De ruimte van Kant: tussen redelijkheid en feitelijkheid

De Euclidische meetkunde heeft niets te vrezen van nieuwe waarnemingen” (Henri Poincaré, 1902)

Op geen enkel terrein doordringen wiskunde, natuurwetenschap en filosofie elkaar op zo’n intieme wijze als waar het gaat over de problemen rondom het begrip ruimte.

Wanneer Hermann Weyl deze woorden in het begin van de vorige eeuw schrijft (in Philosophy of Mathematics and Natural Science dat deels in het Duits in het Handbuch der Philosophie in 1929 verscheen) dan kan hij dit doen op grond van een moeizame worsteling waarin het mathematische zich van het fysische en het metafysische heeft bevrijd. Immers pas daardoor is het mogelijk te constateren hoe het mathematische, het fysische en het metafysische in onze huidige wetenschap en werkelijkheid op elkaar betrokken zijn.

De wiskunde wordt tegenwoordig gezien als de wetenschap van de structuren. Ze levert kennis gebaseerd op inzicht in het structureerbare, construeerbare aspect van de werkelijkheid. De wiskunde heeft haar eigen methode en haar eigen objectgebied. In de mathematische fysica betrekken we het mathematische op de natuur door het structurele los te maken van de natuur, waarbij er voortdurend geabstraheerd wordt van de werking van de natuur zelf. De werking als werking is niet van belang voor de moderne natuurwetenschapper. De interesse gaat uit naar de wetmatigheid van die werking. In een experiment objectiveren we de natuur als een “uitwendig” proces en trekken als het ware de subjectiviteit, de “innerlijkeid” naar ons zelf: ‘ik’ die een experiment uitvoert. De wetmatigheid is een hypothese van ons; die hebben wij bedacht. Voordat we inhoudelijk weten hoe de natuur werkt hebben we de vorm waarin het zich uitdrukt al bedacht: er is een of andere mathematische relatie die het verband tussen bepaalde fysische grootheden beschrijft. Volgens de mathematische fysica is iedere fysische relatie tussen grootheden ook een mathematische relatie. De natuur heeft volgens deze opvatting geen eigen wil. Natuurkrachten zijn uit de mathematische fysica verbannen als zijnde onwetenschappelijke emoties. Het krachtbegrip is te “antropomorf” omdat het een relativering inhoudt van de idee dat de natuur op zuiver kwantitatieve wijze, dat is: in de vorm der uitwendigheid, begrepen kan worden.

We kennen niet de natuur ‘in zich’, maar de natuur zoals we deze als waarnemend, metend wezen doen verschijnen, de natuur relatief aan onze systematische waarneming. Kant vroeg wat die “werkelijkheid voor ons” is en stelde dat we de werkelijkheid “an sich” niet kunnen kennen.

Inmiddels weten we waartoe de analytische methode in de mathematische natuurwetenschap, die de materie in als maar kleinere deeltjes opdeelt, geleid heeft. De natuur toont zich nu eens als deeltje dan als golf. De materie lost op in statistische golfvergelijkingen. Hoe verhouden deel en geheel zich tot elkaar? De wetenschap kan niets zeggen over het gedrag van een deeltje, dat gemathematiseerd wordt als een positie in een meer-dimensionale toestandsruimte. Vanwege de onzekerheid over hun positie zijn de sub-atomaire deeltjes ‘verdeeld over de ruimte’. Maar wat is het eigenlijk wat verdeeld is? En over welke ‘ruimte’ gaat het hier? We moeten het doen met waarschijnlijkheden: er is een kansverdeling. Doet het er nog toe wat de theoretische noties van de kwantummechanica in de realiteit voorstellen? Het debat tussen Einstein en Bohr werd op typisch modern pragmatische wijze beslecht. Wat telt is de herhaalbaarheid van experimenten, een voorwaarde voor het gebruik van de experimentele resultaten in nieuwe technologie, want een herhaalbaar experiment levert een technische mogelijkheid. De kwantummechanica werkt. En daar gaat het om. De neveneffecten van het gebruik van deze kennis op ‘de natuur’ zijn voor toekomstige generaties.

Er is heel wat water door de Nijl gegaan voordat we, niet meer gebonden aan de wereld waarin wij van nature geworpen zijn, als soort van Goden, onze eigen (virtuele) werelden konden creëren en uitprogrammeren. Daarbij gebruik makend van een door ons zelf bedachte uitwendige correspondentie tussen de gemathematiseerde denkprocessen en de fysische toestanden van een natuurproces in informatieverwerkende machines. Machines die we vervolgens als ‘kunstmatig intelligente’ wezens weer een ‘eigen werking’ toedichten. Maar nu een die door onze kennis van de natuur bemiddeld is. We hebben zo ons de natuur toegeeigend. En omgekeerd heeft de natuur zich de menselijke intelligentie toegeëigend. We zeggen dat de robot vanzelf, autonoom, volgens eigen wetten, werkt. Maar werkt deze ook uit zichzelf? Zoals de koe “uit zichzelf” stopt met grazen en niet van zelf.

Terug naar de ruimte. We maken onderscheid tussen de ruimte zoals we die waarnemen en de ruimte van de wiskunde. Kijken we in de verte dan zien we de rails naar elkaar toelopen. Hoe kan de trein daar nog tussen? Omdat de trein daar in de verte ook steeds kleiner wordt. En de mensen in de trein? Die worden ook steeds kleiner. Merken ze daar dan niets van? Nee, want alles wordt kleiner. Ze blijven voor hun zelf even groot. We weten dat dit niet zo is; dat het maar schijn is. We weten dat de sporen parallel lopen. We weten dat de hoeken van de kamer nagenoeg recht zijn, ook al lijken ze vaak kleiner of juist groter.

Wat bewoog Euclides toen hij in de derde eeuw voor Christus zijn meetkunde schreef? In zijn Elementen noemt hij een punt “iets dat geen delen heeft”. Wat beoogde hij daarmee? Is dit een definitie van een begrip of de beschrijving van iets werkelijk bestaands? Wat Euclides doet is wiskunde bedrijven. In een tijd waarin het voor de mens nog alles behalve gesneden koek is dat wiskundige objecten niet op dezelfde wijze bestaan als de waarneembare dingen om hem heen. Getallen zijn geen dingen zoals stoelen en tafels. Het zijn ‘gedachtedingen’. Een punt is niet een waarneembaar object, zoals een steen of een appel. Een appel is deelbaar, uitgebreid. Een punt is dat niet. Op analoge wijze definieert Euclides de lijn: wat lengte heeft, maar geen breedte. Wat een punt en een lijn zijn dat wordt door Euclides vastgelegd door de relaties die er tussen punten en lijnen bestaan.

In zijn essay “Constanten van het wiskundig denken” deelt Evert W. Beth de ontwikkeling van het wiskundige denken in een viertal fasen in. De empirische wiskunde: hierin zijn de wiskundige inzichten gebonden aan concrete dagelijkse verrichtingen zoals tellen, meten, wegen en rekenen. De naïeve wiskunde: vertegenwoordigd door Euclides’ elementen heeft een aanschouwelijk en elementair karakter. De begripsvorming is nog weinig exact, de bewijsvoering daardoor niet zeer streng. “De banden met de ervaringswereld zijn echter verbroken.” (Beth p. 147) Er is een scheiding van zuivere en toegepast wiskunde. In de fase van de kritische wiskunde ontstond meer belangstelling voor de zuivere wiskunde en de fundering van de infinitesimaalrekening. Het bestaan van een limiet van een wiskundige reeks ligt niet in de natuur. De hedendaagse wiskunde is abstract. Het resultaat van unificatie van de verschillende gebieden van de wiskunde. Dit begon met de ontwikkeling van de analytische meetkunde. In de abstracte wiskunde, zoals de categorie-theorie, zijn de banden met specifieke toepassingsgebieden doorbroken. Daarmee drong zich de vraag op naar de grondslag van de wiskunde. Hoe kunnen exactheid van de wiskunde en haar toepasbaarheid samen gaan?

De wiskunde streeft ernaar kennis uit te drukken in de vorm van een axiomatische theorie. Zo’n theorie bevat een beperkt aantal definities van basisbegrippen en een aantal axiomas of postulaten. Een axioma is de uitdrukking van een onbewijsbaar (intuitief) inzicht dat ten grondslag ligt aan de theorie.

Euclides ‘Elementen’ bevat een eerste poging tot een axiomatische meetkunde, een theorie van de ruimte. Basisbegrippen zijn punt, gedefinieerd als ‘wat geen deel heeft´´´’ , lijn: ‘een lengte die geen breedte heeft’ en ‘rechte lijn’: dat is ‘een lijn die gelijk ligt met de punten er op’. Twee rechte lijnen heten parallel wanneer ze ‘in het zelfde platte vlak gelegen naar weerszijden onbeperkt verlengd elkaar niet ontmoeten’.

Euclides meetkundige theorie kent vijf postulaten of axiomas.

Het eerste postulaat luidt: Van elk willekeurig punt naar elk ander punt kan precies één rechte lijn getrokken worden.

De formulering ‘een lijn trekken’ suggereert wellicht dat de rechte lijn resultaat is van deze aktiviteit en dat het trekken van twee rechte lijnen twee dezelfde punten twee verschillende lijnen oplevert. Die lijnen zouden dan samen moeten vallen. Maar dan zijn het dezelfde lijnen. Een lijn moet niet verward worden met de tekening of voorstelling van een lijn.

Het tweede postulaat: Elk lijnstuk kan verlengd worden tot een rechte lijn. (Een lijnstuk wordt door twee punten begrensd)

Het derde postulaat: Bij elk punt en elk lijnstuk bestaat een cirkel met dat punt als middelpunt en dat lijnstuk als straal.

Het vierde postulaat: Alle rechte hoeken zijn gelijk.

Je vraagt je af waarom dit gesteld moet worden. Kennelijk zijn er volgens Euclides verschillende rechte hoeken. Een vierkant heeft vier rechte hoeken. Die hoeken zijn verschillend, maar toch gelijk. Waarin zou het verschil tussen twee hoeken die recht zijn moeten bestaan? In hun positie als onderdeel van een figuur. En als we er over redeneren, in de naam (identifier) die we gebruiken om er naar te verwijzen. Het vierkant met hoeken A, B, C en D.

Het vijfde postulaat is wat ingewikkelder. Het luidt in zijn oorspronkelijke vorm: Wanneer een rechte lijn twee andere rechte lijnen snijdt, en de binnenhoeken aan dezelfde kant van de eerste lijn zijn samen kleiner dan de som van twee rechte hoeken, dan zullen de twee lijnen elkaar snijden aan die kant van de eerste lijn, waaraan de hoeken liggen die opgeteld kleiner zijn dan twee rechte hoeken.

De eerste eis die aan een axiomatische theorie gesteld wordt is dat deze consistent is. Het mag niet zo zijn dat zowel een bewering A als ook de ontkenning ervan uit de axiomas bewezen kunnen worden. Een theorie die niet consistent is kan nergens over gaan. Zo’n theorie ‘heeft geen model’. Bij voorkeur is een theorie volledig, dat wil zeggen dat alles wat waar is in een bepaald model ook bewezen kan worden uit de axioma’s. De onvolledigheidsstellingen van Kurt Gödel bewijzen (wiskundig!) dat er geen volledige en consistente axiomatiseerbare theorie bestaat die als rotsvaste bodem kan dienen voor het funderen van de wiskunde. Dat een theorie van enig belang, zoals de meetkunde of de rekenkunde, consistent is moeten we dus geloven totdat het tegendeel blijkt doordat we op een tegenspraak stuiten.

Een gewenste eigenschap van een axioma-stelsel is dat elk van de axiomas onafhankelijk is van de overige axiomas.

Het vijfde postulaat kent een aantal alternatieve formuleringen. De eerste hebben we te danken aan Proklos, commentator van Euclides levend in de vijfde eeuw na Christus. Van iedere driehoek is de hoekensom gelijk aan de som van twee rechte hoeken (‘een gestrekte hoek’). De tweede: is wanneer twee lijnen door een derde worden gesneden en de binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn zijn samen een gestrekte hoek dan lopen de twee eerstgenoemde lijnen evenwijdig. Dit is het befaamde parallellenpostulaat van Euclides.

De ruimte van de meetkunde zit vast aan de voorstellingsruimte. Een punt is een punt op papier en lijn is een getrokken lijn tussen twee punten. ook al weten we dat de getekende driehoek geen bewijskracht heeft. Tussen twee punten kunnen we precies één rechte lijn trekken, stelt Euclides. Waarom zouden we geen twee rechte lijnen kunnen trekken tussen twee punten? Of oneindig veel? Omdat het niet gaat over lijnen zoals we die op papier of in het zand tekenen. Dat is slechts een voorstelling van dat waar het in de meetkunde om gaat. In de wiskunde kunnen we het alleen via de tekens en de voorstellingen over de objecten hebben waar het over gaat.

Als het besef optreedt dat het in de meetkunde niet om de voorstelling gaat maar om de relaties tussen de objecten, dan ontstaat er ruimte tussen punt en lijn en datgene waar ze betrekking op hebben. De punt is een locatie vastgelegd door coördinaten ten opzicht van een gekozen assenstelsel, een lijn een relatie tussen coördinaten uitgedrukt in een algebraïsche vergelijking. De aanzet tot de analytische meetkunde werd gegeven door Descartes die dankbaar gebruik maakte van de techniek om de onbekende gootheid in een geometrisch probleem, zoals een lengte (‘variabelen’ of ‘parameters’) door een letter (x, y, z) voor te stellen. De lineaire vergelijking 2 x + 3 y = 6 is een rechte. We zijn dan al in de 17de eeuw.

Vanuit deze kennis terugkijkend naar Euclides definities en postulaten vragen we ons af of daarin ook al niet een ander aspect van het begrip punt dan het niet uit delen bestaan blijkt. Is het Euclidische punt ook al niet een locatie in de ruimte en een rechte lijn de kortste verbinding tussen twee locaties?

Waaraan refereren we met een ‘punt’ en met een ‘lijn’? Door de termen van een theorie en de ‘dingen’ waar ze op betrekking hebben uit elkaar te denken ontstaat er ruimte voor een andere ‘interpretatie’ van de termen en daarmee van een andere theorie dan we gewoon zijn. Dat is precies wat Riemann deed met de termen “punt” en “lijn” van de meetkunde.

Zoals gezegd is een formulering van het parallellenpostulaat: Door een punt buiten een lijn gaat precies één lijn die de oorspronkelijke lijn niet snijdt. Riemann kwam tot een interpretatie van punt en lijn zodanig dat geldt: Elke twee lijnen snijden elkaar in een punt. Die interpretatie gaat zo:

“lijn” wordt: een grote cirkel op een bol.

“punt”: een paar diametraal tegenover elkaar liggende punten op een bol.

“hoek”: de hoek tussen de vlakken waarin de benen (“lijnen”: grote cirkels) liggen.

“cirkel: een paar diametrale kleine cirkels op de bol.

“lijnstuk”: het paar kortste grote-cirkelsegmenten tussen twee “punten”.

Met deze interpretatie gelden de eerste vier postulaten van Euclides. Zo gaat (1ste postulaat) door elk tweetal “punten” precies een “lijn”. Maar in plaats van het vijfde postulaat geldt nu het alternatief: Elke twee “lijnen” snijden elkaar in een “punt”.

Laat T1 de Euclidische en T2 de niet-Euclidische theorie (van Riemann) zijn.

Laat I1 de ‘normale’ interpretatie zijn in het platte vlak en I2 de interpretatie van “punt” en “lijn” zoals hierboven gegeven in termen van de bol.

De bol en het platte vlak zijn delen van de 3 dimensionale ruimte beschreven door een Euclidische stereometrie, zeg T3. De interpretaties I1 van T1 in het platte vlak en I2 van T2 in de bol kunnen beschreven worden in T3. zodat bij een ware interpretatie I2 de axiomas van de geinterpreteerde theorie T2 stellingen van T3 worden. De theorie T2 wordt zo door I2 binnen T3 geinterpreteerd. D.w.z dat een niet-Euclidische theorie T2 binnen een Euclidische T3 wordt geinterpreteerd. Stel nu dat T2 een tegenspraak bevat. Dan zou deze via I2 om te zetten zijn in een tegenspraak in T3. Dus, als de (Riemannse) theorie T2 tegenstrijdig (inconsistent) zou zijn zou de Euclidische dat ook zijn. Daarmee is bewezen dat als een Euclidische meetkunde mogelijk is de niet-Euclidische ook mogelijk is.

Dit bewijs is van Henri Poincaré.

Voor de wiskundige zijn de stellingen van Pythagoras, van Pappos, van Tales waar. De drie hoogtelijnen van een driehoek gaan door één punt. Deze stellingen zijn bewijsbaar in de Euclidische meetkunde. Maar zijn ze ook waar in onze wereld? Is dat een zinnige vraag? Gaan ze wel over onze wereld? Wat bedoelen we met ‘onze wereld’? Is de fysisische ruimte Euclidisch?

Riemann bracht de verschillende geometrieën onder in een algemeen schema door middel van het begrip ‘kromming van de ruimte’. Fysici spreken van de gekromde ruimte die door een niet-Euclidische meetkunde beschreven wordt.

Gauss was kennelijk van mening dat we door een meting van driehoeken in onze wereld kunnen verifiëren of onze fysische ruimte voldoet aan de axioma’s van de Euclidische meetkunde. Hij berekende de hoekensom van de driehoek tussen drie bergtoppen. Zijn conclusie was dat die niet significant afweek van 180 graden. Dat was in het begin van de 19de eeuw. Was de driehoek misschien nog te klein? Lobatsjewsi was van mening dat astronomische metingen zouden aantonen dat de ruimte niet-Euclidisch is.

Toen in 2018 de definitieve gegevens van de Europese Planck missie werden gepubliceerd, de ruimteverkenner die de kosmische microgolf-achtergrondstraling had bestudeerd, waren de meeste sterrenkundigen ervan overtuigd dat de ruimte in het heelal vlak is. Dat betekende dat de ruimte ‘Euclidisch’ is. Dit wordt geconcludeerd uit metingen van de dichtheid Ω0 (omega nul) van de materie in het heelal. Deze dichtheid bepaalt de kromming van de ruimte. Er zijn grofweg drie vormen. Zie figuur (bron: Wikipedia)

Mogelijke vormen van het heelal: sferisch (bolvormig, gesloten), hyperbolisch (open), vlak

Kant was van mening dat de meetkundige axiomas synthetisch a priori zijn. Ze zijn niet empirisch, niet analytisch.

Het volgende citaat uit de Kritik der Reinen Vernunft (p. 86, voetnoot 6).

“Auf diese Notwendigkeit a priori gründet sich die apodiktische Gewissheit aller geometrischen Grundsätze, und die Möglichkeit ihrer Konstruktionen a priori.”

Wanneer de voorstelling van de ruimte een a posteriori verworven begrip was, dat uit de algemene uiterlijke ervaring gemaakt werd, dan zouden de eerste axiomas van de geometrie niets anders zijn dan waarnemingen.

“Sie hätten also alle Zufälligheit der Wahrnehmung, und es wäre eben nicht notwendig, dass zwischen zwei Punkten nur eine gerade Linie sei, sondern die Erfahrung würde es so jederzeit lehren.”

Dat tussen twee punten slechts één rechte lijn getrokken kan worden is een onderscheidend kenmerk van een Euclidische ruimte. Kant lijkt hier dus van mening dat het a priori karakter van de ruimte dat ten grondslag ligt aan de verschijnselen direct tot de conclusie moet leiden dat de hem bekende axiomas van de meetkunde een noodzakelijk karakter hebben. En wel omdat deze niet afhankelijk zijn van de waarneming.

Maar sluit dit uit dat er ook andere axiomas, andere meetkundes, mogelijk zijn?

Zowel Gauss als Lobatsjewsky stonden kritische tegenover de opvatting van Kant over het a priori karakter van de meetkunde. Henri Poincaré deelt deze kritiek, maar volgens hem betekent dat niet, zoals Gauss en Lobatsjewsky dachten, dat die axiomas uitdrukking zijn van empirische kennis van onze fysische waarnemingsruimte.

“Kan men volhouden dat sommige verschijnselen die mogelijk zijn in de euclidische ruimte, in de niet-euclidische ruimte onmogelijk zouden zijn, zodat de ervaring als ze die verschijnselen constateerde, regelrecht de niet-euclidische hypothese zou tegenspreken?” Volgens Poincaré kan deze vraag helemaal niet gesteld worden. Hij vergelijkt het met de vraag of we door ervaring vast kunnen stellen of we een lengte in meters of in voet moeten meten. (Poincaré, p. 102). Volgens Poincaré is het puur conventioneel welke meetkunde we gebruiken.

Waarnemingen leren ons betrekkingen tussen lichamen. Aldus Kant. Geen waarneming kan betrekking hebben op de betrekking tussen lichamen en de ruimte of tussen delen van de ruimte. De huidige fysica leert echter dat er wel degelijk een betrekking bestaat tussen lichamen en de ruimte: de dichtheid van de materie bepaalt de kromming van de ruimte. Ook zijn ruimte en tijd niet meer altijd als onafhankelijke dimensies te beschouwen: snelheden zijn relatief ten op zichte van de waarnemer.

Wat we ons voorstellen bij een punt is een ding, een vlekje op papier. Hoe weten we dat een ding zich op een bepaalde plek bevindt en dat een ander ding even later dezelfde plek inneemt ? Waarnaar verwijst die ‘zelfde plek’?

Wat we onder een punt verstaan is volgens Poincaré gebaseerd op onze tastzin en onze innerlijke gewaarwording van de spierbewegingen die we voltrekken wanneer we een punt in de ruimte aanwijzen. Aanwijzen is een vorm van meten. “De testzin kan niet op afstand werken.” (p. 112) Ik weet uit ervaring dat de wijsvinger eerst dit, dan dat aanraakt en dat die twee op dezelfde plaats zijn.

Volgens de euclidische meetkunde kunnen twee gelijkvormige driehoeken verschillende groottes hebben. In de meetkunde van Lobatsjewsky kan dat niet. De posities van punten in de ruimte onderling wordt beschreven door de meetkunde. Deze vormen een figuur. Een lijn in een starre figuur is recht wanneer bij draaiing om die lijn alle punten ervan op hun plaats blijven, terwijl alle andere punten verplaatst worden.

Er zijn vele meetkunden en welke meetkunde we gebruiken is volgens Poincaré een kwestie van conventie. Het gaat erom welke het handigst is. Wat het handigst is, dat is echter niet volstrekt arbitrair. Dat moet toch ook weer door de werkelijkheid zoals we die waarnemen bepaald worden. We lijken weer terug te zijn bij de vraag in hoeverre de werkelijkheid zelf aangelegd is op een bepaalde geometrie. Voor Poincaré moeten we onder werkelijkheid hier verstaan de interaktie van de menselijke geest die zich door natuurlijke selectie heeft aangepast aan de omstandigheden in de buitenwereld met de wereld. Door evolutie heeft de mens de nuttigste meetkunde voor de soort aanvaard. “De meetkunde is niet waar, ze is nuttig.”

Toen Immanuel Kant zijn gedachten opschreef over de wiskunde ging de meetkunde als vanzelfsprekend over de fysische ruimte. Volgens Kant hebben we immers geen directe toegang tot de werkelijkheid, zoals de metafysici dachten. Volgens Kant hebben wij alleen kennis van de “fenomenale” wereld van de verschijnselen. De “noumenale” wereld ‘achter’ de verschijnselen is voor ons niet kenbaar.

In zijn essay Kant en de niet-Euclidische meetkunde stelt de Amsterdamse filosoof Emanuel Rutten:

“De filosofische positie die Kant ten aanzien van de wiskunde ontwikkelde in zijn kritische periode laat zich beknopt omschrijven als het zowel a priori als synthetisch zijn van wiskundige oordelen.” De axioma’s van de Euclidische meetkunde werden aan het begin van de negentiende eeuw door zowel wetenschappers als filosofen gezien als noodzakelijke zelf-evidente waarheden a priori, onafhankelijk van elke zintuiglijke ervaring.

In deze periode was het bestaan of zelfs maar de mogelijkheid van niet-Euclidische meetkunden volstrekt ondenkbaar. Maar de waarheid van deze axioma’s was niet zuiver logisch. Vandaar dat Kant ze als synthetische oordelen beschouwde.

Volgens Kant kan de ruimte geen voorwerp zijn van uiterlijke gewaarwordingen en dus kan het geen empirische voorstelling zijn. De ruimte is een fundamenteel begrip dat de uiterlijke gewaarwording mogelijk maakt. De idee van het bestaan van een absolute ruimte, die tegenover het kennend subject staat, waarvoor Newton pleitte, werd door Kant afgewezen omdat de vraag of deze begrensd of onbegrensd is zowel bevestigd als ontkend kan worden en wel met even goede argumenten.

“Niet alléén Kant, maar al zijn tijdgenoten waren overtuigd van het feit dat er maar één meetkunde bestond en kon bestaan. Dit was de Euclidische meetkunde.” schrijft Rutten.

Dit is een explicitering van een ‘overtuiging’ die bij Kant en zijn tijdgenoten slechts impliciet was. Kant was zich vermoedelijk niet bewust van het feit dat hij geloofde dat de meetkunde Euclidisch is. ‘Vermoedelijk’: de niet-Euclidische meetkunde hing al wel een tijdje in de lucht. Was Kant op de hoogte van het werk van Saccheri en de twijfels van anderen zoals Gauss in de noodzakelijkheid van het vijfde postulaat van Euclides?

Niettemin is de vraag van Rutten interessant: past de mogelijkheid van alternatieve meetkunden in de Kantiaanse opvatting over het synthetisch a priori zijn van de kennis van de ruimte?

We moeten bij de vraag naar ‘de mogelijkheid van alternatieve meetkunden’ onderscheid maken tussen de mogelijkheid van alternatieve consistente wiskundige theorieën enerzijds en de mogelijkheid van alternatieve ‘fysische ruimtes‘ anderzijds.

Is het zo dat de ontdekking van de niet-Euclidiche meetkundes door onder andere Bolyai, Lobatsjewski en Riemann feitelijk het einde betekent van Kants filosofie van de meetkunde? Dit is de vraag die Rutten in zijn essay stelt. Zijn conclusie is kort gezegd: het hangt af van hoe je Kant interpreteert. Rutten bespreekt twee mogelijke interpretaties van het synthetisch a priori karakter van meetkundige en in het algemeen van wiskundige oordelen.

De cognitief-gedomineerde en de logisch-gedomineerde interpretatie. In de eerste speelt de voorstelling een rol, bij de tweede niet. Voor wie de eerste interpretatie aanhangt moet volgens Rutten concluderen dat Kants theorie van de wiskunde onhoudbaar is geworden door het bestaan van niet-Euclidische meetkundes. Dat geldt niet voor de logische interpretatie.

Rutten over Kants synthetisch a priori

Er bestaat volgens Rutten “een coherente interpretatie van Kant’s filosofie van de wiskunde die laat zien dat ook ná de ontdekking van de niet-Euclidische meetkunde zinvol gesproken kan worden over het ‘a priori synthetisch’ zijn van de wiskunde. Aan de andere kant is het zeker niet zo dat genoemde ontwikkeling geheel zonder gevolgen kan blijven voor Kant’s opvattingen over de aard van de wiskunde.”

De cognitief-gedomineerde interpretatie gaat uit van de gedachte dat de ruimtelijke structuur van de fenomenale wereld noodzakelijk Euclidisch is. Volgens de ‘cognitief-gedomineerde interpretatie’ van Kants synthetisch a priori van de meetkunde verruimt het oordeel dat de som van de driehoeken van een driehoek 180º is onze kennis van de ervaren wereld en moet dus een synthetisch oordeel zijn. Dergelijke oordelen kunnen niet het resultaat zijn van uitsluitend een conceptuele begripsanalyse volgens algemeen logische principes. Meetkundige oordelen zijn derhalve noodzakelijk Euclidisch en tegelijkertijd ware uitspraken over de fysieke ruimte van de fenomenale wereld.

Meetkundige oordelen zijn in de cognitief-gedomineerde interpretatie ook a priori omdat de herkomst het kenvermogen van het kennend subject betreft en niet de empirische zintuiglijkheid. Volgens deze interpretatie zouden meetkundige oordelen ‘los van iedere empirische ervaring’ door het kennend subject gekend kunnen worden.

In de logisch-gedomineerde interpretatie zijn meetkundige oordelen a priori vanwege het feit dat de vereiste aanschouwelijkheid (het onmiddellijk betrokken zijn op een singulier object) in het geval van meetkunde komt van de zuivere a priori aanschouwingsvorm ruimte. Voor de rechtvaardiging van deze oordelen is dus geen beroep op de zintuiglijke ervaring nodig. Zoals bekend verbindt Kant ‘a priori’ steeds aan noodzakelijkheid en algemeen geldigheid. Wiskundige oordelen zijn onder de logisch-gedomineerde interpretatie inderdaad noodzakelijk en algemeen geldig. We dienen deze noodzakelijkheid dan echter niet langer te betrekken op wat er in de fenomenale wereld het geval moet zijn (zoals gebeurd in de eerste interpretatie) maar juist op de apodictische geldigheid van het oordeel binnen de context van een bepaald meetkundig stelsel.

In een voetnoot: De cognitief-gedomineerde interpretatie veronderstelt feitelijk dat alle meetkundige oordelen categorisch zijn terwijl de logisch-gedomineerde interpretatie juist tot de conclusie moet leiden dat meetkundige oordelen hypothetisch zijn (naast a priori en synthetisch).

De conclusie van Rutten

“Het ‘kritiekloos’ verwerpen van Kant’s filosofie van de wiskunde of zelfs (grote delen van) Kant’s kritische transcendentaal filosofie op basis van het enkele feit van het bestaan van alternatieve (niet-euclidische) meetkundige stelsels dient dan ook als voorbarig te worden gekwalificeerd.”

Kants filosofie van het ‘synthetisch a priori’ karakter van de wiskunde (en in het bijzonder van de meetkunde) is volgens Rutten voor meerdere uitleg vatbaar.

Het komt er op neer dat volgens de cognitief-gedomineerde interpretatie het synthetisch a priori karakter van de wiskunde de inhoudelijke bepaaldheid van de structuur van de ruimte betreft terwijl in de logisch-gedomineerde interpretatie de inhoudelijke bepaaldheid als louter hypothetisch wordt beschouwd. Gegeven een theorie van de ruimte kunnen we in dat geval zonder verdere verwijzingen naar inhoudelijke argumenten logische afleidingen voltrekken die tot noodzakelijke en algemene conclusies leiden. Die inhoudelijke argumenten zijn als het ware al in de hypothetisch aangenomen axioma’s van de theorie opgenomen.

De waarheid van de meetkunde

Waaraan ontleent Euclides theorie van de meetkunde zijn waarheidsgehalte? Als theorie die iets zegt over aan de zintuiglijke waarneming ontleende objecten ontleent het deze aan de wereld van de objecten. Als wiskundige theorie waarin ons begrip van de ruimte wordt uitgedrukt berust de waarheid op de consistentie van de theorie. Ze mag geen tegenspraken bevatten.

Maar kunnen we die twee wel zo tegenover elkaar plaatsen? Een theorie, hoe logisch ook, moet toch ergens over gaan? Ook al gaat deze over zichzelf dan toch altijd nog over zich als over iets anders?

Redelijkheid en feitelijkheid worden bij Kant tegenover of naast elkaar geplaatst en als aparte factoren van kennis en werkelijkheid gezien. Rutten volgt Kant in deze.

Het is typisch mathematisch om redelijkheid en feitelijkheid van elkaar te scheiden. In de formele logica worden algemene regels voor het redeneren opgesteld die worden toegepast op concrete gevallen. Zoals een functie toegepast wordt op een argument. Het resulterende ‘begrip’ valt dan samen met de uitdrukking in een oordeelszin, waarin een predikaat wordt uitgezegd van een subject.

Pogingen de wiskunde op de logica te baseren (zie Freges logicisme) zijn gemotiveerd door de gedachte dat er in de zuivere wiskunde logisch geredeneerd moet worden en dat de wiskundige dingen zuivere gedachtedingen zijn. De idee was dat dit voldoende is als grondslag voor wiskunde. De wiskunde is echter de wetenschap die berust op het principe van uitwendigheid, het stelbare, dat we alleen kunnen kennen door iets te stellen.

Een logische wet zegt dat iets niet tegelijk aan A en aan niet-A kan voldoen.

Dat iets niet zowel A als niet A kan zijn dat is niet werkelijk zo. Dat is reeds een inhoudelijke bepaaldheid. Waarom zou dit ‘logisch’ zijn? Dat is het helemaal niet. Dat iets A is of niet A, dat is het resultaat van een stellen, een vaststellen. Het begin van wiskunde. Zonder het vast stellen, het in definities vastleggen van begrippen komt de wiskundige echter niet op gang. Daarom moet ze de dingen voorstellen. Het pure feit van de verandering in de werkelijkheid toont aan dat iets zowel A als niet A kan zijn. De wiskunde kan de verandering slechts zien als tegenstelling, van een variabele grootheid en een waarde die er aan wordt toegekend.

Een rechte lijn valt wel en niet samen met de verzameling punten die erop liggen. Wanneer we mathematisch beide tegenover elkaar stellen dan krijgen we een paradox.

We verhouden ons op verschillende wijzen tot de werkelijkheid.

De wiskunde heeft betrekking op onze werkelijkheid als meetbaar en telbaar, waarbij het laatste een specifieke vorm is van het eerste: het tellen is een vorm van meten en het eerste een vorm van het tweede: het tellen is het meten van het aantal diskrete eenheden van iets. De meetkunde houdt zich bezig met de wereld als meetbaar. Oorspronkelijk aansluitend bij de directe ervaringsruimte. In de loop van de geschiedenis heeft deze zich door een vorm van zelf-reflectie ontwikkeld tot de abstracte wetenschap van meetbaarheid en berekenbaarheid. Een ruimte is niet meer noodzakelijk driedimensionaal en Euclidisch.

Zoals kenbaarheid een relatie zegt tot een kennend subject en zintuiglijk waarneembaar een zintuiglijk waarnemend subject veronderstelt, zeggen telbaarheid en meetbaarheid een relatie tot een tellend of metend subject.

De werkelijkheid als zintuiglijk waarneembaar of als structureerbaar sluit een verhouding tot ons als subject in. Deze werkelijkheid is dus niet iets puur objectiefs dat tegenover ons staat.

Het wiskundig denken sluit aan bij een aktieve praktische doelmatige omgang met de werkelijkheid. Het telbare en meetbare toont zich door feitelijk te tellen en te meten. Alleen door te doen leren we wat die telbaarheid en meetbaarheid van de werkelijkheid inhoudt. De wiskunde is creatief, de werkelijkheid schrijft niet eenduidig voor wat en hoe er gemeten moet worden.

Is de bewering dat 5 plus 7 gelijk is aan 12 synthetisch a priori?

Is de som van 5 en 7 gelijk aan 12 omdat 5 appels en 7 appels samen twaalf appels zijn? Of is het andersom: zijn 5 appels en 7 appels samen 12 appels omdat 5 + 7 gelijk is aan 12? Is 2 keer 3 gelijk aan 6 omdat 2 rijen van elk 3 tegels 6 tegels zijn, of is het zo dat 2 rijen van elk 3 tegels samen 6 tegels zijn omdat 2 keer 3 gelijk is aan 6 ?

Deze vragen brengen ons in verlegenheid omdat het een relatie suggereert die er niet is. Is een appel 1 appel omdat wij het als 1 appel zien of omdat het 1 appel is? We kunnen de appel ook als twee halve appels zien. Waar we aan vasthouden bij het tellen van de appels is dat we iedere appel als eenheid zien onderscheiden van de andere appels en toch ook appel zoals de andere appels. We houden ons aan het gekozen opzicht dat de gebruikte maateenheid voor het tellen bepaalt. We hadden ook halve appels of fruitstukken kunnen tellen. De zintuiglijk aanwezige aanwijsbare appels worden tekens van het tellen, wanneer we de apples tellen om daarmee de getallen som te maken. Het kind gebruikt de vingers als tekens om te tellen. Het getal is het getelde aantal eenheden. De steentjes van de abacus zijn de tekens voor het getal.

Typisch voor de wiskundige denkhouding is dat het een stricte scheiding maakt tussen het denkende subject en het object van het denken. De wiskundige objecten trekken zich niets aan van de bepalingen die het subject er aan geeft. Het object staat volstrekt onverschillig tegenover het subject. Dat wat volstrekt onverschillig staat tegenover zijn onderscheidingen en bepalingen is wat we zuivere uitgebreidheid noemen of ook de zuivere kwantiteit. De zuivere uitgebreidheid bestaat uit delen die niets met elkaar te maken hebben, die volstrekt buiten elkaar liggen. De relatie die het deel met het geheel heeft is volstrekt uitwendig. Zoals de relatie tussen de elementen van een verzameling in de wiskunde volstrekt uitwendig, van buiten af gesteld, is. De “uitwendigheid” is de verschijningsvorm waarin we vanuit de mathematische denkhouding de werklijkheid ontmoeten. Deze verschijningsvorm is de vorm van het aanwijsbaar zintuiglijk aanwezig zijn van iets. Wiskunde gaat over de zintuiglijk aanwezige werkelijkheid maar niet als zintuigelijk, maar als louter aanwijsbare aanwezigheid: dit, dit en dat hier en nu. Ruimte en tijd zijn de dimensies van deze aanwezigheid van het zintuiglijk waarneembare. Zo vooronderstelt de wiskunde onze zelf-ervaring als lichamelijk in de wereld aanwezig zijn. De idee van een objectieve werkelijkheid buiten ons denken is ontleent aan deze zintuiglijke waargenomen afstand tussen ons lichaam en dat wat daar buiten is en aangeraakt wordt: het andere van ons zelf is primair het tastbaar lichamelijk andere.

Bij Descartes zijn subject en object twee gescheiden werkelijkheden, ‘substanties’: res cogitans (het denken) en res extensa (de uitgebreidheid). Het subject wordt in de reflectie die Descartes voltrekt op de willekeur van de mening, volgens welke wat geschreven staat waar is, tot object, een zelfstandige entiteit. De overeenkomst tussen de subjectieve gedachte en de objectieve inhoud moet van buiten af komen. Deze bestaat in God, die tevens de oorzaak (causa sui) is van dit onderscheid. God staat voor Descartes garant voor de waarheid, de overeenkomst van subject en inhoud van denken. Die waarheid is de waarheid van het wiskundig inzicht: inzicht dat op basis van heldere, zuiver van elkaar onderscheiden eenzinnige begrippen tot stand is gekomen. God is een metafysisch wiskundige of een mathematisch metafysicus. En dat is niet alleen bij Descartes het geval, maar ook bij Spinoza, Leibniz en bij Hume. Zij denken metafysisch. Dat wil zeggen dat ze pogen te begrijpen hoe de werkelijkheid voor ons is vanuit een denkbeeld over hoe de werkelijheid in zich is.

Maar wat is de grond van dit denkbeeld? Volgens Kant is dat pure speculatie. De mens kan dat helemaal niet weten. Bij Kant daalt God af van het metafysische naar het menselijk subject, bij Kant de oorsprong van het ‘transcendentale inzicht’, het inzicht dat de ervaring te boven gaat.

Kant vraagt naar de mogelijkheidsvoorwaarden van onze kennis. Over welke vermogens beschikt de mens om de werkelijkheid te kennen?

Bij Kant is weliswaar de werkelijkheid zoals we die ervaren de grondslag van ons leven en kennen, maar deze werkelijkheid is alleen voor ons toegankelijk als zijnde voor ons, als verschijning. Voor Kant is dus de vraag hoe redelijkheid, denken, en feitelijkheid in onze ervaring op elkaar betrokken zijn.

Als we het over een werkelijkheid ‘an sich’ hebben (die voor ons onkenbaar zou zijn) dan is dat wel een werkelijkheid ‘an sich’ voor ons.

Kant denkt nog steeds in de Cartesiaanse traditie van een onderscheid tussen redelijkheid en feitelijkheid, tussen denken en wereld. Volgens Hegel is de redelijkheid dáárom onderscheiden van de feitelijkheid omdat deze verhouding tot de feitelijkheid is. Het zijnde is verhouding zijn. Wij zijn ons lichaam, onze natuur, ons milieu, onze maatschappelijke en historische bepaaldheid op de wijze van ons er toe te verhouden.

Wat is metafysica bij Kant? Bij Aristoteles is metafysica de wetenschap van het zijnde als zijnde. Dat zijnde is primair substantie of als eigenschap betrokken op substantie. In de moderne natuurwetenschap is het substantie-begrip verdwenen. Daarin gaat het over materie, energie en krachten, en meer en meer over hoe de dingen ingebed zijn in structuren: de in- en uitwerking van de dingen op de omgeving. Kant leefde in een overgangstijd, de tijd van de successen van de Newtonse mechanica. Een helder onderscheid tussen het mathematische, het fysische en het metafysisiche was nog niet gemaakt.

De filosoof probeert het denken van zijn tijd uit te drukken, maar is zelf daarbij aan die tijd gebonden. Waarom heeft het tot de 19de eeuw moeten duren voordat er niet-Euclidische meetkundes ontstonden? Het is een metabletische vraag, waarvan het antwoord ligt in het verhaal dat een wereldbeschouwing en een mensbeeld schetst.

Ruimte en tijd

De aanschouwingsvormen ruimte en tijd worden door Kant beschouwd als structurele en constitutieve voorwaarden van onze zintuiglijke gewaarwording.

“In der Erscheinung nenne ich das, was der Empfindung korrespondiert, die Materie derselben, dasjenige aber welches macht, dass der Mannigfaltige der Erscheinung in gewissen Verhältnisse geordnet werden kann, nenne ich die Form der Erscheinung. Da das worin sich die Empfindungen allein ordnen, und in geistige Form gestellet werden können, nich selbst wiederum Empfindung sein kann, so ist uns zwar die Materie aller Erscheinung nur a posteriori gegeben, die Form derselben aber muss zu ihnen insegesamt im Gemüte, a priori bereits liegen, und daher abgesondert von aller Empfindungen können betrachtet werden”. (Kant, Kritik der Reinen Vernunft, Die Transzendentalen Ästhetik, par. 1, p. 81)

Volgens Kant zijn die “aanschouwingsvormen” vormen van het kennend subject, die “im Gemüte a priori bereits liegen”. Hegel bekritiseert Kant: de dingen zijn zelf ruimtelijk en tijdelijk.

“Wenn wir aber gesagt habben, dass das Empfundene vom anschauenden Geiste die Form des Räumlichen und Zeitlichen erhalte, so darf dieser Satz nicht so vertsnaden werden als ob Raum und Zeit nur subjektive Formen seien. Zu solchen hat Kant den Raum und Zeit machen wollen. Die Dinge sind jedoch in Wahrheit selber räumlich und zeitlich: jene doppelte Form des Aussereinander wird ihnen nicht einseitigerweise von unserer Anschauung angetan, sondern ist ihnen von dem an sich seienden und unendlichen Geiste, von der schöpferischen ewigen Idee schon ursprüngliche angeschaffen.” (Hegel, Enzyklopädie, par. 448, Zusatz).

Ruimte en tijd zijn bijzondere vormen van de algemene kwantitatieve structurele aspecten van het zintuiglijk waarneembare. De wiskunde beschouwt deze kwantitatieve aspecten op zich en objectiveert ze in mathematische objecten, getallen, figuren, in het algemeen: structuren.

Uit het feit dat aan ieder zintuiglijke waarneembaar zijnde een structureel aspect zit volgt niet zonder meer hoe dit in een mathematische theorie wordt beschreven.

De vraag naar de waarheid

Zijn de beweringen van de meetkunde van Euclides waar? Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we weten waar die meetkunde over gaat. Over punten en lijnen en over driehoeken en cirkels. Maar wat zijn dat voor dingen? We kunnen wel allerlei definities geven van dingen maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook werkelijk bestaan. Zijn dat dingen die in onze dagelijke ruimte voorkomen? ‘Dagelijkse ruimte’, dit is nogal een dubbelzinnig begrip. Is het de voorstellingsruimte, de bewegingsruimte, de visuele ruimte, de tastruimte? De ruimte om ons heen? Maken de dingen in de ruimte de ruimte, of bestaat de ruimte buiten de dingen die in de ruimte zijn? Is de ruimte een object?

Wat had Euclides voor ogen toen hij de punt omscheef als ‘dat wat geen deel heeft‘ en de lijn als ‘een lengte zonder breedte‘ ? Verwijzen deze omschrijvingen indirect niet naar materiële objecten in de ruimte om ons heen? Een stoel en een steen, die zijn deelbaar, ze hebben delen. Maar een punt heeft geen delen. Euclides wil kennelijk dit verschil benadrukken. Euclides lijkt de punt als object te zien (wat weliswaar geen deel heeft) en niet als positie, als plaats in een ruimte. Dat aspect komt pas naar voren wanneer het over de rechte lijn gaat. Wanneer van een punt naar een ander punt een lijn getrokken wordt, dan is de punt een plaats in de ruimte. De ondeelbaarheid van de punt staat dan voor de exactheid van de locatie.

We zien hier het typisch mathematische karakter van de entiteiten: dat hun zijn volledig bepaald wordt door de relaties die ze tot elkaar hebben. Elke verwijzing naar iets buiten deze gedefinieerde bepalingen leidt tot verwarring. Het punt als object is identiek aan de plaats in de ruimte die bepaald wordt door de relatie met andere objecten, punten en lijnen. Merk op dat een lijn niet bestaat uit punten: een punt heeft geen lengte. Wat iets anders is dan te zeggen dat het een lengte heeft die nul is. De idee lengte en de idee breedte zijn er volkomen vreemd aan.

Punt en lijn worden bepaald door aan te geven wat ze niet zijn, welke eigenschap ze niet hebben. Het zijn geen waarneembare materiële dingen.

Het mathematisch subject stelt de objecten voor als te bestaan in een ruimte. Het subject zelf staat buiten de ruimte waarin de objecten gelocaliseerd gedacht worden. Het subject als zodanig kan in geen enkele ruimte gelocaliseerd worden. (Fleischhacker, voetnoot op pagina 111.) Het subject kan zich zelf en zijn activiteiten wel projecteren in een ruimte, maar dat is dan juist niet het subject als subject dat zichzelf projecteert. “De hand die zichzelf tekent heeft zichzelf niet getekend”.

De constructie van niet-euclidische meetkunden

In de 19de eeuw werden niet-euclidische meetkundige stelsels ontdekt. Of moeten we zeggen: ‘geconstrueerd’? De wiskunde heeft als eigenaardigheid dat het zowel een theoretische wetenschap is, waarin exacte kennis wordt nagestreefd, als ook dat het de objecten van zijn kennis zelf voortbrengt. De ontwikkelingen in de meetkunde van de 19de eeuws wierpen opnieuw de vraag op hoe we deze eigenaardigheid moeten begrijpen.

Kant heeft deze ontwikkeling nooit meegemaakt. Hij overleed in 1804 ruim vóór de ontdekking van de niet-Euclidische meetkunde.

Maar de niet-Euclidische meetkunde hing wel in de lucht.

De Italiaanse wiskundige Giovanni Saccheri werd geboren in 1667. In zijn sterfjaar 1733 verscheen zijn werk “Euclides ab Omni Naevo Vindicatus” (“Euclides van elke blaam gezuiverd“). Daarin beschrijft Saccheri zijn pogingen de onafhankelijkheid van het vijfde postulaat van Euclides aan te tonen.

Wist Kant van de pogingen van Saccheri om de onafhankelijkheid van het parallellenpostulaat te bewijzen? Saccheri gebruikte daarvoor de methode die bekend staat als ‘bewijs uit het ongerijmde’. Hij nam aan dat het postulaat, of een daarmee gelijkwaardige bewering, niet waar is. Wanneer met behulp daarvan een tegenspraak kan worden afgeleid dan mogen we concluderen dat het postulaat onafhankelijk is. Saccheri slaagde niet in zijn pogingen, maar zijn methode leverde een aantal beweringen op die we nu niet-Euclidisch kunnen noemen. Bijvoorbeeld dat de som van de hoeken in een driehoek groter of kleiner is dan een gestrekte hoek. Of dat door een punt buiten een rechte lijn er geen of oneindig veel lijnen parallel aan de gegeven rechte lopen.

Janis Bolyai en Nicolai Lobatsjewski kwamen onafhankelijk van elkaar in 1823 tot het formuleren van een niet-Euclidische meetkunde waarin de hoekensom van een driehoek kleiner is dan een gestrekte hoek. Een eigenschap van de ruimte zoals die beschreven wordt door deze theorie is dat er een grens aan is. In de Euclidische ruimte is er bij ieder oppervlak, hoe groot ook, een driehoek die het oppervlak bevat. Volgens de niet-Euclidische meetkunde ‘van de scherpe hoek’ is dat niet zo. Wanneer je de driehoek groter maakt worden de hoeken ervan steeds scherper en de oppervlakte groeit steeds minder. Uiteindelijk groeit de oppervlakte helemaal niet meer en zijn de hoeken nul graden.

Wie het werk van Saccheri vermoedelijk wel kende was de grote wiskundige Gauss Hij had zich al op jeugdige leeftijd verdiept in de meetkunde. Hij twijfelde aan het vijfde postulaat. Hij was van mening dat de waarheid van de meetkunde bepaald wordt door de ervaring en niet door een inzicht. We moeten dus door meten te weten komen of het vijfde postulaat geldig is. Hij vermoedde dat de som van de hoeken van een driehoek afhankelijk is van de grootte ervan. Hij ondernam een driehoeksmeting tussen drie bergtoppen op onderlinge afstanden van 69, 85 en 107 kilometer. Helaas voor hem bleek de hoekensom niet significant te verschillen van 180 graden. Dat was zo’n veertig jaren voordat Bolyais vader, die ook wiskundige was, Gauss de door zoon Janos Bolyai ontdekte meetkunde stuurde. Gauss reactie was dat als hij het werk van Janos zou prijzen hij zijn eigen werk zou prijzen want hij had het zelfde veertig jaar eerder al bedacht. Lobatsjewski was net als Gauss van mening dat het inzicht in de meetkunde berust op ervaring alleen en niet uit een transcendentaal begrip dat de ervaring te boven gaat.

Henri Poincaré bewees door de niet-Eucidische theorie binnen de Euclidische stereometrie (van de driedimensionale ruimte) te interpeteren dat deze meetkunde van de bol (of van de stompe hoek) consistent is als de meetkunde van Euclides dat is. Want als de niet-Euclidische theorie een tegenstrijdigheid bevat dan bevat via de interpretatie van Riemann de stereometrische Euclidische theorie die ook.

Er wordt wel beweerd dat Kants filosofie van de ruimte steunt op een Euclidisch beschreven ruimte en omdat de komst van niet-Euclidische meetkundes betekent dat de ruimte niet meer noodzakelijk Euclidisch hoeft te zijn, we Kants notie van transcendentale ruimte kunnen verwerpen.

Wat houdt die notie van de transcendentale ruimte in?

Synthetische oordelen a priori

Is wiskunde deductief? Waar komt dan die zekerheid vandaan?

Is ze puur analytisch? Is ze onderdeel van logica? Leert ze ons dan nog iets nieuws? Is niet de hele wiskunde een tautologie? A = A .

“As far as the laws of mathematics refer to reality, they are not certain, as far as they are certain, they do not refer to reality.” (Einstein)

Of is er een derde optie? Zijn sommige delen van de wiskunde analytisch, andere niet? Is er een ‘zuivere wiskunde’ die puur analytisch is? Welk deel is dat dan?

Om wat voor abstractie gaat het, waaruit de wiskundige kennis ontstaat?

Wiskundige oordelen zijn volgens Kant allemaal synthetisch. Verder zijn ze a priori en niet empirisch, omdat zij een noodzakelijkheid in zich dragen die niet uit de ervaring kan worden gehaald.

Poincaré noemt het Principe van Volledige Inductie (noodzakelijk voor de overgang van eigenschappen van eindige naar die van oneindige verzamelingen) het ‘ schoolvoorbeeld van het synthetisch a priori’. “Het dringt zich aan ons op met een onweerstaanbare evidentie.” Omdat ze “een bevestiging van de geest zelf is” (Poincare, p. 47).

Dat de rechte lijn tussen twee punten de kortste is, dat is een synthetische stelling. Want het begrip rechte houdt niets van grootte in. Men moet hier zijn toevlucht nemen tot aanschouwing waardoor de synthese alleen mogelijk is. (Kant, Prolegomena p.53). En dit geldt voor alle axiomas uit de zuivere wiskunde. Wat wezenlijk is voor de zuivere wiskundige kennis en wat haar onderscheidt van alle andere kennis a priori is dat zij volstrekt niet uit begrippen volgt, maar steeds slechts door constructie van de begrippen moet worden ontwikkeld.

Dat wiskundige kennis mogelijk is daarvan is Kant overtuigd. Maar hoe is dat mogelijk? Hij gaat op zoek naar de voorwaarden van deze kennis.

Er moet een of andere zuivere aanschouwing aan de zuivere wiskundige kennis ten grondslag liggen, waarin de wiskunde al haar begrippen in concreto en toch a priori kan voorstellen of, zoals men dat noemt, construeren.

Bronnen

Evert W. Beth (1969). Moderne Logica. Uitgeverij Van Gorkum & Comp. N.V. Assen, 1969.

Fleischhacker, Louk (1974). Inleiding Logica (I en II). Collegedictaat Technische Hogeschool Twente, Onderafdeling der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Vakgroep Wijsbegeerte, 1974

In apodictische redeneringen gaat het om zekere kennis. Dialectische redeneringen zijn die waarin er meningen tegen elkaar worden uitgespeeld, waaruit geprobeerd wordt de meest waarschijnlijke conclusie te trekken.

Poincaré, Henri (1979). Wetenschap en hypothese. Boom Uitgevers, Meppel. Vertaling uit de oorspronkelijke franse uitgave van La science et l’hypothèse, 1902.

De principes van de meetkunde zijn geen ervaringsfeiten.

De euclidische meetkunde heeft niets te vrezen van nieuwe waarnemingen. (p. 102)

Rutten, Emanuel (2020). Contra Kant. KokBoekencdentrum, Uitgevers. Utrecht, 2020.

Rutten, G.J.E. (2020). De gevolgen van de ontdekking van de niet-euclidische meetkunde voor Kant’s filosofie van de wiskunde.

Hierin betoogt Rutten “dat Kant’s filosofie van de wiskunde niet als volledig weerlegd hoeft te worden beschouwd door de ontdekking van de niet-euclidische meetkunde.” Er bestaat volgens Rutten “een coherente interpretatie van Kant’s filosofie van de wiskunde die laat zien dat ook ná de ontdekking van de niet-euclidische meetkunde zinvol gesproken kan worden over het a priori synthetisch zijn van de wiskunde. Aan de andere kant is het zeker niet zo dat genoemde ontwikkeling geheel zonder gevolgen kan blijven voor Kant’s opvattingen over de aard van de wiskunde.”

In het eerste deel van de transcendentale hoofdvraag van de Prolegomena motiveert Kant dat de ruimte een zuivere a priori aanschouwingvorm is die noodzakelijk aan de meetkunde ten grondslag ligt. Deze aanschouwingsvorm stelt de meetkundige namelijk in staat om meetkundige begrippen ‘in concreto’ en geheel a priori te construeren (P7). Meetkunde wordt dan ook beschouwd als een zuiver produkt van de rede en berust derhalve niet op empirisch zintuiglijke ervaring.

In feite doet de metafysische uiteenzetting helemaal géén beroep op een specifiek meetkundig stelsel. Uiteraard kan volgehouden worden dat dit zo is omdat Kant impliciet uitgaat van het noodzakelijk bestaan van slechts één meetkunde (namelijk de Euclidische).

In dit artikel gaat het niet om Kant’s impliciete opvattingen maar om de vraag in hoeverre de in zijn kritische werk beschreven transcendentaal filosofie ruimte laat voor alternatieve meetkundige stelsels.

Kant stelt in zijn Transcendentale Esthetica dat ruimte een zuivere a priori aanschouwingsvorm van de waarneming is en dat a posteriori gewaarwordingen de materie van de waarneming uitmaken, dat ruimte zich in de zintuiglijkheid van het kennend subject bevindt en reeds gekend wordt voor alle mogelijke ervaring, dat ruimte alle ervaring eerst mogelijk maakt, dat ruimte geen eigenschap van de dingen op zichzelf is, dat ruimte zonder kennend subject een geheel leeg begrip zou zijn en dat de dingen zoals ze op zichzelf zijn voor het kennend subject (daarom) totaal onkenbaar zijn.

Géén van deze claims en ook andere meer fenomenologisch getinte claims, zoals bijvoorbeeld Kant’s uitspraak dat de zuivere a priori aanschouwingsvorm ruimte ons leert dat in de fenomenale wereld alle dingen ‘buiten ons’ bestaan en bovendien ‘naast elkaar in de ruimte bestaan vereisen volgens Rutten dat de ruimte als a priori aanschouwingsvorm Euclidisch moet zijn.

Dit doet hij met name om te laten zien dat meetkundige oordelen niet louter door begripsanalyse (en toepassing van PNC) afgeleid kunnen worden en het kennend subject dus wel zijn toevlucht tot de aanschouwing moet nemen. Opnieuw kan opgemerkt worden dat géén van genoemde voorbeelden steunt op het Euclidisch zijn van de ruimte.

De cognitief-gedomineerde interpretatie gaat uit van de gedachte dat de ruimtelijke structuur van de fenomenale wereld noodzakelijk euclidisch is.

Volgens de ‘cognitief-gedomineerde interpretatie’ van Kants synthetisch a priori van de meetkunde verruimt het oordeel dat de som van de driehoeken van een driehoek 180º is onze kennis van de ervaren wereld en moet dus een synthetisch oordeel zijn. Dergelijke oordelen kunnen niet het resultaat zijn van uitsluitend een conceptuele begripsanalyse volgens algemeen logische principes.

Meetkundige oordelen zijn derhalve noodzakelijk Euclidisch en tegelijkertijd ware uitspraken over de fysieke ruimte van de fenomenale wereld.

Meetkundige oordelen zijn in de cognitief-gedomineerde interpretatie ook a priori omdat de herkomst het kenvermogen van het kennend subject betreft en niet de empirische zintuiglijkheid. Meetkundige oordelen kunnen door het kennend subject los van iedere empirische ervaring gekend worden. Hiertoe beschikt ieder kennend subject over de zuivere a priori aanschouwingsvorm ruimte. Doordat deze zuivere aanschouwingsvorm zich volledig in het kenvermogen van het kennend subject bevindt is het kennend subject in staat om geheel los van de ervaring meetkundige begrippen (zoals een driehoek) te construeren en oordelen over deze begrippen te demonstreren. Dit doet het kennend subject door zich in de zuivere a priori aanschouwingsvorm ruimte een concreet aanschouwelijke geometrische voorstelling te maken van objecten van mogelijke ervaring en vervolgens in concreto meetkundige eigenschappen van deze objecten te demonstreren aan de hand van aanschouwelijke geometrische bewerkingen. Overigens zijn in deze interpretatie meetkundige oordelen ook a priori omdat zij los van de ervaring gerechtvaardigd kunnen worden en dus noodzakelijk geldig zijn. Ze zijn noodzakelijk omdat ze niet door toekomstige empirische ervaringen kunnen worden weerlegd. Kant gebruikt hiervoor ook wel de aanduidingen algemeen geldig of apodictisch.

In de logisch-gedomineerde interpretatie van Kant’s positie wordt het a priori zijn van wiskundige oordelen op dezelfde wijze opgevat als in de eerste interpretatie. Beide interpretaties verschillen dus alléén in de manier waarop het synthetisch zijn van wiskundige oordelen wordt begrepen. In de tweede interpretatie zijn wiskundige oordelen synthetisch vanwege de specifieke manier waarop ze afgeleid worden uit gegeven wiskundige concepten.

De kern van de analyse is dat volgens Kant een a priori synthetisch oordeel een oordeel is waarbij het predikaat een attribuut is van het subject dat noodzakelijk volgt uit de essentie van het subjectbegrip maar er niet in bevat is. Dit betekent dat begripsanalyse in combinatie met het toepassen van het principe van non-contradictie (PNC) niet volstaat om te bewijzen dat het attribuut noodzakelijk volgt uit de essentie van het subjectbegrip. Er zal dus volgens Kant in plaats van een ‘analytische afleiding volgens het PNC’ gebruikgemaakt moeten worden van een geheel ‘ander principe’. In het geval van de meetkunde is dit ‘andere principe’ niets anders dat de hierboven beschreven ‘in concreto’ demonstratie van geometrische eigenschappen in de zuivere a priori aanschouwingsvorm ruimte door het kennend subject. Oordelen in de meetkunde zijn uitsluitend synthetisch omdat voor de afleiding van dergelijke oordelen een beroep gedaan moet worden op de concrete aanschouwelijkheid. Meetkundige oordelen zijn dus synthetisch omdat naast het subject en predikaat begrip ook de zuivere aanschouwing van een individueel concreet meetkundig object noodzakelijk is om de geldigheid van het oordeel in te zien. Het PNC in combinatie met begripsverheldering is hiervoor volstrekt onvoldoende.

In logisch-gedomineerde interpretatie zijn meetkundige oordelen a priori vanwege het feit dat de vereiste aanschouwelijkheid (het onmiddellijk betrokken zijn op een singulier object) in het geval van meetkunde komt van de zuivere a priori aanschouwingsvorm ruimte. Voor de rechtvaardiging van deze oordelen is dus geen beroep op de zintuiglijke ervaring nodig. Zoals bekend verbindt Kant ‘a priori’ steeds aan noodzakelijkheid en algemeen geldigheid. Wiskundige oordelen zijn onder de logisch-gedomineerde interpretatie inderdaad noodzakelijk en algemeen geldig. We dienen deze noodzakelijkheid dan echter niet langer te betrekken op wat er in de fenomenale wereld het geval moet zijn (zoals gebeurd in de eerste interpretatie) maar juist op de apodictische geldigheid van het oordeel binnen de context van een bepaald meetkundig stelsel.

De ontdekking van niet-euclidische meetkunde heeft duidelijk gevolgen voor de cognitief gedomineerde interpretatie. Wanneer blijkt dat meerdere elkaar uitsluitende meetkundige stelsels denkbaar zijn moet (om binnen Kants conceptie van meetkunde en feitelijk van zijn gehele transcendentaal filosofie) te blijven geconcludeerd worden dat de zuivere a priori aanschouwingsvorm ruimte meerdere meetkundige stelsels voorstelbaar maakt. Deze aanschouwingsvorm kan als geometrisch ordenings-principe dus niet restloos samenvallen met de Euclidische meetkunde. De geometrische structuur van de fenomenale wereld valt dus niet noodzakelijk samen met die van de Euclidische meetkunde

Ruttens conclusie is dat wanneer we de eerste interpretatie volgen Kant’s conceptie van meetkunde (en daarmee van wiskunde) als synthetische a priori wetenschap als weerlegd moet worden beschouwd.

Dit geldt echter niet voor de logisch-gedomineerde interpretatie. Meetkundige oordelen zijn volgens de tweede interpretatie nog altijd synthetisch a priori. Voor het bewijzen van geometrische eigenschappen van meetkundige objecten is immers nog steeds de ruimte als zuivere a priori aanschouwingsvorm vereist. Deze vorm laat nu echter meerdere meetkundige stelsels toe hetgeen betekent dat de meetkundige vooraf moet besluiten binnen welk specifiek meetkundig stelsel hij oordelen wil gaan vormen. Ongeacht het specifieke meetkundige stelsel is de zuivere a priori aanschouwingsvorm ruimte volstrekt noodzakelijk om tot meetkundige oordelen binnen dat stelsel te komen. Iedere meetkundig oordeel blijft dus een synthetisch oordeel in de zin van de tweede interpretatie. Wel krijgen meetkundig oordelen nadrukkelijk een hypothetisch karakter.

(voetnoot: De cognitief-gedomineerde interpretatie veronderstelt feitelijk dat alle meetkundige oordelen categorisch zijn terwijl de logisch-gedomineerde interpretatie juist tot de conclusie moet leiden dat meetkundige oordelen hypothetisch zijn (naast a priori en synthetisch).

Meetkundige oordelen kunnen in het geval van de tweede interpretatie ná de ontdekking van de niet-euclidische meetkunde ook nog altijd als a priori worden beschouwd omdat zij geheel los van de empirische zintuiglijkheid worden afgeleid, als bron het kenvermogen van het kennend subject hebben en als hypothetisch oordeel nog altijd volstrekt noodzakelijk en algemeen geldig zijn.

Euclides’ raadselachtige definitie van de rechte lijn onthuld

Zo’n 300 jaar voor Christus schreef Euclides van Alexandrië zijn Elementen. Het werk wordt beschouwd als het begin van de axiomatisering van de meetkunde. Het oorspronkelijk in het Grieks geschreven document is in vele talen vertaald en verschenen. Het bevat de basis van de meetkundige kennis zoals die nog steeds op de middelbare school onderwezen wordt als onderdeel van het wiskunde-curriculum.

De opbouw van de inhoud van de Elementen is axiomatisch en Euclides begint met het definiëren van de grondbegrippen punt en lijn. Een punt is “dat wat geen delen heeft“. Een lijn is “een lengte zonder breedte“. De derde definitie is: “De uiteinden van een lijn zijn punten“. En dan komt de vierde, Euclides’ definitie van de rechte lijn.

Een rechte lijn is een lijn die gelijk ligt met de punten erop.”

Dit is de ‘raadselachtige’ formulering zoals J.H. van den Berg die geeft in zijn Metabletica van de Materie (1969).

In de Engelse vertaling van Sir Thomas L. Heath, die bekend staat als de beste vertaling van de oorsponkelijke Euclidische tekst: “A straight line is a line which lies evenly with the points on itself”. (The thirteen Books of Euclid’s Elements. Sir Thomas Little Heath. New York. Dover. 1956.)

De vraag die onmiddellijk opkomt is: is dan niet iedere lijn een rechte lijn? Maar waarom dan een aparte definitie van een rechte lijn? Na de definities volgen de postulaten waarvan de eerste is: “Van elk willekeurig punt naar elk ander punt kan één rechte lijn getrokken worden.” Mogen we concluderen dat Euclides wel degelijk ook niet-rechte lijnen als lijnen beschouwde (‘krommen’). Daarvan is het kenmerk kennelijk dat ze niet samenvallen met de punten die erop liggen.

Wanneer we meetkunde beoefenen dan stellen we een lijn voor door een zo recht mogelijke (potlood)streep op papier, eventueel met behulp van een liniaal. De meetkunde gaat niet over de getekende lijnen. Dat zijn slechts voorstellingen van de eigenlijke objecten waar het over gaat. Ook Euclides was zich daarvan bewust. In de meetkunde gebruiken we tekeningen van lijnen, driehoeken en circels om de redeneringen waarmee we een meetkundige stelling bewijzen te ondersteunen. Euclides gaat het om de logische opbouw van de kennis van de relaties tussen de wiskundige objecten.

Velen hebben zich afgevraagd hoe we Euclides ‘raadselachtige definitie’ van de rechte lijn moeten begrijpen. Wat had Euclides voor ogen? Bij de wiskundige en historicus E.J. Dijksterhuis vinden we de volgende definitie van de rechte lijn. Die lijkt ons indirect te wijzen naar de oplossing van dit raadsel. “Een rechte lijn is een lijn die, wanneer het oog twee punten ervan doet samenvallen, alle punten voor dat oog in het samenvallende punt brengt.” Je ziet het de timmerman doen. Om te bepalen of een lat recht is, houdt hij deze op ooghoogte in het verlengde van de kijkrichting en beweegt deze zo dat het eindpunt samenvalt met het beginpunt ervan. Als er geen tussenliggende punten van de lat zichtbaar zijn is de lat recht. Dan liggen alle punten ervan op die lijn. Deze ‘definitie’ maakt echter gebruik van een zichtlijn en veronderstelt dat de zichtlijn recht is. Mogen we dat zomaar aannemen? Volgt het licht een rechte lijn? Volgens de huidige inzichten in de fysica niet. De materie zou de ruimte krom trekken. Maar afgezien daarvan, Euclides wist dat hij geen natuurwetenschap bedreef en kon dus geen beroep doen op zoiets als een zichtlijn, die als maat zou kunnen dienen voor de rechtheid van een meetkundige rechte. Die laatste was juist maat voor de eerste.

Dijksterhuis’ ‘verklaring’ van de ‘raadselachtige’ formulering lijkt op die van de Franse natuurkundige en filosoof Henri Poincaré. Deze merkt op dat men bij het onderzoek van de definities en bewijzen van de meetkunde zich genoodzaakt ziet, niet alleen de mogelijkheid van de beweging van een onveranderlijke figuur, maar ook enkele van haar eigenschappen te aanvaarden, zonder deze te bewijzen. Dat blijkt volgens Poincaré uit de definitie van de rechte lijn. “Daarvan zijn er vele gegeven die onjuist zijn.” De juiste is volgens hem de volgende.

Het kan voorkomen dat een onveranderlijke figuur zodanig bewogen wordt, dat alle punten van een lijn die tot die figuur behoort op hun plaats blijven, terwijl alle punten die buiten die lijn liggen verplaatst worden. Een dergelijke lijn heet een rechte lijn.” (Poincaré, Wetenschap en Hypothese, p. 77). 

Wanneer je twee punten van een star lichaam, zoals een houten lat vastzet en vervolgens het lichaam zodanig draait dat de beide punten op hun plaats blijven dan blijven ook de tussenliggende punten van het lichaam op hun plaats. Deze liggen op een rechte lijn door de twee vaste punten.

Maar had Euclides werkelijk zoiets in gedachten toen hij zijn definitie gaf? Wij kunnen het hem niet vragen. Met zijn ‘negatieve’ formuleringen van de definities van de grondbegrippen punt en lijn: een punt is “dat wat geen delen heeft“, een lijn is “een lengte zonder breedte“, lijkt Euclides uitdrukkelijk aan te geven dat deze begrippen niet verwijzen naar de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid van de lichamelijke dingen.

Opmerkelijk is dat Euclides Plato’s definitie van de punt, zoals Aristoteles die geeft niet overneemt. Plato’s omschrijft de punt als: “een punt is een object met een positie in de ruimte maar zonder afmetingen”. Euclides definitie heeft het niet over positie, alleen over ondeelbaarheid. Vond hij Plato’s definitie nog te fysisch, niet mathematisch genoeg? Zoals hij ook de definities van de rechte lijn nog te onzuiver vond, te veel gebonden aan de waarneembare werkelijkheid?

Euclides definieert de rechte niet door lengte, afstand of optimaliteit, maar door een soort interne consistentie: de lijn ligt “op dezelfde wijze” ten opzichte van al haar punten.

Toen in de tijd van de Grieken de mathematiek onderwerp van filosofisch onderzoek werd, was de belangrijkste ontdekking dat zij geen natuurwetenschap is. De meetkundige lichamen en figuren zijn zelfstandige, primaire beelden van de ideeënwereld en geen afbeeldingen, die door het kopiëren of beschrijven van meetkundige eigenschappen van materiële lichamen van de natuurlijke buitenwereld zouden zijn ontstaan (Imre Tóth, 1972).

Maar hoe moeten we de raadselachtige definitie dan verstaan? Hebben we tot nu toe niet teveel vastgehouden aan de standaard voorstelling van lijnen door middel van een zo recht mogelijke getekende streep, een voorstelling zoals we die kennen uit de schoolboeken. Moeten we die voorstelling niet los laten om de bedoeling van Euclides definitie van de rechte lijn te verstaan? Maar waar moeten we dan aan denken? Toen ik met deze vraag worstelde las ik een notitie van Dijkgraaf, de minister van OCW aan de kamer over het mbo onderwijs.

Het kortste kronkelpaadje van de levenslijn

De fysicus en voormalig Minister van Onderwijs en Wetenschappen Robbert Dijkgraaf merkte in zijn nota Inzet Werkagenda mbo over het Middelbaar Beroeps Onderwijs (20 oktober 2022) op: “Voor mij staat voorop dat elke student een duurzame toekomst met perspectief verdient. Ongeacht achtergrond, sociaal-economische positie van hun ouders of ondersteuningsbehoefte moet iedereen mee kunnen doen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. Iedereen heeft bij zijn studie de rust en ruimte nodig om z’n eigen weg te vinden. Om het kronkelpaadje af te lopen dat achteraf de kortste weg naar de bestemming blijkt te zijn.”

Daarmee wil hij, denk ik, zeggen dat hij liefst geen lijn (curriculum) zou willen opleggen voor de levenslijn (studie) die de student zou moeten volgen en die zou moeten dienen als maat om te bepalen of deze succesvol (recht, en daarmee de kortste) is. ‘De bestemming’ wordt door iedere student zelf tijdens zijn leven bepaald en is niet een punt in de toekomst dat al van te voren vastgelegd kan worden. Zoals je van een deeltje in de fysica ook pas achteraf de weg kan berekenen die het is gegaan. De kortste, rechte, levenslijn is die waarop alle momenten van het leven tot aan het nu liggen. Dat geldt niet alleen voor studenten en voor schoolse curricula.

Het woordje ‘achteraf’ is van belang. Vooraf of nog onderweg is het eindpunt niet bekend. ‘Wat is de kortste weg van a naar b als je niet weet wat b is?’ Dat is de vraag die Dijkgraaf opwerpt in zijn boek “Het nut van nutteloos onderzoek” (2012), waarin hij een lans breekt voor het creëren van ruimte voor zuiver wetenschappelijk onderzoek. Voor het zoekend gedrag van wetenschappers en kunstenaars die niet weten of slechts een vaag idee hebben waar ze naar zoeken en of het resultaat nuttig zal zijn.

Dijkgraafs kortste kronkelpaadje opent een geheel nieuw perspectief op Euclides’ definitie van de rechte lijn. Daarbij neem ik aan dat de rechte lijn die twee punten met elkaar verbindt ook de kortste lijn is. Maar betekent dat ook dat de kortste weg tussen twee punten ook een, of zelfs dé enige, rechte weg is? Maar wat is kort?

Het kortste pad tussen twee punten is niet altijd een ‘recht’ pad te zijn in meetkundige zin. Het hangt af van de ruimte waarin we de zaak beschouwen. Als het gaat om de kortste tijdsduur waarin de afstand tussen de punten overbrugd wordt, spreken we van een brachistochrone kromme. Deze kromme van snelste daling is de lijn tussen twee punten A en B, waarbij B lager dan, maar niet recht onder A ligt, waarover een wrijvingloos glijdend voorwerp binnen zo kort mogelijke tijd van het begin- naar het eindpunt beweegt, onder invloed van de zwaartekracht.

Heath bespreekt oude interpretaties van het begrip rechte lijn, vooral die van Proclus, die probeerde de definitie te verbinden met het idee dat een rechte lijn de minst mogelijke afstand tussen twee punten inneemt. Proclus legt uit dat rechte lijnen niet meer lengte opnemen dan strikt noodzakelijk tussen twee punten, wat aansluit bij latere vormen van het “kortste pad”-begrip.

Heath noemt ook de beschrijving van Plato (bijv. in Parmenides) als “dat waarvan het midden de uiteinden bedekt”. Deze visuele manier om rechtheid te karakteriseren doet denken aan de formulering van Dijksterhuis. Heath verwijst ook naar Aristoteles’ gebruik van een soortgelijke omschrijving in zijn Topics.

Heath betoogt dat Euclides’ woorden niet geïsoleerd staan, maar deel uitmaken van een bredere Griekse traditie waarin “rechtheid” nog niet werd geassocieerd met het moderne idee van kortste afstand.

Heath benadrukt dat de precieze betekenis van ἐξ ἴσου τοῖς ἐφ’ ἑαυτῆς σημείοις κεῖται niet eenvoudig te vatten is in moderne termen — en dat latere commentators soms verschillende interpretaties probeerden. Sommige leggen nadruk op gelijkmatige ligging. Anderen, zoals Proclus, proberen er het idee van geen extra afstand of geen onnodige buiging in te zien. (zie Heath over Euclides)

Is de rechte lijn de kortste verbinding tussen twee punten? Archimedes beschouwde het als een eigenschap van de rechte lijn tussen twee punten de kortste afstand te zijn. Volgens Heath gebruikte Legendre deze Archimedische eigenschap als definitie.

Legendre uses the Archimedean property of a straight line as the shortest
distance between two points. Van Swinden observes (Elemente der Geometrie,
1834, p. 4), that to take this as the de nition involves assuming the proposition
that any two sides of a triangle are greater than the third and proving
that straight lines which have two points in common coincide throughout
their length (cf. Legendre Elements de Geometrie, i. 3, 8).
The above definitions all illustrate the observation of Unger (Die Geometrie
des Euklid, 1833): Straight is a simple notion, and hence all definitions
of it must fail. . . . But if the proper idea of a straight line has once been
grasped, it will be recognised in all the various de nitions usually given of
it; all the de nitions must therefore be regarded as explanations, and among
them that one is the best from which further inferences can immediately be
drawn as to the essence of the straight line.”

Terug naar Euclides raadselachtige definitie

De oorspronkelijke Griekse formulering is:

Εὐθεῖα γραμμή ἐστιν, ἥτις ἐξ ἴσου τοῖς ἐφ᾿ ἑαυτῆς σημείοις κεῖται.

( Eftheía grammí estin, ítis ex ísou toís ef᾿ eaftís simeíois keítai )

Vertaald: A straight-line is (any) one which lies evenly with points on itself.

Het Griekse εὐθεῖα wordt vertaald als recht, wat een veel ruimere betekenis heeft dan alleen in de zin van ‘een rechte lijn’ in meetkundige zin. In de Griekse versie van Handelingen 8.21 komt het voor in een tekst die vertaald wordt als: “Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God.”

Bij Aristoteles komen we op verschillende plaatsen omschrijvingen tegen van het begrip recht. In Ethica Nicomachea V (over rechtvaardigheid) gebruikt Aristoteles expliciet geometrische beelden. Hier is “recht” niet metrisch, maar normatief: de rechte lijn staat voor datgene wat zonder afwijking met de maat overeenkomt. Rechtvaardigheid is handelen “langs de rechte lijn”. Een rechte lijn is een goede lijn.

De volgende definitie is overgeleverd via Aristoteles.

“Een rechte lijn is dat waarvan het midden de uiteinden bedekt.”
(τὸ τὸ μέσον τὰ ἄκρα κρύπτει)

Aristoteles schrijft deze formulering expliciet toe aan Plato. Heath merkt hierover op: “This definition is ingenious, but implicitly appeals to the sense of sight and involves the postulate that the line of sight is straight.

Euclides’ definitie: “Een rechte lijn is een lijn die gelijkmatig ligt ten opzichte van haar punten,” past in het Aristotelische denken. Het gaat niet om de kortste afstand, maar om innerlijke consistentie, niet-afwijkend. Een rechte lijn is die lijn waarvan elke punt noodzakelijk is voor het geheel.

Bij Aristoteles is “recht / rechtlijnig” (εὐθύς, euthys) geen louter geometrisch begrip, maar ook een normatief idee. Dat maakt duidelijk waarom Euclides’ definitie in de Griekse denkwereld zo natuurlijk kon klinken.

Het idee dat een rechte lijn de “kortste weg” is, lijkt vanzelfsprekend te zijn geweest voor Griekse wiskundigen en filosofen. Het werd gebruikt zonder expliciete definitie of bewijs. Aristoteles zegt expliciet dat: de rechte lijn de kortste is tussen twee punten (o.a. in Physica). Voor hem is dit geen stelling die bewezen moet worden, maar iets dat zo evident is dat het als uitgangspunt dient.

Uit het feit dat Euclides in geen enkel bewijs in de Elementen direct gebruik maakt van zijn definitie van de rechte lijn, – Proclus merkte dit al op -, mogen we opmaken dat voor hem definities geen definities zijn in de moderne logische zin, maar bedoeld als verhelderende beschrijvingen. Niet de definities, maar de postulaten vormen de basis voor bewijzen van theorema’s.

Waar gaat Euclides’ Elementen eigenlijk over?

Wie de geschiedenis van de wetenschap beschrijft hoede zich ervoor het verleden te lezen als voorbereiding op het heden. Wie hedendaagse betekenissen van woorden kritiekloos gebruikt om vroegere verschijnselen te beschrijven maakt zich schuldig aan het bedrijven van Whig-history. Een treffend voorbeeld daarvan geeft Kuhn, de historicus van ‘de revolutie in de wetenschap’. De vraag ‘hoeveel van de zeventiende-eeuwse mechanica reeds bekend was bij Aristoteles’ deugt volgens hem niet. Waarom niet? Omdat het kernbegrip van de mechanica, ‘beweging’, een heel andere inhoud heeft, namelijk verandering van plaats, dan het had voor Aristoteles. Voor de laatste had beweging een veel ruimere betekenis. Het heeft betrekking op de ontwikkeling van het leven, de groei van planten en dieren. Vragen die betrekking hebben op de kennis die voor het begin van de periode van de mathematisering van de wetenschap heerste kunnen niet in termen van tegenwoordig gesteld worden.

Een ander voorbeeld is het gebruik van de termen ‘feit’ en ‘informatie’. Volgens de historicus David Wootton bestonden feiten, zoals wij die kennen, niet voor 1700. In de Invention of Science schrijft hij:

We take facts so much for granted that there have been few attempts to write their history, and none of them satisfactory. Yet, our culture is as dependent on facts as it is on gasoline. It is almost impossible to imagine doing without facts, and yet there was a time when facts did not exist.” (Wootton, 2016, p.252)

Ook het nauw aan het begrip ‘feit’ gerelateerde begrip ‘informatie’ bestond niet in de zin waarin wij het nu kennen. Het begrip heeft een meer technische lading gekregen, dan het informeren in de ‘letterlijke’ zin van ‘vorm geven aan iets materieels’.

Bedrijven wij geen ‘Whig-history’ wanneer we proberen het werk van Euclides te zien als voorbereiding van de huidige meetkunde en wanneer we het onderwerp van zijn studie identificeren met dat van de moderne meetkunde? In de ontwikkeling van de wetenschap hebben wiskunde, fysica en biologie elk hun eigen terrein af proberen te bakenen. Ze kregen elk hun eigen onderwerp. Wiskunde is geen fysica en fysica is geen biologie. Voor de Griekse tijd bestonden deze verschillende disciplines niet als zodanig. Had Euclides niet een veel ruimer begrip van punt en lijn, zoals ook het begrip beweging bij Aristoteles een veel ruimere betekenis heeft dan in de hedendaagse mathematische mechanica?

In Euclides tijd waren wiskunde en filosofie zeer nauw met elkaar verweven. Sommige denkers, waaronder Plato, werd door Aristoteles verweten dat ze wiskunde voor de ware filosofie hielden. Het verhaal gaat dat een voordracht van de Akademie die volgens de aankondiging over ‘het Goede’ zou gaan, over getallen, meetkunde en astronomie bleek te gaan. Het goede is één, aldus Plato.

Maar wat is één? Een traditioneel Grieks filosofisch probleem betreft de verhouding tussen eenheid en veelheid. Euclides’ moeten we in die Griekse traditie plaatsen.

De rechte lijn als de identiteit van eenheid en veelheid van punten

Op enig moment kijkt iemand terug naar de beslissende momenten in zijn leven en vraagt zich af hoe zijn leven was verlopen als hij anders had gekozen dan hij heeft gedaan. Maar had hij anders gekozen dan was hij ook iemand anders geweest dan hij nu is.

De veelheid van punten enerzijds en de eenheid van de lijn anderzijds verhouden zich bij Euclides zoals de momenten van het leven tot dat van de levenslijn, de identiteit die in het unieke levende individue tot uiting komt. Dat leven is zijn eigen maat. Er zijn geen momenten die niet op die lijn liggen omdat de identiteit van de lijn achteraf door de momenten bepaald is. Hier herkennen we de noodzakelijkheid van de punten van de lijn, waar Aristoteles op wijst. De ‘rechte rede’ is de redenering waarin iedere stap noodzakelijk is. De veelheid van punten van een lijn en de eenheid van de lijn zijn twee perspectieven op eenzelfde fenomeen. Recht is wanneer deze twee samenvallen, wanneer de punten samenvallen met de lijn. De rechte weg is de eigenlijke weg.

Wanneer we Euclides’ definitie van de rechte lijn vergelijken met de definitie die Cantor vele eeuwen later gaf van het wiskundig begrip verzameling (‘Menge’) dan zien we een overeenkomst, maar ook een belangrijk verschil. Ook het wiskundig begrip verzameling duidt zowel een eenheid als een veelheid aan. De verzameling is een eenheid die samenvalt met de elementen die er toe behoren. Toch is een lijn als object in een ruimte iets anders dan een willekeurige verzameling. De punten van een lijn zijn immers geordend. De lijn is als verhouding tussen eenheid en veelheid iets concreters dan de verzameling. Bij de laatste zijn de elementen immers ongeordend. We stellen de verzameling voor door een cirkel of ei-vorm waarin op willekeurige posities een aantal punten zijn getekend. De punten op een lijn hebben als punten van de lijn een ordeningsrelatie: punt C ligt tussen de punten A en B. Het midden ligt tussen de uiteinden van een lijnstuk. Een definitie van het lijnbegrip op basis van het moderne verzamelingbegrip zal die ordeningsrelatie moeten vastleggen.

Er zijn in de loop van de geschiedenis ‘alternatieve’ interpretaties van de Euclidische grondbegrippen punt en lijn onderzocht. Veelal in verband met pogingen de onafhankelijk van het parallellenpostulaat te bewijzen. Volgens Euclides’ parallellenpostulaat gaat door een punt buiten een gegeven lijn slechts één lijn die evenwijdig is aan die lijn.

Er zijn niet-euclidische ruimtes waarin geldt dat door een punt buiten een gegeven lijn geen lijn gaat parallel aan die lijn (hyperbolische ruimtes) en niet-euclidische ruimtes (elliptische) waarin geldt dat door een punt buiten een gegeven lijn er twee (en dus oneindig veel) lijnen gaan die parallel lopen aan de gegeven lijn. De euclidische meetkunde heet ook wel parabolische meetkunde.

Riemann kwam tot een interpretatie van punt en lijn zodanig dat geldt: Elke twee lijnen snijden elkaar in een punt. Dit levert een meetkunde die niet-Euclidisch is: het parallellenpostulaat geldt niet. Die interpretatie gaat zo:

“lijn” wordt: een grote cirkel op een bol.

“punt”: een paar diametraal tegenover elkaar liggende punten op een bol.

Poincaré bewees dat Riemanns bolmeetkunde consistent is als Euclides ‘vlakke ‘ meetkunde dat is.

Als de kortste verbinding tussen twee punten een rechte lijn is, dan geldt dit ook op een boloppervlak. Maar wat voor een bewoner van het boloppervlak een ‘rechte’ lijn is, is vanuit het perspectief van iemand die de bol van buiten bekijkt een kromme lijn. Voor deze buitenstaander is het kortste pad tussen twee punten op een bol, de lineaalrechte lijn tussen A en B. Maar deze lijn bestaat in de ruimte van het boloppervlak helemaal niet! Wat het kortste pad is tussen twee punten dat wordt bepaald door de vorm van de ruimte. En als we vasthouden aan de idee dat het kortste pad de rechte lijn is dan is dus wat een rechte lijn heet relatief met betrekking tot de vorm van de ruimte.

Er zijn allerlei modellen geconstrueerd om de onafhankelijkheid of de equivalentie van verschillende axioma’s te bewijzen. Bijvoorbeeld: of Euclides 5de postulaat equivalent is met de bewering dat de hoekensom 180 graden is (of beter: gelijk is aan twee rechte hoeken – Euclides kent geen metriek) hangt af van de vraag welke andere axioma’s je mag aannemen. Dit soort vragen wordt beantwoord door de constructie van een model waarin bepaalde axioma’s wel, andere niet gelden. Hilbert heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan dit soort onderzoek. Er zijn dus meetkundige modellen (een Hilbert plane) waarin de hoekensom 180 graden is maar waarin Euclides’ parallellenpostulaat niet geldt.

Een reiziger die zich optimaal door de ruimte beweegt laat het pad dat hij volgt door de structuur van de ruimte bepalen. Het pad dat deze aflegt wordt bepaald door allerlei factoren die samen een soort ‘krachtenveld’ vormen. Zo wordt het pad dat de grutto op weg naar het zuiden in het najaar en weer terug naar het noorden in het voorjaar, bepaald door de lokaal heersende winden, de termiek, en door de aanwezigheid van voedsel en vijanden. Deze krachten maken de ruimte waarin de trekvogel zich beweegt. Gegeven de vorm van dit krachtenveld is de door de trekvogel afgelegde weg de kortste weg van de zuidelijke streken waar deze overwintert naar de noordelijke broedgebieden in de zomer.

Conclusie

Concluderend kunnen we zeggen dat Euclides ‘raadselachtige definitie’ van de rechte lijn: ‘een rechte lijn is een lijn die samenvalt met alle punten die er op liggen’ – voortbouwt op de Griekse traditie ten tijde van Plato, maar geheel in lijn met de zelfbewustwording van de mathematische geest die toen plaats vond, poogt te abstraheren van de concrete waarneming (zichtlijn) om de nadruk te leggen op de inhoudelijke relatie tussen punt en lijn. Geheel in lijn met de Griekse traditie duidt ‘recht’ niet alleen een geometrisch begrip, maar tevens een ethisch/normatief begrip aan. Wat recht is, is juist. De definitie van Euclides’ rechte lijn is invariant geldig voor iedere ruimte, welke metriek we daar ook aan opleggen. Hij drukt uit dat de rechte lijn zowel eenheid is van de lijn als continue lijn en de lijn als bepaald door de veelheid van punten die erop liggen. Voor Euclides is de rechte lijn niet de kortste verbinding tussen twee punten. Afstand wordt gemeten met een maat die aan het gemetene als het ware van buiten wordt opgelegd. Voor Euclides bestond zo’n maat niet. De rechte is haar eigen maat. Het Euclidische van zijn meetkunde zit hem in de propositie dat in iedere driehoek de directe lijn tussen twee hoekpunten korter is dan de som van de twee lijnstukken die deze twee via het derde hoekpunt verbinden. Imre Tóth vond in de werken van Aristoteles verschillende teksten waaruit blijkt dat vóór Euclides er al niet-euclidische ideeën speelden. We kunnen concluderen dat Euclides definitie van de rechte lijn reeds de ruimte bood voor niet-euclidische meetkundes.

Bronnen en noten

J.H. van den Berg (1969). Metabletica van de materie – meetkundige beschouwingen. Tweede druk, Uitg. Callenbach NV, Nijkerk, 1969.

Prachtig boek waarin de psychiater Van den Berg een metabletische studie presenteert naar de ontwikkeling van de niet-euclidische meetkundes. De metableticus stelt de vraag waarom een bepaalde ontwikkeling zich juist toen en juist daar in de geschiedenis plaats vond en legt verbanden met nieuwe stromingen in bijvoorbeeld de architectuur en de beeldende kunst.

E.J. Dijksterhuis (1930). De elementen van Euclides. Twee delen. Groningen, 1929, 1930.

R. Dijkgraaf (2012). Het nut van nutteloos onderzoek. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Een bundel essays over wetenschappelijk onderzoek.

De paradoxale uitdrukking ‘het nut van nutteloos onderzoek’ is volgens Dijkgraaf afkomstig van de Amerikaanse onderwijskundige Abraham Flexner (1866-1959). Die gebruikte de term in 1921 in een ‘gepassioneerde verdediging van de waarde van de vrij rondwarende scheppende geest.’

Volgens Hegel is het kenmerk van de tijd van de verlichting dat ‘alles nuttig is’. Zelfs nutteloos onderzoek moet als nuttig worden gezien om als zinvol gekwalificeerd te kunnen worden. Theoretici als Dijkgraaf wijzen op het belang van ‘schijnbaar nutteloos onderzoek’ om tegenwicht te bieden tegen de heersende opvatting volgens welke er concrete praktische toepassingen moeten worden aangegeven om onderzoek gefinancierd te krijgen. Op de achterkant van het boek wordt het thema van de essays aangeduid met: “Wat is de kortste weg van A naar B, als je niet weet wat B is of waar het ligt?”

Dijkgraaf was minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het kabinet Rutte IV. In die hoedanigheid zette hij zich in voor een herwaardering van het middelbaar beroepsonderwijs. In een nota aan de Tweede Kamer pleitte hij voor meer keuzeruimte in het curriculum. Want iedere student moet de ruimte hebben om zijn eigen weg te vinden. Om het kronkelpaadje af te lopen dat achteraf de kortste weg naar de bestemming blijkt te zijn‘.

Het was deze uitdrukking die mij, toen ik met Euclides’ definitie van de rechte lijn bezig was, op de gedachte bracht dat ook de levenslijn een lijn is en dat Euclides ‘recht’ zou kunnen wijzen op het noodzakelijk zijn van de momenten van een goed leven.

Euclides. The Greek text of J.L. Heiberg (1883–1885) from Euclidis Elementa, edidit et Latine interpretatus est I.L. Heiberg, in aedibus B.G. Teubneri, 1883–1885 edited, and provided with a modern English translation, by Richard Fitzpatrick. This edition of Euclid’s Elements presents the definitive Greek text—i.e., that edited by J.L. Heiberg (18831885)—accompanied by a modern English translation, as well as a Greek-English lexicon.

Jeremy Gray (2000). The Hilbert challenge. Oxford; New York: Oxford University Press.

Marvin Jay Greenberg (2010). Old and New Results in the Foundations of Elementary Plane Euclidean and Non-Euclidean Geometries. In: The Mathematical Association of America, March 2010.

Greenberg geeft een historisch overzicht van de ontwikkelingen in de meetkunde vanaf Euclides tot 2010. Daarin speelt de nieuwe axiomatisering door Hilbert een centrale rol. Hilbert’s meta-mathematisch onderzoekingen waren gericht op de logische samenhang en onafhankelijkheid van verschillende begrippen uitgedrukt in stellingen en axioma’s van Euclides elementaire meetkunde. Greenberg brengt naar voren dat de geometrie fundamenteler is dan de getaltheorie. Dat je elementaire meetkunde in de stijl van Euclides kan bedrijven zonder gebruik te maken van de reeële getallen (die ten tijde van Euclides inderdaad niet bestonden, alles werd in termen van lengte van lijnstukken en hun verhoudingen gemeten.) is een belangrijke verdienste van Hilbert. De continuumhypothese en alternatieve definities voor de reeële getallen (Dedekind was de eerste die ze definieerde) maken volgens Greenberg deze getallen ‘controversieel’.

“Robin Hartshorne explains how ‘the true essence of geometry can develop most
naturally and economically’ without real numbers.”

Robin Hartshorne, Teaching Geometry According to Euclid, Notices of the AMS, Volume 47, Nr. 4, pp 460-465, 2000)

Euclides ontwikkelde een meetkunde zonder gebruik te maken van getallen die lijn segmenten, hoeken en oppervlakken meten. Hartshorne pleit voor meetkunde-onderwijs op basis van puur meetkundige begrippen, zoals in Euclides’ Elementen. Dat is: zonder de meetkundige analyse en de reële getallen. In Euclides tijd waren er nog geen andere getallen dan gehelen.

In Greek mathematics, as we saw, the only numbers were (positive) integers. What we call a rational number was represented by a ratio of integers. Any other quantity was represented as a geometrical magnitude. This point of view persisted even to the time of Descartes.” (Robin Hartshorne, Teaching Geometry According to Euclid, Notices of the AMS, Volume 47, Nr. 4, pp 460-465, 2000)

Th. L. Heath (1956). The thirteen Books of Euclid’s Elements, 2 Volumes, New York, 1956.

“Euclid’s work will live long after all the text-books of the present day are superseded and forgotten. It is one of the noblest monuments of antiquity; no mathematician worthy of the name can afford not to know Euclid, the real Euclid as distinct from any revised or rewritten versions which will serve for schoolboys or engineers.” (Thomas L. Heath in het voorwoord van de Engelse vertaling van de Elementen)

D. Hilbert (1895). “Ueber die gerade Linie als kürzeste Verbindung zweier Punkte,” Math. Annalen, 46 (1895), 91-96.

Probleem nummer 4 van de 23 problemen van David Hilbert, waarvan hij er tien presenteerde in 1900, in Parijs, gaat over de kwestie of de rechte lijn de kortste verbinding is tussen twee punten. Van de 23 problemen zijn een aantal inmiddels opgelost, over een aantal gepubliceerde oplossingen zijn de geleerden het nog niet eens. Probleem 4 wordt als onoplosbaar beschouwd omdat het te vaag zou zijn. (Grey).

Euclides’ theorema stelt dat in elke driehoek de som van twee zijden groter is dan de derde zijde.

Hilbert stelt: The theorem of the straight line as the shortest distance between two points and the essentially equivalent theorem of Euclid about the sides of a triangle, play an important part not only in number theory but also in the theory of surfaces and in the calculus of variations.

For this reason, and because I believe that the thorough investigation of the conditions for the validity of this theorem will throw a new light upon the idea of distance, as well as upon other elementary ideas, e. g., upon the idea of the plane, and the possibility of its definition by means of the idea of the straight line, the construction and systematic treatment of the geometries here possible seem to me desirable.

Hilbert stelt: De stelling van de rechte lijn als de kortste afstand tussen twee punten en de in wezen equivalente stelling van Euclides over de zijden van een driehoek (bewezen in Elementen Book I propositie 20) spelen een belangrijke rol, niet alleen in de getaltheorie, maar ook in de oppervlaktentheorie en de variatierekening.

Om deze reden, en omdat hij gelooft dat een grondig onderzoek naar de voorwaarden voor de geldigheid van deze stelling een nieuw licht zal werpen op het begrip afstand, evenals op andere elementaire begrippen, zoals het begrip vlak en de mogelijkheid om dit te definiëren met behulp van het begrip rechte lijn, lijkt de constructie en systematische behandeling van de hier mogelijke meetkundes hem wenselijk.

Hilbert definieert op basis van een meetkunde van Hermann Minkowski (1864-1909) een meetkundige ruimte waarin niet voldaan wordt aan het parallellenpostulaat en waarin de som van de lengtes van twee zijden van een driehoek gelijk kan zijn aan de lengte van de derde zijde. Dit betekent dat er oneindig veel kortste verbindingen zijn tussen twee punten.

De stelling van Euclides over de zijden van een driehoek kent een generalisatie. The triangle inequality can be extended by mathematical induction to arbitrary polygonal paths, showing that the total length of such a path is no less than the length of the straight line between its endpoints. Consequently, the length of any polygon side is always less than the sum of the other polygon side lengths.

Hilbert, David (1902). Mathematical Problems. Bulletin of the American Mathematical Society8 (10): 437–479. doi:10.1090/S0002-9904-1902-00923-3. Lecture delivered before the international congress of mathematicians at Paris in 1900. Bulletin of the American Math. Soc. Translated for the Bulletin, with the author’s permission, by Dr. Mary Winston Newson. The original appeared in the Göttinger Nachrichten, 1900, pp. 253-297, and in the Archiv der Mathematik und Physik, 3d ser., vol. 1 (1901), pp. 44-63 and 213-237.

Hilbert’s inleiding:

“Wie van ons zou niet graag de sluier oplichten waarachter de toekomst schuilgaat; een blik werpen op de volgende stappen in onze wetenschap en op de geheimen van haar ontwikkeling in de komende eeuwen? Welke specifieke doelen zullen de toonaangevende wiskundigen van de komende generaties nastreven? Welke nieuwe methoden en nieuwe feiten in het brede en rijke veld van het wiskundig denken zullen de nieuwe eeuwen onthullen? De geschiedenis leert ons de continuïteit van de wetenschapsontwikkeling. We weten dat elk tijdperk zijn eigen problemen kent, die het volgende tijdperk ofwel oplost, ofwel als nutteloos terzijde schuift en vervangt door nieuwe. Als we een idee willen krijgen van de waarschijnlijke ontwikkeling van de wiskundige kennis in de nabije toekomst, moeten we de onopgeloste vraagstukken voor ons laten gaan en kijken naar de problemen die de wetenschap van vandaag stelt en waarvan we de oplossing in de toekomst verwachten. Voor zo’n overzicht van problemen lijkt het heden, dat zich op het kruispunt van de eeuwen bevindt, mij uitermate geschikt. Want het einde van een groot tijdperk nodigt ons niet alleen uit om terug te kijken naar het verleden, maar richt onze gedachten ook op de onbekende toekomst.”

An old French mathematician said: “A mathematical theory is not to be considered complete until you have made it so clear that you can explain it to the first man whom you meet on the street.” This clearness and ease of comprehension, here insisted on for a mathematical theory, I should still more demand for a mathematical problem if it is to be perfect ; for what is clear and easily comprehended attracts, the complicated repels us.

Een Franse wiskundige heeft eens gezegd: “Een wiskundige theorie is pas compleet als ze zo helder is dat je haar kunt uitleggen aan de eerste de beste die je op straat tegenkomt.” De helderheid en begrijpelijkheid, die hier zo belangrijk worden geacht voor een wiskundige theorie, zou ik nog sterker eisen van een wiskundig probleem als het perfect wil zijn; want wat helder en gemakkelijk te begrijpen is, trekt aan, wat ingewikkeld is, stoot ons af.

Ondanks de eis die Hilbert oplegde aan de helderheid in de formulering van wiskundige problemen werden sommige van zijn 23 problemen als te vaag beschouwd. (Grey) En één van die vage problemen is probleem 4.

PROBLEM OF THE STRAIGHT LINE AS THE SHORTEST DISTANCE BETWEEN TWO POINTS.

Another problem relating to the foundations of geometry is this : If from among the axioms necessary to establish ordinary euclidean geometry, we exclude the axiom of parallels, or assume it as not satisfied, but retain all other axioms, we obtain, as is well known, the geometry of Lobachevsky (hyperbolic geometry). We may therefore say that this is a geometry standing next to euclidean geometry. If we require further that that axiom be not satisfied whereby, of three points of a straight line, one and only one lies between the other two, we obtain Biemann’s (elliptic) geometry, so that this geometry appears to be the next after Lobachevsky’s. If we wish to carry out a similar investigation with respect to the axiom of Archimedes, we must look upon this as not satisfied, and we arrive thereby at the non-archimedean geometries which have been investigated by Veronese and myself. The more general question now arises : Whether from other suggestive standpoints geometries may not be devised which, with equal right, stand next to euclidean geometry. Here I should like to direct your attention to a theorem which has, indeed, been employed by many authors as a definition of a straight line, viz., that the straight line is the shortest distance between two points. The essential content of this statement reduces to the theorem of Euclid that in a triangle the sum of two sides is always greater than the third side—a theorem which, as is easily seen, deals solely with elementary concepts, i. e., with such as are derived directly from the axioms, and is therefore more accessible to logical investigation. Euclid proved this theorem, with the help of the theorem of the exterior angle, on the basis of the congruence theorems. Now it is readily shown that this theorem of Euclid cannot be proved solely on the basis of those congruence theorems which relate to the application of segments and angles, but that one of the theorems on the congruence of triangles is necessary. We are asking, then, for a geometry in which all the axioms of ordinary euclidean geometry hold, and in particular all the congruence axioms except the one of the congruence of triangles (or all except the theorem of the equality of the base angles in the isosceles triangle), and in which, besides, the proposition that in every triangle the sum of two sides is greater than the third is assumed as a particular axiom. One finds that such a geometry really exists and is no other than that which Minkowski constructed in his book, Geometrie der Zahlen (Leipzig, 1896), and made the basis of his arithmetical investigations. Minkowski’s is therefore also a geometry standing next to the ordinary euclidean geometry; it is essentially characterized by the following stipulations : 1. The points which are at equal distances from a fixed point 0 lie on a convex closed surface of the ordinary euclidean space with 0 as a center. Two segments are said to be equal when one can be carried into the other by a translation of the ordinary euclidean space. In Minkowski’s geometry the axiom of parallels also holds. By studying the theorem of the straight line as the shortest distance between two points, I arrived (Math. Annalen, Vol. 46, p.91 ) at a geometry in which the parallel axiom does not hold, while all other axioms of Minkowski’s geometry are satisfied. The theorem of the straight line as the shortest distance between two points and the essentially equivalent theorem of Euclid about the sides of a triangle, play an important part not only in number theory but also in the theory of surfaces and in the calculus of variations. For this reason, and because I believe that the thorough investigation of the conditions for the validity of this theorem will throw a new light upon the idea of distance, as well as upon other elementary ideas, e. g. upon the idea of the plane, and the possibility of its definition by means of the idea of the straight line, the construction and systematic treatment of the geometries here possible seem to me desirable.

Om het belang van het probleem 4 te onderstrepen wijst Hilbert op het feit dat het niet alleen om een meetkundige kwestie gaat, maar dat er een verband is met onderzoekgebieden, zoals de variatie-rekening, een gebied dat veel aandacht trok.

Poincaré, Henri  (1979). De niet-euclidische meetkunden. Opgenomen in de bundel Wetenschap en Hypothese, Boom Meppel, 1979.

Proclus (1792). The Commentaries of Proclus on the First Book of Euclid’s Elements of Geometry. Translated by Thomas Taylor (London, 1792) Transcribed by David R. Wilkins August 2020.

Proclus Diadochus (412-485 na Chr.) schreef uitvoerig commentaar op het werk van Euclides van Alexandrië (300 v Chr). Bij hem vinden we een stelling die gelijkwaardig is aan het parallellenpostulaat: de som van de drie hoeken van een driehoek is gelijk aan een gestrekte hoek. Proclus noemt de rechte lijn de kortste lijn. Bij de pre-Eucliden werd stilzwijgend aangenomen dat de rechte lijn de kortste verbinding is tussen twee punten. Maar ‘kort’ betreft afstand of lengte en een maat waarmee die gemeten wordt. Het begrip ‘recht’ heeft volgens Euclides zo’n maat die van buiten wordt opgelegd niet nodig. Euclides geeft een ‘definitie’ geheel in termen van punt, lijn en de incidentie-relatie tussen punt en lijn. Het wil uitdrukken dat de lijn precies gelijk is aan de punten die erop liggen. De twee ‘momenten’ van de lijn vallen samen.

Imre Tóth (1972). Die nicht-euklidische Geometrie in der Phänomenologie des Geistes. Wissenschaftstheoretische Betrachtungen zur Entwicklungsgeschichte der Mathematik. Horst Heiderhoff Verlag, Frankfurt am Main. 1972.

De ontdekking van de Grieken dat de wiskunde geen natuurwetenschap is, zo betoogt Tóth, “ein Resultat des Selbstbewustwerdens des Geistes, eine Gedanke, in dem das Denken sich selbst denkt, ein natürliches Produkt der Phänomenologie des Geistes.” (p. XX/4)

Tóth betoogt dat de meetkunde ontstaan is uit de praktische omgang met de natuur. Ook al is het een ‘zuivere wetenschap’ (Kant). De niet-euclidische axioma’s zijn in feite negaties van dezelfde inhoud waar ook de euclidische meetkunde over gaat. De inhoud is het begrip, driehoek. Euclidisch: de hoekensom van alle driehoeken is 2R. Niet-euclidisch: de hoekensom van alle driehoeken is niet 2R. Het is niet mogelijk dat sommige driehoeken een som hebben van 2R en andere niet. Maar dit sluit niet uit dat er zowel euclidische als niet-euclidische meetkundes kunnen bestaan. (p.16).

Tóth wijst erop dat Aristoteles in zijn tijd en lang daarna de enige was voor wie het een ‘reeële’ mogelijkheid was dat een driehoek een hoekensom heeft die niet gelijk 2R is. Tóth sluit niet uit dat er zowel, naast elkaar, euclidische als niet-euclidische ruimtes kunnen bestaan.

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.

De historicus Wootton wijst net als de filosoof Hacking erop dat we woorden en begrippen in hun tijd moeten interpreteren. Feiten en tekens zijn niet altijd wat ze nu zijn. Voor 1700 bestond het ‘feit’ niet.

Getal of cijfer? Over een veel voorkomend misverstand

Wat is het verschil tussen een getal en een cijfer?

“Eerlijkheid gebiedt me te zeggen: ik had nooit goed nagedacht over het verschil tussen ‘getal’ en ‘cijfer.’” schreef Sanne Blauw. Als ‘Correspondent Ontcijferen’ moest ze toch eigenlijk wel weten wat dat verschil is. Ze vroeg het aan de Taaladviesdienst van het Genootschap Onze Taal. “Ik mailde ze over mijn kleine identiteitscrisis en kreeg al snel antwoord: ‘Een cijfer is […] in beginsel een teken, een symbool; één of meer cijfers samen vormen een getal.’ “

Eerlijk gezegd schrok ik een beetje van dit antwoord. “Eén of meer cijfers vormen samen een getal” ? Volgens het Genootschap is dus 123 een getal, terwijl 7 een cijfer is. Is dit de gangbare opvatting over het verschil tussen cijfer en getal?

Op de website math4all.nl dat gaat over waar onze ‘getallen’ vandaan komen, lezen we:

“Tegenwoordig wordt in grote delen van de wereld een cijfersysteem gebruikt zoals je dat op school hebt geleerd. Dit heet het tientallig stelsel of ook wel het decimale stelsel (“deci” staat voor “tien”). In dat stelsel gebruik je tien cijfers: 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9. Met deze tien symbolen kunnen alle getallen worden gemaakt. Dat gebeurt door een positiestelsel te gebruiken: de plaats van een cijfer bepaald de waarde ervan.”

Omdat veel mensen tegenwoordig gebruik maken van een zoekmachine om antwoord te krijgen op hun vragen is het interessant om te kijken wat zo’n machine als antwoord geeft op onze vraag. Google presenteerde met AI de volgende tekst:

In het Nederlands is een getal de aanduiding van een hoeveelheid, terwijl een cijfer een symbool is waarmee een getal wordt geschreven. Getallen kunnen uit één of meer cijfers bestaan. 

Een cijfer is een symbool dat gebruikt wordt om een hoeveelheid weer te geven. Er zijn tien cijfers: 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9.

Een getal is de notatie van een hoeveelheid. Het kan uit één of meer cijfers bestaan. Bijvoorbeeld, het getal 123 bestaat uit de cijfers 1, 2 en 3. 

Samenvattend: Cijfers zijn de bouwstenen voor getallen, en getallen zijn de symbolen die gebruikt worden om hoeveelheden weer te geven. 

AI produceert zijn teksten door combinatie van stukken tekst die het op het internet vindt. Of die fragmenten een consistent geheel vormen, dat kan AI niet beoordelen. Daarvoor is kennis nodig van de betekenis van de woorden. Gebruikers van AI die zelf geen idee hebben wat het verschil is tussen cijfer en getal zullen het antwoord dat het Genootschap Onze Taal, math4all, of Google geeft voor zoete koek nemen. Kunnen we chocola maken van de door Google geproduceerde fragmenten? Google zegt:

Een getal is een aanduiding of notatie van een hoeveelheid. Een getal bestaat uit cijfers. Een cijfer is een symbool waarmee een getal wordt geschreven.

Dit komt overeen met het antwoord dat Onze Taal gaf. Zowel cijfers als getallen zijn talige dingen (symbolen, notaties) om hoeveelheden mee aan te duiden. Het verschil tussen getal en cijfer wordt aangegeven door hun relatie: een getal bestaat uit één of meerdere cijfers. De bouwstenen van de getallen zijn de cijfers.

Op Wikipedia vinden we een mogelijke bron van de AI tekst:

“Een getal is de aanduiding van een hoeveelheid.” en “Een getal verschilt van een cijfer: cijfers zijn symbolen die gebruikt worden om getallen weer te geven.”

Op de website van Expertis – Onderwijsadviseurs, een andere bron van de AI tekst, schrijft Jitske Zwart:

“Cijfers zijn eigenlijk de ‘letters’ van ons getallensysteem. Dit getallensysteem wordt opgebouwd uit de cijfers 0 t/m 9. Het cijfer 1 is de notatie van het aantal 1, het getal 1 of het nummer 1. Je kunt cijfers dus vergelijken met letters. Met letters schrijf je een woord. De letters krijgen dan een betekenis. Met cijfers schrijf je een getal of nummer. De cijfers krijgen dan een betekenis. Het getal 143 bestaat uit de cijfers 1, 4 en 3.”

Een getal is ‘samengesteld uit cijfers’. Ik las ergens dat 10 een getal is ‘dat wordt gevormd door de cijfers 1 en 0’.

In het taalgebruik lijkt ‘getal’ dus vaak gebruikt te worden voor de aanduiding van een aantal of hoeveelheid. Met ‘getal’ wordt een cijferrijtje bedoeld. En wat het cijferrijtje aanduidt is ‘een hoeveelheid’.

Als deze teksten representatief zijn voor het normale spraakgebruik dan is volgens dat gebruik een getal iets heel anders dan wat in de wiskunde onder een getal wordt verstaan. Voor mij – wiskundedocent met enige kennis van de filosofie en de geschiedenis van de wiskunde – gaat wiskunde over wiskundige objecten, structuren. Getallen zijn een speciaal soort wiskundige objecten. De wiskunde bestudeert de eigenschappen van deze objecten die ze zelf construeert.

Getal als wiskundig object

Als een getal de aanduiding is van een hoeveelheid, zoals het gewone taalgebruik zegt, hoe moeten we dan de deelbaarheid van getallen zien? De deelbaarheid is immers niet een eigenschap van de aanduiding, niet van de notatie, maar eerder van de hoeveelheid die ermee wordt aangeduid. Maar dat strookt niet met de opvatting dat het getal de aanduiding is. En is de optelling van getallen dan een operatie op getallen opgevat als cijferrijtjes? Dat lijkt me toch niet.

Als we het over de verschillende eigenschappen van getallen hebben, zoals deelbaar zijn door 2 of even zijn, dan zijn dat geen eigenschappen van aanduidingen, van cijferrijtjes, maar van de dingen die met die cijfers worden aangeduid, van de hoeveelheden.

Als we dus zeggen dat het getal 4 deelbaar is door het getal 2 dan bedoelen niet het cijfer 4, maar dat wat wordt aangeduid met 4, het eigenlijke getal. Getallen zijn wiskundige objecten, pure gedachtendingen, constructies. Geen concrete hoeveelheden van dingen, maar een abstracte hoeveelheid. Het getal drie is als object zowel eenheid als veelheid. Het is een veelheid van eenheden. Maar het is ook twee plus een.

Anders dan de tekens, de cijfers, zijn de wiskundige objecten niet zichtbaar. We maken een onderscheid tussen een tekening van een driehoek en het wiskundig object, de driehoek die ermee wordt aangeduid. Het is de bijzondere bestaanswijze van de wiskundige objecten, zuivere gedachtedingen te zijn die we ons op een of andere manier moeten voorstellen om het erover te kunnen hebben, die er de mogelijke oorzaak van is dat we geneigd zijn de voorstelling: de wijze waarop we ernaar refereren (het rijtje cijfers), te verwarren met de dingen waarover we het hebben.

Dat is misschien de oorzaak van de gangbare opvatting over het verschil tussen cijfer en getal. Terwijl, als we zeggen “het getal 4 is deelbaar door 2” we met het getal 4 juist niet het cijfer 4 bedoelen, maar het getal dat we daarmee aanduiden.

We kunnen dus zeggen dat de woorden ‘cijfer’ en ‘getal’ in verschillende gebruiken verschillende dingen betekenen.

We hebben een voorstelbaar teken nodig als representatie om over de puur denkbeeldige objecten van de wiskunde te denken.

De representatie of voorstelling van getallen (en andere wiskundige objecten zoals figuren in de meetkunde) heeft een geschiedenis waarin de relatie tussen gebruikte tekens en de objecten een ontwikkeling heeft doorgemaakt. De verschillende gestalten die de representatie aanneemt worden aangegeven met: natuurlijk teken, conventioneel teken en formeel systeem. De eerste gestalte van de representatie van de getallen is op directe wijze gebonden aan de hoeveelheid die ermee wordt aangeduid. De voorstelling van een meetkundige driehoek door een tekening van een driehoek, van het getal drie ging door middel van drie streepjes. Volgens deze onmiddellijke representatie is er geen onderscheid tussen het getal als hoeveelheid en de voorstelling ervan door een hoeveelheid objecten. Als we denken dat rekenkunde gaat over voorstelbare hoeveelheden dan ligt het voor de hand getal en notatie te identificeren: een getal is dan inderdaad opgebouwd uit primitieve tekens. Maar ook dan zijn het niet deze unieke drie streepjes III maar iedere drie streepjes (of ze nu in het zand getekend zijn met een stokje, of drie luciferhoutjes) die gebruikt kan worden voor het aanduiden van drie.

Vanwege deze directe binding tussen teken en hoeveelheid is het begrijpelijk dat er enige tijd over heen ging voordat nul als een getal werd gezien. Nul dingen is immers geen hoeveelheid. Het is een leegte die op een gegeven moment door een speciaal teken werd aangegeven. Later werden ook meer abstracte symbolen, conventionele tekens gebruikt voor de getallen en andere wiskundige objecten. De volgende stap in de ontwikkeling van representaties van getallen is die van een systeem van representaties. De betekenis van een teken wordt nu bepaald door de positie van het teken in het systeem.

Ons tientallig positioneel Arabisch-Indische cijfersysteem (‘cijfer’ komt van het Arabisch ‘sifr’, dat 0 of leeg betekent) gebaseerd op de tien cijfers 0,1,2,3,4,5,6,7,8,9 door Fibonacci in de dertiende eeuw ingevoerd in Europa is geschikt om ‘oneindig veel’ getallen aan te duiden. Wat we met die 10 cijfers maken zijn cijferrijtjes, niet de getallen, maar aanduidingen van getallen. Het cijfer 7 duidt net zo goed als het rijtje 10 een getal aan: 7 is ook een cijferrijtje, namelijk een die bestaat uit een enkel cijfer, een rijtje met lengte 1. Maar wanneer de door AI geleverde tekst zegt: “Een getal kan uit 1 of meer cijfers bestaan.”, dan wordt ‘getal’ opgevat als een cijferrijtje en niet als een wiskundig object.

Een belangrijk kenmerk van de cijfertaal van de wiskunde is dat een cijferrijtje ondubbelzinnig is: het heeft slechts één getal als betekenis. Twee verschillende rijtjes van cijfers duiden bovendien verschillende getallen aan. Daarin verschilt deze taal van de gewone omgangstalen. Het letterrijtje bank heeft in het Nederlands verschillende betekenissen. Afhankelijk van de uitspraak van het ‘woord’ kantelen duidt het een ander woord aan. Ligt de klemtoon op de eerste lettergreep dan is het een werkwoord, ligt de klemtoon op de tweede lettergreep dan is het de meervoudsvorm van het zelfstandignaamwoord kanteel. Een woord is dus niet het rijtje letters, maar het woord dat daarmee in een specifieke tekst bedoeld wordt. In het spraakgebruik bedoelen we met ‘woord’ vaak het letterrijtje en niet iets abstracts dat ermee wordt aangeduid. We zeggen dan ‘het woord bank heeft twee betekenissen’. We kunnen woord, het gebruik van een woord en de betekenis niet uitelkaar halen, zonder in de problemen te geraken. De betekenis van het woord komt tot stand in het gebruik.

De belangrijke les van onze speurtocht naar het verschil tussen cijfer en getal is dat het gangbare gebruik van het woord getal verschilt van het gebruik ervan in de wiskunde. Dat wordt een probleem zodra de alledaagse wereld in contact komt met de wereld van de wiskunde, zoals in het rekenonderwijs. Wanneer we ten behoeve van het reken- en wiskundeonderwijs menen iets te moeten zeggen over het verschil tussen cijfer en getal moeten we ons bewust zijn van het grote verschil in gebruik van het woord getal in de wiskunde met het gangbare gebruik ervan zoals Google en Onze Taal dat ons presenteert.

Het gangbare gebruik is nog steeds gebaseerd op de naieve, natuurlijke representatievorm van getallen waarin notatie en betekenis: hoeveelheid, worden gelijkgesteld.

Verder werden we in dit onderzoek opnieuw herinnerd aan het feit dat een woord zelf niet kan zeggen wat het betekent.

“Wat is het getal 1, of wat betekent het symbool ‘1’?”, Met deze vraag begint Gottlob Frege zijn essay The Foundations of Arithmetic waarin hij zijn onderzoek presenteert naar de aard van de getallen. Frege acht het een schandaal dat we deze simpele vraag naar de aard van het meest eenvoudige en eerste begrip van de wiskunde niet op bevredigende wijze kunnen beantwoorden. Daarom herneemt hij nog maar eens de vraag naar de aard van de getallen. Ieder grondig onderzoek naar het getalbegrip zal altijd een filosofisch karakter hebben. Stelt Frege. Het is een taak die zowel tot de wiskunde als tot de filosofie behoort om te bepalen wat de getallen voor dingen zijn.

Frege was zeker niet de eerste die een studie wijdde aan het getalbegrip. De discussie over de aard van de getallen neemt een belangrijke plaats in in de boeken M en N van de Metafysica van Aristoteles, waarin hij vooral in debat is met zijn leermeester Plato.

“De exactheid en het dwingende karakter van het wiskundig redeneren stellen ons voor een raadsel dat noch Plato noch Aristoteles geheel bevredigend hebben kunnen oplossen” schrijft H. Oosthoud in de Inleiding tot de Nederlandse vertaling van Boek M, dat gaat over de getallen en de dingen.

De vraag naar de eigen aard van de getallen en de wiskundige objectiviteit blijft boeien. Het is meer dan ooit een vraag die van belang is om te hernemen in een tijd waarin alles, inclusief onze taal, gemathematiseerd lijkt te moeten worden en waarin het mathematisme – de idee dat kennis pas echt kennis is wanneer we deze in getallen en systemen kunnen uitdrukken – onze technocratische werkelijkheid doordringt en beheerst.

Het mathematiseren van ons taalgebruik zoals die neergeslagen is in de enorme hoeveelheden taaldata op het internet ligt aan de basis van de taaltechnologische AI producten zoals ChatGPT. Die basis bestaat uit mathematische taalmodellen waarmee op statistische wijze teksten worden gegenereerd. Teksten zoals Google die levert als antwoord op onze vraag naar het verschil tussen cijfer en getal. Uit bovenstaande blijkt hoe beperkt deze modellen zijn. En dat is geen toeval, het is een wezenlijk kenmerk van het taalmodel een abstractie te zijn van het werkelijk taalgebruik.

Voetnoot

Wanneer we een getal als aanduiding van een aantal gebruiken dan gebruiken we het kardinale aspect van het getal-begrip. Als telgetal gebruiken we het ordinale aspect (zeven als het zevende). Als meetgetal het meetaspect (3 kilo). En als rekengetal het rekenaspect. Daarnaast is er het gebruik van een getal als naam of label (huisnummer). Dan gebruiken we het coderingsaspect.

Het tellen is vermoedelijk de eerste wiskundige aktiviteit en uitvinding. De mens heeft woorden bedacht voor aantallen, waarmee hun betekenis is vastgelegd. Daarmee kunnen aantallen dingen (schapen, steentjes) worden vergeleken. Als we tellen ordenen we de getelde dingen, die we als eenheden opvatten. Wanneer we appels tellen dan zien we af van de individuele verschillen tussen de appels. We vatten ieder exemplaar op als een appel, een representant van een algemeen begrip. Om het aantal appels in een mand te bepalen maakt het niet uit in welke volgorde ze geteld worden, maar je moet ze wel in een of andere volgorde tellen. Het aantal getelde appels bestaat onafhankelijk van het tellen. Sommige filosofen die erover nagedacht hebben denken dat de plaats van het getal in de ordening voorafgaat aan de cardinaliteit (grootte). Het getal is het getelde aantal.

Meten is het vergelijken van iets met een maat. Tellen is een vorm (de meest primitieve vorm) van meten. Tellen is het meten van het aantal eenheden, de dingen die geteld en waarvan het aantal gemeten wordt. Tellen veronderstelt dat we dingen kunnen onderscheiden. Het is heel moeilijk om dingen te onderscheiden die alleen in je hoofd zitten. We hebben een voorstelling nodig in de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. Maar de natuurlijke getallen kunnen we opsommen door ons de namen van de getallen te herinneren: 1,2,3,… Maar kunnen we de getallen ook tellen? Alsof ze als een totaliteit van getallen tegenover ons bestaan.

Hoeveel getallen er zijn? Dat is moeilijk te beantwoorden. ‘Ontelbaar’ of ‘oneindig veel’ zijn mogelijke antwoorden. In de wiskunde wordt het aantal natuurlijke getallen (de gewone telgetallen) ‘aftelbaar oneindig’ genoemd. Dat is verwarrend, want er zijn er teveel om daadwerkelijk te tellen. ‘Aftelbaar’ duidt dus niet op een werkelijke mogelijkheid, maar om een onwerkelijke mogelijkheid en je kunt je afvragen of dat nog wel een mogelijkheid is. Het aantal getallen is onbepaald. En dat is principieel zo, het is ook onbepaaldbaar. Net zo goed als de som van de oneindige reeks 1-1+1-1+1- … onbepaald is. Sommige mensen zeggen dat die som 0 is of 1 afhankelijk van hoe je de haakjes zet bij het bepalen van de som (1-1)+(1-1)+…. zou 0 opleveren, maar 1-(1+1)-(1+1)-…zou 1 opleveren.

In het oneindige zit het bedrog. En toch lijkt de wiskundige niet goed uit de voeten te kunnen als er maar een begrensd aantal getallen zijn. Er wordt wel beweerd dat wiskunde de wetenschap van het oneindige is. Dat hangt samen met de exactheid van de wiskunde en die komt voort uit het feit dat we in de wiskunde stellen dat iets zo is als we willen dat het is. De werkelijke cirkelvormige dingen zijn slechts bij benadering cirkelvormig. In de wiskundige werkelijkheid zijn objecten hetzij gelijk aan elkaar hetzij ongelijk. In de dagelijkse werkelijkheid kunnen dingen ongeveer gelijk zijn. Er zijn vele kleuren die we blauw noemen, maar er is niet zoiets als algemeen blauw, naast alle nuances blauw. Blauw is een abstract begrip, maar anders dan een mathematisch begrip. De kleur blauw verwijst naar een waarneembare eigenschap van de werkelijkheid, terwijl mathematische eigenschappen naar ruimtelijke eigenschappen verwijzen.

Van de wiskundige Kronecker (1823-1891) is de bekende uitspraak dat God de natuurlijke getallen heeft geschapen en dat de mens de andere getallen heeft gecreëerd.

God wordt regelmatig door mensen erbij gehaald als antwoord op een lastige vraag, als schijnoplossing van een schijnprobleem. Volgens Wittgenstein ligt de oorzaak van veel schijnproblemen vaak in een verkeerde opvatting over de taal. De idee is dat wanneer we woorden gebruiken er iets moet bestaan buiten de werkelijkheid van het taalgebruik datr door die woorden wordt aangeduid. Zoals een leeuw bestaat buiten het gebruik van het woord leeuw. Wittgenstein ontkende niet het bestaan van leeuwen, maar wel het bestaan van een vaste kern, iets wat alle leeuwen gemeen hebben en waar het woord leeuw naar zou verwijzen. De soort leeuw is een abstractie. Het is geen object of iets ideëels dat naast de concrete leeuwen bestaat. Wiskundige objecten bestaan niet zoals de waarneembare dingen. De tekens die we gebruiken in de wiskunde verwijzen niet naar objecten. Hun betekenis is in het gebruik ervan. Ze functioneren in het communiceren en worden zo opgenomen in een praktijk.

Mathematische objecten (zoals getallen, structuren) worden wel beschouwd als te ‘bestaan’ als ‘quasi-objecten’ in een quasi-realiteit. Het zijn individuele objecten waarvan de identiteit bepaald is door een algemeen begrip. Getallen zijn quasi-objecten die buiten de realiteit bestaan waarin we tellen. Zoals een maat-eenheid (bijvoorbeeld 1 meter) bestaat buiten de werkelijkheid (de kamer, de tafel) die we meten. De meter zelf is niet iets dat je meet, het is de maat. Zo wordt het getal de maat waarin het aantal van iets wordt uitgedrukt. De quasi-realiteit van de wiskunde is gegrond in een speciale eigenschap van de materiele werkelijkheid, de structureerbaarheid. Deze verwijst naar het vermogen van de mens om de materiële werkelijkheid te structureren, tellen of meten. Door te structureren veranderen we de werkelijkheid niet. Het structureren is ideëel. Het is een denkbeeldige aktiviteit. “Mathematische abstractie is dus eigenlijk het idealiseren van de verdeelbaarheid en ordenbaarheid, kortom de structureerbaarheid van de dingen.” (L.E. Fleischhacker, Wijsbegeerte van het wiskundig denken en de informatietechnologie, Collegedictaat, Universiteit Twente, 1992).

“Wiskundig denken is dus het denken over structuren op een manier alsof ze alleen uit intelligibele materie bestonden. Met andere woorden, denken over iets alsof het structuur is in plaats van dat het structuur heeft.” (idem, p. 18)

Wiskunde is een wetenschap, d.w.z. een aktiviteit waarin wordt nagedacht om kennis, inzicht te krijgen in de werkelijkheid. Het gaat in deze wetenschap dus om kennis te krijgen in een bepaald aspect van de werkelijkheid. De meningen zijn verdeeld over wat nu precies het object van die kennis is. In zoverre wiskunde gaat over objecten die door de mens gemaakt zijn of kunnen worden gemaakt, is het een technische wetenschap. Maar de wiskundige maakt geen machines of werktuigen. Wiskundigen gebruiken en ontwikkelen eigen talen, of liever tekensystemen, waarmee ze rekenen. Maar het zijn geen taalwetenschappers. Hoewel de dingen waarover ze het hebben en die ze bestuderen zelf bedacht zijn zijn wiskundigen geen psychologen. Ook zijn wiskundigen geen logici.