Zo rond vijf uur begin ik te koken. Ik bedoel dat ik begin met de voorbereiding van het avondeten. (Wij eten ‘s avonds warm; ook ‘s winters.) Daarbij luister ik graag naar de radio, naar Radio 1. Naar een praatprogramma. Een programma met gasten waarvan sommige ‘studiogasten’ zijn en andere via de telefoon meedoen. Een voor conversatie-analisten, taalsociologen en andere taalliefhebbers interessante gesprekssituatie.
Met taal verwijzen we. Hoe doen we dat?
Ik had voor een paar jaar terug geschreven: de presentatrice van het programma is Lara Rense. Nu is het: de presentator van het programma is Lara Billie Rense. Wie informatie over Lara Billie zoekt op het internet vindt teksten als:
“Na diens studie sociologie aan de Universiteit van Amsterdam komt Lara Billie Rense in 2002 bij BNR Nieuwsradio terecht. Eerst als nieuwslezer en redacteur, later als presentator.” (website NPO Radio 1, gelezen op 3 december 2022)
Nadat Lara bekend had gemaakt dat ze verder door het leven wilde als Lara Billie moesten kennelijk alle genderspecifieke verwijzers worden gewijzigd. Een boeiend fenomeen. Dat de actuele vraag oproept hoe we ons tot het verleden verhouden. Stel dat men er anno 2022 achter komt dat Jezus eigenlijk Jebroer was…
Dit stukje gaat over hoe we in verschillende gesprekssituaties naar ons zelf en naar anderen verwijzen, zodat we recht doen aan de anderen en de rol die ze in de situatie vervullen, dan wel hoe we duidelijk maken wie de ander voor ons is.
We doen dat door verwijzende uitdrukkingen. Die verwijzen naar elementen in de gesprekssituatie, waaronder: de spreker, de locatie (hier), de geadresseerde. Door nieuwe technologie zijn nieuwe gesprekssituaties (platformen) mogelijk waardoor ook de wijze waarop door deelnemers aan ‘gesprekken’ verwezen wordt verandert. Daarover gaat dit stukje.
Omdat iedereen bijna dagelijks met deze nieuwe communicatiemiddelen en gesprekssituaties te maken heeft, lijkt het mij nuttig om hier aandacht aan te besteden. Misschien een interessant onderdeel van een cursus Burgerschap.
Na het nieuws van 5 uur (kan ook half 6 zijn) komt Lara Billie terug met een welluidend en gezellig
Fijn dat u luistert.
En dan betrap ik mij erop dat ik even denk “hoe weet ie dat ik luister?”
En vervolgens: zou iedereen dat hebben of is dit een begin van de aftakeling?
Vandaar mijn vraag: hebt u dat nou ook? Ik vermoed van wel, want zo bijzonder zijn wij niet.
Een vergelijkbare ervaring doet zich voor wanneer ik langs een mij onbekende weg afgestapt ben en voor een bord sta met een plattegrond. Daarop staat een pijl getekend die wijst naar een dikke rode stip en bij die pijl staat
U bevindt zich hier
Dan denk ik altijd: hoe weten ze dat? Ik ben hier nog nooit eerder geweest! Mijn vraag brengt me op haar beurt weer in verlegenheid, want wie bedoel ik eigenlijk met “ze”?
De uitdrukking “Fijn dat u luistert” benadrukt en draagt bij aan de gezellige intimiteit van Rense’s praatprogramma. U hoort er bij. Dat is de boodschap.
In het Twentse kom je tegenwoordig regelmatig, vooral in winkelgebieden, de volgende tekst tegen: Mooi daj d’r bint . De spelling van het Saksisch dialect is niet geheel gestandaardiseerd. Varianten als Mooi d’aj d’r bunt kun je ook tegenkomen. De keuze voor de streektaal onderstreept de gezelligheid van de tekst.

Vraag je niet af wie de ‘spreker’ (auteur, dan wel: eigenaar) is van deze tekst of wie de geadresseerde is die met het deiktische ‘je’ wordt aangewezen. En vraag je al helemaal niet af waarom het zo mooi is dat je er bent. Dat vragen maakt het er allemaal niet gezelliger op.
Het is een soort van beroepsziekte van mij, een tic. Als denken mijn tong is dan is taal mijn zere kies. Ik heb iets met taal. En met techniek. Ik was vroeger taaltechnoloog. Ik probeerde de computer mijn taal te leren, Nederlands. Ik leerde haar woordjes, de Nederlandse grammatica. Ik leerde haar wat vragen zijn en hoe ze daar het beste op kon reageren. Ik dacht: als je een computer kunt programmeren dan kun je haar ook leren aan een gesprek (‘dialoog’ in het jargon) deel te nemen. Is niet helemaal gelukt. (Wat niet aan mij ligt.) Na zo’n 40 jaren hieraan gewerkt te hebben dacht ik: wat is nou eigenlijk het probleem?
Ik ging daarover te rade bij de mensen die veel over taal en techniek nagedacht hebben. Dat zijn er een heleboel, maar vier springen er wat mij betreft wel uit. Drie namen beginnen toevallig met een H: G.W.F. Hegel, Martin Heidegger en Jan Hollak. De vierde is Ludwig Wittgenstein. Hegel was de eerste die snapte dat informatica iets anders is dan klassieke mechanische technologie. En dat terwijl Napoleon nog op zijn paard door Europa trok en in Engeland de Industriële Revolutie gaande was. Hollak is de eerste die dat snapte. Hij is misschien wel de minst toegankelijke van de drie. Zijn “Hegel, Marx en de Cybernetica” en zijn inaugurele rede “Van causa sui tot automatie” zijn hoogtepunten van het denken over de moderne, autonome, mens en de automatie. (Ik volgde via bandopnames Hollak’s Amsterdamse colleges en besprak die met Louk Fleischhacker, mijn afstudeerdocent. Zijn die opnames nog ergens? Ik zou ze graag nog eens beluisteren.)
De meest toegankelijke moderne denker van de drie H’s over taal en techniek is Heidegger. Een beetje een beladen figuur, en zijn Sein und Zeit is schier ondoordringbaar, maar zijn Hebel, der Hausfreund is een zeer lezenswaardig boekje over taal en techniek. Hij is overigens de enige van de drie H’s die je nog op Youtube kan zien en beluisteren. O, machtige techniek!
Johan Peter Hebel (1760-1826) was schrijver, dichter, theoloog en pedagoog. Een liefhebber van volksverhalen die hij noteerde, bundelde en uitgaf in het Wiesentaler dialect. Bekend is het verhaal Kannitverstan (geen spelfout) over een timmerman uit Tuttlingen die voor het eerst over de grens gaat en Amsterdam bezoekt, niet beseffend dat men hem daar niet kan verstaan en op iedere vraag als antwoord krijgt kannietverstaan. Het verscheen in 1808 in Der Rheinländische Hausfreund. Je kunt het verhaal vast wel beluisteren op Youtube. In Tuttlingen staat ter ere van Hebel een standbeeldje dat Kannitverstan heet. Ook de jaarlijkse ereprijs van de Zuid-Duitse stad is daarnaar vernoemd.

Wat is er toch met de taal gebeurd onder invloed van de techniek?
Dat is de vraag die opgeworpen wordt door mijn hierboven beschreven ervaring met Lara Billie Rense. Het is precies de vraag die Heidegger in Hebel, der Hausfreund, aan de orde stelt. Het is precies de vraag die een blik kan werpen op de vraag die ik na vele jaren tevergeefs sleutelen aan machines waarmee je een gesprek kunt voeren mij stelde: Waarom lukt dat maar niet? Wat is eigenlijk het probleem?
De taal is niet meer wat het ooit was, onze moedertaal, de taal die in ons spreekt. Horen wij nog de taal uit Hebels schatkist? Vraagt Heidegger. De taal is, net als alles om ons heen, instrument geworden, een middel om informatie over te brengen, een besturingsmiddel. We zijn daar dagelijks getuige van in deze tijd van sociale media, denkende machines en sprekende robots. Heidegger wijst op de sprekende machine die meer is dan een bandopnameapparaat. De spraakmachine spreekt zelf; ze maakt zelf zinnen. Wat is de zin hiervan? En wie is dat zelf? Mensen zien het gebeuren maar ze zien niet wat het betekent, schrijft Heidegger. (H. gebruikt hier het woord Sinn, wat ook betekenis betekenen kan.) De eerste mannen die aan Kunstmatige Intelligentie werkten hadden zich als doel gesteld een persoon te maken. Wat volstrekt geen zin heeft, want personen zijn er al genoeg.
Toen ik nog collega’s had belde ik eens eentje op in verband met het werk. Ik kreeg haar dochter aan de telefoon die vertelde dat haar moeder even weg was en zo weer terug kwam. Het was een kort gesprek dat we vriendelijk afsloten met bedankt en tot ziens. Toen ik de collega even later tegenkwam en vertelde dat ik haar dochtertje aan de telefoon had gehad, zei ze na enig nadenken: “oh, dat was het antwoordapparaat”.
Een vreemd gevoel overkwam me en ik probeerde me het gesprek, dat dus eigenlijk helemaal geen gesprek was geweest, te herinneren. Een gevoel van vervreemding overviel me en je voelt je ook wel een beetje bedonderd. Unheimisch, zou het woord kunnen zijn dat Heidegger, voor wie de taal het huis is van het zijn, ervoor koos. Ludwig Wittgenstein wijst in zijn Philosophische Untersuchungen zijn lezer op een man die hij aan de overkant van de straat ziet drentelen. Stelt u zich voor, zegt Wittgenstein, dat het geen man is, maar een machine. (We zouden zeggen een androïde.) Hoe voelt dat? Hoe ervaar je dat? vraagt hij dan. Dat gevoel.
Terwijl ik heel wat gesprekken met onze kunstmatige, sprekende avatars heb gevoerd. Maar dat waren lab-gesprekken; geen gesprekken in de echte wereld. Ik wist hoe het ding werkte: zoals het mannetje van Searle in zijn Chinese Room die bij iedere vraag zoekt naar een passende respons in een gigantische database van vraag-antwoord paren. Tegenwoordig zitten die vragen en antwoorden allemaal in uit veel data gegenereerde neurale netwerken. Het ging er ons om te kijken of het ook werkte; bij anderen, zoals het bedoeld was. Het ging om de gebruikers-ervaring (de user experience, UX in het jargon). Werkte dit taalgebruik? Neemt de gebruiker de taal serieus, zoals ik de woorden van het antwoordapparaat van mijn collega voor de woorden van een echte gesprekspartner hield? Zoals ik de woorden van Lara Billie voor echt zou moeten houden (als in een persoonlijke face-to-face gesprek).
De mogelijkheid van taaltechnologie, van sprekende machines en androides moeten we natuurlijk in de aard van de taal zelf zoeken. En met taal bedoel ik niet alleen woordtaal, maar ook gebarentaal. (Hegel noemt het woord ook een gebaar.) Taal bestaat uit een buitenkant van een binnenkant. Als een gezicht. Taal heeft van zich zelf een zelfstandig bestaan: de woorden en gebaren betekenen ook al wat als niemand ze uitspreekt of maakt. Ook al kan hun betekenis veranderen door het gebruik. In zoverre is de taal altijd al een instrument dat ter beschikking staat. De op mensen lijkende robots maken gebaren die op die van mensen lijken en die de functie ervan moeten overbrengen: het knikken met het hoofd, het ophalen van de schouders, eye gaze, het ophalen van wenkbrouwen. Het zijn de kleine interactiegebaren die de moderne sociologen (zoals Erving Goffman, bekend van The Presentation of Self in Everyday Life) hebben geïdentificeerd als betekenisvol in de communicatie. Tiny behaviours heetten ze met een technische term: gedragingen, maar dan niet als uiting van een persoon, maar als op zich gestelde mechanische bewegingen, losgeweekt van de persoon. Die persoon is verdwenen, zoals de ziel van de moedertaal uit de taal die instrument geworden is, verdwenen is.
Sociaal psycholoog Michael Argyle schrijft over de sociale gedragingen in zijn The Scientific Study of Social Behaviour (1957). Het is de basis van social skill learning: het aanleren van sociale gedragstechnieken. Spindocters leren hoe politici en media-mensen zich moeten presenteren. Wanneer je Goffman’s teksten over social face en face work leest (met face wordt gezicht bedoeld zoals in je gezicht verliezen; het gaat dus om beleefdheid en respect voor anderen en je zelf) weet je vaak niet of hij het over mensen heeft of over avatars. Hij heeft het over agents. Het gaat over gedragingen los van het onderliggende mechanisme. De persoon, het subject is als het ware verdwenen uit het gedrag, dat eigenlijk geen gedrag meer is. Het is deze buitenkant van gedrag dat geconstrueerd wordt en eventueel in sociale robots wordt geïmplementeerd. Argyle besteedt in zijn boek meteen een hoofdstuk aan de ethische kant van de techniek van social skill learning waarvoor hij zelf met zijn nieuwe wetenschap de basis heeft gelegd. Het kan eenvoudig leiden tot fake gedrag. (Zie Trump !)
Dit is de wereld van het gemaakte gedrag. De wereld van de uitwendigheid. Een wereld waarin een gebrek is aan betrokkenheid. Waarin de betrokkenheid slechts erbij gedacht wordt, een denkmaaksel dat hoort bij het gemaakte gedrag.
Waar het in deze technologie om draait is waar het altijd bij instrumenten om gaat: het moet functioneren. Opdat de sociale robot werkt moet de gebruiker ervan zijn gedragingen als echt (taal)gedrag beleven. Zie hier de ethische paradox van de moderne technologie: om te kunnen werken moeten we toestaan dat ze ons bedriegt; het moet net echt zijn en vooral intelligent lijken. Taal wordt van face tot interface; een sleutel om toegang tot iets te krijgen om iets te bewerkstelligen.
Nieuwe technologie leidt vaak tot morele problemen en roepen nieuwe ethische problemen op. In de jaren tachtig stelden kritische wetenschappers vragen bij de ontwikkeling van taalsprekende machines: ze zouden het publiek misleiden te denken dat de machine weet wat deze zegt. Een taal spreken getuigt bij uitstek van intelligentie. Ethici stellen regels voor intelligente technologie. Ze zeggen dat het er niet te echt uit mag zien. Maar wat nu als het pas goed werkt en bruikbaar wordt als het er echt uitziet en doet alsof het intelligent is? De achterliggende vraag is: bestaat kunstmatige intelligentie wel? Of is dat wat wij AI noemen alleen maar ‘slim bedacht’?
Ik moet Rense’s Fijn dat u luistert serieus nemen voor wat het normaal betekent, anders werkt het niet. Ik moet het bordje Houd afstand: 1.5 meter! wel serieus nemen. Anders werkt het niet.
Gevoelige gesprekssituaties
De betekenis en werking van woorden en teksten die naar de ‘gesprekssituatie’ verwijzen zijn erg gevoelig voor wijzigingen in de gesprekssituatie. Wanneer het informatiebord met de tekst “U bevindt zich hier” in de opslagruimte van de gemeente staat, werkt het niet, zoals en waarvoor het bedoeld is. De door Rense uitgesproken tekst verwijst naar de spreker, naar Rense zelf en wellicht spreekt daar ook een persoonlijke betrokkenheid uit. Het deiktische ‘u‘ in Fijn dat u luistert verwijst voor Rense naar de abstracte algemeenheid van de geadresseerde luisteraar. Niet naar een concreet persoon die door de spreker gekend en aangesproken wordt. Terwijl de luisteraar in die gesprekssituatie zich persoonlijk erdoor aangesproken zal voelen. Er is dus een asymmetrie tussen spreker en luisteraar. De zelfde asymmetrie zien we bij Mooi da’j d’r bint.
We voelen ons vaak door dit soort algemeenheden persoonlijk aangesproken terwijl dat vaak helemaal niet persoonlijk bedoeld is. Dat zien we ook bij wetenschappelijke uitspraken. De wetenschap presenteert onderzoekresultaten vaak in statistische uitspraken die over ons gaan, maar niet over mij of over u persoonlijk. Maar ook weer wel, want ze gaan immers over de groep waar ik lid van ben. Ze gaan over een niet bestaand gemiddeld individu. Niet alleen voor de gewone man, ook voor de wetenschapper zelf is het een probleem hoe deze twee (individu en populatie, deeltje en golf) zich tot de werkelijkheid en tot elkaar verhouden.
De technologie heeft ‘gesprekssituaties’ en ontmoetingsruimtes gecreëerd waardoor taalgebruik mogelijk is gemaakt dat zuiver functioneel en onpersoonlijk is: de gebruikers of geadresseerden zijn voor de ‘spreker’ of ‘schrijver’ (autoriteit) anonieme abstracte spelers. Niettemin moeten de woorden persoonlijk worden opgevat om te kunnen functioneren.
In het gebruik van de informatietechnologie ontmoeten de dagelijkse leefwereld met haar dagelijkse persoonlijke gesprekssituaties en de door wetenschap bemiddelde wereld van de communicatiemedia en spraakmachines elkaar. Die ontmoeting geeft aanleiding tot verwarring. Is de sociale robot een ‘normale’ gespreksdeelnemer? Is de auteur van een berichtje op mijn tijdlijn een ‘normale’ gespreksdeelnemer? Waarbij ‘normaal’ verwijst naar de standaard gesprekssituatie: het face-to-face-gesprek van persoon tot persoon. Naar wie of wat verwijzen de woorden en de teksten in deze gesprekssituatie?
In al die historische verschijningsvormen van de taal en de technologie gaat het uiteindelijk om het blijvende dat in die verschijningsvormen verschijnt. Er zijn vele ‘nu’, vele ‘hier’ en vele ‘je’. Maar uiteindelijk is er ook maar één nu, één hier, één je dat er toe doet.
Good goan!