Het nieuwe ‘acteren’ – een levensvorm

Ochtend. Ik zet mijn voeten op de koude vloer. Buiten hangt een lage nevel als een deken over het veld. Ik sta op met het nieuws van gisteren nog in mijn hoofd. Kinderen kunnen geen samenhangende tekst meer schrijven. Misschien tekenen ze liever en laten ze het produceren van teksten aan de computer over. Die is daar immers veel beter in. Dacht ik, toen ik het nieuws – dat al lang geen nieuws meer is – hoorde.

Ik maak mij een kop thee, zet de kop op de tafel naast mijn laptop en open de klep.

Drie agenten staan te popelen op het beeldscherm. Ze groeten met een knik. Ik soort van groet terug, maar doe niets wat daar op lijkt. De rechtse lijkt op een bekende politiek influencer. Ze heeft een spitse kin en neus. Een glimlach laat haar witte tanden zien, terwijl ze mij met grote ogen lijkt aan te kijken. De middelste is zo te zien een medisch expert. Witte jas, brilletje. De linker lijkt me een reisagent. Ook zij ogen vriendelijk. De agenten staan klaar om voor mij te acteren.

‘Acteren’, is dat woord hier op zijn plaats?

‘Acteren’ (akteren) betekent volgens mijn Dikke van Dale: “0.1 zich in de handeling van zijn rol verplaatsen, die uitbeelden => toneelspelen 0.2 doen alsof, een rol spelen.” En een acteur (akteur) is een toneelspeler, filmspeler.

Dat is ook de betekenis die het woord voor ons altijd had. Maar steeds vaker wordt ‘acteren’ gebruikt zonder dat er sprake lijkt te zijn van het spelen van een rol die uitgebeeld wordt. We horen de laatste tijd dat ‘ergens op geacteerd moet worden’. Bijvoorbeeld als er weer eens drones boven een vliegveld zijn gespot, luidt de vraag “hoe hier op geacteerd moet worden.” Ergens op acteren. Is dat synoniem voor ergens op ‘inspelen’? Acteren betekent zoiets als optreden. Misschien komt het van het Engelse ‘act’ wat handelen betekent, maar afhankelijk van de contekst, ook wel als werken, toneelspelen of handelend optreden vertaald kan worden.

Woorden veranderen van betekenis zodra ze anders dan gewoonlijk gebruikt worden. Onze gastvrije taal leent zich daarvoor. Volgens de alledaagse-taal-filosoof (‘ordinary language philosopher’) Ludwig Wittgenstein wordt de betekenis van een woord bepaald door het gebruik. De vraag is dan waardoor bepaald wordt welk woord in een bepaalde situatie, die zich niet eerder heeft voorgedaan, gebruikt wordt.

De vraag wat een woord in isolatie betekent is een zinloze vraag. Zoiets als vragen wat het bovenste rondje van het cijfer 8 betekent. Deze vergelijking ontleen ik aan het essay Familiegelijkenissen van Harm Boukema. Hij verdiepte zich in zijn werkzaam leven als filosoof in Nijmegen in het gedachtengoed van de Duitser Gottlob Frege, de Oostenrijker Ludwig Wittgenstein en de Brit Bertrand Russell. Zij hielden zich begin twintigste eeuw bezig met vragen rond de relaties tussen logica, taal en werkelijkheid. Van Frege wordt wel gezegd dat hij de grootste logicus is sinds Aristoteles. Hij zetten diens logica op zijn kop. Frege geldt als grondlegger van de mathematische logica, een belangrijke basis voor de ‘denkende machines’. Voordat machines kunnen denken moet het denken als iets mechanisch, als een soort van rekenen, beschouwd worden.

Een woord kan in verschillende situaties van gebruik een andere betekenis hebben. Wittgenstein voerde het neologisme ‘Sprachspiel‘ (taalspel) in voor wat we met woorden doen. Een taalspel hoort bij een levensvorm. Volgens Wittgenstein vormen de verschillende betekenissen die een woord in verschillende situaties hebben een netwerk van eigenschappen. Neem het woord ‘spel’. Er zijn veel dingen die we spel noemen. Dat we hetzelfde woord gebruiken voor zoveel verschillende spellen suggereert dat er één gemeenschappelijk betekenis zou bestaan. Het wezen van het spel, als iets dat onder al die bijzondere spelen zou bestaan. Maar dat is een misvatting, zegt Wittgenstein. In zijn Philosophische Untersuchungen zegt hij:

“Kijk bijvoorbeeld eens naar de activiteiten die we ‘spelen’ noemen. Ik bedoel bordspelen, kaartspelen, balspelen, en Olympische Spelen, enzovoort. Wat hebben deze allemaal gemeenschappelijk? – Zeg niet: ‘Ze moeten iets gemeen hebben, anders zouden ze geen “spelen” heten’ – maar kijk of ze allemaal iets gemeen hebben. Want als je kijkt zul je weliswaar niet iets zien dat ze allemaal gemeen hebben, maar je zult gelijkenissen, verwantschappen zien, en wel een hele reeks.” (PU, 66)

Wittgenstein vond dat de filosofen zich met onzinnige schijnproblemen bezig hielden. Hij zag de taal als de plaats waar filosofische problemen ontstaan. We moeten ons verstand dan ook bevrijden van de beheksing door de taal. Tussen de verschillende woordbetekenissen bestaat volgens W. een ‘familieverwantschap’. Boukema bekritiseert Wittgensteins taalfilosofie. Wittgenstein heeft niet gezien dat familieverwantschap een bloedverwantschap betekent, hetgeen wijst op een ‘diepte’ die voor W. verborgen moest blijven. De klassieke filosoof is op jacht naar het begrip spel, naar het wezenlijke, dat in al die verschillende gebruiken van het woord tot uitdrukking komt. De mens is creatief en ontwerpt nieuwe spellen, zoals hij nieuwe betekenissen aan woorden en nieuwe woordvormen bedenkt. Dat spelbegrip komt op vele verschillende manieren naar voren in de veelheid van spellen.

De taal zoals Wittgenstein (en Frege) die opvatten heeft een technisch, uitwendig, karakter: het subjectieve, actieve aspect van het verwoorden is uit de taal verdwenen. Verwoorden ‘in die zin dat iets wat ik ken en vat door middel van de taal verwoord wordt, en als zodanig verwoord naar voren gebracht en uitgedrukt wordt” (Jan Hollak, p. 431). Wat overblijft is een model van taal als een netwerk van woorden en zinnen, dat uit het feitelijk taalgebruik kan worden geconstrueerd en waarin de betekenis, in de vorm van het gebruik in een technische interaktie wordt vastgelegd. Aan alles zit een uitwendige kant, maar de focus komt hier te liggen op de uitwendigheid, die op zich gesteld en gemathematiseerd wordt. Daartegenover is het subject dat verwoordt verdwenen. Deze mathematisering van de taal is precies wat geresulteerd is in de Large Language Models, de neurale, statistische netwerken waarop taalprogramma’s als ChatGPT werken. Het ‘bloed van de technocratie’ kruipt zo waar het niet gaan kan. (Boukema). Het is de gebruiker van de taal die het denken weer terug moet brengen in de taal zoals die door de taaltechnologie is geconserveerd.

Acteren doen tegenwoordig niet alleen agenten van politie, ordehandhavers: “wij vonden het tijd om te acteren”. Acteren was ooit optreden. Nu is acteren actie ondernemen. Ook het leger treedt op. Op het theater van de oorlog. Onze soldaten acteren op het wereldtoneel, op het slagveld. Ze acteren als geprogrammeerde agenten in opdracht van de politiek. Maar niet alleen zij treden op. Wij allen lijken tegenwoordig te acteren. Het leven is acteren geworden. De wereld het toneel.

Als het handelen acteren wordt, dan wordt het leven een spel en de wereld een theater.

Zonder script kan er echter niet geacteerd worden. Maar wie schrijft straks die scripts als we onze kinderen niet meer leren schrijven? Volgens een AI-expert hoeven we de intelligente agenten op ons scherm alleen nog maar een doel te geven. Dat doel gaan ze dan zelfstandig voor ons verwerkelijken. Hoe? Dat zoeken de agenten zelf wel voor ons uit. Ik hoef alleen nog maar te zeggen wat het doel is dat ik wil bereiken. Een script dat in detail aangeeft hoe dat doel te bereiken, dat is niet meer nodig. Zoals je een robot kan zeggen: ik heb zin in pannenkoeken en hij dan aan de slag gaat.

Het woord ‘taalspel’ suggereert dat het om een ludieke bezigheid gaat. Maar voor de historicus Johan Huizinga is spel meer dan een ludieke bezigheid. Het spel is een cultuurvormend element in het leven van de mens, even wezenlijk als het werk. De mens is naast homo faber, ook een speelse mens, homo ludens.

In zijn beroemde werk Homo Ludens, proeve ener bepaling van het spel-element der cultuur, verwoord Huizinga het spelbegrip met de volgende woorden. Het spel is vrij. En: het spel is niet het ‘gewone leven’ of ‘eigenlijke’ leven, het is een uittreden daaruit in een eigen ruimte en tijd. (Homo Ludens, p. 35)

Huizinga zich in hoofdzaak tot de spelen van sociale aard. Het gaat hem om de betekenis van spelen in relatie tot cultuur. Cultuur komt in zekere zin voort uit spelen. Maar waar het hem om de algemene karakterisering van spel gaat, heeft hij ook aandacht voor het spelen van dieren en het voor het kinderspel. Het dier en het kind speelt omdat zij er lust in hebben en daarin zit hun vrijheid. Spelen is een handelen in vrijheid. Bevolen spel is geen spel meer.

Aan de activiteit zelf kan je niet zien of het om arbeid dan wel om spel gaat. Bij zowel arbeid als spel moet er moeite gedaan worden om een resultaat te verkrijgen. Bij zwel als arbeid als spel zijn vaardigheid en techniek in het spel. Het verschil tussen arbeid en spel is dat het in de arbeid niet om de inspanning te doen is, terwijl dat bij het spel wel zo is. Techniek wordt in de arbeid ingezet om de eigen inspanning te verminderen. Het professionele spel, denk aan het betaalde voetbal, is een spel dat helemaal ingekaderd is in een economie. Het spelen is werk voor de professionele voetballer, tenniser, basketballer. Het is uit het spel voortgekomen en draagt er nog kenmerken van: het speelt zich af in een eigen ruimte, in een beperkte tijd en er zijn spelregels waarbinnen het spel zich afspeelt. Het spel heeft een autonomie die het boven het gewone ernstige leven verheft, met eigen regels. In tegenstelling tot de ernst van het leven heeft het spel een lichtheid, (‘het is maar een spelletje’) ook al moet het spel door de spelers serieus genomen worden. Er moet gestreden worden. Tegen de krachten van de natuur of tegen een tegenstander. Maar niet iedere strijd is een spel. Het spel is een wedstrijd, waarin de behendigheid van de spelers wordt ingezet tegen de elementen en eventuele tegenstanders.

Het nieuwe acteren beweegt zich in het grensgebied van de ernst van het echte leven en het spelen dat gezien wil worden. Het acteren is een publiek spel. Vandaar dat de Van Dale in het item ‘acteren’ verwijst naar het toneelspel. Niet alleen inzoverre de wereld als podium gezien wordt. Het nieuwe acteren speelt zich af op het podium van de media. Het nieuwe ‘acteren’ is een media-term. Het wordt gebruikt wanneer voor het publiek een situatie besproken wordt waarop volgens de professionals, de acteurs, ‘geacteerd’ moet worden. Het nieuwe acteren hoort bij een media-politiek waarin zaken ‘voor de bühne’ worden gedaan. Daarin zit het ‘alsof’ van het spelen in een toneelspel. Het ‘acteren’ in een echt spel moet niet al te serieus worden genomen.

Door het gebruik van de taal van het toneelspel op het echte leven, waarvan het nieuwe gebruik van ‘acteren’ een voorbeeld is, wordt het echte leven, het leven waarin het er toe doet, geframed als een toneelspel. De lichtheid van het toneelspel wordt gespiegeld in de zwaarte van het serieuze leven. Dat maakt de dubbelzinnigheid uit van het gebruik van het nieuwe acteren. Wanneer volgens de taalgebruiker ergens op geactueerd moest worden, dan wordt meestal ook gewezen op het gebrek aan regie. Er is weliswaar behoefte aan acteren, maar hoe dan, en wie de regie heeft, dat is nog geheel en al de vraag. De roep om te ‘acteren op een situatie’ blijkt een noodkreet te zijn: wie neemt de regie?

De grens tussen ernst en spel is moeilijk te trekken. “Spel en ernst slaan voortdurend in elkaar om” (Huizinga). Wanneer wordt stoeien vechten? Wanneer wordt een wedstrijd oorlog? Wanneer wordt spelen werken? Ook de vraag wie er meedoen aan het spel blijkt niet eenvoudig te beantwoorden. Voor de toeschouwers speelt het spel zich buiten hem af, maar als toeschouwer is hij er wel bij betrokken. Als het spel door een commerciële instantie – denk aan een mediabedrijf of een sportbond – wordt georganiseerd, dan speelt die betrokken toeschouwer een belangrijke rol. Het gaat immers om de kijkcijfers of de toeschouwersaantallen. De toeschouwers mogen zich echter niet met het spel en de spelers bemoeien. Het blijkt voor sommigen lastig te zijn zich aan de grens tussen betrokken en bemoeien te houden. Toeschouwers nemen de regie over en maken er hun eigen show van. Zoals we zien bij de door de voetbalclubs ‘zeer gewaardeerde’ fanatieke aanhangers van de F-side. Of ze belagen via social media BN-ers die optreden in een tv-spelletje omdat ze het spelgedrag van de BN-er te serieus nemen, niet meer als spel zien.

Het nieuwe ‘acteren’ wijst nog op een andere grensoverschrijding. Die heeft te maken met de relaties tussen techniek, arbeid en spel. Het technische van het handelen betreft de relatie doel middel: de doelmatigheid. Het spel vereist een vaardigheid, behendigheid van de speler, maar het doel van het spelen is niet iets buiten de bezigheid van het spel. Het gaat om de vaardigheid zelf. In het werk gaat het om de produktie van iets dat buiten de vaardigheid ligt. Door technische ontwikkeling kan het werk van de arbeider worden vervangen door machines. Maar machines kunnen niet het spelen van de mens overnemen. Een schaakcomputer speelt niet, maar rekent. De computer kent noch inspanning, noch spanning. Het bestaan van een schaakcomputer maakt het schaken als spel niet inhumaan, maar de beschikbaarheid van een graafmachine maakt het graven van een sloot met een schep wel tot inhumane arbeid. Tenzij deze activiteit als een sportieve activiteit of een contemplatieve bezigheid wordt beschouwd.

Terug naar het ‘nieuws’ waar ik mee opstond.

Kinderen kunnen geen samenhangende tekst meer schrijven.

Sollicitatiebrieven worden steeds vaker met behulp van systemen als ChatGPT geschreven. Hoe beperkt het ‘taalvermogen’ van de nieuwste taaltechnologie is blijkt uit de uniformiteit van de geproduceerde teksten. Creativiteit en persoonlijkheid worden opgeofferd ten gunste van efficiëntie, het snel voldoen aan een verplichting. Zelfs het schrijven van een Sinterklaasgedicht wordt aan de machine overgelaten. Uit dit alles blijkt het technocratische van een samenleving waarin niet de persoonlijke inzet de waarde van ons sociale handelen en werken, bepaalt, maar het pure resultaat dat zuiver functioneel wordt opgevat om een bepaald doel te bereiken of om aan een verplichting te voldoen. Taal wordt slechts communicatiemiddel, een middel om informatie uit te wisselen ten dienste van een bepaald effect.

Published by

admin

Rieks op den Akker was onderzoeker en docent kunstmatige intelligentie, wiskunde en informatica aan de Universiteit Twente. Hij is gepensioneerd.