De rechte weg van Euclides naar de supermarkt

“…wo der Gang zum Brunnen so gut ist wie der Trunk.”

Zo’n driehonderd jaar voor onze jaartelling definieerde Euclides van Alexandrië de rechte lijn.“Een rechte lijn is een lijn die gelijk ligt met de punten erop.” Velen, zowel filosofen als wiskundigen, hebben zich afgevraagd hoe we Euclides’ ‘raadselachtige definitie’ moeten begrijpen. Wat had Euclides voor ogen? Hij presenteerde in zijn ‘Elementen’ de eerste wiskundige, axiomatische theorie van wat we nu de Euclidische ruimte noemen. Een ruimte waarin door een punt buiten een gegeven lijn precies één lijn gaat parallel aan de gegeven lijn en waarin de som van de hoeken van iedere driehoek precies gelijk is aan twee rechte hoeken. Hij bewees, uitgaande van enkele axioma’s en postulaten, vele meetkundige stellingen. Eén daarvan is de driehoeksongelijkheid, dat in iedere driehoek de som van twee zijden groter is dan de lengte van de derde zijde. Niet iedereen was tevreden met zijn bewijs van deze stelling. Had Euclides geen aannames gedaan die nog bewezen zouden moeten worden? De meeste Grieken, en de meeste wiskundigen na hen, namen echter stilzwijgend aan dat de rechte weg tussen twee punten de enige en de kortste is.

Opmerkelijk is dat Euclides nergens zijn definitie van de rechte lijn gebruikt. In geen enkel bewijs van de vele stellingen. Na hem werd door veel wiskundigen als definitie van de rechte lijn geaccepteerd dat de rechte lijn van A naar B de kortste afstand is tussen A en B. Euclides zegt dat nergens.

Meer dan twee duizend jaar later, om precies te zijn in het jaar 1900, presenteerde David Hilbert op een mathematisch congres in Parijs zijn onder wiskundigen beroemd geworden 23 Problemen. Hiermee stuurde de grote wiskundige zijn collega-wiskundigen de nieuwe eeuw in. Het vierde probleem heeft als titel Het Probleem van de Rechte Lijn als de Kortste Afstand tussen Twee Punten. Hilbert stelde voor het verband tussen de begrippen rechte lijn en kortste afstand te onderzoeken. Hij had uitgaande van een modelruimte van Hermann Minkowski, de uitvinder van de ruimtetijd, een geometrische ruimte ontdekt waarin de stelling van Euclides over de driehoekszijden niet opgaat. Sommige van Hilbert’s 23 problemen lijken inmiddels opgelost, waaronder de eerste over de Continuumhypothese van Cantor. Andere wachten nog op een oplossing. Van een paar problemen wordt de omschrijving die Hilbert gaf als ‘te vaag’ beschouwd. Eén daarvan is probleem 4.

Over Hilbert’s probleem 4 gaan we het hier hebben. We proberen Euclides ‘raadselachtige definitie’ van de rechte lijn te ontraadselen. Naast de meetkundige ruimte kennen we de waarnemingsruimte en de ervaringsruimte. En tenslotte de belevingsruimte. Wiskundigen en natuurkundigen hebben door de eeuwen heen geprobeerd deze ruimtes te mathematiseren door ze in wiskundige modellen te vangen. Lees bijvoorbeeld Our Mathematical Universe waarin de fysicus Max Tegmark betoogt dat wij in een mathematisch universum leven. Einstein gebruikte een niet-euclidische meetkunde voor zijn algemene relativiteitstheorie om het effect van materie op de kromming van de ruimte te beschrijven. In alle na Euclides door wiskundigen ontdekte niet-euclidische meetkundes houdt zijn definitie van de rechte lijn stand. Misschien moeten we naar concretere lijnen en concretere ruimtes dan de abstracte meetkundige lijnen en ruimtes kijken om Euclides’ definitie te begrijpen.

Het eerste, praktische probleem

Wanneer men mij vraagt waar ik woon, dan antwoord ik wel eens: “Ik woon in het zwaartepunt van de driehoek Enschede, Losser, Oldenzaal.”

Zwaartepunt? zie ik de ander denken. Ja, zwaartepunt. Van iedere driehoek gaan de drie zwaartelijnen, dat zijn de lijnen die van de hoekpunten naar het midden van de overstaande zijde lopen, door één punt. Dat is het zwaartepunt. Dat dit zo is werd door Euclides zo’n 300 jaar voor Christus bewezen. Op school leerden we hoe je met passer en lineaal het zwaartepunt van een driehoek kunt construeren. Het papier is de ruimte, een plat vlak, de lineaal een rechte lat om rechte lijnen mee te trekken en de passer gebruikten we om lijnstukken van gelijke lengte te maken. En we leerden dat zo’n constructie géén bewijs is. Als de drie getrokken lijnen niet precies door één punt gingen, dat was nog geen bewijs dat het zwaartepunt niet bestond. We hadden slordig gewerkt! In de wiskundeles oversteeg de waarheid de door ons geconstrueerde waarneembare werkelijkheid.

In de Elementen definieerde Euclides de grondbegrippen punt en lijn en drukte hij zijn intuïtie over de ruimte uit in een aantal postulaten en axioma’s. Zo legde hij de wiskundige ruimte vast. Het was het begin van de axiomatische methode in de wiskunde die zich in zijn tijd trachtte te bevrijden van zowel natuurwetenschap, als de metafysica. Waarheid betreft in de wiskunde niet wat je denkt dat het geval is, of wat je kan waarnemen met je zintuigen, maar wat je kan bewijzen dat het geval is. Wiskunde gaat weliswaar over onze waarneembare ruimte, maar niet áls waarneembaar, zoals Aristoteles het uitdrukte. De wiskundige gebruikt weliswaar tekeningen en tekens (cijfers), maar dat zijn slechts hulpmiddelen voor het denken over de eigenlijke objecten, getallen en structuren.

De wiskundige ruimte is niet de ruimte waarin wij wonen. Enschede, Losser en Oldenzaal zijn in werkelijkheid geen punten en de verbindingswegen zijn geen rechten, zoals in de vlakke meetkundige ruimte. Wij wonen in een ander soort ruimte, de belevingsruimte. En die kent zo haar eigen problemen.

Zowel in Enschede, in Losser als in Oldenzaal bevindt zich een supermarkt. Er valt dus iets te kiezen als we onze boodschappen gaan halen. Dat doen we altijd op de fiets. De boodschappen gaan in onze fietstassen. Soms daar bovenop nog een zak met 10 kilo aardappelen. Wij zijn het erover eens dat de winkel in Oldenzaal verder weg is dan die in Enschede en die in Losser, maar welke van de laatste twee het verste weg is, daarover verschillen we van mening. Ik denk dat Enschede dichterbij is; mijn vrouw denkt Losser. We zochten het op met Google-maps. Die geeft de afstanden van de fietsroutes: Losser 5.2, Enschede 5.4 kilometer. “Ha, zie je wel”, zegt ze. Enschede is verder. Klopt niet, zeg ik. Kijk naar de route die Google je naar Enschede laat fietsen. Da’s een heel eind om! Inderdaad, de weg die we naar de supermarkt in Enschede fietsen staat wel op de kaart, maar om onverklaarbare redenen neemt Google die niet als aanbevolen route. Zou hij dat wel doen, dan is Enschede misschien wel dichterbij dan Losser. “Maar voor mijn gevoel is Losser dichterbij”, zegt ze, “het is gewoon leuker fietsen.” Maar als het hard waait niet, zeg ik.

Google leeft in een ruimte die niet de onze is. We willen een app die niet de meetkundige afstand berekent tussen twee plaatsen, maar de belevingsafstand. De weerman geeft tegenwoordig toch ook niet alleen de verwachte ‘objectieve’ temperatuur, maar ook de ‘gevoelstemperatuur’. Bij het bepalen van de gevoelstemperatuur wordt rekening gehouden met de windsterkte en de vochtigheid. Zo willen wij een app die de afstand van ons huis tot de supermarkt – of welke bestemming dan ook – berekent, niet hemelsbreed, alsof we in een mathematisch universum leven, maar rekening houdend met de wind, met de toestand van de wegen – is het een zandpad of asfalt – , met de beschutting tegen de wind, door huizen of bomen, en natuurlijk met hoogteverschillen. Losser en Oldenzaal liggen hoger, terwijl Enschede lager ligt dan ons huis, en je kunt beter met lege fietstassen naar boven fietsen en met volle weer terug, dan andersom. De door ons bedachte app moet ‘de kortste weg’ geven volgens de ‘belevingsafstanden’ tussen de punten van de route. De app berekent een ‘geodeet’ door de fysieke afstand te transformeren naar een subjectieve metrische ruimte en het klassieke kortste-pad-algoritme (Dijkstra of A*) toe te passen. “Wat kost dat niet aan energie, zo’n app, met al die data die opgehaald moet worden?” Vraagt mijn vrouw. “Het is maar een idee”, zeg ik. We zoeken onze weg wel zonder app.

Het probleem van de waarneming

Stijfheid komt met de jaren. Achteromkijken wordt lastig. Om de kans te verkleinen dat wij met onze volle fietstassen worden overreden door voortjakkerende landbouwvoertuigen, auto’s of e-bikes, besloten we achteruitkijkspiegels op onze fietsen te monteren. Dat is even wennen, want die dingen doen iets met de afstand. Het is me al een paar keer opgevallen dat ik wordt ingehaald door een auto die ik van te voren wel gezien had, maar nog niet verwacht. Had ik de afstand, of de snelheid van de auto verkeerd ingeschat? In de waarnemingsruimte zijn afstanden en snelheden niet wat ze lijken. Zo lijkt de maan die laag aan de horizon staat veel groter dan wanneer hij hoog aan de hemel staat. Spoorrails lopen niet parallel en de afstand tussen de bomen langs het fietspad lijkt groter te worden naarmate we er dichter bij komen. De rechte hoeken van het plafond lijken groter of kleiner dan wat ze ‘in werkelijkheid’ zijn. Lengte en grootte zijn relatieve begrippen. Een kleine olifant is veel groter dan een grote muis. Wat recht is in de euclidische ruimte is dat niet in de waarnemingsruimte.

Het derde probleem

Is de rechte lijn de kortste verbinding tussen twee punten? Maar, wat verstaan we onder een ‘rechte lijn’? En wat betreft de term ‘kort’. Deze roept de vraag op hoe we de lengte van iets meten en ten opzichte waarvan. Euclides begint zijn Elementen met de definities van de grondbegrippen.

Een punt is volgens Euclides “dat wat geen delen heeft“. Een lijn is “een lengte zonder breedte“, en “De uiteinden van een lijn zijn punten“. En dan:

Een rechte lijn is een lijn die gelijk ligt met de punten erop.”

Een ‘raadselachtige’ formulering. Geldt het niet voor iedere lijn dat die samenvalt met de punten die erop liggen? De oorspronkelijk Griekse formulering is:

Εὐθεῖα γραμμή ἐστιν, ἥτις ἐξ ἴσου τοῖς ἐφ᾿ ἑαυτῆς σημείοις κεῖται.

(Eftheía grammí estin, ítis ex ísou toís ef᾿ eaftís simeíois keítai)

Door Sir Thomas L. Heath, de autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de Griekse wiskunde, vertaald als: A straight-line is (any) one which lies evenly with points on itself.

Het Griekse εὐθεῖα vertaald als ‘recht’, heeft behalve de meetkundige betekenis, ook een normatieve betekenis, zoals in ‘het rechte pad’ en in ‘rechtspraak’.  Rechtvaardigheid is handelen “langs de rechte lijn”. Een rechte lijn is een goede lijn.

Euclides was niet de eerste die zich aan een definitie van punt, lijn en rechte lijn waagde. Plato was hem voorgegaan. De volgende definitie van de rechte lijn is overgeleverd via Aristoteles.

“Een rechte lijn is dat waarvan het midden de uiteinden bedekt.”
(τὸ τὸ μέσον τὰ ἄκρα κρύπτει)

Aristoteles schrijft deze formulering expliciet toe aan Plato. Heath merkt hierover op: “This definition is ingenious, but implicitly appeals to the sense of sight and involves the postulate that the line of sight is straight.“ En dat geldt ook voor latere definities die gebaseerd lijken op die van Plato. Zoals die van Dijksterhuis en die van Henri Poincaré. Wanneer de timmerman wil weten of een lat recht is houdt hij de lat zodanig dat beide uiteindes voor zijn oog in het zicht samenvallen en draait vervolgens de lat een beetje.

Euclides bedreef wiskunde en wilde geen gebruik maken van eigenschappen van de waarneembare werkelijkheid, zoals de zichtlijn. Dat licht langs een rechte lijn gaat was hem bekend, maar dat wilde hij niet gebruiken om te bepalen wat recht is. Het veronderstelt wat recht is, zodat zo’n definitie circulair zou zijn. Bovendien weten we inmiddels dat het licht helemaal niet langs een rechte lijn voortgaat. De aantrekkingskracht van de materie doet het licht afbuigen.

Het idee dat een rechte lijn de “kortste weg” is, lijkt vanzelfsprekend te zijn geweest voor Griekse wiskundigen en filosofen. Het werd gebruikt zonder expliciete definitie of bewijs. Aristoteles zegt expliciet dat de rechte lijn de kortste is tussen twee punten (o.a. in Physica). Voor hem is dit geen stelling die bewezen moet worden, maar iets dat zo evident is dat het als uitgangspunt dient.

Uit het feit dat Euclides in geen enkel bewijs in de Elementen direct gebruik maakt van zijn definitie van de rechte lijn, – Proclus merkte dit al op -, mogen we opmaken dat voor hem definities geen definities zijn in de moderne logische zin, maar bedoeld als verhelderende beschrijvingen. Niet de definities, maar de axioma’s en postulaten vormen de basis voor bewijzen van theorema’s.

Euclides’ definitie van de rechte lijn past in het Aristotelische denken. Het gaat hem niet om de kortste afstand, maar om innerlijke consistentie, om niet-afwijkend zijn. We zouden kunnen zeggen dat een rechte lijn die lijn is, waarvan elk punt ervan even noodzakelijk is voor het geheel. Euclides lijkt geen externe maat op te willen leggen aan de lijn waarmee deze gemeten wordt. Iedere lijn is zijn eigen maat, zou je kunnen zeggen. Anderzijds luidt een Euclidisch postulaat dat tussen twee punten precies één rechte lijn getrokken kan worden. Ook bewees hij de stelling die zegt dat in iedere driehoek de som van de lengtes van twee zijden groter is dan de derde zijde. Dat betekent, bijvoorbeeld, dat de afstand van Enschede rechtstreeks naar Losser korter is dan die van Enschede via Oldenzaal naar Losser. Het lijkt zo triviaal. Maar toch…

De vraag naar de relatie tussen de rechte lijn en de kortste afstand bleef knagen. Is de rechte lijn nou de kortste of is de kortste de rechte?

Het vierde probleem van Hilbert

De wiskundige David Hilbert was niet overtuigd door Euclides’ bewijs van de driehoeksongelijkheid. Euclides had stilzwijgend aangenomen dat je een driehoek zomaar in de ruimte kon verplaatsen, vergroten of verkleinen zonder de verhoudingen van de lengtes van de zijden te veranderen (dit betreft de stellingen over de congruentie van driehoeken). Hilbert startte minitieus onderzoek naar de logische samenhang tussen de verschillende axioma’s, postulaten en meetkundige stellingen. Met andere woorden: onder welke voorwaarden is een bepaalde stelling geldig, dat wil zeggen: bewijsbaar waar. In 1900 presenteerde Hilbert zijn beroemd geworden 23 Problemen. Probleem 4 vraagt naar de grondbegrippen rechte lijn en kortste afstand.

De stelling van de rechte lijn als de kortste afstand tussen twee punten en de in wezen equivalente stelling van Euclides over de zijden van een driehoek spelen een belangrijke rol, niet alleen in de getaltheorie, maar ook in de theorie van oppervlakken en in de variatierekening. Om deze reden, en omdat ik geloof dat het grondige onderzoek naar de voorwaarden voor de geldigheid van deze stelling een nieuw licht zal werpen op het idee van afstand, evenals op andere elementaire ideeën, bijvoorbeeld op het idee van het vlak en de mogelijkheid om het te definiëren door middel van het idee van de rechte lijn, lijkt de constructie en systematische behandeling van de hier mogelijke meetkundes mij wenselijk.”

Hilbert had een nieuwe meetkundige ruimte ontdekt waarin Euclides driehoeksongelijkheid niet opgaat. In zijn nieuwe niet-euclidische ruimte bestaan paren punten waartussen niet één enkel, maar talloze even lange paden bestaan. Alsof de route die van Enschede naar Oldenzaal via Losser even lang is als de route rechtstreeks van Enschede naar Oldenzaal. Hoe kreeg Hilbert dat voor elkaar?

Hierboven merkten we al op dat afstanden en groottes in de waarnemingsruimte anders zijn dan in de meetkunde van Euclides. Zo lijken objecten kleiner wanneer we ze in een grote ruimte zien, dan wanneer we ze in een ruimte zien waarin ze net passen. En dat fenomeen werd door Hilbert als het ware wiskundig gesimuleerd door een slim bedachte afstandsmaat te definiëren die precies dat doet. De lengte van een rechte tussen twee punten in zijn begrensde (‘overal niet-concave’) ruimte hangt af van de relatieve posities van die punten ten opzichte van de grenzen van die ruimte. Ik vermijd wiskunde, maar neem hieronder ter illustratie van zijn idee een figuur over uit zijn artikel “Ueber die gerade Linie als kürzeste Verbindung zweier Punkte” (gepubliceerd in 1895 in den Mathematischen Annalen, Band 46, S. 91–96).

Uit: Hilbert’s artikel over de rechte lijn (1895)

In de Figuur is de lengte van het lijnstuk AB gemeten met Hilbert’s afstandsmaat afhankelijk van de ruimte waarin deze beschouwd wordt. Wanneer X en Y de grenzen zijn van de lijn door AB met de ruimte dan is de lengte van lijnstuk AB korter dan wanneer X’ en Y’ de grenzen zijn. Dus hoe kleiner de ruimte des te groter is de lengte van het lijnstuk AB. De lengte is dus relatief net als in onze waarnemingsruimte. Omdat de afstandsmaat niet in alle richtingen van de ruimte – in de figuur aangegeven door de gesloten kromme – hetzelfde gedrag vertoont, is het mogelijk dat in driehoek ABC de lengte van AB gelijk is aan de som van de lengtes van AC en BC. Daaruit volgt – anders dan in de ruimte van Euclides – dat er meerdere kortste paden van A naar B zijn. Het is dus wel degelijk mogelijk dat onder bepaalde condities de weg van Oldenzaal naar Enschede via Losser helemaal niet langer is dan de weg die rechtstreeks van Oldenzaal naar Losser gaat. Dat opent een nieuw perspectief: een kronkelpad kan ook het kortste pad zijn. Maar wanneer is zo’n kortste kronkelpad ook het rechte pad?

Een curriculum probleem

Wat is de kortste weg van A naar B, als je niet weet wat B is of waar het ligt?” Deze vraag las ik op de achterkant van een essaybundel van de bekende Nederlandse fysicus en schrijver Robbert Dijkgraaf. De bundel (uit 2012) heeft de paradoxale titel “Het nut van nutteloos onderzoek”. Uiteindelijk moet ‘alles toch nuttig zijn’, volgens de filosoof Hegel dé leus van de Verlichting. Dijkgraaf wijst op het belang van ‘schijnbaar nutteloos onderzoek’ om tegenwicht te bieden tegen de heersende opvatting volgens welke er concrete praktische toepassingen moeten worden aangegeven om ‘fundamenteel’ onderzoek gefinancierd te krijgen.

Dijkgraaf werd minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het kabinet Rutte IV. In die hoedanigheid zette hij zich in voor een herwaardering van het middelbaar beroepsonderwijs. In een nota aan de Tweede Kamer pleitte hij voor meer keuzeruimte in het curriculum van de aankomende student. “Want iedere student moet de ruimte hebben om zijn eigen weg te vinden. Om het kronkelpaadje af te lopen dat achteraf de kortste weg naar de bestemming blijkt te zijn.” Zo schreef hij aan de Kamer.

Ook de persoonlijke levenslijn is een lijn. Een lijn die hoe kronkelig deze ook mag lijken vanuit een bepaald perspectief, vanuit een ander perspectief de kortste kan zijn, en daarmee de enige rechte lijn, de lijn die samenvalt met alle keuzemomenten van het persoonlijke leven die van beslissende betekenis zijn geweest voor het bereiken van de uiteindelijke bestemming, de vorming van de persoonlijke identiteit. Een bestemming die niet van te voren al vast lag, maar die inhoudelijk door de gemaakte keuzes bepaald is. Elk van de momenten zijn noodzakelijk voor de levenslijn die geleid heeft tot het uiteindelijke eindpunt. Dat een fysicus, gepokt en gemazeld in de deeltjesfysica, met zo’n metafoor komt is niet toevallig. Ook van een individueel lichtdeeltje in de fysica kun je niet weten of deze door het spiegelende ruit gaat of teruggekaatst gaat worden. Dat is pas achteraf te bepalen.

Wat motiveerde Euclides raadselachtige definitie?

Sir Thomas Heath over het motief dat Euclides tot zijn definitie bewoog:

“Er is reden om aan te nemen, hoewel het ons niet expliciet wordt verteld, dat de definitie van een lijn als een ‘breedteloze lengte’ zijn oorsprong vindt in de Platonische school, en Plato zelf geeft een definitie van een rechte lijn als ‘dat waarvan het midden de uiteinden bedekt’ (Parmenides 137E) (d.w.z. voor een oog dat aan een van de uiteinden is geplaatst en langs de rechte lijn kijkt); dit lijkt mij de oorsprong te zijn van de Euclidische definitie ‘een lijn die gelijkmatig ligt met het punt erop’, wat volgens mij slechts een poging kan zijn om de betekenis van Plato’s definitie uit te drukken in termen waartegen een meetkundige geen bezwaar zou kunnen maken als zijnde buiten het onderwerp van de meetkunde, d.w.z. in termen die elk beroep op het gezichtsvermogen uitsluiten.” (Heath, 1921, deel I, p. 293)

Er is nog een andere, meer positieve, reden die Euclides ertoe heeft kunnen bewegen tot zijn definitie. Meten is vergelijken. Meten veronderstelt een maateenheid, die van dezelfde soort is als dat wat er mee gemeten wordt. Zo wordt een lengte gemeten met een lengte, een oppervlak met een oppervlak. In het algemeen een aantal met een eenheid. Euclides zag zich voor een probleem gesteld toen hij een definitie wilde geven van de rechte lijn. Waarmee, met welk bekend begrip, moest hij de rechte vergelijken? Wanneer we een rechte lijn willen trekken gebruiken we een lineaal. Daarbij gaan we ervanuit dat deze recht is. Maar iets rechts had Euclides niet voor handen. In zijn tijd werden lengtes al gemeten door een bepaalde lengte als maateenheid te nemen (bijvoorbeeld een voetlengte) en dan te kijken hoe vaak deze lengte past in de te meten afstand. Men nam aan dat de lengte die als maateenheid genomen werd recht was. Maar dat was de praktijk. Euclides bedreef theorie, wiskunde, en die moest de praktijk juist funderen, niet andersom.

Bij gebrek aan een bekende externe maat nam hij zijn toevlucht tot een interne maat. Omdat een lijn bepaald wordt door de punten die erop liggen is de enige interne maat voor rechtheid van de lijn dat er geen andere punten en niet minder punten op liggen dan de punten van de lijn zelf. Dijkgraaf bedoelde met zijn kortste kronkelpad aan te geven dat hij idealiter geen externe maat wilde opleggen aan het curriculum, noch aan het eindpunt van de studie van de student. Die moet zijn eigen keuzeruimte hebben.

Een lijn is zowel een eenheid als een veelheid van punten, de punten die op de lijn liggen. Euclides definitie van de rechte lijn drukt de identiteit van deze twee uit: de gelijkheid van de lijn als eenheid en als veelheid van punten die erop liggen. De verhouding tussen eenheid en veelheid vormde ook in de tijd van de Grieken een filosofisch probleem en de grens tussen wiskunde en filosofie was in de tijd van Euclides een onderwerp van discussie. Het verhaal gaat dat toen in het Athene van de vierde eeuw voor Christus werd aangekondigd dat Plato in de Akademie een voordracht zou houden over ‘het Goede’, het publiek verwachtte iets te horen over rijkdom, gezondheid en geluk. De teleurstelling was groot toen bleek dat het over getallen, meetkunde en astronomie ging. Het motto van Plato’s voordracht was: ‘Het goede is één.’ Het goede leven voltrekt zich langs een rechte lijn, een lijn waarvoor geldt dat alle momenten noodzakelijk zijn voor juist dit leven. De rechte levenslijn is tevens de kortste in die zin dat er geen momenten zijn die niet noodzakelijk deel uitmaken van de levenslijn.

De lijn als verzameling

Euclides definitie van de rechte lijn als een eenheid van de veelheid van punten die erop liggen, doet denken aan het wiskundig verzamelingbegrip, een basisbegrip waarop de hele wiskunde kan worden opgebouwd. Bekend is de uitspraak van Hilbert.

Aus dem Paradies, das Cantor uns geschaffen, soll uns niemand vertreiben können. (David Hilbert, 1926).

Georg Cantor (1845-1918) geldt als de grondlegger van de verzamelingenleer. In de 19de eeuw zocht de wiskunde naar een nieuw fundament. De ontdekking van niet-euclidische meetkundes (door o.a. Bolyai, Lobatsjewski en Gauss) had de intuitieve waarheid van de natuur als fundament onder de wiskunde weggeslagen. Cantor wilde de wiskunde baseren op het “logische” begrip verzameling.

Cantors definitie luidt in het Nederlands:

Een verzameling is een samenraapsel M van bepaalde goed onderscheiden objecten van onze aanschouwing of ons denken (die we de elementen van M zullen noemen) tot een geheel.

Het is een definitie waarin het woord ‘Zusammenfassung’ (dat ik als ‘samenraapsel’ vertaal) gebruikt wordt om het begrip verzameling te definieren. Dat helpt niet echt zou je zeggen: een begrip definieren door middel van een begrip dat al net zo vaag is. Maar het is wel duidelijk dat de verzameling het resultaat is van een mentale actie die vooraf gegeven objecten bij elkaar neemt. Wie een definitie geeft van een nieuw begrip moet dan doen in termen van reeds bekende begrippen. Een koe is een zoogdier met die en die specifieke eigenschappen. Maar hoe definieer je een begrip dat niet als een nadere bepaling van een generieker begrip kan worden gezien? Het wiskundig begrip verzameling, zoals Cantor dat definieerde, is niet wat we in het dagelijks taalgebruik met het woord ‘verzameling’ aanduiden ook al heeft het er wel wat van. Hij kon dus niet zomaar aannemen dat iedereen wel wist wat een ‘Menge’ is. Cantor dacht dat hij getallen met behulp van het verzamelingbegrip kon definiëren.

Met een definitie wordt bepaald welke zaken daaronder vallen. Cantor’s definitie van de verzameling (‘Menge’) is in die zin reflexief. De verzameling wordt gedefinieerd als iets dat bepaald is door wat er element van is. En dat is precies wat een definitie doet: iets, een nieuw begrip een naam geven en zeggen wat er onder valt. Je kunt zeggen dat de betekenis van het woord ‘spel’ alles omvat wat we spel noemen. In het gebruik van het woord toont zich het begrip. Zo kunnen we een nieuw spel, herkennen als spel. Het verschil tussen een definitie in de wiskunde en die van dagelijkse begrippen, zoals spel, is dat de eerste creatief is: ze definieert iets nieuws, de laatste niet, die probeert uit te drukken wat er al in een bepaalde historische context onder het woord verstaan wordt. Het is verwarrend dat de wetenschapper vaak een bekend woord gebruikt voor een nieuw begrip. Goethe merkte eens op dat het daarom niet goed mogelijk was met wiskundigen te praten. Ze maken van alles waarover je het met ze wilt praten meteen iets anders.

Net als de rechte van Euclides is de verzameling zowel een eenheid als een veelheid. De vele elementen zitten in de verzameling. Die eenheid is van buiten af opgelegd aan de elementen, er is niets wat ze als elementen van de verzameling bindt. De elementen hebben niets gemeenschappelijks behalve element van de verzameling te zijn.

Hilbert beschouwde in zijn nieuwe axiomatische theorieën een lijn als een verzameling van punten, de punten die op de lijn liggen. Dat een lijn niet opgebouwd is uit punten, dat had ook Aristoteles al opgemerkt: een punt heeft immers geen lengte. Niet iedere verzameling punten is een lijn. Daarom begint Hilbert met een aantal axioma’s die de interne ordening van de elementen van de lijn (de punten) afdwingen. Ze moeten de onderlinge ligging van punten die incident zijn met de lijn vastleggen. Bovendien moeten er ‘genoeg’ punten zijn op een lijn. Maar een definitie van een rechte lijn geeft Hilbert niet. Net als bij Euclides blijft het een intuïtieve notie. Hilbert gebruikt het Duitse woord ‘Gerade’ wat een rechte (lijn) betekent. Je zou kunnen stellen dat niet-rechte lijnen niet voorkomen. (Behalve dan cirkels.) De eigenschappen van de (rechte) lijn wordt vastgelegd door axioma’s die de relaties met punten, andere lijnen, en vlakken aangeven. Hilbert had in tegenstelling tot Euclides niet de behoefte nog eens met een definitie van de rechte lijn aan te komen. De constructie van euclidische modellen van niet-euclidische axioma-stelsels maakte dat sommigen van mening waren dat een niet-euclidische rechte geen echte rechte, maar een schijn-rechte is.

Er heeft zich in de tussenliggende periode van 2000 jaar een grens afgetekend tussen het domein van de wiskunde en dat van de filosofie. De identiteit van punt en lijn wordt volledig bepaald door de relaties die ze met andere elementen in de ruimte hebben. Je zou kunnen zeggen dat het wezen van wiskundige objecten buiten hun zelf ligt, in de relaties tot andere objecten. De wiskunde gaat tegenwoordig over structuren, die als zelfstandige objecten worden opgevat.

Wat voor de wiskundige begrippen geldt, geldt ook voor de objecten die instanties zijn van de begrippen, namelijk dat hun bepaaldheid buiten hun zelf ligt in de relaties met andere begrippen en objecten, de structuur, waarin ze voorkomen. De bewustwording hiervan voltrekt zich met de overgang van mathematica naar meta-mathematica. Hilbert’s werk behoort tot de meta-mathematica, het onderzoek naar de relaties tussen begrippen uitgedrukt in een axiomatische mathematische theorie. Probleem 4 is een meta-mathematische vraag.

De relatie tussen kortste weg en rechte lijn is in de loop van de geschiedenis omgedraaid. De vraag is nu: welke kromme heeft de kleinste afstand tussen twee punten? In het algemeen welke functie levert een maximum of minumum gegeven een bepaalde maat, waarbij de ‘metafysische’ aanname is dat zo’n functie bestaat. De continuiteit van de metrische lijn wordt de wiskundige functie in het algemeen. Hilbert vraagt naar theorieën waarin je de kortste weg kan berekenen, volgens een bepaalde maat-definitie. Die maat kan de hoeveelheid energie zijn die het kost om langs een pad te reizen. Die kortste weg is de rechte weg. Waarbij wat recht is bepaald wordt door ‘de natuur’ van de zaak.

Zodra een lijn als verzameling van punten wordt gepresenteerd is de voor de hand liggende vraag: hoeveel punten liggen er dan op een lijn? Zijn het er net zoveel als er natuurlijke getallen zijn? Of meer? Net zoveel als er reële getallen zijn? Ten tijde van Euclides bestonden deze getallen nog niet. Er waren alleen natuurlijke getallen, en rationale verhoudingen van natuurlijke getallen. De rechte lijn L is echter oneindig veel rijker aan ‘punt-individuen’ dan het gebied R van de rationale getallen. Ook de irrationale lengte, zoals de lengte van de diagonaal van een vierkant, moet een bepaalde plaats op de lijn krijgen. “Wil men nu, wat toch de wens is, alle verschijnselen in de rechte lijn ook rekenkundig kunnen volgen, dan zijn daarvoor de rationale getallen niet voldoende, en het is daarom absoluut noodzakelijk, het instrument R, dat door de schepping van de rationale getallen geconstrueerd was, wezenlijk te verfijnen door de schepping van nieuwe getallen op een zodanige manier, dat het gebied van de getallen dezelfde volledigheid of, zoals we meteen willen zeggen, dezelfde continu¨ıteit krijgt als de rechte lijn.” stelde Dedekind in een voordracht getiteld “Continuïteit en rationale getallen” (1872). Hij definieerde zijn reële getallen op basis van de meetkundige lijn, de Dedekind-sneden.

De vraag hoeveel punten er op een rechte liggen werd een wiskundig probleem vanaf het moment dat de wiskundigen verschillende oneindigheden onderscheiden of ontdekt hadden.

Georg Cantor introduceerde oneindige (‘transfiniete’) verzamelingen van verschillende groottes (kardinaliteiten) tot afschuw van veel van zijn tijdgenoten. Hun bestaan was hem echter door God ingegeven, dus moest hij ze wel aanvaarden. Hij bewees dat er echt meer reële getallen zijn dan natuurlijke getallen. De verzameling van reële getallen is van een andere ordegrootte (kardinaliteit) dan die van de natuurlijke getallen. Cantor vroeg of er een oneindige grootheid tussen die twee grootheden, de natuurlijke getallen en de reële getallen zit: groter dan de verzameling met getallen 1,2,3,.. en kleiner dan de verzameling reële getallen. Die vraag werd Hilbert’s eerste van de 23 problemen. Het probleem van de continuümhypothese. Het duurde zo’n 60 jaar voordat bewezen werd dat het niet uit de standaard axioma’s van de verzamelingenleer volgt hoeveel punten er op een lijn liggen.

Deus sive Natura: wat de Natuur doet is recht

Bij de natuurkundeles leerden we dat het volume van materie verandert onder invloed van temperatuurverandering. Zo verandert de lengte van een metalen staaf wanneer deze verhit wordt. De spoorwegen hebben daar soms last van. Bij de praktikumles was de opdracht het soort metaal waaruit een gegeven staaf bestaat, te determineren door een eigenschap van de soort te bepalen, een constante, de zogenaamde uitzettingscoëfficiënt, de verhouding tussen de verandering van lengte bij een verandering van temperatuur. Op ruitjespapier tekenden we een x-as voor de temperatuur en een y-as daar loodrecht op, voor de lengte van de staaf. We legden daarop verschillende meetpunten vast door bij een aantal temperaturen de lengte van de staaf te meten. Zo konden we de uitzettingscoëfficient berekenen door eerst een rechte lijn te trekken die het beste paste bij de verzamelde meetpunten. Geen hoekige lijn want “de natuur maakt geen sprongen’. Daarna werd de hoek met de x-as gemeten. De grootte van deze hoek was de maat voor de gezochte coëfficiënt. Aan de hand van een tabel waarin de verschillende metalen met hun uitzettingscoëfficiënt staan, konden we aflezen welke de soort metaal was waarvan onze staaf gemaakt was. De aanname hierbij is dat zo’n constante van de soort stof bestaat. Die bestaat want, ‘de Natuur beweegt zich langs een rechte lijn’. Daaruit volgde onmiddellijk de opdracht om door de meetpunten een rechte lijn te trekken. Dit is de lijn waarop alle punten liggen, waarvan aangenomen werd dat het punten van de lijn zijn! Ook al lagen sommige punten niet precies op een lijn. Kleine afwijkingen tussen de lijn en de punten werden toegeschreven aan ‘meetfouten’.

Toen bleek dat het licht niet altijd langs een rechte lijn van A naar B gaat, zoals Archimedes vaststelde, maar soms afbuigt, werd er geopperd om niet de lengte van de afgelegde weg, maar de tijd die het licht erover deed, als maat aan te nemen. Op het grensvlak van water en lucht buigt het licht af. Het volgt niet de kortste weg. Maar misschien was het wel de snelste weg, de kortste in tijd. Pierre de Fermat (1601-1665) stelde dat de Natuur werkt op de snelste en simpelste manier en dat is niet noodzakelijk langs het kortste pad.

Johan Bernouilli (1667-1748) formuleerde het volgende probleem:

Gegeven twee punten A en B in een verticaal vlak, vindt het pad AMB dat het bewegende deeltje M zal doorlopen in de kortste tijd, ervan uitgaande dat de versnelling alleen door de gravitatiekracht wordt veroorzaakt.

Het pad dat de Natuur in dit geval volgt blijkt niet een rechte lijn te zijn, maar een kromme die bekend staat als de brachistochrone, een wiskundige kromme.

de brachistochrome kromme (bron: wikipedia)

De Natuur kiest, van nature, de rechte weg en dat is de kortste weg. En de kortste is de rechte. Wat veranderde, afhankelijk van het natuurverschijnsel, was de maat volgens welke de werking van de natuur gemeten werd.

De mathematische fysica is hypothetisch. Ze neemt aan dat er kwantitatieve verbanden tussen de grootheden van een systeem bestaan, die in de vorm van mathematische functies kunnen worden beschreven. De natuurwetten vinden hun fundament in een aantal principes waaraan de Natuur zich houdt. Eén van die principes werd door de wiskundige Maupertius (1698-1759) als volgt geformuleerd. Het is het principe van de minste hoeveelheid actie.

De natuur zal in het voortbrengen van haar verschijnselen altijd handelen door middel van de meeste simpele activiteit. (“la Nature dans les production de ses effets, agit toujours par les moyes le plus simples.”) Voor Maupertius was het een theologisch principe, uitdrukking van de werking en motieven van de Schepper (Créateur du Monde). Euler was de wiskundige die het principe als het ware wiskundig uitwerkte. Volgens Euler volgen de verschijnselen van de Natuur wetten die ertoe leidden dat zekere eigenschappen bepaalde maxima of minima bereiken. Welke die eigenschappen zijn (lengte, tijd, actie) dat moest onderzocht worden. Het is het begin van de calculus van variaties.

In zijn motivatie om probleem 4 op te nemen in zijn lijst van 23 problemen wijst Hilbert op het belang voor deze variatierekening. Dit is een onderdeel van de wiskundige analyse waarbij door middel van kleine variaties in de waarden van variabele grootheden die het gedrag van een systeem bepalen, zoals de windsnelheid of de zwaartekracht, gezocht wordt naar maximale of minimale waarden van andere grootheden, bijvoorbeeld de minimale hoeveelheid energie die het kost om van A naar B te komen. De variatietheorie begint dus met een kostfunctie en zoekt naar een pad (een kromme, of functie, die bij elke tijdstip een plaats vastlegt) dat de kosten minimaliseert. Ze gaat daarbij uit van het bestaan van oneindig kleine grootheden waarmee gerekend kan worden (integraalrekening). Zowel de oneindige grote als de oneindig kleine grootheden waren ten tijde van Euclides ondenkbaar. Men wist wel dat er bij elk getal hoe groot ook een getal bestaat dat groter is, maar het grootste getal of een geheel van oneindig veel getallen was onbestaandbaar. Ook een lijn kon wel onbeperkt worden doorgetrokken, maar niet ‘tot in het oneindige’, omdat dat niet bestond.

Hilbert’s probleem 4 dat door sommigen als te vaag en daarom als onoplosbaar wordt beschouwd, heeft anderen tot nieuw onderzoek in de variatiecalculus aangezet. De rechte weg (geodeet) naar de supermarkt kan door variatieanalyse worden gevonden als ‘de kortste’. Maar het is aan ons te bepalen welke eigenschappen de kortste weg de kortste en daarmee de rechte maken. De gebruiker van onze belevingsapp zal zelf moeten aangeven in welke mate de verschillende factoren, wind, hoogteverschil, omgeving, een rol spelen bij de beleving van de afstand naar de beoogde bestemming. Als het om een bekende bestemming gaat en we kennen de verschillende routes ernaar toe, dan is dat misschien mogelijk. Maar weet je van te voren wat je allemaal tegen kunt komen onderweg, dingen die van invloed zijn op hoe je ze beleeft? Is het niet juist het verrassende en onverwachte dat de kwaliteit van de ervaring uitmaakt? Net zoals we het curriculum voor de student niet zouden moeten vastleggen zo zouden we ons ook de vrijheid moeten geven langs nog onbekende kronkelpaadjes te gaan om achteraf tot de conclusie te komen dat we het rechte pad zijn gegaan.

Samenvatting en Conclusies

Onze speurtocht begon met de verwondering over de ‘raadselachtige definitie’ (de kwalificatie is van de psychiater J.H. van den Berg, Metabletica) die Euclides van Alexandrië ongeveer drie eeuwen voor onze jaartelling in zijn Elementen geeft van de rechte lijn. “Een rechte lijn is een lijn die gelijk ligt met de punten erop.” Hoe moeten we deze omschrijving begrijpen in het licht van de Griekse wetenschap? We ontdekten dat er goede redenen zijn voor het vermoeden dat Euclides’ rechte lijn in deze definitie nog niet die ‘zuiver meetkundige’, maar ook een veel algemenere betekenis heeft, die geassocieerd is met het goede en het ene. Wat recht is, is goed en wat goed is, is één. Daarbij speelt een belangrijke rol het besef dat Euclides leefde in een tijd waarin de wiskunde zich enerzijds van de filosofie, anderzijds van de fysica begon te bevrijden/onderscheiden en zich als een zelfstandige wetenschap, met een eigen objectgebied begon te ontwikkelen. Euclides heeft met zijn axiomatische aanpak aan deze ontwikkeling een belangrijke bijdrage geleverd. Zijn definities van punt en lijn lijken vooral bedoeld aan te geven dat het hier geen fysische objecten betreft. Zijn definitie van de rechte lijn is filosofisch, niet bruikbaar in wiskundige zin.

De opmerking van de fysicus en voormalig minister van OCW Robbert Dijkgraaf over het kronkelige pad dat achteraf de kortste weg naar de bestemming blijkt te zijn, sprekend over de keuzes en de keuzeruimte die de studie de student biedt, triggerde de vraag naar de relatie tussen de rechte lijn tussen twee punten en de kortste afstand. Het leek niet alleen mij een waarheid als een koe dat de rechte lijn de kortste is. Ook de commentatoren van Euclides waren die waarheid toegedaan. Euclides driehoeksongelijkheid dat in iedere driehoek de som van twee zijden langer is dan de derde zijde hield men voor een bewezen stelling. Wanneer het pad van A naar B recht is dan is de lengte de kortste afstand tussen beide punten. Dit is echter alleen geldig gegeven in een bepaalde ruimte met een bepaalde metriek. Dat bleef echter aanvankelijk implicieit, onbewust.

Twee ontwikkelingen in de relatie tussen wiskunde en fysica leiden tot een radicale omkering in de relatie tussen het rechte en de kortste. Het onderzoek naar de onafhankelijkheid van het parallellenpostulaat: door een punt buiten een gegeven rechte gaat precies één rechte parallel aan de gegeven rechte, leidde tot de constructie van alternatieve niet-euclidische ruimtes, waarin er hetzij geen, hetzij een onbepaald groot aantal evenwijdige lijnen door een punt parallel aan een gegeven lijn gaan. Hilbert’s meta-mathematisch onderzoek betreft de logische relatie tussen ruimte en metriek. Wat zijn de voorwaarden voor het bestaan van een kortste weg? Een andere ontwikkeling kwam voort uit het experimenteel onderzoek in de fysica en de aanname dat verbanden tussen grootheden in de natuur zich laten beschrijven door middel van wiskundige functies. De Natuur werd beschouwd als de rechter die bepaalt wat recht is. De Natuur streeft in haar werking bepaalde eigenschappen te minimaliseren of maximaliseren om in bereikte maxima of minima rust te vinden. Het ging er nu om te bepalen wat de geschikte maat is voor het beschrijven van de werking van de natuur. Dus waar in de tijd van de Grieken men uitging van het rechte dat het kortste is, werd nu de relatie omgedraaid het kortste pad volgens een bepaalde maat is het rechte pad. Waarbij wat recht is door de Natuur wordt bepaald, die door de wiskunde beschreven wordt.

Zo kan het kronkelpad dat het individu tijdens zijn leven aflegt, – zijn eigen natuur volgend, daarbij aangetrokken door verschillende zaken – het kortste en dus het rechte pad zijn, als we als maat precies die momenten nemen die op zijn pad liggen. En zo is de cirkel rond en zijn we terug bij Euclides definitie van de rechte lijn. Maar nu een beetje wijzer. Euclides definitie is invariant geldig voor alle mogelijke metrieken en ruimtes.

Zoals gezegd vinden we bij Hilbert geen definities van de basisbegrippen punt, lijn en vlak. Ook definieert hij niet wat een rechte (Gerade) is. De meetkundige basisbegrippen worden vanaf nu alleen nog impliciet door middel van de geldende relaties gedefinieerd. De woorden punt, lijn en vlak zijn slechts gekozen op historische gronden. Je mag er verder niet bij voorstellen. Of, zoals Hilbert eens voor de grap opmerkte: “Men moet altijd in plaats van ‘punten’, ‘rechten’ en ‘vlakken’, ‘tafels’, ‘stoelen’ en ‘bierpullen’ kunnen zeggen.” Met Hilbert kwam er een einde aan de lange weg naar de axiomatisering van de meetkunde. Een weg die door Euclides was ingezet.

In de loop van de geschiedenis heeft de variatieanalyse, die begon met de vraag naar de vorm van de kromme/functie die de natuur volgt volgens het principe van de kortste afstand tussen twee punten, haar toepassing gevonden op vele praktische domeinen, ook buiten de toepassing van de natuurwetenschappen. In 1881 verscheen een werk van de Engelse econoom Francis Edgeworth (1845-1926) getiteld “Mathematical Psychics: an Essay on the Application of Mathematics to the Moral Sciences”. Hierin gebruikt Edgeworth the variatietheorie voor het berekenen van de extremen van een ‘happiness function‘, of van een functie die het bereiken van ‘het goede’ in de samenleving beschrijft. Ons ging het om het maximaliseren van de ‘belevingsfunctie’ als het rechte pad naar de supermarkt.

Dat we bij nader inzien hebben afgezien van verder werk aan de verwerkelijking van de technische idee van een ‘belevingsapp’, dat is omdat we ons realiseerden dat zo’n app een mathematisering nodig heeft van hoe de gebruiker van zo’n technisch systeem nog voor hem onbekende ontmoetingen in de toekomst zou kunnen ervaren. Want hoe kun je een maat aangeven die passend is voor het meten van de beleving van een pad naar een bestemming waarvan je niet weet wat deze is en waar die ligt? Een beleving is een individuele persoonlijke ervaring, terwijl techniek een middel levert voor algemeen gebruik. In de beleving raken we de grens van de mathematisering. We laten onze vrijheid niet aan banden leggen door de neiging de toekomst vast te willen leggen in wiskundige formules en kunstmatige intelligentie.

Bronnen

J.H. van den Berg (1969). Metabletica van de materie – meetkundige beschouwingen. Tweede druk, Uitg. Callenbach NV, Nijkerk, 1969.

Prachtig boek waarin de psychiater Van den Berg een metabletische studie presenteert naar de ontwikkeling van de niet-euclidische meetkundes. De metableticus stelt de vraag waarom een bepaalde ontwikkeling zich juist toen en juist daar in de geschiedenis plaats vond en legt verbanden met nieuwe stromingen in bijvoorbeeld de architectuur en de beeldende kunst.

G. Cantor (1915), Contributions to the founding of the theory of transfinite numbers. Vertaling, inleiding en notities door P.E.B. Jourdain. Dover Publications Inc., New York, 1915. Dit is de Engelse vertaling van de twee artikelen uit de Mathematische Annalen van 1895 en 1897 waarin Cantor zijn theorie van de oneindige verzamelingen uiteenzet.

Kronecker was fel gekant tegen Cantor’s oneindige grootheden. Het bestaan van een verzameling die alle natuurlijke getallen bevat is controversieel. Ze roept opnieuw de vraag op in welke zin wiskundige objecten ‘bestaan’. Kronecker meende dat de natuurlijke getallen door God gegeven zijn, de rest is mensenwerk. De vraag hoeveel natuurlijke getallen er zijn is merkwaardig in die zin dat het vraagt naar de hoeveelheid objecten die we gebruiken om hoeveelheden te tellen. Alsof de getallen zelf geteld zouden kunnen worden.

P.J. Cohen (1966). Set Theory and the Continuum Hypothesis. W.A. Benjamin Inc. Reading, Mass. 1966.

Hierin bewijst Cohen de onafhankelijkheid van de continuumhypothese van ZFC, middels een door hem gevonden ‘forcing’ techniek.

Richard Dedekind (1872). Stetigkeit und Irrationale Zahlen (vierde onveranderde druk: 1912, Vieweg, Braunschweig)

E.J. Dijksterhuis (1930). De elementen van Euclides. Twee delen. Groningen, 1929, 1930.

R. Dijkgraaf (2012). Het nut van nutteloos onderzoek. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Een bundel essays over wetenschappelijk onderzoek.

De paradoxale uitdrukking ‘het nut van nutteloos onderzoek’ is volgens Dijkgraaf afkomstig van de Amerikaanse onderwijskundige Abraham Flexner (1866-1959). Die gebruikte de term in 1921 in een ‘gepassioneerde verdediging van de waarde van de vrij rondwarende scheppende geest.’

Volgens Hegel is de leus van de Verlichting dat ‘alles nuttig is’. Zelfs nutteloos onderzoek moet als nuttig worden gezien om als zinvol gekwalificeerd te kunnen worden. Theoretici als Dijkgraaf wijzen op het belang van ‘schijnbaar nutteloos onderzoek’ om tegenwicht te bieden tegen de heersende opvatting volgens welke er concrete praktische toepassingen moeten worden aangegeven om onderzoek gefinancierd te krijgen. Op de achterkant van het boek wordt het thema van de essays aangeduid met: “Wat is de kortste weg van A naar B, als je niet weet wat B is of waar het ligt?”

Euclides van Alexandrië. The Greek text of J.L. Heiberg (1883–1885) from Euclidis Elementa, edidit et Latine interpretatus est I.L. Heiberg, in aedibus B.G. Teubneri, 1883–1885 edited, and provided with a modern English translation, by Richard Fitzpatrick. This edition of Euclid’s Elements presents the definitive Greek text—i.e., that edited by J.L. Heiberg (18831885)—accompanied by a modern English translation, as well as a Greek-English lexicon.

James Ferguson (2004). A Brief Survey of the History of the Calculus of Variations and its Applications. Een boeiend overzicht van de achtergronden en de ontwikkeling van de ‘calculus of variations’ vanaf Archimedes tot de 21ste eeuw.

Welke kromme in het platte vlak tussen twee gegeven punten heeft de kortste lengte? Dit is het eenvoudigste probleem dat sinds Johan Bernoulli (1667-1748) zijn probleem van de brachistochroon formuleerde (zoek tussen twee punten A en B die niet op gelijke hoogte liggen, de kromme van de snelste baan, uitsluitend afgelegd onder invloed van de zwaartekracht.), een ‘variatieprobleem’ kan worden genoemd. In de variatieanalyse wordt gezocht naar een functie die gegeven een bepaalde maat een maximum of minumum waarde aanneemt. De functie is de eenheid, de continuïteit in de veelheid van punten die op de grafiek ervan liggen. De rechte lijn, de oplossing van het eerste eenvoudige probleem, is de abstracte functie die hoort bij de punten van de lijn, zonder verdere specificatie, zonder regel, het is de regel. De aanname in de variatierekening is dat er een functie bestaat als oplossing van het variatieprobleem. Dat is een metafysisch uitgangspunt, dat uitgedrukt wordt in het principe van Fermat, de kortste weg die het licht aflegt is de snelste weg) of in het principe van de kleinste actie (Maupertius, Hamilton). Wussing noemt ze ‘algemene mathematisch-fysische principes’. (Wussing p. 44).

Marcus Giaquinto (1983). Hilbert’s Philosophy of Mathematics. In: The British Journal for the Philosophy of Science , Jun., 1983, Vol. 34, No. 2 (Jun., 1983), pp. 119-132. Published by: Oxford University

Hilbert’s formalistische filosofie en zijn finitistische programma voor de fundering van de wiskunde zijn gezien de historische context van het positivisme en empirisme niet onredelijk.

In ‘The Foundations Mathematics’ Hilbert specified conditions for reliable logical inference:

(1) the elements of the domain must be extralogical concrete objects of which we have immediate awareness prior to all thought;

Vergelijk dit met Cantor’s naïeve definitie van het begrip verzameling, waar geen enkele restrictie wordt opgelegd aan de objecten die verzameld worden.

(2) the domain must be completely surveyable;

(3) the occurrence and arrangement of the objects must be immediately given (‘anschaulich’), as irreducible facts.

Jeremy Gray (2000). The Hilbert challenge. Oxford; New York: Oxford University Press.

Gray stelt dat Probleem 4 over de rechte lijn te vaag is om opgelost te kunnen worden.

Marvin Jay Greenberg (2010). Old and New Results in the Foundations of Elementary Plane Euclidean and Non-Euclidean Geometries. In: The Mathematical Association of America, March 2010.

Greenberg geeft een historisch overzicht van de ontwikkelingen in de meetkunde vanaf Euclides tot 2010. Daarin speelt de nieuwe axiomatisering door Hilbert een centrale rol. Hilbert’s meta-mathematisch onderzoekingen waren gericht op de logische samenhang en onafhankelijkheid van verschillende begrippen uitgedrukt in stellingen en axioma’s van Euclides elementaire meetkunde. Greenberg brengt naar voren dat de geometrie fundamenteler is dan de getaltheorie. Dat je elementaire meetkunde in de stijl van Euclides kan bedrijven zonder gebruik te maken van de reeële getallen (die ten tijde van Euclides inderdaad niet bestonden, alles werd in termen van lengte van lijnstukken en hun verhoudingen gemeten.) is een belangrijke verdienste van Hilbert. De continuumhypothese en alternatieve definities voor de reeële getallen (Dedekind was de eerste die ze definieerde) maken volgens Greenberg deze getallen ‘controversieel’.

“Robin Hartshorne explains how ‘the true essence of geometry can develop most
naturally and economically’ without real numbers.”

Robin Hartshorne, Teaching Geometry According to Euclid, Notices of the AMS, Volume 47, Nr. 4, pp 460-465, 2000)

Euclides ontwikkelde een meetkunde zonder gebruik te maken van getallen die lijn segmenten, hoeken en oppervlakken meten. Hartshorne pleit voor meetkunde-onderwijs op basis van puur meetkundige begrippen, zoals in Euclides’ Elementen. Dat is: zonder de meetkundige analyse en de reële getallen. In Euclides tijd waren er nog geen andere getallen dan gehelen.

In Greek mathematics, as we saw, the only numbers were (positive) integers. What we call a rational number was represented by a ratio of integers. Any other quantity was represented as a geometrical magnitude. This point of view persisted even to the time of Descartes.” (Robin Hartshorne, Teaching Geometry According to Euclid, Notices of the AMS, Volume 47, Nr. 4, pp 460-465, 2000)

Thomas L. Heath (1956). The thirteen Books of Euclid’s Elements, 2 Volumes, New York, 1956.

Thomas L. Heath (1921/1981). A History of Greek Mathematics Volume I From Thales to Euclid. Volume II From Aristachus to Diophantus. Dover classics of science and mathematics

“There is reason to believe, though we are not specifically told, that the definition of a line a ‘breathless length’ originated in the Platonic School, and Plato himself gives a definition of a straight line as ‘that of which the middle covers the ends’ (Parmenides 137E) (i.e. to an eye placed at the either end and looking along the straight line); this seems to me to be the origin of the Euclidian definition ‘a line which lies evenly with the point on it’, which I think. can only be an attempt to express the sense of Plato’s definition in terms to which a geometer could not take exception as travelling outside the subject matter of geometry, i.e. in terms excluding any appeal to vision.” (Heath, 1921, Vol I, p. 293)

David Hilbert (1895). “Ueber die gerade Linie als kürzeste Verbindung zweier Punkte,” Math. Annalen, 46 (1895), 91-96.

David Hilbert (1900). Mathematical Problems. Lecture delivered before the International Congress of Mathematicians at Paris in 1900.

Hier presenteerde Hilbert zijn 23 problemen, waarvan probleem 4 vraagt naar meta-mathematisch onderzoek naar het verband tussen de rechte lijn en het kortste pad.

Proclus (2020). The Commentaries of Proclus on the First Book of Euclids Elements of Geometry. Translated by Thomas Taylor (London, 1792) Transcribed by David R. Wilkins August 2020.

Imre Tóth (1972). Die nicht-euklidische Geometrie in der Phänomenologie des Geistes. Wissenschaftstheoretische Betrachtungen zur Entwicklungsgeschichte der Mathematik. Horst Heiderhoff Verlag, Frankfurt am Main. 1972.

Tóth deed uitvoerig onderzoek naar tekenen van het besef van de mogelijkheid van niet-euclidische meetkundes in de periode voor Euclides. Hij ontdekte verschillende passages in de werken van Aristoteles. Tóth’s lezing van Aristoteles’ teksten is zeer kritisch ontvangen. Zo schrijft een reviewer van het boek Aristoteles and the axiomatic foundation of geometry. Prolegomena to the understanding of non-euclidean fragments in the “Corpus Aristotelicum” in their mathematical and philosophical context. “Unfortunately, the book is unconvincing when submitted to a close reading and checked against the sources. This follows in part from the essay style, where misquotations, reformulations and oblique allusions to the sources outweigh precise references, in part from what the reviewer cannot help seeing as distorted interpretations.” (Jens Høyrup (Roskilde) in 2002 Zentralblatt MATH Database 1931– 2002. European Mathematical Society, FIZ Karlsruhe & Springer-Verlag)

De ontdekking van de Grieken dat de wiskunde geen natuurwetenschap is, zo betoogt Tóth, “ein Resultat des Selbstbewustwerdens des Geistes, eine Gedanke, in dem das Denken sich selbst denkt, ein natürliches Produkt der Phänomenologie des Geistes.” (p. XX/4)

Imre Toth. “Deus fons veritatis”: the Subject and its Freedom. The Ontic Foundation of Mathematical Truth. A biographical-theoretical interview with Gaspare Polizzi.

Met uitvoerige biografische informatie over Tóth.

“And what is more, the absolute meaning of the term “straight line” remains unchanged in the two opposing geometries: the non-Euclidean straight line is equally as “straight” – and never curved – as the Euclidean straight line.” (p. 47)

Hans Wussing (2010) Geschiedenis van de Wiskunde – vanaf de wetenschappelijke revolutie tot aan de twintigste eeuw. Uitgeverij Veen Magazines B.V. 2010. Vertaling uit het Duits 6000 Jahre Mathematik Von Euler bis zur Gegenwart (2009).

Dit boek bevat boeiende biografieën, anekdotes over en brieven van wiskundigen. Het geeft een overzicht in de ontwikkeling van meetkunde, analyse en algebra en hun samenhangen.

Getal of cijfer? Over een veel voorkomend misverstand

Wat is het verschil tussen een getal en een cijfer?

“Eerlijkheid gebiedt me te zeggen: ik had nooit goed nagedacht over het verschil tussen ‘getal’ en ‘cijfer.’” schreef Sanne Blauw. Als ‘Correspondent Ontcijferen’ moest ze toch eigenlijk wel weten wat dat verschil is. Ze vroeg het aan de Taaladviesdienst van het Genootschap Onze Taal. “Ik mailde ze over mijn kleine identiteitscrisis en kreeg al snel antwoord: ‘Een cijfer is […] in beginsel een teken, een symbool; één of meer cijfers samen vormen een getal.’ “

Eerlijk gezegd schrok ik een beetje van dit antwoord. “Eén of meer cijfers vormen samen een getal” ? Volgens het Genootschap is dus 123 een getal, terwijl 7 een cijfer is. Is dit de gangbare opvatting over het verschil tussen cijfer en getal?

Op de website math4all.nl dat gaat over waar onze ‘getallen’ vandaan komen, lezen we:

“Tegenwoordig wordt in grote delen van de wereld een cijfersysteem gebruikt zoals je dat op school hebt geleerd. Dit heet het tientallig stelsel of ook wel het decimale stelsel (“deci” staat voor “tien”). In dat stelsel gebruik je tien cijfers: 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9. Met deze tien symbolen kunnen alle getallen worden gemaakt. Dat gebeurt door een positiestelsel te gebruiken: de plaats van een cijfer bepaald de waarde ervan.”

Omdat veel mensen tegenwoordig gebruik maken van een zoekmachine om antwoord te krijgen op hun vragen is het interessant om te kijken wat zo’n machine als antwoord geeft op onze vraag. Google presenteerde met AI de volgende tekst:

In het Nederlands is een getal de aanduiding van een hoeveelheid, terwijl een cijfer een symbool is waarmee een getal wordt geschreven. Getallen kunnen uit één of meer cijfers bestaan. 

Een cijfer is een symbool dat gebruikt wordt om een hoeveelheid weer te geven. Er zijn tien cijfers: 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9.

Een getal is de notatie van een hoeveelheid. Het kan uit één of meer cijfers bestaan. Bijvoorbeeld, het getal 123 bestaat uit de cijfers 1, 2 en 3. 

Samenvattend: Cijfers zijn de bouwstenen voor getallen, en getallen zijn de symbolen die gebruikt worden om hoeveelheden weer te geven. 

AI produceert zijn teksten door combinatie van stukken tekst die het op het internet vindt. Of die fragmenten een consistent geheel vormen, dat kan AI niet beoordelen. Daarvoor is kennis nodig van de betekenis van de woorden. Gebruikers van AI die zelf geen idee hebben wat het verschil is tussen cijfer en getal zullen het antwoord dat het Genootschap Onze Taal, math4all, of Google geeft voor zoete koek nemen. Kunnen we chocola maken van de door Google geproduceerde fragmenten? Google zegt:

Een getal is een aanduiding of notatie van een hoeveelheid. Een getal bestaat uit cijfers. Een cijfer is een symbool waarmee een getal wordt geschreven.

Dit komt overeen met het antwoord dat Onze Taal gaf. Zowel cijfers als getallen zijn talige dingen (symbolen, notaties) om hoeveelheden mee aan te duiden. Het verschil tussen getal en cijfer wordt aangegeven door hun relatie: een getal bestaat uit één of meerdere cijfers. De bouwstenen van de getallen zijn de cijfers.

Op Wikipedia vinden we een mogelijke bron van de AI tekst:

“Een getal is de aanduiding van een hoeveelheid.” en “Een getal verschilt van een cijfer: cijfers zijn symbolen die gebruikt worden om getallen weer te geven.”

Op de website van Expertis – Onderwijsadviseurs, een andere bron van de AI tekst, schrijft Jitske Zwart:

“Cijfers zijn eigenlijk de ‘letters’ van ons getallensysteem. Dit getallensysteem wordt opgebouwd uit de cijfers 0 t/m 9. Het cijfer 1 is de notatie van het aantal 1, het getal 1 of het nummer 1. Je kunt cijfers dus vergelijken met letters. Met letters schrijf je een woord. De letters krijgen dan een betekenis. Met cijfers schrijf je een getal of nummer. De cijfers krijgen dan een betekenis. Het getal 143 bestaat uit de cijfers 1, 4 en 3.”

Een getal is ‘samengesteld uit cijfers’. Ik las ergens dat 10 een getal is ‘dat wordt gevormd door de cijfers 1 en 0’.

In het taalgebruik lijkt ‘getal’ dus vaak gebruikt te worden voor de aanduiding van een aantal of hoeveelheid. Met ‘getal’ wordt een cijferrijtje bedoeld. En wat het cijferrijtje aanduidt is ‘een hoeveelheid’.

Als deze teksten representatief zijn voor het normale spraakgebruik dan is volgens dat gebruik een getal iets heel anders dan wat in de wiskunde onder een getal wordt verstaan. Voor mij – wiskundedocent met enige kennis van de filosofie en de geschiedenis van de wiskunde – gaat wiskunde over wiskundige objecten, structuren. Getallen zijn een speciaal soort wiskundige objecten. De wiskunde bestudeert de eigenschappen van deze objecten die ze zelf construeert.

Getal als wiskundig object

Als een getal de aanduiding is van een hoeveelheid, zoals het gewone taalgebruik zegt, hoe moeten we dan de deelbaarheid van getallen zien? De deelbaarheid is immers niet een eigenschap van de aanduiding, niet van de notatie, maar eerder van de hoeveelheid die ermee wordt aangeduid. Maar dat strookt niet met de opvatting dat het getal de aanduiding is. En is de optelling van getallen dan een operatie op getallen opgevat als cijferrijtjes? Dat lijkt me toch niet.

Als we het over de verschillende eigenschappen van getallen hebben, zoals deelbaar zijn door 2 of even zijn, dan zijn dat geen eigenschappen van aanduidingen, van cijferrijtjes, maar van de dingen die met die cijfers worden aangeduid, van de hoeveelheden.

Als we dus zeggen dat het getal 4 deelbaar is door het getal 2 dan bedoelen niet het cijfer 4, maar dat wat wordt aangeduid met 4, het eigenlijke getal. Getallen zijn wiskundige objecten, pure gedachtendingen, constructies. Geen concrete hoeveelheden van dingen, maar een abstracte hoeveelheid. Het getal drie is als object zowel eenheid als veelheid. Het is een veelheid van eenheden. Maar het is ook twee plus een.

Anders dan de tekens, de cijfers, zijn de wiskundige objecten niet zichtbaar. We maken een onderscheid tussen een tekening van een driehoek en het wiskundig object, de driehoek die ermee wordt aangeduid. Het is de bijzondere bestaanswijze van de wiskundige objecten, zuivere gedachtedingen te zijn die we ons op een of andere manier moeten voorstellen om het erover te kunnen hebben, die er de mogelijke oorzaak van is dat we geneigd zijn de voorstelling: de wijze waarop we ernaar refereren (het rijtje cijfers), te verwarren met de dingen waarover we het hebben.

Dat is misschien de oorzaak van de gangbare opvatting over het verschil tussen cijfer en getal. Terwijl, als we zeggen “het getal 4 is deelbaar door 2” we met het getal 4 juist niet het cijfer 4 bedoelen, maar het getal dat we daarmee aanduiden.

We kunnen dus zeggen dat de woorden ‘cijfer’ en ‘getal’ in verschillende gebruiken verschillende dingen betekenen.

We hebben een voorstelbaar teken nodig als representatie om over de puur denkbeeldige objecten van de wiskunde te denken.

De representatie of voorstelling van getallen (en andere wiskundige objecten zoals figuren in de meetkunde) heeft een geschiedenis waarin de relatie tussen gebruikte tekens en de objecten een ontwikkeling heeft doorgemaakt. De verschillende gestalten die de representatie aanneemt worden aangegeven met: natuurlijk teken, conventioneel teken en formeel systeem. De eerste gestalte van de representatie van de getallen is op directe wijze gebonden aan de hoeveelheid die ermee wordt aangeduid. De voorstelling van een meetkundige driehoek door een tekening van een driehoek, van het getal drie ging door middel van drie streepjes. Volgens deze onmiddellijke representatie is er geen onderscheid tussen het getal als hoeveelheid en de voorstelling ervan door een hoeveelheid objecten. Als we denken dat rekenkunde gaat over voorstelbare hoeveelheden dan ligt het voor de hand getal en notatie te identificeren: een getal is dan inderdaad opgebouwd uit primitieve tekens. Maar ook dan zijn het niet deze unieke drie streepjes III maar iedere drie streepjes (of ze nu in het zand getekend zijn met een stokje, of drie luciferhoutjes) die gebruikt kan worden voor het aanduiden van drie.

Vanwege deze directe binding tussen teken en hoeveelheid is het begrijpelijk dat er enige tijd over heen ging voordat nul als een getal werd gezien. Nul dingen is immers geen hoeveelheid. Het is een leegte die op een gegeven moment door een speciaal teken werd aangegeven. Later werden ook meer abstracte symbolen, conventionele tekens gebruikt voor de getallen en andere wiskundige objecten. De volgende stap in de ontwikkeling van representaties van getallen is die van een systeem van representaties. De betekenis van een teken wordt nu bepaald door de positie van het teken in het systeem.

Ons tientallig positioneel Arabisch-Indische cijfersysteem (‘cijfer’ komt van het Arabisch ‘sifr’, dat 0 of leeg betekent) gebaseerd op de tien cijfers 0,1,2,3,4,5,6,7,8,9 door Fibonacci in de dertiende eeuw ingevoerd in Europa is geschikt om ‘oneindig veel’ getallen aan te duiden. Wat we met die 10 cijfers maken zijn cijferrijtjes, niet de getallen, maar aanduidingen van getallen. Het cijfer 7 duidt net zo goed als het rijtje 10 een getal aan: 7 is ook een cijferrijtje, namelijk een die bestaat uit een enkel cijfer, een rijtje met lengte 1. Maar wanneer de door AI geleverde tekst zegt: “Een getal kan uit 1 of meer cijfers bestaan.”, dan wordt ‘getal’ opgevat als een cijferrijtje en niet als een wiskundig object.

Een belangrijk kenmerk van de cijfertaal van de wiskunde is dat een cijferrijtje ondubbelzinnig is: het heeft slechts één getal als betekenis. Twee verschillende rijtjes van cijfers duiden bovendien verschillende getallen aan. Daarin verschilt deze taal van de gewone omgangstalen. Het letterrijtje bank heeft in het Nederlands verschillende betekenissen. Afhankelijk van de uitspraak van het ‘woord’ kantelen duidt het een ander woord aan. Ligt de klemtoon op de eerste lettergreep dan is het een werkwoord, ligt de klemtoon op de tweede lettergreep dan is het de meervoudsvorm van het zelfstandignaamwoord kanteel. Een woord is dus niet het rijtje letters, maar het woord dat daarmee in een specifieke tekst bedoeld wordt. In het spraakgebruik bedoelen we met ‘woord’ vaak het letterrijtje en niet iets abstracts dat ermee wordt aangeduid. We zeggen dan ‘het woord bank heeft twee betekenissen’. We kunnen woord, het gebruik van een woord en de betekenis niet uitelkaar halen, zonder in de problemen te geraken. De betekenis van het woord komt tot stand in het gebruik.

De belangrijke les van onze speurtocht naar het verschil tussen cijfer en getal is dat het gangbare gebruik van het woord getal verschilt van het gebruik ervan in de wiskunde. Dat wordt een probleem zodra de alledaagse wereld in contact komt met de wereld van de wiskunde, zoals in het rekenonderwijs. Wanneer we ten behoeve van het reken- en wiskundeonderwijs menen iets te moeten zeggen over het verschil tussen cijfer en getal moeten we ons bewust zijn van het grote verschil in gebruik van het woord getal in de wiskunde met het gangbare gebruik ervan zoals Google en Onze Taal dat ons presenteert.

Het gangbare gebruik is nog steeds gebaseerd op de naieve, natuurlijke representatievorm van getallen waarin notatie en betekenis: hoeveelheid, worden gelijkgesteld.

Verder werden we in dit onderzoek opnieuw herinnerd aan het feit dat een woord zelf niet kan zeggen wat het betekent.

“Wat is het getal 1, of wat betekent het symbool ‘1’?”, Met deze vraag begint Gottlob Frege zijn essay The Foundations of Arithmetic waarin hij zijn onderzoek presenteert naar de aard van de getallen. Frege acht het een schandaal dat we deze simpele vraag naar de aard van het meest eenvoudige en eerste begrip van de wiskunde niet op bevredigende wijze kunnen beantwoorden. Daarom herneemt hij nog maar eens de vraag naar de aard van de getallen. Ieder grondig onderzoek naar het getalbegrip zal altijd een filosofisch karakter hebben. Stelt Frege. Het is een taak die zowel tot de wiskunde als tot de filosofie behoort om te bepalen wat de getallen voor dingen zijn.

Frege was zeker niet de eerste die een studie wijdde aan het getalbegrip. De discussie over de aard van de getallen neemt een belangrijke plaats in in de boeken M en N van de Metafysica van Aristoteles, waarin hij vooral in debat is met zijn leermeester Plato.

“De exactheid en het dwingende karakter van het wiskundig redeneren stellen ons voor een raadsel dat noch Plato noch Aristoteles geheel bevredigend hebben kunnen oplossen” schrijft H. Oosthoud in de Inleiding tot de Nederlandse vertaling van Boek M, dat gaat over de getallen en de dingen.

De vraag naar de eigen aard van de getallen en de wiskundige objectiviteit blijft boeien. Het is meer dan ooit een vraag die van belang is om te hernemen in een tijd waarin alles, inclusief onze taal, gemathematiseerd lijkt te moeten worden en waarin het mathematisme – de idee dat kennis pas echt kennis is wanneer we deze in getallen en systemen kunnen uitdrukken – onze technocratische werkelijkheid doordringt en beheerst.

Het mathematiseren van ons taalgebruik zoals die neergeslagen is in de enorme hoeveelheden taaldata op het internet ligt aan de basis van de taaltechnologische AI producten zoals ChatGPT. Die basis bestaat uit mathematische taalmodellen waarmee op statistische wijze teksten worden gegenereerd. Teksten zoals Google die levert als antwoord op onze vraag naar het verschil tussen cijfer en getal. Uit bovenstaande blijkt hoe beperkt deze modellen zijn. En dat is geen toeval, het is een wezenlijk kenmerk van het taalmodel een abstractie te zijn van het werkelijk taalgebruik.

Voetnoot

Wanneer we een getal als aanduiding van een aantal gebruiken dan gebruiken we het kardinale aspect van het getal-begrip. Als telgetal gebruiken we het ordinale aspect (zeven als het zevende). Als meetgetal het meetaspect (3 kilo). En als rekengetal het rekenaspect. Daarnaast is er het gebruik van een getal als naam of label (huisnummer). Dan gebruiken we het coderingsaspect.

Het tellen is vermoedelijk de eerste wiskundige aktiviteit en uitvinding. De mens heeft woorden bedacht voor aantallen, waarmee hun betekenis is vastgelegd. Daarmee kunnen aantallen dingen (schapen, steentjes) worden vergeleken. Als we tellen ordenen we de getelde dingen, die we als eenheden opvatten. Wanneer we appels tellen dan zien we af van de individuele verschillen tussen de appels. We vatten ieder exemplaar op als een appel, een representant van een algemeen begrip. Om het aantal appels in een mand te bepalen maakt het niet uit in welke volgorde ze geteld worden, maar je moet ze wel in een of andere volgorde tellen. Het aantal getelde appels bestaat onafhankelijk van het tellen. Sommige filosofen die erover nagedacht hebben denken dat de plaats van het getal in de ordening voorafgaat aan de cardinaliteit (grootte). Het getal is het getelde aantal.

Meten is het vergelijken van iets met een maat. Tellen is een vorm (de meest primitieve vorm) van meten. Tellen is het meten van het aantal eenheden, de dingen die geteld en waarvan het aantal gemeten wordt. Tellen veronderstelt dat we dingen kunnen onderscheiden. Het is heel moeilijk om dingen te onderscheiden die alleen in je hoofd zitten. We hebben een voorstelling nodig in de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. Maar de natuurlijke getallen kunnen we opsommen door ons de namen van de getallen te herinneren: 1,2,3,… Maar kunnen we de getallen ook tellen? Alsof ze als een totaliteit van getallen tegenover ons bestaan.

Hoeveel getallen er zijn? Dat is moeilijk te beantwoorden. ‘Ontelbaar’ of ‘oneindig veel’ zijn mogelijke antwoorden. In de wiskunde wordt het aantal natuurlijke getallen (de gewone telgetallen) ‘aftelbaar oneindig’ genoemd. Dat is verwarrend, want er zijn er teveel om daadwerkelijk te tellen. ‘Aftelbaar’ duidt dus niet op een werkelijke mogelijkheid, maar om een onwerkelijke mogelijkheid en je kunt je afvragen of dat nog wel een mogelijkheid is. Het aantal getallen is onbepaald. En dat is principieel zo, het is ook onbepaaldbaar. Net zo goed als de som van de oneindige reeks 1-1+1-1+1- … onbepaald is. Sommige mensen zeggen dat die som 0 is of 1 afhankelijk van hoe je de haakjes zet bij het bepalen van de som (1-1)+(1-1)+…. zou 0 opleveren, maar 1-(1+1)-(1+1)-…zou 1 opleveren.

In het oneindige zit het bedrog. En toch lijkt de wiskundige niet goed uit de voeten te kunnen als er maar een begrensd aantal getallen zijn. Er wordt wel beweerd dat wiskunde de wetenschap van het oneindige is. Dat hangt samen met de exactheid van de wiskunde en die komt voort uit het feit dat we in de wiskunde stellen dat iets zo is als we willen dat het is. De werkelijke cirkelvormige dingen zijn slechts bij benadering cirkelvormig. In de wiskundige werkelijkheid zijn objecten hetzij gelijk aan elkaar hetzij ongelijk. In de dagelijkse werkelijkheid kunnen dingen ongeveer gelijk zijn. Er zijn vele kleuren die we blauw noemen, maar er is niet zoiets als algemeen blauw, naast alle nuances blauw. Blauw is een abstract begrip, maar anders dan een mathematisch begrip. De kleur blauw verwijst naar een waarneembare eigenschap van de werkelijkheid, terwijl mathematische eigenschappen naar ruimtelijke eigenschappen verwijzen.

Van de wiskundige Kronecker (1823-1891) is de bekende uitspraak dat God de natuurlijke getallen heeft geschapen en dat de mens de andere getallen heeft gecreëerd.

God wordt regelmatig door mensen erbij gehaald als antwoord op een lastige vraag, als schijnoplossing van een schijnprobleem. Volgens Wittgenstein ligt de oorzaak van veel schijnproblemen vaak in een verkeerde opvatting over de taal. De idee is dat wanneer we woorden gebruiken er iets moet bestaan buiten de werkelijkheid van het taalgebruik datr door die woorden wordt aangeduid. Zoals een leeuw bestaat buiten het gebruik van het woord leeuw. Wittgenstein ontkende niet het bestaan van leeuwen, maar wel het bestaan van een vaste kern, iets wat alle leeuwen gemeen hebben en waar het woord leeuw naar zou verwijzen. De soort leeuw is een abstractie. Het is geen object of iets ideëels dat naast de concrete leeuwen bestaat. Wiskundige objecten bestaan niet zoals de waarneembare dingen. De tekens die we gebruiken in de wiskunde verwijzen niet naar objecten. Hun betekenis is in het gebruik ervan. Ze functioneren in het communiceren en worden zo opgenomen in een praktijk.

Mathematische objecten (zoals getallen, structuren) worden wel beschouwd als te ‘bestaan’ als ‘quasi-objecten’ in een quasi-realiteit. Het zijn individuele objecten waarvan de identiteit bepaald is door een algemeen begrip. Getallen zijn quasi-objecten die buiten de realiteit bestaan waarin we tellen. Zoals een maat-eenheid (bijvoorbeeld 1 meter) bestaat buiten de werkelijkheid (de kamer, de tafel) die we meten. De meter zelf is niet iets dat je meet, het is de maat. Zo wordt het getal de maat waarin het aantal van iets wordt uitgedrukt. De quasi-realiteit van de wiskunde is gegrond in een speciale eigenschap van de materiele werkelijkheid, de structureerbaarheid. Deze verwijst naar het vermogen van de mens om de materiële werkelijkheid te structureren, tellen of meten. Door te structureren veranderen we de werkelijkheid niet. Het structureren is ideëel. Het is een denkbeeldige aktiviteit. “Mathematische abstractie is dus eigenlijk het idealiseren van de verdeelbaarheid en ordenbaarheid, kortom de structureerbaarheid van de dingen.” (L.E. Fleischhacker, Wijsbegeerte van het wiskundig denken en de informatietechnologie, Collegedictaat, Universiteit Twente, 1992).

“Wiskundig denken is dus het denken over structuren op een manier alsof ze alleen uit intelligibele materie bestonden. Met andere woorden, denken over iets alsof het structuur is in plaats van dat het structuur heeft.” (idem, p. 18)

Wiskunde is een wetenschap, d.w.z. een aktiviteit waarin wordt nagedacht om kennis, inzicht te krijgen in de werkelijkheid. Het gaat in deze wetenschap dus om kennis te krijgen in een bepaald aspect van de werkelijkheid. De meningen zijn verdeeld over wat nu precies het object van die kennis is. In zoverre wiskunde gaat over objecten die door de mens gemaakt zijn of kunnen worden gemaakt, is het een technische wetenschap. Maar de wiskundige maakt geen machines of werktuigen. Wiskundigen gebruiken en ontwikkelen eigen talen, of liever tekensystemen, waarmee ze rekenen. Maar het zijn geen taalwetenschappers. Hoewel de dingen waarover ze het hebben en die ze bestuderen zelf bedacht zijn zijn wiskundigen geen psychologen. Ook zijn wiskundigen geen logici.

Over de geldigheid van de feiten en de feitelijkheid van de wetenschap

De structureerbaarheid van de werkelijkheid gaat niet op in haar feitelijke structuren

De wetenschap wordt beoefend in instituties. Het poduceren van modellen is haar business. Hoe is het gesteld met de geldigheid van haar produkten? Is deze gedevalueerd tot zuiver economische, politieke geldigheid? Of is er nog zoiets als ‘transcendente’ geldigheid? Geldigheid die de feitelijkheid te buiten gaat.

Ik pak hier de draad op van een eeuwenlange discussie waarin het gaat om de spanning tussen geldigheid en feitelijkheid van de wetenschap. De discussie is nog steeds bijzonder aktueel. De wetenschap staat onder druk. Zowel van binnenuit als van buiten af.

Vindt de ‘transcendentie van het menselijk zijn’ nog weerklank? Of zijn de feiten van de wetenschap ook ten prooi gevallen aan de oppervlakkigheid van het politieke denken?

Uit ervaring weten we, en uit kentheoretische onderzoek blijkt, dat het vaststellen van een feit geen eenvoudige klus is. Waarneming en intellect spelen daarbij beide een rol. In het dagelijks leven vormen deze twee aspecten een onmiddellijke eenheid. Zo nemen we waar ‘dat het gras groen is’ en daarbij zijn we ons niet bewust van een onderscheid tussen de act van het waarnemen enerzijds en de act van het oordelen anderzijds, als twee onderscheiden activiteiten bij het vaststellen van dit simpele feit. Naar het feit wordt niet door een kreet, maar door een zin, een oordeelszin, verwezen, samengesteld uit woorden die algemene begrippen benoemen; ‘gras’, ‘groen’. Het feit wordt gezien als een individueel instantaan, niet volledig bepaald, want vaag en veranderlijk, iets, dat een instantie is van een algemeen welbepaald begrip. De begrippen waarin we het feit uitdrukken zijn abstract, algemeen.

De innerlijke contradictie waaraan het feit lijdt is dat het enerzijds samenvalt met de wijze waarop het begrepen wordt, maar anderzijds weten we dat die conceptualisering context-afhankelijk is. Deze dient een bepaalde cultuur, een bepaalde historische fase in de ontwikkeling van de kennis. De feiten zoals we die benoemen gehoorzamen de macht van de traditie, ze creëren een ‘life-world’ die als zuiver ‘objectief’ wordt gezien. “Dit zijn de feiten!” Die constatering leidt eenvoudig tot relativering. Feiten zijn historische, sociale constructies.

Feiten, zoals we die tegenwoordig kennen, bestaan nog niet zo lang, zegt David Wootton in zijn reconstructie van de Scientific Revolution, the Invention of Science. Feiten, zoals wij die begrijpen, bestaan sinds 1700.

Feiten ontstaan wanneer ze gedocumenteerd en gedeeld worden met anderen. Niet de experimentele methode, maar de drukpers is volgens Bruno Latour de oorzaak van de Scientific Revolution. De drukpers maakt van privé informatie een publieke zaak. Harde feiten komen, ook volgens Wootton, tot stand door de drukpers. Door de verspreiding van het woord. Nu is het zo dat hoe meer een woord verspreid is des te meer waarde eraan gehecht wordt. Waar en geldig is wat iedereen vindt. De waarheid is in handen van de grootste schreeuwers.

De antropoloog en wetenschapsfilosoof Bruno Latour constateerde dat hij terecht was gekomen in het kamp van degenen die de wetenschap de rug toekeren, waaronder complotdenkers en klimaatontkenners. Mensen die het met de feiten niet zo nauw nemen. Alsof Latour’s onderzoek naar het wetenschappelijke feit als sociale constructie van wetenschappers de intentie had de feiten te negeren. Terwijl hij integendeel door zijn onderzoek juist dichterbij de feiten wenste te komen. (zie Latour 2004).

De wetenschap moet het van het kritische debat hebben wil ze voortgang maken. Dit is een debat waarbij niemand bij voorbaat uitgesloten is. De enige voorwaarde voor deelname is dat de deelnemer gericht is op de waarheid. Wat niet wil zeggen dat hij deze in pacht heeft. Sommige mensen verwarren inhoudelijke kritiek op bepaalde beweringen die als wetenschappelijk zijn gepresenteerd met kritiek op de wetenschap als zodanig. Wetenschappelijke kennis zou ‘ook maar een mening zijn’.

“Het feit dat we in ons denken en handelen op geldigheid betrokken zijn, wijst op het niet-voorwerpelijke karakter van de grondslag van het menselijk bestaan. De consti-tutie van het concrete, individuele subject is mogelijk krachtens de betrokkenheid van het denken en handelen op geldigheid.”

Deze woorden betreffen de studie van de filosoof Ottho Heldring over de relatie tussen feitelijkheid en geldigheid in het denken van Max Weber, de socioloog van de rationele wetenschappelijke samenleving.

Heeft de notie gelding als het om wetenschap gaat nog een andere betekenis dan een zuiver economische, politieke? Is wetenschap een soort van religie geworden? Volgens de gelovige statisticus Ronald Meester vertelt de wetenschap verhalen, die we niet anders moeten zien dan de verhalen in de Bijbel. Is de wetenschapsfilosofie een onderdeel van een Weberiaanse godsdienstsociologie geworden?

Volgens Heldring bestaat de ziel van de wetenschap in de existentiële betrokkenheid van de individuele wetenschapper die streeft naar de geldigheid van zijn kennis. Wat ook de politieke, economische, persoonlijke motieven van de individuele onderzoeker mogen zijn, zonder die betrokkenheid op geldigheid is er geen sprake van wetenschappelijk onderzoek. De transcendentie zou ‘inherent’ zijn aan het menselijk bestaan.

Maar hoe weten we dat ‘de ander’ in zijn spreken en handelen betrokken is op deze ‘transcendente geldigheid’ en dat hij of zij niet uit is op geldigheid van politiek en/of economisch gewin? Misschien moeten we daartoe de ander kennen en is de sleutel te vinden in de intersubjectiviteit van het beoefenen van wetenschap. In wetenschap beoefend door vrije individuen, die daarin hun vrijheid en autonomie verwerkelijken. Maar minstens zo belangrijk is het ‘ken uzelf !’ Ga bij u zelf na wat u motiveert. Als iedereen dat doet dan doet ‘de ander’ het immers ook.

Niet in de mening van het geisoleerde individu dat via de sociale kanalen, waarvan de bandbreedte door het kapitaal en de politiek wordt bepaald, teksten deelt, maar in het samenleven zelf, waarvan het beoefenen van wetenschap een organisch onderdeel is. Wetenschap is altijd een gezamenlijke aktiviteit van mensen geweest die in samenwerking met de instrumenten die ze zo ontwikkelen tot nieuwe kennis en nieuwe praktijken komen. Het is een kenmerk van de kapitalistische wetenschappelijke economieën dat de verschillende aspecten van deze praktijk verdeeld zijn over verschillende instituties: wetenschap, politiek, commerciële bedrijven en de consument, instituties die opereren op een open markt waar een ‘onzichtbare hand’ de chaotische ontwikkelingen bepaalt.

“De innerlijke samenhang van geldigheid en feitelijkheid is niet alleen maar feitelijk, ook al is het een reële samenhang. We moeten deze samenhang immers inzien als noodzakelijke of zinvolle samenhang in het feitelijke. zinvolheid kan niet empirisch geconstateerd worden. Ze kan alleen maar gezien en geëxpliciteerd worden aan de hand van een voorbeeld.”

Heldring gebruikt als voorbeeld het sociologische en wetenschapstheoretische werk van Max Weber. “Zijn sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar rationalisering wordt geleid door intuïties, met name omtrent vrijheid en authenticiteit in het maatschappelijk leven van individuen. Deze intuïties zijn leidende gezichtspunten die het perspectief van het empirisch onderzoek vormen.”

De empirische wetenschap, die noodzakelijk hypothetisch is omdat ze getoetst moet worden aan de feiten, is een bepaalde vorm van rationaliteit. Deze wetenschap valt niet met rationaliteit samen. Wij reflecteren op de wetenschap. Niet alleen door haar feitelijkheid te constateren en zeker niet om daarmee haar waarde te ontkrachten, maar door te zoeken naar de bron. Die bron is de impliciete intuïtie die we in vrijheid uitspreken, zonder welke wetenschap niet kan bestaan, maar die verwoord, gedeeld en getoetst moet worden aan wat we in gemeenschap als feitelijke kennis, als kennis van feiten accepteren.

Het is zaak dicht bij onze eigen ervaring te blijven, omdat de ervaring verwijst naar een geldigheid die tot onze constitutie behoort, een niet tot iets anders te reduceren fenomeen van ons bestaan. Het is de filosofie, die reflecterend op de empirische wetenschappen en de technologie, ons voortdurend moet wijzen op onze subjectiviteit, die zich alleen kan verwerkelijken als intersubjectiviteit, in een gezamenlijke gewetensvolle gerichtheid op geldigheid en vrijheid.

De wetenschap structureert de werkelijkheid en beoefent zo het principe van haar structureerbaarheid, maar deze gaat niet op in de feitelijke historische structuren van de werkelijkheid. Daarom is wetenschap telkens vernieuwend en nooit volledig. De op statistische taalmodellen gebaseerde generatieve systemen zoals ChatGPT modelleren bestaande verwoordingen van bepaalde fetelijk historische stuctureringen van de werkelijkheid. Het gebruik van deze systemen is wezenlijk conservatief. Ze doet afbreuk aan de openheid en de vrijheid van de taal.

Bronnen

Ottho G. Heldring (1995). Wetenschap, filosofische hermeneutiek, metafysica. In: Tijdschrift voor Filosofie, juni 1995, pp. 250-266.

De wetenschap wordt beoefend in instituties. Ze doet aan modelvorming. Hoe is het gesteld met de geldigheid van haar produkten? Is deze gedevalueerd tot zuiver economische, politieke geldigheid? Of is er nog zoiets als ‘transcendente’ geldigheid? Geldigheid die de feitelijkheid te buiten gaat.

Bruno Latour (2004). Why Has Critique Run out of Steam? From Matters of Fact to Matters of Concern. Critical Inquiry 30 (2):225-248 (2004).

“I myself have spent some time in the past trying to show “‘the lack of scientific certainty’” inherent in the construction of facts. I too made it a “‘primary issue.’” But I did not exactly aim at fooling the public by obscuring the certainty of a closed argument—or did I? After all, I have been accused of just that sin. Still, I’d like to believe that, on the contrary, I intended to emancipate the public from prematurely naturalized objectified facts. Was I foolishly mistaken?”

Ronald Meester (2000). 100%- Zin en onzin van de waarschijnlijkheidsrekening. Inaugurele rede Vrije Universiteit van Amsterdam. Verscheen in Nieuw Archief Wiskunde van het Koninklijk Wiskundig Genootschap. 2000.

Op 24 maart 2000 sprak Ronald Meester zijn oratie uit bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit.

Hij besluit met:

“Om dit zelfbeeld (van de VU) te begrijpen is het nodig om eerst te citeren uit de doelstelling van de Vrije Universiteit: “al haar arbeid in gehoorzaamheid aan het Evangelie van Jezus Christus te richten op het dienen van God en zijn wereld”. Dat is nogal wat, en velen onder u zullen hier niet mee uit de voeten kunnen. Persoonlijk zou ik ook een iets bredere omschrijving toejuichen waarin de nadruk ligt op werken vanuit een bepaald religieus besef in het algemeen.”

Ronald Meester (2022). Wetenschap als nieuwe religie: hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde. Uitgeverij Ten Have, Utrecht, 2022.

Rechtse politici als Gideon van Meijeren van Forum voor Democratie zagen in Meester een medestander van hun kritiek op de wetenschap die in hun ogen ook maar een kwestie van geloven is.

Zie ook mijn blog: De wiskundige modellen vanuit het religieuze besef van Ronald Meester

Wootton, David (2015). The Invention of Science. A new history of the scientific revolution. Penguin Book, 2015.

About the historical, cognitive development of ‘science’. Wootton makes the interesting ‘observation’ that before 1700 facts as we know them now did not exist. From this we may conclude that information as we know it didn’t exist either. Facts and information are historical inventions.

Het antropisch principe: waarom is er iets?

Wij zien het heelal zoals het is, omdat wij bestaan” (Stephen Hawking, Het Heelal, p.153)

Ergens in de ruimtetijd stelt iemand, laten we hem Abel noemen, de vraag:

“Waarom ruikt het hier naar leer?”

Of Abel zich daarvan bewust is of niet, op het moment dat hij deze vraag stelt verandert hij de toestand van het heelal, neemt hij een sprongetje in de ruimtetijd. Was het stellen van de vraag eerst nog slechts een mogelijkheid, nu hij deze gesteld heeft heeft hij die mogelijkheid als slechts mogelijk om zeep geholpen. En dat geldt evenzeer voor die andere mogelijkheid, dat hij de vraag niet stelde. Of moeten we uit het feit dat Abel de vraag stelt concluderen dat dit de enige mogelijkheid was en hij dus noodzakelijk deze vraag stelde? Dat het bij het begin, vanaf het moment van de oerknal, al vast stond dat hij deze vraag stelde. Zoals de oplossing van een sudoku gegeven is met de bij de aanvang van het puzzelen al gegeven nummers.

Is het dan een toevallige samenloop van omstandigheden dat op dit punt in de ruimtetijd de geur van leer hangt, dat Abel de leer ruikt en de vraag stelt die hij stelt: waarom ruikt het hier naar leer?

Maar wacht eens even. Kan ergens een geur van leer hangen als er geen neus is waarvoor die geur een geur is? Is de neus niet voorwaarde voor het bestaan van geuren? En omgekeerd: is de geur geen voorwaarde voor het bestaan van de neus? Met ‘neus’ bedoel ik hier het instrument dat een gevoeligheid heeft voor geuren.

Abel is niet alleen gevoelig voor geuren. Op dit punt in de ruimtetijd merkt hij op dat hij iets ruikt. Bovendien herkent hij de geur: het ruikt hier naar leer. Kennelijk is het voor Abel niet vanzelfsprekend dat het naar leer ruikt. Vandaar dat die vraag in hem opkomt: waarom ruikt het hier naar leer?

Mijn antwoord: dat het toch ergens naar moet ruiken bevredigt niet. Waarom niet naar pindakaas, of naar abrikozen?

Als het niet naar leer had geroken had Abel de vraag niet gesteld. Als het naar pindakaas had geroken was de vraag vermoedelijk een andere geweest.

“Er is hier een leerlooierij.” luidt mijn antwoord op Abels vraag. Waarom?, vraagt Abel. Wanneer houdt dit vragen op? Zeg ik. Er moet toch iets zijn. Maar waarom zo en niet anders?

Waarom, vraagt Abel, moet er iets zijn. Omdat in een wereld waarin niets is ook die vraag niet gesteld kan worden, antwoord ik. Dan was er niets waarvan je je bewust bent dat het bestaat.

Bestaan houdt logischerwijs bewustzijn in. Bestaan en bewustzijn impliceren elkaar zoals de geur en de neus.

Een heelal dat geen bewustzijn kent bestaat niet.

Is het toeval dat de natuurconstanten die waardes hebben die het leven hier op aarde mogelijk maken? Tot dat leven hoort het bewustzijn van dat leven en de vraag waarom die natuurconstante de waarden hebben die ze hebben.

In andere talloze universa waarin leven niet mogelijk is, stelt ook niemand de vraag waarom dat universum is zoals het is. (…) We leven in het universum dat bij ons past.”

Zo stelt de natuur- en sterrenkundige Ans Hekkenberg in Het Multiversum: over het idee dat ons universum niet het enige is (2021). Dit is het antropisch principe.

Kwaliteit en kwantiteit

Het oordeel ‘het ruikt hier naar leer’ verwijst naar een onmiddellijk gegeven kwaliteit van Abels werkelijkheid. In de vraag naar het waarom van dit verschijnsel toont Abel dat hij zich niet neerlegt bij dit onmiddellijke gegeven feit. Het plaatst het verschijnsel als verschijnsel van iets anders, in relatie tot andere feiten. Maar ook die feiten moeten weer verklaard worden. Zo rijgen de feiten zich aaneen als de kralen van een kralensnoer. Wat ontstaat is een structuur van feiten dat als een netwerk over de werkelijkheid wordt getrokken.

“Een kwaliteit is een onmiddellijk gegeven eigenschap, een hoedanigheid van
iets.” (Het mathematisch ideaal, Louk Fleischhacker).

Zoals de geur van het leer, de sterkte van een touwtje, de kleur van de roos. Maar ook het feit dat het hier naar leer ruikt is een kwaliteit, van de werkelijkheid.

“Kwantiteit heeft echter steeds te maken met de manier waarop iets gedacht
kan worden als samengesteld uit bestanddelen.” (idem)

Het denken van Abel is als het denken van de natuurkundige, mathematisch, kwantificerend, structurerend. Het mathematisch kennend subject stelt zich autonoom op tegenover de werkelijkheid. Niet alleen tegenover de natuur, maar ook tegenover zichzelf. Die werkelijkheid verschijnt voor dit subject als iets buiten het subject, als een beeld, een model of systeem.

De mens die vraagt “waarom?” onderzoekt de verschijnselen actief, in plaats van zich te onderwerpen aan “het gezag van de verschijning en van haar traditionele interpretaties”.

In bovenstaande dialoog met Abel wordt geprobeerd de twee uit elkaar getrokken zijden van de mathematische kenrelatie, subject – object, neus – geur, als momenten van één werkelijkheid te denken. Dwars tegen het hellende vlak van het naar verklaring zoekende mathematische denken dat de werkelijkheid als een structuur ziet, probeert het te wijzen op de onherleidbaarheid en de kwaliteit van het hier en nu. Het subject valt daarin samen met het moment in de ruimtetijd.

De oerknal is de bron van subjectiviteit en objectiviteit, van alle axioma’s waaraan de werkelijkheid voldoet.

Het antropisch principe is uitdrukking van de zelf-reflexiviteit die impliciet is in iedere ervaring. Daarom is de idee van het multiversum voor iedereen een bekend idee.

Ik heb aan één universum wel genoeg.

(Met dank aan Pieter Bresser voor de uren leesplezier in Het Multiversum.)

Hoe weet ik dat u dit nu leest?

Het antwoord ligt besloten in de verklaring hoe het komt dat de opmerking van de radiopresentatrice: “Fijn dat u luistert!” werkt. Hoe weet zij dat ik, de luisteraar die dit hoort, luister? Dat werkt omdat de omstandigheden die voorwaarde zijn voor het zinvol zijn van de uitdrukking voldoende zijn voor de betekenis ervan.

Ik weet dat u, geachte lezer, dit nu leest, omdat u dit leest. Door de zin te lezen schept u de conditie die het antwoord op de vraag waar maakt. Daarom weet ik zeker dat u dit leest. Ook al ken ik u niet en weet ik niet wanneer en waar u zich bevindt.

De werking van het door de radiopresentatrice uitgesproken “Fijn dat u luistert!” berust op het antropisch principe.

In die zin zijn techniek en fysica abstract.

Even voorstellen

Ik ben van 1952.

Het jaar waarin Aad van Wijngaarden, directeur van het Mathematisch Centrum de ARRA = Automatische Relais Rekenmachine Amsterdam, de eerste Nederlandse rekenmachine, aan pers en politiek laat zien.  (zie de documentaire De ARRA herinnerd  van o.a. computerhistoricus Gerard Alberts: “die ARRA deed het niet”).

In 1952 wist ik nog niet hoe zeer de computer mijn leven en denken zou gaan bepalen. Ik ging naar de Rijks Hogere Burger School aan het Zaailand in Leeuwarden. De belangrijkste prestatie in vijf jaar was het winnen van het Zilveren Schildtoernooi, een jaarlijks voetbaltoernooi tussen schoolteams van een aantal Friese HBS-en en  lycea. Voetbal was mijn lust en mijn leven maar ik besloot te gaan studeren aan de Technische Hogeschool Twente. Na de tweejarige algemene propedeuse besloot ik bij Toegepaste Wiskunde te gaan studeren mede gestimuleerd door mijn buurman Rouke Henstra. Na mijn baccalaureaats in de diskrete wiskunde en grafentheorie (ook ik heb vele uren geworsteld met het vierkleurenprobleem) ging ik theoretische informatica studeren. Ik volgde colleges digitale techniek bij Gerrit Blaauw, medeontwikkelaar van de ARRA II, een echt werkende opvolger van de ARRA, en programmeertalen bij Arie Duijvestein, eerst Algol60, later Algol68. In het college Informatietheorie van Dirk Kleima maakte ik voor het eerst kennis met het statistisch entropiebegrip in het kader van de communicatietheorie van Shannon en Weaver en leerde ik het Maxwell-duiveltje kennen. Colleges formele talen en automatentheorie en semantiek van programmeertalen volgde ik bij Joost Engelfriet en Leo Verbeek. Ik volgde verschillende colleges bij de onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen: ethiek (Paul van Dijk) , wetenschapsfilosofie (Errit  van der Velde).  Met docent Pieter Tijmes gingen we op studiereis (we lazen ter voorbereiding Marx en Engels en de staatskrant Neues Deutschland) naar de DDR waar we o.a. Buchenwald bezochten. De colleges van Louk Fleischhacker, wiskundige, logicus en filosoof, spraken mij erg aan:  klassieke en mathematische logica, axiomatische verzamelingenleer en filosofie van wiskunde en techniek.  Hij stimuleerde mij om af te studeren op een theoretisch onderwerp: de betekenis van de zelf-applicatie van functies, een fenomeen in de theoretische informatica dat volgens Louk de wiskundige uitdrukking is van de als autonoom gedachte techniek.  Via Louk maakte ik kennis met het werk van een van de belangrijkste Nederlandse filosofen:  Jan Hollak (zijn inaugurele rede “Van Causa Sui tot Automatie” uitgesproken bij de aanvaarding van ambt als hoogleraar wijsbegeerte in Nijmegen (1968) is een bron van inspiratie voor inzicht in de betekenis van techniek vanuit antropologisch perspectief.)  De studiebijeenkomsten “filosofie van de techniek” onder leiding van fysicus en filosoof Maarten Coolen aan de universiteit van Amsterdam waren voor mij een welkome afwisseling met de technische colleges aan de TH in Twente.   Ik liep stage bij IBM in Tel Aviv. “Is er ook zoiets als niet toegepaste wiskunde?” vroeg de man die mij bij IBM verwelkomde, toen ik vertelde dat ik toegepaste wiskunde studeerde. Van de wiskunde vakken had ik het meeste moeite met het vak kansrekening en statistiek dat aan de TH Twente door wiskundigen werd gegeven. Pas na vier pogingen had ik eindelijk een voldoende voor het tentamen.  Vaak proberen vergroot de kans op een voldoende. Wat weerstand biedt en moeite kost te begrijpen heeft kennelijk een bijzondere aantrekkingskracht: dat geldt zowel voor het werk van Hollak en Fleischhacker (die bij Hollak promoveerde: “Over de grenzen van de kwantiteit”)   als voor de statistiek.

Na mijn afstuderen deed ik vervangende dienst waartoe ik als erkend gewetensbezwaarde verplicht was. Daarna was ik vier jaar docent wiskunde en natuurkunde aan het Kottenpark College in Enschede, waar ik samen met collega Henry Ruizenaar de eerste lessen programmeren voor enthousiaste leerlingen ontwikkelde.  Ik werkte twee jaar bij de onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen. Hoewel het onderwijs geven me goed beviel trok de wetenschap me meer en ik werd promotiemedewerker bij Anton Nijholt hoogleraar theoretische informatica aan de THTwente. Vier jaar sloot ik me op om mij te bekwamen in het bewijzen van de correctheid van algoritmes voor het ontleden en implementeren van computerprogramma’s. Een saaier proefschrift dan mijn “Parsing Attribute Grammars” is nooit verschenen.

Na mijn promotie werd ik docent aan de Universiteit Twente: compilerbouw, functioneel programmeren (in Miranda) en formele analyse van natuurlijke taal. Mijn belangstelling ging vooral uit naar taal en techniek.  De Parlevink groep die zich in eerste instantie vooral bezig hield met talige interaktie tussen mens en machine ontwikkelde zich onder aanvoering van Anton Nijholt tot de groep Human Media Interaction waarin alle mogelijke vormen van interaktie tussen mens en computer werden bestudeerd. De computer interface kreeg geleidelijk aan een steeds menselijker gedaante.  Want zoals Louk eens tegen me zei: als je de taal van de mens wil formaliseren dan moet je de hele mens formaliseren. Sociologen en sociaal psychologen als Schegloff, Goffman (“The presentation of self in everyday life”) en Argyle hadden in de jaren vijftig de kleine gedragingen (tiny behaviours, zoals het ophalen van de schouders of wenkbrauwen, het lachen, kijkgedrag ) geconstrueerd (of geidentificeerd, hoe je het ook wilt zien) als onderwerp van een nieuw wetenschappelijk domein. Het zijn de observeerbare buitenkanten die we los kunnen denken van de persoon en waarbij we afzien van de persoon.  Op dezelfde manier waarop in de taalwetenschap al veel eerder de talige zinnen los kwamen te staan van de spreker en de concrete situatie waarin deze wordt geproduceerd. Deze abstractie is de mogelijkheidsvoorwaarde voor de natuurlijke interfaces in de vorm van avatars, voor de machines die onze taal gaan spreken, de robots die onze gebaren overnemen. Van dit uitwendige karakter van de taal van de techniek worden we ons meer en meer bewust. De autonome kunstmatig intelligente techniek is tegelijkertijd hoogtepunt en eindpunt van de in onze westerse cultuur die beheerst wordt door het mathematische denken en een kenniseconomie.

De bruikbaarheid van technische systemen is vakgebied geworden. Mijn belangstelling gaat uit naar die plekken waar mens en technisch systeem elkaar ontmoeten.