“I believe we are all the same person.” (Arnold Zuboff)
“Zo schijnt het dat er vele bewuste wezens in de wereld zijn, maar deze zijn slechts weerspiegeling van het ene oerbewustzijn.” (Louk Fleischhacker)
Ik was m’n fiets kwijt. Ik weet zeker dat ik met de fiets naar de bibliotheek was gekomen. Toen ik naar huis wilde gaan was hij weg. Ik deed aangifte bij de politie. Hebt u goed gekeken?, vroeg de agent, ze willen nog wel eens fietsen verplaatsen. Ik heb overal gezocht. Hij zal wel gestolen zijn. Hoe ziet uw fiets eruit? Kunt u een beschrijving geven? Een zwarte damesfiets, met handremmen en vier versnellingen. Merk? Gazelle, geloof ik. Hebt u een framenummer van de fiets? Nee. Hmm, kunt u bijzondere kenmerken geven. Nee, ik zou niet weten wat. Een sticker of zo? Nee, geen sticker. Hoe kun je je fiets zoeken, als je niet weet hoe hij eruit ziet? Ik kan hem niet precies beschrijven, maar als ik hem zie dan weet ik zeker dat het mijn fiets is.
Ik was nogal ontdaan toen mijn eerste fiets gestolen was. Waarom zijn we zo ontdaan wanneer we van ons eigendom beroofd wordt? Hoe gaan we met dit (zelf)verlies om? Door het verlies te relativeren? “Ach, het is maar een fiets.” Wat kan men je niet allemaal afnemen dat je als je eigendom beschouwt? Je baan. “U kunt maandag thuis blijven. Uw werk kan ook wel door een robot gedaan worden.” Wat blijft er nog als onvervreemdbaar over van mijn eigendom? Mijn stem, mijn gezichtsuitdrukkingen, de door mij met veel moeite geproduceerde teksten? Wat is eigenlijk nog van mij? De dief negeert de erkenning van mijn eigendom en daarmee negeert hij mij als persoon. Wat zou hij te zeggen hebben om zijn misdaad goed te praten? Hoe kan hij in de verklaring van zijn gedrag zichzelf als verantwoordelijke persoon nog in stand houden? De misdadiger moet zichzelf in zekere zin als vrij en zelfstandig subject ontkennen om zijn misdaad goed te praten. De moordenaar zegt de moord te hebben gepleegd in opdracht. Ik hoorde ‘stemmen in mijn hoofd’. Eichmann voerde slaafs de taken uit die hem van hogerhand waren opgedragen. Zoals een goede ambtenaar. Poetin en Natanyahu praten hun wandaden goed door te zeggen dat ze deze uitvoeren in dienst van De Geschiedenis van hun Volk.
Meer nog dan naar hun gestolen fiets zijn mensen op zoek naar hun zelf. Ze zijn ‘de weg kwijt’. Niet zoals een demente bejaarde die de weg naar huis niet meer kan vinden. Het probleem waarmee de mens zit die ‘de weg kwijt is’, zit hem misschien wel in de vooronderstelling dat er zoiets als de eigen levensweg is. Zoekt hij niet iets dat nog onbepaald is? Vaak worstelen ze met hoe hun leven door anderen bepaald is geworden.
Ben je je fiets of je kat kwijt, kun je anderen vragen je te helpen zoeken. Je geeft ze een beschrijving van het object of een foto. Maar van je zelf? Kunt u even een beschrijving geven van uw zelf? Hoe kun je iets vinden als je niet eens weet wat het is dat je zoekt? Als er zoveel mensen op zoek zijn naar hun zelf, dan mogen we aannemen dat ze op een of andere manier weten waar ze naar op zoek zijn. Zodat ze, zodra ze hun zelf gevonden hebben, onmiddellijk en met zekerheid kunnen zeggen dat ze gevonden hebben wat ze zochten. Heureka! Dat ben ik! Dat is mijn zelf!
We verhouden ons tot ons zelf op geheel andere wijze dan tot onze fiets of onze kat. Ik ben geen eigenaar van mijn fiets zoals ik eigenaar ben van mijn zelf. Bij het vinden van mijn zelf vallen zoeker en het gevonden zelf samen. Daarmee is de verhouding tussen zoeker en zelf veranderd. Mijn zelf dat gezocht werd is een ander zelf geworden zodra het gevonden is. En dat geldt ook voor de zoeker die zijn zelf zocht. Daarmee, in dat samenvallen van mij met mijn zelf, is er een leegte ontstaan die we zelfbewustzijn kunnen noemen. Ik. Waarom ‘leegte’?
Er is een direct verband tussen het zoeken naar zelf in de zin van je persoonlijke identiteit (wie ben ik?) en de ontwikkeling van zelfbewustzijn.
Ik las Finding Myself (2025) waarin de filosoof Arnold Zuboff zijn filosofie, het univeralisme uitlegt. Daarin lijken beide: (zelf)bewustzijn en persoonlijke identiteit, als abstracte begrippen bijna samen te vallen.
De filosoof van de geest is geen psychotherapeut, personal coach of magiër. Als de Russische Ksenia Menshikova, occult docent en oprichtster van een school voor magie, het heeft over “The Key to Knowing Yourself” dan geeft ze levenslessen hoe te leren omgaan met ‘negatieve patronen uit je verleden’ en hoe je ‘positieve energie kan activeren voor je eigen leven’. Om jezelf te vinden biedt ze een hele toolbox aan middelen en symbolen aan: Tarot kaarten, Noorse runentekens, maar ook yoga, meditatie. Dat lijkt mijlenver af te staan van de problemen rond het zelf waarmee de ‘philosophy of mind’ worstelt. De filosoof abstraheert van de bijzondere inhoud van zijn persoonlijke eigenaardigheden, familieomstandigheden, en geschiedenis, om zicht te krijgen op de eigenaard van het begrip ‘persoonlijke identiteit’.
De openingszin van One Self: The Logic of Experience (1990) is: “I believe we are all the same person.” Een intrigerende gedachte. Wij zijn allemaal dezelfde persoon. Hoe komt Zuboff op dat idee!?
Zuboff vraagt: wat is het dat jouw/mijn ervaringen jouw/mijn ervaringen maakt?
“In all conscious life there is only one person – I – whose existence depends merely on the presence of a quality that is inherent in all experience – its quality of being mine, the simple immediacy of it for whatever is having experience.” Die kwaliteit van iedere ervaring van welk bewustzijn ook, is het, in zekere zin juist onpersoonlijke, ‘ik’.
Kan ik aan mijn fiets zelf zien dat het mijn fiets is? Is er een specifieke eigenschap van mijn ervaring dat maakt dat het mijn ervaring is? “Wat een ervaring jouw ervaring maakt, heeft niets te maken met de beschrijving van de inhoud van die ervaring, noch van degenen die de ervaring bezit.” “Al wat vereist is opdat een ervaring jouw ervaring is, of als ‘mijn ervaring’ beleefd wordt, is dat deze het karakter heeft van onmiddellijkheid, dat het ‘first-person’ is.” (Zuboff). Zoals de ervaring van pijn onmiddellijk is, first-person. Het is de onmiddellijke innerlijkheid van de pijn-ervaring dat het mijn pijn is. Zonder dat karakter van innerlijkheid zou het niet werkelijk pijn zijn. De pijn van de ander is niet mijn pijn, maar voor de andere is het evenzeer ‘mijn pijn’. Wat alle subjecten delen is de mijnheid, het bewustzijn. Dit inzicht is de basis van Zuboff’s metafysica: het universalisme ook wel open individualisme genoemd. Universalisme beweert dat er precies één subject van ervaring bestaat, waarvan iedere ervaring die zich voordoet een instantie is. In die zin is Zuboff een platonist: de werkelijke koffiekop is de ene unieke koffiekop Idee, waarvan alle koffiekoppen slechts instanties zijn. Volgens Zuboff is het een illusie van het denken dat we als subject van belevingen gescheiden zijn van andere subjecten. Vandaar de ondertitel van het boek: Beyond the false boundaries of personal identity. Als we een veelheid van individuele subjecten zien dan houden we onwezenlijke, bijkomstige, eigenschappen voor kenmerken die het verschil zouden maken tussen mijn en dijn.
Zuboff zet zijn universalisme af tegen wat hij noemt de normale kijk op persoonlijke identiteit (“the ordinary view”), de standaard theorie.
Traditioneel zijn er twee problemen met persoonlijke identiteit. Het eerste betreft zelf-bewustzijn – op een of andere merkwaardige wijze is de mens zich bewust van zijn eigen identiteit. Het tweede probleem betreft de kwestie in hoeverre het hebben van een eigen fysiek lichaam (waaronder het brein) een noodzakelijke en voldoende conditie is voor persoonlijke identiteit.
Zuboff zet zijn universalisme af tegen het traditionele debat over deze twee problemen van het zelf. Dat debat, zo stelt hij, gaat slechts over de condities die mijn eigen identiteit in takt laten. Het traditionele debat negeert volledig de kwestie waar het in eerste instantie om gaat: wat maakt een mentale substantie, het brein, of een psychologisch proces, het mijne in plaats van iemand anders. “Alleen het universalisme beantwoordt deze kwestie.”
Universalisme en de standaard theorie zijn het niet eens over de kwestie welke eigenschappen noodzakelijk zijn en welke slechts bijkomstig zijn als het gaat om de identiteit van het persoon-zijn (cq. subject zijn van ervaring of bewustzijn). Beide theorieën zijn het erover eens dat de kleren die je draagt niet je persoonlijke identiteit uitmaken. Ook lichamelijke en sociale eigenschappen zijn niet wezenlijk voor de identiteit van een persoon. Je bent vrouw, bakker, maar je had ook man en loodgieter kunnen zijn. Dit deed me denken aan Ulrich, De Man zonder Eigenschappen van Robert Musil. Ulrich is iedere man, ieder mens. Ulrich heeft vele eigenschappen (‘Eigenschaften’, niet ‘qualities’). Hij is man, 32 jaar oud, gewezen soldaat, wiskundige. Maar al deze eigenschappen zijn slechts buitenkant: ze maken niet uit wat Ulrich in wezen is. Hij had ook andere eigenschappen kunnen hebben, andere keuzes kunnen maken in zijn leven, andere mening (‘Meinungen’) kunnen hebben. Ulrich lijkt de romantische personificatie van Zuboff’s subject. Maar Zuboff’ gaat verder in het zoeken naar het wezen van het zelf, de identiteit van de persoon.
Volgens het universalisme is er geen enkele eigenschap die het verschil maakt tussen mijn en dijn. Zuboff komt dan tot de volgende opmerkelijke conclusie over het ontstaan van je bestaan als deze unieke persoon.
“There are not any detailed specifications necessary as conditions for your existing. And it is for that reason that there is no (literally) unbelievable chance or luck involved in your existing. You would exist no matter how such things turned out.”
De rol van het geheugen
Het geheugen, het hebben van herinneringen, speelt een belangrijke rol in het denken over persoonlijke identiteit. Ben je nog iemand wanneer je door ernstig hersenletsel je geheugen kwijt bent? Wanneer je niet meer kunt zeggen wie je bent?
Toen ik aan Finding Myself begon meende ik nog nooit van de auteur gehoord te hebben. Had mijn geheugen mij in de steek gelaten? Bij het afscheid als docent wis- en natuurkunde aan het Kottenpark College, een middelbare school in Enschede, kreeg ik van de leerlingen van ‘mijn klas’ (3 VWO) (een exemplaar van) The Mind’s I – Fantasies and Reflections on Self and Soul. Zuboff verwijst ernaar in zijn boek. Een door mij zeer gewaardeerd afscheidskado. Ik vond het exemplaar in de kast, stukgelezen, met hier en daar commentaar in de kantlijn. Deze door de leerlingen getekende kopie van het boek is mij dierbaar. Uit hun keuze van dit boek bleek dat mijn interesse voor meta-mathematische problemen op de klas was overgekomen. Wellicht heb ik mijn leerlingen de diagonaal-methode van Cantor uitgelegd, over de leugenaarsparadox verteld, en misschien heb ik wel geprobeerd uit te leggen wat de stellingen van Gödel of de onafhankelijkheid van de continuumhypothese betekenen voor de status van wiskundige kennis. (Ik was al vroeg van mening dat tijdens de studie van de wiskunde ook het bijzondere van de wiskundige denkhouding aan de orde moet komen.)
Ongetwijfeld heb ik indertijd ook Zuboff’s bijdrage aan The Mind’s I gelezen. The Story of a Brain gaat over split brain experimenten en het effect op de ‘persoonlijkheid’ van ervaring. Uit die experimenten bleek dat wanneer verschillende informatie werd gevoerd aan beide gespleten hersenhelften het subject tegelijkertijd twee elkaar uitsluitende ervaring leek te hebben.
“This weird tale seems at first to be a slight demolition of virtally all of the ideas exploited in te rest of the book” schrijven de samenstellers van The Mind’s I, Hofstadter en Dennett, in hun commentaar op het artikel.
Herinneringen maken een wezenlijk deel uit van de persoonlijke identiteit. Het hebben van een goed werkend geheugen lijkt een voorwaarde voor het bestaan als persoon. Maar ik kan me natuurlijk altijd vergissen.
Experimenten met het brein vormden een belangrijke trigger voor het ontstaan van het universalisme.
“All the experience in all the separate nervous systems of the world is yours, though what is discovered in each necessarily seems falsely to be the whole of what is yours. Next I shall argue for this larger claim, but the case of brain bisection has shown this much already: that seeming limits of experience can mislead you into thinking you are less than you are. Then what is it that really sets your limits? What, really, are you?” (Zuboff online summary)
Een probabilistisch argument
Verrassend is hoe Zuboff zijn theorie aannemelijk probeert te maken aan de hand van verschillende versies van probabilistische modellen (‘games’). Finding Myself begint daarmee. “Perhaps the most interesting argument for universalism is a probability argument.” (p. 5).
Ben je toevallig wie je bent?
Zuboff vergelijkt de standaard theorie over (het ontstaan van) persoonlijke identiteit met een complex spel (“the hard game”) en zijn universalisme met een eenvoudig spel (“the easy game”). Deze “awakening games” modelleren de mogelijke mechanismes die hebben plaatsgevonden en geleid tot het ontstaan/ontwaken van je persoonlijke identiteit/ je bewustzijn/ je zelf. Volgens de “hard game” hangt je bestaan af van een enorm complex proces dat beschrijft hoe uiteindelijk van generatie op generatie van voorouders, een spermacel de eicel bevrucht waaruit je bent ontstaan. Dat proces wordt gemodelleerd door middel van een reeks van worpen met een eerlijke munt. Hoe ongelooflijk klein is de kans dat de uitkomst van zeg 1000 keer een worp met een eerlijke munt precies dat rijtje kruis en munt oplevert dat de code is van jouw persoon? Volgens de “easy game” hangt je bestaan/ontwaken helemaal niet af van de uitkomst van het werpen met de munt. Wat de uitkomst ook is, je bestaan is verzekerd. Waarom? Het antwoord is verrassend simpel: omdat wát de uitkomst ook is, er is altijd een persoon die ontstaat, er is altijd een uitkomst, en dat is jij. De conclusie is dan onvermijdelijk: het is geen toeval, maar noodzakelijk dat jij bestaat. Universalisme is volgens Zuboff dan ook de enige verklaring voor het bestaan van jouw, mijn, persoonlijke identiteit. Wat is hier aan de hand? Moet ik blij zijn met iedere uitslag van de staatsloterij of ik nu wel of niet het winnende lot heb gekocht? Omdat er altijd een ‘jij’ is die heeft gewonnen en ik ben jij ?
In termen van het testen van hypotheses, zoals dat in de experimentele wetenschap gebeurt, gaat Zuboff’s probabilistic argument als volgt. We hebben twee hypotheses die een verklaring zouden moeten bieden voor je bestaan (gecodeerd als de evidence E: er is 1000 keer munt gegooid). De hard game (H) er wordt duizend keer met een eerlijke munt gegooid, en de easy game (U): er wordt 1000 keer met een valse munt gegooid waarvan beide zijden munt zijn. De kans P(E|H), de conditionele kans dat de uitkomst E resultaat is van de worp met 1000 eerlijke munten, is veel kleiner dan de kans P(E|U), de conditionele kans dat E het resultaat is van het werpen met de oneerlijke munt. De kans dat met de eerlijke munt 1000 keer munt wordt gegooid is niet nul, maar extreem klein. Zuboff concludeert dan dat het logisch is te concluderen dat er met de oneerlijke munt gegooid is. Want het is onwaarschijnlijk dat iets gebeurt dat zo onwaarschijnlijk is. Merk op dat hier een omkering plaats vindt. De kansen die vergelijken worden zijn P(H|E), de kans op de hard game hypothesis, gegeven de evidence, met P(U|E), de kans op de easy game U, gegeven de evidence. De onbekende kans P(H|E) is echter een andere dan de bekende kans P(E|H) en evenzo is de onbekende kans dat P(U|E) een andere dan de bekende P(E|U). Zuboff lijkt beide kansen te verwarren. Er is wel een verband tussen beide kansen. Volgens Bayes’ Rule geldt:
P(H|E) / P(U|E) = [ P(H) / P(U) ] * [ P(E|H) / P(E|U) ]
De eerste term van het rechter-lid van de gelijkheid meet de relatieve priors van de twee hypotheses. In het geval dat de twee hypothesis H and U dezelfde prior probabilities hebben is bovenstaande gelijkheid gelijk met:
P(H|E) / P(U|E) = [ P(E|H) / P(E|U) ].
Dus alleen onder de voorwaarde dat de priors gelijk zijn, mogen we op grond van de evidence E concluderen dat U waarschijnlijker is dan H. Maar wat kunnen we van de priors zeggen? Niets. Of toch wel? Want waar komen die hypotheses vandaan? De hypothese U is geintroduceerd op grond van de kennis van de evidence E. Want waarom staat U voor het proces dat met zekerheid leidt tot een reeks met alleen maar munt? Omdat E de gebeurtenis is die staat voor een reeks van 1000 keer munt. Het probabilistisch argument dat volgens Zuboff (?) zou moeten besluiten tot het universalisme berust op bias die succes verzekert. Het vooronderstelt wat aangetoond wil worden.
Kunnen we hier niet spreken van wat Zuboff noemt een ‘positive selection effect’ !
Toeval of noodzakelijkheid?
De cabaretier Erik van Muiswinkel maakte in de aankondiging van één van zijn optredens bekend dat hij op precies dezelfde dag geboren is als Barack Obama, de toenmalige president van de VS. Om het belang van deze mededeling aan te geven voegde hij eraan toe: “Als dat toeval is, dan is het wel héél toevallig.” Met andere woorden: dit kan geen toeval zijn, hier moet een verklaring voor zijn. Van de filosoof Hegel zijn de woorden: het toevallige is het schijnbaar noodzakelijke.
De wetenschapper streeft naar inzicht in het noodzakelijk verband tussen oorzaken en gevolgen. Hij zal niet rusten voordat er geen sprake meer is van een toevallige samenloop van dingen, maar van inzicht in een mechanisme dat beide met elkaar verbindt. Uiteindelijk streeft hij ernaar in te zien dat wat formeel onderscheiden wordt als oorzaak en gevolg (het roken en de longkanker) inhoudelijk twee ‘momenten’ zijn van eenzelfde gebeuren of proces.
De noodzakelijkheid van de gelijkheid van beider geboortedata, door de cabaretier gesuggereerd met zijn ‘als dit toeval is, dan is het wel héél toevallig’, berust op selection bias. Daarmee bedoel ik: als hij niet op dezelfde dag geboren was als Obama, dan had hij dit niet opgemerkt, of dan was hij wel met een andere naam gekomen van iemand die op dezelfde dag geboren was als hij. Ik ben zelf op 10 januari geboren. Op precies dezelfde dag in het jaar waarop de amerikaanse computerwetenschapper en wiskundige Donald Knuth, winnaar van de prestigieuze Turing Award, geboren is. Knuth is niet alleen de ontwikkelaar van Tex, een project waarover hij tijdens een ICALP conferentie in Nafplion, Griekenland, een lezing hield en waar ik hem ontmoette, maar ook van een formalisme voor de specificatie van programmeertalen, de attributengrammatica, het onderwerp van mijn promotieonderzoek. Toeval? Stond deze samenloop in de sterren geschreven? Selection bias of kosmologie? Maar wat is de verklarende kracht van ‘selection bias’?
Zuboff onderscheidt twee types ‘selection effect’, ‘positive’ en ‘negative selection effect’. Een negatief selectie effect treedt bijvoorbeeld op in een situatie waarin ik naar de radio luister en de presentatrice hoor zeggen: “Fijn dat u luistert.” Hoe weet ze dat ik luister? (Ik luister bijna nooit naar dit programma.) Of ik sta voor een informatiebord langs de weg waarop een kaart van het gebied met daarop een pijl die wijst naar een punt op de kaart met daarbij de tekst “U bevindt zich hier”. Hoe weet het bord dat ik hier sta? (Ik sta hier nooit). Een negatief selectie effect verklaart niets. Niet waarom juist ik hier nu sta of luister. Het biedt geen verklaring voor het feit dat we leven in een universum dat toevallig zodanig is samengesteld dat er leven mogelijk is: als dit niet zo was, dan waren we ons hiervan ook niet bewust, dan hadden we niet bestaan. Het negatieve selectie effect verklaart niets volgens Zuboff omdat het een trivialiteit uitdrukt: alleen waarnemers kunnen waarnemen. Het positieve selectie effect heeft daarentegen volgens hem wel een verklarende werking. Het verklaart waarom er geen sprake is van een toevalligheid die wel heel erg toevallig is. Hoe dan? Door het oprekken van het subject, van het ‘ik’. Zuboff spreekt van ‘loosen the conditions for personal identity’. Er is altijd een ik die de hoofdprijs heeft gewonnen. En die ik valt samen met mijn ik.
Het antropisch principe
“That the universe in its fundamental determinations conforms to what is needed for life to develop is called the ‘anthropic principle’.” (Finding Myself, p.85).
Is ons bestaan toevallig? Gezien de vele factoren die voor het ontstaan van het leven op aarde verantwoordelijk zijn, kunnen we wel stellen dat als ons bestaan toeval was dan zou het wel heel toevallig zijn. Anderzijds:
“In andere talloze universa waarin leven niet mogelijk is, stelt ook niemand de vraag waarom dat universum is zoals het is. (…) We leven in het universum dat bij ons past.”
Zo stelt de natuur- en sterrenkundige Ans Hekkenberg in Het Multiversum: over het idee dat ons universum niet het enige is (2021). Dit is het antropisch principe.
“To eliminate the anthropic coincidence from our view, as rationality regarding the probabilities requires, we must loosen the conditions for personal identity, so that you, the observer, would automatically be in any of the universes in which the right conditions occurred.” (Finding Myself p.87)
Het antropisch principe wordt vaak gekoppeld aan het bestaan van het multiversum, een veelheid van universa. Geen logisch noodzakelijke koppeling, lijkt me. Het universalisme biedt met het ‘positieve selectie effect’ de sleutel tot het antwoord op de vraag die de onverklaarbare toevalligheid van ons bestaan opwerpt.
“Then ‘my’ universe is guaranteed to be amenable. My universe will be every universe that is a host to consciousness. Only combined with universalism can a many-differing-physical-worlds hypothesis make probable the amenable character of our world. “(Finding Myself p. 86)
“Universalism puts you into an anthropic universe and turns what might otherwise seem a miraculous accident into necessity.”
“The positive selection effect—that one will observe any universe that produces consciousness—is indeed the explanation for one’s universe producing consciousness when it is combined with a multiverse that makes the occurrence of such a universe probable. This positive selection effect is only there in universalism. Universalism is the lubricant that gets the multiverse solving the puzzle of the anthropic principle.” (Finding Myself, p. 87)
Het ‘my’, het ”I’ krijgt een omvattender, wijdere, meer abstracte betekenis, het refereert naar elk ‘ik’, naar iedere instantie van een ervaring waarin er (zelf)bewustzijn is, bewustzijn van een zelf, ‘the quality of being mine, the simple immediacy of it for whatever is having experience‘.
De bias werkzaam in Zuboff’s probabilistische modellering, de keuze voor juist die hypothese U waarmee de hypothese H vergeleken wordt, zie ik als weergave van zijn selection effect in het probabilistisch model/de game.
Staat of valt universalisme nu dan met de validiteit van het probabilistisch argument, dat in diverse varianten terugkomt in Finding Myself? Over de vraag naar de functie van het probabilistisch argument voor het gezichtspunt van het universalisme is Zuboff wat mij betreft niet helder.
In een e-mail als reaktie op mijn commentaar op zijn probabilistisch argument schrijft hij:
“Finally, I should add that universalism is not intended merely as a way of making existence more probable. Its primary claim is about the nature of personal identity. The probabilistic arguments arise only after an earlier argument that what makes an experience mine is its first-person immediacy rather than a particular organism, lineage, or psychological process. (italics van RodA)
The statistical considerations were intended as confirmations of that earlier conclusion rather than as its sole basis.”
De probabilistische games zijn achteraf gekomen; een reconstructie van een fysisch/biologisch/cosmologisch proces dat verantwoordelijk zou zijn voor mijn bestaan/het ontstaan van het ‘ervaringssubject’. De split-brain experimenten waren een eerste belangrijke aanleiding voor de these van het universalisme.
Heeft het eigenlijk wel zin om waarschijnlijkheidstheorie toe te passen om tot een verklaring te komen van een uniek historisch gebeuren? Zo’n theorie legt immers vast welke mogelijkheden zich voor kunnen doen. Ieder feit is voor de theorie instantie of voorkomen van een reeds van te voren gespecificeerde mogelijkheid. Daartegenover is het de werkelijkheid die ons bewust maakt van het mogelijke. Al het werkelijke is mogelijk, maar niet al het werkelijke is noodzakelijk al van te voren door ons als mogelijkheid gedacht. We hebben er (nog) geen woorden voor.
Zuboff hierover:
“Universalism does not show that the probabilistic comparison was meaningless. It shows that one side of the comparison was mistaken about what was essential. According to the usual view, my existence depended upon a very specific sequence of sperm-cell victories. According to universalism, my existence never depended on those victories at all.”
De beide hypotheses in het probabilistisch model hebben voor Zuboff kennelijk niet dezelfde status. En dat klopt wel met mijn analyse: ze hebben niet dezelfde prior omdat de selectie van de hypotheses gebaseerd is op de evidence die verklaard moet worden. Een ‘positieve selectie’.
Is objectieve kennis van het subjectieve mogelijk?
Wat voortdurend meespeelt in Zuboff’s theorie is het probleem om een objectieve theorie te formuleren van het subject als subject. Dit is typisch voor het denken over zelf-bewustzijn, waarin subject en object, zowel gelijk zijn als gescheiden lijken. Thomas Nagel schrijft erover in zijn beroemde “What is it like to be a bat?” Het artikel is opgenomen in de bundel The Mind’s I. Nagel wil niet zozeer weten wat het voor hem is om een vleermuis te zijn. Hij wil weten wat het objectief betekent: de subjectieve ervaring van een vleermuis een vleermuis te zijn. Is het hebben van subjectieve ervaringen wel te objectiveren? Is er wel objectieve kennis mogelijk van het subjectieve? Wanneer we onze subjectieve ervaringen beschrijven, dan is er altijd iets dat niet in de beschrijving voorkomt, maar dat stilzwijgend voortdurend wordt voorondersteld, de aanwezigheid van ik, het subject. (Misschien is dat wel waarnaar Wittgenstein referereert in de beroemde laatste stelling van de Tractatus: “Waarover we niet kunnen spreken daarover moeten we zwijgen.”)
Het objectieve en het subjectieve moeten we in relatie tot elkaar denken. Wat objectief is is objectief voor een subject. Het subjectieve is de negatie van het objectieve, dat het van zich afstoot als het andere van zich.
De vraag naar de eigen aard van ‘het bewustzijn’ (consciousness) houdt de filosoof in haar greep. David Chalmers onderscheidt twee soorten problemen rond bewustzijn: ‘hard problems’ en ‘easy problems’. De easy problems “are straightforwardly vulnerable to explanation in terms of computational or neural mechanisms.” De ‘hard problems’ voldoen daar niet aan. Omdat intelligentie bewustzijn veronderstelt is daarmee de vraag naar bewustzijn direct gekoppeld aan de vraag naar het bestaan van artificiële intelligentie (AI). Is AI een objectieve verwerkelijking van menselijke intelligentie, van bewustzijn? Of kunnen we de zelfstandigheid van AI slechts begrijpen als objectivatie, in relatie tot de mens die het heeft bedacht en er gebruik van maakt? Het doel van fanatieke AI techneuten een persoon te maken is tot mislukken gedoemd: een persoon is immers juist geen technisch middel. Voor zover we iets als technisch middel opvatten en gebruiken is het geen (zelfstandig) persoon.
Hegel over het ontwakend bewustzijn
Het lezen van Finding Myself en de e-mail discussie met Arnold Zuboff waren voor mij bijzonder stimulerend. Het bracht me ertoe Hegels hoofdstuk over het ontwaken van het zelfbewustzijn in de Fenomenologie van de Geest te herlezen. Daarbij werd ik geholpen door de uitleg die Louk Fleischhacker, mijn vroegere docent mathematische logica en filosofie, geeft in Hegel: Zelfbewustzijn, Begeerte en de Ander (Uitg. Damon, 2004). Uit de Acknowledgment in Finding Myself blijkt dat Zuboff bekend is met Hegel’s werk. Het eerste deel over de zintuiglijke zekerheid uit de Fenomenologie begint als volgt:
“Het weten dat in de eerste plaats of onmiddellijk ons voorwerp is, kan alleen maar iets zijn wat zelf onmiddellijk weten, weten van het onmiddellijke of zijnde is.”
Het bewustzijn is hier het zuivere ik.
“De kracht van de waarheid van de zintuiglijke zekerheid ligt nu in het ik, in de onmiddellijkheid van mijn zien, horen enzovoort, en het verdwijnen van het enkele nu en hier, dat we menen wordt verhinderd doordat ik het vasthoud.”
Het is deze invariante onmiddellijke vorm van het bewustzijn die bij Zuboff terugkeert als het wezen van de persoonlijke identiteit: ‘the quality of being mine, the simple immediacy of it for whatever is having experience‘.
Bij Hegel moet deze abstracte lege kern zich verder ontwikkelen om werkelijk geest (‘Geist’/’mind’) te worden.
“De zintuiglijke zekerheid die alleen kan vaststellen wat hier en nu is, ontwikkelt zich via de waarneming, die dingen met eigenschappen onderkent, tot het verstand dat de verschijnselen als manifestatie van een krachtenspel vat.” (Fleischhacker, p. 12). Het gaat hier om de overgang naar het bewustzijn van het zelf. Een overgang die door Fleischhacker als volgt wordt samengevat.
“Het naïeve bewustzijn, dat uitgaat van een ongeschokt geloof in een objectief gegeven realiteit ontdekt achter de sluier der verschijnselen een wetmatigheid, en daarmee zichzelf als de altijd al theoretiserende auteur van die wetmatigheid, Descartes’ res cogitans. Daarmee is het naïeve bewustzijn overgegaan in zelfbewustzijn.”
Bij Hegel is het eerste gezichtspunt van het zelf-bewustzijn de begeerte, de beleving van een gemis. De persoon wil zich de werkelijkheid toe-eigenen. Ik wil een fiets. Maar we zijn niet alleen op de wereld, want als we dat waren dan waren we niet. Zover komt het bij Zuboff dus niet. Die blijft bij het abstract ik, dat leeg is, staan.
Treffend is, in het licht van Zuboff’s universalisme, het volgende citaat uit Louk’s uitleg:
“Zo schijnt het dat er vele bewuste wezens in de wereld zijn, maar deze zijn slechts weerspliegeling van het ene oerbewustzijn.” (p. 50).
Wie echter Zuboff’s universalisme (“Ik ben elk bewustijn”) houdt voor een occulte theorie over het brahman als alomvattende substantie (een ‘oerbewustzijn’, ‘dat wat niet in woorden kan worden uitgedrukt’) die heeft hem niet goed begrepen.
“Universalism may sound very superficially like an occult theory, proclaiming, as it certainly does, that I am all conscious things. But universalism is nothing of the sort. It is completely neutral regarding all theories of the nature of things from the most tough-minded materialistic science to the most tender-minded anti-materialistic mysticism or supernaturalism. Universalism does not make any claims about what consciousness is.” (p. 25)
De centrale these van het universalisme is: dat wat bewustzijn ook is, elk bewustzijn dat de algemene eigenschap heeft van ‘onmiddellijk bij zich zijn’ (‘immediacy’) is om die en alleen om die reden mijn bewustzijn.
Daarmee beweert het universalisme dat er in wezen slechts één bewustzijn is. Zoals er ook maar één roman De Man Zonder Eigenschappen bestaat, ook al zijn er vele exemplaren van. Omdat ‘immediacy’ de onuitwisbare kern uitmaakt van elke persoonlijke identiteit zijn we allemaal dezelfde ik. Wordt hier gelijkheid vanwege een wezenlijke eigenschap niet gelijkgesteld met identiteit? Enkel als we het materieel onderscheiden zijn van de verschillende centen wegdenken kunnen we stellen dat er maar één bestaat, want afgezien van die verschillen zijn ze exact hetzelfde. Alle wiskundige circels zijn hetzelfde: circel. Er is maar één getal 5.
Tegenover de stelling van het universalisme dat er slechts één zelfbewustzijn is, staat de conclusie van Hegel: Als zoiets als subjectiviteit (objectief) denkbaar is, dan dus alleen als intersubjectiviteit. Zelfbewustzijn blijkt objectiviteit te hebben als zelfbewustzijn voor een zelfbewustzijn. Daarin heeft het subject een objectieve inhoud van zijn eigen niveau. Het mijn moet als mijn door een ander mijn gerespecteerd worden om mijn te zijn. Bij Hegel gaat het om de erkenning. Dat mijn fiets mijn fiets is moet door de ander erkend worden. En dat geldt ook voor mijn persoon. In Zuboff’s universalisme lijkt geen plaats te zijn voor de concrete ander. Daarom noemde ik eerder het subject dat zichzelf vindt een ‘leeg subject’, een abstract ik, zoals we dat ook tegenkomen in Descartes’ cogito. Een subject dat iedere inhoud, de hele ervaringswereld, buitensluit.
In Descartes’ twijfelexperiment reflecteert hij/het subject op de willekeur van elke mening, begrepen als de identificatie van het subject met een objectieve inhoud (‘het is zo omdat ik het vind’). Echter, het subject van deze reflectie wiens onbetwijfelbaar bestaan het resultaat is van deze reflectie wordt door Descartes beschouwd als een entiteit op zichzelf, en dus als iets objectiefs. Maar niet als een object in de wereld, maar als een object buiten de wereld. De wereld als volledig bestaand buiten het subject wordt begrepen als res extensa, pure uitgebreidheid. Dit is de wereld van de mathematisch/fysische processen, de mechanismen en automaten. Het is een pure uitwendige wereld die strict tegenover het subject staat. Leven is er niet. Het leven dat een relatie is van het subject tot zijn uitwendige gestalten is voor het mathematische denken het onbegrijpelijke.
Onmiskenbaar is de aantrekkingskracht van de wiskunde voor de filosofie. “De zekerheid van de wiskunde, die iedere twijfel uitsluit, werd in de moderne tijd het heimwee van de filosofen.” (Hans Küng in Bestaat God?)
Ook bij Zuboff lijkt het eigen organische leven gereduceerd te worden tot anorganische natuur, mathematisch/fysische processen. Deze worden in de vorm van probabilistische games erbij gehaald om het toevallige feit van mijn persoonlijk bestaan en van ieders bestaan van een verklaring te voorzien.
Het magische van de werkelijkheid.
Eerder schreef ik in een bespreking van Zuboff”s boek. “Het feit dat ik wakker wordt, het feit dat ik besta, dat ik hier nu aanwezig ben, kan niet wegverklaard worden tot een complex van omstandigheden. Het feit dát iets is kan niet gereduceerd worden en bepaald worden door de omstandigheden die maken wat het feit inhoudt.” Ik denk dat Zuboff het daar wel mee eens is. Ik schreef het als kritiek op zijn probabilistische argument. Maar zoals hierboven uitgelegd speelt dat argument bij hem niet zoals ik eerst dacht dat het bedoeld was. Wezenlijk is het ‘oprekken van de persoonlijke identiteit‘, het generaliseren van de referent van ‘ik’ die wakker wordt, of een bewuste ervaring heeft. Als ‘ik’ ieder subject is, dan is het helemaal niet toevallig dat die ‘ik’ wakker wordt. Het ‘positieve selectie effect’ van het universalisme is de magische sleutel tot begrip van Zuboff’s persoonlijke identiteit.
Betekenis van het universalisme voor de praktijk des levens
We hadden het eerder over de verschillende inhouden die gedekt worden door boeken met titels als Wie ben ik? of Op zoek naar je zelf. Wat betekent universalisme voor de praktijk van je persoonlijke leven? Het boek bevat een aantal belangrijke levenslessen. Het universalisme bestrijdt een drietal ‘draken’. De angst voor de dood als het einde van alles (‘Not to be here, not to be anywhere’). De vervreemding door puur eigenbelang (‘If you cut your finger, it doesn’t hurt me’). De wraakzucht (‘An eye for an eye’).
“Zowel jij die je bedrogen voelde als jij die je gezegend voelde, weet dat er nog veel meer voor je in het verschiet ligt. Ontsnap altijd levend aan wat je schaadt of je beperkt. Ontdek eindeloze variaties van wat je liefhebt. De waarheid van het universalisme houdt in dat het verkeerd is om een individuele dood als vernietiging te beschouwen – aangezien je aanwezig bent in alle bewuste dingen. Het betekent ook dat je eigenbelang zich in gelijke mate uitstrekt tot alle bewuste dingen – aangezien al hun pijn en plezier, omdat ze direct en in de eerste persoon worden ervaren, evenzeer van jou zijn en eigenbelang verdienen in plaats van medeleven of onverschilligheid.
Kennis van de waarheid van het universalisme zou de wereld werkelijk kunnen veranderen. Het zou eng egoïsme en groepsvooroordelen krachtig kunnen temperen en bittere vergelding kunnen beteugelen. Je zou weten dat het allemaal van jou afhangt.” (Vertaling uit het Engels mbv Google Translate, Finding Yourself, p.5-6)
Filosoferen over het zelf kan wel degelijk een zuiverend en therapeutisch effect hebben.
We begonnen met de diefstal van mijn eigendom. Mijn fiets kan mij gestolen worden, maar mijn eigendom kan mij niet ontvreemd worden. De zaak van mijn eigendom is iets uitwendigs aan mij zelf, het bewustzijn, maar niet aan mijn eigendom. Zonder de zaak die mijn eigendom is is er geen eigendom. Ik moet mij als persoon ergens in veruitwendigen om werkelijk persoon te zijn. Bij Hegel is de eigendomsrelatie het eerste stadium van het Abstracte Recht. “Die person muss sich eine äussere Sphäre ihrer Freiheit geben, um als Idee zu sein.” (Grundlinien Philosophie des Rechts, Erste Abschnitt, Das Eigentum). Zuboff stelt het subjectieve bewustzijn strict tegenover de sfeer van de zaak, die eigendom is van het bewustzijn, dat is de natuur, die pure uitwendigheid is. Het is de sfeer van de uitwendigheid zoals we die ook bij Descartes als res extensa tegenkomen. Wat als persoonlijke identiteit daartegenover staat is het zuivere ik, het mijn dat alle mijn is. Bij Zuboff trekt de continue levenslijn die de identiteit uitmaakt van de persoon als zelfervaring van het ik zich terug in een punt. Dit punt van de lijn is ieder punt.
Het punt en de levenslijn
Over de relatie tussen punt en lijn schreef ik naar aanleiding van de raadselachtige definitie die Euclides van Alexandrië in zijn Elementen geeft van de rechte lijn. “Een rechte lijn is een lijn die gelijk ligt met de punten erop.” Ik kwam tot de conclusie dat wat hier wordt uitgedrukt zichtbaar is in de relatie tussen de veelheid van momenten in het leven van een persoon en de identiteit van de persoon. “Alle werkelijkheid die ik tegenkom is ten slotte niets anders dan de inhoud van mijn eigen levensverhaal” (Fleischhacker, p.12) De rechte lijn is de goede lijn. Het rechte van de lijn is het streven van de persoon zich met de momenten van zijn leven te identificeren. Een inzicht dat uitgedrukt wordt in: “Dit is mijn leven, dit ben ik.” Terugkijkend in het verleden had ik op momenten ook anders kunnen kiezen. Was ik dan iemand anders geweest? Ja en nee, ik was dezelfde ik, het onmiddellijke subject van deze zelfreflectie, geweest.
De mathematisering in de filosofie
Een punt is volgens Euclides “dat wat geen delen heeft“. Een lijn is “een lengte zonder breedte“, en “De uiteinden van een lijn zijn punten“. Daarmee bepaalt Euclides deze dingen uitdrukkelijk als niet fysieke objecten.
Bij Euclides staan we aan het begin van de zelfbewustwording van het wiskundig denken. Een discipline die haar eigen positie ten opzichte van metafysica en fysica tracht te verwerven. Een worsteling die nog steeds voortduurt, getuige de veel voorkomende verwarring van het mathematisch model met de zintuiglijke werkelijkheid van de ervaring. Descartes’ dualistische metafysica is een mathematische. Waarom zou onze natuurwetenschap mathematisch moeten zijn om als wetenschap serieus te worden genomen? Is Zuboff’s universalisme ook niet het resultaat van een filosofie die niet aan de neiging tot mathematiseren heeft kunnen ontkomen?
Voor Hegel was het allerminst vanzelfsprekend dat het menselijk subject, waarvan de zelfstandigheid in de moderne traditie voorop staat, zonder meer identiek is met de individuele persoon. De centrale these van het universalisme dat we allemaal dezelfde persoon zijn kunnen we misschien zien als bevestiging van Hegels kritiek op de moderne individualistische westerse samenleving, waarin het primaat van de zelfstandigheid van de individuele persoon heilig lijkt te zijn. Zuboff’s universalisme keert zich tegen een ‘eng egoïsme’.
In hoeverre komt ‘subjectiviteit, actor zijn van denken en daden, aan de individuele persoon toe? De individuele persoon is niet los te denken van zijn relaties met anderen. In eenzaamheid kun je jezelf niet vinden. Maar, is intersubjectiviteit als constituerend voor de individuele persoon het primaire of is dat het op zichzelf teruggetrokken ik dat vanuit zijn burcht de ander nog tegemoet moet treden?
Rieks op den Akker, 14-21 Augustus 2026.
Met dank aan Arnolf Zuboff voor zijn enthousiaste en stimulerende commentaar op mijn eerdere teksten.
Verder lezen
Arnold Zuboff (2025). Finding Myself – Beyond the False Boundaries of Personal Identity. Special supplement to Midwest Studies in Philosophy. Published 2025 by the Philosophy Documentation Center.
Arnold Zuboff (1990). One self: The logic of experience. Inquiry: An Interdisciplinary Journal of Philosophy 33 (1):39-68.
Robert Lawrence Kuhn, Landscape of consciousness. Explores what mapping 350 theories of consciousness reveals about free will, artificial intelligence and life after death. Zie ook: de website van RL Kuhn.
G.W.F. Hegel, Fenomenologie van de Geest. Vertaling Willem Visser. Boom, 2025.
Louk Fleischhacker (2004). Hegel – Zelfbewustzijn, Begeerte en de Ander. Vertaling, commentaar en essay: Liefde, Begeerte en Zelfbewustzijn. Uitgeverij DAMON, Budel, 2004.
Deze bundel bevat wat Peter Vàrdy ooit noemde ‘de kortste samenvatting aller tijden van Hegel’s Phänomenologie des Geistes’. Tevens de tekst en een vertaling van het hoofdstuk over zelfbewustzijn als begeerte uit dit werk, voorzien van commentaar. Motivatie voor het werk was een discussie met Roel Kaptein over de betekenis van de mimesis bij René Girard.
Een kritische doordenking van Hegel’s en Girard’s werk, is relevant voor het begrip van de crisis van de huidige westerse samenleving. Over die crisis gaat het volgende citaat uit de inleiding.
“De democratisch-kapitalistische samenleving weet niet goed wat zij met zichzelf aan moet, noch hoe zij moet omgaan met degenen die zij tot nu toe buiten haar deuren heeft weten te houden. Ze lijkt slechts de trefwoorden te kunnen herhalen waarmee ze de huidige toestand bereikt heeft: vrijheid, gelijkheid en broederschap. De duistere krachten die ondergronds het bereiken van deze idealen lijken te willen verhinderen schijnen dan niet anders bestreden te kunnen worden dan door middel van wetenschap en techniek, waarvan de methoden zich intussen ook tot het maatschappelijke terrein hebben uitgebreid, waar ze de grondslag vormen van de econmische groei. Juist aan het vaste geloof in deze methoden, dat de ‘moderne wereld’ tot stand heeft helpen brengen, rijst in onze tijd twijfel.” (p. 10)






