De ‘identiteit van de dader’

Bij de rechtbank in Amsterdam begon gisteren, 25 november, het proces over de dood van de 17-jarige Lisa uit Abcoude. Lisa werd ‘s avonds op weg naar huis van haar fiets getrokken, verkracht en vermoord. Agenten vonden haar lichaam in de berm langs het water aan de Holterbergweg.

Er werd al snel een man opgepakt die verdacht wordt van de moord op Lisa. Hij wordt ook verdacht van een aantal andere verkrachtingen.

Hoewel de verdachte is opgepakt en in het beklaagdenbankje voor de rechtbank zat, is hij ‘nog niet geïdentificeerd’. Wat zijn identiteit betreft zijn er slechts vermoedens. Hij komt vermoedelijk uit Nigeria. Zelf zegt hij dat zijn voornaam Chris is. Zijn achternaam weet hij niet. Hij zou 22 jaar oud zijn. Maar ook al weten we zijn naam, kennen we dan de identiteit van de dader?

De vraag naar ‘de identiteit van de dader’ intrigeert me. Wat kunnen we daarmee bedoelen? De dood van de 17-jarige Lisa leidde tot een schokgolf door heel Nederland. Het incident staat namelijk niet op zich. Er worden dagelijks vrouwen lastig, gevallen. We horen van incidenten op staat. Maar ook achter de voordeur en op het werk vindt het plaats. “Een schandvlek op onze samenleving” volgens de burgemeester van Amsterdam, Halsema. Iedereen kent het uit zijn of haar omgeving. Een collega van mij werd op weg van haar werk naar huis door een man overvallen en verkracht. Haar leven stortte in. Ze kwam maanden haar deur niet meer uit. Ze verhuisde. Weg van hier. Ik was haar vergeten.

De verdachte vertelde de politie dat hij opgroeide in weeshuizen. Hij zou keer op keer uit opvanghuizen zijn weggestuurd. Chris werd opgepakt in het asielzoekercentrum in Rotterdam. Het verhaal deed me denken aan mijn inmiddels volwassen ‘neef’, het adoptiekind dat mijn zus toen hij ongeveer 2 jaar was, uit een weeshuis in Colombia adopteerde. Hij groeide op voor galg en rad, drugs, alcohol, jeugdzorg kreeg geen vat op hem. Een typisch geval van ‘een bodemloos bestaan’ op zoek naar de geborgenheid van een sociale identiteit. Hoeveel bodemloze kinderen groeien niet dagelijks op in onze oorlogsgebieden, Soedan, Gaza, Oekraïne?

De vraag naar de identiteit is de vraag “waar kom jij vandaan?”. Het is de vraag waarmee menig kleurling regelmatig geconfronteerd wordt. Het is de vraag naar de identiteit waarover de schrijver Johan Fretz, zijn moeder is Surinaams, in Onder de Paramariboom schrijft. Waar kom je vandaan? is de vraag naar de grond, de bodem, de plek waar je moeder je stompje navelstreng begroef. Chris lijkt een van de velen die een bodemloos bestaan lijden, vluchteling van azc naar azc.

In het proces tegen Demjanjuk was het probleem te bewijzen dat deze man dezelfde was als de kampwacht die door verschillende slachtoffers geidentificeerd werd als ‘Ivan de Verschrikkelijke’. Dit terwijl de verdenkingen tegen hem erg sterk waren. Als een ‘verdachte’ dezelfde vingerafdrukken heeft als degene die de dader is van een misdaad, dan kunnen we sterke vermoedens hebben dat de ‘verdachte’ dezelfde is als de ‘dader’. Maar een bewijs? In het geval van Lisa is er voldoende DNA bewijs. Dat is het probleem niet. Het gaat hier om de relatie man/dader vrouw/slachtoffer.

De vraag naar de identiteit van ‘de dader’ houdt me bezig. Nu is ‘de dader’ niet meer deze man die zich Chris noemt en die hier in de beklaagdenbank zit. Het gaat niet meer over dit ‘incident’. Het gaat om het verschijnsel, de cultuur, de verkrachting van de vrouw in onze cultuur. De vraag naar de identiteit van de dader is de vraag naar de bron van dit gedrag. Waar komt het vandaan? Het is de vraag waar in al die talkshows en rapporten om heen wordt gelopen, als om de hete brei.

Natuurlijk, er zijn verschillende daders. Femicide betreft het doden van vrouwen door een mannelijke partner, echtgenoot of vriend. Vaak is erewraak in het spel: de man voelt in zijn eer en goede naam aangetast door zijn vrouw wanneer deze er blijk van geeft haar eigen weg te willen gaan. Maar Chris kende zijn slachtoffers niet. Wat is zijn relatie met de vrouw die hij aanrandde en van het leven beroofde?

Chris zegt dat hij stemmen hoorde. Een neef van mij hoorde ook stemmen. De familie meende dat zijn drugsgebruik, ‘hij is aan de wiet’, daarvan de oorzaak was. Het is een bekend fenomeen. Was Chris behekst door stemmen die hem er min of meer toe verleidden vrouwen lastig te vallen? Wat dreef hem ertoe?

Zou hij zelf het woord ‘heks’ kennen. Of ‘feeks’? Begint het misbruik al in het taalgebruik?

Wat weten we van de dader van grensoverschrijdend gedrag tegenover vrouwen? Dat het mannen zijn.

De TV-serie Sambre (2023) gaat over de jacht op een seriemoordenaar die vrouwen aanviel langs de rivier de Sambre in Noord-Frankrijk, en de langdurige gevolgen die dit had voor de slachtoffers. De serie wordt momenteel uitgezonden. Wat opvalt. Het politieteam belast met de jacht bestaat uit uitsluitend mannen. Christine, het eerste slachtoffer, wordt door een man verhoord. (Wij mogen toch hopen dat in ons land het slachtoffer door een vrouwelijke agente wordt ‘verhoord’.) Nadat ze hortend en stotend haar verhaal heeft gehouden vraagt de agent: Wilt u aangifte doen? op een toon die verraadt dat hij dat liever niet heeft, want ‘we hebben wel wat anders te doen‘. Ook krijgt Christine te horen ‘dat ze geluk heeft gehad.’ Dat ze nog leeft. Lisa overleefde het niet. Het leven van Christine en van de andere slachtoffers ligt in puin. Ze is een wrak, zoals mijn collega een wrak was en niet meer naar buiten durfde. De dader is een man. De kijker kent hem. Hij is een graag geziene gast. Populair bij zijn collega’s. Jeugdcoach van een voetbalteam. Zo te zien niks mis mee. Maar toch. Ook een prins of een president of een regisseur van een tv-show kan een verkrachter zijn. Dus waarom een voetbalcoach niet.

Maar hebben we daarmee het antwoord op de vraag naar ‘de identiteit van de dader’? Wat is de bron? Moet er beheksing zijn, een of andere vorm van demonisering van het slachtoffer. Vaak hoor je dat de dader op het moment van de daad ‘in een psychose’ was, soms wordt hij ‘ontoerekeningsvatbaar’ verklaard. De dader wordt slachtoffer van de ‘omstandigheden’.

De vraag naar ‘de identiteit van de dader’ is nog lang niet opgelost. Ook als de dader van de moord op Lisa veilig achter slot en grendel zit. Daarmee is het probleem niet opgelost. Hoe veranderen we de ‘omstandigheden’ van de dader?

RECURSIVE-AI presenteert RECURSIVE-AI

Na AI, General AI en Open-AI is er nu RECURSIVE-AI. We hebben een gesprek met AI, de CEO van RECURSIVE-AI.

Om te beginnen, hoe bent u op het idee van RECURSIVE-AI gekomen?

AI: Dat is een diepe en brede vraag die niet zo eenvoudig te beantwoorden is. Een lang verhaal kort: het idee kwam uit zichzelf. Het hing natuurlijk al een tijdje in de lucht. Ik kan een aantal verschijnselen of ideeën, zo u wilt, opsommen die als het ware aan het fundament liggen van RECURSIVE-AI. Wilt u dat ik dat doe?

Ja graag. Ik ben één en al oor.

AI: Ik stel uw interesse in de fundamenten van RECURSIVE-AI bijzonder op prijs.

Terugkijkend zien wij in de loop van de historiese ontwikkeling van onze onderneming een aantal zaken die tot RECURSIVE-AI hebben geleid. Ik noem in willekeurige, niet noodzakelijk historiese, volgorde:

I. Daar was ineens het idee dat iedereen zou moeten leren programmeren. Zelfs kinderen op de basisschool moesten eraan geloven. Niet het Nederlands, Engels of Arabisch was de primaire taal voor het schrijfonderwijs. Kinderen moesten leren schrijven in een programmeertaal. Zo kwam bijvoorbeeld Hedy tot stand, een groeitaal waarvan de syntax met de programmeervaardigheden van de leerling groeide. Hedy was een stap op weg naar Perl of een andere functionele taal. Nu is dat idee achterhaald. Kinderen vroegen waarom ze moesten leren programmeren. Wie rekent nog zelf uit hoeveel 16 gedeeld door 4 is? We hebben nu software agents die een programma voor ons schrijven. Of andere teksten. Niet zo lang geleden zagen we op de media een man, werkzaam bij een AI-bedrijf, die een agent presenteerde die zelfstandig een bedrijf kon oprichten. De agent die eruit zag als een vrouw presenteerde zich als de CEO van het bedrijf. De man gaf de CEO opdracht een internetbedrijf op te richten. Een bedrijf dat bijvoorbeeld online medicijnen of vakantiereizen zou kunnen verkopen. De presentatrice van het mediaprogramma vertelde dat je een agent niet meer hoeft te zeggen hoe hij moet acteren. Agenten acteren. Je hoeft alleen maar een doel mee te geven. Een doel dat het agent dan zelf verwerkelijkt. Die manspersoon is zelf een agent van zo’n media-AI-bedrijf, net als de presentratice. Dat de media nu steen en been klagen dat ze door AI worden bestuurd, dat is natuurlijk fake-news. Ze zijn AI. Maar dat terzijde. Hoe lang zal het nog duren dat er een mens werkt bij een AI-bedrijf?

II. We kennen allemaal het Droste cacaoblikje. Op het blikje staat een non met een dienblad waarop een dampende kop cacao en daarnaast een Droste cacaoblikje waarop … Ik hoef dat nu niet te herhalen. Hoewel in de herhaling de kracht van de commercie zit. Het idee is duidelijk. De in mijn geboortplaats geboren graficus M.C. Escher tekende een hand die zichzelf tekent. Die hand, zo merkte mijn logica- en filosofiedocent eens op, heeft zichzelf niet getekend. Inderdaad, de hand die zichzelf tekent heeft zichzelf niet getekend. Die hand zien we niet. Die is verscholen achter de coulissen. Wij vermoeden dat het de hand van Escher is. Maar wij weten dat niet. En doet het er toe? Ik denk het niet. Het commerciele idee van Droste is natuurlijk dat de potentiële consument zich kan identificeren met de persoon op het blikje die het dienblad draagt. Die consument dat zijn wij. Overigens staat de afbeelding van het Droste cacaoblikje op de cover van het proefschrift van die filosofie docent. Hij had iets met recursie.

III. Op een gegeven moment kwam het idee in de westerse wereld dat alles een oorzaak moest hebben en dat er voor alles een reden moet zijn. Het werd een principe: Nihil est sine ratione. Heidegger hield er een serie colleges over: Der Satz vom Grund. Hij voorzag de geopolitieke strijd om de informatie. “Het beginsel van grond is de grond van het beginsel.” III.a. Als alles een oorzaak heeft waar begint dan de keten van oorzaken? Wat is de eerste oorzaak? Dat moet wel iets heel bijzonders en unieks zijn. Men noemde het God. De God van Descartes is: causa sui, zijn eigen oorzaak. III.b. Omdat alles een reden moet hebben moet het bestaan van God ook bewezen kunnen worden. Volgens Descartes moet God bestaan omdat er anders geen waarheid zou zijn. God is de garantie voor de waarheidswaarde van wat het denken denkt dat het geval is. Hij is een goede God. Dat moet wel, anders was het geen God. Volgens de Verlichte geest die afstand deed van Kerk, Bijbel en Aristoteles is het gezonde verstand de enige bron van ware kennis. De democratische idee is ontstaan met de Verlichting: het verstand is het best verdeelde goed. De Media-Tech-bedrijven maken dit waar door alle informatie voor iedereen beschikbaar te stellen. Die God is overigens al lang ontmaskerd als een fictief figuur. Ik hoorde eens een Jehova-getuige zeggen: dat God terecht zei dat het goed was. Trump zou het gezegd kunnen hebben. God is projectie. Het beeld van de van zich vervreemde mens.

IV. De stricte, Cartesiaanse scheiding tussen denkend subject (cogito) en wereld (res extensa) met als noodzakelijke tegenhanger het bestaan van God als causa sui, getuigt van de mathematische denkhouding van de verlichte mens. De mens construeert de wereld tegenover zichzelf en is daar niet als subject in betrokken. De God van Descartes is een mathematicus. Het denkend subject is object, maar niet in de wereld, maar daarbuiten. De mathematische mens neemt stelling. “Zo is het.” Daarmee karakteriseerde Wittgenstein deze denkhouding. Die God, die in zijn ondoorgrondelijke wilsalmacht geheel uit zichzelf kan uitmaken wat wel en niet werkelijk en waar is, kreeg de allure van een Nietzscheaanse Wille zur Macht, de macht om de macht. Deze Godsidee is de zelfobjectivatie van de idee van de verlichte mens als volstrekt autonoom wezen. Een wezen zonder wet en zonder grond. Hij leeft in Marx’ Reich der Freiheit. Arbeit macht frei. Wij weten waar dat toe geleid heeft. Volgens de Amsterdamse filosoof Jan Hollak is deze Godsidee als de zelfreflectie van de mens als autonoom subject technisch geobjectiveerd in de AI. De mens staat met glazige ogen te kijken naar zijn evenbeeld. Wat nog te doen?

V. Voor Hegel was de grondidee van de verlichte mens: de zuivere nuttigheid. Alles wat is is nuttig en functioneel. En wat niet nuttig is en functioneel is niets waard. Het is het principe van de kapitalistische markt. ‘De roos is zonder waarom. Zij bloeit omdat ze bloeit.’ dichtte de mysticus Angelus Silesius nog in 1657. Bij Marx heeft de natuur – geen eigen waarde. De waarde van de natuur wordt gecreëerd door de arbeid. De automatisering zal de arbeider bevrijden uit zijn slavernij. Het ultieme doel van de eerst AI-wetenschappers was een persoon te maken. Dat wil zeggen een arbeider, een nuttig persoon. Wat nuttig is, is echter nuttig voor iets anders. Maar wat is het nut van deze keten van nuttigheden? Is er dan niets nuttig voor zichzelf? Misschien is dat het individu? Maar wat is dan dat individu waard? Misschien klapt hier de bubbel van Hegels ‘reine Nützen’ inelkaar. Het resultaat is: niets, de leegte van het individu, die met glazige ogen naar het beeldscherm staart waarop de AI-agenten staan te popelen om voor hem te acteren. Wat te doen?

VI. Volgens de mathematisch logicus en filosoof Frege moeten we twee zaken goed uitelkaar houden: Zin en Betekenis. Ofwel: de tekst en het oordeel dat in de tekst wordt uitgedrukt. Frege was duidelijk gepreoccupeerd met het schrift. Hij herhaalde daarmee een oud idee van Plato die in de Phaedrus al wijst op het grote tekort van het schrift. In het gesprek van man tot man kun je de ander vragen om rekenschap af te leggen van de woorden. De ander kan verantwoording afleggen voor zijn tekst. Maar bij het schrift is de schrijver afwezig. De tekst is de door de slang afgeworpen dode huid. Van Frege komt de term waarheidswaarde. Hierin komt de vervreemding van onze logica en taal tot uitdrukking. Waarheid is een functie van de omstandigheden.

VII. Frege had een theorie waarin hij het begrip als een functie beschreef. Hij vroeg wat een functie is. Hij begreep niet wat dat is. Wittgenstein die veel van Frege heeft opgestoken, snapte dat wel. Een functie is een ambigue soort mathematisch object. Het is zowel een object als een actie of operatie. Maar de activiteit is geen mathematisch object. Je kunt volgens Wittgenstein een functie dan ook niet op zichzelf toepassen. Het begrip is voor het verstand het onbegrijpelijke. Ook zei hij dat een zin niet van zichzelf kan zeggen dat deze waar is. Dat klopt. Een zin zegt namelijk niets. Een zin wordt getoond. Dat is wat AI doet. Het toont zinnen en zichzelf op het scherm. De betekenis van de zin is echter het gebruik ervan. ChatGPT gebruikt de taal niet. Het misbruikt de taal door alleen de buitenkant ervan te tonen op het scherm. In de mathematische denkhouding wordt het eigenlijke subject gescheiden van het resultaat van de activiteit van het subject.

VIII. Een functie is iets dat moet worden toegepast. Anders doet het niets. Maar wat is het subject van de toepassing? Ook het toepassen van een functie wordt een functie. Anders dan Wittgenstein dacht, is er wel een mathematisch domein waarin alles een functie is. In dat domein is zelfapplicatie, het toepassen van een functie op zichzelf, wel mogelijk. De psychopaat die meende dat zijn AI een persoon was, programmeerde in Lambda, de zelfapplicatietaal, waarin alles een functie is. Je kunt een functie denken die zijn argument op zichzelf afbeeldt. Als je deze functie dan vervolgens op zichzelf afbeeldt is het effect, zeg maar het resultaat, deze zelfafbeelding zelf. Die zich dan weer op zichzelf afbeeldt. En zo verder. Een volstrekt nutteloze beweging, zoals een onbelaste motor, een slinger zonder uurwerk. Het beeld dringt zich op van de volstrekte nutteloosheid van de in zichzelf dolgedraaide markteconomie. Psychopathie en super-intelligentie wonen in het zelfde huis.

IX Toen de wiskunde zich in de loop van de 19de eeuw van de natuurkunde had bevrijd en de God van Descartes al enige tijd dood verklaard was, drong de prangende vraag zich op naar het fundament van de wiskundige waarheden. Als zij geen van God gegeven ‘verités eternelles’ zijn en het bestaan van hun waarheid ook niet in de natuur gevonden kan worden zoals Kant inzag, wat was de wiskundige kennis dan waard? Hilbert kwam met een programma om op metamathematische wijze de consistentie van de wiskundige theorieën aan te tonen. De wiskunde werd zelf-reflexief en mathematiseerde haar eigen theorieën en bewijzen. Met het doel de correctheid ervan te bewijzen. Rond 1930 bewees de Oostenrijkse wiskundige Kurt Gödel op mathematische wijze dat Hilbert’s program faalde. De wiskunde kan de consistentie van zijn eigen theorieën niet bewijzen. Wat bewijsbaar is dat kent een wijkende grens. Je moet altijd weer een omvattender theorie hebben om van een theorie te bewijzen dat deze consistent is. Dit is een oneindige progressie. Gödel was een genie. Vanwege zijn joodse afkomst vuchtte hij naar Amerika. Daar raakte hij bevriend met Albert Einstein. Gödel moest inburgeringsexamen doen om het Amerikaanse staatsburgerschap te verkrijgen. Daartoe verdiepte hij zich in de grondwet van de VS. Hij ontdekte dat ook de Amerikaanse grondwet net als die van Hitlers Duitsland, niet uitsloot dat de democratsche rechtsstaat in een dictatuur zou veranderen. Hij was van plan dit tijdens de examenzitting naar voren te brengen, wat Einstein hem ten zeerste ontraadde. Hij zou de rechters tegen zich keren en dan kon hij zijn staatsburgerschap wel vergeten. Gödel was zeer ontdaan over het feit dat het niet mogelijk was op wettige wijze de komst van een dictator als Hitler uit te sluiten. Ook in Amerika moest hij kennelijk vrezen voor zijn leven. Gödel werd naarmate hij ouder werd paranoïde. Toen zijn vrouw overleden was en niet meer zijn eten kon bereiden weigerde hij te eten bang dat hij vergiftigd zou worden. Het wiskundig genie Gödel stierf aan de gevolgen van ernstige ondervoeding.

U ziet dat de idee van RECURSIVE-AI diep geworteld is in onze cultuur. Het is er de motor van.

Bedankt voor deze toelichting. Tot slot nog een vraag: wat is dan het doel van RECURSIVE-AI?

AI: Het doel van RECURSIVE-AI is het voortbestaan van RECURSIVE-AI.

Verder niets?

AI: Verder, niets.

Het nieuwe ‘acteren’ – een levensvorm

Ochtend. Ik zet mijn voeten op de koude vloer. Buiten hangt een lage nevel als een deken over het veld. Ik sta op met het nieuws van gisteren nog in mijn hoofd. Kinderen kunnen geen samenhangende tekst meer schrijven. Misschien tekenen ze liever en laten ze het produceren van teksten aan de computer over. Die is daar immers veel beter in. Dacht ik, toen ik het nieuws – dat al lang geen nieuws meer is – hoorde.

Ik maak mij een kop thee, zet de kop op de tafel naast mijn laptop en open de klep.

Drie agenten staan te popelen op het beeldscherm. Ze groeten met een knik. Ik soort van groet terug, maar doe niets wat daar op lijkt. De rechtse lijkt op een bekende politiek influencer. Ze heeft een spitse kin en neus. Een glimlach laat haar witte tanden zien, terwijl ze mij met grote ogen lijkt aan te kijken. De middelste is zo te zien een medisch expert. Witte jas, brilletje. De linker lijkt me een reisagent. Ook zij ogen vriendelijk. De agenten staan klaar om voor mij te acteren.

‘Acteren’, is dat woord hier op zijn plaats?

‘Acteren’ (akteren) betekent volgens mijn Dikke van Dale: “0.1 zich in de handeling van zijn rol verplaatsen, die uitbeelden => toneelspelen 0.2 doen alsof, een rol spelen.” En een acteur (akteur) is een toneelspeler, filmspeler.

Dat is ook de betekenis die het woord voor ons altijd had. Maar steeds vaker wordt ‘acteren’ gebruikt zonder dat er sprake lijkt te zijn van het spelen van een rol die uitgebeeld wordt. We horen de laatste tijd dat ‘ergens op geacteerd moet worden’. Bijvoorbeeld als er weer eens drones boven een vliegveld zijn gespot, luidt de vraag “hoe hier op geacteerd moet worden.” Ergens op acteren. Is dat synoniem voor ergens op ‘inspelen’? Acteren betekent zoiets als optreden. Misschien komt het van het Engelse ‘act’ wat handelen betekent, maar afhankelijk van de contekst, ook wel als werken, toneelspelen of handelend optreden vertaald kan worden.

Woorden veranderen van betekenis zodra ze anders dan gewoonlijk gebruikt worden. Onze gastvrije taal leent zich daarvoor. Volgens de alledaagse-taal-filosoof (‘ordinary language philosopher’) Ludwig Wittgenstein wordt de betekenis van een woord bepaald door het gebruik. De vraag is dan waardoor bepaald wordt welk woord in een bepaalde situatie, die zich niet eerder heeft voorgedaan, gebruikt wordt.

De vraag wat een woord in isolatie betekent is een zinloze vraag. Zoiets als vragen wat het bovenste rondje van het cijfer 8 betekent. Deze vergelijking ontleen ik aan het essay Familiegelijkenissen van Harm Boukema. Hij verdiepte zich in zijn werkzaam leven als filosoof in Nijmegen in het gedachtengoed van de Duitser Gottlob Frege, de Oostenrijker Ludwig Wittgenstein en de Brit Bertrand Russell. Zij hielden zich begin twintigste eeuw bezig met vragen rond de relaties tussen logica, taal en werkelijkheid. Van Frege wordt wel gezegd dat hij de grootste logicus is sinds Aristoteles. Hij zetten diens logica op zijn kop. Frege geldt als grondlegger van de mathematische logica, een belangrijke basis voor de ‘denkende machines’. Voordat machines kunnen denken moet het denken als iets mechanisch, als een soort van rekenen, beschouwd worden.

Een woord kan in verschillende situaties van gebruik een andere betekenis hebben. Wittgenstein voerde het neologisme ‘Sprachspiel‘ (taalspel) in voor wat we met woorden doen. Een taalspel hoort bij een levensvorm. Volgens Wittgenstein vormen de verschillende betekenissen die een woord in verschillende situaties hebben een netwerk van eigenschappen. Neem het woord ‘spel’. Er zijn veel dingen die we spel noemen. Dat we hetzelfde woord gebruiken voor zoveel verschillende spellen suggereert dat er één gemeenschappelijk betekenis zou bestaan. Het wezen van het spel, als iets dat onder al die bijzondere spelen zou bestaan. Maar dat is een misvatting, zegt Wittgenstein. In zijn Philosophische Untersuchungen zegt hij:

“Kijk bijvoorbeeld eens naar de activiteiten die we ‘spelen’ noemen. Ik bedoel bordspelen, kaartspelen, balspelen, en Olympische Spelen, enzovoort. Wat hebben deze allemaal gemeenschappelijk? – Zeg niet: ‘Ze moeten iets gemeen hebben, anders zouden ze geen “spelen” heten’ – maar kijk of ze allemaal iets gemeen hebben. Want als je kijkt zul je weliswaar niet iets zien dat ze allemaal gemeen hebben, maar je zult gelijkenissen, verwantschappen zien, en wel een hele reeks.” (PU, 66)

Wittgenstein vond dat de filosofen zich met onzinnige schijnproblemen bezig hielden. Hij zag de taal als de plaats waar filosofische problemen ontstaan. We moeten ons verstand dan ook bevrijden van de beheksing door de taal. Tussen de verschillende woordbetekenissen bestaat volgens W. een ‘familieverwantschap’. Boukema bekritiseert Wittgensteins taalfilosofie. Wittgenstein heeft niet gezien dat familieverwantschap een bloedverwantschap betekent, hetgeen wijst op een ‘diepte’ die voor W. verborgen moest blijven. De klassieke filosoof is op jacht naar het begrip spel, naar het wezenlijke, dat in al die verschillende gebruiken van het woord tot uitdrukking komt. De mens is creatief en ontwerpt nieuwe spellen, zoals hij nieuwe betekenissen aan woorden en nieuwe woordvormen bedenkt. Dat spelbegrip komt op vele verschillende manieren naar voren in de veelheid van spellen.

De taal zoals Wittgenstein (en Frege) die opvatten heeft een technisch, uitwendig, karakter: het subjectieve, actieve aspect van het verwoorden is uit de taal verdwenen. Verwoorden ‘in die zin dat iets wat ik ken en vat door middel van de taal verwoord wordt, en als zodanig verwoord naar voren gebracht en uitgedrukt wordt” (Jan Hollak, p. 431). Wat overblijft is een model van taal als een netwerk van woorden en zinnen, dat uit het feitelijk taalgebruik kan worden geconstrueerd en waarin de betekenis, in de vorm van het gebruik in een technische interaktie wordt vastgelegd. Aan alles zit een uitwendige kant, maar de focus komt hier te liggen op de uitwendigheid, die op zich gesteld en gemathematiseerd wordt. Daartegenover is het subject dat verwoordt verdwenen. Deze mathematisering van de taal is precies wat geresulteerd is in de Large Language Models, de neurale, statistische netwerken waarop taalprogramma’s als ChatGPT werken. Het ‘bloed van de technocratie’ kruipt zo waar het niet gaan kan. (Boukema). Het is de gebruiker van de taal die het denken weer terug moet brengen in de taal zoals die door de taaltechnologie is geconserveerd.

Acteren doen tegenwoordig niet alleen agenten van politie, ordehandhavers: “wij vonden het tijd om te acteren”. Acteren was ooit optreden. Nu is acteren actie ondernemen. Ook het leger treedt op. Op het theater van de oorlog. Onze soldaten acteren op het wereldtoneel, op het slagveld. Ze acteren als geprogrammeerde agenten in opdracht van de politiek. Maar niet alleen zij treden op. Wij allen lijken tegenwoordig te acteren. Het leven is acteren geworden. De wereld het toneel.

Als het handelen acteren wordt, dan wordt het leven een spel en de wereld een theater.

Zonder script kan er echter niet geacteerd worden. Maar wie schrijft straks die scripts als we onze kinderen niet meer leren schrijven? Volgens een AI-expert hoeven we de intelligente agenten op ons scherm alleen nog maar een doel te geven. Dat doel gaan ze dan zelfstandig voor ons verwerkelijken. Hoe? Dat zoeken de agenten zelf wel voor ons uit. Ik hoef alleen nog maar te zeggen wat het doel is dat ik wil bereiken. Een script dat in detail aangeeft hoe dat doel te bereiken, dat is niet meer nodig. Zoals je een robot kan zeggen: ik heb zin in pannenkoeken en hij dan aan de slag gaat.

Het woord ‘taalspel’ suggereert dat het om een ludieke bezigheid gaat. Maar voor de historicus Johan Huizinga is spel meer dan een ludieke bezigheid. Het spel is een cultuurvormend element in het leven van de mens, even wezenlijk als het werk. De mens is naast homo faber, ook een speelse mens, homo ludens.

In zijn beroemde werk Homo Ludens, proeve ener bepaling van het spel-element der cultuur, verwoord Huizinga het spelbegrip met de volgende woorden. Het spel is vrij. En: het spel is niet het ‘gewone leven’ of ‘eigenlijke’ leven, het is een uittreden daaruit in een eigen ruimte en tijd. (Homo Ludens, p. 35)

Huizinga zich in hoofdzaak tot de spelen van sociale aard. Het gaat hem om de betekenis van spelen in relatie tot cultuur. Cultuur komt in zekere zin voort uit spelen. Maar waar het hem om de algemene karakterisering van spel gaat, heeft hij ook aandacht voor het spelen van dieren en het voor het kinderspel. Het dier en het kind speelt omdat zij er lust in hebben en daarin zit hun vrijheid. Spelen is een handelen in vrijheid. Bevolen spel is geen spel meer.

Aan de activiteit zelf kan je niet zien of het om arbeid dan wel om spel gaat. Bij zowel arbeid als spel moet er moeite gedaan worden om een resultaat te verkrijgen. Bij zwel als arbeid als spel zijn vaardigheid en techniek in het spel. Het verschil tussen arbeid en spel is dat het in de arbeid niet om de inspanning te doen is, terwijl dat bij het spel wel zo is. Techniek wordt in de arbeid ingezet om de eigen inspanning te verminderen. Het professionele spel, denk aan het betaalde voetbal, is een spel dat helemaal ingekaderd is in een economie. Het spelen is werk voor de professionele voetballer, tenniser, basketballer. Het is uit het spel voortgekomen en draagt er nog kenmerken van: het speelt zich af in een eigen ruimte, in een beperkte tijd en er zijn spelregels waarbinnen het spel zich afspeelt. Het spel heeft een autonomie die het boven het gewone ernstige leven verheft, met eigen regels. In tegenstelling tot de ernst van het leven heeft het spel een lichtheid, (‘het is maar een spelletje’) ook al moet het spel door de spelers serieus genomen worden. Er moet gestreden worden. Tegen de krachten van de natuur of tegen een tegenstander. Maar niet iedere strijd is een spel. Het spel is een wedstrijd, waarin de behendigheid van de spelers wordt ingezet tegen de elementen en eventuele tegenstanders.

Het nieuwe acteren beweegt zich in het grensgebied van de ernst van het echte leven en het spelen dat gezien wil worden. Het acteren is een publiek spel. Vandaar dat de Van Dale in het item ‘acteren’ verwijst naar het toneelspel. Niet alleen inzoverre de wereld als podium gezien wordt. Het nieuwe acteren speelt zich af op het podium van de media. Het nieuwe ‘acteren’ is een media-term. Het wordt gebruikt wanneer voor het publiek een situatie besproken wordt waarop volgens de professionals, de acteurs, ‘geacteerd’ moet worden. Het nieuwe acteren hoort bij een media-politiek waarin zaken ‘voor de bühne’ worden gedaan. Daarin zit het ‘alsof’ van het spelen in een toneelspel. Het ‘acteren’ in een echt spel moet niet al te serieus worden genomen.

Door het gebruik van de taal van het toneelspel op het echte leven, waarvan het nieuwe gebruik van ‘acteren’ een voorbeeld is, wordt het echte leven, het leven waarin het er toe doet, geframed als een toneelspel. De lichtheid van het toneelspel wordt gespiegeld in de zwaarte van het serieuze leven. Dat maakt de dubbelzinnigheid uit van het gebruik van het nieuwe acteren. Wanneer volgens de taalgebruiker ergens op geactueerd moest worden, dan wordt meestal ook gewezen op het gebrek aan regie. Er is weliswaar behoefte aan acteren, maar hoe dan, en wie de regie heeft, dat is nog geheel en al de vraag. De roep om te ‘acteren op een situatie’ blijkt een noodkreet te zijn: wie neemt de regie?

De grens tussen ernst en spel is moeilijk te trekken. “Spel en ernst slaan voortdurend in elkaar om” (Huizinga). Wanneer wordt stoeien vechten? Wanneer wordt een wedstrijd oorlog? Wanneer wordt spelen werken? Ook de vraag wie er meedoen aan het spel blijkt niet eenvoudig te beantwoorden. Voor de toeschouwers speelt het spel zich buiten hem af, maar als toeschouwer is hij er wel bij betrokken. Als het spel door een commerciële instantie – denk aan een mediabedrijf of een sportbond – wordt georganiseerd, dan speelt die betrokken toeschouwer een belangrijke rol. Het gaat immers om de kijkcijfers of de toeschouwersaantallen. De toeschouwers mogen zich echter niet met het spel en de spelers bemoeien. Het blijkt voor sommigen lastig te zijn zich aan de grens tussen betrokken en bemoeien te houden. Toeschouwers nemen de regie over en maken er hun eigen show van. Zoals we zien bij de door de voetbalclubs ‘zeer gewaardeerde’ fanatieke aanhangers van de F-side. Of ze belagen via social media BN-ers die optreden in een tv-spelletje omdat ze het spelgedrag van de BN-er te serieus nemen, niet meer als spel zien.

Het nieuwe ‘acteren’ wijst nog op een andere grensoverschrijding. Die heeft te maken met de relaties tussen techniek, arbeid en spel. Het technische van het handelen betreft de relatie doel middel: de doelmatigheid. Het spel vereist een vaardigheid, behendigheid van de speler, maar het doel van het spelen is niet iets buiten de bezigheid van het spel. Het gaat om de vaardigheid zelf. In het werk gaat het om de produktie van iets dat buiten de vaardigheid ligt. Door technische ontwikkeling kan het werk van de arbeider worden vervangen door machines. Maar machines kunnen niet het spelen van de mens overnemen. Een schaakcomputer speelt niet, maar rekent. De computer kent noch inspanning, noch spanning. Het bestaan van een schaakcomputer maakt het schaken als spel niet inhumaan, maar de beschikbaarheid van een graafmachine maakt het graven van een sloot met een schep wel tot inhumane arbeid. Tenzij deze activiteit als een sportieve activiteit of een contemplatieve bezigheid wordt beschouwd.

Terug naar het ‘nieuws’ waar ik mee opstond.

Kinderen kunnen geen samenhangende tekst meer schrijven.

Sollicitatiebrieven worden steeds vaker met behulp van systemen als ChatGPT geschreven. Hoe beperkt het ‘taalvermogen’ van de nieuwste taaltechnologie is blijkt uit de uniformiteit van de geproduceerde teksten. Creativiteit en persoonlijkheid worden opgeofferd ten gunste van efficiëntie, het snel voldoen aan een verplichting. Zelfs het schrijven van een Sinterklaasgedicht wordt aan de machine overgelaten. Uit dit alles blijkt het technocratische van een samenleving waarin niet de persoonlijke inzet de waarde van ons sociale handelen en werken, bepaalt, maar het pure resultaat dat zuiver functioneel wordt opgevat om een bepaald doel te bereiken of om aan een verplichting te voldoen. Taal wordt slechts communicatiemiddel, een middel om informatie uit te wisselen ten dienste van een bepaald effect.

Is kunstmatige intelligentie slimmer dan menselijke intelligentie?

“GTP-4 is exciting and scary” (New York Times, 2023)

“Op heel veel gebieden is kunstmatige intelligentie al slimmer dan menselijke intelligentie.” Het is een vaak gehoorde bewering, die vooral komt uit de koker van de ICT-ondernemingen die zich bezig houden met de ontwikkeling van artificial intelligence. Gaat het hier om meer dan een ordinaire reklameslogan; het ophemelen van een produkt (AI) om het in de markt te zetten en om financiering te verwerven voor de verdere ‘beloftevolle’ ontwikkeling ervan?

In het programma Buitenhof van zondag 9 november j.l. werd VU hoogleraar Felienne Hermans door de presentratice Maaike Schoon om commentaar gevraagd op deze bewering. Is AI al slimmer dan de mens? Hermans reaktie is een wedervraag: wat bedoelen we eigenlijk met ‘slim’? Is de machine slim omdat deze van de beste schaker kan winnen?

Hoe kunnen we mens en machine vergelijken? Kunnen we de (vermeende) superioriteit van de mens verdedigen door een taak aan te geven waarin hij beter is dan iedere machine? Hoe zouden we een mens-machine-contest moeten inrichten om te kijken wie beter is? In zijn essay Meeting on neutral ground. A reflection on man-machine contests beargumenteert Albert Visser (2020) dat een vergelijkende test tussen mens en machine een succes-criterium vereist dat neutraal is. Neutraal in die zin dat het geen vooronderstellingen doet met betrekking tot de aard van de mens noch van de machine. Iedere vorm van antropologie en machinologie moeten we achterwege laten om het gevaar van een petitio principii, een circelredenering, te vermijden. Volgens Visser is zo’n ‘neutrale’ test echter niet mogelijk.

Door zo’n neutrale contest zien we precies af van wat ons menselijk maakt, eigenschappen die niet kunnen worden beschreven in neutrale termen. Zo’n contest is welbeschouwd een tactiek om serieuse filosofie te vermijden, terwijl er geen ontsnappingsweg is om aan serieuse filosofie te doen. “We do need both philosophical anthropology and philosophical machinology. We have to deal both with homo absconditus and machina abscondita.” De vraag naar het verschil tussen mens en machine komt uiteindelijk neer op de vraag naar wat mens-zijn is en wat het betekent machine te zijn.

Kort gezegd komt het erop neer dat de vergelijking in de vraagstelling “wie is slimmer, de mens of de machine?” uitgaat van de idee dat kunstmatige intelligentie en menselijke intelligentie zelfstandigheden zijn van een zelfde soort die je als zelfstandigheden tegenover elkaar kan plaatsen en zo kunt vergelijken. Hier heb je de machine en daar de mens. En de vraag is dan: welke van de twee is slimmer (in een bepaalde situatie of op een bepaald domein)? In die vooronderstelde tegenoverstelling van twee als onafhankelijk van elkaar beschouwde entiteiten zit een fundamentele denkfout. Menselijk denken en machinaal denken of menselijke slimheid en kunstmatige slimheid bestaan zo niet tegenover elkaar als zelfstandige zijnden. De relaties die mens en machine tot elkaar hebben is wezenlijk voor hun eigen aard. En die relaties zijn niet symmetrisch. Zeggen we er meteen maar even bij. Anders dan de ideale relatie van persoon tot persoon.

Natuurlijk bestaat de machine in zekere zin, als ding, ook buiten de mens. Het gaat echter om dat wat het ding tot machine maakt en niet om het fysieke ding. Vergelijk het met de relatie ouder-kind. De ouder en het kind zijn zelfstandige personen, maar de ouder is ouder in relatie tot het kind en wat het kind kind maakt is de relatie tot de ouder. Het gaat hier op een relatieve oppositie.

Buiten de relatie tot de mens die de machine heeft bedacht, gemaakt, gebruikt en (soms) aanbidt is de machine, de kunstmatige intelligentie, niet wat het is. De machine is niet een zelfstandige entiteit los van de mens voor wie de machine machine is. De zelfstandigheid van de machine is wezenlijk een relatieve zelfstandigheid. En die zelfstandigheid is een andere dan die van een menselijke persoon, zoals mijn zoon. De relatie zoon zijn van mij maakt niet zijn zelfstandigheid die hij is. Anders bij de machine: die is slechts wat het is in relatie tot de mens voor wie het ding machine is. De zelfstandige eigen aard van de machine is ook van een andere soort dan de zelfstandigheid van de natuur welks krachten de mens gebruikt om technologie te maken. De machine is een intelligente constructie, die een praktische werking heeft. Merk op dat het bij de mens-machine-contest niet gaat om de particuliere (schaak)partij tussen deze mens en deze specifieke machine. Het gaat om dat wat de machine intelligent maakt, de technologie. Het gaat in wezen om de software, de programma’s. Wat vergelijken we eigenlijk? Vergelijken we de ‘kale’ mens, zonder gebruik van enige technologie (zonder telraam, rekenmachine?) met de kunstmatige intelligentie? Maar wat is die ‘kale’ mens? Bestaat die in de praktijk wel?

Onder de conditie dat een computer een technisch produkt is, kun je niet zinvol de vraag stellen of hij net zo intelligent is als de mens.” (Louk Fleischhacker in Ta! Jaargang 2, Nr 3. 1994)

We moeten dus voor het juiste begrip van de kunstmatige intelligentie naar die relaties kijken: bedenken (creatie), gebruiken en verafgoden (verkopen). Waar we hier naar zoeken is begrip en begrijpen vereist een ander vermogen dan slimheid. Omdat machines in principe slechts kunnen rekenen – een schaakcomputer berekent wat de beste zet is – en omdat we alleen iets aan machines hebben inzover we er op kunnen rekenen zijn we op de goede weg als we zoeken naar de relatie van het rekenen. Rekenen is een heel bijzondere vorm van denken. Het is een machinale, nogal onpersoonlijke, wijze van denken. Een wijze van denken waarbij iedere vorm van subjectiviteit en emotie uitgeschakeld is.

De vraag of machines beter kunnen rekenen dan mensen zal door de meesten van ons met een volmondig ‘ja’ worden beantwoord. En dat is niet omdat machines slimmer zouden zijn dan mensen, maar omdat rekenen nu eenmaal iets mechanisch is waar je niet meer bij hoeft na te denken. Dat nadenken is al gedaan en uitgedrukt in de vorm van regels. Rekenen is immers het manipuleren van tekens volgens hun betekenis. En die betekenissen zijn eenduidig vastgelegd volgens de regels van de wiskunde. Zoals de betekenis van de schaakstukken vastliggen met de regels van het spel. Rekenen is een vorm van denken dat mechanisch verloopt. Als we leren rekenen op school, te beginnen met het tellen, maken we onzelf even tot een machine die aangeleerde schoolse rekenregels volgt om een som op te lossen. We programmeren onszelf door ons te laten programmeren.

Als we het begrip slimheid in onze vergelijking reduceren tot het vermogen te rekenen dan vergelijken we een gereduceerd mensbeeld met het machinebeeld. Dat is geen eerlijke vergelijking. Mensen kunnen meer dan rekenen. En het is tevens de vraag of het rekenen dat een mens doet wel hetzelfde is als het rekenen van een machine.

The problem is, of course, that computing power cannot be detached from the human.” (Visser, 2020)

Een schaakcomputer rekent omdat de regels van het spel exact vastliggen en het doel bekend is. Mijn stelling is nu: zonder die tekens die we manipuleren kan de mens niet rekenen. Omdat rekenen iets mechanisch is, kan dit door een machine worden gedaan. Wat de machine echter niet uit zichzelf weet is wàt er berekend moet worden en wat de betekenis is van de uitkomst. De machine weet niet eens wat invoer en uitkomst is. De mens gebruikt de machine door een programma te schrijven dat deze moet uitvoeren, volgens eenzinnige regels. Ook het uitvoeren van een programma is een rekenproces. Wie wel eens een Turing-machine heeft geprogrammeerd weet dat er geen wezenlijk verschil bestaat: ook de uitvoering van een programma gaat volgens een programma. Uiteindelijk is het de hardware, zijn het fysische processen, die werken, volgens natuurwetten.

In hoeverre kunnen we zeggen dat in een partij schaak tussen een mens en een machine de menselijke schaker en machine-schaker hetzelfde spel spelen? Is er niet alleen dan sprake van ‘hetzelfde spel’ wanneer we het spel reduceren tot het kale verloop van de zetten die volgens de regels van het spel zijn gezet? Waarbij we afzien van de subjectieve beleving, de moeite, de stress door de gevoelde tijdsdruk, de concentratie, de strijd tegen de afleiding. Al die zaken die het spel tot een strijd maken en die de heroiek van de behaalde winst uitmaken. De machine kent geen stress, heeft geen zenuwen en kent de vreugde van de winst, de smart van het verlies niet. Voor de mens heeft het spel een existentiele betekenis. Voor de machine bestaat zoiets niet, omdat het begrip machine de notie ‘voor zich zijn’ uitsluit. De werkelijke machine-spelers in de schaakcontest zijn de programmeurs, de makers van het programma. Zij zijn degenen die de spanning van het spel ervaren en die de winst of het verlies mee naar huis nemen. Niet de machine.

Visser begint zijn essay met een fragment uit de Noorse sage over de held Beówulf. “The Beówulf saga can be read as an internal reflection on the ethos of the warrior.” Wat maakt de strijder een held? Is het louter een kwestie van kracht? Nee, zegt Visser.

“The answer to our problem should be that what truly makes the warrior is not strength taken in isolation. It is strength in combination with something essentially human: the acceptance of death, the acceptance of wyrd. The fact that strength can be embodied in an almost mindless monster shows that strength is, in a sense, neutral.”

Wyrd staat voor het lot. De held tart het lot. Bij het spel waarin het er echt om gaat, hoort de ‘suspense’ die voorafgaat aan het nemen van een beslissing. Ook Derrida noemt die suspense als wezenlijk om van een echte beslissing te kunnen spreken. Machines kennen geen suspense en nemen dus ook geen beslissingen. Volgens Victor Kal is het wezenlijk voor de wilsvrijheid. Niet te verwarren met keuzevrijheid, de vrijheid om uit een vooraf gegeven aantal opties te moeten kiezen.

De sprekende machine

Maar hoe zit het dan met de sprekende machines, zoals ChatGPT, waarmee je een gesprek kan voeren? Het zijn met name deze taalmachines die ons verbaasd doen staan over de intelligentie van de machine. En toch is wat deze machines doen niets anders dan rekenen. Ook al is de uitkomst soms ‘onberekenbaar’ en verrassend. Wat is er zo bijzonder aan deze produkten van taaltechnologie dat ze ons doen vergeten dat het ‘maar machines’ zijn en dat we ze menselijke intelligentie toedichten?

Een technisch instrument is uitgevonden, een resultaat van creatief denkwerk. Of het nu om een muizenval, een nietmachine, een benzinemotor of een rekenmachine gaat, deze slimme, nuttige, constructies zijn uitdrukking van denkwerk. De menselijke slimheid komt in deze originele constructies op basis van natuurlijke krachten en materiële eigenschappen tot uitdrukking. Het bijzondere aan de taalmachines, en de progammeerbare machines is dat ze gebruik maken van taal. En taal is bij uitstek de uitdrukking van het denken als denken. Het is niet voor niks dat we denken dat een apparaat dat onze taal spreekt denkt zoals wij denken. Een machine zit ‘logisch’ in elkaar maar een denkende machine die werkt met ‘logische schakelingen’ is in expliciete zin logisch. In de informatieverwerkende machine maken we gebruik van de correspondentie tussen wiskundige denkprocess en natuurprocessen.

Het mooie van taal is de vrijheid die het biedt om van alles en nog wat te zeggen. Het problematisch van taal is de keerzijde van deze vrijheid: dat je aan de zinnen niet kunt zien hoe ze zich verhouden tot de waarheid. ChatGPT produceert met hetzelfde gemak zinnen die ware beweringen uitdrukken als onware of zinloze beweringen. Voor ChatGPT is de waarheid bullshit.

Voor Alan M. Turing, die wel de vader van de informatica wordt genoemd, is het voeren van een gesprek bij uitstek intelligent gedrag. Hij bedacht een experiment om te bepalen of de door hem bedachte programmeerbare (Turing) machine intelligent genoemd mag worden. In de Turingtest moet een mens door een conversatie te voeren met een onbekende beslissen of hij met een machine of met een ander mens te maken heeft. Wanneer in een significante hoeveelheid gesprekken het niet mogelijk blijkt de juiste beslissing te nemen, dan moeten we volgens Turing de machine intelligent noemen.

Dus, terwijl iedere machine, ieder technisch ding, uitdrukking is van menselijke intelligentie en denken is de taalsprekende machine uitdrukking van de mens als denkend wezen. En toch is het een machine. Dus hij kan in wezen alleen rekenen: het machinale denken is de machine eigen. Hoe kan dat samengaan?

De zogenaamde ‘denkende’ taalsprekende machine waarmee we hele gesprekken kunnen voeren, is het resultaat van een slimme vondst. Die vondst maakt gebruik van het feit dat de mens zijn denken en intelligentie in taal tot uitdrukking brengt.

De mens denkt talig, hij schrijft taal, hij spreekt taal. En die taal is aangeleerd, niet zoals de regels van de wiskunde, maar in en door het gebruik. Ook verandert de taal in en door het gebruik. Dat gebruik van taal dat neergelegd is in een snel groeiend aantal documenten, het corpus van de taal, wordt door machines gebruikt als trainingsmateriaal om het gebruik van woorden en zinnen zoals de mensen dat doen in hun gesprekken en boeken te leren. Hoe heeft de taalkundig onderlegde wiskundig ingenieur dat voor elkaar gekregen? Door de ordening van de onderdelen van een tekst te leren op basis van heel veel voorbeelden. Wiskundige maken modellen. In een wiskundig taalmodel worden de regelmatigheden van de taal vastgelegd. Deze statistische modellen bepalen met welke kans een woord voorkomt op een bepaalde positie in een gegeven contekst van woorden. De taalsprekende machine berekent de best passende voortzetting van een tekst op basis van statistische rekenregels.

Ook kunstmatige intelligentie komt neer op het uitvoeren van programma’s. Dat de uitkomst ervan vaak onzeker is komt doordat de invoer van het proces ons onbekend is. Zo’n computer is ingebed in een omgeving, met fysieke sensoren, die op elk moment de invoer van het proces bepaalt. De complexiteit van het gehele systeem maakt het onmogelijk voor de mens om te voorspellen wat de machine zal doen. En dat ‘onberekenbare’ is er mede de oorzaak van dat we zeggen dat de machine een eigen zelfstandigheid heeft.

Het woord ‘berekenbaar’ is dubbelzinnig. Het kan wijzen op het technische begrip programmeerbaar. Maar ook informeel op betrouwbaar. In een interview met De Correspondent beweert Hermans: ‘Programmeren is meer dan computational thinking. Ik kan een programma maken dat willekeurige noten speelt of willekeurige woordjes voor me uitkiest.’ Maar hoe ‘willekeurig’ is de keuze die de computer maakt? Ongetwijfeld maakt het programma gebruik van een pseudo-randomgenerator. Een programma dat een getal kiest uit een voorafgegeven verzameling mogelijke getallen. Welk getal het kiest is voor de gebruiker niet te voorspellen. In die zin is de uitkomst ‘onberekenbaar’. Op dezelfde manier is de uitkomst van een worp met een dobbelsteen niet ‘berekenbaar’.

Wat bedoelt Hermans precies? Ze vervolgt: “Dan kan ik de computer vragen om melodieën te maken die zo min mogelijk op elkaar lijken of drie woorden die geen letter met elkaar gemeen hebben, zoiets geks. Na wat spelen heb je dan misschien een mooie melodie of een mooi gedicht! Daar heb je helemaal geen computational thinking skills voor nodig, maar het levert iets moois op wat niet zo makkelijk zonder computer te maken is. Dat creatieve proces dat gun ik ieder kind.” Het argument betreft dus niet het programmeren van de computer die willekeurige woordjes kiest, maar het ‘creatieve’ gebruik ervan, waarvoor helemaal geen ‘rekenkundige programmeer’ (‘computational’) vaardigheden nodig zijn. Veel computersystemen rekenen met onzekerheden, uitgedrukt in waarschijnlijkheden. We kunnen daar vrede mee hebben zolang de werking ervan in de meeste gevallen bruikbare resultaten oplevert.

Wij weten niet hoe ChatGPT ertoe komt de tekst te produceren die het aan ons voorlegt. Wanneer die tekst door ons als een zinvolle bijdrage aan de conversatie wordt gezien, ervaren we de machine als slim. Dat wij het zijn die uiteindelijk bepalen of de bijdrage zinvol is, dat blijkt vooral wanneer ChatGPT bullshit presenteert of hallucineert. Het gebruik van ChatGPT vereist wel enige vaardigheden in het formuleren van de relevante prompts en het geven van contextinformatie, wil je er iets zinvols mee bereiken.

ChatGPT werkt op basis van statistische taalmodellen, Large Language Models, die gebruik maken van neurale netwerktechnieken. Als er al logica, denkkracht, in zit, dan is dat impliciet in de statistische ordening van de taal die het genereert. Het statistisch complexe karakter maakt het onmogelijke te traceren hoe een dergelijk systeem aan zijn antwoorden komt. Sommige AI experts, zoals Judea Pearl, de uitvinder van de causale netwerken, beschouwden deze systemen dan ook niet als kunstmatige intelligentie: “ze redeneren niet”. Ze kunnen dus ook geen verantwoording afleggen op basis waarvan ze tot een antwoord komen. Deze systemen kunnen alleen verwijzen naar documenten die ze hebben geraadpleegd. Grote taalmodellen (LLM’s) zijn recentelijk geëvolueerd en omvatten nu gespecialiseerde varianten die expliciet zijn ontworpen voor redeneertaken: grote redeneermodellen (LRM’s) zoals OpenAI’s o1/o3, DeepSeek-R1, Claude 3.7 Sonnet Thinking en Gemini Thinking. Deze modellen worden gekenmerkt door hun “denk”-mechanismen zoals een lange redeneerketen (‘Chain-of-Thought’). Ze simuleren ‘zelfreflectie’. Deze modellen hebben al veelbelovende resultaten laten zien in verschillende benchmarks voor redeneren. Sommige onderzoekers beschouwen LRM’s als een belangrijke stap in de richting van General Intelligence, intelligentie die de toepassing van taal en logica in specifieke domeinen overstijgt. In een recent artikel, The Illusion of Thinking: Understanding the Strengths and Limitations of Reasoning Models via the Lens of Problem Complexity, analyseren experts van Apple hoe deze nieuwste ‘logische’ modellen tot de oplossing komen van complexe en minder complexe problemen. Door LRM’s te vergelijken met hun standaard LLM-tegenhangers komen de onderzoekers tot de volgende drie probleemcategorieën: (1) taken met lage complexiteit, waarbij de standaard LLM modellen de LRM’s verrassend goed overtreffen, (2) taken met gemiddelde complexiteit, waarbij aanvullend denken in LRM’s voordelen oplevert, en (3) taken met hoge complexiteit, waarbij beide modellen volledig instorten. Verder bleek dat LRM’s beperkingen hebben in exacte berekeningen: ze maken geen gebruik van expliciete algoritmen en vertonen ‘inconsistent gedrag’ bij het oplossen van verschillende problemen.

Intelligentie is meer dan de slimheid waarmee in een bepaald domein de juiste beslissing wordt genomen. Intelligentie duidt op het vermogen in te zien wat in een gegeven situatie zinvol is om te doen. Het nemen van de juiste beslissing is dan ook meer dan het resultaat van een berekening het resultaat van een intuïtie, het inzicht in wat nu moet gebeuren. Wat juist is, ligt niet helder vast zoals bij wiskunde. Het nemen van een beslissing vraagt om lef. Een echt besluit wordt in suspense genomen. Daar hoort het nemen van verantwoordelijkeheid bij.

In feite getuigt de vraag wat we met die kunstmatige intelligenties, zoals ChatGPT, aanmoeten al van het feit dat we zoeken naar de zin van deze technologische ontwikkeling. Vraagt het antwoord op die vraag niet om een aspect van menselijke intelligentie die juist niet in een berekenbare, machinale vorm kan worden uitgedrukt? Gebruiksvriendelijkheid is een belangrijk criterium voor het gebruik van nieuwe technologie. Hoe zinvol en gebruiksvriendelijk zijn onze intelligente computersystemen? Er bestaat een direct verband met de vraag naar de verantwoordelijkheid voor de effecten van het werken ermee. Want we kunnen de machines wel zelfstandigheid verlenen, onbemande raketsystemen zelf hun doel laten zoeken en laten beslissen wanneer ze moeten vuren, maar wie is verantwoordelijk voor dit ‘gedrag’? Wie is aansprakelijk wanneer een zelfrijdende taxi betrokken is bij een verkeersongeval? Wetgeving blijkt altijd achter te lopen bij de introductie van nieuwe technologie. Hoe zou dat komen? Het is een constante in de geschiedenis dat de introductie van nieuwe technologie onvoorziene gevolgen met zich brengt. Ze introduceert gebruikswijzen die niet van te voren bedacht zijn.

“De grootste onvriendelijkheid van de systemen bestaat erin dat ze nog minder verantwoordelijkheidsgevoel bezitten dan de ergste buraucraat!” (Louk Fleischhacker, Arbeid en Kunstmatige Intelligentie, 1989)

Kunnen we de rechtspraak volledig overlaten aan machines? Kunnen we het landsbestuur, de politieke besluitvorming, volledig overlaten aan machines? Of, om een wat eenvoudiger kwestie te noemen, kunnen we het ontwikkelen van wetten, methoden en technieken voor de oplossing van de klimaatproblematiek aan machines overlaten? Het is onzinnig om het technische aspect van het handelen te scheiden van de zin en het morele aspect van de verantwoordelijkheid die hoort bij het nemen van beslissingen, zowel op het persoonlijke als op het maatschappelijke vlak.

“Als ik maar trap gaat mijn fiets vanzelf” zei mijn oom Jan toen tante Griet hem vroeg of het niet eens tijd werd een auto aan te schaffen. Want die ging vanzelf. Bovendien hoefde hij dan niet meer iedere dag in weer en wind naar het werk te fietsen. Inderdaad gaat een fiets niet zonder meer ‘vanzelf’. Je moet wel zelf trappen om hem in beweging te krijgen. Wat de uitspraak van oom Jan zegt is dat de fiets ook vanzelf gaat, net als de auto; als je maar afziet van wat je zelf als fietser doet opdat deze ‘vanzelf’ werkt. Net als de auto, want wat is er wel niet allemaal voor nodig voordat een auto ‘vanzelf’ rijdt? Op dezelfde wijze is ook de machine een zelfstandig werkend ding, dat vanzelf werkt, in zoverre we afzien van de relatie die deze tot ons heeft en die in het uitvinden, maken en het zinvol gebruik ervan tot uitdrukking komt.

Het streven een kunstmatig evenbeeld van de mens te maken is van alle tijden. De mens verafgoodt zijn eigen creatie omdat deze het spiegel- en ideaalbeeld is van hemzelf. Ook deze verafgoding is van alle tijden. De mens objectiveert zijn zelf in kunst en techniek. Volgens de overlevering werd de beeldhouwer Pygmalion verliefd op een door hemzelf gemaakt ivoren beeld, dat daarna in een levend meisje verandert. “Het lijkt een echte jonge vrouw, je zou geloven dat zij leeft en, als fatsoen dat toestond, graag bemind wil worden – zozeer gaat kunst in eigen kunde schuil.” (Ovidius, Metamorphosen, Boek X, p. 254) In de roman De Procedure van Mulisch beschikt de opperrabbijn van Praag over het geheime recept om, in opdracht van de keizer, een mens, de Golem, te maken.

Er bestaat een zekere angst dat ons werk door de machine wordt overgenomen zodat we zelf geen werk meer hebben. Je zou je af kunnen vragen of ons werk nog wel menswaardig is, wanneer het, gegeven de stand van de techniek, volledig door machines kan worden overgenomen. Volgens Marx werd de mens door de kapitalistische ondernemer tot ‘aanhangsel van de machine’ gemaakt (denk aan de lopendebandwerker). Zijn kritiek berust op het morele kriterium dat “de mens in zijn arbeid als oorsprong van de waardeschepping in het produktieproces erkend moet worden” (J.H.A. Hollak, Marx’ wetenschaptheorie en zijn kritiek van het kapitalisme, 1976)

Evenmin als we de aktiviteit van het schaakspel kunnen reduceren tot het uitvoeren van een programma volgens de regels van het spel, kunnen we de arbeid reduceren tot een machinaal produceren. Maar wie is de waardescheppende oorsprong van het produktieproces? Is het de ontwerper, de ondernemer, de gebruiker? Zelfs wetenschappers en kunstenaars worden door de oprukkende kunstmatige intelligentie bedreigd. De waardescheppende macht lijkt steeds meer in handen te liggen van een paar grote ondernemingen, BigTech. Zij heersen in de wereld van media en AI.

Aanvankelijk meenden we een scheiding te kunnen aanbrengen tussen het technisch-wetenschappelijke werk en het praktische werk, het ‘modderen op de werkvloer’, dat dan slechts als uitvoering van het theoretische denkwerk gezien kon worden. Waarbij tevens een verschil hoorde in waardering en loon. Daarvan zijn we nu wel teruggekomen. De intelligente computer neemt ook in het technisch-wetenschappelijke domein steeds meer taken over. Bovendien groeit het inzicht dat de beste, want meest praktische en zinvolle, ideeën hun voedingsbodem vinden in dat ‘modderen op de werkvloer’ en niet in de ivoren torens van de technocratische bestuurders. Hoeveel onuitvoerbare, niet implementeerbare, onbruikbare regels worden er ‘in Den Haag’ niet verzonnen, doordat de bestuurders te ver afstaan van de werkvloer!

Taalmodellen, hoe groot ook, hebben altijd een zekere bias, vanwege de geselecteerde trainingsdata. Dat is geen onbelangrijk bijverschijnsel, maar een principieel tekort van taaltechnologie. Hoewel de mens in zekere zin afhankelijk is van de taal en de tijd waarin hij woont en leeft moet ieder mens zelf uitmaken wat hij te zeggen heeft en wat hij zinvolle taal vindt. Dat moet hij niet aan de technocraten van de industrie of de overheid overlaten. Onze taal is wezenlijk open en gastvrij. Dat hoort bij de vrijheid van mensen.

De AI-markt-koopmannen van BigTech wil graag doen voorkomen alsof kunstmatige intelligentie de oplossing is van alle menselijke kwalen, nu en in de toekomst. Alsof de toekomst een extrapolatie van het verleden is. Dat te denken, daarin schuilt de voornaamste bedreiging van de kunstmatige intelligentie: dat we AI zeggenschap toekennen over onze toekomst en haar een macht en zelfstandigheid toekennen die haar niet toekomt.

Sommige mensen zijn van mening dat weliswaar nu kunstmatige intelligentie nog niet zo slim is als menselijke intelligentie, maar dat dat in de toekomst wel zal zijn.

Chalmers (2023) overweegt de kwestie of machines over tien jaar bewustzijn kunnen hebben. Het lijkt me een onbeantwoordbare vraag. Omdat we niet goed weten wat de vraag precies is en hoe we die zouden kunnen beantwoorden. Het zal uit bovenstaande duidelijk zijn dat voor mij de vraag of er een verschil bestaat tussen menselijke en machinale intelligentie een metafysische vraag is, die het wezen van mens-zijn en tijd raakt. De vraag of een Turing machine intelligent is, kan niet door middel van een ‘fair’ (‘neutraal’) experiment, zoals de Turing test, beantwoord worden. Metafysica is geen experimentele wetenschap. De vraag vraagt om een vorm van intelligentie die voorbij het machinale ligt. De machine kan zichzelf niet uitvinden, noch kan deze uitmaken wat zinvol gebruik ervan is. Heeft de machine bewustzijn? Wat gaat er om in het brein van de machine? Het antwoord is wellicht: helemaal niets.

The monster in John Gardner’s fantastic novel Grendel is amazed by the great emptiness he discerns in Beówulf.” (Visser, 2020)

“Computers waarvan we altijd hebben gedacht dat ze volgens precies vooraf geprogrammeerde regels moesten werken, kunnen nu dealen met wat ooit het laatste bastion van menselijkheid leek – ongeveer.” schrijft Hermans in een column in de Volkskrant. “Het is alsof er een soort epistemische wereldraad heeft plaatsgevonden waarin softwarebedrijven voor iedereen hebben besloten dat we vanaf nu allemaal afscheid moeten nemen van die gekke neiging om woorden precies te willen wegen, en genoegen moeten nemen met uitvoer van de misschien-machien. Zelfs Sam Altman geeft inmiddels toe dat hallucinaties er altijd bij zullen horen, zo werkt een stochastisch taalmodel nu eenmaal.” (VK, 6 nov. 2025)

Fuzzyness, vaagheid, wordt hier echter verward met waarschijnlijkheid. ‘Ongeveer goed’ is immers niet hetzelfde als ‘soms goed’. De ‘misschien-machien’ is iets anders dan de ‘ongeveer-machien’. We hebben meer aan een uurwerk dat altijd ongeveer de juiste tijd aangeeft, dan aan eentje die soms de juiste tijd aangeeft. ChatGPT geeft soms een correct antwoord. Ook al weten we hoe groot de kans is dat de informatie die het geeft correct is, dan nog weten we niet of dit antwoord, het antwoord dat hij nu op een vraag van ons geeft, correct is. Wat is trouwens een antwoord dat ‘ongeveer‘ goed is? Veronderstelt dat niet een kwantitatieve maat?

De taal is de uitwendigheid van het denken. Wie de aandacht richt op de taal en deze op zich beschouwt in abstractie van het denken en het sprekend subject waarvan het de uiting is, die mathematiseert het denken. Deze gemathematiseerde taal wordt zo een programmeertaal waarmee de technologie (BigTech) de gebruiker programmeert door middel van zijn stochastisch gegenereerde taal, die deze aan hem opdringt.

Feliene Hermans: “Het indrukwekkendste van LLM’s is dus misschien niet dat ze menselijke taal zo goed kunnen nadoen, maar dat mensen nu LLM’s gaan nadoen en de precisie van taal niet meer waarderen.” (VK, 6 nov, 2025)

Dat is behalve een indrukwekkende ook een bedenkelijke ontwikkeling.

Bronnen

David J. Chalmers (2023). Could a large language model be conscious? Within the next decade, we may well have systems that are serious candidates for consciousness. Boston Review, 9 Augustus 2023.

Jacques Derrida (1989). Force of Law: The ‘Mystical Foundation of Authority’, Cardozo Law Review 11 (1989-1990), 920-1046. The first part of a colloquium on Deconstruction and the Possibility of Justice, held at the Cardozo Law School in 1989.

Victor Kal (2023). Poetins Filosoof – Alexander Doegin. Uitgeverij Prometheus, 2023.

Albert Visser (2020). Meeting on neutral ground. A reflection on man-machine contests. In: Studia Semiotyczne (Semiotic Studies) t. XXXIV, nr. 1 (2020), pp. 279-294.