Zo’n 300 jaar voor Christus schreef Euclides van Alexandrië zijn Elementen. Het werk wordt beschouwd als het begin van de axiomatisering van de meetkunde. Het oorspronkelijk in het Grieks geschreven document is in vele talen vertaald en verschenen. Het bevat de basis van de meetkundige kennis zoals die nog steeds op de middelbare school onderwezen wordt als onderdeel van het wiskunde-curriculum.
De opbouw van de inhoud van de Elementen is axiomatisch en Euclides begint met het definiëren van de grondbegrippen punt en lijn. Een punt is “dat wat geen delen heeft“. Een lijn is “een lengte zonder breedte“. De derde definitie is: “De uiteinden van een lijn zijn punten“. En dan komt de vierde, Euclides’ definitie van de rechte lijn.
“Een rechte lijn is een lijn die gelijk ligt met de punten erop.”
Dit is de ‘raadselachtige’ formulering zoals J.H. van den Berg die geeft in zijn Metabletica van de Materie (1969).
In de Engelse vertaling van Sir Thomas L. Heath, die bekend staat als de beste vertaling van de oorsponkelijke Euclidische tekst: “A straight line is a line which lies evenly with the points on itself”. (The thirteen Books of Euclid’s Elements. Sir Thomas Little Heath. New York. Dover. 1956.)
De vraag die onmiddellijk opkomt is: is dan niet iedere lijn een rechte lijn? Maar waarom dan een aparte definitie van een rechte lijn? Na de definities volgen de postulaten waarvan de eerste is: “Van elk willekeurig punt naar elk ander punt kan één rechte lijn getrokken worden.” Mogen we concluderen dat Euclides wel degelijk ook niet-rechte lijnen als lijnen beschouwde (‘krommen’). Daarvan is het kenmerk kennelijk dat ze niet samenvallen met de punten die erop liggen.
Wanneer we meetkunde beoefenen dan stellen we een lijn voor door een zo recht mogelijke (potlood)streep op papier, eventueel met behulp van een liniaal. De meetkunde gaat niet over de getekende lijnen. Dat zijn slechts voorstellingen van de eigenlijke objecten waar het over gaat. Ook Euclides was zich daarvan bewust. In de meetkunde gebruiken we tekeningen van lijnen, driehoeken en circels om de redeneringen waarmee we een meetkundige stelling bewijzen te ondersteunen. Euclides gaat het om de logische opbouw van de kennis van de relaties tussen de wiskundige objecten.
Velen hebben zich afgevraagd hoe we Euclides ‘raadselachtige definitie’ van de rechte lijn moeten begrijpen. Wat had Euclides voor ogen? Bij de wiskundige en historicus E.J. Dijksterhuis vinden we de volgende definitie van de rechte lijn. Die lijkt ons indirect te wijzen naar de oplossing van dit raadsel. “Een rechte lijn is een lijn die, wanneer het oog twee punten ervan doet samenvallen, alle punten voor dat oog in het samenvallende punt brengt.” Je ziet het de timmerman doen. Om te bepalen of een lat recht is, houdt hij deze op ooghoogte in het verlengde van de kijkrichting en beweegt deze zo dat het eindpunt samenvalt met het beginpunt ervan. Als er geen tussenliggende punten van de lat zichtbaar zijn is de lat recht. Dan liggen alle punten ervan op die lijn. Deze ‘definitie’ maakt echter gebruik van een zichtlijn en veronderstelt dat de zichtlijn recht is. Mogen we dat zomaar aannemen? Volgt het licht een rechte lijn? Volgens de huidige inzichten in de fysica niet. De materie zou de ruimte krom trekken. Maar afgezien daarvan, Euclides wist dat hij geen natuurwetenschap bedreef en kon dus geen beroep doen op zoiets als een zichtlijn, die als maat zou kunnen dienen voor de rechtheid van een meetkundige rechte. Die laatste was juist maat voor de eerste.
Dijksterhuis’ ‘verklaring’ van de ‘raadselachtige’ formulering lijkt op die van de Franse natuurkundige en filosoof Henri Poincaré. Deze merkt op dat men bij het onderzoek van de definities en bewijzen van de meetkunde zich genoodzaakt ziet, niet alleen de mogelijkheid van de beweging van een onveranderlijke figuur, maar ook enkele van haar eigenschappen te aanvaarden, zonder deze te bewijzen. Dat blijkt volgens Poincaré uit de definitie van de rechte lijn. “Daarvan zijn er vele gegeven die onjuist zijn.” De juiste is volgens hem de volgende.
“Het kan voorkomen dat een onveranderlijke figuur zodanig bewogen wordt, dat alle punten van een lijn die tot die figuur behoort op hun plaats blijven, terwijl alle punten die buiten die lijn liggen verplaatst worden. Een dergelijke lijn heet een rechte lijn.” (Poincaré, Wetenschap en Hypothese, p. 77).
Wanneer je twee punten van een star lichaam, zoals een houten lat vastzet en vervolgens het lichaam zodanig draait dat de beide punten op hun plaats blijven dan blijven ook de tussenliggende punten van het lichaam op hun plaats. Deze liggen op een rechte lijn door de twee vaste punten.
Maar had Euclides werkelijk zoiets in gedachten toen hij zijn definitie gaf? Wij kunnen het hem niet vragen. Met zijn ‘negatieve’ formuleringen van de definities van de grondbegrippen punt en lijn: een punt is “dat wat geen delen heeft“, een lijn is “een lengte zonder breedte“, lijkt Euclides uitdrukkelijk aan te geven dat deze begrippen niet verwijzen naar de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid van de lichamelijke dingen.
Opmerkelijk is dat Euclides Plato’s definitie van de punt, zoals Aristoteles die geeft niet overneemt. Plato’s omschrijft de punt als: “een punt is een object met een positie in de ruimte maar zonder afmetingen”. Euclides definitie heeft het niet over positie, alleen over ondeelbaarheid. Vond hij Plato’s definitie nog te fysisch, niet mathematisch genoeg? Zoals hij ook de definities van de rechte lijn nog te onzuiver vond, te veel gebonden aan de waarneembare werkelijkheid?
Euclides definieert de rechte niet door lengte, afstand of optimaliteit, maar door een soort interne consistentie: de lijn ligt “op dezelfde wijze” ten opzichte van al haar punten.
Toen in de tijd van de Grieken de mathematiek onderwerp van filosofisch onderzoek werd, was de belangrijkste ontdekking dat zij geen natuurwetenschap is. De meetkundige lichamen en figuren zijn zelfstandige, primaire beelden van de ideeënwereld en geen afbeeldingen, die door het kopiëren of beschrijven van meetkundige eigenschappen van materiële lichamen van de natuurlijke buitenwereld zouden zijn ontstaan (Imre Tóth, 1972).
Maar hoe moeten we de raadselachtige definitie dan verstaan? Hebben we tot nu toe niet teveel vastgehouden aan de standaard voorstelling van lijnen door middel van een zo recht mogelijke getekende streep, een voorstelling zoals we die kennen uit de schoolboeken. Moeten we die voorstelling niet los laten om de bedoeling van Euclides definitie van de rechte lijn te verstaan? Maar waar moeten we dan aan denken? Toen ik met deze vraag worstelde las ik een notitie van Dijkgraaf, de minister van OCW aan de kamer over het mbo onderwijs.
Het kortste kronkelpaadje van de levenslijn
De fysicus en voormalig Minister van Onderwijs en Wetenschappen Robbert Dijkgraaf merkte in zijn nota Inzet Werkagenda mbo over het Middelbaar Beroeps Onderwijs (20 oktober 2022) op: “Voor mij staat voorop dat elke student een duurzame toekomst met perspectief verdient. Ongeacht achtergrond, sociaal-economische positie van hun ouders of ondersteuningsbehoefte moet iedereen mee kunnen doen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. Iedereen heeft bij zijn studie de rust en ruimte nodig om z’n eigen weg te vinden. Om het kronkelpaadje af te lopen dat achteraf de kortste weg naar de bestemming blijkt te zijn.”
Daarmee wil hij, denk ik, zeggen dat hij liefst geen lijn (curriculum) zou willen opleggen voor de levenslijn (studie) die de student zou moeten volgen en die zou moeten dienen als maat om te bepalen of deze succesvol (recht, en daarmee de kortste) is. ‘De bestemming’ wordt door iedere student zelf tijdens zijn leven bepaald en is niet een punt in de toekomst dat al van te voren vastgelegd kan worden. Zoals je van een deeltje in de fysica ook pas achteraf de weg kan berekenen die het is gegaan. De kortste, rechte, levenslijn is die waarop alle momenten van het leven tot aan het nu liggen. Dat geldt niet alleen voor studenten en voor schoolse curricula.
Het woordje ‘achteraf’ is van belang. Vooraf of nog onderweg is het eindpunt niet bekend. ‘Wat is de kortste weg van a naar b als je niet weet wat b is?’ Dat is de vraag die Dijkgraaf opwerpt in zijn boek “Het nut van nutteloos onderzoek” (2012), waarin hij een lans breekt voor het creëren van ruimte voor zuiver wetenschappelijk onderzoek. Voor het zoekend gedrag van wetenschappers en kunstenaars die niet weten of slechts een vaag idee hebben waar ze naar zoeken en of het resultaat nuttig zal zijn.
Dijkgraafs kortste kronkelpaadje opent een geheel nieuw perspectief op Euclides’ definitie van de rechte lijn. Daarbij neem ik aan dat de rechte lijn die twee punten met elkaar verbindt ook de kortste lijn is. Maar betekent dat ook dat de kortste weg tussen twee punten ook een, of zelfs dé enige, rechte weg is? Maar wat is kort?
Het kortste pad tussen twee punten is niet altijd een ‘recht’ pad te zijn in meetkundige zin. Het hangt af van de ruimte waarin we de zaak beschouwen. Als het gaat om de kortste tijdsduur waarin de afstand tussen de punten overbrugd wordt, spreken we van een brachistochrone kromme. Deze kromme van snelste daling is de lijn tussen twee punten A en B, waarbij B lager dan, maar niet recht onder A ligt, waarover een wrijvingloos glijdend voorwerp binnen zo kort mogelijke tijd van het begin- naar het eindpunt beweegt, onder invloed van de zwaartekracht.
Heath bespreekt oude interpretaties van het begrip rechte lijn, vooral die van Proclus, die probeerde de definitie te verbinden met het idee dat een rechte lijn de minst mogelijke afstand tussen twee punten inneemt. Proclus legt uit dat rechte lijnen niet meer lengte opnemen dan strikt noodzakelijk tussen twee punten, wat aansluit bij latere vormen van het “kortste pad”-begrip.
Heath noemt ook de beschrijving van Plato (bijv. in Parmenides) als “dat waarvan het midden de uiteinden bedekt”. Deze visuele manier om rechtheid te karakteriseren doet denken aan de formulering van Dijksterhuis. Heath verwijst ook naar Aristoteles’ gebruik van een soortgelijke omschrijving in zijn Topics.
Heath betoogt dat Euclides’ woorden niet geïsoleerd staan, maar deel uitmaken van een bredere Griekse traditie waarin “rechtheid” nog niet werd geassocieerd met het moderne idee van kortste afstand.
Heath benadrukt dat de precieze betekenis van ἐξ ἴσου τοῖς ἐφ’ ἑαυτῆς σημείοις κεῖται niet eenvoudig te vatten is in moderne termen — en dat latere commentators soms verschillende interpretaties probeerden. Sommige leggen nadruk op gelijkmatige ligging. Anderen, zoals Proclus, proberen er het idee van geen extra afstand of geen onnodige buiging in te zien. (zie Heath over Euclides)
Is de rechte lijn de kortste verbinding tussen twee punten? Archimedes beschouwde het als een eigenschap van de rechte lijn tussen twee punten de kortste afstand te zijn. Volgens Heath gebruikte Legendre deze Archimedische eigenschap als definitie.
Legendre uses the Archimedean property of a straight line as the shortest
distance between two points. Van Swinden observes (Elemente der Geometrie,
1834, p. 4), that to take this as the de nition involves assuming the proposition
that any two sides of a triangle are greater than the third and proving
that straight lines which have two points in common coincide throughout
their length (cf. Legendre Elements de Geometrie, i. 3, 8).
The above definitions all illustrate the observation of Unger (Die Geometrie
des Euklid, 1833): Straight is a simple notion, and hence all definitions
of it must fail. . . . But if the proper idea of a straight line has once been
grasped, it will be recognised in all the various de nitions usually given of
it; all the de nitions must therefore be regarded as explanations, and among
them that one is the best from which further inferences can immediately be
drawn as to the essence of the straight line.”
Terug naar Euclides raadselachtige definitie
De oorspronkelijke Griekse formulering is:
Εὐθεῖα γραμμή ἐστιν, ἥτις ἐξ ἴσου τοῖς ἐφ᾿ ἑαυτῆς σημείοις κεῖται.
( Eftheía grammí estin, ítis ex ísou toís ef᾿ eaftís simeíois keítai )
Vertaald: A straight-line is (any) one which lies evenly with points on itself.
Het Griekse εὐθεῖα wordt vertaald als recht, wat een veel ruimere betekenis heeft dan alleen in de zin van ‘een rechte lijn’ in meetkundige zin. In de Griekse versie van Handelingen 8.21 komt het voor in een tekst die vertaald wordt als: “Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God.”
Bij Aristoteles komen we op verschillende plaatsen omschrijvingen tegen van het begrip recht. In Ethica Nicomachea V (over rechtvaardigheid) gebruikt Aristoteles expliciet geometrische beelden. Hier is “recht” niet metrisch, maar normatief: de rechte lijn staat voor datgene wat zonder afwijking met de maat overeenkomt. Rechtvaardigheid is handelen “langs de rechte lijn”. Een rechte lijn is een goede lijn.
De volgende definitie is overgeleverd via Aristoteles.
“Een rechte lijn is dat waarvan het midden de uiteinden bedekt.”
(τὸ τὸ μέσον τὰ ἄκρα κρύπτει)
Aristoteles schrijft deze formulering expliciet toe aan Plato. Heath merkt hierover op: “This definition is ingenious, but implicitly appeals to the sense of sight and involves the postulate that the line of sight is straight.“
Euclides’ definitie: “Een rechte lijn is een lijn die gelijkmatig ligt ten opzichte van haar punten,” past in het Aristotelische denken. Het gaat niet om de kortste afstand, maar om innerlijke consistentie, niet-afwijkend. Een rechte lijn is die lijn waarvan elke punt noodzakelijk is voor het geheel.
Bij Aristoteles is “recht / rechtlijnig” (εὐθύς, euthys) geen louter geometrisch begrip, maar ook een normatief idee. Dat maakt duidelijk waarom Euclides’ definitie in de Griekse denkwereld zo natuurlijk kon klinken.
Het idee dat een rechte lijn de “kortste weg” is, lijkt vanzelfsprekend te zijn geweest voor Griekse wiskundigen en filosofen. Het werd gebruikt zonder expliciete definitie of bewijs. Aristoteles zegt expliciet dat: de rechte lijn de kortste is tussen twee punten (o.a. in Physica). Voor hem is dit geen stelling die bewezen moet worden, maar iets dat zo evident is dat het als uitgangspunt dient.
Uit het feit dat Euclides in geen enkel bewijs in de Elementen direct gebruik maakt van zijn definitie van de rechte lijn, – Proclus merkte dit al op -, mogen we opmaken dat voor hem definities geen definities zijn in de moderne logische zin, maar bedoeld als verhelderende beschrijvingen. Niet de definities, maar de postulaten vormen de basis voor bewijzen van theorema’s.
Waar gaat Euclides’ Elementen eigenlijk over?
Wie de geschiedenis van de wetenschap beschrijft hoede zich ervoor het verleden te lezen als voorbereiding op het heden. Wie hedendaagse betekenissen van woorden kritiekloos gebruikt om vroegere verschijnselen te beschrijven maakt zich schuldig aan het bedrijven van Whig-history. Een treffend voorbeeld daarvan geeft Kuhn, de historicus van ‘de revolutie in de wetenschap’. De vraag ‘hoeveel van de zeventiende-eeuwse mechanica reeds bekend was bij Aristoteles’ deugt volgens hem niet. Waarom niet? Omdat het kernbegrip van de mechanica, ‘beweging’, een heel andere inhoud heeft, namelijk verandering van plaats, dan het had voor Aristoteles. Voor de laatste had beweging een veel ruimere betekenis. Het heeft betrekking op de ontwikkeling van het leven, de groei van planten en dieren. Vragen die betrekking hebben op de kennis die voor het begin van de periode van de mathematisering van de wetenschap heerste kunnen niet in termen van tegenwoordig gesteld worden.
Een ander voorbeeld is het gebruik van de termen ‘feit’ en ‘informatie’. Volgens de historicus David Wootton bestonden feiten, zoals wij die kennen, niet voor 1700. In de Invention of Science schrijft hij:
“We take facts so much for granted that there have been few attempts to write their history, and none of them satisfactory. Yet, our culture is as dependent on facts as it is on gasoline. It is almost impossible to imagine doing without facts, and yet there was a time when facts did not exist.” (Wootton, 2016, p.252)
Ook het nauw aan het begrip ‘feit’ gerelateerde begrip ‘informatie’ bestond niet in de zin waarin wij het nu kennen. Het begrip heeft een meer technische lading gekregen, dan het informeren in de ‘letterlijke’ zin van ‘vorm geven aan iets materieels’.
Bedrijven wij geen ‘Whig-history’ wanneer we proberen het werk van Euclides te zien als voorbereiding van de huidige meetkunde en wanneer we het onderwerp van zijn studie identificeren met dat van de moderne meetkunde? In de ontwikkeling van de wetenschap hebben wiskunde, fysica en biologie elk hun eigen terrein af proberen te bakenen. Ze kregen elk hun eigen onderwerp. Wiskunde is geen fysica en fysica is geen biologie. Voor de Griekse tijd bestonden deze verschillende disciplines niet als zodanig. Had Euclides niet een veel ruimer begrip van punt en lijn, zoals ook het begrip beweging bij Aristoteles een veel ruimere betekenis heeft dan in de hedendaagse mathematische mechanica?
In Euclides tijd waren wiskunde en filosofie zeer nauw met elkaar verweven. Sommige denkers, waaronder Plato, werd door Aristoteles verweten dat ze wiskunde voor de ware filosofie hielden. Het verhaal gaat dat een voordracht van de Akademie die volgens de aankondiging over ‘het Goede’ zou gaan, over getallen, meetkunde en astronomie bleek te gaan. Het goede is één, aldus Plato.
Maar wat is één? Een traditioneel Grieks filosofisch probleem betreft de verhouding tussen eenheid en veelheid. Euclides’ moeten we in die Griekse traditie plaatsen.
De rechte lijn als de identiteit van eenheid en veelheid van punten
Op enig moment kijkt iemand terug naar de beslissende momenten in zijn leven en vraagt zich af hoe zijn leven was verlopen als hij anders had gekozen dan hij heeft gedaan. Maar had hij anders gekozen dan was hij ook iemand anders geweest dan hij nu is.
De veelheid van punten enerzijds en de eenheid van de lijn anderzijds verhouden zich bij Euclides zoals de momenten van het leven tot dat van de levenslijn, de identiteit die in het unieke levende individue tot uiting komt. Dat leven is zijn eigen maat. Er zijn geen momenten die niet op die lijn liggen omdat de identiteit van de lijn achteraf door de momenten bepaald is. Hier herkennen we de noodzakelijkheid van de punten van de lijn, waar Aristoteles op wijst. De ‘rechte rede’ is de redenering waarin iedere stap noodzakelijk is. De veelheid van punten van een lijn en de eenheid van de lijn zijn twee perspectieven op eenzelfde fenomeen. Recht is wanneer deze twee samenvallen, wanneer de punten samenvallen met de lijn. De rechte weg is de eigenlijke weg.
Wanneer we Euclides’ definitie van de rechte lijn vergelijken met de definitie die Cantor vele eeuwen later gaf van het wiskundig begrip verzameling (‘Menge’) dan zien we een overeenkomst, maar ook een belangrijk verschil. Ook het wiskundig begrip verzameling duidt zowel een eenheid als een veelheid aan. De verzameling is een eenheid die samenvalt met de elementen die er toe behoren. Toch is een lijn als object in een ruimte iets anders dan een willekeurige verzameling. De punten van een lijn zijn immers geordend. De lijn is als verhouding tussen eenheid en veelheid iets concreters dan de verzameling. Bij de laatste zijn de elementen immers ongeordend. We stellen de verzameling voor door een cirkel of ei-vorm waarin op willekeurige posities een aantal punten zijn getekend. De punten op een lijn hebben als punten van de lijn een ordeningsrelatie: punt C ligt tussen de punten A en B. Het midden ligt tussen de uiteinden van een lijnstuk. Een definitie van het lijnbegrip op basis van het moderne verzamelingbegrip zal die ordeningsrelatie moeten vastleggen.
Er zijn in de loop van de geschiedenis ‘alternatieve’ interpretaties van de Euclidische grondbegrippen punt en lijn onderzocht. Veelal in verband met pogingen de onafhankelijk van het parallellenpostulaat te bewijzen. Volgens Euclides’ parallellenpostulaat gaat door een punt buiten een gegeven lijn slechts één lijn die evenwijdig is aan die lijn.
Er zijn niet-euclidische ruimtes waarin geldt dat door een punt buiten een gegeven lijn geen lijn gaat parallel aan die lijn (hyperbolische ruimtes) en niet-euclidische ruimtes (elliptische) waarin geldt dat door een punt buiten een gegeven lijn er twee (en dus oneindig veel) lijnen gaan die parallel lopen aan de gegeven lijn. De euclidische meetkunde heet ook wel parabolische meetkunde.
Riemann kwam tot een interpretatie van punt en lijn zodanig dat geldt: Elke twee lijnen snijden elkaar in een punt. Dit levert een meetkunde die niet-Euclidisch is: het parallellenpostulaat geldt niet. Die interpretatie gaat zo:
“lijn” wordt: een grote cirkel op een bol.
“punt”: een paar diametraal tegenover elkaar liggende punten op een bol.
Poincaré bewees dat Riemanns bolmeetkunde consistent is als Euclides ‘vlakke ‘ meetkunde dat is.
Als de kortste verbinding tussen twee punten een rechte lijn is, dan geldt dit ook op een boloppervlak. Maar wat voor een bewoner van het boloppervlak een ‘rechte’ lijn is, is vanuit het perspectief van iemand die de bol van buiten bekijkt een kromme lijn. Voor deze buitenstaander is het kortste pad tussen twee punten op een bol, de lineaalrechte lijn tussen A en B. Maar deze lijn bestaat in de ruimte van het boloppervlak helemaal niet! Wat het kortste pad is tussen twee punten dat wordt bepaald door de vorm van de ruimte. En als we vasthouden aan de idee dat het kortste pad de rechte lijn is dan is dus wat een rechte lijn heet relatief met betrekking tot de vorm van de ruimte.
Er zijn allerlei modellen geconstrueerd om de onafhankelijkheid of de equivalentie van verschillende axioma’s te bewijzen. Bijvoorbeeld: of Euclides 5de postulaat equivalent is met de bewering dat de hoekensom 180 graden is (of beter: gelijk is aan twee rechte hoeken – Euclides kent geen metriek) hangt af van de vraag welke andere axioma’s je mag aannemen. Dit soort vragen wordt beantwoord door de constructie van een model waarin bepaalde axioma’s wel, andere niet gelden. Hilbert heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan dit soort onderzoek. Er zijn dus meetkundige modellen (een Hilbert plane) waarin de hoekensom 180 graden is maar waarin Euclides’ parallellenpostulaat niet geldt.
Een reiziger die zich optimaal door de ruimte beweegt laat het pad dat hij volgt door de structuur van de ruimte bepalen. Het pad dat deze aflegt wordt bepaald door allerlei factoren die samen een soort ‘krachtenveld’ vormen. Zo wordt het pad dat de grutto op weg naar het zuiden in het najaar en weer terug naar het noorden in het voorjaar, bepaald door de lokaal heersende winden, de termiek, en door de aanwezigheid van voedsel en vijanden. Deze krachten maken de ruimte waarin de trekvogel zich beweegt. Gegeven de vorm van dit krachtenveld is de door de trekvogel afgelegde weg de kortste weg van de zuidelijke streken waar deze overwintert naar de noordelijke broedgebieden in de zomer.
Conclusie
Concluderend kunnen we zeggen dat Euclides ‘raadselachtige definitie’ van de rechte lijn: ‘een rechte lijn is een lijn die samenvalt met alle punten die er op liggen’ – voortbouwt op de Griekse traditie ten tijde van Plato, maar geheel in lijn met de zelfbewustwording van de mathematische geest die toen plaats vond, poogt te abstraheren van de concrete waarneming (zichtlijn) om de nadruk te leggen op de inhoudelijke relatie tussen punt en lijn. Geheel in lijn met de Griekse traditie duidt ‘recht’ niet alleen een geometrisch begrip, maar tevens een ethisch/normatief begrip aan. Wat recht is, is juist. De definitie van Euclides’ rechte lijn is invariant geldig voor iedere ruimte, welke metriek we daar ook aan opleggen. Hij drukt uit dat de rechte lijn zowel eenheid is van de lijn als continue lijn en de lijn als bepaald door de veelheid van punten die erop liggen. Voor Euclides is de rechte lijn niet de kortste verbinding tussen twee punten. Afstand wordt gemeten met een maat die aan het gemetene als het ware van buiten wordt opgelegd. Voor Euclides bestond zo’n maat niet. De rechte is haar eigen maat. Het Euclidische van zijn meetkunde zit hem in de propositie dat in iedere driehoek de directe lijn tussen twee hoekpunten korter is dan de som van de twee lijnstukken die deze twee via het derde hoekpunt verbinden. Imre Tóth vond in de werken van Aristoteles verschillende teksten waaruit blijkt dat vóór Euclides er al niet-euclidische ideeën speelden. We kunnen concluderen dat Euclides definitie van de rechte lijn reeds de ruimte bood voor niet-euclidische meetkundes.
Bronnen en noten
J.H. van den Berg (1969). Metabletica van de materie – meetkundige beschouwingen. Tweede druk, Uitg. Callenbach NV, Nijkerk, 1969.
Prachtig boek waarin de psychiater Van den Berg een metabletische studie presenteert naar de ontwikkeling van de niet-euclidische meetkundes. De metableticus stelt de vraag waarom een bepaalde ontwikkeling zich juist toen en juist daar in de geschiedenis plaats vond en legt verbanden met nieuwe stromingen in bijvoorbeeld de architectuur en de beeldende kunst.
E.J. Dijksterhuis (1930). De elementen van Euclides. Twee delen. Groningen, 1929, 1930.
R. Dijkgraaf (2012). Het nut van nutteloos onderzoek. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Een bundel essays over wetenschappelijk onderzoek.
De paradoxale uitdrukking ‘het nut van nutteloos onderzoek’ is volgens Dijkgraaf afkomstig van de Amerikaanse onderwijskundige Abraham Flexner (1866-1959). Die gebruikte de term in 1921 in een ‘gepassioneerde verdediging van de waarde van de vrij rondwarende scheppende geest.’
Volgens Hegel is het kenmerk van de tijd van de verlichting dat ‘alles nuttig is’. Zelfs nutteloos onderzoek moet als nuttig worden gezien om als zinvol gekwalificeerd te kunnen worden. Theoretici als Dijkgraaf wijzen op het belang van ‘schijnbaar nutteloos onderzoek’ om tegenwicht te bieden tegen de heersende opvatting volgens welke er concrete praktische toepassingen moeten worden aangegeven om onderzoek gefinancierd te krijgen. Op de achterkant van het boek wordt het thema van de essays aangeduid met: “Wat is de kortste weg van A naar B, als je niet weet wat B is of waar het ligt?”
Dijkgraaf was minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het kabinet Rutte IV. In die hoedanigheid zette hij zich in voor een herwaardering van het middelbaar beroepsonderwijs. In een nota aan de Tweede Kamer pleitte hij voor meer keuzeruimte in het curriculum. Want iedere student moet de ruimte hebben om zijn eigen weg te vinden. Om het kronkelpaadje af te lopen dat achteraf de kortste weg naar de bestemming blijkt te zijn‘.
Het was deze uitdrukking die mij, toen ik met Euclides’ definitie van de rechte lijn bezig was, op de gedachte bracht dat ook de levenslijn een lijn is en dat Euclides ‘recht’ zou kunnen wijzen op het noodzakelijk zijn van de momenten van een goed leven.
Euclides. The Greek text of J.L. Heiberg (1883–1885) from Euclidis Elementa, edidit et Latine interpretatus est I.L. Heiberg, in aedibus B.G. Teubneri, 1883–1885 edited, and provided with a modern English translation, by Richard Fitzpatrick. This edition of Euclid’s Elements presents the definitive Greek text—i.e., that edited by J.L. Heiberg (18831885)—accompanied by a modern English translation, as well as a Greek-English lexicon.
Jeremy Gray (2000). The Hilbert challenge. Oxford; New York: Oxford University Press.
Marvin Jay Greenberg (2010). Old and New Results in the Foundations of Elementary Plane Euclidean and Non-Euclidean Geometries. In: The Mathematical Association of America, March 2010.
Greenberg geeft een historisch overzicht van de ontwikkelingen in de meetkunde vanaf Euclides tot 2010. Daarin speelt de nieuwe axiomatisering door Hilbert een centrale rol. Hilbert’s meta-mathematisch onderzoekingen waren gericht op de logische samenhang en onafhankelijkheid van verschillende begrippen uitgedrukt in stellingen en axioma’s van Euclides elementaire meetkunde. Greenberg brengt naar voren dat de geometrie fundamenteler is dan de getaltheorie. Dat je elementaire meetkunde in de stijl van Euclides kan bedrijven zonder gebruik te maken van de reeële getallen (die ten tijde van Euclides inderdaad niet bestonden, alles werd in termen van lengte van lijnstukken en hun verhoudingen gemeten.) is een belangrijke verdienste van Hilbert. De continuumhypothese en alternatieve definities voor de reeële getallen (Dedekind was de eerste die ze definieerde) maken volgens Greenberg deze getallen ‘controversieel’.
“Robin Hartshorne explains how ‘the true essence of geometry can develop most
naturally and economically’ without real numbers.”
Robin Hartshorne, Teaching Geometry According to Euclid, Notices of the AMS, Volume 47, Nr. 4, pp 460-465, 2000)
Euclides ontwikkelde een meetkunde zonder gebruik te maken van getallen die lijn segmenten, hoeken en oppervlakken meten. Hartshorne pleit voor meetkunde-onderwijs op basis van puur meetkundige begrippen, zoals in Euclides’ Elementen. Dat is: zonder de meetkundige analyse en de reële getallen. In Euclides tijd waren er nog geen andere getallen dan gehelen.
“In Greek mathematics, as we saw, the only numbers were (positive) integers. What we call a rational number was represented by a ratio of integers. Any other quantity was represented as a geometrical magnitude. This point of view persisted even to the time of Descartes.” (Robin Hartshorne, Teaching Geometry According to Euclid, Notices of the AMS, Volume 47, Nr. 4, pp 460-465, 2000)
Th. L. Heath (1956). The thirteen Books of Euclid’s Elements, 2 Volumes, New York, 1956.
“Euclid’s work will live long after all the text-books of the present day are superseded and forgotten. It is one of the noblest monuments of antiquity; no mathematician worthy of the name can afford not to know Euclid, the real Euclid as distinct from any revised or rewritten versions which will serve for schoolboys or engineers.” (Thomas L. Heath in het voorwoord van de Engelse vertaling van de Elementen)
D. Hilbert (1895). “Ueber die gerade Linie als kürzeste Verbindung zweier Punkte,” Math. Annalen, 46 (1895), 91-96.
Probleem nummer 4 van de 23 problemen van David Hilbert, waarvan hij er tien presenteerde in 1900, in Parijs, gaat over de kwestie of de rechte lijn de kortste verbinding is tussen twee punten. Van de 23 problemen zijn een aantal inmiddels opgelost, over een aantal gepubliceerde oplossingen zijn de geleerden het nog niet eens. Probleem 4 wordt als onoplosbaar beschouwd omdat het te vaag zou zijn. (Grey).
Euclides’ theorema stelt dat in elke driehoek de som van twee zijden groter is dan de derde zijde.
Hilbert stelt: The theorem of the straight line as the shortest distance between two points and the essentially equivalent theorem of Euclid about the sides of a triangle, play an important part not only in number theory but also in the theory of surfaces and in the calculus of variations.
For this reason, and because I believe that the thorough investigation of the conditions for the validity of this theorem will throw a new light upon the idea of distance, as well as upon other elementary ideas, e. g., upon the idea of the plane, and the possibility of its definition by means of the idea of the straight line, the construction and systematic treatment of the geometries here possible seem to me desirable.
Hilbert stelt: De stelling van de rechte lijn als de kortste afstand tussen twee punten en de in wezen equivalente stelling van Euclides over de zijden van een driehoek (bewezen in Elementen Book I propositie 20) spelen een belangrijke rol, niet alleen in de getaltheorie, maar ook in de oppervlaktentheorie en de variatierekening.
Om deze reden, en omdat hij gelooft dat een grondig onderzoek naar de voorwaarden voor de geldigheid van deze stelling een nieuw licht zal werpen op het begrip afstand, evenals op andere elementaire begrippen, zoals het begrip vlak en de mogelijkheid om dit te definiëren met behulp van het begrip rechte lijn, lijkt de constructie en systematische behandeling van de hier mogelijke meetkundes hem wenselijk.
Hilbert definieert op basis van een meetkunde van Hermann Minkowski (1864-1909) een meetkundige ruimte waarin niet voldaan wordt aan het parallellenpostulaat en waarin de som van de lengtes van twee zijden van een driehoek gelijk kan zijn aan de lengte van de derde zijde. Dit betekent dat er oneindig veel kortste verbindingen zijn tussen twee punten.
De stelling van Euclides over de zijden van een driehoek kent een generalisatie. The triangle inequality can be extended by mathematical induction to arbitrary polygonal paths, showing that the total length of such a path is no less than the length of the straight line between its endpoints. Consequently, the length of any polygon side is always less than the sum of the other polygon side lengths.
Hilbert, David (1902). Mathematical Problems. Bulletin of the American Mathematical Society. 8 (10): 437–479. doi:10.1090/S0002-9904-1902-00923-3. Lecture delivered before the international congress of mathematicians at Paris in 1900. Bulletin of the American Math. Soc. Translated for the Bulletin, with the author’s permission, by Dr. Mary Winston Newson. The original appeared in the Göttinger Nachrichten, 1900, pp. 253-297, and in the Archiv der Mathematik und Physik, 3d ser., vol. 1 (1901), pp. 44-63 and 213-237.
Hilbert’s inleiding:
“Wie van ons zou niet graag de sluier oplichten waarachter de toekomst schuilgaat; een blik werpen op de volgende stappen in onze wetenschap en op de geheimen van haar ontwikkeling in de komende eeuwen? Welke specifieke doelen zullen de toonaangevende wiskundigen van de komende generaties nastreven? Welke nieuwe methoden en nieuwe feiten in het brede en rijke veld van het wiskundig denken zullen de nieuwe eeuwen onthullen? De geschiedenis leert ons de continuïteit van de wetenschapsontwikkeling. We weten dat elk tijdperk zijn eigen problemen kent, die het volgende tijdperk ofwel oplost, ofwel als nutteloos terzijde schuift en vervangt door nieuwe. Als we een idee willen krijgen van de waarschijnlijke ontwikkeling van de wiskundige kennis in de nabije toekomst, moeten we de onopgeloste vraagstukken voor ons laten gaan en kijken naar de problemen die de wetenschap van vandaag stelt en waarvan we de oplossing in de toekomst verwachten. Voor zo’n overzicht van problemen lijkt het heden, dat zich op het kruispunt van de eeuwen bevindt, mij uitermate geschikt. Want het einde van een groot tijdperk nodigt ons niet alleen uit om terug te kijken naar het verleden, maar richt onze gedachten ook op de onbekende toekomst.”
An old French mathematician said: “A mathematical theory is not to be considered complete until you have made it so clear that you can explain it to the first man whom you meet on the street.” This clearness and ease of comprehension, here insisted on for a mathematical theory, I should still more demand for a mathematical problem if it is to be perfect ; for what is clear and easily comprehended attracts, the complicated repels us.
Een Franse wiskundige heeft eens gezegd: “Een wiskundige theorie is pas compleet als ze zo helder is dat je haar kunt uitleggen aan de eerste de beste die je op straat tegenkomt.” De helderheid en begrijpelijkheid, die hier zo belangrijk worden geacht voor een wiskundige theorie, zou ik nog sterker eisen van een wiskundig probleem als het perfect wil zijn; want wat helder en gemakkelijk te begrijpen is, trekt aan, wat ingewikkeld is, stoot ons af.
Ondanks de eis die Hilbert oplegde aan de helderheid in de formulering van wiskundige problemen werden sommige van zijn 23 problemen als te vaag beschouwd. (Grey) En één van die vage problemen is probleem 4.
PROBLEM OF THE STRAIGHT LINE AS THE SHORTEST DISTANCE BETWEEN TWO POINTS.
Another problem relating to the foundations of geometry is this : If from among the axioms necessary to establish ordinary euclidean geometry, we exclude the axiom of parallels, or assume it as not satisfied, but retain all other axioms, we obtain, as is well known, the geometry of Lobachevsky (hyperbolic geometry). We may therefore say that this is a geometry standing next to euclidean geometry. If we require further that that axiom be not satisfied whereby, of three points of a straight line, one and only one lies between the other two, we obtain Biemann’s (elliptic) geometry, so that this geometry appears to be the next after Lobachevsky’s. If we wish to carry out a similar investigation with respect to the axiom of Archimedes, we must look upon this as not satisfied, and we arrive thereby at the non-archimedean geometries which have been investigated by Veronese and myself. The more general question now arises : Whether from other suggestive standpoints geometries may not be devised which, with equal right, stand next to euclidean geometry. Here I should like to direct your attention to a theorem which has, indeed, been employed by many authors as a definition of a straight line, viz., that the straight line is the shortest distance between two points. The essential content of this statement reduces to the theorem of Euclid that in a triangle the sum of two sides is always greater than the third side—a theorem which, as is easily seen, deals solely with elementary concepts, i. e., with such as are derived directly from the axioms, and is therefore more accessible to logical investigation. Euclid proved this theorem, with the help of the theorem of the exterior angle, on the basis of the congruence theorems. Now it is readily shown that this theorem of Euclid cannot be proved solely on the basis of those congruence theorems which relate to the application of segments and angles, but that one of the theorems on the congruence of triangles is necessary. We are asking, then, for a geometry in which all the axioms of ordinary euclidean geometry hold, and in particular all the congruence axioms except the one of the congruence of triangles (or all except the theorem of the equality of the base angles in the isosceles triangle), and in which, besides, the proposition that in every triangle the sum of two sides is greater than the third is assumed as a particular axiom. One finds that such a geometry really exists and is no other than that which Minkowski constructed in his book, Geometrie der Zahlen (Leipzig, 1896), and made the basis of his arithmetical investigations. Minkowski’s is therefore also a geometry standing next to the ordinary euclidean geometry; it is essentially characterized by the following stipulations : 1. The points which are at equal distances from a fixed point 0 lie on a convex closed surface of the ordinary euclidean space with 0 as a center. Two segments are said to be equal when one can be carried into the other by a translation of the ordinary euclidean space. In Minkowski’s geometry the axiom of parallels also holds. By studying the theorem of the straight line as the shortest distance between two points, I arrived (Math. Annalen, Vol. 46, p.91 ) at a geometry in which the parallel axiom does not hold, while all other axioms of Minkowski’s geometry are satisfied. The theorem of the straight line as the shortest distance between two points and the essentially equivalent theorem of Euclid about the sides of a triangle, play an important part not only in number theory but also in the theory of surfaces and in the calculus of variations. For this reason, and because I believe that the thorough investigation of the conditions for the validity of this theorem will throw a new light upon the idea of distance, as well as upon other elementary ideas, e. g. upon the idea of the plane, and the possibility of its definition by means of the idea of the straight line, the construction and systematic treatment of the geometries here possible seem to me desirable.
Om het belang van het probleem 4 te onderstrepen wijst Hilbert op het feit dat het niet alleen om een meetkundige kwestie gaat, maar dat er een verband is met onderzoekgebieden, zoals de variatie-rekening, een gebied dat veel aandacht trok.
Poincaré, Henri (1979). De niet-euclidische meetkunden. Opgenomen in de bundel Wetenschap en Hypothese, Boom Meppel, 1979.
Proclus (1792). The Commentaries of Proclus on the First Book of Euclid’s Elements of Geometry. Translated by Thomas Taylor (London, 1792) Transcribed by David R. Wilkins August 2020.
Proclus Diadochus (412-485 na Chr.) schreef uitvoerig commentaar op het werk van Euclides van Alexandrië (300 v Chr). Bij hem vinden we een stelling die gelijkwaardig is aan het parallellenpostulaat: de som van de drie hoeken van een driehoek is gelijk aan een gestrekte hoek. Proclus noemt de rechte lijn de kortste lijn. Bij de pre-Eucliden werd stilzwijgend aangenomen dat de rechte lijn de kortste verbinding is tussen twee punten. Maar ‘kort’ betreft afstand of lengte en een maat waarmee die gemeten wordt. Het begrip ‘recht’ heeft volgens Euclides zo’n maat die van buiten wordt opgelegd niet nodig. Euclides geeft een ‘definitie’ geheel in termen van punt, lijn en de incidentie-relatie tussen punt en lijn. Het wil uitdrukken dat de lijn precies gelijk is aan de punten die erop liggen. De twee ‘momenten’ van de lijn vallen samen.
Imre Tóth (1972). Die nicht-euklidische Geometrie in der Phänomenologie des Geistes. Wissenschaftstheoretische Betrachtungen zur Entwicklungsgeschichte der Mathematik. Horst Heiderhoff Verlag, Frankfurt am Main. 1972.
De ontdekking van de Grieken dat de wiskunde geen natuurwetenschap is, zo betoogt Tóth, “ein Resultat des Selbstbewustwerdens des Geistes, eine Gedanke, in dem das Denken sich selbst denkt, ein natürliches Produkt der Phänomenologie des Geistes.” (p. XX/4)
Tóth betoogt dat de meetkunde ontstaan is uit de praktische omgang met de natuur. Ook al is het een ‘zuivere wetenschap’ (Kant). De niet-euclidische axioma’s zijn in feite negaties van dezelfde inhoud waar ook de euclidische meetkunde over gaat. De inhoud is het begrip, driehoek. Euclidisch: de hoekensom van alle driehoeken is 2R. Niet-euclidisch: de hoekensom van alle driehoeken is niet 2R. Het is niet mogelijk dat sommige driehoeken een som hebben van 2R en andere niet. Maar dit sluit niet uit dat er zowel euclidische als niet-euclidische meetkundes kunnen bestaan. (p.16).
Tóth wijst erop dat Aristoteles in zijn tijd en lang daarna de enige was voor wie het een ‘reeële’ mogelijkheid was dat een driehoek een hoekensom heeft die niet gelijk 2R is. Tóth sluit niet uit dat er zowel, naast elkaar, euclidische als niet-euclidische ruimtes kunnen bestaan.
Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.
De historicus Wootton wijst net als de filosoof Hacking erop dat we woorden en begrippen in hun tijd moeten interpreteren. Feiten en tekens zijn niet altijd wat ze nu zijn. Voor 1700 bestond het ‘feit’ niet.
