“I believe we are all the same person.” (Arnold Zuboff)
“Zo schijnt het dat er vele bewuste wezens in de wereld zijn, maar deze zijn slechts weerspiegeling van het ene oerbewustzijn.” (Louk Fleischhacker)
Ik was m’n fiets kwijt. Ik weet zeker dat ik met de fiets naar de bibliotheek was gekomen. Toen ik naar huis wilde gaan was hij weg. Ik deed aangifte bij de politie. Hebt u goed gekeken?, vroeg de agent, ze willen nog wel eens fietsen verplaatsen. Ik heb overal gezocht. Hij zal wel gestolen zijn. Hoe ziet uw fiets eruit? Kunt u een beschrijving geven? Een zwarte damesfiets, met handremmen en vier versnellingen. Merk? Gazelle, geloof ik. Hebt u een framenummer van de fiets? Nee. Hmm, kunt u bijzondere kenmerken geven. Nee, ik zou niet weten wat. Een sticker of zo? Nee, geen sticker. Hoe kun je je fiets zoeken, als je niet weet hoe hij eruit ziet? Ik kan hem niet precies beschrijven, maar als ik hem zie dan weet ik zeker dat het mijn fiets is.
Ik was nogal ontdaan toen mijn eerste fiets gestolen was. Waarom zijn we zo ontdaan wanneer ons eigendom gestolen wordt? Juist omdat het iets van ons zelf is. Hoe gaan we met dit (zelf)verlies om? Door het verlies te relativeren? “Ach, het is maar een fiets.” Maar wat kan de ander niet allemaal van je afnemen dat je dierbaar is? Je baan. “U kunt maandag thuis blijven. We hebben besloten dat uw werk ook wel door een robot gedaan kan worden.” Wat blijft er nog als onvervreemdbaar over van mijn eigendom? Mijn stem, mijn gezichtsuitdrukkingen, de door mij met veel moeite geproduceerde teksten? Wat is eigenlijk nog van mij? De dief negeert de erkenning van mijn eigendom en daarmee negeert hij mij als persoon. Wat zou hij te zeggen hebben om zijn misdaad goed te praten. Kan hij in de verklaring van zijn gedrag zichzelf als verantwoordelijke persoon nog in stand houden? De misdadiger moet zichzelf als vrij en zelfstandig subject ontkennen om zijn misdaad goed te praten. Zo praten Poetin en Natanyahu hun wandaden goed omdat ze deze uitvoeren in dienst van De Geschiedenis van hun Volk.
Meer nog dan hun gestolen fiets zijn mensen op zoek naar hun zelf. Ze zijn ‘de weg kwijt’. Niet zoals een demente bejaarde die de weg naar huis niet meer kan vinden. De weg is metafoor voor het eigen leven. Het probleem waarmee de mens zit die ‘de weg kwijt is’, zit hem misschien wel in de vooronderstelling dat er zoiets als de eigen levensweg is. Zoekt hij niet iets dat nog niet bepaald is? Of mogelijk zijn ze het niet eens met de manier waarop hun leven bepaald is; door anderen, door gebeurtenissen in het verleden.
Ben je je fiets of je kat kwijt, kun je anderen vragen je te helpen zoeken. Je geeft ze een beschrijving van het object of – als je een foto hebt – een foto. Maar van je zelf? Kunt u even een beschrijving geven van uw zelf? Hoe kun je iets vinden als je niet eens weet wat het is dat je zoekt? Als er zoveel mensen op zoek zijn naar hun zelf, dan mogen we aannemen dat ze op een of andere manier weten waar ze naar op zoek zijn. Zodat ze, zodra ze hun zelf gevonden hebben, onmiddellijk en met zekerheid kunnen zeggen dat ze gevonden hebben wat ze zochten. Heureka! Dat ben ik! Dat is mijn zelf! Dat ben ik zelf!
We verhouden ons tot ons zelf op geheel andere wijze dan tot onze fiets of onze kat. Ik ben geen eigenaar van mijn fiets zoals ik eigenaar ben van mijn zelf. Bij het vinden van mijn zelf vallen zoeker en het gevonden zelf samen. Daarmee is de verhouding tussen zoeker en zelf veranderd. Mijn zelf dat gezocht werd is een andere zelf geworden zodra het gevonden is. En dat geldt ook voor de zoeker die zijn zelf zocht. Daarmee, in dat samenvallen van mij met mijn zelf, is er een leegte ontstaan die we zelfbewustzijn kunnen noemen. Ik.
Waarom ‘leegte’?
Er is een direct verband tussen het zoeken naar zelf in de zin van je persoonlijke identiteit (wie ben ik?) en de ontwikkeling van zelfbewustzijn.
Ik las Finding Myself (2025) waarin de filosoof Arnold Zuboff zijn filosofie, het univeralisme uitlegt. Daarin lijken beide: (zelf)bewustzijn en persoonlijke identiteit, als abstracte begrippen bijna samen te vallen.
Het gaat hier om abstracte begrippen. Als de Russische Ksenia Menshikova, occult docent en oprichtster van een school voor magie, het heeft over “The Key to Knowing Yourself” dan geeft ze levenslessen hoe te leren omgaan met ‘negatieve patronen uit je verleden’ en hoe je ‘positieve energie kan activeren voor je eigen leven’. Om jezelf te vinden biedt ze een hele toolbox aan middelen en symbolen aan: Tarot kaarten, Noorse runentekens, droomduidingen, maar ook yoga, meditatie. Dat lijkt mijlenver af te staan van de problemen rond het zelf waarmee de ‘philosophy of mind’ worstelt. De filosoof abstraheert van de bijzondere inhoud van zijn persoonlijke eigenaardigheden, familieomstandigheden, en geschiedenis, om zicht te krijgen op de eigenaard van het begrip ‘persoonlijke identiteit’.
Zuboff vraagt: wat is het dat jouw/mijn ervaringen jouw/mijn ervaringen maakt?
Kan ik aan mijn fiets zelf zien dat het mijn fiets is? Is er een specifieke eigenschap van mijn ervaring dat maakt dat het mijn ervaring is? “Wat een ervaring jouw ervaring maakt, heeft niets te maken met de beschrijving van de inhoud van die ervaring, noch van degenen die de ervaring bezit.” “Al wat vereist is opdat een ervaring jouw ervaring is, of als ‘mijn ervaring’ beleefd wordt, is dat deze het karakter heeft van onmiddellijkheid, dat het ‘first-person’ is.” (Zuboff). Zoals de ervaring van pijn onmiddellijk is, first-person. Het is de onmiddellijke innerlijkheid van de pijn-ervaring dat het mijn pijn is. Zonder dat karakter van innerlijkheid zou het niet werkelijk pijn zijn. De pijn van de ander is niet mijn pijn, maar voor de andere is het evenzeer ‘mijn pijn’. Wat alle subjecten delen is de mijnheid, het bewustzijn. Dit inzicht is de basis van Zuboff’s metafysica: het universalisme ook wel open individualisme genoemd. Universalisme beweert dat er precies één subject van ervaring bestaat, waarvan iedere ervaring die zich voordoet een instantie is. In die zin is Zuboff een platonist: de werkelijke koffiekop is de ene unieke koffiekop Idee, waarvan alle koffiekoppen slechts instanties zijn. Volgens Zuboff is het een illusie van het denken dat we als subject van belevingen gescheiden zijn van andere subjecten. Vandaar de ondertitel van het boek: Beyond the false boundaries of personal identity. Als we een veelheid van individuele subjecten zien dan houden we onwezenlijke, bijkomstige, eigenschappen voor kenmerken die het verschil zouden maken tussen mijn en dijn.
De openingszin van One Self: The Logic of Experience (1990) is: “I believe we are all the same person.” Een intrigerende gedachte. “In all conscious life there is only one person – I – whose existence depends merely on the presence of a quality that is inherent in all experience – its quality of being mine, the simple immediacy of it for whatever is having experience.”
Wij zijn allemaal dezelfde persoon. Hoe komt Zuboff op het idee!?
Zuboff zet zijn universalisme af tegen wat hij noemt de normale kijk op persoonlijke identiteit (“the ordinary view”), de standaard theorie.
Traditioneel zijn er twee problemen met persoonlijke identiteit. Het eerste betreft zelf-bewustzijn – op een of andere merkwaardige wijze is de mens zich bewust van zijn eigen identiteit. Het tweede probleem betreft de kwestie in hoeverre het hebben van een eigen fysiek lichaam (waaronder het eigen brein) een noodzakelijke en voldoende conditie is voor persoonlijke identiteit.
Zuboff zet zijn universalisme af tegen het traditionele debat over deze twee problemen van het zelf. Dat debat, zo stelt hij, gaat slechts over de condities die mijn eigen identiteit in takt laten. Het traditionele debat negeert volledig de kwestie waar het in eerste instantie om gaat: wat maakt een mentale substantie, het brein, of een psychologisch proces, het mijne in plaats van iemand anders. Alleen het universalisme beantwoordt deze kwestie.
Universalisme en de standaard theorie zijn het niet eens over de kwestie welke eigenschappen noodzakelijk zijn en welke slechts bijkomstig zijn als het gaat om de identiteit van het persoon-zijn (cq. subject zijn van ervaring, of bewustzijn). Beide theorieën zijn het erover eens dat de kleren die je draagt niet je persoonlijke identiteit uitmaken. Ook lichamelijke eigenschappen zijn niet wezenlijk voor de identiteit van een persoon. Je bent bakker, maar je had ook loodgieter kunnen zijn. Dit deed me denken aan Ulrich, De Man zonder Eigenschappen van Robert Musil. Ulrich is iedere man, ieder mens. Ulrich heeft vele eigenschappen. Hij is man, 32 jaar oud, gewezen soldaat, wiskundige. Maar al deze eigenschappen zijn slechts buitenkant: ze maken niet uit wat Ulrich in wezen is. Hij had ook andere eigenschappen kunnen hebben, andere keuzes kunnen maken. Ulrich lijkt de romantische personificatie van Zuboff’s subject. Maar Zuboff’gaat verder in het zoeken naar het wezen van het zelf, de identiteit van de persoon.
Volgens het universalisme is er geen enkele eigenschap die het verschil maakt tussen mijn en dijn. Zuboff komt dan tot de volgende opmerkelijke conclusie over het ontstaan van je eigen bestaan als deze unieke persoon.
“There are not any detailed specifications necessary as conditions for your existing. And it is for that reason that there is no (literally) unbelievable chance or luck involved in your existing. You would exist no matter how such things turned out.”
Het geheugen, het hebben van herinneringen, speelt een belangrijke rol in het denken over persoonlijke identieit.
Toen ik aan Finding Myself begon meende ik nog nooit van de auteur gehoord te hebben. Ik had me vergist. Bij mijn afscheid als docent wis- en natuurkunde aan het Kottenpark College, een middelbare school in Enschede, kreeg ik van de leerlingen van ‘mijn klas’ (3 VWO) (een exemplaar van) The Mind’s I – Fantasies and Reflections on Self and Soul. Zuboff verwijst ernaar in zijn boek. Een door mij zeer gewaardeerd afscheidskado. Ik vond het exemplaar in de kast, stukgelezen, met hier en daar commentaar. Deze door de leerlingen getekende kopie van het boek is mij dierbaar. Uit hun keuze van dit boek bleek dat de leerlingen iets mee hadden gekregen van mijn interesse voor meta-mathematische problemen. Wellicht heb ik mijn leerlingen de diagonaal-methode van Cantor uitgelegd, over de leugenaarsparadox verteld, en misschien heb ik wel geprobeerd wat de stellingen van Gödel of de onafhankelijkheid van de continuumhypothese betekent voor de status van wiskundige kennis. (Ik was al vroeg van mening dat in de studie van de wiskunde ook het bijzondere van de wiskundige denkhouding aan de orde moet komen.)
Ongetwijfeld heb ik indertijd ook Zuboff’s bijdrage aan The Mind’s I gelezen. The Story of a Brain gaat over split brain experimenten en het effect op de ‘persoonlijkheid’ van ervaring. “This weird tale seems at first to be a slight demolition of virtally all of the ideas exploited in te rest of the book” schrijven de samenstellers van The Mind’s I, Hofstadter en Dennett, in hun commentaar op het artikel.
Persoonlijke herinneringen maken een wezenlijk deel uit van de persoonlijke identiteit. Het hebben van een goed werkend geheugen lijkt een voorwaarde voor het bestaan als persoon. Maar ik kan me natuurlijk vergissen.
Een probabilistisch argument
Verrassend is hoe Zuboff zijn theorie aannemelijk maakt aan de hand van verschillende versies van probabilistische modellen (‘games’). Finding Myself begint daarmee. “Perhaps the most interesting argument for universalism is a probability
argument.” (p. 5).
Ben je toevallig wie je bent?
Zuboff vergelijkt de standaard theorie over (het ontstaan van) persoonlijke identiteit met een complex spel (“the hard game”) en zijn universalisme met een eenvoudig spel (“the easy game”). Deze “awakening games” modelleren de mogelijke mechanismes die hebben plaatsgevonden en geleid tot het ontstaan/ontwaken van je persoonlijke identiteit/ je bewustzijn/ je zelf. Volgens de “hard game” hangt je bestaan af van een enorm complex proces dat beschrijft hoe uiteindelijk van generatie op generatie van voorouders, een spermacel de eicel bevrucht waaruit je bent ontstaan. Dat proces wordt gemodelleerd door middel van een reeks van worpen met een eerlijke munt. Hoe ongelooflijk klein is de kans dat de uitkomst van zeg 1000 keer een worp met een eerlijke munt precies dat rijtje kruis en munt oplevert dat de code is van jouw persoon? Volgens de “easy game” hangt je bestaan/ontwaken helemaal niet af van de uitkomst van het werpen met de munt. Wat de uitkomst ook is, je bestaan is verzekerd. Waarom? Het antwoord is verrassend simpel: omdat wát de uitkomst ook is, er is altijd een persoon die ontstaat, er is altijd een uitkomst, en dat is jij. De conclusie is dan onvermijdelijk: het is geen toeval, maar noodzakelijk dat jij bestaat. Universalisme is volgens Zuboff dan ook de enige verklaring voor het bestaan van jouw, mijn, persoonlijke identiteit. Wat is hier aan de hand? Moet ik blij zijn met iedere uitslag van de staatsloterij of ik nu wel of niet het winnende lot heb gekocht? Omdat er altijd een ‘jij’ is die heeft gewonnen en ik ben jij ?
In termen van het testen van hypotheses, zoals dat in de experimentele wetenschap gebeurt, gaat Zuboff’s probabilistic argument als volgt. We hebben twee hypotheses die een verklaring zouden moeten bieden voor je bestaan (gecodeerd als de evidence E: er is 1000 keer munt gegooid). De hard game (H) er wordt duizend keer met een eerlijke munt gegooid, en de easy game (U): er wordt 1000 keer met een valse munt gegooid waarvan beide zijden munt zijn. De kans P(E|H), de conditionele kans dat de uitkomst E resultaat is van de worp met 1000 eerlijke munten, is veel kleiner dan de kans P(E|U), de conditionele kans dat E het resultaat is van het werpen met de oneerlijke munt. De kans dat met de eerlijke munt 1000 keer munt wordt gegooid is niet nul, maar extreem klein. Zuboff concludeert dan dat het logisch is te concluderen dat er met de oneerlijke munt gegooid is. Want het is onwaarschijnlijk dat iets gebeurt dat zo onwaarschijnlijk is. Merk op dat hier een omkering plaats vindt. De kansen die vergelijken worden zijn P(H|E), de kans op de hard game hypothesis, gegeven de evidence, met P(U|E), de kans op de easy game U, gegeven de evidence. De onbekende kans P(H|E) is echter een andere dan de bekende kans P(E|H) en evenzo is de onbekende kans dat P(U|E) een andere dan de bekende P(E|U). Zuboff lijkt beide kansen te verwarren. Er is wel een verband tussen beide kansen. Volgens Bayes’ Rule geldt:
P(H|E) / P(U|E) = [ P(H) / P(U) ] * [ P(E|H) / P(E|U) ]
De eerste term van het rechter-lid van de gelijkheid meet de relatieve priors van de twee hypotheses. In het geval dat de twee hypothesis H and U dezelfde prior probabilities hebben is bovenstaande gelijkheid gelijk met:
P(H|E) / P(U|E) = [ P(E|H) / P(E|U) ].
Dus alleen onder de voorwaarde dat de priors gelijk zijn, mogen we op grond van de evidence E concluderen dat U waarschijnlijker is dan H. Maar wat kunnen we van de priors zeggen? Niets. Of toch wel? Want waar komen die hypotheses vandaan? De hypothese U is geintroduceerd op grond van de kennis van de evidence E. Want waarom staat U voor het proces dat met zekerheid leidt tot een reeks met alleen maar munt? Omdat E de gebeurtenis is die staat voor een reeks van 1000 keer munt. Het probabilistisch argument dat volgens Zuboff (?) zou moeten besluiten tot het universalisme berust op bias die succes verzekert. Het vooronderstelt wat aangetoond wil worden.
Kunnen we hier niet spreken van wat Zuboff noemt een ‘positive selection effect’ !
Toeval of noodzakelijkheid?
De cabaretier Erik van Muiswinkel maakte in de aankondiging van één van zijn optredens bekend dat hij op precies dezelfde dag geboren is als Barack Obama, de toenmalige president van de VS. Om het belang van deze mededeling aan te geven voegde hij eraan toe: “Als dat toeval is, dan is het wel heel toevallig.” Met andere woorden: dit kan geen toeval zijn, hier moet een verklaring voor zijn. Van de filosoof Hegel zijn de woorden: het toevallige is het schijnbaar noodzakelijke.
De wetenschapper streeft naar inzicht in het noodzakelijke verband tussen oorzaken en gevolgen. Hij zal niet rusten voordat er niet meer sprake is van een toevallige samenloop van dingen, maar van inzicht in een mechanisme dat beide met elkaar verbindt. Uiteindelijk streeft hij ernaar in te zien dat wat formeel onderscheiden wordt als oorzaak en gevolg (het roken en de longkanker) inhoudelijk twee kanten zijn van eenzelfde gebeuren of proces.
De noodzakelijkheid van de gelijkheid van beider geboortedata, door de cabaretier gesuggereerd met zijn ‘als dit toeval is, dan is het wel heel toevallig’, berust op selection bias. Daarmee bedoel ik: als hij niet op dezelfde dag geboren was als Obama, dan had hij dit niet opgemerkt, of dan was hij wel met een andere naam gekomen van iemand die op dezelfde dag geboren was als hij. Ik ben zelf op 10 januari geboren. Dat is precies dezelfde dag in het jaar waarop de amerikaanse computerwetenschapper en wiskundige Donald Knuth, winnaar van de prestigieuze Turing Award, geboren is. Knuth is niet alleen de ontwikkelaar van Tex, een project waarover hij tijdens een ICALP conferentie in Nafplion, Griekenland, een lezing hield en waar ik hem ontmoette, maar ook van een formalisme voor de specificatie van programmeertalen, de attributengrammatica, het onderwerp van mijn promotieonderzoek. Toeval? Stond deze samenloop in de sterren geschreven? Selection bias of kosmologie? Maar wat is de verklarende kracht van ‘selection bias’?
Zuboff onderscheidt twee types ‘selection effect’, ‘positive’ en ‘negative selection effect’. Een negatief selectie effect treedt bijvoorbeeld op in een situatie waarin ik naar de radio luister en de presentatrice hoor zeggen: “Fijn dat u luistert.” Hoe weet ze dat ik luister? (Ik luister bijna nooit naar dit programma.) Of ik sta voor een informatiebord langs de weg waarop een kaart van het gebied met daarop een pijl die wijst naar een punt op de kaart met daarbij de tekst “U bevindt zich hier”. Hoe weet het bord dat ik hier sta? (Ik sta hier nooit). Een negatief selectie effect verklaart niets. Niet waarom juist ik hier nu sta of luister. Het biedt geen verklaring voor het antropisch principe; geen verklaring voor het feit dat we leven in een universum dat toevallig zodanig is samengesteld dat er leven mogelijk is: als dit niet zo was, dan waren we ons hiervan ook niet bewust, dan hadden we niet bestaan. Het negatieve selectie effect verklaart niets, volgens Zuboff omdat het een trivialiteit uitdrukt: alleen waarnemers kunnen waarnemen. Het positieve selectie effect heeft daarentegen wel een verklarende werking. Het verklaart waarom er geen sprake is van een toevalligheid die wel heel erg toevallig is. Hoe dan? Door het oprekken van het subject, van het ‘ik’. Zuboff spreekt van ‘loosen the conditions for personal identity’. Er is altijd een ik die de hoofdprijs heeft gewonnen.
Het antropisch principe
Is ons bestaan toevallig? Gezien de vele factoren die voor het ontstaan van het leven op aarde verantwoordelijk zijn, kunnen we wel stellen dat als ons bestaan toeval was dan zou het wel heel toevallig zijn. Anderzijds:
“In andere talloze universa waarin leven niet mogelijk is, stelt ook niemand de vraag waarom dat universum is zoals het is. (…) We leven in het universum dat bij ons past.”
Zo stelt de natuur- en sterrenkundige Ans Hekkenberg in Het Multiversum: over het idee dat ons universum niet het enige is (2021). Dit is het antropisch principe.
“To eliminate the anthropic coincidence from our view, as rationality regarding the probabilities requires, we must loosen the conditions for personal identity, so that you, the observer, would automatically be in any of the universes in which the right conditions occurred.”
Het antropisch principe wordt vaak gekoppeld aan het bestaan van het multiversum, een veelheid van universa.
“Then ‘my’ universe is guaranteed to be amenable. My universe will be every universe that is a host to consciousness. Only combined with universalism can a many-differing-physical-worlds hypothesis make probable the amenable character of our world. “(Finding Myself p. 86)
“Universalism puts you into an anthropic universe and turns what might otherwise seem a miraculous accident into necessity.”
“The positive selection effect—that one will observe any universe that produces consciousness—is indeed the explanation for one’s universe producing consciousness when it is combined with a multiverse that makes the occurrence of such a universe probable. This positive selection effect is only there in universalism. Universalism is the lubricant that gets the multiverse solving the puzzle of the anthropic principle.” (Finding Myself, p. 87)
Het ‘my’, het ”I’ krijgt een omvattender, wijdere, meer abstracte betekenis, het refereert naar elk ‘ik’, naar iedere instantie van een ervaring waarin er (zelf)bewustzijn is, bewustzijn van een zelf, ‘the quality of being mine, the simple immediacy of it for whatever is having experience‘.
De bias werkzaam in Zuboff’s probabilistische modellering, de keuze voor juist die hypothese U waarmee de hypothese H vergeleken wordt, zie ik als weergave van zijn selection effect in het model/de game.
Staat of valt universalisme nu dan met de validiteit van het probabilistisch argument, dat in diverse varianten terugkomt in Finding Myself? Over de vraag naar de functie van het probabilistisch argument voor het gezichtspunt van het universalisme is Zuboff wat mij betreft niet ondubbelzinnig.
In een e-mail als reaktie op mijn bovenstaand commentaar schrijft hij:
“Finally, I should add that universalism is not intended merely as a way of making existence more probable. Its primary claim is about the nature of personal identity. The probabilistic arguments arise only after an earlier argument that what makes an experience mine is its first-person immediacy rather than a particular organism, lineage, or psychological process. (italics van RodA)
The statistical considerations were intended as confirmations of that earlier conclusion rather than as its sole basis.”
De probabilistische games zijn achteraf gekomen; een reconstructie van een fysisch/biologisch/cosmologisch proces dat verantwoordelijk zou zijn voor mijn bestaan/het ontstaan van het ‘ervaringssubject’.
Heeft het wel zin om waarschijnlijkheidstheorie toe te passen om tot een verklaring te komen van een uniek historisch gebeuren? Zo’n theorie legt immers vast welke mogelijkheden zich voor kunnen doen. Ieder feit is voor de theorie instantie of voorkomen van een reeds van te voren gespecificeerde mogelijkheid. Daartegenover is het de werkelijkheid die ons bewust maakt van het mogelijke.
Zuboff hierover:
“Universalism does not show that the probabilistic comparison was meaningless. It shows that one side of the comparison was mistaken about what was essential. According to the usual view, my existence depended upon a very specific sequence of sperm-cell victories. According to universalism, my existence never depended on those victories at all.”
De beide hypotheses in het probabilistisch model hebben voor Zuboff kennelijk niet dezelfde status. En dat klopt wel met bovenstaande analyse: ze hebben niet dezelfde prior omdat de selectie van de hypotheses gebaseerd is op de evidence die verklaard moet worden.
Is objectieve kennis van het subjectieve mogelijk?
Wat voortdurend meespeelt in Zuboff’s theorie is het probleem om een objectieve theorie te formuleren van het zijn/bestaan van het subject als subject. Het probleem is typisch voor het denken over bewustzijn. Thomas Nagel schrijft erover in zijn beroemde “What is it like to be a bat?” Het artikel is opgenomen in de bundel The Mind’s I. Nagel wil niet zozeer weten wat het voor hem is om een vleermuis te zijn. Hij wil weten wat het objectief betekent: de subjectieve ervaring van een vleermuis een vleermuis te zijn. Is het hebben van subjectieve ervaringen wel te objectiveren? Is er wel objectieve kennis mogelijk van het subjectieve? Wanneer we onze subjectieve ervaringen beschrijven, dan is er altijd iets dat niet in de beschrijving voorkomt, maar dat stilzwijgend voortdurend wordt voorondersteld, de aanwezigheid van ik, het subject. (Misschien is dat wel waarnaar Wittgenstein referereert in de beroemde laatste stelling van de Tractatus: “Waarover we niet kunnen spreken daarover moeten we zwijgen.”) De vraag naar de eigen aard van ‘het bewustzijn’ (consciousness) houdt de filosoof in haar greep. David Chalmers onderscheidt twee soorten problemen rond bewustzijn: ‘hard problems’ en ‘easy problems’. De easy problems “are straightforwardly vulnerable to explanation in terms of computational or neural mechanisms.” De ‘hard problems’ voldoen daar niet aan. Omdat intelligentie bewustzijn veronderstelt is daarmee de vraag naar bewustzijn direct gekoppeld aan de vraag naar het bestaan van artificiële intelligentie (AI). Is AI een objectieve verwerkelijking van menselijke intelligentie? Of kunnen we de zelfstandigheid van AI slechts begrijpen in relatie tot de mens die er gebruik van maakt?
Het lezen van Finding Myself en de e-mail discussie met Arnold Zuboff waren voor mij bijzonder stimulerend. Het bracht me ertoe Hegels hoofdstuk over het ontwaken van het zelfbewustzijn in de Fenomenologie van de Geest te herlezen. Daarbij werd ik geholpen door de uitleg die Louk Fleischhacker, mijn vroegere docent mathematische logica en filosofie, geeft in Hegel: Zelfbewustzijn, Begeerte en de Ander (Uitg. Damon, 2004).
Treffend is, in het licht van Zuboff’s universalisme, het volgende citaat uit Louk’s uitleg:
“Zo schijnt het dat er vele bewuste wezens in de wereld zijn, maar deze zijn slechts weerspliegeling van het ene oerbewustzijn.” (p. 50).
Wie Zuboff’s universalisme (“Ik ben elk bewustijn”) houdt voor een occulte theorie over het brahman als alomvattende substantie (een ‘oerbewustzijn’) die heeft hem niet goed begrepen.
“Universalism may sound very superficially like an occult theory, proclaiming, as it certainly does, that I am all conscious things. But universalism is nothing of the sort. It is completely neutral regarding all theories of the nature of things from the most tough-minded materialistic science to the most tender-minded anti-materialistic mysticism or supernaturalism. Universalism does not make any claims about what consciousness is.” (p. 25)
De centrale these van het universalisme is: dat wat bewustzijn ook is, elk bewustzijn dat de algemene eigenschap heeft van ‘onmiddellijk bij zich zijn’ (‘immediacy’) om die en alleen om die reden mijn bewustzijn is.
Daarmee beweert het universalisme dat er in wezen slechts één bewustzijn is. Zoals er ook maar één roman De Man Zonder Eigenschappen bestaat, ook al zijn er vele exemplaren van. Omdat ‘immediacy’ de onuitwisbare kern uitmaakt van elke persoonlijke identiteit zijn we allemaal dezelfde ik. Wordt hier gelijkheid vanwege een wezenlijke eigenschap niet gelijkgesteld met identiteit? Enkel als we het materieel onderscheiden zijn van de verschillende centen wegdenken kunnen we stellen dat er maar één bestaat, want afgezien van die verschillen zijn ze exact hetzelfde.
Tegenover de stelling van het universalisme dat er slechts één zelfbewustzijn is, staat de conclusie van Hegel: Als zoiets als subjectiviteit (objectief) denkbaar is, dan dus alleen als intersubjectiviteit. Zelfbewustzijn blijkt objectiviteit te hebben als zelfbewustzijn voor een zelfbewustzijn. Daarin heeft het subject een objectieve inhoud van zijn eigen niveau. Het mijn moet als mijn door een ander mijn gerespecteerd worden om mijn te zijn. Bij Hegel gaat het om erkenning. In Zuboff’s universalisme lijkt geen plaats te zijn voor een concrete ander. Daarom noemde ik eerder het subject dat zichzelf vindt een ‘leeg subject’, een abstract ik, zoals we dat ook tegenkomen in Descartes’ cogito. Een subject dat iedere inhoud, de hele ervaringswereld, buitensluit.
In Descartes’ twijfelexperiment reflecteert het subject op de willekeur van elke mening, begrepen als de identificatie van het subject met een objectieve inhoud. Echter, het subject van deze reflectie wiens onbetwijfelbaar bestaan het resultaat is van deze reflectie wordt door Descartes beschouwd als een entitieit op zichzelf, en dus als iets objectiefs. Maar niet als een object in de wereld, maar als een object buiten de wereld. De wereld als volledig bestaand buiten het subject wordt begrepen als res extensa, pure uitgebreidheid. Dit is de wereld van de mathematisch/fysische processen, de mechanismen en automaten. Het is een wereld pure uitwendige wereld die strict tegenover het subject staat. Leven is er niet.
Ook bij Zuboff lijkt het eigen organische leven gereduceerd te worden tot anorganische natuur, mathematisch/fysische processen. Deze worden in de vorm van probabilistische games erbij gesleept om het toevallige feit van mijn persoonlijk bestaan van een verklaring te voorzien.
Het magische van de werkelijkheid.
Eerder schreef ik in een bespreking van Zuboff”s boek. “Het feit dat ik wakker wordt, het feit dat ik besta, dat ik hier nu aanwezig ben, kan niet wegverklaard worden tot een complex van omstandigheden. Het feit dát iets is kan niet gereduceerd worden en bepaald worden door de omstandigheden die maken wat het feit inhoudt.” Ik denk nu dat Zuboff het daar wel mee eens is. Ik schreef het als kritiek op zijn probabilistische argument. Maar zoals hierboven uitgelegd werkt dat niet zoals ik dacht dat het bedoeld was. Wezenlijk is het ‘oprekken van de persoonlijke identiteit’, het generaliseren van de referent van ‘ik’ die wakker wordt, of een bewuste ervaring heeft. Als ‘ik’ ieder subject is, dan is het helemaal niet toevallig dat die ‘ik’ wakker wordt.
De filosoof, niet zijn filosofie
Wat betekent de visie van het universalisme op de persoonlijke identiteit voor de filosoof? Want niet de theorie, de filosofie is het belangrijkst, maar de praktijk van het leven dat door de denkhouding gevoed wordt.
We hadden het eerder over de verschillende inhouden die gedekt worden door boeken met titels als Wie ben ik? of Op zoek naar je zelf. Wat betekent universalisme in de praktijk van je persoonlijke leven? Ik besluit deze bespreking met een citaat uit Finding Myself dat in elk geval de suggestie inhoudt dat er wel degelijk een relatie bestaat tussen de verschillende interpretaties van deze titels. Zo bevat het boek toch nog enige levenslessen.
“You who felt cheated and you who felt blessed should know there is very much more for you. Always escape alive from what harms or confines you.
Find endless varieties of what you love. The truth of universalism means that it is wrong to think of an individual death as annihilation—since you are there in all conscious things. It also means that your self-interest reaches equally to all conscious things—since all their pains and pleasures, being immediate and first-person, are equally yours and worthy of self-interest rather than sympathy or indifference.
Knowledge of the truth of universalism could really change the world. It could powerfully moderate narrow selfishness and narrow group biases and curb bitter retribution. You would know it’s all you.” (Finding Yourself, p.5-6)
We begonnen met de diefstal van mijn eigendom. Mijn fiets, deze bijzondere zaak, kan mij gestolen worden, maar mijn eigendom kan mij niet ontvreemd worden. De zaak van mijn eigendom is iets uitwendigs aan mij zelf, het bewustzijn, maar niet aan mijn eigendom. Zonder de zaak die mijn eigendom is is er geen eigendom. Ik moet mij als persoon ergens in veruitwendigen om werkelijk persoon te zijn. Bij Hegel is de eigendomsrelatie het eerste stadium van het abstract recht. “Die person muss sich eine äussere Sphäre ihrer Freiheit geben, um als Idee zu sein.” (Grundlinien, Erste Abschnitt, Das Eigentum). Zuboff stelt het subjectieve bewustzijn strict tegenover de sfeer van de zaak, die eigendom is van het bewustzijn, dat is de natuur, die pure uitwendigheid is. Het is de sfeer van de uitwendigheid zoals we die ook bij Descartes als res extensa tegenkomen. Wat als persoonlijke identiteit daartegenover staat is het zuivere ik, het mijn dat alle mijn is.
Rieks op den Akker, 14 Augustus 2026.
Met dank aan Arnolf Zuboff voor zijn enthousiaste en stimulerende commentaar op mijn eerdere teksten.






