Over een noodlottig ongeval met Nederlandse F-16’s in Irak in 2015.
“een belangrijk en zeer serieus onderwerp”
Zonder vertrouwen en het afleggen van verantwoordelijkheid is democratie niet mogelijk.
In de nacht van 2 op 3 juni 2015 wordt er een luchtaanval met F-16’s uitgevoerd in de Noord-Irakese stad Hawija op een faciliteit die door ISIS wordt gebruikt om gepantserde zelfmoordvoertuigen te vervaardigen. De aanval vindt plaats in het kader van een coalitie onder Amerikaanse leiding tegen de jihadistische organisatie vanwege de voortdurende mensenrechtenschendingen in Irak en Syrië.
Het aantal slachtoffers onder burgers en ISIS-strijders dat als gevolg van deze aanval is omgekomen, wordt door media op dat moment geschat tussen de 70 en 150.
Jarenlang is niet publiekelijk bekend dat Nederland deze aanval heeft uitgevoerd. Op 18 oktober 2019 publiceren journalisten van de NOS en het NRC Handelsblad over de Nederlandse betrokkenheid bij de aanval en melden dat er 70 of meer burgerslachtoffers zijn gevallen. Leden van de Tweede Kamer vragen dan al een paar jaar, in vertrouwelijke zittingen met o.a. de commandant der strijdkrachten, naar meer transparantie van het Ministerie van Defensie over de
missie tegen ISIS. De mediaberichtgeving uit 2019 zet het debat erover op scherp, zeker als blijkt dat de minister van Defensie, dan Bijlefeld, moet toegeven dat haar voorganger Hennis de Kamer kort na de aanval in juni 2015, onjuist heeft geïnformeerd over de Nederlandse betrokkenheid bij de aanvallen waarbij burgerslachtoffers zijn gevallen.
“Nederland wilde samen met de internationale coalitie die tegen IS streed enkel luchtaanvallen uitvoeren waarbij geen burgerdoden werden verwacht. Nederland was daarbij afhankelijk van inlichtingen van de VS, maar door een misrekening van het Amerikaanse onderzoeksteam bleek de aanval veel destructiever dan vooraf gedacht. De regering zweeg daar jarenlang over.” (NOS Nieuws)
Maar de CIA oordeelde voorafgaand aan de aktie op basis van haar onderzoek naar het doelwit “the potential for collateral damage based on the adjacent residential neighbourhood.” Er werd dus wel degelijk rekening gehouden met burgerdoden.
Naar aanleiding van een onderzoek naar de gang van zaken door de amerikanen, die de leiding hadden over de operatie, het zogenaamde AR 15-6-onderzoek, vond op 14 mei 2020 een plenair debat van de Minister van Defensie Bijlefeld met de Tweede Kamer plaats. Op basis daarvan werd de motie-Belhaj aangenomen. Daarin verzoekt de Tweede Kamer “overwegende dat waarheidsvinding in deze casus een moeizaam proces is geweest en transparantie over burgerslachtoffers ontoereikend was” een onderzoekscommissie in te stellen.
Defensie vond de motie-Belhaj strikt genomen niet uitvoerbaar, omdat het Openbaar Ministerie de taak heeft zulk onderzoek te doen. Het onderwerp betreft gevoelige informatie met het oog op ‘de veiligheid’. Toenmalig Minister van Defensie Bijlefeld vond echter dat aan de wens van de kamer moest worden voldaan. De speciale tijdelijke commissie moet zich richten op de vraag hoe bij deze wapeninzet burgerslachtoffers hebben kunnen vallen evenals welke lessen hieruit te trekken.
In november 2020 werd de onafhankelijke onderzoekscommissie Commissie van Onderzoek Wapeninzet Hawija geinstalleerd. De commissie onder leiding van Winnie Sorgdrager heeft na vier jaar onderzoek in januari 2025 haar rapport aangeboden aan politiek en publiek, het Rapport Commissie van Onderzoek Wapeninzet Hawija. De commissie heeft er van afgezien een aansprekende titel aan het rapport mee te geven. Die titel mag de belangstellende lezer na lezing ervan zelf bedenken.
Het rapport telt bijna 300 paginas, verdeeld over 5 hoofdstukken en 5 bijlages. Bijlage 5 telt al 3 paginas in het rapport gebruikte afkortingen. Bijlage 3 bevat een uitgebreide bibliografie. Er is een samenvatting van het rapport dat 45 pagina’s telt.
De commissie had tot taak: a. te onderzoeken hoe het kon dat er bij de wapeninzet in Hawija burgerslachtoffers zijn gevallen; b.te onderzoeken welke lessen voor de toekomst naar aanleiding hiervan te trekken zijn.
Belangrijk is Artikel 8 van het instellingsbesluit van de commissie. Deze luidt:
“De commissie is gerechtigd in het kader van haar onderzoek kennis te nemen van gegevens die berusten bij het Ministerie van Defensie, ongeacht de merking of rubricering. Een geheimhoudingsplicht ter zake, rustend op personen in dienst van het Ministerie van Defensie vindt in dat geval ten overstaan van de commissie geen toepassing.“
Jeanine Hennis-Plasschaert was van november 2012 tot oktober 2017 minister van Defensie in het kabinet-Rutte II en dus verantwoordelijk minister voor operaties van de Nederlandse krijgsmacht. Zij was ook verantwoordelijk voor het melden van de gevolgen van de aktie bij het Openbaar Ministerie en voor de communicatie met de tweede kamer. Op alle onderdelen schoot ze te kort.
De commissie komt onder andere tot de conclusie “dat voormalig minister Hennis van Defensie de Tweede Kamer meermaals te laat en onjuist geïnformeerd heeft over het bombardement van Nederlandse F-16’s op de Iraakse plaats” (RTL Nieuws).
Hennis bleek niet goed op de hoogte van belangrijke technische details van de militaire operatie. In elk geval schetste ze de Kamer een onjuist beeld ervan. Zo hadden Hennis en de top van Defensie gezegd dat de F-16-vlieger die het doelwit onder vuur nam, had kunnen besluiten om het bombardement te staken. Maar dat kon niet, omdat er bij deze missie wapens op grote afstand waren ingezet en de vlieger geen zicht had op wat er zich op de grond had afgespeeld.
Ook zouden er computersimulaties gedaan zijn door experts om de kans op ‘secundaire explosies’ te berekenen en zou er contact geweest zijn met een ‘speciaal juridisch adviseur’ alvorens het bombardement plaats vond. Volgens de commissie Sorgdrager hebben deze nooit plaats gevonden.
De onthullingen over de burgerdoden in Hawija maakten veel los in de politiek. In 2021 werd er, na druk van de Tweede Kamer, 4 miljoen euro vrijgemaakt voor schadeherstel. Nederland heeft in Hawija ‘op vrijwillige basis’ wederopbouwprojecten uitgevoerd, meldt Defensie op haar website.
Elf Iraakse nabestaanden spanden een rechtszaak aan tegen de Nederlandse staat.
Tijdens de rechtszaak draaide het om de procedure die is gevolgd voorafgaand aan het bombardement. Er werd door Defensie beweerd dat vooraf door een Amerikaans team heel precies uitgerekend was wat de impact zou zijn van de aanval. De conclusie van Defensie was: als de aanval ‘s nachts wordt uitgevoerd, vallen er zeer waarschijnlijk geen burgerdoden. En dus ging de Nederlandse red card holder – de militair die groen licht moet geven voor elke aanval – akkoord.
Er lag echter een enorme hoeveelheid munitie in de fabriek die ontplofte. De explosie die volgde was tot op 60 kilometer te horen, beschadigde zo’n 400 gebouwen en kostte zeker zeventig burgers in de wijde omgeving het leven. Daarmee is de eerste vraag van de commissie: “hoe het kon dat er bij de wapeninzet in Hawija burgerslachtoffers zijn gevallen“, wel beantwoordt. Maar de echte vraag is waarom Defensie uitvoering gaf aan deze operatie waarbij zoveel burgerslachtoffers vielen en waarom daar zo lang over gezwegen en gelogen is tegenover de kamer.
Op de zitting liet de landsadvocaat weten niet alle door de rechter gevraagde informatie te kunnen aanleveren, omdat die geheim zou zijn. Het gaat hier om de informatie waarop de red card holder zijn besluit voor groen licht had gebaseerd.
De commissie Sorgdrager is nu dus, op basis van de haar beschikbaar gestelde informatie, tot de conclusie gekomen dat tijdens de rechtszaak onjuiste informatie door Defensie is verstrekt. Bij haar onderzoek bleek dat Defensie onzorgvuldig met bronnenmateriaal is omgegaan door de videobeelden van het Nederlandse Battle Damage Assessment te overschrijven waardoor het onmogelijk is om controle achteraf uit te oefenen.
Op basis van openbare bronnen trekt de Commissie de conclusie dat zowel bij de Nederlandse als bij de Amerikaanse militairen bekend had moeten zijn dat in de zogeheten industriële zone in Hawija zowel gewerkt als gewoond werd. Op het moment van de wapeninzet was het aantal inwoners in deze industriële zone zelfs hoger vanwege de vluchtelingen die dáár gehuisvest waren.
Vuile oorlog
“Minister Hennis heeft in haar gesprek met de Commissie aangegeven dat juist de beschikbaarheid van precisiewapens voor Nederland het argument was om mee te doen, omdat daarmee het risico op burgerslachtoffers zo veel mogelijk werd beperkt.”
Door de nadruk te leggen op het gebruik van precisiewapens, het steeds benoemen van een ‘zorgvuldig’ targetingproces en het criterium van nul burgerslachtoffers, heeft het kabinet, ondanks vragen van Kamerleden over het risico op burgerslachtoffers, het beeld uitgedragen van een ‘schone’ oorlog. Echter, de harde werkelijkheid van een oorlog is dat er altijd burgerslachtoffers vallen; dit is onderbelicht gebleven.
De commissie stelt in haar conclusie dat “ook de Commissie Davids al constateerde dat het toenmalige kabinet leunde op inlichtingendiensten uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Toen werd toegezegd dat het kabinet geen beslissingen meer zou nemen, louter op informatie van buitenlandse inlichtingendiensten en de weging door de eigen inlichtingendiensten evenwichtig weer te geven.”
Ook het Ministerie van Defensie is hardleers. Rapporten verdwijnen onder in een la. Ministers komen en gaan.
De politieke verantwoordelijkheid
Een groot probleem is het construct van de ‘politieke verantwoordelijkheid’. Die berust bij een minister, maar die is zelf volledig afhankelijk van de informatie die ze van anderen, ambtenaren, experts op haar beleidsterrein, krijgt. Wat wist Hennis nou van ‘precisiewapens’? Ook de hoge legertop is afhankelijk van informatie van technici en in de communicatie tussen politiek en techniek heerst misverstand en onbegrip. De principes van Grice voor de kwaliteit van communicatie worden met voeten getreden. Al dan niet moedwillig.
Ook hier zien we, net als bijvoorbeeld bij de Toeslagenaffaire, weer een terugkerend patroon in de interaktie tussen kamer en minister. De minister wil of kan niet toegeven dat ze een vraag van de Kamer niet kan beantwoorden en verzint maar wat. De ambtenaren experts horen haar in verbazing aan maar houden hun mond. Ook het argument van ‘vertrouwelijkheid’, eventueel ‘staatsveiligheid’, biedt de minister uitkomst in een debat met de Kamer. En dan is er nog het uitstel als een mogelijkheid die de minister ter beschikking staat: “Dit gaan we uitzoeken. Ik kom hier later op terug.”
De belangrijkste conclusies
Defensie heeft op alle fronten fouten gemaakt en aangetoond niet de politieke en organisatorische capaciteiten te hebben voor een dergelijke internationale militaire operatie. Defensie moet zich wel drie keer bedenken voor ze nog eens in zo’n coalitie stapt.
Het Humanitair Oorlogsrecht, merkt de Commissie op, hanteert niet het uitgangspunt van nul burgerslachtoffers, maar wel het beginsel van
proportionaliteit. Alleen effecten die redelijkerwijs voorzienbaar zijn tellen mee voor de proportionaliteitsafweging. Die afweging is gebaseerd op de beschikbare informatie en de verwachtingen die men heeft bij het plannen
en uitvoeren van de aanval. Defensie stelde zich te afhankelijk van informatie van ander partijen (de amerikanen) op om een verantwoordelijke eigen rol te spelen.
Het kabinet heeft het parlement na de aanval in Hawija onvoldoende geïnformeerd over het feit dat daar burgerslachtoffers bij zijn gevallen en heeft daardoor de verantwoordelijkheid voor het melden van burgerslachtoffers jaren voor zich uitgeschoven.
Het ministerie van Defensie heeft zijn eigen richtlijnen niet opgevolgd om het vermoeden van burgerslachtoffers te melden aan het Openbaar Ministerie. De richtlijn schrijft voor om in een After Action Report een vermoeden van burgerslachtoffers te uiten en op te schrijven. Dat is achterwege gebleven. Kende Defensie de regels niet?
Maar wie of wat is ‘Defensie’? Een onderdeel van de Nederlandse Staat, een rechtspersoon. Maar wat houdt de verantwoordelijkheid van zo’n rechtsinstituut in? Kunnen er nog mensen ter verantwoording worden geroepen?
Komt de voormalig minister van Defensie Hennis hier mee weg? Behoort het niet tot de westerse normen en waarden dat je niet liegt en bedriegt en dat je verantwoording aflegt over je handelen? Het is aan de huidige regering hierover te beslissen. Hennis’ partijgenoot Brekelmans (VVD) is de huidige minister van Defensie. De SP heeft een spoeddebat over de kwestie aangevraagd.
Het gaat om een principe kwestie. Het gaat om het principe van verantwoordelijkheid. Want hoe complex organisaties en technologie ook zijn en hoe ‘autonoom’ deze (juridische en technische) entiteiten ook mogen worden gezien, uiteindelijk zijn het mensen die verantwoordelijk zijn voor de handelingen die uit hoofde van deze instituten worden uitgevoerd.
Het is een simpel feit dat moraliteit niet kan worden ingebouwd in onze technische en juridische constructies. Die moet altijd komen van de mensen die er in functioneren. Verantwoord handelen vereist voldoende inzicht in de situatie waarin gehandeld wordt. Daartoe is beschikbaarheid van relevante informatie die door anderen aangeleverd wordt van wezenlijk belang. Vertrouwen tussen mensen die samen moeten werken is daarbij cruciaal. Dat onderling vertrouwen is in de huidige politiek ver te zoeken. Zonder vertrouwen en het principe dat we elkaar mogen aanspreken op ons gedrag, is een democratische samenleving niet mogelijk.
Wat maken we ons druk over 70 burgerslachtoffers in Irak, tien jaar geleden alweer?
Terwijl de Nederlandse overheid zegt vierkant achter Israël te staan in haar operatie tegen het Palestijnse volk in Gaza. Een operatie waarbij vele duizenden burgers omkomen. Een genocidale operatie waarbij voortdurend door Israël met steun van Amerika mensenrechten geschonden worden. Een staat heeft niet alleen het recht maar ook de plicht haar onderdanen te verdedigen. Maar aan de uitoefening van dit recht zijn grenzen, die in internationale wetten en conventies zijn uitgesproken.