review van Arnold Zuboff, Finding Myself (2025).
Je wordt wakker. Dit gebeuren, zo wordt ons voorgesteld, is de uitkomst van één van twee mogelijke varianten van een wekspel (de ‘awakening game’). Bij de eerste, complexe, variant van het spel wordt duizend keer met een eerlijke munt geworpen. Wanneer de uitkomst, een rij bestaande uit kruis en munt, precies matched met een vooraf gegeven rij, een soort van persoonlijke code die aan jou is toegekend, dan wordt je wakker, anders blijf je voor eeuwig slapen. Bij de tweede, eenvoudige variant, wordt weliswaar ook duizend keer met de eerlijke munt geworpen, maar wat de uitkomstenrij ook is, je wordt altijd wakker.
Je zult moeten toegeven dat het enorm veel waarschijnlijker is dat je wakker worden het gevolg is van de eenvoudige variant van het wekspel dan van de complexe variant. Aldus de Amerikaanse filosoof Arnold Zuboff (1946).
In Finding Myself: Beyond the False Boundaries of Personal Identity (2025) introduceert Zuboff het wekspel als metafoor voor je bestaan, voor het ontwaken van je zelfbewustzijn, ofwel voor wat hij noemt je ‘personal identity’ (je persoonlijke identiteit). Wat hij precies met deze lastige filosofische begrippen: bestaan, zelfbewustzijn en persoonlijke identiteit voor ogen heeft, dat weten we in dit stadium van de introductie van zijn filosofie nog niet. Maar dezelfde logica waarmee we zouden moeten besluiten tot de eenvoudige variant van het spel als verklaring voor het ontwakend ik zouden we volgens hem ook moeten toepassen voor het antwoord op de vraag naar het ontstaan van onze persoonlijke identiteit, op de vraag naar ‘mijzelf’, de vraag ‘wie ben ik?’.
“And in your reasoning regarding personal identity you must apply the exact same logic as you would in the earlier imaginary awakening game. It is enormously more probable that your existence—your awakening to consciousness—had not depended on an absurdly improbable matching of actual winning sperm cells to the sperm cells that were required for you to emerge in a game as hard as the usual view of personal identity.”
De gebruikelijke kijk op ‘personal identity’ komt overeen met de complexe variant van het wekspel. Daarin is je bestaan het resultaat van een ongelooflijk complex proces waarin miljoenen sperma-cellen een wedren houden om als eerste bij de eicel te zijn. Dat proces is weer het resultaat van een eerder proces waarvan het bestaan van je ouders het resultaat waren. En zo kunnen we verder terug gaan naar de voorouders van je voorouders. Het lijkt een kansloze onderneming. Inderdaad, zegt Zuboff. Tegenover deze gebruikelijke, maar zeer onwaarschijnlijke verklaring van de persoonlijke identiteit ontwikkelt hij een theorie die in zekere zin overeenkomt met de eenvoudige variant van het wekspel. Deze theorie noemt hij universalisme.
“The only easy game regarding personal identity is the view I call ‘universalism’, in which you would have existed no matter which sperm cells hit which eggs for the sole reason that an experience being yours only ever requires that the style of the experience be first-person, like the style of the experience that you know to be yours right now.“
Deze ietwat cryptische formulering (ik heb hem in italics gezet) behoeft verduidelijking. Wat bedoelt Zuboff als hij zegt dat een ervaring altijd alleen dan jouw ervaring is als het een ‘first-person’ ervaring is? “Zoals de soort ervaring die je nu hebt en waarvan je weet dat het jouw eigen ervaring is.”, voegt hij ter verklaring toe.
Het is me – ondanks die verklaring – niet helemaal duidelijk op welke vraag Zuboff’s theorie van het universalisme een antwoord moet geven. Maar wat wel helder is, is dat zijn kijk op de zaak gebaseerd is op een waarschijnlijkheidsargument, op een kansspel. In een nog weer vereenvoudigde vorm komt zijn logica neer op het volgende argument. Als je met een eerlijke dobbelsteen gooit is de kans op een zes veel kleiner, namelijk 1/6, dan wanneer je met een dobbelsteen met alleen maar zessen gooit. Die laatste kans is immers 1. Daaruit concludeert Zuboff dat wanneer je een zes gooit de kans dat de dobbelsteen waarmee je gooide de eerlijke dobbelsteen was veel kleiner is dan de kans dat het de dobbelsteen met alleen maar zessen was. Is dat geen goocheltruc? Ik denk het wel. Waar zit hem de misleiding?
Laat E het eerlijke model (de eerlijke dobbelsteen) en Z het eenvoudige model zijn (de steen met alleen zessen). Laat A de gebeurtenis voorstellen waar het ons om gaat: de uitkomst is een zes. Met P(G|M) wordt in het algemeen aangeduid de grootte van de kans op gebeurtenis G als we aannemen dat model M de werkelijkheid beschrijft. Dus, toegepast op het werpen met de dobbelsteen duidt P(A|E) de kans aan dat de uitkomst een zes is, gegeven dat we met een eerlijke dobbelsteen gooien. Die kans is 1/6 want bij een eerlijke dobbelsteen zijn de kansen op elk van de zes mogelijke uitkomsten per definitie evengroot. De kans P(A|Z) is de kans dat de uitkomst zes is wanneer model Z geldt, d.w.z. als we met de dobbelsteen met enkel zessen gooien. Die kans is vanzelfsprekend 1. We weten dus dat P(A|Z) groter is dan P(A|E). Zuboff concludeert hieruit dat de kans dat model Z het juiste model is groter is dan de kans dat model E het juiste model is. Hij vergelijkt dus de kansen P(Z|A), de kans op model Z gegeven de gebeurtenis A met de kans P(E|A) de kans van model E gegeven gebeurtenis A. Zuboff maakt daarmee een – helaas veel voorkomende – denkfout. De kans P(Z|A) is een heel andere dan de kans P(A|Z). Evenzo is de kans P(E|A) een heel andere dan de kans P(A|E). Ter illustratie: de kans dat iemand dood gaat aangenomen dat hij onder een auto is gekomen is een heel andere dan de kans dat de dood van iemand het gevolg is van het onder de auto komen. De eerste is veel groter dan de tweede. In de klassieke, schoolse kansrekening van Pascal, geldt de Regel van Bayes. Deze geeft het verband aan tussen beide conditionele kansen P(G|M) en P(M|G):
P(G | M) = P (M | G) * [ P(G) / P(M) ]
Waarin, P(G) de (apriori) kans is dat G optreedt en P(M) de (apriori) kans dat M optreedt. We hoeven die kansen niet te weten om in te zien dat uit deze formule volgt dat de waarden van P(G|M) en P(M|G) alleen dan gelijk aan elkaar zijn wanneer de waarden van P(G) en P(M) gelijk zijn. Dan is immers de tweede factor van bovenstaand produkt gelijk aan 1. In alle andere gevallen mogen de twee niet verwisseld worden.
In het geval van Zuboff’s wekspel betekent dit dat Zuboff’s omkering van de conditionele kansen P(A|Z) en P(Z|A) en de omkering van de kansen P(A|E) en P(E|A) alleen dan toegestaan zijn wanneer de apriori kansen P(A), P(E) en P(Z) gelijk zijn. Ofwel, wanneer de kans dat model Z optreedt dezelfde is als de kans dat er met een zes gegooid wordt. Zuboff heeft er bij zijn presentatie van het wekspel voor gezorgd dat die twee kansen inderdaad gelijk zijn. In termen van ons vereenvoudigde model: we hebben een dobbelsteen met alleen maar zessen als eenvoudig model genomen juist omdat de gebeurtenis die we willen verklaren het gooien van een zes is. Zuboff formuleert zijn wekspel weliswaar niet in termen van het gooien van een dobbelsteen met enkel zessen, maar het komt op hetzelfde neer. Hij kiest een model dat altijd garant staat voor de vooraf gewenste uitkomst: het doet er in de eenvoudige variant van het spel niet toe welke rij van kruis en munt gegooid wordt.
In hoofdstuk 2 van het artikel herhaald Zuboff nog eens zijn argument.
“Als de hypothese van de eerlijke munt waar is, zou het bewijs zich kunnen hebben voorgedaan. Maar dat bewijs, duizend keer kop, zou, in combinatie met de hypothese van de eerlijke munt, betekenen dat er iets extreem onwaarschijnlijks is gebeurd. En het is onwaarschijnlijk dat er iets onwaarschijnlijks is gebeurd. Daarom kunnen we de hypothese dat de munt eerlijk was als onwaarschijnlijk verwerpen. We weten dat het veel waarschijnlijker is dat de munt gemanipuleerd was. Ik denk dat alle empirische redeneringen op deze manier werken.”
“En het is onwaarschijnlijk dat er iets onwaarschijnlijks is gebeurd.” Het lijkt een tautologie. Maar als iets is gebeurd, dan is dat voldoende bewijs dat het niet zo onwaarschijnlijk was dat het niet kon gebeuren.
Zuboff’s redenering betekent dat iemand nooit op toevallige wijze de hoofdprijs in een loterij kan winnen. De kans daarop is immers zo klein. Volgens dezelfde ‘logica’ werd Lucia de B. verdacht, schuldig bevonden aan de moord op een aantal bejaarden en baby’s en in de gevangenis gestopt. De kans dat de verpleegster Lucia de B. bij alle sterfgevallen in het ziekenhuis dienst had werd volgens de statistische experts zo klein geacht, 1 op 342 miljoen, dat kon geen toeval zijn. Zij moest wel bij de dood van de patiënten betrokken zijn geweest. Toch zegt niemand tegen degene die de Lotto heeft gewonnen: die kans is zo klein, vooruit, achter de tralies.
Zuboff’s verwarrende redenering doet mij denken aan de volgende situaties. Je luistert naar de radio en je hoort de radiopresentratice zeggen: “Wat fijn dat u luistert.” Je vraagt: hoe weet ze dat ik luister (“ik luister nooit naar dit programma”)? Of je staat voor een informatiebord met een plattegrond. Op het bord staat een rode pijl die wijst naar een punt op de plattegrond. Bij de pijl staat te lezen: U bevindt zich hier. Je vraagt: hoe weten ze dat ik hier sta (“ik kom hier nooit”)?
Heeft het zin om je in deze situaties af te vragen hoe groot de kans is dat je juist op dat moment naar de radio luistert of op precies die plek staat van het informatiebord? Nee natuurlijk niet. Wanneer je niet zou luisteren of niet op die plek zou zijn en de mededeling zou lezen dan had je ook niet deze vraag gesteld. Het bord ‘weet’ zeker dat de lezer van de mededeling op de plek staat die op de kaart wordt aangewezen en die overeenkomt, als het bord op de juiste plek staat, met de plek waar de lezer zich in de wereld bevindt. En evenzo: de radio-spreker weet niet dat jij als deze specifieke luisteraar haar “Fijn dat je luistert.” ontvangt. En toch is het zeker dat degene bij wie haar uitspraak overkomt naar haar luistert.
Je vraagt niet als je wakker wordt hoe weet ik dat ik het ben die wakker wordt.
Met de tweede-persoon-aanduidingen ‘je’ en ‘u’ addresseert de spreker of schrijver een willekeurig persoon, waardoor de uitdrukking werkt voor iedereen voorzover deze luistert of de informatie op het bord leest. Iedere individuele persoon is als het om deze situaties gaat inwisselbaar voor elk ander individu. De “you” in Zuboff’s eerste zin van het boek: “Imagine that you wake up and …” staat voor iedere willekeurige lezer van de zin. Evenals ‘Je’ in de eerste zin van dit artikel: “Je wordt wakker.” staat voor ieder ‘ik’ die deze zin leest. De schrijver kan deze vorm gebruiken zonder te weten wie die ik is. Dat is van de kant van de spreker of schrijver volstrekt onbepaald. Maar de lezer of luisteraar die zich aangesproken weet is een concreet ‘ik’ die samenvalt met dat algemeen gestelde ‘jij’ of ‘u’. Die ‘ik’ kan zowel “Jan Janssen”, “Niemand” of “Ulrich” zijn.
Ik vermoed dat Zuboff’s universalisme voorkomt uit een reflectie over dergelijke situaties. Zuboff zoekt zijn heil in een probabilistische redenering.
Zuboff’s denkstijl is typisch modern, eigentijds. Die denkstijl is mathematisch en heeft als (objectieve) keerzijde een mathematisch wereldbeeld. In zo’n wereldbeeld heerst een bepaalde opvatting over wat feiten zijn. Een feit wordt opgevat als een verwerkelijking van een mogelijkheid uit een veld van mogelijkheden. Zoals een gebeurtenis wordt opgevat in de theorie van de waarschijnlijkheidsrekening, de basis van de statistiek. Feiten zijn in het mathematische wereldbeeld niet meer wat ze zijn. Ze zijn functies geworden van omstandigheden. Feiten hadden volgens deze zienswijze ook anders kunnen zijn dan ze zijn. Terwijl we toch zouden moeten zeggen dat als de zon op is gekomen het niet meer zo kan zijn dat hij niet is opgekomen. En als Ceasar de Rubicon over is gestoken dan kan de ontkenning daarvan niet ook het geval zijn. Het feit dat ik wakker wordt, het feit dat ik besta, dat ik hier nu aanwezig ben, kan niet wegverklaard worden tot een complex van omstandigheden. Het feit dát iets is kan niet gereduceerd worden en bepaald worden door de omstandigheden die maken wat het feit inhoudt.
We hebben een existentiëel probleem met de onbeheersbaarheid van de feiten die ons onberedeneerde gevoel van bestaanszekerheid aantasten. Dat bleek onlangs weer. Ik schrijf 29 juli 2026.
In het centrum van Berlijn is tijdens de Gay Pride een busje op een demonstrerende menigte ingereden. Eén dode, negenentwintig gewonden waarvan drie zwaargewond. De vermoedelijke dader wordt opgespoord en doodgeschoten. De man blijkt een ‘bekende van de politie’ te zijn. Hij is eerder opgepakt voor een geweldmisdrijf en veroordeeld. Na een jarenlang traject van reclassering is hij in vrijheid gesteld. De man wordt sindsdien door de veiligheidsdiensten ‘nauwlettend in de gaten gehouden’. Hij zou een de-radicaliseringstraject volgen. De prangende vraag dringt zich op. “Hoe heeft dit kunnen gebeuren?” De Duitse bondskanselier Friedrich Merz sprak er schande van dat dit kon gebeuren terwijl de dader bij de veiligheidsdiensten bekend was. De politicus lichtte in een verklaring voor de media zijn verontwaardiging toe. “Ik begrijp niet hoe ik mijn mobiele telefoon overal in de wereld kan tracken, en die zelfs kan gebruiken om mijn iPad te vinden, maar dat de veiligheidsdiensten niet op dezelfde manier de locatie van een individu kunnen bepalen die een bedreiging vormt”, aldus de bondskanselier.
Treffen de veiligheidsdiensten die we hebben aangesteld om dit soort gebeurtenissen te voorkomen enige blaam? Hebben ze gefaald? De reacties: Je kunt niet op iedere hoek van de straat een agent neerzetten (en wie houdt die agent in de gaten? agenten zijn soms ook geen lieverdjes.) Achteraf is het mooi wonen. Als je alles van te voren wist. Hoe triest ook, we moeten ons neerleggen bij de feiten.
Volgens Zuboff is iedereen in zekere zin iedereen. Zijn theorie leidt tot verrassende conclusies.
So if universalism weren’t true, you can bet you wouldn’t be here. Just as coming into existence is easy, staying in existence is easy. You exist as all conscious things. Therefore, the death of one does not annihilate you. The implications of universalism are very big.
Het mathematisch denken, het denken van de technologie, het denken dat probeert de werkelijkheid exact te voorspellen en tot in de kleinste details te controleren doordringt de werkelijkheid van vandaag de dag. Er lijkt geen grens aan te zijn. Veel schrijvers en filosofen hebben de grenzen van dit denken gezocht. Om tot de conclusie te komen dat die grens niet van binnenuit te bepalen is. De grens ligt buiten het denken. Het zijn de onverwachte onbeheersbare feiten die plotseling oppoppen in de tijd en ons denken tarten.
Helaas, komen we er pas achter dat iets tot de mogelijkheden behoort op het moment dat het feit zich voordoet. De schrijver/filosoof Robert Musil schrijft in zijn monumentale roman De Man zonder Eigenschappen:
“Het is de werkelijkheid die de mogelijkheden wekt, en niets zou zo verkeerd zijn als dat te ontkennen.”
In Hoofdstuk 4 van zijn werk dat als motto heeft ‘Als werkelijkheidszin bestaat, moet mogelijkheidszin ook bestaan’ gaat het over de relatie tussen het mogelijke en het werkelijke. “Een mogelijke ervaring of een mogelijke waarheid is niet gelijk aan een werkelijke ervaring of een werkelijke waarheid minus de waarde van hun werkelijk-zijn, doch ze hebben, tenminste in de ogen van hun aanhangers, iets zeer goddelijks in zich, een vuur, een opwaartse vlucht, een wil om te bouwen en een bewust utopisme dat de werkelijkheid niet schuwt maar juist als een opdracht en een ontwerp behandelt.”
Musil geeft hier een treffende beschrijving van het denken van de moderniteit, waarin het mathematiserende technologische denken heerst. De moderne mens beschikt over mogelijkheidszin: hij denkt bij alles wat zich voordoet, dat het waarschijnlijk ook anders had kunnen zijn. Wat werkelijk is is resultaat van verwerkelijking van een mogelijkheid in een veld van mogelijkheden. De waarde van het mogelijke is volgens deze filosofie vele malen groter dan de waarde van de werkelijkheid. Waarom? Omdat het inzicht in het mogelijke een opdracht inhoudt, een project.
Ulrich, de man zonder eigenschappen, is iedere man. Het is de man die alle mogelijkheden zich te ontplooien tot een persoon in zich heeft. Iedere verwerkelijking van eigenschappen kan hij van zich afstoten zoals een regenjas de regendruppels, zoals de slang zijn slangehuid.
Musil presenteert het onderscheid tussen de ‘waarde van het werkelijk-zijn’ naast de ‘werkelijke waarde’ als een abstract onderscheid dat overeenkomt met het in de mathematische logica (zie het werk van Musil’s tijdgenoten Frege en Wittgenstein) gemaakte onderscheid tussen de propositie en de waarheidswaarde die als iets uitwendigs aan de inhoud van de propositie wordt toegekend. Zo kon op grond van dit abstracte onderscheid Wittgenstein enerzijds zijn bewondering uitspreken over de inhoud van Otto Weiniger’s Geslecht und Charakter : Eine prinzipielle Untersuchung (1903) terwijl hij het er anderzijds volstrekt niet mee eens was wat het Weense genie erin beweerde. “Ik bedoel, globaal gezegd, als je een ~ (het logische negatie-teken, RodA) voor het hele boek zet, drukt het een belangrijke waarheid uit.” schreef Wittgenstein aan zijn Cambridge studiegenoot Moore. De zin op zich drukt de inhoud van de gedachte uit. De waarheidswaarde staat volstrekt buiten de inhoud. “De zin kan onmogelijk van zichzelf zeggen of deze waar is.” zo luidt een stelling uit de Tractatus. De inhoud van een zin, de gedachte, komt overeen met die van zijn negatie. Een zin kan dus qua inhoud geniaal zijn terwijl je deze als onwaar beschouwt.
Musil’s man zonder eigenschappen, denkt over elk van zijn eigenschappen dat ze ook door andere eigenschappen vervangen hadden kunnen zijn zonder dat hij zijn zelf verliest. De hoofdpersoon uit Musil’s filosofische roman lijkt de romantische personificatie van de universele mens zoals die figureert in Zuboff’s universalisme. Ieder individu is een mens zonder eigenschappen.
Niemand minder dan Thomas Nagel, de filosoof die vooral bekend werd door zijn essay What is it like to be a bat? (1974), schreef een kort voorwoord in Zuboff’s ‘very unorthodox book’. Daarin een korte samenvatting van Zuboff’s onorthodoxe theorie:
“Zuboff stelt een radicaal originele opvatting van de geest voor en verdedigt deze met creatieve filosofische argumenten. Volgens deze opvatting is het onderscheid tussen verschillende instanties van zelf – bijvoorbeeld tussen mij en jou – een illusie. Er is slechts één subject van bewustzijn; dit is het subject van al het bewustzijn en is gelijk aan de directe, persoonlijke ervaring die alle bewuste ervaringen delen. De afzonderlijke ervaringsbundels in het leven van verschillende bewuste organismen hebben geen afzonderlijke subjecten, maar delen een universele kwaliteit van subjectieve directheid, die we gemakkelijk kunnen verwarren met een uniek individueel ‘ik’ in ons eigen geval. Om de universaliteit van het ‘ik’ te benadrukken, noemt Zuboff zijn theorie universalisme. Hij maakt dit transformerende idee levendig en begrijpelijk en beargumenteert de waarheid ervan op probabilistische gronden die origineel zijn en van groot filosofisch belang.”
Nagel lijkt wel enige bedenkingen bij de argmentatie te hebben, niettemin acht hij Zuboff’s gedachten belangrijk genoeg om ons in te verdiepen.
“Zowel de conclusie als het argument zullen ongetwijfeld ongelooflijk, zelfs absurd, lijken voor veel lezers, maar het geheel is met zoveel zorg en vaardigheid gepresenteerd dat het als een belangrijke bijdrage moet worden beschouwd, zelfs door zij die niet overtuigd zijn. De relatie tussen de geest en de wereld is zo mysterieus dat het filosofisch gezien niet redelijk is om welke opvatting dan ook, hoe radicaal ook, zomaar van tafel te vegen. De conclusie dat het onderscheid tussen zelven een illusie is, lijkt mij bij voorbaat een even plausibele opvatting als elke andere, en het probabilistische argument voor de conclusie is fascinerend en ingenieus.”
Heeft Nagel werkelijk niet gezien dat het probabilistische argument, dat hij origineel en van groot filosofische belang noemt, een logische denkfout bevat? Of heeft hij uit sympathie voor zijn poging Zuboff willen sparen voor deze kritiek?
Zuboff’s boek dat gratis te downloaden is is alleen al daarom belangwekkend omdat het een denkfout bevat die wijdverbreid is. Zuboff is een filosoof die zoals vele ‘moderne’ filosofen zich niet heeft kunnen wapenen tegen de verleiding van het mathematiserende denken. Kritische analyse van zijn boek kan ons helpen niet in dezelfde logische valkuilen te stappen.
Arnold Zuboff. Finding Myself – beyond the false boudaries of personal identity. Special supplement to Midwest Studies in Philosophy (2025). Met een voorwoord van Thomas Nagel.