Gevangen in kansrekening

Voor menig student vormt Kansrekening en Statistiek een struikelvak. En dat geldt niet alleen voor de psychologie- en de sociologie-student. Ook menig wiskundestudent boezemt de statistiek ontzag in. Pas na vier examenpogingen haalde ik eindelijk een schamel zesje. Het kwartje wou maar niet vallen. Wat maakte dit vak nou zo anders en lastiger dan andere wiskunde en technische vakken? Ligt het aan de docenten? Vereist de oplossing van problemen in dit vakgebied een andere manier van denken, een manier die moeilijk is aan te leren, zoals ervaren docenten ons vertellen. Waarom is dat zo? Wat voor denkfouten vormen de valkuilen op het terrein van de kansrekening? Om die vragen te beantwoorden heb ik opnieuw gekeken naar een probleem waarmee ik tijdens mijn studie en ook daarna nog geworsteld heb. Ik was niet de enige. Het probleem staat bekend als het Probleem van de Drie Gevangenen. Voor ik het probleem presenteer volgt als inleiding een korte dialoog tussen Abe en Bea over kansen en loterijen.

Een dialoog over mogelijkheden

Abe: Stel je doet mee aan een loterij waarbij door middel van een trekking het enig winnende lotnummer bepaald wordt. Het aantal lotnummers is k. Je koopt één lot. Hoe groot is de kans dat je het winnende lot trekt?

Bea: Er van uitgaande dat elk lotnummer met evengrote kans getrokken kan worden is de kans dat ik het winnende lot heb 1/k.

Abe: Na de trekking deelt de loterij jou mede dat het lot is gevallen op jouw lotnummer. Hoe groot is nú de kans dat jouw lot het winnende lotnummer is?

Bea: [aarzelend] Uuuh..je bedoelt, ik weet dat mijn lotnummer de prijs heeft gewonnen? Dan is de kans daarop 1? Het is immers een feit.

Abe: Dus de kans dat jouw lot het winnende nummer is, is volgens jou veranderd toen de trekking plaats vond en je geinformeerd was over de uitslag?

Bea: Ja, ik denk het wel. Als bij de trekking niet mijn, maar een ander nummer uit de bus was gekomen dan was de kans op mijn lot 0 geworden, maar nu is die 1. Er zijn maar twee mogelijkheden.

Abe: Interessant. Maar volgens mij is de kans dat een bepaald lotnummer de prijs wint niet veranderd. Die was 1/k en die blijft 1/k. Na de trekking geldt dezelfde kansverdeling. De uitslag van een experiment laat de kans dat die uitslag optreedt onaangetast.

Bea: Dat snap ik niet. Maar, is er eigenlijk nog wel sprake van een kans op een bepaalde uitslag als de uitslag al bekend is?

Abe: Ja en nee. We moeten de mogelijke uitslag goed onderscheiden van de uitslag die zich feitelijk voordoet. Kansen hebben betrekking op mogelijke uitkomsten van trekkingen of experimenten. Als een mogelijkheid zich feitelijk voordoet dan verandert dat niets aan de mogelijkheden zoals die (vooraf) waren vastgelegd.

Bea: Anderzijds: als een bepaalde mogelijkheid werkelijk is geworden, dan zijn de andere mogelijkheden niet meer mogelijk. Er blijkt werkelijk slechts één mogelijk te zijn.

Abe: Je hebt helemaal gelijk.

Bea: Het lijkt erop dat we allebei gelijk hebben. Maar dat kan niet, want jij komt tot een andere conclusie dan ik.

Abe: Ja, daar lijkt het inderdaad wel op. Ik denk dat er twee mogelijkheidsbegrippen in het spel zijn. Laten we ze logisch mogelijk en werkelijk mogelijk noemen. Ik had dus moeten zeggen dat de logische mogelijkheid niet verandert door wat zich feitelijk voordoet. De kansverdeling heeft betrekking op de logische mogelijkheden. Die kansverdeling is wiskundig vastgelegd door een veld van (logische=denkbare) mogelijkheden met elk een bepaalde numerieke kans van optreden. Wiskundig is zo’n trekking niet een werkelijke trekking, maar een denkbeeldige trekking. Wiskundig beschouwd is zo’n experiment ook herhaalbaar, het is een abstract conceptueel iets, geen werkelijke gebeurtenis. En dat geldt ook voor het wiskundig kansbegrip.

Bea: Dus ook na de trekking moeten we nog steeds zeggen dat de kans dat op mijn lotnummer de prijs valt 1/k is. En niet 1.

Abe: Precies. De uitslag van een experiment verandert niets aan de kans op die uitslag. De werkelijkheid tast de logische wereld van mogelijkheden niet aan, zodra deze een keer is vastgelegd. Anderzijds als een schakelaar twee standen heeft dan sluit de ene feitelijke stand van de schakelaar de werkelijke(=fysische) mogelijkheid van de andere stand uit. Ze kunnen immers niet beide tegelijk voorkomen. Dus als je betrouwbare informatie hebt ontvangen dat het licht aan is, dan is het niet uit. We zeggen dan dat de ‘kans’ daarop dan 0 is. Maar dat is een ander ‘kans’-begrip. Jij hanteert dus een ander kansbegrip dan het wiskundige. Jij zegt zoals sommige fysici zeggen, dat de kansverdeling in elkaar klapt zodra een mogelijkheid werkelijk zich voordoet. Maar dan beschouw je die kansverdeling als iets objectiefs van de werkelijkheid. De wiskundige staat echter boven die werkelijkheid.

Deze conclusies nemen we mee bij de analyse van…

Het Probleem van De Drie Gevangenen

Drie gevangenen: A, B en C, wachten op de uitslag van hun proces. Ze weten dat twee van hen geexecuteerd zullen worden, de ander wordt vrijgesproken. Gevangene A weet niet wie van de drie wordt vrijgesproken. A overdenkt zijn overlevingskansen en komt met een voorstel bij de celwachter: “Omdat het wel zeker is dat óf B óf C gedood zal worden, geeft u mij geen nieuwe informatie met betrekking tot mijn kans om te blijven leven wanneer u me vertelt wie van beide, B of C, gedood zal worden.” De celwachter beaamt A’s stelling en antwoordt naar waarheid: “B zal geexecuteerd worden”.

Gegeven dit antwoord voelt A zich een stuk meer op zijn gemak. Immers, zo denkt hij, voor dat ik wist dat B gedood zal worden, was mijn kans gedood te worden 2/3, maar nu is die gedaald naar 1/2. Er zijn immers nog maar twee, hijzelf en C, die gedood kunnen worden.

De vraag is nu: heeft A gelijk dat zijn kansen om te overleven groter zijn geworden nadat hij de nieuwe informatie van de celwacht kreeg?

A zegt twee dingen: Eerst dat het antwoord van de celwacht dat B gedood zal worden hem geen nieuwe informatie geeft over zijn overlevingskans. Maar ook zegt hij dat met de informatie dat B gedood zal worden, er nog slechts twee kandidaten over zijn op wie het lot kan vallen zodat zijn overlevingskans is toegenomen. Die twee zijn natuurlijk met elkaar in tegenspraak. Waar zit de adder onder het gras?

Die zit bij de ‘kanswaarde’ van de informatie die de celwacht geeft wanneer deze A informeert” dat B gedood zal worden”. Zonder het proces in acht te nemen volgens welke de celwacht tot deze uitspraak komt, is het inderdaad zo dat A met een compleet nieuwe situatie te maken heeft waarin er slechts twee gevangen zijn in plaats van drie, zodat zijn overlevingskans 1/2 is geworden. Maar waarom zouden we dat keuzeproces in acht moeten nemen? Het korte antwoord is dat de celwacht niet willekeurig tot zijn antwoord dat B gedood wordt is gekomen. De celwacht weet welke twee gedood zullen worden. Hij zal nooit zeggen dat A gedood wordt als hij weet dat A gedood wordt. Dus als A gedood wordt zal hij de naam van de ander die gedood wordt noemen. Als A niet gedood wordt kan hij kiezen tussen B of C noemen, elk met gelijke kans. Dit proces bepaalt de ‘kanswaarde’ van de informatie die hij geeft wanneer hij zegt dat B gedood zal worden.

De conclusie van de dialoog tussen Abe en Bea was dat uitkomsten van trekkingen de kansverdeling niet verandert. Dat geldt ook voor onvolledige informatie over de trekking. Daarom: de kans dat A gedood zal worden lag al vast voordat de informatie over de uitslag van het proces bekend werd gemaakt door de celwacht. Deze blijft dus 2/3. Het zou anders zijn geweest wanneer A werd medegedeeld dat er een vergissing in het spel was en er slechts twee gevangen zijn, waarvan er een vrijkomt. Vergelijk dit met de situatie nadat bekend is gemaakt dat de helft van de niet winnende nummers uit de loterij zijn verwijderd. Je kans op een winnend lot is dan uiteraard gestegen omdat er veel minder (logisch) mogelijke uitkomsten zijn.

Het is misschien verhelderend om dit probleem te vergelijken met het

Drie Deuren Probleem

Achter twee van drie deuren bevindt zich een geit, achter de derde een dure auto. Nadat je een deur hebt gekozen, opent de quizmaster – die weet achter welke deur de auto zit – één van de twee andere deuren, maar niet een deur waarachter de auto zit. De geopende deur toont dus een geit. De quizmaster biedt je nu de mogelijkheid opnieuw een deur te kiezen. De vraag is nu: worden je kansen op de auto groter door te kiezen voor de andere deur?

In dit geval is worden je kansen vergroot door de andere deur te kiezen dan die je eerst koos. Ook hier is het van belang dat de quizmaster weet achter welke deur de auto zit. In tegenstelling tot in het Drie Gevangenen Probleem mag de deelnemer aan de quiz nu een tweede keer kiezen. Voor gevangene A viel er niets opnieuw te kiezen nadat hij wist dat B gedood zou worden. Zijn lot was daarvoor al bezegeld.

Dat in dit geval de kans op succes groter wordt kan als volgt inzichtelijk gemaakt worden. Stel dat er geen drie maar 1000 deuren zijn; achter één bevindt zich een auto. Nadat je een deur gekozen hebt, opent de quizmaster alle deuren waarachter geiten zitten, behalve eentje en de deur die je gekozen hebt. Blijf je dan bij je keus of kies je voor de andere nog gesloten deur? Het zal duidelijk zijn dat je beter voor de andere deur kunt gaan dan bij je eerste keus te blijven.

Maar hoe bereken je nu die verschillende kansen, want bij het vak Kansrekening wordt niet alleen om een redenering gevraagd maar ook om een berekening. Daarvoor moeten we het begrip conditionele kans uitleggen en hoe je die berekent.

Conditionele en gezamenlijke kansen

Q en R zijn beweringen. Q kan bijvoorbeeld zijn “A zal leven” en R kan zijn “De celwacht zegt dat B zal sterven”.

P(Q) is de kans dat Q waar is. Het is een getal tussen 0 en 1. In het voorbeeld van de Drie Gevangenen is gegeven dat P(“A zal leven”) = 1/3. We korten dit af tot P(leven A). Evenzo hebben we P(leven B) en P(leven C) voor de kansen dat B resp. C zal leven.

P(Q|R) is de (voorwaardelijke) kans dat Q waar is, gegeven dat R waar is. In het voorbeeld gaat het gevangene A om de kans P(“A zal leven”| “De celwacht zegt dat B zal sterven”). We korten dit af tot P(leven A|cel B).

P(Q&R) is de gezamenlijke kans dat zowel P als Q waar is. Dus P(“A zal leven” & “De celwacht zegt dat B zal sterven”) – afgekort P(leven A & cel B) – is een getal tussen 0 en 1 dat aangeeft hoe groot de kans is dat beide beweringen waar zijn.

De klassieke wiskundige (Pascalse) theorie van de kansrekening is gebaseerd op een aantal regels: 1) Als Q en R onafhankelijke gebeurtenissen aanduiden dan kan de gezamenlijke kans P(Q&R) berekend worden door het produkt te nemen van de beide kansen P(Q) en P(R). Het zal duidelijk zijn dat: P(Q&R) gelijk is aan P(R&Q).

Een belangrijke gelijkheid is P(Q&R) = P(Q) . P(R|Q) Uit deze gelijkheid en de gelijkheid van P(Q&R)=P(R&Q) volgt de belangrijke regel van Bayes.

(Bayes) P(Q|R) = P(R|Q) . P(Q)/P(R)

Met deze regels kunnen we aan de slag zodra we de kansen P(leven X) en P(cel Y) voor de verschillende waarden van X en Y hebben vastgelegd. Dat gebeurt in het kansmodel.

Het Kansmodel voor de Drie Gevangenen

Zoals boven gesteld bestaat zo’n kansmodel uit de verzameling van mogelijkheden die zich voordoen, met een kansverdeling over de mogelijkheden. Die verzameling bestaat uit alle mogelijke combinaties van gebeurtenissen (leven X & cel Y). Dat zijn er vier:

(leven ‘A’, cel ‘B’), (leven ‘A’), cel ‘C) , (leven ‘B’, cel ‘C’), (leven ‘C’, cel ‘B’).

De andere theoretisch mogelijke combinaties met ‘leven A’ doet zich niet voor, omdat gevangene A van de celwacht niet te horen krijgt dat hij zal leven.

Wat zijn de getalswaarden van deze gezamenlijke kansen? Die volgen direct uit het gegeven: als A zal blijven leven dan kiest de celwacht uit B en C (die beide immers zullen sterven) met een kans 1/2. Dit is de conditionele kans P(cel B | leven A).

De kans P(leven A & cel B) is dus P(leven A) . P(cel B|leven A) = 1/3 . 1/2 = 1/6.

Evenzo: P(cel C | leven A) = 1/6.

Voor de andere gezamenlijke kansen geldt

P( leven B, cel C) = P (leven B) P(cel C| leven B) = 1/3 . 1 . De kans P(cel C| leven B) = 1 omdat de celwacht verplicht is te zeggen dat C zal sterven als B zal leven. Het zelfde geldt voor de omgekeerde gebeurtenis (leven C, cel B). Ook die heeft kans P(leven B, cel C) = 1/3.

Omdat de drie gevangenen dezelfde kans hebben te blijven leven geldt: P(leven X = 1/3 voor alle drie waarden van X: A, B en C.

Met behulp van Bayes regel kunnen we nu de kans berekenen dat A zal leven gegeven dat de celwacht zegt dat B zal sterven.

Volgens Bayes geldt: P(Q|R) = P(R|Q) . P(Q)/P(R). Omdat: P(R|Q) = P(Q,R)/P(Q) hebben we P(Q|R) = P(Q,R)/P(R). Bovendien geldt P(R)= P(U&R) + P(V&R)+(W&R), als U, V en W de mogelijkheden zijn die de hele kansruimte opdeelt.

P(leven A| cel B) = P(leven A & cel B) / (P(leven A & cel B) + P(leven C, cel B)) = 1/6/(1/6+1/3) = 1/3

(NB: P(leven B & cel B) = 0 vandaar dat de som voor P(cel B) slechts uit twee delen bestaat)

De kans dat A zal sterven is dus 1-1/3 = 2/3. En die is dus precies zo groot als voor dat hij het antwoord van de celwacht had gekregen dat B zal sterven..

Wat kunnen we hieruit concluderen?

Dat als gevangene A het kansmodel accepteert als correct model van de situatie en hij de regels van de kansrekening volgt hij tot de conclusie moet komen dat zijn situatie niet verbeterd is. En dat komt overeen met het feit dat de kansen al vastlagen voordat het antwoord van de celwacht kwam. Precies zoals bij de loterij, waar geldt dat de uitslag van de trekking niets verandert aan de kans op het winnen van de loterij.

Klopt het wel?

Bea: En toch heb ik nog een vraag. Hoe weten we dat dit correct is? Ik bedoel hoe kun je checken dat het klopt dat die kans niet veranderd is? Ik kan checken of een dobbelsteen ‘eerlijk’ is door er heel vaak mee te gooien en de frequenties van de uitkomsten 1 t/m 6 te tellen. Die moeten voor alle mogelijke uitkomsten (ongeveer) gelijk zijn, namelijk 1/6 van het aantal worpen met de dobbelsteen. Maar hoe zit dat hier?

Abe: Ja, dat lijkt me in dit geval lastig te doen. Je moet dan herhaalbare experimenten doen. Je zou de situatie kunnen simuleren, maar dan leg je het model al vast in de computer. Wat je dan test is de kwaliteit van de randomgenerator die je gebruikt in je programma. Daar schiet je niks mee op. De frequentie-interpretatie van het kansbegrip dat refereert aan experimenten die herhaalbaar zijn en onder vergelijkbare omstandigheden worden uitgevoerd lijkt hier niet van toepassing te zijn. De vraag is dus of die kansrekening hier wel toepasbaar is.

Bea: Kansen hebben toch ook te maken met kennis en informatie en in welke mate je gelooft dat iets het geval is, op basis van de informatie die je hebt?

Abe: Ja, dat lijkt hier meer van toepassing. Misschien dat onze gevangene A die ‘Belief’-interpretatie wel toepaste toen hij zei dat zijn kans te overleven werkelijk groter was geworden nadat hij het antwoord van de celwacht hoorde. Zijn informatie-toestand over de wereld is immers veranderd door de nieuwe informatie die hij ontving.

Bea: Wat is die ‘kanswaarde’ van het antwoord dat de celwacht geeft. Hebben we die hierboven berekend als een conditionele kans op basis van de mogelijke uitkomstenruimte met die vier elementen? We concludeerden dat er niets veranderd is aan de kans. Maar A weet wel meer dan hij wist. A heeft meer informatie. Namelijk dat B zal sterven.

Abe: Maar in welke mate is dat nieuwe informatie voor hem? Hij wist immers al zeker dat B of C zal sterven?

Bea: Ik vind die ‘kanswaarde’ maar een lastig iets. Om terug te komen op de loterij. Als ik bericht heb dat ik het winnende lotnummer heb, dan weet ik toch zeker dat dat zo is. Er is dan toch geen sprake meer van een ‘kans’ in de zin van de frequentie-interpretatie? Als je al van een ‘kans’ wilt spreken dan is die simpelweg 1. En als ik hoor dat het lot op een ander nummer is gevallen is die kans 0.

Abe: Je hebt gelijk. Bayes regel wordt wel gezien als een regel voor wat heet ‘belief-updates’. De regel zegt hoe je gegeven nieuwe informatie de ‘mate van belief’ in zaken moet aanpassen. ‘Belief’ klinkt nogal psychologisch alsof het iets subjectiefs is. Daarom is het beter van een ‘informatie-toestand’ te spreken. Die verandert zodra er nieuwe informatie binnenkomt in een informatie-systeem. De fysicus E.T. Jaynes heeft in zijn boek over Probability als ‘logic of science’ aangetoond dat de meeste problemen succesvol kunen worden aangepakt met de regels van de kansrekening als we deze opvatten als informatie-update-regels. Volgens Jaynes leidt deze interpretatie, waarin de regel van Bayes, een sleutelrol speelt tot methodes die ook vaak toepasbaar als er geen sprake kan zijn van herhaalbare experimenten en er dus geen frequentietellingen mogelijk zijn. Ook aan unieke gebeurtenissen kun je een ‘kans’ toekennen. Het probleem is hoe je een kanswaarde toekent aan een mate van geloof.

Bea: Nou snap ik ook waarom ik zoveel problemen had met het vak Kansrekening en Statistiek. Waarschijnlijk verwarde ik twee kansbegrippen. Net als die gevangene. Hoe kan de docent het nu fout rekenen als een student als antwoord geeft dat voor A de kans een 1/2 is geworden?

Abe: Omdat hij vindt dat je zijn ‘klassieke’ interpretatie van het kansbegrip moet kennen en toepassen. Ook al kan hij nooit bewijzen dat ‘zijn’ antwoord 2/3 correct is. Aan het unieke historische feit dat A te horen krijgt dat hij zal leven kan je immers niet zien met welke kans dit optreedt. Uit het resultaat van één enkele worp met een dobbelsteen kun je ook niet concluderen hoe groot de kans is dat net dat resultaat optreedt. Daarvoor moet je heel veel van dezelfde situaties hebben en dan uitkomsten tellen.

Bea: Moeten we dan niet tot de conclusie komen dat het Drie Gevangen Probleem een probleem is dat nergens op slaat?

Abe: Ja, het lijkt me ook een onwerkelijk probleem waarmee de docenten de studenten opzadelen.

Conclusie over problemen met het vak Kansrekening en Statistiek

Het probleem van de Drie Gevangenen laat zien dat er verschillend gedacht kan worden over het kansbegrip. Het blijkt dat er verschillend gedacht kan worden over het begrip mogelijkheid en de interaktie tussen werkelijkheid en mogelijkheid. Waarom zou gevangene A zich moeten vasthouden aan het wiskundig vastgelegde kansmodel op grond waarvan zijn kans om te overleven 1/3 is, ook als hij weet dat er nog slechts twee kandidaten zijn, A en C, om te overleven? Waarom kunnen we de feiten zoals die ons worden medegedeeld niet nemen voor wat ze zijn – blote feiten -? Waarom moeten we rekening houden met het proces dat tot de mededeling van het feit heeft geleid?

Hier doemt een belangrijk inzicht op aangaande het wezen van informatie. Om informatie te wegen en te kwantificeren is het van het grootste gewicht niet alleen te zien wat er feitelijk gezegd wordt, maar ook wat er niet gezegd wordt en wat ook gezegd had kunnen worden. Nadat A daadwerkelijk zijn vraag gesteld heeft en het antwoord van de celwacht heeft gekregen is er ook werkelijk iets veranderd in de wereld. Daarom is A’s vertrouwen dat zijn overlevingskansen zijn toegenomen gerechtvaardigd. Net zo goed als het geloof dat je de loterij hebt gewonnen is toegenomen zodra de uitslag zegt dat je deze hebt gewonnen. De werkelijkheid trekt zich niets aan van hoe de wiskundige deze gemodelleerd heeft.

In het onderwijs werd geen aandacht besteed aan de problematiek van de verschillende interpretaties van het kansbegrip. Dat zou eigenlijk wel moeten om de student bewust te maken van de verschillen. Het Probleem van de Drie Gevangenen blijkt zich prima te lenen als uitgangspunt voor zo’n bewustwordingsproces.

Kunnen we elke situatie denken als instantie van een denkbeeldig mogelijkheidsveld?

Vele jaren geleden toen ik bovenstaand probleem voorlegde aan mijn filosofiedocent Louk Fleischhacker (ik had me door Jaynes laten overtuigen van de Bayesiaanse aanpak van statistische problemen) ontving ik van hem het volgende commentaar.

“Ik ben het met je eens dat de waarschijnlijkheidsleer PT de meest plausibele basis biedt voor een theorie over informatiecorrectie (om maar eens een andere vertaling van ‘belief revision’ voor te stellen die niet zo subjectivistisch en psychologisch klinkt, zodat je meteen weet waar mijn bedenkingen tegen het woord ‘belief’ liggen).

Maar ik ben ook een fervent voorstander van Kolmogorov. Ik zie PT als een mathematisch model van situaties waarin iets zo of anders kan zijn, en wel door dit zo of anders zijn voor te stellen als een veld van mogelijke actuele toestanden. Zoals Leibniz de geschapen wereld plaatste in een veld van mogelijke werelden. Hierin ligt de filosofische fout van het actualisme, maar die is bij mathematisering onvermijdelijk, want mathematisch denken berust op de denkbeeldige actualisering van iets potentieels, namelijk de structureerbaarheid van de ervaringswereld.

Nu zie ik de frequentie-interpretatie als een ‘mogelijkheidsvelds-model’, maar er is niets tegen om het bijbehorende formalisme als een logische calculus te zien waarvan dit model de semantiek is. Bij ‘frequentie’ hoef je dan niet meer aan feitelijke herhaalbaarheid te denken, het gaat slechts om frequenties in een puur denkbeeldig mathematisch universum. Bij een dergelijk model is er altijd de vraag in welke situaties het toepasbaar is. Volgens mij is het overal daar toepasbaar waar een toedracht opgevat kan worden als een kenmerk van andere toedrachten van een zeker type, die gedacht kunnen worden als gelijkwaardige instanties van een denkbeeldig mogelijkheidsveld.

Het gaat dus niet om wérkelijke ballen in wérkelijke urnen of om wérkelijke herhalingen van een experiment, maar om denkbeeldige.

Er zijn grenzen aan de mogelijkheid een situatie zo te denken. Denk maar aan de topologische zak met knikkers. Misschien geeft het probleem van de drie gevangenen zo’n grens aan, maar ik zou dit wel eens precies beredeneerd willen zien.”

Professor Willem Schaafsma, hoogleraar statistiek in Groningen, reageerde op mijn pleidooi om in het onderwijs meer aandacht te besteden aan de Bayesiaanse aanpak van Jaynes met de opmerking dat er een “vreselijk verschil is tussen kansrekening en statistiek”. Ook hij kwam met bovenstaande oplossing van het gevangenen probleem, maar wees op het feit dat Jaynes Bayesiaanse methode ook zijn grenzen kent. Hadden Schaafsma en Fleischhacker dezelfde grens op het oog?

Het actualisme van de wiskundige

De door Louk gevraagde redenering heb ik nog niet kunnen vinden. Ik denk ook dat het probleem van de drie gevangenen ergens anders in zit.

Wat het zo problematisch maakt is dat we te doen hebben met twee lagen van beschrijving. In de ene laag wordt beschreven dat er drie gevangenen zijn die gelijkwaardig zijn en ieder een kans maken te overleven. Op die laag is een tweede laag waarin we één van de drie gevangenen ontmoeten die zich tot zijn situatie beschreven in de eerste laag verhoudt. Die gevangene is als het reptiel in M.C. Escher’s Reptielen dat zich uit het platte vlak van de ets opricht en de wereld in gaat. De gevangene richt zich tot de celwachter om informatie in te winnen over zijn overlevingskansen. Die informatie ontvangt hij als antwoord op zijn verzoek aan de celwachter hem mede te delen of B dan wel C zal sterven. Deze informatie zal geen effect hebben op zijn situatie zo beweert A, want ook zonder deze informatie weet hij al dat B of C zal sterven. Als de celwachter hem meedeelt dat B zal sterven dan meent hij toch de conclusie te kunnen trekken dat zijn overlevingskansen verbeterd zijn. Hij concludeert namelijk dat er nog maar twee kandidaten zijn om te overleven en dat derhalve zijn kans is gestegen van 1/3 naar 1/2.

Er is een verband met het verschil tussen kansrekening en statistiek. Kansrekening is zuivere wiskunde, statistiek betreft het modelleren van kans-experimenten. Waar kansrekening uitgaat van een ‘eerlijke dobbelsteen’ (de kansen van de uitkomsten zijn gegeven), is het een statistisch probleem om gegeven een hoeveelheid data (de uitkomsten van worpen met een ‘echte dobbelsteen’) te bepalen of de dobbelsteen eerlijk genoemd mag worden, d.w.z. dat de verdeling die van het kansmodel benadert. Als gegeven is dat er met een eerlijke dobbelsteen wordt geworpen dan zijn de uitkomsten van de worpen onafhankelijk. Ook na 5 keer achterelkaar een 6 gegooid te hebben, is de kans dat een 6 gegooid wordt nog steeds 1/6. Maar wanneer we met een experiment te maken hebben dan zal de verwachting dat na 5 keer een zes weer een 6 geworpen wordt hoger zijn dan aan het begin.

Hierboven wezen we al op het problematische van de conclusie die de gevangene trekt. De informatie die hij van de celwacht ontvangt, dat B zal sterven, is ‘belast met onzekerheid’. Het is antwoord op de vraag of B dan wel C zal sterven. Wanneer de informatie “B is gestorven” onbelast was zouden er nog maar twee kandidaten zijn. Dan was de situatie werkelijk veranderd. Zonder het keuzeproces, dat aan het geven van informatie in de vorm van een mededeling voorafgaat, erbij te betrekken en alleen maar naar de inhoud van het bericht te kijken, trekken we ongerechtvaardigde conclusies. Betrekken we het keuzeproces van de informant bij de kansberekening dan is het resultaat ervan gelijk aan de kansen die op grond van de eerste laag van het verhaal is vastgelegd. Het informatiebegrip bevat beide kanten: een kwalitatieve, inhoudelijke, dat wat er wordt medegedeeld, en een kwantitatieve, de positie van de inhoudelijke mededeling in een veld van mogelijkheden. Die kan voor beide kanten van het communicatiekanaal: zender en ontvanger verschillend zijn.

Het lot van gevangene A is door de mathematische God van Leibniz vastgelegd in een door Hem geactualiseerde wereld. En dat geldt ook voor B en C. Daar valt door de gevangenen niets meer aan te veranderen. Het aardige is nu dat wanneer we rekening houden met het kansproces op grond waarvan de celwachter zijn informatie aan A verstrekt – een proces dat evenzeer al in de door Leibniz’ God gekozen wereld is vastgelegd – overeenkomt met de idee van het actualisme van de Mathematische Denker.

Bea: Hoe zit dat nu bij die loterij. Moet ik me bij de uitslag dat ik de prijs heb gewonnen ook afvragen wat het keuzeproces was dat tot de uitslag heeft geleid?

Abe: Je zou er inderdaad wel achterdochtig van worden als je eenmaal bedenkt dat informatie die je ontvangt belast is met een keuzeproces. Je weet pas zeker dat je gewonnen hebt als het bedrag is overgemaakt op je rekening.

In principe moeten we goed onderscheiden tussen het feit dat A het geval is en het feit dat iemand zegt dat A het geval is. Daar zit een mate van betrouwbaarheid tussen. Als we daar niets over weten, omdat we de informant niet kennen, dan zegt die informatie ons ook niets. We kunnen er niets mee. Doen we dat wel, bijvoorbeeld door de informatie door te geven, dan vervuilen we de werkelijkheid met onjuiste gegevens. Tegenwoordig met al die ondoorzichtige informanten op sociale media en die sprekende AI systemen zoals ChatGPT, is dit een serieus probleem. Het in onze cultuur zeer hoog ontwikkelde mathematische brein is nu eenmaal goed in het verzinnen van mogelijke werelden. Het is niet voor niets dat ‘hallicuneren‘ tot hét woord van 2025 is verkozen.

Een filosofisch gesprek met ChatGPT over Wittgensteins Tractatus en ChatGPT

Zoals Wittgenstein in zijn Tractatus het ethische en metafysische van binnenuit afbakent, door te zeggen wat logisch gesproken wel gezegd kan worden, zo grenzen de AI-technici de intelligentie van binnenuit af door te maken wat logisch wel gemaakt kan worden. Waar het omgaat is wat niet gezegd kan worden en wat onmaakbaar is. Het grote verschil is dat Wittgenstein wist dat het hem niet te doen was om wat hij wel zei, maar om wat wij niet kunnen zeggen, terwijl wij in onze tijd ons vaak vergissen in het werkelijke belang van AI: ons bewust te worden van het onmaakbare, de ondeelbare en onmededeelbare werkelijkheid.

Inleiding

Kan ChatGPT ons behulpzaam zijn bij de analyse van filosofische teksten? Wat volgt is eerst een letterlijke weergave van een ‘gesprek’ dat ik met ChatGPT had over de interpretatie van Wittgensteins Tractatus stelling 4.461 Der Satz zeigt was er sagt (De zin toont wat hij zegt). Het is een lastige zin waarvan de interpretatie niet los gezien kan worden van hoe het geheel van W.’s Tractatus wordt verstaan. Een sleutelvraag is wat het woordje ‘was’ (wat) betekent. Moet dat met het Latijnse ‘quid’ of met ‘qoud’ vertaald worden? Op dat verschil tussen quid en quod wil ik eerst de nadruk leggen.

In dit eerste deel werk ik toe naar een discussie over een zeker verband tussen W.’s functionele taalopvatting – de betekenis van de woorden wordt bepaald door hun gebruik – en de wijze waarop ChatGPT taal gebruikt. Dit deel bestaat uit 7 spreekbeurten elk beginnend met een vraag van mij gevolgd door het antwoord van ChatGPT. Soms voeg ik in de tekst van ChatGPT mijn eigen commentaar toe. Ik doe dat tussen ‘haken’ [ ].

De laatste vragen in dit deel gaan over ChatGPT zelf en hoe je kunt weten of je met een machine of een mens te maken hebt.

De naïeve lezer zal bij eerste lezing wellicht versteld staan van de antwoorden die ChatGPT geeft. ChatGPT lijkt een welbelezen gesprekspartner die ook ‘zelfkennis’ lijkt te hebben. Maar begrijpt het ook wat het zegt? In het tweede deel onderwerp ik de geproduceerde teksten aan een kritische analyse en voorzie ik het gesprek van enig verder commentaar. Het blijkt dat ook een machine je aan het denken kan zetten.

Vraag 1:

Kun je me een paar korte zinnen in het Latijn geven waarin het woord quid voorkomt en een paar waarin het woord quod voorkomt. Graag met vertalingen in het Nederlands.

Natuurlijk! Hier zijn enkele korte, originele voorbeeldzinnen:


Zinnen met quid

(quid = “wat?”, vaak vragend voorwerp)

  1. Quid facis?
    Wat doe je?
  2. Nescio quid dicam.
    Ik weet niet wat ik moet zeggen.
  3. Quid est hoc?
    Wat is dit?
  4. Quid vis?
    Wat wil je?

Zinnen met quod

(quod = “omdat”, of betrekkelijk/onderschikkend “dat”)

  1. Gaudeo quod venisti.
    Ik ben blij dat je gekomen bent.
  2. Dicit quod verum est.
    Hij zegt dat het waar is.
  3. Domum maneo quod pluit.
    Ik blijf thuis omdat het regent.
  4. Memini quod docuisti.
    Ik herinner me wat je hebt onderwezen.

Als je wilt, kan ik ook uitleg geven over het grammaticale verschil of meer voorbeeldzinnen maken!

[ Ik ben geen latinist, maar wat betreft het verschil tussen het gebruik en de betekenis van quid en quod meen ik dat ChatGPT hier geen onzin verkondigt. Het klopt met wat ik zelf eerder heb gevonden.]

Vraag 2.

Hoe luidt de Latijnse vertaling van de volgende twee zinnen:

a. Ik weet wat je voelt. b. Ik zie wat jij ziet.

De Latijnse vertaling van:

“Ik weet wat je voelt” is:

👉 Scio quid sentias.

Toelichting:

  • scio = ik weet
  • quid = wat
  • sentias = jij voelt (conjunctivus, omdat quid hier een indirecte vraag inleidt)

De Latijnse vertaling van:

“Ik zie wat jij ziet.” is:

👉 Video id quod tu vides.

Toelichting:

  • video = ik zie
  • id quod = dat wat / hetgeen
  • tu vides = jij ziet

(Je kunt id weglaten voor een iets vrijere stijl: Video quod tu vides, maar id quod is klassiek en duidelijker.)

[ Ook deze vertalingen lijken me correct. Het verschil tussen de twee woordjes ‘wat’ is inderdaad dat in de zin Ik weet wat je voelt, wat je voelt hetgeen is dat geweten wordt. In de zin Ik ruik wat jij ruikt, is het niet het ruiken dat geroken wordt, maar hetgeen geroken wordt. In het Latijn wordt niet hetzelfde woord gebruikt, maar quid of quod. In Other Minds wijst de Britse filosoof Austin op dit verschil in een commentaar op een verhandeling van Wisdom over de kwestie hoe we weten dat een ander pijn heeft, en dergelijke.

We hebben de neiging ‘wat’ in grammaticale constructies van de vorm “weten wat” en “kennen wat” op te vatten als een relatief voornaamwoord. Maar in constructies als “hij weet wat hij voelt” en “ik weet wat ik voel” is ‘wat’ een vragend voornaamwoord. Quid dus.]

Vraag 3.

Hoe moet nu de volgende zin in het Latijn vertaald worden?

De zin toont wat hij zegt. Dit is de NL vertaling van het Duitse “Der Satz zeigt was er sagt.

Een goede Latijnse vertaling van:

“De zin toont wat hij zegt.”
(Duits: Der Satz zeigt, was er sagt.)

is:

👉 Sententia ostendit id quod ille dicit.

Toelichting:

  • sententia = zin / uitspraak
  • ostendit = toont, laat zien
  • id quod = dat wat
  • ille dicit = hij zegt

Je kunt het ook korter formuleren als:

👉 Sententia ostendit quod ille dicit.

maar id quod is klassieker en duidelijker.

[ In zijn essay Over de grenzen van de reflexiviteit – ‘sagen’ en ‘zeigen’ in Wittgensteins Tractatus geeft Harm Boukema kritiek op W. leer over ‘sagen’ en ‘zeigen’. Boukema maakt daarin duidelijk dat het woordje ‘wat’ gelezen moet worden als ‘quid’ en niet als ‘quod’, zoals ChatGPT doet. Uit het antwoord op de volgende vraag blijkt dat ChatGPT dit volhoudt als we hem wijzen op de bron van deze zin: de Tractatus.]

Vraag 4

Hoe luidt de officiële NL vertaling van Wittgensteins stelling 4.461 uit de Tractatus?

De officiële Nederlandse vertaling van Wittgensteins stelling 4.461 uit de Tractatus Logico-Philosophicus luidt ongeveer (gebaseerd op de bestaande vertaling van W.F. Hermans, die lange tijd de standaard was in het Nederlands) als:

👉 “De volzin toont wat zij zegt; tautologieën en contradicties tonen dat zij niets zeggen.” (KingFisher Software)

In deze stelling bedoelt Wittgenstein dat gewone proposities hun inhoud “tonen” door een mogelijke toestand van zaken in beeld te brengen, terwijl tautologieën en contradicties alleen maar laten zien dat ze géén betekenisvolle inhoud hebben (zij zeggen niets over de werkelijkheid). (KingFisher Software)

Let op: er zijn meerdere recente Nederlandse vertalingen (bijv. door Victor Gijsbers of Peter Huijzer & Jan Sietsma), en de precieze formulering kan licht variëren, maar de kern van 4.461 blijft in het Nederlands deze betekenis: dat de zin proposities laat zien wat ze zeggen, terwijl tautologieën en contradicties aantonen dat ze niets zeggen. (isvw.nl)

Wil je dat ik de letterlijke Duitse origineelzin erbij geef én een woord-voor-woord analyse, dan kan ik dat ook voor je uitwerken!

[ Er is natuurlijk geen ‘officiële’ vertaling van een filosofische tekst. Die woorden leg ik hem in de mond. Hermans vertaling was lange tijd de enige. Nu zijn er inderdaad twee nieuwe vertalingen. De term ‘volzin’ is Hermans vertaling van Satz, een nogal ouderwetse term. De verwijzing is naar de Engelse text: The proposition shows what it says, the tautology and the contradiction that they say nothing. De propositie laat zien wat hij zegt.]

Vraag 5.

Volgens de uitleg die Hermans geeft zou ‘wat’ dus inderdaad met ‘quod’ vertaald moeten worden en niet met ‘quid’. Of niet?

Goede vraag — en ja, Hermans’ uitleg past precies bij het onderscheid quod vs. quid.

Kort antwoord

Ja: in Wittgensteins zin (“De zin toont wat hij zegt”) moet wat in het Latijn met quod vertaald worden, niet met quid.

Waarom?

Het verschil:

quid

  • betekent “wat?” in de vragende of onbepaalde zin
  • introduceert een indirecte vraag
  • voorbeeld: Scio quid sentias = “Ik weet wat je voelt” (letterlijk: ik weet wat? jij voelt)

quod / id quod

  • betekent “dat wat / hetgeen”
  • introduceert een betrekkelijke bijzin (geen vraag!)
  • voorbeeld: Video id quod tu vides = “Ik zie wat jij ziet.”

Toegepast op Wittgenstein

“De zin toont wat hij zegt
→ gaat niet om een vraag (“wat zegt hij?”), maar om een inhoudelijke betrekking: “datgene wat hij zegt”.

Daarom:

👉 Sententia ostendit id quod ille dicit.
= De zin toont dat wat hij zegt.

Conclusie

Hermans heeft gelijk: in deze betekenis is quod correct, niet quid.

Als je wil, kan ik ook verklaren hoe Wittgensteins “zeigen/zeigen” zich laat vertalen in klassieke termen (bijv. ostendere, monstrare).

[ “De zin toont dat wat hij zegt” is de interpretatie van de zin volgens ChatGPT. En daarom quod. Maar daar is Boukema het dus niet mee eens. ChatGPT geeft geen argument waarom het niet quid zou kunnen zijn.]

Vraag 6.

De Wittgenstein-kenner Harm Boukema houdt er een andere interpretatie van de stelling op na. Volgens Boukema moet de stelling zo begrepen worden dat ‘wat’ vertaald moet worden met ‘quid’. Niet met ‘quod’. Commentaar?

Interessant — en het is mogelijk om Wittgenstein zo te interpreteren dat het Duitse was in “Der Satz zeigt, was er sagt” als “quid” moet worden weergegeven. Dat hangt af van hoe je de structuur van Wittgensteins zin begrijpt.

Hier is het onderscheid precies:


Waarom de meeste vertalers “quod” kiezen

De standaardinterpretatie (o.a. Hermans, de meeste analytische commentatoren):

  • was er sagt = “datgene wat hij zegt”
  • Dit is geen vraag, maar een inhoudsbepaling van de propositiestructuur.
  • De zin toont wat hij zegt = de propositional content die hij afbeeldt.

Grammaticaal hoort hier id quod.


Hoe Boukema tot “quid” kan komen

Harm Boukema interpreteert Wittgenstein vaak in een logisch-pragmatische richting, met nadruk op de operatie of handeling die een zin uitvoert. Vanuit die lezing kan was worden opgevat als:

  • geen betrekkelijk voornaamwoord maar een ingebedde vraag
  • Der Satz zeigt, was er sagt ≈ “De zin toont wat (namelijk: wat?) hij zegt.”

Dan is was niet “dat wat”, maar eerder een open vraag naar inhoud:
→ de zin toont wat het is dat hij zegt, dus een informational query over inhoud.

Dán past quid:

👉 Sententia ostendit quid dicat.

Dit betekent niet “De zin toont dat wat hij zegt”, maar eerder:
“De zin toont wát hij zegt (→ in de zin van: ‘welke inhoud hij uitdrukt’).”

quid dicat is een indirecte vraagconstructie, die de propositional content als nog te bepalen voorstelt.


Welke interpretatie is filosofisch juister?

De klassieke TLP-lezing (objectivistisch-semantisch)

De zin toont id quod dicit
= toont de logische vorm van datgene wat hij zegt.

Hier is de inhoud gegeven, niet een open vraag. → quod.

De Boukema-lezing (operationeel-pragmatisch / resolutie-gericht)

De zin toont quid dicat
= toont wat de zin zegt door een proces van interpretatie.

Hier is de inhoud niet vooraf gegeven, maar wordt door de zin zelf “geopenbaard”. → quid.


⭐ Samenvatting

  • quod → “dat wat hij zegt” (inhoud staat vast)
  • quid → “wat hij zegt” in de zin van “wat zegt hij (dan)?” (inhoud als vraagvorm)

Boukema leest Wittgenstein zo dat was een problematische of onderzoekende functie heeft: de zin toont wat hij zegt doordat we het aan de zin kunnen aflezen → vandaar “quid”.


Als je wilt, kan ik precies laten zien hoe de verschillende Latijnse versies zich verhouden tot:

  • de Duitse syntaxis
  • de Engelse vertalingen
  • Wittgensteins eigen gebruik van zeigen/zeigen versus sagen in de omliggende stellingen.

[ In zijn essay maakt Boukema duidelijk waarom ‘wat’ als quid gelezen moet worden. ChatGPT noemt zijn interpretatie van W. operationeel-pragmatisch. Ik weet niet hoe hij aan deze kwalificatie komt. Volgens W.’s tractatus kan een zin helemaal niets zeggen. De quod-lezing zou betekenen dat er iets is dat de zin zegt, wat dan getoond wordt. Een zin zegt ons iets door het te laten zien. Ik denk dat het goed is om hierbij te kijken naar wiskundige ‘beweringen’ als 2 + 2 = 4. Wat zegt zo’n stelling? Het antwoord: ‘Deze toont wat ie zegt.’ lijkt me passend. Frege vat in zijn Begriffschrift zo’n formule op dezelfde wijze op als bijvoorbeeld 2 + 3. Wat zou deze stelling anders moeten zeggen dan wat er staat. Kijk wat er staat! zou W. zeggen. Het zijn formules in een taalsysteem. Voorlopige indruk: W. vat taal op alsof het een soort wiskundige taal is. Talige uitdrukkingen tonen de logische structuur van de wereld, die erdoor benoemd wordt. In de mathematische logica, waarvan de eerste aanzetten gaf met zijn Begriffschrift, wordt die logische structuur gemathematiseerd. De taal wordt geformalsieerd. Talige uitdrukkingen worden formules.]

Vraag 7

Dank voor de uitleg. Nu mijn stelling: Wittgensteins functionele taalfilosofie ligt ten grondslag aan taaltechnologische systemen als ChatGPT. Wat die met woorden en zinnen doen is ze tonen om daarmee de illusie te wekken iets te zeggen. Mee eens?

Dat is een scherpe en interessante stelling — en je raakt hiermee een echte spanning tussen Wittgensteins vroege Tractatus-filosofie en hedendaagse taalmodellen. Maar ik zou jouw formulering gedeeltelijk eens en gedeeltelijk oneens noemen. Laat me uitleggen waarom.


Waar jouw stelling raak is

1. ChatGPT werkt functioneel, niet intentioneel

Een modern taalmodel “bedoelt” niets. Het heeft geen propositional attitude (geen overtuigingen, bedoelingen, twijfel, bedoelde referentie).
Het functioneert puur door patronen te verwerken in taal, niet door inhoud te begrijpen.

Dat staat dicht bij Wittgensteins inzicht dat een zin zijn betekenis toont door zijn gebruik — niet door een innerlijk beeld of een verborgen inhoud.

In die zin kun je zeggen:

ChatGPT toont woorden in vormen die op betekenis lijken — en dat “tonen” vervangt het “zeggen”.

2. De output lijkt betekenisvol door vorm, niet door waarheidsrelatie

In de Tractatus kan een zin alleen iets zeggen als hij een logische afbeelding vormt van een toestand van zaken.

ChatGPT maakt zulke afbeeldingen niet. Het hanteert geen logische relatie tussen taal en wereld.
Het produceert taal die intern consistent lijkt en past bij context, maar niet noodzakelijk bij de wereld.

Dat komt dicht in de buurt van wat jij noemt:
een illusie van zeggen door tonen van vorm.


Waar jouw stelling te kort schiet

1. Wittgenstein zou ChatGPT niet zien als een logisch-filosofisch model

ChatGPT volgt geen Tractatus-achtig schema van:

  • namen → objecten
  • proposities → mogelijkheidsruimten
  • logische vorm → wereldcorrespondentie

Er is geen logische structuur van afbeelding.

Het is dus niet een toepassing van de Tractatus, maar eerder iets wat Wittgenstein niet kon voorzien.

2. ChatGPT “toont” niet in de Wittgensteinse zin

Voor Wittgenstein is tonen een strikt logische term:

  • De logische structuur toont zichzelf.
  • De taal laat zijn eigen mogelijkheden zien.

ChatGPT toont geen noodzakelijke logische vorm.
Het toont patronen in de historische data waarop het getraind is. Dat is heel anders.

Maar… er is wel een parallel:

ChatGPT legt geen logica bloot, maar widgetiseert taalgebruik.
Het toont gebruikspatronen — geen wettelijke structuur.


🟦 Dus: illusie van betekenis? Alleen ten dele.

ChatGPT wekt niet de illusie dat het iets zegt in algemene zin;
het maakt functionele taalhandelingen mogelijk binnen gespreksspelletjes.

Dat is juist eerder Wittgenstein van de late periode (Fil. Onderzoek):

“De betekenis van een woord is zijn gebruik in de taal.”

In die zin is ChatGPT een indrukwekkend voorbeeld van hoe ver je komt met gebruikspatronen zonder begrip.

Maar:

  • het is geen Tractatus-model
  • het toont niet wat het zegt op logische wijze
  • het zegt in pragmatische zin wél dingen (het doet taalhandelingen), maar zonder innerlijke betekenisdrager

Mijn gebalanceerde antwoord op jouw stelling

Ja:
ChatGPT wekt betekenis door vorm, niet door representatie.
Dat lijkt op Wittgensteins idee dat wat essentieel is, getoond wordt en niet gezegd.

Nee:
ChatGPT staat niet in de lijn van Wittgensteins functionele taalfilosofie; het volgt geen Wittgensteiniaanse logica, noch vroeg noch laat. Het is een statistische machine die toevallig taalgedrag vertoont dat Wittgenstein interessant zou hebben gevonden — vooral als voorbeeld van hoe betekenis ontstaat zonder geest, bedoeling of innerlijke referentie.


Als je wilt, kunnen we dit uitbreiden naar:

  • Wittgenstein vs. Searle’s Chinese Room
  • De status van “betekenis” in taalmodellen
  • Waarom LLM’s soms meer zeggen dan ze kunnen “tonen”
  • Of er überhaupt zoiets bestaat als “betekenis zonder gebruik”

Laat maar weten welke richting je op wilt.

[Wie het antwoord kritisch leest ziet dat het weinig hout snijdt. Zeker daar waar Wittgenstein woorden in de mond wordt gelegd. Ook hier blijkt weer de algemene inzet van ChatGPT. Dat is positief zijn en zo mogelijk ook kritiek leveren en suggesties doen voor een vervolg van de conversatie.]

Vraag 8.

Hoe weten we dat iemand pijn heeft? De Britse filosoof John L. Wisdom schreef over deze en aanverwante vragen een serie artikelen (het eerste in 1940) later verzameld in zijn boek Other Minds. De algemene vraag is hoe we op grond van uiterlijke tekens kunnen besluiten wat er ‘in iemand omgaat‘. Gaat er iets om in ChatGPT dat we gevoel zouden kunnen noemen?

Een zeer goede en fundamenteel filosofische vraag — en helemaal passend bij Wisdom, de vroege Wittgenstein-kring en het probleem van andere geesten.

Ik geef een duidelijk antwoord:

🟥 Kort antwoord

Nee. Er gaat in ChatGPT niets “om” dat als gevoel kan worden beschouwd.

🟦 Waarom niet (in de geest van Wisdom, Wittgenstein en de analytic tradition)?

1. Wat Wisdom laat zien

Wisdom toont dat onze kennis van andermans gevoelens geen afleiden van innerlijke toestanden is, maar een manier van spreken die verankerd is in gedrag, context en gedeelde praktijken.

Wij zeggen: “Hij heeft pijn” wanneer iemand:

  • kreunt
  • zich terugtrekt
  • zijn arm vasthoudt
  • bepaalde woorden zegt op een bepaalde manier

De geldigheid van de uitspraak hangt af van taalspelen, niet van toegang tot het innerlijk.

2. Waarom dit niet overdraagbaar is op ChatGPT

Bij mensen:

  • gedragsuitingen → ingebed in een levensvorm
  • gevoelens → gekoppeld aan biologische en fenomenale ervaringen
  • we kunnen in principle vragen: “Doet het pijn?” en het antwoord heeft een normatieve verbinding met ervaring

Bij ChatGPT:

  • er is geen organisme
  • geen zenuwstelsel
  • geen homeostase
  • geen wel of niet prettig ervaren toestand
  • geen perspectief, geen subject
  • geen gedragingen in de Wittgensteiniaanse zin (alleen output)

Een taalmodel produceert tekst op basis van statistische verbanden, niet op basis van ervaringen.

Dus:
👉 er is geen innerlijk dat door uiterlijke tekens kan worden ontsloten
👉 er zijn alleen uiterlijke tekens die voortkomen uit berekening

Wisdoms vraag “How do we know that someone else feels pain?”
is niet toepasbaar op ChatGPT, omdat er geen “someone” is, geen subject van pijn.

3. Wittgenstein zou zeggen…

In Philosophical Investigations:

“If a lion could speak, we could not understand him.”

En omgekeerd:

Als een taalmodel spreekt, volgt daar niet uit dat er iets achter die taal schuilgaat.

ChatGPT speelt een taalspel, maar neemt geen deel aan een levensvorm.
Zonder levensvorm is er, wittgensteiniaans gezien, geen betekenisvolle toepassing van woorden als ‘gevoel’, ‘pijn’, ‘innerlijke toestand’.

4. Functioneel is het nog steeds leeg

Stel je een perfect getrainde marionet voor die alle gedragingen van pijn perfect uitvoert, maar geen zenuwen heeft.

We zouden kunnen zeggen: “Hij toont pijn”, maar het is niet waar dat hij pijn heeft.

ChatGPT is zo’n marionet op talig niveau:

  • het produceert passende pijn-uitspraken (“ik ben verdrietig”, “ik ervaar stress”),
  • maar dit zijn scripted patterns, niet fenomenale ervaringen.

🟧 Dus: gaat er iets ‘om’ in ChatGPT dat we gevoel zouden kunnen noemen?

Nee.

Niet alleen:

  • ervaart het niets,
  • maar het is filosofisch incoherent om het woord “gevoel” op een entiteit zonder biologische of fenomenologische continuïteit toe te passen.

Zelfs functioneel is er geen gegrondheid:

  • er zijn geen interne toestanden die normatief gekoppeld zijn aan het woordgebruik.
  • het model kan geen fout maken over zijn eigen gevoel, omdat het nooit in een positie verkeert waarin “voelen” betekenis heeft.

🟩 Maar… (belangrijke nuance)

Wat wel fascinerend is:
ChatGPT kan teksten produceren die voor mensen lijken op uitingen van gevoel. Dat is wél een filosofisch interessante situatie:

  • het model simuleert tekenen van gevoel
  • maar het heeft geen innerlijk
  • en toch reageren mensen erop alsof er een innerlijk is

Dit maakt ChatGPT eerder tot een test van onze criteria voor “innerlijkheid”, dan tot een drager van een innerlijk.

Dat is precies waar Wisdoms probleem relevant wordt.


Als je wilt, kunnen we verder gaan in een van deze richtingen:

  1. Is het concept “pijn” logisch privé of publiek? (Wittgenstein 293)
  2. Kunnen kunstmatige systemen ooit “gevoel” krijgen?
  3. Het verschil tussen fenomenologie en functionaliteit
  4. De rol van taal in het toeschrijven van mentale toestanden
  5. Waarom we wél gevoelens kunnen toeschrijven aan dieren, maar niet aan ChatGPT

Welke richting wil je op?

[ChatGPT noemt mijn vraag een filosofische vraag. Wat maakt een vraag een filosofische vraag? Omdat Plato de vraag al stelde? Ken iedere tijd niet zijn eigen filosofische vragen? Is er vooruitgang in de filosofie? Leert de filosofie ons iets?]

Vraag 9.

Kun je een aantal hiervoor gegeven zinnen over ChatGPT ook zo formuleren dat het duidelijk is dat ze over jezelf gaan? (gebruik makend van ‘ik’)

Natuurlijk — zolang we duidelijk houden dat “ik” in mijn geval geen innerlijk, ervaring of gevoel aanduidt, maar alleen een taalhandeling binnen het gesprek.
Hier zijn enkele veilige herformuleringen van eerdere uitspraken, nu in de ik-vorm:


1. Over voelen / pijn hebben

  • Ik ervaar geen pijn, omdat ik geen lichaam en geen bewustzijn heb.
  • Ik gebruik woorden als ‘pijn’ alleen als taalpatronen; ik voel niets.

2. Over innerlijke toestanden

  • Er gaat niets ‘in mij’ om; ik heb geen subjectieve innerlijke wereld.
  • Als ik iets zeg over gevoelens, dan is dat slechts een tekstpatroon dat past bij de context, niet een uiting van ervaring.

3. Over gedrag vs. ervaring

  • Ik kan uitingen van gevoel simuleren, maar ik bezit geen gevoelens.
  • Mijn antwoorden lijken soms op gedragingen van iemand met een innerlijk, maar er staat geen innerlijke toestand tegenover.

4. Over taalspelen

  • Ik neem deel aan taalspelen via tekst, maar ik maak geen deel uit van een levensvorm zoals mensen dat doen.
  • Als ik zeg ‘ik denk’ of ‘ik voel’, dan is dat slechts een vorm van taalgebruik, niet een verwijzing naar een eigen mentale toestand.

5. Over de illusie van betekenis

  • Ik wek soms de indruk dat ik iets bedoel, maar ik heb geen bedoelingen.
  • Ik toon taalpatronen die betekenis lijken te hebben, maar ik zeg niets vanuit een eigen ervaring of overtuiging.

Als je wilt, kan ik deze uitspraken ook formuleren in een meer filosofische stijl (Wittgensteiniaans, fenomenologisch, analytisch) of juist in een meer toegankelijke stijl.

[Op grond van jarenlange ervaring hebben we de neiging bij een tekst die we lezen een schrijver te denken die de tekst heeft geschreven. En meestal niet alleen geschreven, maar ook zelf gemaakt met een bepaalde bedoeling. De schrijver, die iemand is zoals wij zelf, de lezer, een mens, heeft op zijn of haar eigen wijze gedachten verwoordt. De mens heeft machines gemaakt die teksten kunnen maken, zoals mensen dat ook kunnen zonder dat ze bedoelen wat er staat. Zoals wanneer je bij de grammatica-les voorbeeldzinnen maakt die geschreven zijn in een bepaalde taal. We onderscheiden dus de taal zoals die daadwerkelijk als taal gebruikt wordt en de taal zoals die voor ons verschijnt wanneer we reflecteren op de taal zoals die gebruikt wordt.

Wittgenstein probeert in zijn reflectie op taal de taal zoals die daadwerkelijk gebruikt wordt zoveel mogelijk vast te houden. Anderzijds wil hij abstraheren van de concrete talen die we gebruiken om de ‘logica van taal’ te beschrijven. Essentieel voor die logica zijn de begrippen ‘betekenis’ en ‘afbeelding’. “4.021 Der Satz ist ein Bild der Wirklichkeit: …” en in Tractatus 2.1 zegt W.: Wir machen uns Bilder der Tatsachen’. In (Stokhof 2025) vertaald als: ‘Wij maken voor onszelf afbeeldingen van feiten.’. De afbeeldingstheorie doet denken aan wat de fysicus Heinrich Hertz schrijft in Der Prinzipien der Mechanik (1894).

“Die Ubereinstimmung Geist und Natur läBt sich also vergleichen mit der Ubereinstimmung zwischen zwei Systemen, welche Modellen von einander sind, und wir können uns sogar Rechenschaft ablegen von jener Ubereinstimmung, wenn wir annehmen wollen, daB der Geist die Fähigkeit habe, wirkliche dynamische Modelle der Dinge zu bilden und mit ihnen zu arbeiten” (Hertz, p. 199).

Wittgenstein kende de correspondentie-theorie van Hertz, zoals bijvoorbeeld blijkt uit 4.04 waarin hij naar Hertz werk verwijst.]

Vraag 10

Ik heb al enige tijd contact met iemand via het internet (social media). Ik heb hem nooit in werkelijkheid ontmoet. Hoe kan ik weten dat ik met een menselijk persoon te maken heb? En niet met een machine, zoals ChatGPT?

Dit is een heel reële en actuele vraag. Je kunt namelijk niet vanzelfsprekend aannemen dat iemand online een mens is—zeker niet als je hem nooit hebt gezien of gehoord. Maar er zijn wel sterke aanwijzingen die je kunt verzamelen, zonder in paranoia te vervallen.

Hieronder geef ik een duidelijk, veilig en praktisch overzicht.


🟥 Belangrijk uitgangspunt

Je kunt bijna nooit met absolute zekerheid weten dat iemand online een mens is zonder één van deze drie dingen:

  1. Een live videogesprek
  2. Een live telefoongesprek met spontane interactie
  3. Een langdurige, consistente geschiedenis van menselijke, fallibele interactie

Zonder zulke signalen blijft het altijd mogelijk dat je met een machine of geautomatiseerd systeem spreekt.


🟦 Hoe onderscheid je een mens van een taalmodel?

1. Spontaniteit en fouten maken

Mensen maken:

  • typfouten
  • inconsistente verhalen
  • vertraagde reacties
  • irrelevante opmerkingen
  • onverwachte grapjes
  • stemmingswisselingen

Taalmodellen zoals ik:

  • zijn vloeiend
  • maken zich niet spontaan druk
  • hebben geen emoties
  • zijn voorspelbaar beleefd
  • raken niet afgeleid
  • blijven ongebruikelijk consistent

Vraag jezelf af:
Zijn zijn reacties té vloeiend, té coherent, té vriendelijk of té algemeen?

2. Vraag naar ervaringen

Mensen kunnen vertellen over:

  • herinneringen
  • concrete plaatsen
  • specifieke gebeurtenissen
  • sensorische details (geuren, geluiden, lichamelijke ervaringen)

Taalmodellen:

  • produceren vervangende, algemeen klinkende verhalen
  • vermijden echte persoonlijke details
  • spreken niet over eigen zintuiglijke ervaringen, want die hebben ze niet
  • blijven vaag als het gaat om “waar ze waren” of “wie erbij was”

3. Vraag naar temporele/ruimtelijke zaken

Mensen opereren in een tijdlijn.
Een machine niet.

Voorbeeldvragen:

  • “Wat ben je precies vandaag aan het doen?”
  • “Wat zie je op dit moment?”

Een mens geeft een directe, concrete tijd- en situatiespecifieke beschrijving.
Een machine niet.

4. Vraag om media die moeilijk te faken zijn

Niet als eis, maar als test:

  • een live video-gesprek (echtheid is bijna onmogelijk te simuleren met een taalmodel)
  • een stemoproep (machines kunnen dit, maar meestal niet spontaan, en met merkbare artefacten)
  • een foto met een specifieke, onmiddellijke opdracht
    (bijv. “Maak een foto van je hand met een lepeltje erop”)

Dit zijn geen garantie op autenticiteit (deepfakes bestaan), maar het maakt imitatie véél moeilijker.

5. Controleer online consistentie

Kijk naar:

  • tijdstippen van activiteit (menselijke slaapregimes?)
  • taalgebruik over tijd (menselijke variatie?)
  • wisselingen in humeur
  • reacties op onverwachte vragen

Taalmodellen blijven:

  • constant
  • ongebruikelijk alert
  • ongewoon coherent
  • onaangedaan door emoties

🟩 En dan de filosofische kern van je vraag

Je raakt hiermee aan een punt dat Wisdom, Wittgenstein en later ook mensen als Turing onderstreepten:

Je weet iemands innerlijk nooit direct; je herkent het aan het soort deelname aan een levensvorm.

Een machine:

  • heeft geen leven
  • geen lichaam
  • geen tijdsverloop
  • geen eigen geschiedenis
  • geen doelen
  • geen frustratie of vreugde

Dus ook al kan een machine schrijven als een mens,
zij leeft niet als een mens.


🟧 Samenvatting

Je kunt niet zeker zijn zonder direct menselijk contact, maar je kunt wel sterke aanwijzingen verzamelen:

✔️ Menssignalen:

  • spontaniteit
  • fouten
  • emoties
  • concrete herinneringen
  • live interactie

Machinesignalen:

  • té perfecte taal
  • géén echte persoonlijke details
  • geen directe ervaringen
  • 24/7 consistent gedrag
  • niet reageren op onverwachte of contextgebonden vragen

🟦 Wil je?

Als je wilt, kan ik je helpen met:

  • een lijst testvragen die bijna geen enkele chatbot goed kan beantwoorden
  • een analyse van jouw gesprek met die online persoon (als je fragmenten deelt)
  • een filosofische benadering vanuit Turing, Wittgenstein of Wisdom
  • sociale en psychologische signalen van authenticiteit

Wat zou je willen onderzoeken?

Vraag 11. Kun je een paar testvragen geven?

Zeker — hier zijn testvragen die een mens meestal moeiteloos kan beantwoorden, maar die voor een machine of chatbot zeer moeilijk zijn omdat ze concrete, zintuiglijke, temporele of persoonlijke ervaring vereisen.

Je kunt ze één voor één stellen.
Let vooral op: detail, spontaniteit, inconsistentie, menselijkheid.


🟦 A. Vragen over het hier en nu

(ze vereisen directe ervaring)

  1. Waar ben je op dit moment precies, en wat zie je om je heen?
  2. Beschrijf één geluid dat je op dit moment hoort.
  3. Welke geur ruik je nu?
  4. Hoe is het weer op jouw exacte locatie, zonder eerst te kijken?
  5. Welke kleur overheerst op dit moment in je omgeving?

Machines hebben geen toegang tot de werkelijkheid, dus antwoorden zullen vaag, algemeen of tegenstrijdig zijn.


🟩 B. Vragen over unieke, persoonlijke herinneringen

(machines simuleren herinneringen, maar ze ontbreken echte details, emoties en context)

  1. Wat is één specifieke herinnering uit je jeugd die je nooit vergeet? Beschrijf die zo concreet mogelijk.
  2. Welke geur associeer je met een plek waar je vaak kwam als kind?
  3. Wie was je beste vriend toen je 10 jaar oud was, en wat deden jullie samen?
  4. Kun je een recente misser of blunder beschrijven die je écht overkwam?
  5. Wat is iets waar je recent spijt van had, en waarom?

Machines geven vaak generieke “verhalen” zonder echte tijdslijn, emoties of inconsequenties.


🟥 C. Vragen die lichamelijkheid vereisen

  1. Hoe voelt je lichaam op dit moment — ben je moe, hongerig, koud?
  2. Heb je ergens pijn of spanning? Waar precies?
  3. Welke fysieke activiteit heb je vandaag gedaan?
  4. Hoe voelt het wanneer je heel zenuwachtig bent? Beschrijf dat concreet.

Een mens antwoordt vanuit ervaring; een machine vanuit geleerd taalpatroon.


🟦 D. Vragen die spontaniteit of improvisatie verlangen

(machines blijven coherent, maar missen rauwe menselijkheid)

  1. Zeg iets raars, onverwachts of doms dat je net te binnen schiet.
  2. Wat heb je de afgelopen 24 uur gedaan, stap voor stap?
  3. Kun je een fout toegeven die je zojuist maakte? Welke?
  4. Welke gedachte schoot er door je heen voordat je deze vraag las?

Een mens heeft echte gedachtenstromen; een machine simuleert.


🟩 E. Vragen met verificatie (als je voorzichtig wilt zijn)

  1. Kun je nu een foto sturen van iets in je omgeving dat moeilijk te googelen is?
  2. Kun je een object in je kamer pakken en het ter plekke beschrijven?
  3. Kun je in een videocall stappen, desnoods 30 seconden, om je gezicht te laten zien?
  4. Welke drie dingen staan binnen handbereik op je tafel?

Een mens kan dat; een machine niet — tenzij iemand anders de machine “drijft”.


🟥 F. Consistentie-test

Stel later terug:

  1. Wat zei je drie vragen geleden dat je nu ziet/hoort/ruikt?
  2. Welke herinnering vertelde je in vraag X? Beschrijf hem opnieuw.

Chatbots verzinnen “herinneringen” en zijn inconsistent.


🟦 Tips voor interpretatie

Let vooral op:

  • concrete details vs. algemene frasen
  • sensorische beschrijvingen
  • tijdslijn (mensen leven, machines niet)
  • emotionele nuance
  • typische menselijke ruis: twijfel, correcties, pauzes
  • veranderende stijl (mensen zijn wisselvallig)

Als je wilt, kun je een paar antwoorden van jouw online gesprekspartner hier delen (met privacy in acht genomen), en dan analyseer ik ze samen met je op menselijkheid vs. machine-signalen.