De braam, de wolf en de jood

 “Lupus est homo homini” (Plautus, 200 v. Chr.)

Dit stuk bevat scenes van verontrustend grensoverschrijdende aard. Ouderlijk toezicht en volwassen inzicht wordt aanbevolen.

De Braam

Bert was op bezoek en het gesprek leidde ons op een gegeven moment naar de braam. Of hij ook meer last had van bramen op zijn erf dan pakweg 25 jaar geleden, vroeg ik. (Hij moest van het waterschap een slootje onderhouden, maar kon daar moeilijk bij vanwege de overdadige groei van bramen aan de kant van de buren). Nou dat weet ik niet, was zijn antwoord, maar ik zie wel steeds vaker een variant die ik vroeger niet zag. Het blad is wit aan de onderkant en de stekels zijn ook anders. “Het is een exoot”, zei hij met de stelligheid van de kenner. Wat hem opviel is dat er steeds vaker bramen in de bossen voorkomen. En dat komt door de stikstof? opperde ik. Ja zeker, dat is stikstof. Die braam hoort niet in de bossen. De door Bert bedoelde ‘exoot’ is vermoedelijk de koebraam (rubis ulmifolius Schott, iepbladig). Kenmerk: bladsteel met 5-15 kromme stekels; onderzijde bladeren wit tot zilvergrijs. (zie rubus-nederland.nl). Maar waarom “een exoot”?

Een organisme wordt als exoot (‘uitheems’, niet ‘inheems’) beschouwd in een bepaald gebied wanneer deze zich in dat gebied gevestigd heeft en voor een bepaald jaar ergens in het verleden niet in dit gebied voorkwam. Voor planten wordt de grens tussen ‘inheems’en ‘uitheems’ gelegd in het jaar 1825. Ik heb niet kunnen vinden waarom 1825. We moeten dus in het verleden duiken om te bepalen of een plant een exoot is. Sommige mensen hechten daar een waardeoordeel aan: exoten zijn vreemd, ze horen hier niet.

Dat Bert de koebraam ‘exoot’ noemt komt vermoed ik vanwege het feit dat deze braamsoort nieuw is in het midden van het land. De herkomst lijkt het Middellandse Zeegebied te zijn. Verspreiding: “West- en Zuid-Europa, noordelijk in Nederland tot aan de Rijn”.

De Wolf

“Maar iets anders, hebben jullie hier al wolven?” vraagt onze ecoloog. Marion meent zeker te weten er één gezien te hebben. Ergens in een weiland in de buurt. “Was het geen herdershond?” Niemand heeft hier in de buurt een herdershond. Bert vindt het wel mooi dat de wolf weer terug is in Nederland. “Maar die arme schapenboeren dan?”, vraag ik. Die moeten maar afrasteringen maken. We moeten leren leven met de wolf, vindt hij. Dat beest hoort hier thuis. Nou, Tiny van de spingroep van Marion vertelde dat de wolf in Nederland was uitgezet. Mensen hadden gezien hoe ze in een VW-busje ‘van achter de paal’ de grens over waren gekomen en uitgezet. “Geloof ie dat echt?” had Marion gevraagd. Ja hoor. Marion: “Ie bent een Wolvenwappie!”

De wolf is vermoedelijk zelf aan komen lopen en niet met een VW-bus uitgezet zoals de immigranten, arbeiders uit Polen, Roemenie en Bulgarije, die bij ons de glasvezel aangelegd hebben voor miljardair Wessels uit Rijssen. Wat bezielt de wolf om naar Nederland terug te keren? Wat trekt hem aan? Of is hij ergens voor gevlucht? Denkt de wolf het hier beter te hebben dan in Duitsland of Polen?

De Wageningen Environmental Research Group heeft in samenwerking met o.a. Het Institutuut Natuur en Bosonderzoek op verzoek van de Nederlandse regering een ‘factfinding study‘ naar de wolf in Nederland gedaan. (Jansman et al. 2021). Volgens het rapport is een exoot “een soort die middels menselijk handelen in een gebied voorkomt dat niet tot zijn natuurlijke verspreidingsgebied behoort.” Wat de auteurs onder menselijk handelen verstaan is niet duidelijk (Het vervoeren in VW-busjes neem ik aan wel, maar valt het houden van schapen, die het leven in een gebied aantrekkelijk maken voor de wolf, daar ook onder?) Op de vraag wat ‘natuurlijk’ is gaan de auteurs, wijselijk, voorbij. Maar kun je daar echt om heen? In de discussies in de media slaan voor- en tegenstanders van de wolf elkaar met het predikaat ‘natuurlijk’ om de oren. Volgens de Wageningse geleerden is de wolf geen exoot in Nederland. Hij is zelf aan komen lopen.

De wolf zoekt een territorium, een gebied waar het dier zich in een kleine populaties kan vestigen. Wáár de wolf zijn heil zoekt, dat is van vele factoren afhankelijk. In de woorden van de wetenschapper: “De populatiedynamiek is complex en van vele factoren afhankelijk.” Denk aan: de grootte van rustgebieden, beschikbaarheid van voedsel, aanwezigheid van vijanden en de populatiegrootte in een bepaald gebied. Ook speelt klimaat een rol. Ik ga dat hier niet allemaal uitspitten. In het kader van dit stukje is echter de volgende omschrijving van het begrip ‘territorialiteit’ interessant.

Territorialiteit is een specifieke vorm van agressie die bepaald wordt door de relatie van het dier met een bepaalde plaats.” (p. 29).

Dat brengt me bij een bijzondere diersoort: de mens, en zijn strijd om ‘Het Beloofde Land’. Dat Beloofde Land is in de loop van de eeuwen naar beneden gehaald. De Renaissance maakte van de wereld een ‘oneindig arbeidsveld’ (Koyré) waarin aan de verwerkelijking van beloftes en idealen gewerkt moet worden. Tot de dood erop volgt.

De Jood

Wolven geloven niet in Goden. Volgens Thomas Hobbes is de mens voor zichzelf een God en voor de ander een wolf. De mens is een individualistisch familie- en kuddedier. Het meest onderscheidend kenmerk van de diersoort mens is dat het een taal heeft, verhalen maakt, schrijft en leest. De mens geeft zichzelf niet alleen door aan zijn nageslacht via de genen maar vooral via zijn technologie en zijn verhalen. Het dier mens beroept zich op historische rechten. Het samenleven in grotere leefgemeenschappen vindt gestalte in de vorm van naties. Territoria en omgangsregels tussen volken en naties worden vastgelegd in contracten, verdragen, wetten, afspraken, conventies, handvesten en declaraties.

“De populatiedynamiek is complex en van vele factoren afhankelijk.” Dit geldt niet alleen voor de braam en de wolf, het geldt in hoge mate voor de mens. Neem de ‘populatiedynamiek’ van de jood, wiens territorialiteit meer dan voor enig andere diersoort bepaald wordt door de relatie van deze soort met een bepaalde plaats. “Het verlangen naar een thuisland heeft de eeuwen door in Joden geleefd.” (Van Agt 2009).

Voor het joodse geslacht heeft dit verlangen religieuze trekken aangenomen toen volgens het Bijbelverhaal God de stamvader, de Ur Abraham, een land in het vooruitzicht stelde waar zijn volk rust kon vinden en van waaruit het zich kon voortplanten over de hele aarde. Jakob, nazaat van Abraham, kreeg de naam Israël wat betekent ‘Hij die met God gestreden heeft’ of ‘God heerst‘. De belofte werd geconcretiseerd tot de idee van Het Beloofde Land, een metafoor, een ‘land van melk en honing’. Een niet bestaand land.

Een voorname factor die de ‘dynamiek’ van de joden in Europa bepaalde waren de religieuze wetten die golden in de streek waar ze zich hadden gevestigd. Zo mochten in West-Europa christenen volgens hun religie geen rente heffen op geldleningen. De joodse wetten stonden dit wel toe, en daar maakten de joden dankbaar gebruik van, waardoor ze vaak tot de meest welgestelde burgers behoorden. De oermenselijke neiging van de mens te begeren wat de ander begeert leidde tot roof en moord. De jood werd verbannen en moest op de vlucht naar veiliger oorden. Had de jood geen andere keus? Kon hij geen afstand doen van zijn geloof? Dat zou betekenen dat hij afstand zou doen van zijn volk, zijn familie, van zijn historische banden met Gods volk. Natuurlijk waren er joden die dat deden. Vaak uit economische overwegingen zoals de ouders van de fysicus Hertz, de ouders van Karl Marx, of om morele, intellectuele, redenen, zoals Otto Weiniger. Hitler trok zich weinig aan van dergelijke motieven. Voor hem gold: eens een jood, altijd een jood en die horen hier niet. (zie Bronnen en noten.)

In de 19de eeuw werd het beloofde land door de joodse journalist Theodor Herzl (1860-1904) geconcretiseerd in de idee van Der Judenstaat, “Versuch einer modernen Lösung der Judenfrage” (1896). De zionistische joden kozen in meerderheid voor Palestina. Daar zouden de joden van de hele wereld hun thuisland vinden. Volgens Herzl, de oprichter van het zionisme, zouden de joden in Palestina een einde maken aan de daar heersende ‘barbarij’, de arabieren zouden voor de joden kunnen werken op het land. (Zie ook de referenties op de uitgebreide Wikipedia pagina, item: Theodor Herzl.)

Volgens de ex-premier van Nederland A.A. van Agt heeft de Britse regering een zeer dubieuze rol gespeeld als het gaat om de verdeling van rechten in Palestina. Terwijl ze een mandaat had over Palestina werd in 1917 door London de Balfour-verklaring uitgegeven waarin de Britten de joden beloofden zich te beijveren voor een nationaal tehuis voor het Joodse volk.

De letterlijke tekst van de Balfour declaractie is:

“His Majesty’s Government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavors to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice that civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.”

De rechten van de Palestijnse inwoners zouden worden gerespecteerd. Wat is het probleem dat van Agt met de Britse opstelling had?

In 2017, 100 jaar na de Balfour declaratie, schreef Judea Pearl (professor Computer Science and Statistics van UCLA Californië en voorzitter van de Daniel Pearl Foundation, genoemd naar zijn zoon die vermoord werd door Al Qaida tijdens zijn werk als journalist in Afghanistan) een artikel in het Jewish Journal waarin hij met instemming Balfour citeert die in de introductie van Nachum Sokolow’s boek, “History of Zionism, 1600-1919″, een boek dat twee jaar na de declaratie verscheen, schrijft:

“De positie van de Joden is uniek. Voor hen zijn ras, religie en land met elkaar verbonden, zoals ze bij geen enkel ander ras, geen andere religie en geen ander land op aarde met elkaar verbonden zijn. … Bij geen enkele andere religie is de ontwikkeling ervan in het verleden zo nauw verbonden met de lange politieke geschiedenis van een klein territorium ingeklemd tussen staten die veel machtiger zijn dan het ooit zou kunnen zijn; bij geen enkele andere religie zijn haar aspiraties en hoop, uitgedrukt in taal en beelden, voor hun betekenis zo volkomen afhankelijk van de overtuiging dat alleen vanuit dit ene land, alleen door deze ene geschiedenis, alleen door dit ene volk, volledige religieuze kennis mogelijk is. verspreid over de hele wereld.”

Balfour wijst hier op de bijzondere status van het volk van Israël. Volgens Pearl begreep Balfour beter dan wie ook de essentie van het Joodse volk, beter dan die historici voor wie “Zionism is a 19th century invention that started with Theodor Herzl in 1896 and ended with the Six-Day War of 1967.”

Volgens Pearl kan het Palestijnse volk geen rechten op een inheemse status in Palestina claimen op louter genetische en geografische gronden. Hij stelt …

“… dat de diepste indruk van de Balfour verklaring op het bewustzijn van de wereld het universele begrip is geweest dat de essentie van indigineiteit cultureel en intellectueel is, en niet genetisch of geografisch.”

Kortom wat Judea Pearl hiermee bevestigt is de idee van de unieke historische positie van het Joodse volk. Aan de combinatie van ras, religie, en de historische, religieuze relatie tot het beloofde land ontlenen de joden hun identiteit en bijzondere rechten in ‘Eretz Israël’.

Ik verwijs verder voor de historische details naar het goed gedocumenteerde werk van de ex-premier van Nederland A.A. van Agt Een schreeuw om recht (Van Agt 2009) en naar het Clingendaal rapport (van Veen & Batrawi 2018)

In 1948 werd de staat Israël uitgeroepen. Sinds 1967 houdt Israël de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogten bezet en deels onder zijn bestuur.

“Sinds Ben Goerion hebben successievelijke Israëlische regeringen zich op het standpunt gesteld dat gedwongen en massale verplaatsing van de Palestijnse bevolking moreel aanvaardbaar en existentieel noodzakelijk is. De ‘New Israeli Historians’, zoals Benny Morris en Ilan Pappé, hebben dit overtuigend aan het licht gebracht.” (Van Veen & Batrawi 2018, voetnoot 10, p.2)

De Israëlische regeringen, waaronder die van de huidige prime minister Netanyahu hebben zich nooit iets gelegen laten liggen aan internationale verdragen en humanitaire afspraken. Zo weigerde Netanyahu de Oslo-akkoorden uit te voeren.

Rabin, Clinton en Arafat, tijdens ondertekening Oslo-akkoord 13 september 1993 (bron: Wikipedia, Door Vince Musi / The White House – gpo.gov )

Volgens de VN en de juridische ‘communis opinio’ bezet Israël de Gazastreek en de Palestijnse gebieden in de Westoever. Maar Israël, de bullebak van het Midden-Oosten, komt er mee weg, omdat zowel de VS als Egypte en de landen van de EU inclusief Nederland, hun kop in het zand steken. De onderdrukking van de Palestijnse bevolking wordt oogluikend toegelaten. ‘De schreeuw om recht’ en de brief J’accuse van Van Agt aan de Nederlandse regering en het parlement, waarin hij opkomt voor de rechten van het Palestijnse volk, heeft geen invloed gehad op de stellingname van de Nederlandse regeringen. Ook de huidige regering olv de VVD-er Rutte staat nog steeds vierkant achter Israël. Niet alleen wijst ze op het recht van Israël zich te verdedigen, dat behoeft immers niet gezegd te worden. Het verklaart stilzwijgend de Israëlische politiek, inhoudende het isoleren en treiteren van de Palestijnse bevolking door Israël, te steunen.

“Israël claimt dat de Geneefse Conventies (over humanitair recht in tijden van een gewapend conflict) niet van toepassing zijn op de Westelijke Jordaanoever en Gaza. Als gevolg hiervan zou er geen sprake zijn van militaire bezetting. Israël baseert zijn argumentatie grotendeels op de stelling dat er geen ‘soeverein’ over deze gebieden heerste toen Israël ze veroverde (de Blum-Shamgar thesis). De internationale juridische ‘communis opinio’ verwerpt deze lezing van de Geneefse Conventies echter omdat Israël ten tijde van verovering in ieder geval niet de soevereiniteit over deze gebieden genoot, en omdat ze gewapenderhand werden ingenomen. Zie: Meron, T., ‘The West Bank and international humanitarian law on the eve of the fiftieth anniversary of the six-day war’, The American Journal of International Law, Online: doi: 10.1017/ajil.2017.10, 2017. ” (Van Veen & Batrawi 2018, p. 3).

Ook hier zien we weer dat het de bijzondere ‘unieke’ historische status van het joodse volk en de ‘barbaarse, ongeorganiseerde’, status van de Palestijnse bevolking is waaraan de regering van Israel haar rechten op het land meent te ontlenen.

Waarom is een Fries geen Jood? Waarom is Friesland geen Israël, met Noord-Holland als Westbank en Schiermonnikoog als Gaza? Waarom hebben de Friezen, die zich in de loop der eeuwen overal over de wereld verspreid hebben, geen ‘synagoges’? Het antwoord is even simpel als complex: omdat de Fries niet in één God gelooft, zoals de Islamiet, de Christen, de Jood. De Fries worstelt niet met een God, die hem volgens de overgeleverde verhalen een heitelân Fryslân, en een wetboek: de Koran, de Tora, de Bijbel heeft gegeven, een heilige stem die hem voorschrijft wie er wel en wie er niet mag zijn.

Gepolitiseerde religies en Godsideeën

Zijn er nog mensen op deze aarde die niet getraumatiseerd zijn door de indirecte gevolgen van hun geloof? Vele getraumatiseerden zijn in naam van hun God door hun regeringen misbruikt als kanonnenvoer om te strijden voor de eer van hun land, of ze zijn door hun aristocratische leiders gegijzeld geworden. Hun leed en pijn wordt beschouwd als noodzakelijke ‘collateral damage’. Ze zijn de offers in de strijd om de macht. Soms neemt de getraumatiseerde als een ‘lonely wolf’ de wapens ter hand om verblind door woede en wraak wild om zich heen te schieten. Hij (of zij) heeft niet kunnen wachten op de Verlossing van het Beloofde Land.

De geschiedenis van het Joodse volk samengebald in de geschiedenis van de staat Israël (‘die worstelt met God’) is een tragedie van ongekende omvang. Schopenhauer zag in de tragedie: ‘De macht van het toeval en de dwaling, de ondergang van de rechtvaardigen en de triomf van de kwaadwilligen.’ (citaat uit: Marek van der Jagt, Otto Weininger, of bestaat de jood?)

(23 oktober 2023)

De strijd tussen Israël en de Palestijnen is voor de zoveelste keer geëscaleerd nadat de terreur-organisatie Hamas vele honderden burgers heeft vermoord en gegijzeld en vanuit Gaza doelen in steden heeft beschoten. De regering van Netanyahu neemt met ongekend geweld tegen de inwonders van Gaza wraak op de Palestijnse bevolking. De recente uitbarsting van Hamas is één in een reeks van opstanden van de onderdrukte volkeren tegen de ondemocratische religieuze leiders van de Arabische staten én van Israël.

De braam, de wolf en de jood. Drie verschillende wijzen waarop het leven uitdrukking geeft aan de territorialiteit, die specifieke vorm van agressie die bepaald wordt door de relatie van het leven tot een bepaalde plaats. De geschiedenis zoals die verhaald wordt en beleefd neemt in de ontwikkeling van de levensvormen een steeds voornamere plaats in. Bij de overgang van dier naar mens is het aanvaarden van de historiciteit een bepalende factor voor de toekomst van het leven in een wereldgemeenschap waarin verschillende culturen met onderling respect voor hun waarden samenleven. Daartoe zal de mens het verleden als verleden moeten aanvaarden en niet als een te herhalen vroeger, waaraan het absolute rechten ontleent. Voor de joodse mensen in het bijzonder lijkt dit door het verabsoluteerde, religieuze ‘unieke’ karakter van de historische band met het land Israël een moeilijke opdracht te zijn.

Tot slot: de functie van de religie

In een commentaar vroeg Marion of die religie niet gebruikt wordt door “de relies”, zoals alles tegenwoordig functioneel wordt gezien. Is religie nuttig, functioneel? Geloven ze echt of voeren ze het op omdat ze dat te pas komt? Misschien is dat wel het wezen van de religie, een historische constructie die functioneert in naam van de machthebbers die hun macht ontlenen aan een “niet bestane” Hogere Macht. Maar waarom willen ze die macht? Macht omwille van het behoud van de macht. Wie zei dat ook alweer?

Bronnen en noten

Dries van Agt (2009). Een schreeuw om recht – de tragedie van het Palestijnse volk. Derde druk 2009, De Bezige Bij, Amsterdam.

Erwin van Veen & Samar Batrawi (2018). Wie wind zaait zal storm oogsten: bezetting en de staat Israël. RCRU Policy Brief. Netherlands Institute of International Relations, december 2018.

Marek van der Jagt (pseudoniem van Arnon Grunberg) (2005). Otto Weininger of Bestaat de jood? Stichting Maand van de Filosofie, 2005.

Jansman, H. A. H., Mergeay, J., van der Grift, E. A., de Groot, G. A., Lammertsma, D. R., Van Den Berge, K., Ottburg, F. G. W. A., Gouwy, J., Schuiling, R., Van der Veken, T., & Nowak, C. (2021). De wolf terug in Nederland: Een factfinding study. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3107). Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/553564

Otto Weininger (1903/1920). Geschlecht und Charakter – eine prinzipelle Untersuchung. 19de druk, Wien/Leipzig, 1920.

“Dieses Buch unternimmt es, das Verhältnis der Geschlechter in ein neues, entscheidendes Licht zu rücken.” (voorwoord, eerste druk).

Een anti-semitisch en anti-feministisch boek, dat als proefschrift werd ingediend. Freud vond het maar niks. Wittgenstein vond de inhoud geniaal, maar was het er niet mee eens.

Otto Weininger (1984). Geslacht en karakter: een principieel onderzoek, (Vert. Tineke Davids) Amsterdam, De Arbeiderspers, 1984.

De Weense jongeling Otto Weininger bekeerde zich tot het protestantisme. Hitler had zoveel bewondering voor Weiningers joodse rassen-theorie dat het verhaal gaat dat hij hem als de enige goede jood beschouwde. Weininger pleegde echter in 1903 op 23-jarige leeftijd zelfmoord. Het is niet bekend of deze daad het oordeel van Hitler heeft beïnvloed. Otto’s vader zou een anti-semitische jood zijn. Weininger pleegde zelfmoord.

Zelfmoord was overigens in de mode in het Wenen van het eind van de 19de en het begin van de nieuwe 20ste eeuw. Volgens Grunberg was Weininger verstrikt geraakt in het onderscheid tussen het creëren van kunst en het creëren van een persoonlijke identiteit.

Geniaal is een mens te noemen, wanneer hij in een bewust verband met heel de wereld leeft. Pas het geniale is dus eigenlijk het goddelijke in de mens“. (Otto Weininger)

Voor veel meer over het enfant terrible Otto Weininger en zijn invloed op Wittgenstein zie mijn blog Henide – de oorspronkelijk eenheid van het mannelijk en het vrouwelijke.

Heinrich Hertz en Adolf Hitler

In 2007 herdacht Duitsland het 150ste geboortejaar van de fysicus Heinrich Hertz. De natuurkundige eenheid voor het aantal trillingen per seconde is naar hem genoemd. Verschillende media besteedden er aandacht aan. Ook de Duitse ZDF. Op de internetsite van deze televisieomroep stond te lezen:

“Da Heinrich Hertz Jude war, wurde sein Name in der Nazizeit getilgt.”

Deze bewering is slechts deels waar. Wanneer gesteld wordt: “Omdat Heinrich Hertz joods was, werd zijn naam tijdens het nazi-tijdperk verwijderd.” dan verwijst de term “joods” hierin naar het ‘joodse ras’ en niet naar de religie. De wetten van de Nazis classificeerden de mensen naar hun ras.

De bewering dat Hertz jood was klopt niet. Heinrich Hertz beschouwde zich niet als joods. De vader van Heinrich was op zevenjarige leeftijd samen met verschillende familieleden al in 1838 protestants geworden. Zelfs gegoede burgers, zoals de familie Hertz, hadden als ze jood waren, minder burgerrechten dan protestanten. Heinrich zelf trouwde met een protestants meisje. De familie Hertz had het joodse geloof achter zich gelaten. Toch werd de naam Heinrich Hertz in de nazi-tijd verbannen. Straten en instellingen die naar hem waren vernoemd kregen een nieuwe naam. Men overwoog zelfs de natuurkundige eenheid Hz voortaan te lezen als Helmholtz in plaats van Hertz.

Hitler wilde het joodse ras uitroeien en daarmee trof hij niet alleen de religieuze jood.

Wolff, Stefan (2008). Juden wider Willen – wie es den Nachkommen des Physikers Heinrich Herz im NS-Wissenschafsbetrieb erging. In: Jüdische Allgemeine, 04-01-2008.

De wiskundige modellen vanuit het religieuze besef van Ronald Meester

De betekenis van de individuele denker is tot op zekere hoogte afhankelijk van het toeval” (A.N. Whitehead)

De wiskundige en historicus Gerard Alberts eindigt zijn historie van het wiskundig modelleren in Nederland (2002) met:

“Nu het Centraal Planbureau en het RIVM inderdaad met mathematische modellen werken en adviezen geven komt de kritiek. De waarheid zou in het gedrang komen, de onzekerheden zouden te groot zijn. Maar was dat nu niet de quintessens van het wiskundig modelleren ten opzichte van vroegere wetenschapsidealen? In de modellerende wetenschappen is het waarheidsstreven gerelativeerd. Een model is niet “waar” en een goed model dient een doel.” (Gerard Alberts 2002)

Eén van de criticasters van de wijze waarop door het RIVM en sommige politici met modellen wordt omgegaan is Ronald Meester. Deze hoogleraar statistiek aan de Vrije Universiteit laat regelmatig van zich horen in de media. Hij steekt zijn kritiek op de overheid die haar beleid teveel laat bepalen door cijfertjes, modellen en statistieken en te weinig oog heeft voor “de waarden waar het in het leven om gaat” niet onder stoelen of banken.

In het onlangs verschenen rapport van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA Leren van Corona schrijft hij:

“Cijfers zijn nooit zomaar cijfers. Wetenschap is niet objectief. De bepalende stem van het RIVM in de coronamaatregelen was dan ook ongelukkig. Wetenschap en cijfers moeten pandemiebeleid voeden in plaats van dicteren. Het CDA kan maar beter uit de mallemolen van de cijfers stappen en stoppen met andersdenkenden uitsluiten.” (In: Leren van Corona, naar een nieuw vertrouwen in samenleving en democratie. Uitgave van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, 2023) .

In zijn nieuwste boek legt hij getuigenis af van zijn visie op wetenschap en de manier waarop we en de politiek daarmee tegenwoordig omgaan. Daarin presenteert hij wetenschap als producent van verhalen. Niet onvergelijkbaar met de verhalen in de Bijbel, een boek waarin hij als christelijk kerkganger goed thuis is.

Wetenschap als nieuwe religie.

Dit is de titel van het nieuwste boek van Ronald Meester. De ondertitel van het boek is “hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde.” Het is geen kroniek van de pandemie. De interesse in het boek gaat uit naar ‘de grote vragen’ die niet door de wetenschap aan de orde worden gesteld, maar die wel voortdurend onder de oppervlak meedoen als het gaat om hoe de wetenschap in de politieke beleidsbeslissingen gebruikt wordt.

“Waar vinden we houvast in moeilijke tijden?” De wetenschap wordt door velen als een soort religie gezien. “Maar wetenschap vertelt ons niet wat ‘beter’ is, ‘omdat ‘beter’ een waardeordeel is. En daar gaat wetenschap niet over.” (p. 9). We hebben geen collectief ‘verhaal’ meer dat ons vertelt wat we waardevol en cruciaal vinden. We lijden aan spirituele armoede.

Het thema is geenszins nieuw. Het is het thema van Edmund Husserls “Krisis der Europäischen Wissenschaften” waarover hij vanaf 1935 regelmatig sprak. De filosoof zag het al gebeuren. “Denn diese Krisis betrifft keineswegs ihre niemals angezweifelte Wissenschaflichtkeit, sondern das, was Wissenschaft überhaupt dem menschlichen Dasein bedeutet hatte und zu bedeuten kann.”

In onze levensnood – zo horen wij – heeft deze wetenschap ons niets te zeggen. De meest brandende vragen zijn: de vragen naar zin of zinloosheid van het menselijk bestaan. Wetenschap is verworden tot ‘blosse Tatsachenwissenschaft’, een wetenschap van louter feiten. Het subject is uit deze objectiverende wetenschap verdwenen. “Tatsachenwissenschaften machen blosse Tatsachenmenschen.”

Voor Husserl een reden om terug te kijken in de geschiedenis van het Europese denken. En hij ziet dan in de 16de eeuw de idee opkomen van een ‘idealisering van de wereld’. Deze idealisering is een mathematisering. De werkelijkheid wordt met mathematische structuren bekleed en ontdekt. De wereld is wat kenbaar is volgens de wiskundige methode, door meten en het ontdekken van wetten. Onze wetenschap is fundamenteel hypothetisch van karakter.

Edmund Husserl is filosoof. Naast Martin Heidegger en Jan Hollak, één van de grote filosofen van de moderne tijd die een poging hebben gedaan de mathematisering van de wetenschap, de technologisering van de cultuur en de functionalisering van het denken van de moderne westerse mens te begrijpen en in taal uit te drukken.

Meester is geen filosoof. Meester is wiskundige, hoogleraar statistiek, de wiskunde die gaat over hoe met data wordt gerekend om daar informatie uit te halen. De wetenschap die gaat over het testen van hypotheses opgesteld in de vorm van een wiskundig model. Ik had al eens een paar artikelen van hem gelezen over de problematiek van de toepassing van statistiek in de rechtspraak. Ik schreef daarover in Bewijzen en Bewijzen is Twee.

“Wij horen regelmatig over rechterlijke dwalingen. In de zaak Lucia de B. wisten ook heel veel mensen zeker te weten dat ze schuldig was aan de dood van wel zeven oudjes en een paar babies. Later bleek het bewijs niets waard te zijn. Een misrekening van een stelletje getuige “deskundigen” gesteund door foute statistische modellen.”

Meester schreef over de dwaling in de zaak Lucia de B. en pleitte voor een andere aanpak in de statistiek, de Bayesiaanse methode, volgens Bayesianen (zoals de fysicus E.T. Jaynes) de manier om met onzekerheid te rekenen. In zijn nieuwste boek schrijft hij er ook over. Maar ook die methode heeft slechts beperkte toepassingen. Het NFI, het Nederlands Forensisch Instituut, maakt er veelvuldig gebruik van bij het sporenonderzoek, maar een stelling in de rechtspraak kan niet wiskundig worden bewezen. We kunnen niet uitrekenen wie er gelijk heeft en of iemand wel of niet schuldig is aan het ten laste gelegde. Aannemelijk maken is iets anders dan wiskundig bewijzen.

Meester vergelijkt wetenschap niet alleen met religie: “beide leveren verhalen”, maar ook regelmatig met de rechtspraak. Ook haalt hij met instemming mensen aan die van mening zijn dat wetenschap een persoonlijke kwestie is. Je bent volgens hem vrij om als individuele burger een standpunt in te nemen over wat je van een wetenschappelijke uitspraak vindt. De wetenschap werkt met door haar gemaakte modellen en die zijn altijd beperkt. Hij wijst er herhaaldelijk op dat we die modellen niet moeten verwarren met de werkelijkheid (‘het sceptische standpunt’). Iets wat politici doen die hun beleid op modellen van het CBS of RIVM baseren.

In zijn kritische houding tegenover de wetenschappers gaat Meester ver.

Meester heeft een nogal dubieuze opvatting over de betekenis en waarde van zijn eigen vakgebied, de statistiek. Terecht waarschuwt hij voor de oppervlakkige wijze waarop in de media met cijfers en statistieken wordt omgesprongen.

Maar als het over kansen en kansrekening gaat slaat hij de plank behoorlijk mis. Dat komt omdat hij een probleem heeft met oneindigheid. Dat begrip komt zowel voor in de wiskunde als in de religie. Meester is religieus en wiskundige. Hij haalt die twee regelmatig door elkaar. Het lijkt er soms op dat hij vanwege zijn geloof wetenschap niet helemaal serieus neemt.

Ik ga terug naar zijn inaugurele rede bij de aanvaarding van zijn ambt als hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Daarin legt hij zijn geloofsbrieven neer. Het volgende citaat gaat over het begrip kans en de kansrekening, de basis van de statistiek.

“Het is in een kanstheoretisch model heel gewoon dat er een gebeurtenis plaatsvindt hoewel deze kans nul heeft. Dat klinkt vreemd, maar ik kan u hiervan met een eenvoudig voorbeeld wellicht overtuigen. Neem een cirkelrand in gedachten en kies een willekeurig punt op die rand. Elk punt heeft hierbij even grote kans om gekozen te worden. Wat is nu de kans dat u een bepaald punt heeft gekozen? Kan die kans bijvoorbeeld 1/1000 zijn? Nee dat kan niet, want elk punt heeft evenveel kans en er zijn meer dan 1000 punten op de cirkel. De kans kan ook geen 1/10.000 zijn omdat er meer dan 10.000 punten op de cirkel zijn, etcetera. De enige mogelijkheid die niet tot een tegenspraak leidt is dat de kans op elk specifiek punt nul moet zijn. Elk punt heeft dus kans nul om gekozen te worden, ook het punt dat u gekozen heeft. Kans nul betekent dus niet dat een gebeurtenis niet kan plaatsvinden. 
(Uit: De inaugurele rede van professor Ronald Meester)

Wat is hier aan de hand? Het begrip ‘gebeurtenis’ is veelzinnig. `Wat is dat voor gebeurtenis die ‘in een model plaats vindt’? Wanneer we het hebben over het optreden van een gebeurtenis dan onderscheiden we twee aspecten aan de gebeurtenis. Laat ik ze het formele en het materiële aspect noemen. Het formele aspect is de inhoudelijke bepaaldheid van het gebeuren: hoe het gebeuren beschreven wordt en onderscheiden is van andere gebeurtenissen. Het materiële aspect is het feitelijk voorkomen van het gebeuren. Aan een feit, een feitelijk voorkomen van een gebeurtenis, in de werkelijkheid zijn beide aspecten te onderscheiden’, maar niet gescheiden aanwezig. Het wiskundig kansmodel is een model, waarin de formele gebeurtenissen als gedachte objecten (‘events’) worden vastgelegd. Meester vraagt zijn goedgelovige gehoor zich een cirkel voor te stellen. Een cirkel is een wiskundig object, net als een rechte lijn. Ze zijn niet opgebouwd uit punten (want een punt heeft geen dikte en geen lengte), maar uit lijnstukken. Wanneer we het over het ‘aanwijzen van een punt’ hebben moeten we goed onderscheiden of we daarmee het kiezen van een wiskundig punt op een cirkel bedoelen of het daadwerkelijk aanwijzen van een positie (een punt) op een werkelijk fysieke locatie, wat iets anders is dan een meetkundig punt. In de redenering van Meester gaat hij over van een situatie met een eindig aantal punten naar een situatie met oneindig veel punten. Dat is typisch wiskundig: een sprong naar het oneindige als voltooid gedachte limiet van een reeks. Om dan te concluderen dat de kans op het selecteren van een punt nul is: 1 gedeeld door oneindig. Wiskundig is het echter zo dat die kans per definitie nul is bij een continue verdeling. In de werkelijkheid komt het aanwijzen van een punt niet voor, omdat een mathematisch punt in werkelijkheid niet voorkomt. Meester verwart een werkelijke gebeurtenis met een gebeurtenis in de kansrekening.

Meester stelt de werkelijkheid voor als limiet die in mathematische zin benaderd kan worden door een reeks. Dit idee is pre-19de eeuws en werd door Lagrange en opvolgende wiskundigen terecht verworpen als een ontoelaatbare verwarring van mathematiek en metafysica. De historische worsteling waarin de wiskunde zich bevrijd heeft van de metafysica lijkt aan de leerstoel van Meester voorbij te zijn gegaan.

Meester houdt zo zijn toehoorders regelmatig voor de gek. Nu zou je ter verdediging kunnen aanvoeren dat een inaugurele rede een soort lekenpraatje is waarin het toegestaan is van wetenschap een verhaaltje te maken, waarin je het gehoor uitnodigt zich in de fictie te verplaatsen (“kies een punt op de cirkel”). Dat mag zijn, maar dat betekent niet dat je de leek in de zaal voor een onnozele goedgelovige kerkganger kunt houden. Het nare is dat veel mensen denken dat de professor weet wat wiskunde is en hoe de wiskunde zich verhoudt tot de werkelijkheid van alledag en tot de metafysica omdat hij immers hoogleraar statistiek is aan een universiteit. Wiskunde is geen fictie, zoals een roman, en moet dan ook niet als zodanig gepresenteerd worden.

In het hoofdstuk “De Interpretatie van Getallen” van zijn boek staat hij nog weer eens stil bij “de omgang met cijfers en statistieken”. Daarin schrijft hij dat het een misvatting is dat deze niets met spiritualiteit te maken zouden hebben. “Ik denk dat ons rationele denken onze metafysica in de weg zit. Onze ratio is te belangrijk geworden.” “Cijfers, getallen en statistieken hoeven ons gevoel, onze emotie niet zomaar te overrulen.” “Een reëler beeld van cijfers helpt ons dus ook in levensbeschouwelijke zin.”

Wat bedoelt hij daar nou mee?

Meester onderscheidt verschillende types cijfers. Hij onderscheidt cijfers die uitkomsten zijn van een ‘statistisch experiment’ zoals de cijfers die het RIVM of Pfizer gaven over de efficiëntie van een Corona-vaccin. “Een heel ander type cijfers komt niet uit een statistisch onderzoek maar uit een berekening binnen een wiskundig model.” De vraag is dan of het model de werkelijkheid wel voldoende adequaat weergeeft. Alsof modellen bij een statistisch experiment geen rol spelen. Ook daarin worden immers modellen gebruikt om van de data, de tellingen, tot een statistische uitspraak te komen. De betrouwbaarheidsintervallen worden immers berekend op basis van een aangenomen statistisch model.

Wanneer Meester zijn kritiek op de cijfers geeft dan blijkt dat het gaat over dat men het niet eens kan zijn over de definitie van de begrippen. Wat is een IC-bed? of: wat is een patiënt die met Corona in het ziekenhuis terecht is gekomen? Voordat je gaat tellen moet je wel weten wat je telt. Men kan terechte kritiek hebben op de presentatie van een modeluitkomst omdat het niet goed duidelijk is wat er precies geteld is. Ook politicus en econometrist Pieter Omtzigt heeft regelmatig in de kamer en daarbuiten kritiek geuit op de ondoorzichtigheid van de modellen op basis waarvan de regering besluiten neemt. De kranten, de politici en de (farmaceutische) industrie zijn vaak niet helder over hun data en de manier waarop die in hun modellen verwerkt worden. Maar dat heeft niets te maken met kritiek op wiskundig modelleren als zodanig.

Meester verwart die twee voortdurend. Hij heeft veel (vaak terechte) kritiek op de manier waarop met modellen wordt omgesprongen, maar ziet dat als kritiek op het gebruik van modellen in de wetenschap zonder meer. Natuurlijk heeft hij geen alternatief voor modellen in de wetenschap, natuurlijk weet hij dat de wetenschap hypothetisch is en dat je modellen moet testen, maar hij springt voortdurend naar een meta-niveau en gebruikt dit als kritiek op de wetenschap. Hij pretendeert de werkelijkheid te kennen buiten de wetenschap om. Daarmee komt hij akelig dicht in de buurt van de ongefundeerde kretologie van criticasters die er allerlei complottheorieën op na houden. Zo meende Forum voor Democratie kamerlid Gideon van Meijeren in de VU-hoogleraar een enthousiast medestander te vinden.

De antropoloog en wetenschapsfilosoof Bruno Latour constateerde dat hij terecht was gekomen in het kamp van diegenen die de wetenschap de rug toekeren, waaronder complotdenkers en klimaatontkenners. Mensen die het met de feiten niet zo nauw nemen. Alsof Latour’s onderzoek naar het wetenschappelijke feit als sociale constructie van wetenschappers de intentie had de feiten te negeren. Terwijl hij integendeel door zijn onderzoek juist dichterbij de feiten wenste te komen. (zie Latour 2004).

Hier ligt een schone taak voor Meester: helder te maken wat zijn positie is ten opzichte van degenen die zich tegen de wetenschap keren en deze afdoen met “wetenschap is ook maar een mening” of “wetenschap is ook maar een verhaal”. Wat bedoelt Meester wanneer hij “het individuele karakter van de wetenschap” benadrukt, “in de zin dat het kan voorkomen dat voor de ene wetenschapper een theorie wel en voor de ander niet acceptabel is.” ? Menig complotdenker en scepticus trekt hieruit de conclusie dat zijn meningen net zo goed feiten zijn en net zoveel waard als de elkaar tegensprekende zienswijzen van de individuele wetenschappers. Alsof het in de wetenschappelijke arena om persoonlijke meningen gaat in plaats van om door middel van debat en experiment tot inzicht in de zaak zelf te komen.

Meester houdt ook van filosofie, maar heeft duidelijk voorkeur voor de ideeën van filosofen die zijn standpunt over het vaccinatiebeleid van de overheid delen. Dat is vast geen toeval.

Zijn inaugurele rede besloot Meester met:

De wetenschap zal zich tevreden moeten stellen met zeggingskracht over slechts een beperkt gedeelte van de realiteit. Uitspraken van wetenschappers die zich buiten dat gebied begeven zijn betekenisloos. Wetenschap en religie zijn niet elkaars vijand, maar vullen elkaar juist aan. Ze hebben het simpelweg over verschillende dingen. Dat besef zou iedere wetenschapper moeten hebben.” 

Deze woorden zou hij zich ter harte moeten nemen.

Ik denk dat Ronald Meester er verstandig aan doet zich bij zijn leest te houden. Hij toont eens te meer met zijn boek aan dat je als expert in de statistiek beschouwd kunt worden, maar dat dit nog niet wil zeggen dat je ook het wiskundige, het fysische en het metafysische (of religieuze) uit elkaar kunt houden. Dat is overigens een groot tekort in de opleidingen waarin wel wiskunde: statistiek en wiskundig modelleren worden onderwezen, maar waarin geen aandacht besteed wordt aan de vraag wat wiskunde is en hoe deze zich verhoudt tot (natuur)wetenschap, technologie en de ‘metafysische vragen van alledag’.

Tot slot. Wie een onderhoudend maar degelijk boek wil lezen over cijfers en statistieken en hoe daar mee om wordt gegaan die kan beter John Allen Poulos A Mathematician Reads the Newspaper lezen.

Bronnen

Gerard Alberts (2002). De opkomst van het wiskundig modelleren. NAW 5/1, nr. 1, maart 2000.

Fleischhacker, Louk E. (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Over de mathematisering van het denken en hoe de moderne filosoof zich vaak door de uitwendigheid laat misleiden tot deze wijze van denken.

Grünwald, P. (2011). Over het bedrijven van statistiek in kansloze situaties. Voordracht Zwolle, 18 mei 2011. Dit gaat over de zaak Lucia de B.

Jan Hollak en Wim Platvoet (red.) 2010. Denken als bestaan: Het werk van Jan Hollak. Uitgeverij DAMON, Budel, 2010.

In deze bundel het transcript van de opname van het Afscheidscollege over de hypothetische samenleving, door Jan Hollak gehouden in Nijmegen op 21 februari 1986.

Edmund Husserl (1936/1977). Die Krisis der Europäischen Wissenschaften und die transzendentale Phänomenologie. Philosophische Bibliothek Band 292 Felix Meiner Verlag, Berlin, 1977.

Bruno Latour (2004). Why Has Critique Run out of Steam? From Matters of Fact to Matters of Concern. Critical Inquiry 30 (2):225-248 (2004).

“I myself have spent some time in the past trying to show “‘the lack of scientific certainty’” inherent in the construction of facts. I too made it a “‘primary issue.’” But I did not exactly aim at fooling the public by obscuring the certainty of a closed argument—or did I? After all, I have been accused of just that sin. Still, I’d like to believe that, on the contrary, I intended to emancipate the public from prematurely naturalized objectified facts. Was I foolishly mistaken?”

Ronald Meester (2000). 100%- Zin en onzin van de waarschijnlijkheidsrekening. Inaugurele rede Vrije Universiteit van Amsterdam. Verscheen in Nieuw Archief Wiskunde van het Koninklijk Wiskundig Genootschap. 2000.

Op 24 maart 2000 sprak Ronald Meester zijn oratie uit bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit.

Hij besluit met:

“Om dit zelfbeeld (van de VU) te begrijpen is het nodig om eerst te citeren uit de doelstelling van de Vrije Universiteit: “al haar arbeid in gehoorzaamheid aan het Evangelie van Jezus Christus te richten op het dienen van God en zijn wereld”. Dat is nogal wat, en velen onder u zullen hier niet mee uit de voeten kunnen. Persoonlijk zou ik ook een iets bredere omschrijving toejuichen waarin de nadruk ligt op werken vanuit een bepaald religieus besef in het algemeen.”

Ronald Meester (2022). Wetenschap als nieuwe religie: hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde. Uitgeverij Ten Have, Utrecht, 2022.

R. Meester, M. Collins, R. Gill, and M. van Lambalgen (2007). On the (ab)use of statistics in the legal case against the nurse Lucia de B. Law, Probability & Risk, 5(3-4):233–250, 2007.

Hendrik Prakken en Ronald Meester (2017). Bayesiaanse analyses van complexe strafzaken door deskundigen. Betrouwbaar en zo ja: nuttig? Expertise en Recht, 2017(5), 185-197.