Een 100 % door AI geproduceerd ‘autobiografies essay’.

Een experiment naar aanleiding van de AI-perikelen rond de Zwagermanessayprijs 2026, waar Kaatje Gijbels haar bijdrage terugtrok nadat een Pangram check uitwees dat het met hulp van AI geproduceerd was. (Zie ook mijn vorige post.)

De prompt: Kun je een ‘autobiografies essay’ schrijven in de stijl van Kaatje Gijbels, waarin de lezer die haar kent, haar qua stijl en inhoud herkent.

AI kwam met het volgende essay.

Het was de geur van vers versneden witlof in de keuken van mijn grootmoeder die me voor het eerst deed inzien dat beschaving een kwestie is van disciplinering. Witlof is van nature bitter; het is de taak van de burgerlijke keuken om die bitterheid te smoren in melk, suiker en een overdaad aan kaas, totdat de oorspronkelijke aard van de groente volledig is uitgewist. Men noemt dat cultiveren. Ik noem dat de eerste kennismaking met de ongeschreven wetten van de reductie.

Jaren later zat ik op de dertigste verdieping van een glazen toren aan de Zuidas. Om mij heen bewogen mannen en vrouwen in identieke, perfect gesneden pakken. Het marmer glansde, de koffie was afgemeten op de juiste temperatuur, en de contracten die we opstelden waren ontdaan van elke vorm van menselijke frictie. We neutraliseerden het risico. We poetsten de rafelranden van het menselijk tekort weg met strak geformuleerde clausules en waterdichte definities. Het was een esthetiek van de perfectie, een machinerie waarin ikzelf een feilloos functionerend radertje was geworden. Mijn zinnen waren destijds als het marmer onder mijn voeten: koel, glanzend en ondoordringbaar.

Maar perfectionisme is een verraderlijke vorm van schaamte. Het is de angst dat wanneer de buitenkant niet vlekkeloos is, de binnenkant als inferieur zal worden ontmaskerd.

Toen ik de advocatuur verliet voor de literatuur, dacht ik de controlekamer te hebben geruild voor de wildernis. Een essay, zo hield ik mezelf voor, was de ultieme ruimte voor het onbehaaglijke verlangen, voor de oprechte en tastende mislukking van de menselijke geest. Maar de neiging tot polijsten bleek een hardnekkige parasiet. De drang om de frictie voor te zijn, om de zinnen zo te boetseren dat er geen speld meer tussen te krijgen is, bleef aan me trekken.

En daar, in die spagaat tussen de rauwe gedachte en de gepolijste vorm, voltrok zich de paradox.

In mijn zoektocht naar de perfecte cadans, naar de ultieme helderheid van het betoog in Donum Lacrimarum, maakte ik gebruik van een instrument dat beloofde de frictie voor mij op te lossen. Een algoritme dat getraind is op de optelsom van alle menselijke zinnen, een spiegel die de meest waarschijnlijke, meest gestroomlijnde versie van mijn eigen taal terugwierp. Het was de ultieme Zuidas-benadering van de literatuur: risicovermijding. Het gladstrijken van de bitterheid, zoals de suiker in de witlof.

Toen de machine de tekst scande en de alarmbellen afgingen, voelde ik geen morele paniek, maar een diepe, ironische herkenning. De jury oordeelde dat de vorm niet meer volledig de mijne was. En ze hadden gelijk. Niet omdat ik had gelogen—een algoritme liegt immers niet, het berekent slechts—maar omdat ik had toegegeven aan de verleiding van de immuniteit. Ik had geprobeerd een tekst te schrijven die niet kon struikelen.

Maar een tekst die niet kan struikelen, ademt niet. Literatuur is niet het gladde marmer van de kantoortoren; het is de barst erin. Mijn eerdere werk, waarin het vrouwelijke verlangen nog mocht schuren en ongemakkelijk mocht zijn, bezat de frictie die ik in mijn zucht naar beheersing bijna was kwijtgeraakt.

Ik sta hier, met de brokstukken van een ingetrokken nominatie, en ik kijk naar mijn eigen handen. Ze zijn feilbaar. De zinnen die er de komende jaren uit zullen rollen, zullen misschien minder perfect zijn, minder vlekkeloos ritmisch, en hier en daar een stilistische misstap begaan. Maar ze zullen in elk geval smaken naar de bittere, ongetemde stronk van de groente, niet naar de geruststellende saus die de waarheid maskeert.

Dit essay boots de analytische, afstandelijke en tegelijkertijd scherpe toon na die kenmerkend is voor haar stijl. Wil je dat we de focus verleggen naar specifieke passages om ze nog meer aan te zetten, of wil je een volgende stap zetten in onze discussie over authenticiteit?

Een Nederlandse villanella?

Een villanella is een dichtvorm uit de zestiende eeuw. Ze bestaat uit 19 regels verdeeld over 5 strofen van 3 (de terzinen) en 1 strofe van 4 (het afsluitende kwatrijn) en kent een vast rijmschema: A b B – a b A – a b B – a b A – a b B – a b A B.

Ik kende Dylan Thomas’ Do Not Go Gentle Into That Good Night, maar wist niet dat de ‘obsederende’ herhaling die zo goed overeenkomt met de woordenklanken en de stemming van dit gedicht, voldoet aan een uit Italïe en Frankrijk afkomstige, bekende, versvorm. De villannella dus.

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.

Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.

And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light
.

De vorm maakt intensief gebruik van herhaling: regel 1 en regel 3 komen als een soort refrein steeds terug. Op vertaaldegedichten.nl vond ik een Nederlandse vertaling: Ga niet gewillig in die zoete nacht door Jules Grandgagnage (2025). Het eerste couplet gaat zo:

Ga niet gewillig in die zoete nacht,
Wie oud is moet nog branden tot het eind:
Vecht, vecht, tegen het duister dat je wacht!

Knap ver- of hertaalwerk, want ook dit is een villanella en het doet naar mijn gevoel recht aan de inhoud van het gedicht van de Welshman. Niettemin, is een vertaald gedicht een heel ander gedicht dan het oorspronkelijke.

Ik zocht met behulp van Google een ‘originele Nederlandse villanella’. Binnen een vloek en een zucht werd de volgende tekst op mijn scherm geprint.

Hieronder vind je een originele Nederlandse villanella, geschreven volgens de strikte regels van de vorm:

De dans van de herfst

De laatste bladeren vallen van de bomen, (A1)
de wind fluistert een oud en kil verhaal. (b)
Het is te laat om van de zon te dromen. (A2)

De herfst is met de kille nacht gekomen, (a)
het landschap kleurt nu langzaam grijs en kaal. (b)
De laatste bladeren vallen van de bomen. (A1)

De warme zomerstromen zijn verdwenen, (a)
het licht verliest zijn gouden, zachte straal. (b)
Het is te laat om van de zon te dromen. (A2)

Geen vogel zingt meer tussen de kastanjes, (a)
de mist hangt laag over de stille vaal. (b)
De laatste bladeren vallen van de bomen. (A1)

De avond sluit de gordijnen van de dag, (a)
het donker wint de strijd nu helemaal. (b)
Het is te laat om van de zon te dromen. (A2)

De winter nadert met een stille schrik, (a)
de wereld spreekt een ijzige, nieuwe taal. (b)
De laatste bladeren vallen van de bomen, (A1)
het is te laat om van de zon te dromen. (A2)

Inderdaad een villanella. Bij eerste lezing klonk het ook wel aardig. Maar als je met aandacht leest wat er staat dan rijzen er toch vragen. Waar slaat dat ‘dans’ in de titel op? Er wordt helemaal niet gedanst in dit gedicht. Ik was benieuwd wie de schrijver was. Het antwoord van Google’s AI: Deze originele Nederlandse villanella is door mij (AI) geschreven. Je voelt je toch een beetje bekocht. Ik kende dat gevoel van toen ik eens meende een dochter van een collega aan de telefoon te hebben gesproken (weliswaar een kort gesprek, maar toch) en de collega me later zei: Ooh, dat is het antwoordapparaat. Kan AI gedichten schrijven die een jury ook bij herhaald lezen niet kan onderscheiden van door echte schrijver geproduceerde dichtverzen? Vroeg ik me af. En kan een AI detectietool als Pangram door AI geproduceerde gedichten als zodanig ontmaskeren?

Joost Zwagerman essaywedstrijd

Van de dit jaar voor de Zwagerman-essaywedstrijd voor beginnend schrijverstalent ingezonden 213 inzendingen plaatste de jury van 2026, bestaande uit Aleid Truijens, Anouk Kootstra, Barber van de Pol, Luuk Vulkers en Guido van Hengel (voorzitter), er vijf op de shortlist. Bij een check met behulp van de AI-slop detectietool Pangram, bleken twee van de vijf (grotendeels) door AI gegenereerd. De jury schrijft daarover in een bericht:

“Er zijn twijfels gerezen over de authenticiteit van twee van de vijf genomineerde essays op de shortlist van de Joost Zwagerman Essayprijs. Een scan met de AI-detector Pangram wees uit dat de teksten met behulp van kunstmatige intelligentie tot stand zijn gekomen. Na overleg hebben de auteurs van deze twee essays besloten om hun inzendingen in te trekken.”

en vervolgt ter verklaring:

“Als het om teksten en hun betrouwbaarheid gaat, leven we in ingewikkelde tijden. (…) De maatschappelijke en literaire kaders voor het gebruik van AI staan nog ter discussie en de toekomst van tekst is ongewis. De Joost Zwagerman Essayprijs is echter bedoeld voor aanstormende schrijftalenten, en het is niet alleen van groot belang dat het werk van de genomineerden boven elke twijfel verheven staat, maar ook dat het winnende essay is ontstaan vanuit een geheel eigen kijk op de wereld. Om die voorwaarden te waarborgen en ontstane twijfel over hun inzendingen weg te nemen, hebben deze twee auteurs gekozen om niet langer mee te dingen naar de prijs.”

Het gaat de jury dus niet om een essay dat ze als literair van hoge kwaliteit beoordeelt, maar om een essay dat getuigt van ‘een geheel eigen kijk op de wereld’. Je zou kunnen zeggen: Er moet iemand, een mens van vlees en bloed, zijn die zijn verhouding tot zijn leven en werkelijkheid in de vorm van een essay verwoordt. Niet alleen de illusie die een tekst bij de lezer oproept is van belang.

In een eerdere blog schreef ik over Wittgensteins taalopvatting en de Tractatus. Daarover had ik een discussie met ChatGPT. Mijn stelling:

Wittgensteins functionele taalfilosofie ligt ten grondslag aan taaltechnologische systemen als ChatGPT. Wat die met woorden en zinnen doen is ze tonen om daarmee de illusie te wekken iets te zeggen.

AI is de anonieme taalgebruiker, de verwoorder die Wittgenstein heeft laten verdwijnen. Dit verdwijnen komt tot uitdrukking in de aanhef van stelling 4.461 van de Tractatus. Deze luidt: “Der Satz zeigt was er sagt…”. Waar ‘was’ gelezen moet worden als het Latijnse ‘quid’ en niet als ‘quod’.  De zin toont wat ze zegt. En niet: de zin toont datgene wat ze zegt. Wittgenstein zou op de vraag “Wat zegt deze zin?” antwoorden: “Kijk dan!” Later zou hij zeggen: een zin is een stuk in een taalspel. De spelregels bepalen hoe ze functioneren.

De Amsterdamse filosoof Hollak kenmerkte de moderne functionele opvatting van taal door erop te wijzen dat het in het echte taalgebruik om de verwoording gaat en dat juist dat aspect van verwoording aan de losgeslagen buitenkant van de taal, de tekst, zoals die door taaltechnologie wordt gebruikt, is verloren gegaan. Op het wezenlijke van de verwoording wijst de jury in haar brief naar aanleiding van de inzendingen voor de Zwagermanprijs.

Misschien horen of lezen we later nog eens van de ervaringen van de individuele leden van de jury toen ze hoorden dat twee van de vijf door hen als prijswaardig beoordeelde essays door een machine geproduceerd zijn. Had de jury de ‘schrijvers’ van de essays niet gewoon op de man af kunnen vragen of ze de tekst zelf geproduceerd hadden? Of vonden ze dat zo vanzelfsprekend dat het niet in hun op is gekomen?

“De aanname van juryvoorzitter Guido van Hengel dat ‘mensen voor een schrijfwedstrijd echt geen AI zouden gebruiken’, is ronduit naïef. Wanneer er een maas in de wet zit, wordt die gebruikt.” Schrijft Mira Aluç in een opiniestuk in de Volkskrant.

Anderzijds…

Schrijvers doen aan fictie. Maar die fictie zal altijd min of meer autobiografies zijn. Zeker als het om een essay gaat. Hoe biografies is Kaatje Gijbels’ (zij was één van de AI inzenders) prachtige essay dat op de shortlist van de Zwagermanprijs van 2025 kwam? Om daar achter te komen zul je Kaatje persoonlijk moeten kennen. Ik lees Nirwana van Tommy Wieringa en vraag me af wat fictie is en wat werkelijk geschiedenis. In een review in Tzum lees ik dat Wieringa, “een blauwe maandag geschiedenis heeft gestudeerd in Groningen, totdat een docent tegen hem zei dat hij beter fictie kon gaan schrijven.” Is het van belang te weten wat wel en niet waar is wat Hermans in Onder Professoren over het leven in en rond de Groningse universiteit schrijft? Auteurs produceren een fictief zelfbeeld in de teksten die ze produceren. Dat geldt niet alleen voor Gijbels, Hermans en Wieringa. Wieringa, die zelf een rol speelt in zijn roman, voegt aan Nirwana, een lijst van refenties toe. Bronmateriaal, de voedingsbodem voor de inspiratie van zijn roman. Hoeveel tekst uit deze bronnen is in Nirwana terecht gekomen? Is dat een probleem?

Is Kaatje Gijbels inzending van een AI essay misschien te zien als een logisch vervolg op haar ‘autobiografiese’ essay van 2025? Een essay waarvan Willem Finkelman in Propria Cures meent dat het ook ‘duidelijk AI’ is. Het thema van Gijbels project zou kunnen zijn: de lichamelijke en geestelijke zelfveruitwendiging in intieme, erotisch/zakelijke contacten met de ander. Voor je een door – of, liever met: – AI geschreven ‘autobiografies essay’ hebt geproduceerd, moet je er heel wat uurtjes van je leven in stoppen.

Death of an Author

In zijn post “The Future of Writing Is a Lot Like Hip-Hop” in The Atlantic of 9 may 2023 schrijft Stephen Marche over zijn ervaringen tijdens zijn cooperatie met ChatGPT bij het schrijven van hun novelle Death of an Author. Hij geeft commentaar op de wijze waarop gebruikers ChatGPT prompten. “Quite quickly, I figured out that if you want an AI to imitate Raymond Chandler, the last thing you should do is ask it to write like Raymond Chandler.” Why not? Because “Raymond Chandler, after all, was not trying to write like Raymond Chandler.”

Een prompt als “schrijf een autobiografies essay voor Kaatje Gijbels waarin ze zichzelf zowel wat betreft stijl als inhoud herkent” zal vermoedelijk geen overtuigende tekst opleveren.

De kans dat je met hulp van AI door AI-gegenereerde teksten identificeert wordt steeds groter, nu steeds meer schrijvers gebruik maken van AI.

Hoe verwoestend is AI ? Het antwoord op die vraag zal vermoed ik pas gegeven worden als we ons aan de verleidingen die ze biedt overgeven.