“De taal (…) zij spreekt van een rode vlek, of die er is of niet.”
(Ludwig Wittgenstein, PU 446).
“De woorden hebben voor het denken dezelfde betekenis als de ontdekking de wind te gebruiken om tegen de wind in te varen heeft voor de scheepvaart. Vandaar, laat niemand de waarde van de woorden vergeten!”
(Gottlob Frege, 1882 )
Het onderwerp is de taal, waarvan de primaire waarde ligt in het gesprek, in het zich luisterend richten tot de ander. In het gesprek is de taal thuis. Het is van belang dit vast te stellen omdat taal zich leent voor heel veel andere (minder plechtige) gelegenheden, waardoor deze primaire waarde in vergetelheid zou kunnen raken. De taal is veelzinnig geworden en die veelzinnigheid van taal, wat we daar onder moeten verstaan, is de focus waarop mijn schrijvend denken zich probeert te richten.
Wanneer de titel van dit schrijven u niet op een of andere manier zou aanspreken dan was u waarschijnlijk niet eens begonnen deze tekst te lezen.
Omdat u deze tekst leest, iets waarvan ik vrij zeker ben, hoewel ik op dit moment (dat ik dit schrijf) niet kan weten dat er wel iemand, behalve ik zelf, is die deze tekst zal lezen, mag ik concluderen dat het onderwerp, de veelzinnigheid van taal, op een of andere manier uw interesse heeft. Mocht de titel bij u enige verwachting hebben gewekt dan hoop ik dat u daarin niet teleurgesteld wordt.
Ook als er niemand zou zijn, behalve ik zelf, die deze tekst leest dan nog kan het schrijven ervan, het op een ordelijke manier uitdrukken van mijn gedachten over het onderwerp dat ik hier aan de orde stel, zinvol zijn.
Ik zeg “kan zinvol zijn”, want ik kan, nu ik dit schrijf, nog niet weten of het voor mij een zinvolle bezigheid is dit te schrijven. Al moet ik bekennen dat dit niet de eerste keer is, dat ik over taal nadenk en schrijf. Maar het is wel de eerste keer dat ik in deze vorm over taal schrijf. Ook wat dat betreft is dit schrijven dus een experiment.
Iedereen bezigt taal en is daarmee bekend met taal. Taal heeft al sinds mijn jeugd mijn bijzondere belangstelling. De meeste mensen zullen wel eens stilstaan bij taal. Bijvoorbeeld als ze ontdekken dat alles een naam heeft, of als ze iets zien staan of horen waarvan ze zich afvragen “Wat is dit voor taal?”. Mensen vragen soms: “Hebben kippen een eigen taal?” als het ze opvalt dat kippen verschillende geluiden maken en op elkaars gekakel lijken te reageren. Het zou best kunnen dat die vraag dan de vraag oproept: “Wat is een taal?”. Tja, wanneer zeg je dat dieren een taal hebben? Anderen hebben vragen over taal wanneer er weer eens een spellingsverandering is en we ‘pannenkoek’ moeten schrijven in plaats van ‘pannekoek’? Of wanneer we niet meer zonder bedenkingen het woord “negerzoen” mogen gebruiken of het woord ‘jodenkoek’. Omdat deze besmet zouden zijn. Kunnen woorden ‘besmet’ zijn? Zoals mensen besmet kunnen raken met een virus?
Mijn interesse komt voort uit mijn belangstelling voor de wiskunde en de technologie. Er zijn vertaalmachines, men heeft het over robots die praten. Je kunt tegenwoordig met appjes op je mobieltje een gesprekje voeren. Hoe is dat mogelijk? Wat zegt dat over het fenomeen taal? Ik kom daar straks nog op terug.
Allereerst wil ik nog even wijzen op het vanzelfsprekende van taal. Ik bedoel daarmee dat ik er zomaar vanuit ga dat wat ik hier schrijf, deze woorden, deze zin, dat dat is wat u leest. En dat u niet heel iets anders leest dan wat ik schrijf. Kan ik daar zo maar vanuit gaan? Ik weet dat er taaltechnologie bestaat die een Nederlandse tekst kan vertalen in een andere taal, bijvoorbeeld het Portugees. Stel dat uw browser Nederlandse teksten automatisch voor u vertaalt in het Portugees. Dan zou de door mij ingetikte zin “En dat u niet heel iets anders leest dan wat ik schrijf”, door u zo gelezen worden E que você não está lendo nada completamente diferente do que escrevo. Terwijl ik die woorden helemaal niet geschreven kan hebben, want ik kan/ken helemaal geen Portugees! Nu doet dit er ook helemaal niet toe zolang we er maar van uit kunnen gaan dat de betekenis niet door de vertaling wordt veranderd. Dat is niet altijd het geval. (Hoe zou bovenstaande tekst in het Portugees vertaald worden!). Maar waar het ons in taal om gaat is de betekenis, niet de taal, de taal is slechts voertuig van de betekenis. De betekenis is wat ik bedoel te zeggen. En hier mee komen we op de diepere betekenis van de vanzelfsprekendheid van taal, waar ik het over had en waarvan we in onze communicatie gebruik maken, namelijk dat voor u mijn tekst de betekenis heeft die ik er in lees wanneer ik ze terug lees. Dus ook wanneer u Nederlands kent en deze tekst leest in dezelfde taal als waarin deze nu door mij wordt geschreven is het de vraag of u wel leest wat ik schrijf. Ik zeg ‘dat is de vraag’, maar ik kan niet anders dan er vanuit gaan dat het zo is dat u leest wat ik schrijf. Ook al weet ik dat het mogelijk is dat u deze tekst heel anders inkleurt en dat u er al lezend heel veel meer bij denkt dan ik bedoel. De kans is groot dat u de tekst al lezend van commentaar voorziet. Dat is de toegevoegde waarde van de tekst.
Ik doe mijn best zo precies mogelijk mijn gedachten onder woorden te brengen. Wanneer ik mijn tekst nalezend vermoed dat het op een bepaald punt niet helder is dan zal ik daar over uitweiden, het zelf van commentaar voorzien om duidelijker te maken wat ik bedoel. Maar uiteindelijk kan ik niet weten wat u als lezer die ik niet ken er in leest en waar dit afwijkt van wat ik bedoelde. Voor zover mijn bedoeling al voor mijzelf door en door helder is op het moment dat ik dit schrijf ! Dat is namelijk niet het geval vooraleer ik mijn gedachten opschrijf. Alsof mijn gedachten al ergens waren voordat ze door mij onder woorden zijn gebracht! Het doel van het schrijven is immers voor mij om mijn gedachten te ordenen, om ze vorm te geven, ze te verwoorden. Pas dan, wanneer ze verwoord zijn, zijn mijn gedachten werkelijk gedachten. Mijn mening kan pas dan, wanneer u mijn woorden leest, ook voor u mijn mening worden. Zonder taal is er geen denken. Denken doen we al doende en voordat we dingen doen.
Nu is het niet zo dat wat ik hier schrijf helemaal nieuw is. Ik bedoel niet de woorden; het zijn allemaal bestaande woorden. Ik bedoel dat veel van de ideeen die ik probeer te verwoorden al langer bestaan. Er is een goede kans dat u, mijn tekst lezend, bepaalde ideeen erin herkent. Dat zal vaker het geval zijn naarmate u zelf over taal hebt nagedacht en er over hebt gelezen.
In het voorwoord van de Tractatus, schrijft Ludwig Wittgenstein (Wenen, 1918): “Dieses Buch wird vielleicht nur der verstehen, der die Gedanken, die darin audgedrückt sind – oder doch ähnliche Gedanken – schon einmal selbst gedacht hat.” Is het daarom dat hij voor zo’n beknopte stijl heeft gekozen? Het boek somt de stellingen van een theorie op, als ware het een wiskundige theorie, te beginnen met het bekende “De wereld is alles wat het geval is“. In 1945 denkt Wittgenstein kennelijk anders over zijn tekst en zijn lezer. In het voorwoord van de Filosofische Onderzoekingen noemt hij het boek niet meer dan een album. Het bevat schetsjes, resultaten van een veelheid van speurtochten door een landschap. Hij heeft geen tijd meer er een samenhangend geheel van te maken. Hij richt zich soms expliciet tot de lezer en nodigt hem uit zelf na te denken. “Ik wil niet met mijn geschrift anderen het denken besparen. Maar iemand zo mogelijk tot eigen gedachten aansporen.”
Wij zijn niet de eersten die over taal nadenken. Ik noem een paar denkers die hun gedachten over taal hebben opgeschreven: Aristoteles (De Interpretatione), Augustinus (Belijdenissen), Locke ( Essay on Human Understanding, Book III), Hegel (Enzyclopadie III), Frege (Uber Sinn und Bedeutung) , Russel (On denoting), Wittgenstein (Filosofische Onderzoekingen I), Husserl (Die Krisis der Europäischen Wissenschaften), Austin (How to do things with words), Heidegger (Hebel, der Hausfreund), Merleau-Ponty (On the phenomenology of language), Chomsky (Syntactic Structures), Searle (Speech acts), Hacking (Wat heeft filosofie met taal te maken?). Allemaal teksten over taal waarin mensen in verschillende tijden vanuit verschillende perspectieven over taal schrijven.
Is er dan nog niet genoeg over taal nagedacht?
Valt er nog iets toe te voegen aan wat deze denkers uit het verleden te berde hebben gebracht? Weten we na al die jaren niet al alles wat er over taal te weten is? Ondanks het feit dat er al zoveel over nagedacht en geschreven is leek het me zinvol om de draad van de geschiedenis van het denken over taal en daarmee van de taal zelf op te pakken. Niet alleen uit eigenwijzigheid of het je willen toe-eigenen van de bestaande kennis, maar ook omdat de werkelijkheid verandert en daarmee een ander perspectief opent op de ideeën. Het is met name de enorme ontwikkeling van de communicatietechniek, de kunstmatige intelligentie in het algemeen en de taaltechnologie in het bijzonder sinds het begin van de vorige eeuw die van invloed is geweest op de taal en ons denken over taal. En over ons zelf. We hebben nu machines met wie we een gesprek kunnen voeren. Een “soort van” gesprek. Er is sprake van een wisselwerking tussen het denken over taal en de taaltechnologie. Dat geldt in het algemeen: technologie is altijd zowel product van menselijke handelen en denken als dat het denken en handelen beïnvloedt. Daarin komen technologie en taal overeen. Door middel van taaltechnologie is het mogelijk teksten machinaal te produceren. Zou de tekst die u nu leest door een machine gemaakt kunnen zijn? Ik bedoel niet alleen de woorden maar ook de gedachten die erin zijn uitgedrukt. Ik als schrijver weet dat dit niet zo is, tenzij ik mezelf als machine opvat. Maar hoe kunnen we aan een tekst zien dat deze door een mens is geproduceerd en niet door een machine? De vraag is ook: doet het er toe? Wanneer doet het er toe? Misschien alleen wanneer iemand zich door een tekst persoonlijk aangesproken voelt en erop wil reageren? De aanwezigheid van de tekst alleen is dan niet genoeg. Dan wordt de spreker gemist.
De zelfstandigheid van de taaluiting
Woorden, zinnen en andere uitingen van een taal hebben een merkwaardige bestaanswijze. Ze bestaan in zekere zin onafhankelijk van degenen die ze bedacht, uitgesproken of gehoord hebben. Ze hebben een schijnbare concreetheid. Schijnbaar omdat ze eigenlijk abstracties, slechts uiterlijkheden zijn van de concrete uiting van de spreker waarin deze taal-elementen worden gebruikt of gemaakt. De zelfstandigheid van het woord of de zin is de zelfstandigheid van het gebaar dat geen gebaar is maar herinnert aan het gebaar. Het is deze zelfstandigheid die uitgebuit wordt in de taaltechnologie.
Taaltechnologie
Het vastleggen van de van oorsprong gesproken taal door het op schrift stellen is de eerste vorm van taaltechnologie. Het ideogram is waarschijnlijk de oudste vorm van schrift. Ze staan echter niet voor klanken of lettergrepen maar ze representeren een ding of idee. Het zijn symbolische afbeeldingen van de werkelijkheid.

(bron: encyclopedia2.thefreedictionary.com )
Tegenwoordig kennen we ideogrammen of pictogrammen als identifiers van apps op onze mobiele telefoon. Anders dan spraak zijn ideogrammen afbeeldingen die buiten het moment waarin gesproken wordt, bestaan in uitgehakte kleitabletten. Ze zijn symbolisch omdat hun uiterlijke vorm lijkt op wat het voorstelt, anders dan bij woorden, dat zijn tekens waarbij de relatie tussen uiterlijke vorm en betekenis arbitrair is: het word “tafel” lijkt niet op wat het betekent. Dat het Nederlandse woord bed wel wat op een bed lijkt is, vermoed ik, puur toeval.
Er zijn veel verschillende talen. De fragmenten hieronder zijn uit verschillende talen.

Vragen rondom taal
Van deze geschreven taalfragmenten zijn 1-6 voorbeelden uit een natuurlijke taal, terwijl 7 en 8 in een programmeertaal geschreven zijn. Dat zijn talen die speciaal ontwikkeld zijn om computers mee te programmeren. Fragment 1 zou opgetekend kunnen zijn uit een gesprek waarin iemand vertelt over een weekendje uit met de kinderen; een transcriptie van gesproken taal. Maar het kan ook een zin uit een geschreven verslag van zo’n uitje zijn. De relatie tussen spreektaal en schrifttaal is een issue. Fragment 2 is een vertaling van fragment 1 in de Engelse taal, maar het kan ook best omgekeerd zijn. De vertaalbaarheid van teksten is een issue. Deze eerste twee fragmenten komen uit de gewone omgangstaal. Fragment 3 is net als fragment 1 een Nederlandse zijn. Maar deze komt uit een kookboekrecept. Fragment 4 is newspeak, de code-taal die door bepaalde groepen gebezigd wordt in online chats. Typisch taal die ingetikt is, wat nog weer iets anders is dan taal die primair geschreven. De impact van de techniek op de taal, niet alleen op de uiterlijke vorm, de productie van tekens, maar ook op de filosofie van taal, is een issue. De fragmenten 5 en 6 komen uit filosofische teksten; Fragment 5 is uit het boek getiteld Wat heeft filosofie met taal te maken? van Ian Hacking. Het is door Zeno Swijtink vertaald uit de oorspronkelijk Engelse tekst in Why does language matter to philosophy? Waarom zijn grote filosofen Hegel, Heidegger, zulke creatieve taalgebruikers? Dit is ook een issue. Fragment 6 is in het Duits geschreven door de Amsterdamse filosoof Jan Hollak. Een typisch voorbeeld van filosofisch taalgebruik. In hoeverre legt een schrijver, filosoof, wetenschapper, romanschrijver, dichter zichzelf vast in zijn publicaties? De functie van het publiceren is een issue. De fragmenten 7 en 8 komen uit verschillende programmeertalen: de eerste uit een imperatieve taal, de tweede uit een functionele taal. Het zijn teken-talen waarbij de reeksen tekens wanneer ze ingevoerd worden in een programmeerbare computer, als een soort sleutel, een proces op gang brengen dat we interpreteren als het uitvoeren van een programma, een opdracht. Wat betekent het bestaan van programmeertalen en het met behulp van “natuurlijke taal” interacteren met machines, met conversationele agenten en sociale robots voor ons taalbegrip?
Ik zal hier niet alle genoemde kwesties met even veel aandacht bespreken.
De veelzinnigheid
Zijn de genoemde talen: natuurlijke omgangstaal, newspeak, kookboektaal, programmeertaal (en we zouden daar ook nog aan kunnen toevoegen de taal van de wiskunde, formele talen, de talen waarmee dieren communiceren, gebarentaal, dichterlijke taal) allemaal in dezelfde zin taal? Hoe verhouden deze talen zich onderling? In het bijzonder gaat mijn interesse uit naar de relatie tussen de begrippen natuurlijke taal en programmeertaal, de talen die wij gebruiken om machines in te programmeren.
ALGOL60 was de eerste programmeertaal die taal werd genoemd (Algorithmic Language). Het is een taal om algoritmes, rekenvoorschriften, procedures, in te schrijven. Daarvoor sprak men van een code. Zo werd Fortran een code genoemd. Naar analogie met de natuurlijke taal zag men de programmeertaal als een taal waarin je een computer opdrachten geeft en vragen stelt, kortom het is een taal omdat je er in met een “intelligent” apparaat communiceert. Dat woord “communiceren” wordt overigens ook veelzinnig gebruikt, net als het woord “taal”. Anderzijds: is een natuurlijke taal ook een programmeertaal? Verrijkt het bestaan van de programmeertaal ons begrip van taal?
Het begrip taal
Wanneer we taal gebruiken waarvoor taal primair bedoeld is dan hebben we het ergens over, over iets dat buiten de taal is. Ook als we over taal zelf nadenken en schrijven gebruiken we taal en verwijzen we naar iets dat in dat gebruik onderscheiden is van de taal die we gebruiken en daar buiten ligt. We kijken dan als het ware van binnen naar buiten. De taal die we beschouwen is niet de taal die we gebruiken, voorzover we haar beschouwen betekent ze niet, althans niet actueel. We weten echter dat het de taal is die we gebruiken en dat deze dan iets betekent. We moeten die betekenissen er weer bij denken. Dat gebeurt in een reconstructie van de taal.
Taal is een systeem waarin we orde aanbrengen in onze ervaringswereld. Die wereld delen we met anderen. Wilhelm von Humboldt noemde taal “de ziel der natie”. Door het delen van de ervaringswereld gereflecteerd in de taal kunnen we met anderen met wie we de taal delen met een zekere mate van succes communiceren door gebruik te maken van de gemeenschappelijke taal. De taal is echter een levend organisme en legt niet dwingend vast hoe we over de werkelijkheid denken. Culturen die elkaar ontmoeten kunnen visies en taal van elkaar overnemen.
Een andere manier is om taal van buiten te bestuderen, als een object op zich zelf. Dat doen we als we taal als verzameling produkten (woorden, zinnen, teksten, gesprekken) zien. Taaltechnologie, het machinaal herkennen van spraak, tekst, het genereren van spraak en teksten en het vertalen van teksten of spraak, maakt hiervan gebruik. Een sprekende machine suggereert een binnenkant, een sprekend subject. Taal is gebaar, een vorm van gedrag. Taal is iets lichamelijks, een eenheid van iets mentaals en iets fysisch. Die twee zijn in de werkelijkheid altijd beide aanwezig. Als we reflecteren over taal en woorden dan denken we ze vaak uit elkaar. We denken dan hier is het teken, daar is wat het betekent. En vragen ons dan af hoe we die twee ooit weer bij elkaar krijgen.
Het begrip taal is veelzinnig.
En dat is niet omdat een taal veel zinnen bevat. Ik bedoel dat het taalbegrip veelzinnig is, omdat het begrip zaken omvat die verschillen, maar niet ongerelateerd zijn omdat ze verwante aspecten van het begrip taal realiseren. Wat bedoel ik daarmee? En waarom is het zinvol om hierop te wijzen? Wat is het nut? Wat het nut betreft: moet het nut van begrijpen uitgelegd en verdedigd worden? Moeten we nog wijzen op de centrale plaats en functies die de taal in ons leven inneemt? Mij gaat het erom helder te denken. Omdat het gezonder is om helder te denken dan om verward te denken. En wie niet gezond denkt kan niet gezond leven. En wie leeft wil leven en dat wil zeggen zo leven dat het goed is voor het leven, dat is gezond leven. Wat goed en gezond leven is dat maakt ieder voor zichzelf uit. Daarom hoort bij gezond leven ook dat je ontdekt wie dat is, jezelf. Omdat we een denkend zelf zijn die meent door denken te kunnen begrijpen is het zinvol om goed te denken over het denken dat zich bij uitstel in taal uitdrukt. Voorzover filosoferen denken is heeft filosofie iets wezenlijks met taal te maken.
In plaats van te zeggen dat het taalbegrip veelzinnig is, zegt men ook dat het woord “taal” veelzinnig wordt gebruikt. We gebruiken woorden om ons begrip van de werkelijkheid waarop wij betrokken zijn uit te drukken. Dat is het verwoorden van onze relatie met de dingen, de gevoelens, etcetera. Woorden drukken dus in een bepaalde context gebruikt begrip uit. We zeggen bijvoorbeeld: dit is een slimme computer en dit is een slimme professor. Of: dit is een woordenspel en dat is een schaakspel. We vragen ons af of het woord slim in beide gebruiken op dezelfde manier gebruikt wordt. Dat wil zeggen of het slim zijn van een computer hetzelfde is als het slim zijn van een mens. Hetzelfde geldt voor spel. Gaat het in schaakspel en in woordenspel om hetzelfde of om een ander begrip spel? Veelzinnig gebruik staat tegenover eenzinnig gebruik van een woord. Is een computer in dezelfde zin intelligent als een mens?
Als we het over het gebruik van taal, over het gebruik van woorden, hebben dan zien we de taal of de woorden als soort van instrumenten die klaar liggen om gebruikt te worden. Deze hebben een eigen werking waarvan in het gebruik van de taal gebruik wordt gemaakt. Deze instrumentele kant van taal is maar een kant van taal. We kiezen in het spontane taalgebruik niet bewust een woord zoals we een instrument uitzoeken om een bepaalde bewerking uit te voeren, om een bepaald beoogd effect te verkrijgen. In het spontane spreken zijn de woorden onmiddellijk uitdrukking van het denken en beleven. Ze horen bij de manier waarop we ons uiten in de bepaalde situatie waarin we ons bevinden, vergelijkbaar met de andere uitdrukkingen zoals gezichtsuitdrukkingen, stem en lichaamsgebaren. Niemand maakt zich druk over de juistheid van het taalgebruik van de bestolene wanneer deze uitroept: “Houd de dief!”. Het gaat hier niet om het kiezen van de juiste woorden, om het gebruik van een instrument.
Het taalbegrip is veelzinnig. Daarom is het woord “taal” zelf veelzinnig. We zien dat in het Nederlands veel woorden voorkomen ( “slim”, “intelligent”, “spel” ) die we gebruiken om verschillende zaken mee aan te duiden.
Veelzinnigheid is iets anders dan homonymie. Bij het laatste is er geen verband tussen de verschillende betekenissen die een woord heeft. Voorbeeld: het woord “bank” kan zowel geld-bank als zit-bank betekenen. Bij veelzinnigheid is er wel een verband tussen de verschillende wijzen van gebruik. Tegenwoordig is het zeer gebruikelijk machines of technologie intelligent te noemen. De vraag of intelligentie hier in dezelfde zin gebruikt wordt als wanneer we van mensen of dieren zeggen dat deze intelligent zijn, is een kritisch vraag: ze dwingt ons na te denken over de relatie tussen mens en machine. Evenzo vragen wij: zijn morele machines in dezelfde zin morele agenten of subjecten als morele mensen? De veelzinnige woorden “communicatie”, “intelligent” en “taal” worden net als “geheugen” zowel in relatie tot computers als in relatie tot mensen gebruikt. Ze hebben een technische en een dagelijkse betekenis. De technische betekenis is geleend of afgeleid van de alledaagse betekenis. Naarmate de techniek steeds meer tot de dagelijkse levenssfeer is gaan behoren is het onderscheid tussen beide “taalspelen” voor velen aan het verdwijnen. Wie van mening is dat we woorden als taal, rekenen, geheugen en intelligent in beide taalspelen in dezelfde zin gebruiken die houdt er een andere filosofie van de techniek op na dan degenen die van mening zijn dat deze woorden in verschillende zin gebruikt worden.
Veelzinnig gebruik is een vorm van overdrachtelijk gebruik. Overdrachtelijk gebruik van een woord staat tegenover het letterlijk gebruik van het woord. Overdrachtelijk gebruik wordt ook wel oneigenlijk gebruik genoemd. Maar een machine intelligent noemen, is dat oneigenlijk? Dat hangt ervan af of je de machine zelf als intelligent wezen beschouwt of niet. De term overdrachtelijk is goed van toepassing bij het spreken van kunstmatige intelligentie, denkende en sprekende machines. De technologie draagt eigenschappen van de maker en bedenker over op zijn produkten.
Veelzinnigheid is een kwaliteit van taal. Het geeft de mens uitdrukkingskracht. Hoe moeten we anders zeggen dat “een wasmachine beter was dan een mens”? Of dat “een computer beter en sneller rekent dan een mens”? We zouden kunnen zeggen met gebruikmaking van een wasmachine gaat wassen beter dan zonder. Maar de machine is toch juist bedoeld om het wassen over te nemen? We gebruiken daarbij een eigenschap van de natuur: het water wast de kleren. De ervaring dat dat beter gaat met stromend water en door het water te verwarmen is verwerkt in de wasmachine. Wast de mens nu de kleren of laat de mens het water de kleren wassen? In elk geval is het de mens voor wie het wassen betekenis heeft.
Eenzinnige taal komt alleen voor in de wiskunde.
Letterlijk of soort-van
Soms gebruiken we aanhalingstekens wanneer we het over “intelligente” machines hebben of over “denkende” machines. Daarmee geven we aan dat we het niet letterlijk bedoelen. De filosoof D.C. Dennett introduceerde de “soort van” operator, een taalconstructor die je toevoegt aan een woord om aan te geven dat je het woord niet letterlijk moet nemen: “een machine is soort-van intelligent”.
Reflectie op de reflectie
Het grappige is dat de techniek en dus ook het technische gebruik van deze woorden het resultaat is van een reflectie, het nadenken over onze omgang met de natuur in ons dagelijks leven. Door te wijzen op de veelzinnigheid van deze woorden reflecteren we weer op het resultaat van deze reflectie, een reflectie op de reflectie. Een bepaalde vorm van zelfreflectie blijkt de kern van de automatisering van het denken te zijn. Verschillende filosofen hebben gewezen op de betekenis van de automatie als eindfase in de ontwikkeling van de technologie, van een bepaalde wijze van denken. We zien dat ook in de ontwikkeling van programmeertalen: nieuwe talen voegen niets toe aan wat berekenbaar is met behulp van een computer. Ik zal later nog ingaan op wat de noodzakelijke en voldoende functies van een programmeertaal zijn om alles wat berekenbaar is te kunnen specificeren.
Gebruiksvriendelijkheid – usability
De ontwikkeling van de technologie richt zich nu op de gebruikerskant, op gebruiksvriendelijkheid en op de overtuigingskracht (persuasivenes) van de techniek door aan te knopen bij primitievere, meer onmiddellijke werkingen van de menselijke natuur, instinctmatig en ritueel gedrag. De sociaal-psycholoog Sherry Turkle spreekt van het indrukken van “Darwinian buttons“. Interakties tussen sociale robots en hun gebruikers moet idealiter door middel van natuurlijke taal en natuurlijk gedrag gebeuren. Hier lijkt een terugval naar het onmiddellijke gebruik van de natuurkrachten te spelen. Een relatie tot de natuur die kenmerkend is voor de eerste fase van de technische ontwikkeling, het ongereflecteerde gebruik op grond van eigen ervaring in het omgaan met de omgeving. Het verschil is dat nu het product van de interaktie niet iets is dat buiten de mens, de gebruiker ligt maar dat het product in de interaktie zelf lijkt te liggen.
Onderzoek op het gebied van mens-machine interaktie toont aan dat wanneer bruikbaarheid, nuttigheid in termen van het realiseren van een van te voren bepaald doel voorop staat dat dan gebruiksvriendelijkheid in de zin van natuurlijkheid minder belangrijk is dan nuttigheid en efficiency. De machine moet gewoon werken, doen waarvoor het gemaakt is. Dat is een heel ander motief voor het ontwikkelen van techniek dan dat van de Japanner Hiroshi Ishiguro de maker van androides, menselijke replica’s met als belangrijkste doel te weten wat presence, aanwezigheid, er-zijn, betekent. Onderzoek op het gebied van artificial intelligence kunnen we zien als een wat omslachtige manier van zoeken naar wat kennis en intersubjectiviteit betekent. Kunnen we op technische wijze, anders dan door biologische geslachtelijke voortplanting, een persoon maken, afgezien van de vraag wat het nut ervan is. De vraag is in hoeverre deze manier van zoeken bepalend is voor het inzicht dat ermee verkregen wordt. Zou de filosoof zonder deze technologie tot dezelfde inzichten komen? Begrijpen we dingen pas echt wanneer we het zelf hebben gemaakt, zoals sommige wetenschappers en technici zeggen. Wat zegt dit over wat begrijpen is? De vraag doet voorkomen alsof inzicht iets is dat buiten het leven, de cultuur, de geschiedenis om, bestaat of verkregen kan worden. Doordat vanuit technische perspectief de grens tussen technologie en de mens steeds verder vervaagt (zoals de Twentse techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek onder anderen opmerkt), wordt het steeds duidelijker wat dat perspectief is en wat de mens, als levend, willend, denkend, sociaal wezen van een door technologie ontworpen creatie onderscheidt. Het technologisch denken zou net als de wiskunde wel eens een supercultureel domein van het leven kunnen zijn waar de verschillende culturen elkaar ontmoeten. Het wereldwijde internet lijkt het bestaan van zo’n technologisch domein te bevestigen.
De wiskundige en logicus Gottlob Frege merkte op dat de waarde van wiskundige objecten buiten het bereik van de mens ligt. Er zijn Romeins en Arabische cijfers maar er zijn geen Romeinse en Arabische getallen (zie H. Boukema, Familiegelijkenissen). Wiskundige kennis is kennis die geldig is in alle culturen, net zo als de mathematische wetten van de natuurkunde. Of een specifieke machine, zoals een stoommachine in een cultuur past zal van veel sociaal-economische factoren afhangen, maar de zuiver technische werking is onafhankelijk van de cultuur. Heron van Alexandrie ontwierp bijna 2000 jaar voor de industriele revolutie al een stoom-machine. Je kunt kennelijk op basis van ervaring met de natuurkrachten zo’n machine maken. Je hebt er geen hedendaagse fysica voor nodig.
De techniek is in de kern een verstandelijk ontwerp, het resultaat van een creatieve vinding inhoudende dat door een combinatie van natuurkrachten een werking tot stand kan worden gebracht. Of dit als nuttig wordt gezien buiten het eigen gebruik en tot reproductie zal leiden hangt van veel factoren af, maar in principe is de bedachte techniek net zo geldig als de Stelling van Pythagoras. Hoe mathematischer de techniek is des te minder hangt de geldigheid ervan af van culturele waarden. Wat programmeerbaar en berekenbaar is in China of in Afrika is dat ook in Europa en omgekeerd.
Frege’s strikte onderscheid tussen taal enerzijds als een willekeurig subjectief, psychologisch, cultureel iets en de objectieve wereld van de betekenissen anderzijds, zoals dat in de wiskunde lijkt te bestaan – cijfersystemen enerzijds en getallen anderzijds – kunnen we ook doorgevoerd denken naar het domein van de logische denkende machines. Frege zette een belangrijke stap in de ontwikkeling van de denkende machine door het begrip als functie te zien en waarheidswaarden als objectieve betekenis op te vatten.
Waarom had Frege zo veel moeite met de variabele en met de functie in de wiskunde? Hoe kan iets nu onbepaald zijn en bepaald worden? Hoe kun je het wiskundig denken, het stellen, dat toch een subjectieve activiteit is, objectiveren, zonder het te reduceren tot het resultaat ervan? Wat denkt de autonoom denkende machine eigenlijk? En waarom denkt hij eigenlijk? Ik vermoed dat het probleem van Frege was dat hij probeerde het subject, zich zelf als denker, weg te denken uit het denken. Wie anders dan de denker geeft de variabele een bepaalde waarde? Wie anders dan de gebruiker van de machine zorgt ervoor dat deze in een bepaalde toestand gebracht wordt voordat deze aan het werk wordt gezet? Wie anders dan de mens past de algemene regel, de functie, toe? De wiskunde en de techniek abstraheren weliswaar van de individuele kwaliteiten van de persoon, ze is niet te begrijpen zonder de inbreng van het kennend en willend subject er bij te betrekken.
Wittgenstein: familiegelijkenissen
Wanneer er één filosoof is die zich het hoofd heeft gebroken op de vraag naar de aard van het algemene begrip taal in relatie tot de bijzondere talen, “taalspelen”, dan is het Ludwig Wittgenstein. Hij is tevens, en dat is niet toevallig gezien zijn visie hierop, één van de grondleggers van de mathematische logica. In paragraaf 65 van zijn Filosofische Onderzoekingen schrijft hij:
“In plaats van iets aan te geven dat aan alles wat we taal noemen, gemeenschappelijk is, zeg ik dat deze verschijnselen helemaal niet een ding gemeen hebben, dat maakt dat we voor allemaal hetzelfde woord gebruiken, – maar ze zijn allemaal op bijzondere manieren verwant. En vanwege deze verwantschappen, noemen we ze allemaal ‘talen’. “ (PU I 65).
In de daarop volgende paragraaf nodigt hij zijn lezers uit eens te kijken naar wat we allemaal spel noemen: bordspelen, kaartspelen, balspelen, en Olympische spelen. “Wat hebben deze allemaal gemeenschappelijk? – Zeg niet: ‘Ze moeten iets gemeen hebben, anders zouden ze geen “spelen” heten’, maar kijk of ze allemaal iets gemeen hebben.” Je zult niet iets vinden dat ze allemaal gemeen hebben, maar wel verwantschappen, “familiegelijkenissen” (PU par. 67) . Van Wittgenstein is de term taalspel. Hij beschouwt taal “naar het model van spel” (Harm Boukema, 1986), zoals je bijvoorbeeld de mens naar het model van een werktuig of een machine kan beschouwen. Boukema wijst erop dat wat volgens de traditionele opvatting analoog taalgebruik heet haaks staat op wat Wittgenstein bedoelt. Het klassieke voorbeeld van analogie bij Aristoteles is het gebruik van het woord “gezond”. We zeggen dat voedsel gezond is in zoverre er een relatie bestaat tussen voedsel en het leven waarvoor het gezond is. Wittgenstein zou om het gebruik van het zelfde woord te verklaren naar eigenschappen kijken die dingen die we gezond noemen gemeen hebben. Voor Wittgenstein duiden de woorden verzamelingen van eigenschappen aan waaraan dingen voldoen. De woorden taal en spel worden bij hem technische termen. Volgens Boukema ziet hij af van de dagelijkse zeggingskracht van deze woorden. Wittgenstein heeft in navolging van Frege het reflecterende, denkende subject uit de wereld van de dagelijkse taal gehaald door te kijken naar het feitelijk gebruik van de taal waarin de woorden objecten aanduiden die buiten de taal bestaan. Het beeld dat Wittgenstein van taal heeft is het beeld dat hij in het begin van de Filosofische Onderzoekingen (ten onrechte volgens Boukema) aan Augustinus toedicht.
“De woorden geven ons, naar het mij voorkomt, een bepaald beeld van het wezen van de menselijke taal. Namelijk dit: de woorden van de taal benoemen voorwerpen – zinnen zijn verbindingen van zulke benamingen. – In dit beeld van de taal treffen wij de wortels van het idee: ieder woord heeft een betekenis. Deze betekenis is aan het woord gekoppeld. Zij is het voorwerp waar het woord voor staat.” (PU I par. 1).
De kenmerken die hij noemt wanneer hij spelen vergelijkt zijn niet onzinnig, maar ze treffen niet het wezen van spel; ze zijn niet typerend voor spel. (Boukema 1986 p.61). Wittgenstein kijkt van buiten naar de dingen die we spel noemen en probeert overeenkomende eigenschappen te vinden. Maar hoe weet je nu welke relevant zijn? Waarom is het gewicht dat we aan een aktiviteit hechten van wezenlijk belang voor het spelkarakter? Dat is wat we uitdrukken als we zeggen: “het is maar een spelletje.” De zin van de bezigheid ligt in de bezigheid zelf besloten, niet er buiten als een produkt dat door de bezigheid opgeleverd moet worden. Wanneer het voetbalspel professioneel wordt, wordt het spelkarakter ervan bedreigt. Er liggen dan teveel belangen op het spel.
Sign: eenheid van signifiant en signifié
Merleau Ponty bespreekt in zijn essay On the Phenomenology of Language (1964, p.84-97) twee verschillende benaderingen voor een fenomenologisch onderzoek naar taal. Tegenover de benadering die een inventarisatie is van bestaande talen en deze probeert in een algemeen raamwerk te passen plaatst hij een analyse die terug gaat naar het sprekend subject, “to my contact with the language I am speaking.” Het is de benadering van de wetenschapper die de taal als resultaat ziet van een historisch complex proces tegenover de fenomenoloog die uitgaat van het sprekend subject voor wie dat wat hij zegt op een unieke logische manier past in het moment. De duitse term “Meinung” verwijst meer dan het woord betekenis naar het sprekend subject. Deze ligt volgens Husserl niet buiten het woord zoals Wittgenstein doet voorkomen.
Bij de linguist Ferdinand de Saussure is het teken (signe) een eenheid van een acoustisch beeld (signifiant) en een concept (signifie) . De relatie tussen beide is arbitrair: er is geen intern verband tussen de klank en het begrip. Dat geldt overigens niet voor de samengestelde woorden (bloempot), en de telwoorden, zoals negentien. Dat wat betekend wordt is niet iets, een ding dat buiten de geest bestaat, het is aspect van het teken en daarmee iets mentaals. Taal is primair klanktaal, gesproken taal. Het beeld dat de woorden labels zijn die we plakken op de dingen die al in de werkelijkheid klaar liggen te wachten om ontdekt te worden en genoemd te worden klopt niet. Dat beeld ontstaat wellicht als we kijken hoe een kind de eerste woordjes leert en hoe we steeds meer worden leren. Een ander onderscheid dat De Saussure maakt is dat tussen de waarde (value) en referent (meaning) van een woord. Het Engelse sheep heeft de zelfde referent als het Franse mouton, maar ze verschillen in gebruik. Mouton betekent namelijk zowel het dier als het vlees van het dier, terwijl het Engels daar twee woorden voor heeft. Het Portugees kent drie verschillende woorden voor spelen. Daarmee onderscheidt de taal het spelen van kinderen, het spelen op een muziekinstrument en het spelen van een bordspel zoals schaken of van een spel dat aan spelregels is gebonden.
Het psychische fenomeen taal wordt door De Saussure aangeduid met langue, wat de taal is voor het sprekend subject. Parole is de taal als sociaal fenomeen.
De oorsprong van de taal
Onze dagelijkse, natuurlijke taal, de moedertaal, is primair middel voor het mededelen. Het is zowel communicatiemiddel als uitdrukkingsmiddel. Taal is intersubjectief, iets sociaals en we kunnen erin op verschillende wijzen: min of meer doordacht, min of meer direct, onze relaties tot ons zelf en de wereld om ons heen tot uitdrukking brengen. Taal is verwijzend. De mensentaal is lichaamstaal, lichamelijk uitdrukking dat zich ontwikkeld tot een door ons in zekere mate beheerst middel.
In de gesproken taal, de klanktaal, zijn de woorden betekenisvolle klanken, klankgebaren. In de geschreven taal zijn de tekens beeldende tekeningen, zoals in het hieroglifische schrift, of ze verwijzen min of meer direct naar de gesproken uitdrukkingen. De relatie tussen tekst en spreektaal is bij fragment 4 duidelijk anders dan bij fragment 1. Spreektaal en geschreven taal hebben elk hun eigen karakter, en hun eigen gebruik. Bij gebarentalen spelen de zichtbare, niet hoorbare, lichaamsgebaren een primaire rol. Ik zal hier vanuit de twee verschillende aspecten van taal: uitdrukking en communicatie de vraag naar de oorsprong van de natuurlijke taal benaderen. Allereerst vanuit de communicatie, de intersubjectiviteit.
Of je dat wil of niet, als ik je zie staan, lopen, doen, dan kan ik niet anders dan de ervaring hebben van een ander ik dat in die bezigheden aanwezig is en zich uitdrukt. Zou ik vanaf mijn “geboorte” slechts omringd zijn geweest door robots dan had ik mij op roboteske wijze ontwikkeld in interaktie met mijn roboteske omgeving. Mijn zelf was het zelf van een robot geweest. Maar ik ben geboren omringd door mensen. De oer-ervaring van het bestaan van andere ikken heeft zich met mijn eigen ik-ervaring ontwikkeld. Taal is het geheugen van deze gemeenschappelijke ervaring en het mededelen van ervaringen in ons samen leven. In de ervaring van de ander die mijn geluiden als uitdrukking en spreken opvat en daarop reageert ontwikkelt mijn besef van een taal als middel tot contact met de anderen. Mijn spreken is spreken tot een ander. Spreken wordt tegenspreken. De ander spreekt mij tegen. Uit deze ervaring ontwikkelt het inzicht dat het mogelijk is dat dingen niet zo zijn als ik me voorstel. Een bewering komt tegenover zijn waarheid of onwaarheid te staan. Zonder de ervaring van de ander zijn er geen vragen en antwoorden. De ander is voor mij anders aanwezig dan ik voor mijzelf aanwezig ben. Ik beleef mij zelf, maar zo beleef ik niet de ander. Ik neem de ander waar. Maar niet zoals een ding, maar als ander ik. De mens ervaart zichzelf als kennend via de kennis van de ander, de objecten om hem heen.
De tweede weg naar de oorsprong van de taal is vanuit het waarnemend en kennend subject. De taal als uitdrukkingsmiddel.
De zintuiglijke ervaring heeft een receptief moment: dat wat ervaren wordt werkt in op mijn zintuigen, en een actief moment: de creatie van een immanent kenbeeld, de verwijzing naar het object dat waargenomen wordt op de wijze van het subject: een psychisch beeld.
De kenbeelden hebben al een zin en betekenis. De door ons gevormde denkbeelden hebben een intentionele gerichtheid op iets dat is, maar op een bepaalde wijze, onder een bepaald opzicht. De tegenwoordigheid van het gekende is in het immanente kenbeeld beperkt. Het werkelijk zijnde staat onbereikbaar buiten dit kenbeeld dat er slechts op een subjectieve wijze naar verwijst. Het door ons gevormde denkbeeld is het innerlijk woord.
Op een of andere manier wordt dit innerlijk woord in onze omgang (zie het eerste perspectief) gekoppeld aan woorden die door de anderen om ons heen gebruikt worden. De relatie van de klank “boom” met een indruk die het kind heeft van een object waarnaar gewezen wordt, of van een afbeelding ervan in een plaatjesboek, wordt geleerd, de werking van het geheugen, in de omgang met huisgenoten. Zo leert het kind de associaties tussen klanken en zintuiglijke ervaringen met objecten en gevoelens in de onmiddellijke belevingswereld.
De relatie tussen de woorden en hun betekenissen wordt vaak arbitrair, willekeurig genoemd. Daarmee wordt bedoeld dat er geen zintuiglijk waarneembare relatie bestaat tussen de woorden en klanken enerzijds en datgene waarnaar ze verwijzen. Talen verschillen onder meer in de woorden die ze voor eenzelfde begrip of ding gebruiken. Maar binnen een taalgemeenschap ligt de relatie tussen de woorden en hun betekenis min of meer vast: “Dit noemen wij in Nederland een stoel, want het is een stoel”. “Min of meer”, want het gemeenschappelijke begrip van een stoel dat uitgedrukt wordt in het woord stoel en haar gebruik wordt gevoed door de individuele taalgebruikers op grond van hun ervaringen en in interaktie met de taal. Zo kan de betekenis van een woord veranderen of een woord kan meerdere gebruiken krijgen op grond van een associatie met een bepaald aspect. Nieuwe woorden kunnen ontstaan vanuit een door mensen gedeeld begrip door iemand op grond van een creatief inzicht uitgedrukt in een omschrijving waarin anderen iets herkennen dat betekenisvol is; iets dat een naam mag hebben; iets beduidends. Dichters en filosofen zijn beide met taal bezig, ze geven nieuwe betekenissen aan de woorden en vormen nieuwe woorden omdat ze niet genoeg hebben aan de bestaande woorden; omdat ze een nieuw begrip of een bepaalde emotie willen uitdrukken.
Er is een overgang van het “innerlijk woord”, het teken, waarin het onderscheid tussen subject en object dat we in de kenrelatie vaak onderscheiden niet aanwezig is, naar het uitwendige woord, de klank die onderscheiden is van het object waarnaar wordt gerefereerd. Het teken is beide tegelijk: het is zuivere referentie, voorstelling die geen voorstelling is. Maar het is nog steeds subjectief in de zin dat het bij de individuele, particuliere, beleving hoort. De woorden zijn echter niet privee. De woorden van de taal zijn iets objectiefs; de woorden zijn iets blijvends. Ze kunnen helpen om ons weer iets in herinnering te brengen. De woorden zijn de instrumenten waarmee we denken. We hebben de voorstellingen, de innerlijke beelden, niet meer nodig wanneer we het woord “leeuw” of “stoel” gebruiken. Hegel noemt het woord (hij gebruikt de Duitse term Namen) een “bildlose Vorstellung” (Enzyklopadie $ 462, p.209), een ietwat paradoxale term. Hegel doelt hier waarschijnlijk op het feit dat we ons geen voorstelling hoeven te maken van een leeuw wanneer we het woord “leeuw” denken, uitspreken, lezen of schrijven. In zoverre we in het denken ons laten leiden door de woorden, zonder daarbij bewust stil te staan bij hun betekenissen als zaken die daarvan onderscheiden zijn, heeft het denken iets mechanisch. En inzoverre ons denken mechanisch voortgaat hebben we als subject iets dingmatigs, iets dat dat denken als het ware ondergaat. Op de achtergrond spelen de betekenissen echter voortdurend mee en we kunnen op elk moment stil staan bij de woorden en vragen of ze werkelijk uitdrukken wat we bedoelen.
Maarten Coolen interpreteert de Hegel-teksten over taal (met name in de Subjektive Geist in de Enzyklopadie en in de Jenaer Realphilosophie) in het kader van zijn onderzoek naar de antropologische betekenis van de automatie als uitdrukking van het zelfbegrip van het autonome subject. Hij spreekt van de “denkarbeid” (Coolen, 1992, p.210), het denken dat werken is en dat in de programmeerbare machine wordt veruitwendigd of geobjectiveerd in de vorm van als fysische processen werkende tekens. (zie ook Maarten Coolen: De machine als werkend teken, 1987).
Van woorden naar zinnen
Nu blijft het niet bij woorden. We denken en drukken ons uit in zinnen. Het kind zegt eerst “boom” en later wordt het een expliciet oordeel uitgedrukt in een oordeelszin “Dat is een boom” , waarin het werkelijk zijn van een object wordt bevestigd. Het kind leert de namen voor de kleuren en het oordeel “De bloem is wit” of “De roos is rood.” waarin het de eenheid van subject en predikaat in het object uitdrukt op de wijze van een subjectief oordeel. Dat “wit” en “rood” woorden zijn die hier een eigenschap aanduiden dat ligt in het gebruik besloten.
Tekens en woorden zijn ook objecten maar inzoverre we ze als objecten tegenover ons zien, bijvoorbeeld wanneer we vragen “Wat betekent dit woord?” of “Hoe komt dit woord aan haar betekenis?” inzoverre gebruiken we ze niet op normale wijze. Alleen in het normale gebruik van de woorden zijn ze in dit gebruik onmiddellijk een met het begrip waarnaar ze verwijzen.
Het probleem van lichaam en geest
Het problematische verband tussen het woord en haar betekenis dat o.a. tot uitdrukking komt in de vraag hoe het mogelijk is dat woorden iets betekenen houdt verband met het probleem van de verhouding tussen lichaam en geest. Hoe kan iets dat is bewust zijn, geest zijn? Hoe kan kennis dat toch iets geestelijks, iets mentaals is, kennis van iets zijn dat buiten de kenner is?
Het antwoord op zulke vragen moet beginnen met een kritische analyse van de vraag. Uit welke houding komt de vraag voort? Wat is de aanname? Stel ik lichaam tegenover geest of teken tegenover betekenis dan denk of praat ik die nooit meer bij elkaar. Is het gekende in het kennen wel buiten de kenner? Hangt dat niet heel erg af van de eigen aard van het gekende? Is er wel zoiets algemeens als “kennen”? Moeten we niet veeleer zeggen dat kennen veelzinnig is en dat het concrete kennen bepaald wordt door het gekende en door de kenner? Kennen wij in eigenlijke zin wel dingen of zaken die buiten ons staan? Alsof ik een stoel ken! Je zegt ik weet wat een stoel is. Of: ik ken die stoel. In het kennen is het gekende op de wijze van de kenner. Mijn lichaam is niet op dezelfde manier buiten mij als mijn pen of mijn computer. De pen is in het gebruik weliswaar onderdeel van de hand waarmee ik schrijf, ik kan hem anders dan mijn hand wegleggen en later weer oppakken. Zo staan de woorden van de taal mij ter beschikking en worden ze in het gebruik door mij een deel van mij als denker.
Wat voor de kenrelatie geldt, geldt ook voor de betekenis. Ook de betekenis van deze relatie is afhankelijk van dat wat het teken betekent. Ik denk dat dit is wat Harm Boukema bedoelt wanneer hij in “Over de grenzen van de reflexiviteit” stelt: “Want de wijze waarop we onze gedachten in taal uitdrukken is niet – zoals Frege, Russell en Wittgenstein stilzwijgend veronderstellen – uitwendig aan de gedachten die we uitdrukken. Elke verwoording is tevens concretisering.” Boukema wijst in dit artikel op de “gastvrijheid” van de taal. Het is die eigenschap van de taal die het mogelijk maakt woorden van een nieuwe of afgeleide betekenis of gevoelswaarde te voorzien. De meerzinnigheid van de taal is uitdrukking van de distantie die de creatief denkende geest tot de taal kan nemen.
Wie van mening is dat betekenis een eenzinnige term is die constant is en buiten het woord staat die vat betekenis als een functie op. Deze functie beeldt het teken af op haar betekenis. Dit noem ik mathematisering van de taal. Ze komt tot uitdrukking in de intelligente machine, waarvan het subject, het abstracte subject van de wiskunde is.
Het aanwijzen van individuele dingen
Woorden drukken begrippen uit en die zijn algemeen: stoel, paard, mens. Om iemand duidelijk te maken welke bepaalde stoel ik bedoel moet ik deze aanwijzen. “Deze stoel” of “die stoel daar”. Ik kan ook een foto van de stoel aanwijzen, of een tekening, maar dat schiet tekort wanneer ik niet alleen wil zeggen hoe deze eruit ziet, maar welke unieke stoel ik precies bedoel. Ik moet de stoel in een situatie plaatsen die de ander voor wie ik dit doe herkent. Met “de stoel van opa” zou ik de bedoelde unieke stoel voldoende kunnen aanduiden, althans voor een naast familielid.
“De identiteit van een reeel individue is voor ons ondoorgrondelijk.” (Fleischhacker, Het wiskundig teken, p.22) . Vanwege het algemene karakter van het begrip kan een begripswoord dus nooit een reëel individu identificeren. Het concrete individu dat wordt bedoeld, kan slechts door middel van uiterlijke kenmerken worden aangeduid. Een uitzondering vormen wellicht de eigennamen. Deze gebruiken we om een individu mee aan te duiden. Ze drukken echter geen begripsinhoud uit.
Het wiskundige teken heeft als karakteristieke functie “identifier” te zijn. Terwijl het gebruik van een eigennaam in het gewone taalgebruik veronderstelt dat er iets individueels in de werkelijkheid bestaat dat die naam heeft, constitueert het gebruik van het wiskundige teken in een redenering juist de individualiteit van het wiskundig object. Buiten het denken bestaat het mathematische object niet. We hebben slechts de namen die de objecten als individuele objecten identificeren. We gebruiken cijfers (1, 3, 9) en cijfercombinaties (152) om wiskundige objecten de getallen aan te duiden en letters A, B en C om de punten van een driehoek aan te geven.
Syntax en semantiek van de rekenkundige taal
Een rekenkundige expressie is een uitdrukking in de rekenkunde en kan zelf ook als een wiskundige structuur worden opgevat. Deze is hetzij atomair (3, x), hetzij samengesteld uit een constructor en een of meerdere expressies, de operanden van de constructor. Zo’n expressie is een wiskundig object dat we door middel van een rijtje tekens representeren. Bijvoorbeeld * + 3 4 5 stelt de expressie (3+4) * 5 voor. Op dezelfde manier als het rijtje cijfers 34 het getal 34 voorstelt in de decimale notatie.
De rekenkundige expressie is niet alleen een wiskundig object. De expressie stelt voor ons ook de manier voor waarop de getalswaarde van de expressie berekend moet worden. Zo is 3+4 als een opdracht te zien om 3 bij 4 op te tellen om als resultaat de waarde van de expressie te berekenen.
Een primitieve rekenmachine heeft voor elk van de operatoren een rekeneenheid, een fysische component, dat een aantal invoerkanalen heeft en een uitvoer. De invoer representeert de operand-waardes van de operator, de uitvoer het resultaat van de toepassing van de operator op de invoer . De relatie tussen de invoer en uitvoer van een optel-eenheid beschrijft de relatie tussen de waardes van de operanden en de waarde van het rekenresultaat. Bij het gebruik van de rekeneenheid worden de operand-waarden op de invoerkanalen gezet waarna het resultaat wordt afgelezen of gemeten aan de uitvoerkant.
De waarheidswaarde van een complexe zin (zoals “Jan gaat naar school of Jan is ziek” en “Als de maan van kaas is dan eet ik mijn hoed op”) hangt af van de waarheidswaarden van de onderdelen, die in de propositie-logica als atomaire identifiers beschouwd worden. Zo is “Jan gaat naar school” als identifier ook te vervangen door de identifier P en “Jan is ziek” door Q. De samengestelde zin wordt dan P \/ Q, een logische expressie waarin de wiskundige operator \/ voorkomt. Logische expressies zijn dezelfde soort dingen als de aritmetische expressies die we hierboven zaken. De als dan zin “Als de maan van kaas is dan eet ik mijn hoed op” wordt in geformaliseerde vorm K -> H, waarbij het pijltje -> staat voor de operator die aan deze expressie de waarde Onwaar (False of 0) oplevert dan en slechts dan als K de waarde Waar (True of 1) heeft en H de waarde Onwaar. In alle andere gevallen is de waarheidswaarde Waar (True of 1).
Een logische schakeling voor A -> B is een fysische component met twee invoer-kanalen A en B en een uitvoerkanaal R die zodanig is gemaakt dat de beschrijving van de relatie tussen invoerwaarden van A en B en uitvoerwaarde van R overeenkomen met de wiskundige operator -> (de als-dan operator). Van welk materiaal de fysische component is gemaakt is niet van belang. Het gaat om de representatie en de structuur van de logische operator die het implementeert. Bij een electrische logische schakeling worden invoer- en uitvoer-waarden gerealiseerd door electrische spanningen: bijvoorbeeld hoog is 1 en laag is 0.
Hoe komen die atomaire proposities aan hun waarheidswaarde? Die wordt bepaald door de interne structuur van de propositie en de interpretatie ervan in de “werkelijkheid”. De grondgedachte is dat de predikatieve, bewerende zin “De maan is van kaas” of “Jan gaat naar school” een talige afbeelding is van de feiten, die tesamen de werkelijkheid uitmaken. “Die Welt is alles was der Fall ist“, schrijft Ludwig Wittgenstein, een grondlegger van dit logisch gedachtegoed in zijn beroemde Tractatus. De wiskundige maakt van die werkelijkheid een wiskundig model, een structuur, met objecten en relaties tussen objecten. De onderdelen van de beweringszin “Jan gaat naar school” is dan alleen waar als Jan refereert naar een object in het model dat Jan er een object van type school bestaat en de relatie X gaan naar Y bestaat tussen het object Jan en een object van type school. Taal en wereld zijn eenduidige afbeeldingen van elkaar. Er bestaat niets in deze wereld dat niet in deze taal gezegd kan worden. Het gaat hier echter om een taal die al geen taal meer is in de primaire zin van de omgangstaal. De taal is een verzameling beweringen, die door niemand beweerd, door niemand gebruikt worden. Deze taal functioneert in de logische machine, zodra iemand ze als instrument gebruikt om er logische redeneringen mee uit te laten voeren. Dit vooronderstelt een wiskundig model van de werkelijkheid waarop de redeneringen door de gebruiker van de denkmachine betrokken zijn. Het kennend en denkend subject gaat op in de onpersoonlijke informatiestructuren en processen.
De instrumentele taal
Deze formalisering en mathematisering van de taal als logische taal bepaalt in de loop van de 20ste eeuw steeds meer het denken over onze taal. Sleutelbegrip in de nieuwe taalfilosofie van Austin en Searle wordt dat van de speech act, de taalhandeling. Door een bepaalde zin te uiten voer je een bepaalde functie, zoals beloven, beweren, vragen, waarschuwen, uit. Geen wonder dat deze speech act theorie, waarin een strikt onderscheid wordt gemaakt tussen de inhoudelijke propositie en de functie (illocutionary act) met name aansloeg bij de taaltechnologen, de ingenieurs die aan machines werken waarmee je een gesprek kunt voeren, de dialoogsystemen en conversational agents. In Nederland o.a. het werk van Harry Bunt in Tilburg, die de speech act theorie omzette in een formele, computationele semantiek van communicatieve taalhandelingen, acties waarmee software agenten met elkaar kunnen interacteren.
Taalmachine of denkmachine
Google, Apple, Microsoft, de grote ICT-merken hebben elk hun eigen sprekende kunstmatige agent. Je kunt Siri van Apple in je “eigen” taal een vraag stellen en dan antwoordt ze in natuurlijke taal, de taal van de gebruiker. Zijn dit logische denkmachines zoals hierboven beschreven? Nee. Het is niet zo dat de vraagzin vertaald wordt naar een zin van een formele taal die vervolgens wordt afgebeeld op een wiskundige model. De werking van deze vraag-antwoord-systemen is veel oppervlakkiger: er worden teksten geanalyseerd en vergeleken. Bijvoorbeeld op basis van het voorkomen van bepaalde woorden. Er wordt niet geredeneerd, er wordt geassocieerd. Natuurlijke taal verwerking is in hoge mate statistiek, het vinden van statistische correlaties tussen gegevens. Hoe meer relevante data er beschikbaar is des te beter zullen de resultaten in het algemeen zijn. Siri weet niets; ze functioneert. Voorzover ze een voor de gebruiker acceptabele reactie produceert.
Filosofische taal
Fragment 6 uit onze verzameling voorbeelden van taalfragmenten is een zin uit een artikel van de cultureel antropoloog en filosoof Jan Hollak (1915-2003). Hollak heeft in zijn 50 jarige academische loopbaan na zijn dissertatie over de filosofie van Hegel ongeveer 25 artikelen geschreven. Dat is naar de huidige academische normen gemeten een magere oogst. Daartegenover staat dat de dichtheid ervan hoog is: er staat heel veel in, voor wie de moeite neemt ze te lezen. Ze zijn na zijn dood gebundeld samen met de transcripties van zijn inaugurele rede Van Causa sui tot Automatie (1966) en de Afscheidsrede (1986) over de hypothetische samenleving. Descartes raadde zijn lezers aan zijn teksten drie keer te lezen, waarvan de eerste keer zonder onderbreking om een eerste indruk van het geheel te krijgen. Het eerste artikel dat ik van Hollak las was “Hegel, Marx en de Cybernetica” (1963). Het was voor mij als wiskunde-student met nagenoeg geen kennis van de filosofie, ik volgde colleges wijsbegeerte van de wiskunde bij Louk Fleischhacker bij wie ik afstudeerde en met wie ik samen later naar bandopnames van colleges van Hollak in Amsterdam luisterde, een onbegrijpelijke tekst. Niet drie, maar wel zes keer moet je Hollak’s artikelen lezen en dan nog lees je er weer wat nieuws in. En dat is niet omdat wat hij schrijft zo vaag is, maar omdat de inhoud die hij beschrijft zo rijk is. Je kunt zijn taalgebruik vergelijken met dat van Hegel en Heidegger, filosofisch. Wat is dat voor taal filosofische taal? En hoe onderscheid deze taal zich in preciesheid van wiskundige, wetenschappelijke taal en van literaire en dichterlijke taal?
Hegel-kenner Paul Cobben schrijft in een bibliografie over wat de filosoof Jan Hollak met taal heeft (Cobben, 1993). Daarin gaat hij in op de verschillen.

Filosofische taal is exact en daarin onderscheid het zich van literaire taal. Maar filosofische taal is op een andere wijze exact dan wiskundige taal. Dat heeft alles te maken met het begrip, de relatie tot de werkelijkheid, die erin worden uitgedrukt. Wiskunde gaat over het kwantitatieve, filosofie over de kwaliteit van de werkelijkheid.
Geschreven versus gesproken taal
Tot nu toe ben ik nogal slordig omgesprongen met het onderscheid tussen gesproken en geschreven taal. Wat is primair? Is een woord primair een vocaal iets en is het geschreven woord een transcriptie van het gesproken woord, zoals Aristoteles het in de opening van De Interpretatione voorstelt en waarbij het woord uitdrukking is van de zielebeleving ( “the experiences of the soul”) ? In Some words on word bekritiseren Maarten Janssen en Albert Visser (2002) het beeld dat Aristoteles schetst van de relatie tussen gesproken en geschreven taal. Er is veel dat dit beeld kan verklaren. Teksten werden in de tijd van Aristoteles vaak hardop gelezen. Veel mensen konden niet lezen of ze moesten de tekst hardop lezen omdat ze de klanken nodig hadden om de tekst te begrijpen. Ten tweede gaat, volgens Janssen en Visser, historisch de gesproken taal vooraf aan de geschreven taal. Ik denk dat hier wel wat op af te dingen valt. Als we kijken naar de ontwikkeling van de Egyptische hierogliefen, een der oudste opgetekende talen, zo’n 4000 v.Chr. (zie Davies, 1989) dan zien we wisselende relaties tussen twee soms onafhankelijk van elkaar bestaande taalsystemen, een primaire beeldtaal en een primaire klanktaal. Maar gesproken woorden zijn niet als zodanig bewaard gebleven in tegenstelling tot de hierogliefen, de in steen “heilige uitgehakte letters”, wat het onderzoek naar de relatie tussen spreektaal en schrijftaal tamelijk lastig maakt (Polis en Rosmorduc 2015). Ten derde, en daar ben ik ook van uitgegaan in mijn beschouwing over de oorsprong van de taal, als kind leer je eerst de gesproken woorden, pas later leren kinderen schrijven. (Ook al zijn sommige kinderen al heel vroeg aan het tekenen en ontwikkelen ze daarin hun beeldtaal.) Er zijn geen culturen bekend waar men pas is gaan spreken nadat er een schrift was ontstaan (Rietveld en Van Heuven, 1997).
De ontwikkeling van taal laat interakties zien tussen de verschillende modaliteiten, tussen spraak en schrift. Volgens Janssen en Visser is het woord epibreren door Simon Carmiggelt opgeschreven voordat het door deze volksschrijver of wie dan ook werd uitgesproken. Toch is het een uitspreekbaar woord waarvoor de uitvinder gebruik heeft gemaakt van het Nederlandse alfabet en het Nederlandse fonetische systeem. Het is geen puur beeldteken, zoals de emoticons die qua functie vergelijkbaar zijn met het determinatief in het Egyptisch hierogliefensysteem (zie figuur hieronder).

Zie: Davies (1989) en Polis en Rosmorduc (2015)
In fragment 4 komen naast een emoticon de woorden ff (voor effen, wat even betekent) en w88 (wachten) voor. Het zijn typische woorden die ingetikt worden en die niet zo gauw in een geschreven tekst zullen voorkomen. Het zijn afkortingen van gewone woorden, meestal om minder tekens te hoeven gebruiken, vergelijkbaar met svp en SOS.
Dat een uiting iets anders is dan een rijtje woorden kunnen we illustreren aan de hand van de twee volgende reeksen woorden, waarbij de woorden op dezelfde manier en in de zelfde volgorde zijn uitgesproken.
Jan gaat niet naar school, omdat hij op de juf verliefd is (*)
Jan gaat niet naar school omdat hij op de juf verliefd is (**)
De , die in (*) en niet in (**) achter school staat, duidt het verschil in frasering en melodie aan. Beide uitspraken verschillen duidelijk van betekenis. In (**) wordt niet ontkent dat Jan naar school gaat, zoals in (*). Het spraakgeluid van de hele zin drukt de bedoeling van de spreker uit. Het abstracte woordrijtje mist een essentieel prosodisch aspect van de uiting, de musische laag die in zekere zin bovenop de segmentele fatische laag komt, de uitspraak van de woorden en segmenten.
Deze roos is rood: de predikaten-logika
Welke bewering of oordeel, met het uitspreken van het rijtje woorden “Deze roos is rood.” is bedoeld, kan dus niet uitsluitend uit deze zin gehaald worden. De melodie van de zin moet duidelijk maken of bedoeld wordt dat deze roos rood is (en niet blauw), of dat deze roos (en niet die roos) rood is, of dat de spreker bedoelt een voorbeeld te geven van de kleur rood.
In de predikaten-logika die haar aanvang vond in Frege’s Begriffschrift wordt het predikaat is rood als een functie opgevat die toegepast op het argument deze roos, een waarheidswaarde oplevert. Dat betekent allereerst dat het oordeel als object los komt te staan van degene die het oordeel uitspreekt. Ten tweede, er is geen interaktie tussen het predikaat, de kleur rood, als aanduiding van de roodheid en het subject: het rood van de bloedvlek op het tapijt is het zelfde roos als de roodheid van de wijn. Ten derde, en dit hangt met de eerste abstractie samen, zijn de waarheidswaarden symmetrisch. Dat wil zeggen, dat deze even mogelijke waarden zijn die aan de bewering van buiten af kunnen worden toegekend. Terwijl wanneer iemand de bewering in een concrete situatie uit, hij meteen ook bedoelt dat wat hij zegt ook het geval is. Het feit dat de zin beweerd wordt moet in de predikten-logika dan ook door een meta-symbool worden aangeduid.
We kunnen niet alleen op grond van het simpele feit dat een zin in een computer-geheugen is opgeslagen of in een krant staat of door iemand wordt uitgesproken concluderen wat ermee beweerd wordt en dat dat ook waar is, dat het iets zegt over de werkelijkheid, noch dat het de inhoud aangeeft van het geloof van iemand. Dat is het onpersoonlijke, objectieve en abstracte van de taal, van de informatie- en communicatietechniek en de kunstmatige intelligentie. Het zijn dode woorden die pas door er geloof aan te hechten weer tot leven komen.
Het nadenken over taal kan ons inzicht in de technologie verrijken.
Bronnen
Cobben, Paul (1993). Hollak, Jan. Filosoof in hoofd en hart. In: Krisis, Tijdschrift voor filosofie, 13(1) pp. 90-96), 1993.
Davies, W.V. (1989). Egyptische hierogliefen. Fibula Schriftreeks, Fibula/Unieboek b.v. Houten, 1989. Vertaling uit het Engel, Egyptian Hieroglyphs.
Janssen, Maarten & Albert Visser (2002). Some words on word. Preprint nr.030. Artificial Intelligence Preprint Series, Onderwijsinstituut CKI, Utrecht University, 2002.
Merleau Ponty, Maurice (1964). Signs , Northwestern University, 1964. Hierin: On the Phenomenology of Language (pp.84-97).
Polis, Stephane and Serge Rosmorduc (2015). The Hieroglyphic Sign Functions: Suggestions for a Revised Taxonomy. In Fuzzy boundaries: Festschrift for Antonio Loprieno 1, edited by M. Mueller M. Ronsdorf D. Amstutz, A. Dorn and S. Uljas, Pp. 149-174. Hamburg: Widmaier, 2015.
Rietveld A.C.M. en V.J. van Heuven (1997). Algemene fonetiek. Dick Coutinho, Bussum, 1997.

