De levensovertuiging – alleen een God kan ons nog redden

Arie den Ouden is voorzitter van de SGP-Staphorst. Hij laat zich niet vaccineren.

Dat vraagt om een verantwoording, want preventieve medische behandeling is de alom geaccepteerde praktijk in onze risico-mijdende moderne gemedicaliseerde samenleving.

Waarom niet vaccineren?

Om publiekelijk antwoord te geven op deze prangende vraag schoof Den Ouden onlangs aan tafel aan bij Tijs van den Brink voor een tv-interview bij NPO Op1. Hij werd er alom voor geprezen. Deze man durft ten minste nog voor zijn overtuiging uit te komen!

Den Ouden laat zich niet vaccineren, omdat je dan probeert ziekte te voorkomen. Hij is tegen de preventieve geneeskunde.

“Terwijl ziekte en gezondheid een bedoeling voor ons leven kunnen hebben. Bijvoorbeeld dat je gaat nadenken over de waarde van het leven.”

Beseft meneer Den Ouden wel dat hij door zich niet te laten vaccineren tegen Corona de kans aanzienlijk vergroot dat hij straks een IC-bed bezet houdt?

Zeker wel.

En dat hij de keuze om zich niet te laten vaccineren niet alleen voor zichzelf maakt maar ook voor anderen? Het gaat hier immers om een besmettelijke ziekte.

Zeker wel. Hij worstelt met deze kwestie, zo vertrouwde hij zijn gesprekspartners toe.

Ik ben me daarvan bewust. Maar moet ik mijn levensovertuiging, die voor mij een waarde van leven en dood heeft, inleveren? Ik denk niet dat die worsteling eindigt. Uiteindelijk sta ik met mijn rug tegen de muur.’

Arie den Ouden staat niet alleen in deze worsteling. Integendeel. Bij velen knagen de vragen waarmee hij worstelt achter de muren die het Verlichtingsdenken heeft opgetrokken en die het zicht op de waarden ontnemen.

Eigenlijk valt er met religieuze mensen als Den Ouden niet met rede te twisten. De argumenten voor vaccinatie glijden af tegen het rotsvaste geloof als de regendruppels van een goed geoliede jas. Het is zo onlogisch, dat geloof.

Tijs van de Brink: ‘Maar waarom mag je dan wel een ziekte behandelen? Waarom moet je het niet laten gebeuren als je het krijgt? Je kunt toch zeggen dat het de straffende hand van God is’.

Den Ouden: ‘Nee, dan is het de opdracht om juist medische verzorging te zoeken. Vaccineren is vooruitlopen op een ziekte die er niet is.’

Maar moet je dan wel ziekenhuizen bouwen? Artsen opleiden? Dat doe je toch ook uit voorzorg, proactief. En wat zou Arie den Ouden op grond van zijn levensovertuiging vinden van het wetenschappelijk onderzoek en de ontwikkeling van instrumenten en methoden voor DNA-onderzoek en het ontwikkelen van vaccins?

de waarde van het leven

Is daar niet een formule voor bedacht door de ethici en medici? Een formule waarmee je van ieder individueel leven de waarde kan berekenen. Hoe groter de waarde hoe meer een medische behandeling mag kosten in geval van ziekte. Zo hebben medici samen met de ethici wiskundige modellen opgesteld om te berekenen wie er het eerst in aanmerking komt voor een IC-bed in geval van krapte. Zo wordt er gewerkt aan economische modellen om te berekenen welke jongeren het eerst in aanmerking komen voor een vervolgopleiding op basis van de kans dat deze toegevoegde waarde oplevert voor de samenleving. We investeren nu eenmaal niet in werkloos arbeidspotentieel. Alles ten behoeve van de optimale efficiënte inzet van de beschikbare middelen. De mens als bestand-deel van het economisch ‘Bestand’.

Egbert Schurman, Arie den Ouden, Martin Heidegger : Alleen een God kan ons nog redden.

De worsteling waarmee Arie den Ouden zit is de worsteling waarmee we allen in deze tijd zitten. Of misschien moet ik zeggen: waarmee we zouden moeten zitten. Het is de worsteling met de vraag naar de redelijke maat die paal en perk stelt aan de mateloosheid van het technologische en economische denken. Hoe bemiddelen we tussen het in onze levensovertuigingen impliciete inzicht in “de waarden van leven en dood” enerzijds en de allesoverheersende mateloze rationaliteit van de fysicus die steeds verder de ruimte in wil en de materie op lost in ook voor hemzelf onbegrijpelijke wiskundige formules, de viroloog, de epidemioloog, de medicus die het leven willen verlengen en bevrijden van ziektes en pandemieën, de econoom die de als maar groeiende behoeftes van de burger probeert te matchen met de eindigheid van de beschikbare middelen.

Is er een weg uit deze pandemie?

“Alleen God kan ons nog redden.”

Arie den Ouden zei het niet met zoveel woorden in het interview met Tijs van de Brink, maar de opvatting dat het antwoord op de vraag in Gods handen ligt is diep verankerd in de levensovertuiging van de godvrezende Nederlander. Het zal aan de erfzonde liggen dat de mens niet het vermogen heeft de gedachten van God te lezen. of zoals Einstein opmerkte: God laat zich niet in de kaart kijken. Daardoor bestaat er ook in de intellectuele kringen van christelijk protestants Nederland geen eensluidend antwoord op de vraag wat wel en niet meer toelaatbaar is als het gaat om het technische ingrijpen in de natuur. Ook reformatorisch Nederland is niet onverdeeld.

Een vooraanstaand lid van reformatorisch Nederland is dr. ir. Egbert Schuurman, van 1975 tot 2007 hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de TUs Delft, Eindhoven en Wageningen. Schuurman had bijzondere belangstelling voor de filosofie van de techniek. Hij vond dat in de studieprogramma’s van de technische studenten aandacht moest worden besteed aan maatschappelijke aspecten van techniek en aan de ecologische gevolgen van het wetenschappelijk-technische denken. Hij was daarin internationaal voorloper. In zijn colleges besteedde hij veel aandacht aan Ethiek in relatie tot Techniek. Tegenwoordig is ethiek een verplicht onderdeel van iedere wetenschappelijke studie. Al is de ‘christelijke grondslag’ van Schuurmans normatieve ethiek niet meer vanzelfsprekend. Hij richtte een studiecentrum op voor Medische Ethiek. Schuurman was jarenlang actief in de Nederlandse politiek als lid van de Eerste Kamer. Eerst voor de RPF, de Reformatorisch Politieke Federatie, later de Christen Unie.

Schuurman zag in de moderne machinale en computer-techniek, die zich onderscheidt van de vroegere ambachtelijke techniek, een bedreiging voor de mens en het milieu. “De arbeidende mens is door de technologie opgenomen in een objectief, onpersoonlijk en gevoelloos proces”. (Schuurman, 1975). Wie voelt zich niet als een radertje in een machine? Als je dat voelt weet je dat je dat niet bent. Maar wat doe je er aan?

In zijn afscheidsrede aan de TU Delft vat hij zijn visie op de moderne techniek nog eens samen.

“De huidige technische ontwikkeling heeft veel beloften gerealiseerd en houdt voor de toekomst nog veel beloften in. Men kan zich op deze ontwikkeling echter blind staren, zodat men geen oog heeft voor mogelijke desastreuze gevolgen ervan. Hoe komt dat? Ik vermoed dat dit komt vanwege een in onze cultuur ingebakken grondhouding die de techniek alleen maar prachtig vindt. In lijn met de geest van moderniteit — en post-moderniteit — is men voor een kritische bezinning op de techniek blind. Is mogelijk de kern van die moderniteit de stilzwijgende verering van de techniek? En inderdaad, techniek is vaak fascinerend en spannend. Toch is er ook een keerzijde. Technologie werkt in belangrijke mate mee aan de kwaliteit van het bestaan, hoor je meer dan eens, maar je hoort weinig dat het omgekeerde evenzeer waar kan zijn. Naar mijn overtuiging zal steeds duidelijker worden dat de houding
ten opzichte van of de visie op de technische ontwikkeling in onze cultuur het meest centrale probleem is. Alleen het wordt maar door weinigen onderkend. Dat komt omdat we ons in de cultuur laten leiden door een technisch wereldbeeld van de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat alles — dus heel de werkelijkheid — wordt gezien en gewaardeerd in het licht van een omvattende technische beheersing.” (Schuurman 2002).

In deze rede spreekt hij nog de hoop uit dat via de politiek een andere richting voor de techniek gekozen kan worden, “voor een breed genormeerde en daarin een anders gevormde techniek, die meer milieu-, natuur- , dier-, mens- en cultuurvriendelijk is. Ethisch juist handelen wordt dan juridisch afgedwongen.” (Schuurman 2002).

Terug naar de worsteling van Den Ouden en zijn geloofsgenoten. Mogen wij niet blij zijn dat de wetenschappers het experimentele erfelijkheidsonderzoek van Mendel in de kloostertuinen van Brno hebben opgepakt en voorgezet? Onderzoek dat mede geleid heeft tot de ontwikkeling van een vaccin waarmee we de Corona pandemie kunnen bestrijden. Welke maat leggen ethici uit de reformatorische kringen op aan het DNA-onderzoek? Schuurman stond bekend om zijn afwijzing van iedere vorm van genetische techniek waarbij gesleuteld werd aan de basis van het leven, de organische stof. Maar in zijn afscheidsrede van 2002 lijkt hij al wat toleranter. Zijn radicale nee is een nee, tenzij geworden. Er moeten internationaal duidelijke juridische grenzen worden vastgelegd aan het DNA-recombinanten-onderzoek.

“Het ligt voor de hand dat, indien men genetische manipulatie bij de mens overweegt, het ‘tenzij’ slechts geldt op orgaanniveau. Genetische manipulatie via de kiembaan, waardoor heel de mens ermee gemoeid is, moet verboden blijven. De consequentie van het technische wereldbeeld in de verdediging van therapeutisch en reproductief kloneren van de mens wordt gelukkig door weinigen gevolgd. Bij dieren zal genetische manipulatie bijvoorbeeld met het oog op de productie van medicijnen dat ‘tenzij’ ruimer kunnen worden opgevat.” (Schuurman 2002).

De EU legde in wetten vast wat wel en niet mag.

Maar nood breekt wet. Toen de Corona pandemie uitbrak werden de regels aangepast zodat de ontwikkeling van vaccins binnen de nieuwe kaders van de wet vallen. Er is geen kruid tegen gewassen.

Normen zijn er om aan te passen. Dat is de praktijk van alledag. Maar is er dan geen grens? Schuurman’s pleidooi voor de tuinstad lijkt gebaseerd op het romantische beeld van de arcadische kleinschalige biologische en ecologische landbouw. Maar is dat de oplossing?

Schuurman verwacht dat de uiteindelijke oplossing uit Gods hand komt. Want zo staat het immers in De Schrift, de uiteindelijke maat van het christelijk filosoferen.

“‘Dorens en distels’ zullen ons werk echter blijven begeleiden. Tótdat door Gods interventie eens de door verstoring gekenmerkte ontwikkelde aarde zal worden omgezet in de goddelijke tuin-stad (Openbaring 21:9–22:5), waarin mensen openbaar worden als bevrijde mensen, bevrijd tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God” (Schuurman 2002).

“Nur noch ein Gott kann uns retten”

Schuurman staat niet alleen in zijn visie op de moderne techniek. Deze vertoont veel gelijkenissen met die van de grote Duitse filosoof Martin Heidegger. Het is dan ook niet voor niets dat Remco van Mulligen als titel voor zijn biografie van Egbert Schuurman koos voor ” “Alleen God kan ons nog redden.”, verwijzend naar een uitspraak van Heidegger.

Enkele dagen na het overlijden van Martin Heidegger, in mei 1976, verscheen in het Duitse weekblad ‘Der Spiegel’ een tien jaar eerder opgenomen interview met hem, “Nur noch ein Gott kann uns retten”. Het kreeg wereldwijde aandacht. In dit gesprek met Rudolf Augstein, hoofdredacteur van ‘Der Spiegel’, trachtte Heidegger de verwijten tegen hem inzake zijn houding tegenover het nazi-regime in de jaren ’30 te ontzenuwen.

Mij gaat het echter om Heideggers kritische analyse van de moderne westerse samenleving. Achter de overwinningen van het technisch-wetenschappelijke denken en doen dat zo sterk verweven is met onze kennis-economie en waarmee we dagelijks op alle terreinen van ons leven worden geconfronteerd gaat volgens Heidegger een metafysische grondhouding schuil, die het karakter heeft van een stilzwijgende verborgen levensovertuiging.

Wie techniek zegt, denkt aan middelen en aan de rol die deze spelen in de beheersing van de natuur door de mens. Dit is de heersende opvatting over techniek. Volgens Heidegger is dit ‘onheilspellend juist’. Maar het gaat om de waarheid; niet om wat juist (‘richtig’) is. De waarheid is dat de mens door het denken van de techniek beheerst wordt. Velen geloven tegenwoordig dat de producten die gebruik maken van kunstmatige intelligentie slimmer zijn dan mensen. De Techniek heeft het denken overgenomen van het individu. Heidegger heeft zijn hele filosofische leven gewijd aan zijn roeping: de mens te waarschuwen voor het gevaar dat in het eendimensionale berekenende denken dat de technische mens beheerst schuilgaat. Daarin vond hij in Schuurman een medestrijder.

We leven in een tijd waarin de mens vaak als bestand-deel gezien wordt van het economisch ‘Bestand’ en spreken bijvoorbeeld van ongezien ‘arbeidspotentieel’. We denken dat problemen op een technische wijze opgelost kunnen worden. De oplossing voor de ecologische problemen waar we mondiaal voor staan kan echter niet gezocht worden in technologische oplossingen alleen. We zullen de metafysica, de stilzwijgende levensovertuiging en daarmee ons mens- en wereldbeeld inclusief onze waarden moeten veranderen.

Is er een alternatief? Vroeg zijn gesprekspartner Rudolf Augstein in het Spiegel-interview.

Maar kan de individuele mens het gevaar van de technologie nog ontwijken? Vraagt de interviewer. Kan de filosofie, die toch het individu, zij het indirect, richting kan geven in zijn handelen iets betekenen? Moderne ethici als de Twentse techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek nemen tegenwoordig plaats aan de tekentafel om ethische sturing te geven aan het ontwerp van nieuwe technische artefacten, zoals bijvoorbeeld de corona app of de virtuele assistentes we op onze mobiele apparaten hebben en die we in “onze eigen taal” kunnen toespreken.

Het antwoord van Heidegger is enigszins verrassend.

Heidegger: If I may answer briefly, and perhaps clumsily, but after long reflection: philosophy will be unable to effect any immediate change in the current state of the world. This is true not only of philosophy but of all purely human reflection and endeavor. Only a god can save us. The only possibility available to us is that by thinking and poetizing we prepare a readiness for the appearance of a god, or for the absence of a god in [our] decline, insofar as in view of the absent god we are in a state of decline.

Heidegger stelt tegenover de heersende macht van het berekenende (mathematiserende) denken het bezinnende denken, de kunst en de poëzie. Maar is dat geen vlucht uit de werkelijkheid? De mens leeft niet van kunst en dichtkunst alleen.

Martin Heidegger, Arie den Ouden en Egbert Schuurman kwamen tot dezelfde conclusie. We kunnen alleen maar wachten en hopen. Actief open staan voor een mogelijke oplossing die zich aandient. Gelassen, zoals Heidegger deze geesteshouding aanduidt (Heidegger 1959, Mars 2019). Maar er is ook een verschil. De titel van Mulligens biografie is: “Alleen God kan ons nog redden.” dat verschilt van Heidegger’s “Nur noch ein Gott kann uns retten,”. Welke God het zal zijn dat laat Heidegger in het midden. Of zijn ‘gelatenheid’ voor het Zijn ook onderdeel uitmaakt van de levensovertuiging van Arie den Ouden en zijn geloofsgenoten?

Voor de Middeleeuwse dominikaner monnik Meister Eckhart was de gelatenheid als levenshouding nog “de overwinning van Gods wil en de belofte van de uiterste zaligheid”, een houding waarin de persoonlijke wil wordt losgelaten, maar bij Heidegger “de overwinning van de metafysica c.q. het technische denken van de moderne wetenschap en de belofte van een nieuwe bestaansgrond.” (Mars, 2019).

De God van de filosofen, de God van Descartes, voor Schuurman “de vader van al het moderne denken”, is dood. Maar deze is niet de God van Arie den Ouden. Die is nog springlevend. Evenals de worsteling met de vraag naar een bestendige maat van de technologie. Dat deze uiteindelijk eerder in de waarde van het leven dan in de technische vermogens van de robots gezocht moet worden, daarover zullen de meesten het wel met Arie den Ouden eens zijn. Hoop ik.

Techniek moet dienstbaar zijn aan het leven om techniek te zijn. Daar ligt dan ook de maat van de techniek. Feit is dat ook de medici zich steeds meer vrij en geroepen voelen ons als (potentiële) patient te wijzen op de grenzen die het leven zelf aan het leven stelt.

Zo stemt het gesprek met Arie den Ouden bij NPO Op1 tot nadenken. Iedere mens wil voor zichzelf het goede doen.

Volgens Moritz Schlick bestaan er in de theologische ethiek twee interpretaties van het wezen van het Goede. De eerste zegt: het goede is goed omdat God het wil. Een tweede zegt dat God het goede is omdat het goed is. In een commentaar hierop schreef Ludwig Wittgenstein, de filosoof die aan het front door zijn medesoldaten ‘de man met het evangelie’ genoemd werd omdat hij Tolstoj’s evangelie als een soort talisman met zich meedroeg:

“Voor mij is de eerste interpretatie dieper: datgene is Goed wat God gebiedt.” De reden hiervoor? “Want dit sluit iedere andere soort verklaring uit ‘waarom’ het goed is, terwijl de tweede interpretatie de oppervlakkige is, de rationalistische, omdat zij doet alsof er nog een verdere grond is waarom het Goede goed is.” (citaat uit: Janik en Toulmin 1990,p.175).

“Moraal prediken is moeilijk” (Schopenhauer) , zoals Arie den Ouden ongetwijfeld zal beamen. Iedere poging er een intellectuele rechtvaardiging voor te geven is hopeloos, omdat ze het onmogelijke tracht te realiseren. Ik deel de mening van Tolstoj in zijn Korte verklaring van het Evangelie dat de kerk als instituut verantwoordelijk is voor de verwording van het christendom. De kerk en andere ‘religieuze instellingen buiten het gelovige volk uit met alle moderne middelen die de reclamemachinerie van het consumentisme ter beschikking stelt.

De moderne ethici verdienen hun geld met het opstellen van ethische procedures waarmee berekend kan worden wat in een welomschreven situatie de beste beslissing is. Procedures bijvoorbeeld voor triage wanneer er te weinig IC-bedden zijn om alle patiënten die getroffen zijn door het Coronavirus de nodige medische behandeling te bieden. Ten behoeve van mensen die zich door zulke procedures willen laten programmeren of voor machines, zoals ‘zelfrijdende’ auto’s, die tegenwoordig vanwege hun vermeende autonomie ook ‘morele’ beslissingen schijnen te moeten nemen.

We hebben niet alleen te maken met een ecologische crisis in de vorm van een pandemie veroorzaakt door een virus. We hebben te maken met een milieucrisis en, niet onafhankelijk daarvan, met massa’s mensen die op de vlucht zijn omdat ze hun huis en grond moeten verlaten omdat ze er niet meer kunnen bestaan. Hoe kan een andere levenshouding, gelatenheid, de wereld redden van deze dreigende gevaren?

We wachten af. Vooralsnog op een nieuw kabinet waarin de Christen Unie en de liberalen samen de weg zullen wijzen waar we moeten gaan. Ook daar gaat het om levensvragen.

Lonneker, 26 Oktober 2021.

Bronnen

Martin Heidegger (1959). Gelassenheit. Klett-Cotta Verlag, Pfullingen. (Nederlandse vertaling Gelatenheid. Lannoo, Tiel/Amsterdam, 1979.)

Martin Heidegger (1976), “Nur noch ein Gott kann uns retten,” Der Spiegel 30 (Mai, 1976): 193-219. Trans. by W. Richardson as “Only a God Can Save Us” in Heidegger: The Man and the Thinker (1981), ed. T. Sheehan, pp. 45-67. Nederlandse vertaling: Alleen nog een God kan ons redden: Heidegger in gesprek met Der Spiegel (Rudolf Augstein, 2006), Klement, Kampen

Allan Janik en Stephen Toulmin (1990). Het Wenen van Wittgenstein. Tweede herziene druk. Boom Meppel, Amsterdam, 1990.

A.M.J. Mars (2019). Gelatenheid en verzet bij Eckhart en Heidegger. Scriptie ter verkrijging van de graad “Master of Arts” in de filosofie o.l.v. G.J van der Heiden. Radboud Universiteit Nijmegen.

Remco van Mulligen (2017). Alleen God kan ons nog redden” Biografie van dr. ir. Egbert Schuurman: tegendraadse christen in een seculier land.

Pieter Tijmes (1992). Martin Heidegger: Techniek als Metafysica. In: De Maat van de Techniek (Hans Achterhuis red.), AMBO, 1992.

Egbert Schuurman (1975). Nadenken over de technisch-wetenschappelijke cultuur. Een uitdaging voor aanstaande ingenieurs. Rede bij de aanvaarding van ambt als hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de TU Delft, 1975.

Egbert Schuurman (2002). Bevrijding van het technische wereldbeeld:
Uitdaging tot een andere ethiek. Afscheidsrede TU Delft, 2002.

Lev Tolstoj (2002). “Mijn kleine evangelie”, uitg. Erven J. Bijleveld, Utrecht, 2002; vertaald door Arthur Langeveld.

Tolstoj betoogt dat de kerk als instituut verantwoordelijk is voor de verwording van het christendom. Als zodanig vertegenwoordigt ze dezelfde kracht der duisternis als waartegen Jezus had gestreden. De verwording van de kerk heeft ertoe geleid dat het christendom zich niet bezighoudt met de levenspraktijk -waar het volgens Tolstoj bij Jezus om ging-, maar puur om leerstellingen en rituelen. 

Dit boek van Tolstoj droeg Ludwig Wittgenstein met zich mee toen hij in het Oostenrijkse leger aan het front werkte. “Dat boek heeft mijn leven gered. U kunt zich niet voorstellen wat een betekenis dit werk voor een mens kan hebben.”

Even voorstellen

Ik ben van 1952.

Het jaar waarin Aad van Wijngaarden, directeur van het Mathematisch Centrum de ARRA = Automatische Relais Rekenmachine Amsterdam, de eerste Nederlandse rekenmachine, aan pers en politiek laat zien.  (zie de documentaire De ARRA herinnerd  van o.a. computerhistoricus Gerard Alberts: “die ARRA deed het niet”).

In 1952 wist ik nog niet hoe zeer de computer mijn leven en denken zou gaan bepalen. Ik ging naar de Rijks Hogere Burger School aan het Zaailand in Leeuwarden. De belangrijkste prestatie in vijf jaar was het winnen van het Zilveren Schildtoernooi, een jaarlijks voetbaltoernooi tussen schoolteams van een aantal Friese HBS-en en  lycea. Voetbal was mijn lust en mijn leven maar ik besloot te gaan studeren aan de Technische Hogeschool Twente. Na de tweejarige algemene propedeuse besloot ik bij Toegepaste Wiskunde te gaan studeren mede gestimuleerd door mijn buurman Rouke Henstra. Na mijn baccalaureaats in de diskrete wiskunde en grafentheorie (ook ik heb vele uren geworsteld met het vierkleurenprobleem) ging ik theoretische informatica studeren. Ik volgde colleges digitale techniek bij Gerrit Blaauw, medeontwikkelaar van de ARRA II, een echt werkende opvolger van de ARRA, en programmeertalen bij Arie Duijvestein, eerst Algol60, later Algol68. In het college Informatietheorie van Dirk Kleima maakte ik voor het eerst kennis met het statistisch entropiebegrip in het kader van de communicatietheorie van Shannon en Weaver en leerde ik het Maxwell-duiveltje kennen. Colleges formele talen en automatentheorie en semantiek van programmeertalen volgde ik bij Joost Engelfriet en Leo Verbeek. Ik volgde verschillende colleges bij de onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen: ethiek (Paul van Dijk) , wetenschapsfilosofie (Errit  van der Velde).  Met docent Pieter Tijmes gingen we op studiereis (we lazen ter voorbereiding Marx en Engels en de staatskrant Neues Deutschland) naar de DDR waar we o.a. Buchenwald bezochten. De colleges van Louk Fleischhacker, wiskundige, logicus en filosoof, spraken mij erg aan:  klassieke en mathematische logica, axiomatische verzamelingenleer en filosofie van wiskunde en techniek.  Hij stimuleerde mij om af te studeren op een theoretisch onderwerp: de betekenis van de zelf-applicatie van functies, een fenomeen in de theoretische informatica dat volgens Louk de wiskundige uitdrukking is van de als autonoom gedachte techniek.  Via Louk maakte ik kennis met het werk van een van de belangrijkste Nederlandse filosofen:  Jan Hollak (zijn inaugurele rede “Van Causa Sui tot Automatie” uitgesproken bij de aanvaarding van ambt als hoogleraar wijsbegeerte in Nijmegen (1968) is een bron van inspiratie voor inzicht in de betekenis van techniek vanuit antropologisch perspectief.)  De studiebijeenkomsten “filosofie van de techniek” onder leiding van fysicus en filosoof Maarten Coolen aan de universiteit van Amsterdam waren voor mij een welkome afwisseling met de technische colleges aan de TH in Twente.   Ik liep stage bij IBM in Tel Aviv. “Is er ook zoiets als niet toegepaste wiskunde?” vroeg de man die mij bij IBM verwelkomde, toen ik vertelde dat ik toegepaste wiskunde studeerde. Van de wiskunde vakken had ik het meeste moeite met het vak kansrekening en statistiek dat aan de TH Twente door wiskundigen werd gegeven. Pas na vier pogingen had ik eindelijk een voldoende voor het tentamen.  Vaak proberen vergroot de kans op een voldoende. Wat weerstand biedt en moeite kost te begrijpen heeft kennelijk een bijzondere aantrekkingskracht: dat geldt zowel voor het werk van Hollak en Fleischhacker (die bij Hollak promoveerde: “Over de grenzen van de kwantiteit”)   als voor de statistiek.

Na mijn afstuderen deed ik vervangende dienst waartoe ik als erkend gewetensbezwaarde verplicht was. Daarna was ik vier jaar docent wiskunde en natuurkunde aan het Kottenpark College in Enschede, waar ik samen met collega Henry Ruizenaar de eerste lessen programmeren voor enthousiaste leerlingen ontwikkelde.  Ik werkte twee jaar bij de onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen. Hoewel het onderwijs geven me goed beviel trok de wetenschap me meer en ik werd promotiemedewerker bij Anton Nijholt hoogleraar theoretische informatica aan de THTwente. Vier jaar sloot ik me op om mij te bekwamen in het bewijzen van de correctheid van algoritmes voor het ontleden en implementeren van computerprogramma’s. Een saaier proefschrift dan mijn “Parsing Attribute Grammars” is nooit verschenen.

Na mijn promotie werd ik docent aan de Universiteit Twente: compilerbouw, functioneel programmeren (in Miranda) en formele analyse van natuurlijke taal. Mijn belangstelling ging vooral uit naar taal en techniek.  De Parlevink groep die zich in eerste instantie vooral bezig hield met talige interaktie tussen mens en machine ontwikkelde zich onder aanvoering van Anton Nijholt tot de groep Human Media Interaction waarin alle mogelijke vormen van interaktie tussen mens en computer werden bestudeerd. De computer interface kreeg geleidelijk aan een steeds menselijker gedaante.  Want zoals Louk eens tegen me zei: als je de taal van de mens wil formaliseren dan moet je de hele mens formaliseren. Sociologen en sociaal psychologen als Schegloff, Goffman (“The presentation of self in everyday life”) en Argyle hadden in de jaren vijftig de kleine gedragingen (tiny behaviours, zoals het ophalen van de schouders of wenkbrauwen, het lachen, kijkgedrag ) geconstrueerd (of geidentificeerd, hoe je het ook wilt zien) als onderwerp van een nieuw wetenschappelijk domein. Het zijn de observeerbare buitenkanten die we los kunnen denken van de persoon en waarbij we afzien van de persoon.  Op dezelfde manier waarop in de taalwetenschap al veel eerder de talige zinnen los kwamen te staan van de spreker en de concrete situatie waarin deze wordt geproduceerd. Deze abstractie is de mogelijkheidsvoorwaarde voor de natuurlijke interfaces in de vorm van avatars, voor de machines die onze taal gaan spreken, de robots die onze gebaren overnemen. Van dit uitwendige karakter van de taal van de techniek worden we ons meer en meer bewust. De autonome kunstmatig intelligente techniek is tegelijkertijd hoogtepunt en eindpunt van de in onze westerse cultuur die beheerst wordt door het mathematische denken en een kenniseconomie.

De bruikbaarheid van technische systemen is vakgebied geworden. Mijn belangstelling gaat uit naar die plekken waar mens en technisch systeem elkaar ontmoeten.