Wie heeft uw formulieren ingevuld?

Saul: Ik zelf. Op mijn computer.

Kripke: Juist, op de computer. En na het intoetsen van de gegevens hebt u de vraag gekregen of u de vragen naar waarheid hebt beantwoord. Hoe heeft u die vraag beantwoord?

Saul: Met ja natuurlijk. Hoe kan ik anders? Of moet ik bij alles wat ik zeg, zeggen dat het waar is? Dan kan ik wel aan de gang blijven!

Kripke: U heeft daar een punt. Het is vanzelfsprekend. Maar ik heb het vragenformulier niet gemaakt. Goed, dus u antwoordde: ja. En toen?

Saul: Toen heb ik op verzenden gedrukt.

Kripke: Juist. En daarmee hebt u onze computer aan het werk gezet. Een proces dat uiteindelijk leidde tot het bericht in uw mailbox dat u moet terugbetalen. Uitleg: fraude. Ik kan niet anders concluderen dan dat u dus zelf dit bericht hebt veroorzaakt. Het systeem laat u zien wat de door u zelf ingevulde gegevens betekenen. Uw computer houdt u dus feitelijk een spiegel voor. Het toont wat u zelf doet.

Saul: U zegt dus dat ik verantwoordelijk ben.

Kripke: Daar komt het wel op neer, ja. De computer rekent alleen. Die maakt geen fouten.

Saul: Maar ik kan mij toch vergist hebben bij het invullen van het formulier!

Kripke: U bedoelt dat u iets anders had moeten zeggen dan wat u feitelijk gezegd hebt?

Saul: Ja.

Kripke: Maar hoe kan ons systeem nu iets anders doen dan reageren op wat u zegt? Ik kan niet in uw hoofd kijken om te zien wat u werkelijk bedoelde of had moeten zeggen. Ik werk bij de belastingdienst. Ik ben geen psycholoog of predikant!

Saul: Maar u, of uw systeem, noemt mij wel een ‘fraudeur’. Dat is nogal een oordeel!

Kripke: U hebt gelijk. U zou dat ook niet zo moeten opvatten. Het is de afdeling Interface die de interne systeemcodes omzet in voor de mensen gewone mensentaal. Het komt erop neer dat er een inconsistentie is in de informatie die u in het systeem hebt ingevoerd. Computers kunnen er nu eenmaal niet tegen dat iemand tegenstrijdige informatie invoert. Ze gaan er vanuit dat de feiten kloppen.

Saul: Zoals ik al zei. Ik heb me misschien ergens vergist.

Kripke: Zoals ik al zei. Wij moeten u op uw woord geloven. Anders hebben we niet. Ik ben geen psychiater.

Saul: Maar u bent wel gek.

Kripke: Dat zijn uw woorden. Een fijne dag nog.

Stellingen

Het Burger Service Nummer functioneert in onze informatiesystemen als een “rigid designator” in de zin van Kripke en implementeert de idee dat de persoonlijke identiteit van de burger door het systeem als de identiteit van een mathematisch object wordt opgevat.

The various systems of mathematical philosophy, without exception, need not be taken seriously. (Hilary Putnam, Mathematics without foundations, Journal of Philosophy 64 (1967) : 5-22)

Paradoxen zoals die van Russell en Grelling vinden hun oorzaak in zelfreflectie. Ook de uitdrukking: “U kunt deze brief als niet verzonden beschouwen”, of “deze zin kunt u als niet gelezen beschouwen” vragen de lezer iets te doen wat hij niet kan doen als antwoord op de vraag en kunnen dus niet letterlijk genomen worden zonder paradoxaal te zijn.

De opvatting van de kansrekening als uitbreiding van de tweewaardige logica zoals we die bij Harold Jeffreys en E.T. Jaynes vinden waarin P(A|H) gezien wordt als extensie van de door Frege in zijn Begriffschrift geïntroduceerde Urteilsstrich |- berust op een verwarring van de begrippen empirisch noodzakelijk en logisch noodzakelijk. (zie H. Jeffreys, Theory of Probability, 1933) .

De bekende “Bar-Hillel–Carnap Paradox” (Bar-Hillel, 1964) is het gevolg van de idee dat ‘informational content’ van een contradictie maximaal is omdat deze alle mogelijke werelden voor onmogelijk houdt, hetgeen op zich al een tegenstrijdigheid inhoudt.

De identiteit van een reëel individu is voor ons onbegrijpelijk. (Louk Fleischhacker, Het wiskundig teken, In: Reflexiviteit en Metafysica, 1987)

De vraag onderaan een formulier of de vragen naar waarheid zijn ingevuld kan niet als een serieuze ja/nee vraag worden opgevat.

De oproep van voorzitter Chris van Dam van de Parlementaire Ondervragings-commissie kinderopvangtoeslag tot zelfreflectie gaat in tegen het in het technologisch denken vigerende reflectieverbod dat sinds het begin van de vorige eeuw vanwege allerlei paradoxen in de wetenschappen geldt. (zie: Harm Boukema, Over de grenzen van de reflexiviteit. In: Reflexiviteit en Metafysica, 1987)

Mensen en machines verwerken beide informatie, maar ze verschillen in zijnswijze. (zie Maarten Coolen, De machine als werkend teken. In: Reflexiviteit en Metafysica, 1987)

De vraag van Luciano Floridi: “wat is informatie?” is geen informatie-vraag, noch een vraag die met het geven van een definitie bevredigend beantwoord kan worden.

Een zin kan onmogelijk van zichzelf zeggen dat deze waar is (Ludwig Wittgenstein, Tractatus Logico Philosophicus, 1922)

Wie een goed mens wil zijn moet zijn verstand gebruiken en wie zijn verstand goed gebruikt is een goed mens. Het primaire doel van het onderwijs is het ontwikkelen van de verstandelijke vermogens. De kennisinhoud is van secundair belang.

Op een computer kun je rekenen, maar je kunt er niet op vertrouwen.

Een feit is tegenwoordig geen feit als er geen feit op staat.

Ethiek en recht moet tegen de mathematisering in opkomen voor het individu dat dreigt verloren te gaan in de mechanisering van statistieken en informatie.

Bronnen

D’Agostino, Marcello 2016. The philosophy of mathematical information. In: Floridi (ed.) The Routledge Handbook of Philosophy of Information, 2016.

Austin, J.L., 1962. How to do things with words, the William James Lectures delivered at Harvard University in 1955. ed. by Urmson, J.O. and Sbisa, Marina, Oxford, 2e druk.

Austin, J.L. 1956. Performative utterances. In: Philosophical Papers, Third Edition, Edited by Urmson, J.O. and Warnock, G.J., Oxford University Press, 1979.

Boukema, Harm, 1987. Familiegelijkenissen – Wittgenstein als criticus en erfgenaam van Frege. Tijdschrift voor Filosofie, 49ste Jaarg., Nr. 1, Ludwig Wittgenstein (Maart 1987), pp. 42-70.

Boukema, Harm, 1987. Over de grenzen van de reflexiviteit. In: Reflexiviteit en Metafysica. Bijdragen aan het symposium bij het afscheid van prof. J.H.A. Hollak. (Redactie: Louk Fleischhacker). Filosofische Reeks Centrale Interfaculteit Universiteit van Amsterdam, nr. 20. 1987, pp. 6-19.

Boukema, Harm, 1980. Intentionele analyse van illocutioary acts. In: Filosofische Reeks nr. 6 – 1980. Filosofische lezingen gehouden op de Eerste Nederlandse Filosofiedag 15 september 1979, Universiteit van Amsterdam.

Boukema, Harm, 2010. Russell’s second paradox: A Dialectical Analysis of ‘On Denoting’, Proefschrift Universiteit Nijmegen, 2010.

Fleischhacker, Louk (red.) (1987). Reflexiviteit en Metafysica. Bundel artikelen uitgegeven naar aanleiding van het symposium bij het afscheid van Prof. Dr. J.H.A. Hollak als hoogleraar geschiedenis van de wijsbegeerte aan de universiteiten van Nijmegen en Amsterdam. Uitgeverij Eburon, Delft, 1987.

Floridi, Luciano (ed.) (2016). The Routledge Handbook of the Philosophy of Information (2016).

Frege, Gottlob (1879). Begriffschrift, a formula language, modeled upon that of arithmetic, for pure thought. Engelse vertaling opgenomen in: Jean van Heijenoort, From Frege to Gödel, a source book in mathematical logic. Harvard University Press, Cambridge , Mass.(1967).

Frege, Gottlob (1986). The Foundations of Arithmetics: a logico-mathematical enquiry into the concept of number. English translation by J.L. Austin, 2nd revised edition. Basil Blackwell Oxford, 1986.

Frege, Gottlob (1882). Uber die wissenschaftliche Berechtigung einer Begriffschrift. Opgenomen in: Gottlob Frege: Funktion, Begriff, Bedeutung, Uitgave: Vandenhoeck & Ruprecht in Gottingen, pp. 91-97, 1975.

Frege, Gottlob, 1892, ‘Über Sinn und Bedeutung’, Zeitschrift für Philosophie und philosophische Kritik 100, pp. 25-50.

Gamut, L.T.F. 1982. Logica, taal en betekenis 2 – intensionele logica en logische grammatica. Aula paperback 77, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982. Gamut staat voor Groningen, Amsterdam en Utrecht, de drie universiteitssteden van het auteurscollectief.

Jeffreys, Harold (1966). Theory of Probability. Oxford Classic Texts in the physical sciences, Clarendon Press, Oxford, 3rd edition, (2003).

Putnam, Hilary (1967). Mathematics without foundations. Reprinted in: Philosophy of Mathematics, selected readings, Paul Benacerraf and Hilary Putnam (eds), Cambridge University Press, Cambridge, 1982.

Wittgenstein, Ludwig (1973). Tractatus logico-philosophicus. Logisch-philosophische Abhandlung. Ed. Suhrkamp, Uitgave 1973. Oorspronkelijke Duitstalige uitgave 1921.