De laaggeletterdheid van Wittgenstein

“Wat gezegd kan worden, kan simpel gezegd worden.” (Ludwig Wittgenstein)

In een praatshow ging het over een populair onderwerp: laaggeletterdheid. Ongeveer een kwart van Nederland heeft moeite met lezen en schrijven. Velen kunnen helemaal niet lezen en schrijven. Binnenkort zijn er verkiezingen voor de Tweede Kamer. De politieke partijen dingen naar de stem van de laaggeletterde.

Stelt u zich dat voor: u bent laaggeletterd. U bent dat niet. Anders las u dit niet, maar stel. Wat doet u dan zoal met taal? Dat zijn de eenvoudige taalhandelingen die je in de directe omgeving uitvoert. “Pas op, een hond!”, “Kijk uit!”, “Wat doe je?”, “Mag ik vijf rode appels?”, “Hoeveel kost dat?”. Dat soort dingen doen we met woorden.

En dan valt er een brief op uw deurmat. Het is een uitnodiging van de televisie-omroep voor een praatshow over laaggeletterdheid. U weet wat een brief is, maar u kunt niet lezen wat er in staat. Hoe nodig je iemand die niet kan lezen uit voor een praatshow? Gelukkig is de dochter thuis. Die heeft op school leren lezen en die kan het uitleggen. “Mam, je bent uitgenodigd voor een praatshow op tv met een paar bekende Nederlandsers uit de politiek.” klinkt het enthousiast.

Waarom moeten we leren lezen en schrijven? Waarom moeten we leren fietsbandplakken? Toen er nog geen fietsen waren had dat geen nut. Was er laaggeletterdheid toen het schrift nog niet uitgevonden was? Ik bedoel maar: toen er nog geen schrift was, was er ook geen laaggeletterdheid. Het gebruik van taal was nog beperkt tot eenvoudige taalhandeligen als “Pas op een slang!” en tot het gesprek van man tot man (vrouwen hadden meestal nog niets te vertellen).

Zo’n gesprek ging over de politiek, over wat te doen, wat goed is en wat slecht. Over wat de goden daarvan vonden en hoe je die te vriend moest houden. Omdat er nog geen schrift was werden er geen notulen geschreven. Je kon een gesprek ook niet voorbereiden door je in te lezen in de materie. Een vervolggesprek begon dan ook altijd met een samenvatting van de voorgaande gesprekken. Die gesprekken duurden lang en werden dan ook vaak wandelend gedaan. Dat was niet erg, want er was toch geen televisie. De ander met wie je een gesprek had, die had eigenlijk de functie die de notulen nu hebben. De ander gaf jou woorden weer door ze te herhalen en erop te reageren. De tekst, dat zijn de woorden die gezegd zijn. De herinnering aan het gesprek.

De deelnemers aan het gesprek hadden wel nagedacht (reflectie) over wat er gezegd was. En zo kwamen ze toch iets verder. De woorden en wat ze betekenden die werden als het ware geboren in die gesprekken, door het gebruik. Zoals de handwerktuigen, onstonden in en door het gebruik tijdens het werken. Woorden waren onderdeel van de gebaren en expressies die samen de betekenis uitdrukten. De woorden zijn net als de werktuigen een product van een samenleving, van een wij.

Pas toen de technologie van het schrift zich zo ver ontwikkeld had dat het eenvoudig was iets op te schrijven (je had geen steenbeitel meer nodig en geen kalktablet) ontstond de gewoonte van het schrift. De woorden werden geisoleerd van de andere gebaren en expressies waar ze onderdeel van waren. Soms speciale (diacritische) tekens gebruikt om het gebaar, de wijze van uitspraak, aan te geven. Er werden boeken geschreven en er ontstonden geleerden, mensen die boeken schreven en die boeken van anderen lazen. Het hek was van de dam.

Er ontstonden mediaondernemers, uitgevers van boeken en tijdschriften. Geleidelijk begonnen die stteds meer uit te makan wat waard is beschreven en bespoken te worden.

Een paar van die geleerde mannen en vrouwen zaten ook bij de talkshow. Mevrouw Marijnissen van de SP en meneer Bontenbal van het CDA. En in het publiek zaten een paar laaggeletterden die kennelijk iemand in de buurt hadden die de brief had kunnen lezen. Een laaggeletterde mevrouw werd gevraagd om iets te zeggen. Ze zei dat die meneer Bontenbal zulke moeilijke worden gebruikt. Die snapte ze niet. Bontenbal voelde zich schuldig. Hij kreeg een kleur. Marijnissen liet met trots haar trofee zien. Het was De Klare Taal Bokaal voor de politicus die de klaarste wijn schenkt. Ze glom helemaal van trots.

Politica Lilian Marijnissen met de Klare Taal Bokaal

De vraag die niet aan de orde kwam is de volgende simpele vraag: zijn er verschillende manieren om hetzelfde te zeggen? Ik snap wel waarom die vraag niet aan de orde kwam, en dat werd ook in het programma wel opgemerkt: er is geen tijd voor een gesprek dat langer duurt dan 30 seconden. Vanwege de aandachtspanne, omdat er voetbal is, of het is weer tijd voor de reclame.

Het verzoek aan de politicus om het simpel te zeggen, in klare taal, gaat uit van een belangrijk onderscheid. Namelijk hier heb je een gedachte een idee, en daar de taal waarin deze gedachte, dit idee wordt uitgedrukt. Niet iedereen denkt dat het zo is dat er Ideeën bestaan die niet al in onze taal zijn uitgedrukt. En als het zo is dat ideeën en gedachten altijd al ‘talige’ dingen zijn dan is het maar de vraag of je ingewikkelde ideeën wel simpel uit kan leggen. Dat is kunst. Het hele eiereneten is dat de mens in de loop van de eeuwen dat hij hier rondloopt steeds ingewikkelder dingen is gaan construeren: instrumenten, wetten, organisaties, reglementen. Met vaak onleesbare handleidingen die weer handleidingen nodig hebben om ze te kunnen snappen. Ik denk zelf dat ideeën en gedachten tegelijk ontstaan met de taal waarin we ze uitdrukken. Een idee is een dynamisch iets dat zich als het ware met de taal ontwikkelt. Door een idee op een andere manier te verwoorden wordt het dus ook een beetje een ander idee. Dat betekent dat als Bontenbal zijn voor laaggeletterden onbegrijpelijke verwoordingen moet uitdrukken in simpele bewoordingen dat dan ook die ideeën een beetje veranderen. Laaggeletterden houden er een hele andere politiek op na dan die van de geleerde advocaten en politici die we van de televisiedebatten kennen.

Bij de tv-show over laaggeletterdheid zat ook een meneer in het publiek die op latere leeftijd had leren lezen en schrijven. Hij vond dat de politici veel te veel teksten schreven en elkaar in de haren zaten en daarmee de zaak alleen maar ingewikkelder maakten. Steek samen de handen uit de mouwen en doe wat aan de problemen. Zo riep hij de politici op. Dat heb je als je mensen leert lezen en schrijven. Dan denken ze ook nog dat ze wat in te brengen hebben in de politiek.

De werking van een eenvoudig instrument als een vuistbijl of een kerfstok laat zich nog wel aan iedereen uitleggen. Daar hoef je niet voor naar het mbo te gaan. Je ziet als het ware hoe het werkt. Dat geldt ook nog wel voor een muizenval. Maar hoe zit dat met een benzinemotor of een programmeerbare automaat? Laat ik eens proberen u, de analfabeet waarvan ik voorstelde dat u zich voorstelt dat u dat bent, uit te leggen hoe een programmeerbare automaat werkt. Dat moet natuurlijk kort, vanwege de aandachtspanne, en in eenvoudige woorden. Daar gaat ie.

Neem een velletje papier en houdt dit voor uw mond. Zeg dan het woord: wapper, met enige kracht. En zie wat er gebeurt. Als u deze instructie goed heeft opgevolgd, dan is het papiertje gaan wapperen toen u het woord uitsprak. Dat is nu het principe van de programmeerbare automaat. Het papiertje doet wat u heeft gezegd dat het moet doen: wapperen. We zeggen dan, in klare taal: het papiertje snapt wat ik met die opdracht bedoel. Hoe weet u dat het papiertje dat snapt? Omdat u dat ziet gebeuren. Kijk dan, het wappert toch!

Het probleem kan zich nu voordoen (ik spreek uit ervaring) dat u niet snapt waarom dit een uitleg is van hoe een programmeerbare automaat werkt. Zo’n ding is toch veel ingewikkelder dan zo’n simpel papiertje waar je tegen aan praat! Zeker. Maar het gaat om het principe. Dat principe is dat we een instrument hebben gemaakt (het papiertje dat we voor onze mond houden, de hardware) dat als we die een opdracht geven door middel van taal (de programmeertaal, de software) er iets in werking wordt gezet in dat instrument, een fysisch proces, dat we kunnen beschouwen als de uitvoering van de opdracht die we in de taal hebben uitgedrukt.

De vorige zin is een complexe zin. Mijn stelling is dat we misschien wel simpele woorden en beelden kunnen gebruiken om iets uit te leggen, maar dat we dan altijd veronderstellen dat de ander die beelden als metaforen ziet, als een wijze van spreken, om iets anders, dat ingewikkelder is uit te leggen. En om dat in te zien moet je er zelf over hebben nagedacht. Anders snap je dat niet.

Aan de wapper-automaat kunnen we al zien dat de hardware zodanig gemaakt is dat deze geschikt is voor de uitvoering van de opdracht, het wapperen, die in de software van de taal is uitgedrukt. Software en hardware verhouden zich als de sleutel en het slot. Ook die zijn op elkaar afgestemd.

De filosoof Ludwig Wittgenstein schreef een van de moeilijkste teksten die de geschiedenis van de denkende mens heeft voortgebracht. Het is een tekst uit 1914-1918. Hij had er de hele periode van de Grote Oorlog aan het front mee rondgelopen. Er waren nog geen programmeerbare computers zoals we die nu kennen, alleen wat eenvoudige rekenmachientjes die konden optellen en aftrekken.

Wittgenstein staat met zijn gedachten aan de basis van het denken dat tot de programmeerbare automaat en de kunstmatige intelligentie (AI) heeft geleid. Daarom is het boeiend om zijn teksten te lezen. Omdat die een kijkje bieden in hoe hij dacht. Hoe hij dacht over hoe de woorden over de feiten gaan en hoe ze werken.

In de inleiding van het boekje (de Tractatus Logico Philosophicus) schrijft hij: “De gedachten die ik hier opschrijf zullen vermoedelijk alleen door die lezers verstaan worden die deze gedachten, of vergelijkbare, zelf al eens gedacht hebben.

Als het zo is dat we alleen teksten kunnen snappen die gedachten uitdrukken die we zelf al eens gedacht hebben, wat valt er dan nog van anderen te leren? Dan is het gebruik van de taal inderdaad beperkt tot de praktische taalhandelingen die we in een ‘taalspel’ uitvoeren: “Mag ik vijf appels” of “Kijk uit, een slang!”.

Wittgenstein vond dat als iets gezegd kan worden, dat het dan ook helder gezegd kan worden. De eerste ‘stelling’ van de Tractatus is:

De wereld is alles wat het geval is.

Lijkt me een waarheid als een koe. De laatste is:

Waarover men niet spreken kan daarover moet men zwijgen.

Is er klaardere taal dan dit om te zeggen wat Wittgenstein zegt? Zijn boekje heeft veel van een dichtbundel. Een gedicht is als een dans. Je kunt het niet uitleggen.

Maar wat wilde hij ons met deze woorden zeggen? Had hij er niet wat meer woorden aan kunnen besteden? Volgens Wittgenstein schieten we daar niets mee op. Als je niet zelf hebt ingezien hoe een instrument werkt, dan snap je ook de teksten niet die je uitleggen hoe het werkt. En als je een keer hebt ingezien hoe het in elkaar zit dan heb je die tekst ook niet meer nodig. Dan kun je beter aan het werk gaan.

De diepe betekenis van de simpele woorden van Wittgenstein zijn voor ons, een eeuw nadat ze door hem gedacht zijn, misschien eenvoudiger te peilen dan voor zijn tijdgenoten. Misschien waren er twee mensen die het een beetje begrepen. De filosoof Bertrand Russell was er in elk geval niet een van. Volgens Wittgenstein had deze geleerde wiskundige logicus en filosoof niet begrepen wat hij bedoelde. Waarom zijn wij beter in staat de Tractatus te snappen? Omdat we gewend zijn aan de technologie van de sprekende machines, de sociale robots, de kunstmatige intelligentie. Ons denken, onze verhouding tot de taal en de werkelijkheid, is in de loop van de eeuw zodanig veranderd door de technologie dat we de zin van de woorden van Wittgenstein, die het idee van deze technologie intuitief aanvoelde, nu beter kunnen snappen dan zijn tijdgenoten die nog niet door de werkelijkheid van vandaag gevormd waren.

Het monosyllabilisme is een poging onze gedachten in uitsluitend monosyllabische woorden uit te drukken. Dat zijn woorden die slechts uit één lettergreep bestaan. Zoals: het zijn van een koe is niet niets. Misschien moeten we onze politici bekeren tot het monosyllabilisme. Het is een goeie oefening in taal om een tekst, zoals een verkiezingsprogramma, in monosyllabische taal over te zetten.

In de tijd dat u dit leest zijn er in Gaza weer kinderen overleden. Ze zijn het slachtoffer van het oorlogsgeweld. De geleerden: politici en experts op het gebied van het internationale oorlogsrecht buigen zich over dikke wetboeken en teksten waarin afspraken staan genotuleerd van gesprekken gevoerd tussen de strijdende partijen toen het even geen oorlog was. In die teksten hebben ze vast proberen te leggen hoe men zich heeft te gedragen. De vraag waar ze zich over buigen is of dit kind, dat net aan haar verwondingen overleed, slachtoffer is van een aanslag die valt onder het oorlogsrecht of niet. Ze zijn er nog niet uit. Andere geleerden schrijven er weer nieuwe artikelen over in internationale journalen.

Dat is wat onze geleerdheid doet met het nog ongeletterde, onschuldige kind, slachtoffer van de oorlog die begon met de strijdige interpretaties van oude, religieuze teksten waarin de geschiedenis de mensen beloftes zou hebben gedaan die ze maar niet na komt.

Kind in Gaza en rechts Emmanuel Levinas, frans-joods filosoof

Er schijnt een verschil te bestaan, zei de joodse filosoof Emmanuel Levinas, tussen de werkelijkheid die ons onmiddellijk aanspreekt en de interpretaties, de betekenissen die we, als geletterden, aan die werkelijkheid geven.

Aan die tekst moest ik denken toen ik het met bloed besmeurde gezichtje zag van het kind dat getroffen werd door de strijd om oude teksten.

Bronnen

Emmanuel Levinas (1971). Het menselijk gelaat. Vertaald en Ingeleid door O. de Nobel en A. Peperzak. Ambo, 1969, Bilthoven. Hierin: Betekenis en zin, pp.152-191. (Vertaling van La signification et le sens. in: Revue de Métaphysique et de Morale 69 (1964), 125-156.)

Emmanuel Levinas (1951). L’ontologie est-elle fondamentale? In: Revue de Métaphysique et de Morale 56 (1951) 88-98.

Ludwig Wittgenstein (1973). Tractatus logico-philosophicus. Logisch-philosophische Abhandlung. Ed. Suhrkamp, Uitgave 1973. Oorspronkelijke Duitstalige uitgave 1921.

Waarvan men niet kan spreken…

“The unspoken is present in all speech.” (Louk Fleischhacker)

If we ask the question “What is it Derrida is trying to say, here?” that very question—a mode of inquiry which seeks to discover what an author is saying in and by the writing—is logocentrism par excellence.” (David J. Gunkel In: Does writing have a future)

De stripfiguur Ollie B. Bommel eindigde zijn betoog vaak met de woorden: “Als je begrijpt wat ik bedoel”. Wat zou de heer Bommel moeten doen als het antwoord zou zijn: “Nee, ik begrijp het niet”? Nog eens hetzelfde zeggen, maar met andere woorden? Kan dat? Hetzelfde zeggen, maar dan precieser? Waarom kunnen we niet alles meteen zo helder en precies mogelijk zeggen?

Ik toon u hier niet wat woorden om u iets te lezen te geven. Ik heb u wat te zeggen. Het is alledaags, maar daarom niet minder opmerkelijk: dat wij door elkaar woorden aan te bieden iets voor elkaar kunnen betekenen. Kennelijk gaat er een werkelijkheid schuil achter dat aanbieden van woorden. Iets dat ter sprake gebracht wordt door de woorden.

“Dieses Buch wird viellecht nur der verstehen, der die Gedanken, die darin ausgedrückt sind – oder doch ähnliche Gedanken – schon selbst einmal gedacht hat.”

Met deze woorden begint Ludwig Wittgenstein het voorwoord van zijn beroemde Tractatus. Misschien kunnen alleen zij mijn woorden begrijpen die de gedachten die erin uitgedrukt zijn – of vergelijkbare – al eens zelf hebben gedacht.

In Plato’s Phaedrus vinden we een dergelijke gedachte. De tekst kan alleen de lezer herinneren aan iets dat hij al weet. ‘Hij die gelooft iets essentieels in geschrifte na te laten en anderzijds hij die dat aanvaardt alsof er enige klaarheid en vastheid uit lettertekens kan voortkomen, is wel erg naïef, want hij gelooft dat geschreven woorden iets meer vermogen dan hem, die reeds wéét datgene, waarop ze betrekking hebben, daar nog eens aan te herinneren.’ (Phaedrus 275c).

Wat heeft het voor zin een boek te schrijven als je denkt dat enkel die lezers het zullen begrijpen die zelf al eens hebben gedacht wat je ze wil vertellen?

En wat zijn dat eigenlijk: ‘Gedanken’ die in woorden en zinnen uitgedrukt zijn en die verschillende individuen kunnen denken en via de woorden kunnen delen met anderen?

Wittgenstein had toch kennelijk ons iets te zeggen. Het gaat over de wereld (‘alles wat het geval is’) en over de taal die deze in een systeem van zinnen afbeeldt. Om het daarover te kunnen hebben heeft hij de taal nodig. Maar waar gaat die dan over? Hij besluit zijn stellingen met:

“Meine Sätze erläutern daduch, dass sie der, welcher mich versteht, am Ende als unsinnig erkennt, wenn er sie – auf ihnen – über sie hinausgestiegen is. (Er muss sozusagen die Leiter wegwerfen, nachdem er auf ihr hinausgestiegen ist.) Er muss diese Sätze überwinden, dann sieht er die Welt richtig.” (6.54).

De filosoof moet de woorden die hem enig zicht op de werkelijkheid hebben verleend weer weggooien als de ladder waarmee hij naar boven is geklommen om van boven de wereld te kunnen beschouwen.

Wie de weg van de Tractatus gegaan is, die moet aan het eind gekomen wel inzien dat:

“Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.” (7).

In het woordje ‘muss’ komt de ethische en mystieke lading van deze slotconclusie en daarmee van de Tractatus tot uitdrukking: we moeten respect hebben voor de diepere dimensie van het bestaan door er niet over te spreken zoals we over de feiten spreken. De paradoxale slotzin van de Tractatus heeft tot heel wat discussie geleid. Had de schrijver zich niet wat ondubbelzinniger kunnen uitdrukken, vraag je je af.

“Ik vind dat dit resultaat precies de onzinnigste uitspraak is van de hele Tractatus” zegt Jan Hollak erover in zijn Afscheidscollege. Daarin gaat hij in op Wittgensteins stellingname tegen de metafysica, diens opvatting dat de taal van de metafysica onzinnig is. “Want”, vervolgt Hollak, “waarover men niet spreken kan, daarover kan men ook niet zwijgen. En het heeft dan geen zin te eisen dat men erover moet zwijgen. (…) Omdat men eenvoudig niets ziet. Er wordt hier betoogt door Wittgenstein dat wij door die houding aan te nemen zien wat we niet zeggen kunnen. In werkelijkheid zien we helemaal niets; dat is het resultaat van deze Tractatus.” Zo fulmineert Hollak tegen Wittgenstein. En zijn kritiek geldt niet alleen de Tractatus. “Ook in de Philosophische Untersuchungen zien we hetzelfde probleem optreden.”

Wat is dat probleem dat Hollak met de taalopvatting van Wittgenstein heeft? Welke is ‘die houding’ die Wittgenstein aanneemt waardoor we “zien wat niet gezegd kan worden”?

De taak van de filosofie is eigenlijk een onmogelijke, namelijk een logische taal ontwerpen die zegt wat in de dagelijkse taal op verhullende wijze wordt gezegd. Onmogelijk; want hoe leg je uit wat de relatie is tussen de uitdrukkingen in de formele taal en in de gewone taal? In Over de grenzen van de reflexiviteit vergelijkt Boukema dit met de functie van een oorlog die aan alle oorlogen een eind zou moeten maken. (Boukema, 1987, p. 14). Wittgenstein zag het als zijn taak een einde te maken aan de filosofie die toch eigenlijk een onmogelijke taak heeft. Het resultaat van deze ‘onmogelijke taak’ is de Tractatus.

Het is de mathematische houding in de Tractatus dat Wittgenstein een scheiding aanbrengt tussen ‘Sagen’ en ‘Zeigen’, tussen het feitelijke en het mystieke, tussen dat waarvan we kunnen spreken en dat waarover we moeten zwijgen. Maar die twee kún je niet van elkaar scheiden. “The unspoken is present in all speech and we cannot get rid of speech when trying to concentrate on the unspoken, and that is exactly the paradox of the last sentence of the Tractatus.” (Fleischhacker, 1995, p. 82)

Het spreken is een vorm van wijzen. Zolang je de aandacht richt op de wijzende vinger, snap je niet waar het om gaat. De laatste zin van de Tractatus drukt de interne spanning uit van het filosofisch taalgebruik, waarvan Wittgenstein pretendeerde voor altijd een einde te hebben gemaakt.

Ich bin also der Meinung, die Probleme im Wesentlichen endgültig gelöst zu haben.”

Waarmee overigens, zo voegt hij toe, weinig verandert is. (Hetzelfde idee dat je hebt wanneer je een bewijs van het (niet) bestaan van God wordt geleverd.)

In de Philosophische Untersuchingen (PU) gaat het over de taal als sociaal medium, als onderdeel van een levensvorm. Eerst was het idee dat de logicus nodig was om te zeggen wat de mensen precies bedoelen wanneer ze een zin uitspreken, op grond van de logische structuur van de werkelijkheid. De zoektocht is nu naar de regels van het dagelijkse taalgebruik zelf, waarbij het feitelijk gebruik van de taal leidend is. “De filosofie mag het feitelijk gebruik van de taal op geen enkele manier aantasten, zij kan dit gebruik uiteindelijk dus alleen beschrijven. Zij kan er ook geen reden voor geven. Zij laat alles zoals het is.” (PU 124). Het gaat echter ons zelf om het ophelderen van verwarringen die door het gebruik, de werking, van onze taal ontstaan.

In PU 7: “We kunnen ons ook indenken dat het hele proces van het gebruik van de woorden in (2) een van die spelen is waardoor kinderen hun moedertaal leren. Ik zal deze spelen ‘taalspelen’ noemen, en van primitieve taal soms spreken als een taalspel. (…) Ik zal ook het geheel: de taal en de activiteiten waarmee ze verweven is, het ‘taalspel’ noemen.”(PU 7)

Dit idee ‘taalspel’ en ‘spel’ in het algemeen zal de nieuwe tijd meer en meer beheersen. De opkomst van de ‘games’ industrie, de opvatting dat het leven een soort spel is. De verwarring en vervaging van het onderscheid tussen leven en spelen is een gevolg van het identificeren van de wijze waarop we het leven van buiten af beschrijven en beregelen in wetenschap en praktijk met het spontane ongereflecteerde leven zelf, het leven zoals we dat beleven. Het leven is een project binnen een zelfgekozen spelvorm met winnaars en verliezers.

De kern van de kritiek van Hollak is dan ook dat er in de Tractatus een formele identiteit is tussen de ideale taal en de feiten. Daardoor kan over de verhouding tussen beide niet meer zinvol gesproken worden. De taal zou geen ruimte bieden voor reflectie. In de Untersuchungen komt dit hierin tot uitdrukking dat de taal, en dat is de gewone omgangstaal, die als norm genomen wordt van zinvol taalgebruik, behoort tot een levensvorm en een taalspel. De betekenis van de woorden wordt bepaald door het gebruik ervan in een taalspel. Dat we in taal onze belevingen en ervaringen verwoorden, dat is een aspect van taal dat bij Wittgenstein uit het zicht is verdwenen. Weliswaar hebben we de taal nodig om onze Gedanken in uit te drukken, maar we moeten een onderscheid blijven maken tussen de uitdrukking in woorden en dàt wat verwoord wordt.

In plaats van een verklaring te bieden van wat nou de betekenis van de woorden is, biedt Wittgenstein een algemene methode, namelijk dat je naar het gebruik moet kijken, om te zien wat de woorden betekenen. En dat gebruik speelt zich af in ‘Sprachspiele‘. Die bepalen dus feitelijk de betekenis. De taal moet puur functioneel bekeken worden, als een instrument waarmee we gedachten communiceren. Gedachten die dezelfde structuur hebben als de zinnen waarmee ze overeenkomen. De verschillende taalspelen en hun talen zouden disjunct zijn, volledig gescheiden.

Volgens Hollak is deze houding van Wittgenstein, net als de ‘Gedanke’, en het begrip ‘waarheidswaarde’, een erfenis van Frege: de identificatie van de wijze waarop men iets begript en uitdrukt met datgene wat men daardoor begrijpt en uitdrukt. Zoals we bij het maken van wiskundige berekeningen geen onderscheid maken tussen de tekens, de cijfers en de formules enerzijds en de mathematische objecten, de getallen en structuren waar ze naar verwijzen anderzijds. Deze identificatie van de talige kant en de inhoudelijke kant zien we ook in het begrip informatie, de vorm waarin we ‘de feiten’ communiceren, door ze in de schemas van de taal vast te leggen.

Filosofische teksten communiceren geen informatie aan de lezer. Het is de bedoeling dat de lezer meedenkt en de woorden slechts als verwijzers ziet naar datgene wat niet gezegd kan worden: “the unspoken that is present in all speech.”.

Wat expliciet gezegd wordt moet begrepen worden tegen een achtergrond die niet gezegd wordt. En deze verhouding tussen het gezegde en het niet-gezegde is een andere dan de formele relatie volgens welke de hoeveelheid informatie in een bericht kwantitatief bepaald wordt door het veld van mogelijke berichten waaruit het bericht geselecteerd is. Het mathematische van de Tractatus is precies de identificatie van deze twee verhoudingen. Dat verklaart het vermoeden door Wittgenstein uitgesproken in het voorwoord dat de lezer, de ontvanger van de boodschap, de Gedanken ervan bekend moet voorkomen. De spreker, schrijver, toont woorden die voorkomen in een systeem van zinnen. Zoals je een computer een programma toont.

Waar het Hollak om te doen is, is de filosofie in haar eigen waarde te laten tegenover de positieve wetenschap, tegen de moderne stromingen in waarin filosofie en positieve (natuur- zowel als geestes-)wetenschappen voortdurend door elkaar lopen. En dat heeft volgens Hollak alles te maken met het feit dat men het hypothetische karakter van de wetenschap niet voldoende onderkent.

Wat bedoelt Hollak daar mee? Ik zal in het vervolg een recent voorbeeld geven van recent hypothetisch onderzoek om mijn antwoord op deze vraag te presenteren.

Wat dat ‘hypothetische karakter van de wetenschap’ betreft onderscheid ik fundamenteel hypothetisch en methodisch hypothetisch. Met het fundamenteel hypothetische karakter van de wetenschap wordt bedoeld dat de wetenschap uitgaat van de aanname dat de werkelijkheid door ons denkend te begrijpen is en in theoretische structuren te vatten is. Feiten worden niet op zich, als feit, genomen maar beschouwd als functies van zekere condities: als dit en dit dan gebeurt er dat. Met het methodisch hypothetisch karakter bedoel ik dat de bijzondere wetenschap voor haar onderzoek hypotheses opstelt die vervolgens door experimenteel onderzoek getoetst worden (falsificatie) en eventueel aangepast. Vaak worden deze hypotheses mathematisch uitgedrukt en statistisch getoetst aan de hand van (experimenteel verkregen) data.

Merk op dat een succesvol geslaagd experiment een methode/regel geeft (van de vorm “als A dan B”) die eventueel technisch gebruikt kan worden: om B te realiseren moeten we condities A realiseren. De werkende techniek levert een pragmatisch ‘bewijs’ voor de ‘waarheid’ van de theorie. Het doet er niet toe hoe we de (statistische) theorieën moeten interpreteren, waar de theoretische noties in de werkelijkheid naar refereren. Is licht een golf of deeltje? Het hangt af van de hypothese die we opstellen en het meetsysteem hoe de natuur zich toont. Als het experiment, maar reproduceerbaar is dan hebben we een bruikbare regel. (zie de discussie Einstein/Bohr over de onzekerheidsrelatie in de kwantummechanica) . “De kwantumtheorie werkt”, zei de fysicus Gerard ‘t Hooft. (Zie Hiroshima, zie kerncentrales). En dat is voldoende bewijs van de ‘waarheid’ van de kwantumtheorie. Waarheid is gedefinieerd in termen van technisch/economisch succes.

De hypothetische machine. Heeft AI bewustzijn?

Is het dier een machine, een soort uurwerk, zoals Descartes dacht. De cartesianen hebben in de discussie over de geloofwaardigheid van het mechanisch uurwerk als model voor het dier een argumentatiestrategie benut die ook in het AI debat met betrekking tot de vraag of AI bewustzijn heeft wordt gehanteerd. Ze gaven toe dat de bestaande machines geen plausibel model voor het dier waren, maar “de werkelijk interessante vraag was volgens de cartesianen of het denkbaar is dat ooit een nog te bouwen machine een geschikte simulatie van het dier zal zijn.” (Draaisma, 1986).

De discussie werd verplaatst van het niveau van de feitelijkheid naar het niveau van de denkbaarheid, de hypothetische machine. Dat het denkbaar is werd door de cartesianen verdedigd door te wijzen op het feit dat de mens in staat is steeds complexere machines te bouwen. Het extrapolatie-argument werd ingebracht te samen met de aanname dat het slechts om een verschil in complexiteit van het systeem gaat: de meeste dieren tonen complexer gedrag dan met bestaande machines kan worden gesimuleerd. Dat is het verschil: niet wezenlijk, maar kwantitatief, bijkomstig.

De vraag of AI bewustzijn heeft, of misschien beter: of we een AI systeem als een bewust wezen moeten beschouwen, is weer aktueel nu kunstmatige intelligente ‘machines’ steeds beter in staat zijn aktiviteiten te verrichten waarvan sommigen vinden of vermoeden dat ze die alleen kunnen wanneer er sprake is van bewustzijn. Sociale robots worden door sommigen als ‘levenspartners’ beschouwd en mensen voeren geanimeerde gesprekken met AI programma’s zoals ChatGPT. De sprekende robot zou als juridisch persoon moeten worden opgenomen in de ‘morele cirkel’ van statushouders, die beschermd moeten worden en verantwoordelijke gehouden voor hun ‘handelen’.

Naast de treffende overeenkomsten in argumentatie is er ook een verschil in argumentatie tussen het debat over de bête-machine en het huidige debat over bewustzijn van AI systemen. Neurologisch onderzoek naar de werking van het brein heeft allerlei theorieën en modellen opgeleverd die een verband aangeven tussen verschillende neurale structuren en hersenfuncties, en bepaalde ‘gedragingen’ die we bij de mens constateren en waarvoor we bewustzijn als noodzakelijke voorwaarde zien.

Onlangs verscheen in het arXiv preprint repository het artikel Consciousness in Artificial Intelligence: Insights from the Science of Consciousness (2308.08708). Het gaat over de vraag of AI bewustzijn heeft of kan hebben. Onder de negentien auteurs zijn neurowetenschappers, cognitiewetenschappers, computerwetenschappers en filosofen.

Het artikel presenteert op basis van neuro-wetenschappelijk onderzoek een checklist van ‘bewustzijnsindicatoren’, eigenschappen waaraan een entiteit moet beantwoorden opdat er een kans is op de aanwezigheid van bewustzijn. Het team heeft onderzocht of huidige AI systemen voldoen aan genoeg indicatoren om te kunnen stellen dat er van bewustzijn sprake is.

Computationeel functionalisme als werkhypothese

Als ‘werkhypothese‘ zijn de auteurs uitgegaan van de stelling dat het voor bewustzijn noodzakelijk en voldoende is dat het systeem ‘het juiste soort van berekeningen maakt’ (“the thesis that performing computations of the right kind is necessary and sufficient for consciousness”). Het gaat er dus om hoe een systeem informatie verwerkt; niet om wat voor materiaal daarvoor wordt gebruikt. Deze hypothese, ‘computationeel functionalisme’ genoemd, wordt vaak aangenomen door philosophers of mind, maar staat sinds jaar en dag ook onder felle kritiek (o.a van Hubert Dreyfus, John Searle, die zich baseren op werk van o.a. Heidegger en Merleau-Ponty. Zie ook het werk van Maarten Coolen, De Machine Voorbij.

Bijvoorbeeld wordt ‘self-attention’ in deze doctrine gedefinieerd als een “process in AI in which information about multiple input tokens is integrated through pairwise interactions between functional units”.

Een tweede uitgangspunt van de onderzoekers is dat neuro-wetenschappelijke theorieën over bewustzijn functies hebben opgeleverd die noodzakelijke en voldoende indicatoren zijn voor de aanwezigheid van bewustzijn. Deze functies, of vergelijkbare, zouden vanwege de hypothese ook toepasbaar zijn op AI systemen. Omdat er veel neurologische theorieën over bewustzijn bestaan, zijn uit elk van de belangrijkste theorieën een aantal indicatorfuncties genomen. Het idee is dat naarmate een systeem aan meer van deze functies voldoet de kans des te groter is dat er bewustzijn is. Zo lijkt het onderzoek dus een (voorlopige: de neuro-wetenschap kan in de toekomst betere indicatoren opleveren) operationele definitie op te leveren voor de kans dat een systeem over bewustzijn beschikt. Waarbij bewustzijn in termen van een aantal functionaliteiten is vastgelegd.

Een alternatieve methode van onderzoek zou zijn om het interaktief ‘gedrag’ van AI systemen te onderzoeken op de mogelijke ‘aanwezigheid van bewustzijn’. Maar, zo stellen de auteurs, AI systemen zoals ChatGPT zijn erg goed in het simuleren van menselijk gedrag, daarom is zo’n gedragstest geen goede test op aanwezigheid van bewustzijn. In hun conclusie merken ze nog op dat ze niet uitsluiten dat een beslissende gedragstest in de toekomst mogelijk is.

We zien hier nog een verschil met de situatie ten tijde van de discussie over de bête-machine drie eeuwen geleden. Gedragsimulaties worden inmiddels zo goed bevonden dat het machine gedrag op zich niet als indicatie van bewustzijn wordt gezien. Terwijl dat gedrag juist voor mensen de reden is om te denken dat de AI robot cognitief bewustzijn en gevoelens heeft. Simulatie door een machine wordt dus door de wetenschap onderkend als ‘slechts simulatie’. De wetenschapper weet immers dat de robot door technologen (mede-auteurs) op basis van de wetenschappelijke modellen gemaakt is, niettemin wordt de vraag gesteld of de robot bewustzijn heeft. De enige manier om hier achter te komen is door ‘onder de hoed’ te kijken en het systeem ‘inwendig’ te onderzoeken.

Wat denken ze daar te vinden? Zou je denken. Hegel wist wel wat je aantreft als je de hersenpan licht op zoek naar de geest: “nur Knochen”.

Het testen van een AI systeem op de aanwezigheid van bewustzijn komt er op neer voor elk van de theoretische modellen te analyseren of het AI systeem dit geimplementeerd heeft. Bijvoorbeeld, volgens de Global Workspace Theory zou een bewust systeem een modulaire opbouw moeten hebben waardoor het verschillende taken parallel kan uitvoeren, maar waarbij er ook sprake is van het verdelen van de schaarse aandacht over de te verrichten taken. Typische functies die we bij mensen ook tegen komen en die gezien worden als bewustzijnsindicatoren.

De uitkomst van het onderzoek “suggereert” dat geen van de geteste AI systemen bewustzijn heeft. “This work does not suggest that any existing AI system is a strong candidate for consciousness.” De auteurs zien echter geen barrières die de verwerkelijking van bewuste AI systemen in de toekomst in de weg zouden kunnen staan. Met andere woorden: het is volgens de wetenschappers (en filosofen) denkbaar dat een technisch systeem bewustzijn heeft.

In het onderzoek dat een antwoord moet geven op de vraag of huidige AI systemen bewustzijn hebben is de methodische hypothese dat mens en machine onder de zelfde categorie van informatieverwerkende systemen vallen. Kortgezegd: de ‘werkhypothese’ is: een mens is een informatieverwerkend systeem, net als een programmeerbare automaat. Dit houdt in dat de mens geïdentificeerd wordt met een wetenschappelijk systeem, dat is een systeem dat gebaseerd is op de correspondentie tussen denkprocessen en fysische processen (zie Herz). De fundamentele aanname van de wetenschap dat de werkelijkheid door het verstand begrepen kan worden, wordt hier nog eens ‘overruled’ door de hypothese dat deze twee identiek zijn. Deze identificatie werd door Hegel uitgedrukt met de beroemde woorden:

Was vernüftig ist, das is wirklich;

und was wirklich ist, das ist vernünftig.

(G.W.F. Hegel. Grundlinien der Philosophie des Rechts, Vorrede, 1820)

Althans in principe, als idee. Over de kwestie of Hegel zelf aanhanger was van de doctrine van het absoluut idealisme, inhoudende de identificatie van werkelijkheid en redelijkheid, verenigd in een Absoluut Wezen, is het laatste woord nog niet gesproken. Hans Küng merkt op dat velen van mening zijn dat “alles weliswaar nog niet verstandig is, maar dat het wel verstandig kan worden”. (Küng, p. 190).

Hetzelfde optimisme dat we bij de auteurs van het artikel tegen komen. Hetzelfde grenzeloze geloof in de technologie.

“Het zelfbewustzijn bereikt zijn bevrediging alleen in een ander zelfbewustzijn” (Hegel). Is het misschien de behoefte aan zelferkenning dat de mens een zelfbewustzijn zoekt in de intelligente machine? Maar de mens weet toch dat hij de machine gemaakt heeft voor zichzelf als instrument. Zo lijkt de technische mens verscheurd tussen geloven en weten.

Hoe vaak lezen we niet in de krant koppen inhoudende dat AI intelligenter is of een taak beter kan uitvoeren dan de mens. Dan wordt ‘AI’ niet meer gezien als een instrument, dat door de mens gebruikt wordt, maar als een zelfstandige entiteit.

“Onder de conditie dat een computer een technisch produkt is, kun je niet zinvol de vraag stellen of hij net zo intelligent is als de mens.” (Louk Fleischhacker in Ta! Jaargang 2, Nr 3. 1994) En ook niet of de machine bewustzijn heeft.

Met betrekking tot de mogelijkheden en de prestaties van de techniek worden de meest onzinnige vragen gesteld en onzinnige beweringen gedaan. Onzinnig omdat niet goed onderscheiden wordt de normale dagelijkse betekenis van de woorden en de betekenissen die de woorden hebben gekregen door de wetenschappelijke reconstructie ervan. We projecten de wetenschappelijke structuren op de werkelijkheid en doen alsof ze van die werkelijkheid zelf zijn.

Maar waarheid en bewijsbaarheid in een formeel systeem zijn twee totaal verschillende begrippen, ook al heeft de wetenschap bewijsbaarheid in de plaats gesteld van waarheid. Ook al hebben we een machine kunnen maken die de facto ‘goede zinnen’ produceert volgens een bepaald algoritme, dan nog zijn ‘goede zin’ en een ‘goede zin zoals geproduceerd’ niet synoniem. De machine kan kapot gaan, het algoritme of het onderliggende model kan een fout bevatten.

Het formele systeem heeft alleen betekenis voor ons als formalisering van het inhoudelijke intuïtieve gedoe. De maat is als maat van een andere orde dan dat wat er mee in de realiteit gemeten wordt. De ‘goede zin’ is maat waaraan de goede zinnen uit de machine gemeten worden. Het is de mens die uiteindelijk de betekenis van de woorden die de ‘AI spreekt’ bepaalt. Wij mensen zijn zoals de Jehova getuige die zei: “En God zei terecht dat het goed was.”.

Te geloven dat de machine kan denken, is net zo (on)zinnig als te geloven dat de appel die uit de boom valt al vallend met behulp van de wetten van de Newtonse mechanica berekent met welke snelheid hij op de grond moet neerkomen. Maar zijn wij het niet die de appel gebruiken om bijvoorbeeld de cumulatieve rente op ons kapitaal of de toename van het aantal deeltjes te berekenen?

We hebben de neiging waarheid af te leiden uit succesvol zijn. Wanneer een methode ‘werkt’ dan gaan we er vanuit dat we de werkelijkheid kennen, dat is: op correcte wijze hebben gemodelleerd. Ook al weten we uit ervaring hoe voorlopig dit ‘werken’ van onze methodes en technieken is. Omdat het op contingente feiten berust en niet op noodzakelijke inzichten.

De wereld zoals die in onze wetenschappelijke beschouwingen aan ons verschijnt is niet dezelfde als de belevingswereld, de wereld van onze relaties met de dingen en de anderen.

Door alles door een wetenschappelijke, technische bril, functioneel te zien verdwijnt de mogelijkheid om nog iets in zijn eigen waarde te begrijpen. Iets is mathematiseerbaar precies in zoverre we abstraheren van de eigen aard ervan. Dat is de voorwaarde onder welke de natuurwetenschap werkt. Afzien van de eigen waarde, de eigen aard van de natuur, door deze te objectiveren en ons er tegenover, er buiten te plaatsen.

De kritiek op het functionele, mathematiserende, denken treft volgens Hollak ook de ecologie.

“Die huidige ecologie wil natuurlijk wel dat de natuur tot zijn recht komt, maar die moet in zoverre tot zijn recht komen, dat wij kunnen bestaan en omwille van ons moet zij zo beheerst worden, die natuur.” (Hollak, Afscheidscollege, p. 442). De natuur zou volgens de ecologen aanvaard moeten worden in zoverre wij kunnen bestaan.

De natuur laat echter niet met zich experimenteren. We kunnen nog zo ons best doen om de randvoorwaarden zo in te richten dat ze naar onze pijpen danst, uiteindelijk doet die verdomde wolf gewoon wat zijn natuur hem ingeeft. “De wolf is niet af te brengen van zijn kijk op de dingen en vreet het schaap op.” (Kaube, p. 160)

We staan niet buiten de natuur, we maken net als de wolf en het schaap, deel uit van die natuur. Dat we als zelfbewuste, redelijke mensen ook boven de natuur staan doet niets af aan het feit dat we er onderdeel van zijn. De wolf verwerft geen zelfbewustzijn in de confrontatie met het schaap. Het ziet daarin geen ander, geen werkelijkheid, waaraan hij zich kan spiegelen als aan een ander zelfbewustzijn. De mens daarentegen kan zich verplaatsen in de ander. In principe. De ervaring leert hoe moeilijk het is de mens af te brengen van zijn ‘grensoverschrijdend’ gedrag. Het opstellen van gedragsregels en wetten helpt niet. Mensen zijn niet programmeerbaar. Regels waaraan de mens zich bij de ontwikkeling van technologie zou moeten houden werken alleen als mensen overtuigd zijn van het perspectief van waaruit die zijn geformuleerd en dat zich eigen hebben gemaakt. Er moet een (biologisch) ‘systeem’ zijn waarin die regels geimplementeerd kunnen worden, om het in de taal van de ingenieur uit te drukken. De mens gedraagt zich niet zoals de technicus denkt die het gedrag van de mens wil simuleren door een robot. Om het onderliggend ‘systeem’ te veranderen, moeten we de diepte in. Tastend naar dat waarover men niet spreken kan.

Bronnen en noten

Boukema, Harm, (1987). Over de grenzen van de reflexiviteit. In: Reflexiviteit en Metafysica. Bijdragen aan het symposium bij het afscheid van prof. J.H.A. Hollak. (Redactie: Louk Fleischhacker). Filosofische Reeks Centrale Interfaculteit Universiteit van Amsterdam, nr. 20. 1987, pp. 6-19.

Over de taal bij Wittgenstein.

Butlin, P. et al. (2023). Consciousness in Artificial Intelligence: Insights from the Science of Consciousness Preprint at https://arxiv.org/abs/2308.08708 (2023).

Dit artikel bespreek ik als recent voorbeeld van het ‘hypothetische’ karakter van de wetenschap. Filosofie en positieve wetenschap worden verward. Of iets bewustzijn heeft, bestaat, een feit is dat wordt door de wetenschapper als vraag gezien waarop door (experimenteel) onderzoek naar de feiten een antwoord kan worden gevonden.

Coeckelbergh, M., and Gunkel, D. 2023. ‘ChatGPT: Deconstructing the Debate and Moving It Forward‘ in AI & Society. Online first 21 June 2023.

Maarten Coolen (1992). De machine voorbij: over het zelfbegrip van de mens in het tijdperk van de informatietechniek. Boom Meppel, Amsterdam, 1992.

René Descartes (1937). Vertoog over de methode . Vertaling Helena Pos, Inleiding Prof. Dr. H.J.Pos. Wereldbibliotheek Amsterdam-W. 1937. Oorspronkelijke Franse uitgave: Discours de la méthode, 1637.

Douwe Draaisma (1987). De Machine achter het Gordijn – drie eeuwen debat over bewustzijn en mechanicisme. In Geest Computer Kunt (Peter Hagoort & Rob Maessen , red.) Uitgave van Stichting Grafiet, Utrecht, 1986.

De historicus Draaisma vergelijkt de discussie over de bête machine van Descartes inhoudende dat dieren mechanieken zijn met de huidige discussie over de competenties van AI.

Hij voorspelt hierin dat net als de salondiscussies over de bête machine, de academische discussies van tegenwoordig over een tijdje uitgewoed zijn met als resultaat dat dieren weer gewoon dieren, mensen gewoon mensen, machines machines en robots weer gewoon robots zijn. Hij lijkt gelijk te krijgen. Zie (Gunkel 2023).

Albert Einstein, B. Podolsky, and N. Rosen. (1935). “Can Quantum-Mechanical Descriptions of physical Reality Be Considered Complete?” Physical Review 47: 777-80.

“Every element of the physical reality must have a counterpart in the physical theory” Dit geldt niet voor de kwantum-mechanica. Deze kan daarom niet als volledig worden beschouwd. We moeten zoeken naar een aanvulling van de theorie.

Einstein kon niet accepteren dat de werkelijke toestand van een systeem pas door het observeren (meten) ervan bepaald wordt, zoals Niels Bohr beweerde. Volgens Bohr kun je de werkelijkheid niet beschrijven zonder de meetmethode te beschrijven. Het geeft een recept voor de reproduceerbaarheid van het meten.

Fleischhacker, Louk (1987). Het wiskundig teken. In: Reflexiviteit en Metafysica. Bijdragen aan het symposium bij het afscheid van prof. J.H.A. Hollak. (Redactie: Louk Fleischhacker). Filosofische Reeks Centrale Interfaculteit Universiteit van Amsterdam, nr. 20. 1987, pp. 20-37.

Louk Fleischhacker (1994). “De menselijke geest zit eigenlijk helemaal niet in elkaar.” Interview met Eric Oltmans in thema nummer Enschede – een technische blik op computerlinguïstiek. Ta! studentenblad computationele taalkunde, nr 3. jaargang 2, voorjaar 1994.

“Ik geloof niet zo erg in die geïsoleerdheid van culturen. Het is veel eerder een continuüm.”

“Het idee van vertalen gaat al uit van een discrete veelheid van talen, van een mathematisch model van wat een taal is. En als je dat nou houdt voor de werkelijkheid en dus denkt dat die verschilende culturen niets met elkaar te maken hebben, moet je wel tot de conclusie komen dat vertalen onmogelijk is. Dat was ook de fout van Wittgenstein die zei dat er verschillende taalspelen waren.”

Fleischhacker, Louk E. (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Zodra we bedenken dat taal ergens over gaat, maken we een onderscheid tussen het gebruik van taal en waar het over gaat. Maar deze twee komen niet gescheiden voor in werkelijkheid. We kunnen taal niet eens gebruiken zonder dat het ergens over gaat. Natuurlijk kunnen we ook naar de buitenkant, de structuur van de taal kijken, naar de woorden en zinnen van taal als op zich zelf staande objecten. Maar de taal die we zo bekijken is juist niet de taal als gebruikte taal. Dan is de taal onderwerp waar we het in taal over hebben.

Taal gaat ergens over. De woorden verwijzen naar een wereld buiten de taal. We kunnen het niet over taal hebben en over wat dan ook zonder taal te gebruiken. De mens zit echter niet gevangen in de taal. “If language is not considered to be about something, it cannot even be about itself, and we are no longer able to say that language is not about something.” (Fleischhacker 1995, p59-60). Het is dus logisch onmogelijk te ontkennen dat de taal over iets gaat dat buiten het spreken zelf ligt. Deze ontkenning is immers onmogelijk en zinledig zonder ervan uit te gaan dat ze ergens over gaat.

Begrijpelijk (intelligibel) zijn betekent dat het verstand (het intellect) er toegang toe heeft. De enige manier waarop dat zich kan manifesteren is dat er iets over gezegd kan worden dat zin heeft (makes sense). De taal is de wijze waarop de werkelijkheid intelligibel schijnt.

Fleischhacker, Louk (1999). De Henide als Paradigma: Otto Weiningers invloed op Ludwig Wittgenstein. In: De Uil van Minerva 15 nr. 3 (Lente 1999), pp. 161-178.

Frege, Gottlob (1892). Uber Sinn und Bedeutung. Opgenomen in: Gottlob Frege: Funktion, Begriff, Bedeutung, Uitgave: Vandenhoeck & Ruprecht in Gottingen, pp. 40-65, 1975.

Frege voert de term ‘Gedanke’ in voor de inhoud van een oordeelszin: ”Ein solcher Satz enthält einen Gedanken.” “Ich verstehe unter Gedanke nicht das subjektive Tun des Denkens, sondern dessen objektiven Inhalt, der fähig ist, gemeinsames Eigentum von vielen zu sein.” (Voetnoot p. 46).

“Warum genügt uns der Gedanke nicht? Weil und soweit es uns auf seinen Wahrheitswert ankommt. Nicht immer ist dies der Fall. Beim Anhören eines Epos z.B. fesselen uns neben dem Wohlklange der Sprache allein der Sinn der Sätze und die davon erweckten Vorstellungen und Gefühle. Mit der Frage nach der Wahrheit würden wir der Kunstgenuss verlassen und uns einer wissenschaftlichen Betrachtung zuwenden.” (Frege, Über Sinn und Bedeutung, 1892, p. 48)

Of het ons “gleichgultig” is dat ChatGPT ons een werkelijkheid voorstelt die waar is of niet, hangt daarvan af of we deze machine als kunstwerk dan wel ‘wetenschappelijk’ beschouwen.

“Ich verstehe unter dem Wahrheitswerte eines Satzes den Umstand, das er wahr oder das er falsch ist.” (Frege, 1892, Über Sinn und Bedeutung) De waarheidswaarde is iets dat als het ware van buiten af aan een oordeel toekomt. Het zijn de omstandigheden die een zin waar maken, zoals ze de feiten feitelijk maken.

Gunkel, David J. (2012). The machine question: Critical perspectives on AI, robots, and ethics. Cambridge: MIT Press.

Gunkel, David J. (2014). The Rights of Machines–Caring for Robotic Care Givers. Presented at AISB 2014. Chapter in the Intelligent Systems, Control and Automation: Science and Engineering book series (ISCA,volume 74).

Gunkel, David, Does Writing Have a Future? (September 2, 2023). Available at SSRN: https://ssrn.com/abstract=4578778 or http://dx.doi.org/10.2139/ssrn.4578778

Dit gaat over Logocentrisme. “Logocentrism identifies the assumed primacy and importance of the spoken word.” Volgens Derrida is de dichotomie tussen schrijven en spreken, prototypisch voor alle dichotomieen die het westerse denken sinds Plato’s Phaedrus beheersen. Het primaat van het spreken over het schrijven. Volgens Gunkel wijzen LLMs, en taalmachines als ChatGPT op deze overheersing van het logocentrisme. 1) Schrijven is een techniek, kunstmatig. 2) Schrijven is secuntair, spreken is primair 3) De schriijven/spreken dichotomie is prototypisch

“Plato thinks of writing, and tries to comprehend it, to dominate it, on the basis of opposition as such. In order for these contrary values (good/evil, true/false, essence/appearance, inside/outside, etc.) to be in opposition, each of the terms must be simply external to the other, which means that one of these oppositions (the opposition between inside and outside) must already be accredited as the matrix of all possible opposition.” And writing, Derrida concludes, “far from being governed
by these oppositions, opens up their very possibility without letting itself be comprehended by them.”

Wenen is belangrijk vanwege Weininger en Wittgenstein, de dichotomie in anti-semistisme, vanweg de henide, de bron van alle dichotomieën. Het onuitgesprokene als de afgrond van het spreken. Niet Derrida’s dichotomie spreken/schrijven, maar de relatie van het spreken met het onuitgesprokene is de bron van de dichotomieén in de westerse samenleving.

Zie (Fleischacker 1999) over de henide.

Gunkel, David J. (2023). Person, Thing, Robot A Moral and Legal Ontology for the 21st Century and Beyond, MIT Press, Open acces, September 2023.

“Ultimately, then, this is not really about robots, AI systems, and other artifacts. It is about us. It is about the moral and legal institutions that we have fabricated to make sense of Things. And it is with the robot— who plays the role of or occupies the place of a kind of spokesperson for Things— that we are now called to take responsibility for this privileged situation and circumstance.” (p. 184)

Heinrich Hertz (1894). Die Prinzipien der Mechanik in neuen Zusammenhange dargestellt. Mit einen Vorworte von H. von Helmholtz

De correspondentie tussen denkproces en natuurproces werd geformuleerd door de fysicus Heinrich Herz in de Inleiding van zijn Prinzipien der Mechanik.

Deze correspondentie is tot principe gemaakt in de informatietechnologie. Denkprocessen en fysische processen zijn uitwisselbaar. Ze zijn elkaars model geworden.

De AI (en iedere informatietechnologie is kunstmatige intelligentie) is gebaseerd op het principe van eenzinnige correspondentie tussen denkinhouden en fysische toestanden. De machine is zodanig gemaakt dat causale gevolgen van instellingen ervan die corresponderen met denkinhouden (ingevoerde gegevens, informatie) volgens fysische processen die zich in de machine voltrekken, resulteren in informatietoestanden die corresponderen met de denknoodzakelijke gevolgen van de ingestelde toestanden.

Hollak, J.H.A. (1968). Betrachtungen über das Wesen der heutigen technik. Kerygma und Mythos VI Band III, Theologische Forschung 44, 1968, Hamburg, Evangelischer Verlag, pp 50-73. Dit is de vertaling van het Italiaanse artikel (Hollak 1964) Ook opgenomen in de bundel Denken als bestaan, het werk van Jan Hollak (Hollak en Platvoet, 2010).

Hollak, J.H.A. (1964). Considerazioni sulla natural della tecnica odierna, l’uomo e la cirbernetica nel quadro delle filosofia sociologica, Tecnica e casistica, Archivo di filosofia, 1/2, Padova, 1964 pp. 121-146, discussie pp 147-152.

Hollak, Jan en Wim Platvoet (red.) 2010. Denken als bestaan: Het werk van Jan Hollak. Uitgeverij DAMON, Budel, 2010. In deze bundel het transcript van de opname van het Afscheidscollege over de hypothetische samenleving door Jan Hollak gehouden in Nijmegen op 21 februari 1986. Ook de inaugurele rede Van Causa sui tot Automatie is hierin opgenomen.

Volgens Hollak wordt alles tegenwoordig functioneel opgevat. “Het aanvaarden van een feitelijke toedracht is er niet meer bij.” (p. 436). Alles wat we kunnen observeren is maar zo onder bepaalde condities en hypothesen, die we zo weer kunnen veranderen. Feiten zijn functie-waarden van bepaalde aannames. Ook het tegendeel van een feitelijke toedracht wordt als mogelijkheid gezien. Terwijl als het een feit is dat vandaag de zon is opgegaan het toch niet meer zo kan zijn dat deze niet is opgegaan.

Ook al onze ‘leefverhoudingen’ worden volgens Hollak door de moderne wetenschap tot puur hypothetische, logisch mogelijke ietsen gemaakt. Het is niet zo dat onze wetenschap ons leven verheldert. Dezelfde aanklacht tegen de wetenschap zien we bij Husserl in zijn Krises der Europäischen Wissenschaften.

De moderne wetenschap is niet uit op in wezensinzichten. Factische en wezensinzichten sluiten nog altijd hun tegendeel uit.

“Ook de factische, niet waar, als Ceasar de Rubicon overtrekt, dan kan hij haar niet tegelijkertijd niet overtrekken. Hier wordt voortdurend gesteld: dit factische is mijn hypothese, het had net zo goed anders kunnen zijn. Het contingente bij een factsiche toedracht wordt hier gemaakt tot een puur formeel logische mogelijkheid: het kan evengoed zo en anders zijn. Het aanvaarden van een feitelijke toedracht is er niet meer bij.” (Hollak, Afscheidscollege, p. 436)

Jürgen Kaube (2022). Hegel – een biografie. Uitgeverij Ten Have, 2022.

Hans Küng (1978). Bestaat God? Uitgeverij Gooi en Sticht b.v., Hilversum. Vertaling van Existiert Gott? Verschenen bij R.Piper & Co. Verlag München/Zürich.

Het heimwee naar zekerheid blijft bestaan. “Het is niet verwonderlijk, dat juist wiskundigen buitengewoon veel belang bleken te hechten aan een onvoorwaardelijke, absolute zekerheid op het terrein van leven en het kennen. (…) De zekerheid van de wiskunde, die iedere twijfel uitsluit, werd in de moderne tijd het heimwee van de filosofen.” (Deel A. Verstand en geloof, Hoofdstuk I. Ik denk, dus ben ik? p, 23)

Albert Visser (1986). Kunnen wij elke machine verslaan? Beschouwingen rondom Lucas’ Argument. Dit artikel verscheen in 1986 in de bundel Geest, Computers en Kunst, een uitgave van de Stichting Grafiet.

“Het hele eiereten is dat ‘waarheid’en ‘bewijsbaarheid’ begippen zijn in termen waarvan we cognitief succes formuleren, terwijl een formeel systeem je een proces geeft waarmee je eventueel bewijzen kunt produceren. Vergelijk het met een stenenfabriek: aan de ene kant heb je de criteria waaraan een goede steen moet voldoen, aan de andere kant een produktieproces dat zulke goede stenen oplevert. Ook al levert het proces de facto goede stenen, nog steeds zijn ‘goede steen’ en ‘steen geproduceerd volgens het proces’niet synoniem: we kunnen ons voorstellen dat om een of andere reden die we totaal over het hoofd hebben gezien, het proces plotseling slechte stenen zou gaan opleveren. ‘Goede steen” correspondeert hier met bewijs, ‘proces’met ‘formeel systeem’.

Hier wijst Visser op het wezenlijke verschil tussen het formele systeem, zoals een grammatica of machine, enerzijds en het informele gedoe, de taal zoals we die spreken, ons werken, anderzijds. Het formele systeem heeft alleen betekenis voor ons als formalisering van het inhoudelijke intuïtieve gedoe. De maat is als maat van een andere orde dan dat wat er mee in de realiteit gemeten wordt. De ‘goede steen’ is maat waaraan de goede stenen van de fabriek gemeten worden.

Ook de ideale argumentatie in een formele logica is maat voor de feitelijke argumentatie die we in een argument geven. We kunnen ons best vergissen als we redeneren. We geloven dat we het goed doen.

Wittgenstein, Ludwig (1973). Tractatus logico-philosophicus. Logisch-philosophische Abhandlung. Ed. Suhrkamp, Uitgave 1973. Oorspronkelijke Duitstalige uitgave 1921.

Wittgenstein droeg de Tractatus (1921) op aan zijn vriend David Pinsent. In het voorwoord waarschuwt Wittgenstein zijn lezer: de stellingen in dit boek zullen vermoedelijk alleen begrepen kunnen worden door die lezer die zelf al eens dergelijke gedachten gehad heeft. Waarmee hij misschien wel een kerngedachte van zijn denken uitdrukt, namelijk dat de taal niet geschikt is om wezenlijke dingen mee te communiceren.

Wittgenstein, L. (1967). Philosophical Investigations. Transl. by Anscombe, G.E.M. Oxford: Blackwell

ChatGPT bezien vanuit Jan Hollaks kritiek op de taal bij Wittgenstein

“Ein Satz muss mit alten Ausdrücken einen neuen Sinn mitteilen.” (Ludwig Wittgenstein, Tractatus 4.03)

“Kennis kun je opschrijven en doorgeven, maar begrip zit in je hoofd.” (Vincent Icke, Licht, 2021)

Er zijn in de recente geschiedenis talloze voorbeelden te vinden van onderzoekers op het gebied van de kunstmatige intelligentie die beweerden dat de mens op bepaalde terreinen binnen een x aantal jaren door de computer voorbij gestreefd zou worden.

In 1957 beweerde AI-pionier Herbert Simon zelfs:

“Het is niet mijn bedoeling om U te verrassen of te schokken (…) maar de simpelste manier waarop ik het kan samenvatten is door te zeggen dat er nu machines in de wereld bestaan die denken, die leren en die iets kunnen voortbrengen.” (citaat uit: Nijholt en van den Ende, 1994)

In de jaren zestig ontwikkelde Joseph Weizenbaum het pratende computerprogramma ELIZA om aan te tonen hoe je met eenvoudige middelen binnen een geschikt gekozen domein een geloofwaardige computer kan maken. Mensen die met zijn programma een gesprek aan gingen vertoonden gedrag alsof ze met een echte psychotherapeut een gesprek voerden. Weizenbaum was verbaasd toen hij hoorde dat sommige mensen de machine zelfs bewustzijn toekenden.

Er is wat dat betreft niets nieuws onder zon nu AI-onderzoekers ons willen doen geloven dat met de nieuwste taalgenererende systemen (Generative Pre-trained Transformer models, GPTs) het punt bereikt is dat de computer de mens in intelligentie overtreft. Moeten we deze machines niet in juridische en morele zin als persoon beschouwen, is een onder ethici, juristen en filosofen heftig bediscussieerde vraag. Zie bijvoorbeeld het werk van David Gunkel over robot rights.

ChatGPT, het programma van OpenAI dat de wereld versteld doet staan over de mogelijkheden van taaltechnologie toont weer eens aan hoe diep de kloof is tussen de uitwendigheid van de taal en de geest van de taal en hoe desalniettemin het presenteren van de buitenkant van (taal)gedrag als vanzelf (‘automatisch’) de suggestie wekt van een binnenkant, een geest, ziel of bewustzijn. Deze vermeende geest zou de tekst zeggingskracht geven.

AI-systemen worden ‘autonoom’ (zelfstandig) genoemd. Er wordt wel gezegd dat AI functies van de mens gaat overnemen. Het beeld wordt geschetst van een AI systeem dat de huisarts gaat voorschrijven hoe hij een patiënt moet ‘behandelen’. De huisarts zou gereduceerd worden tot een ‘menselijke interface’ tussen patiënt en AI. Maakt AI de arts overbodig? Dat is de prangende vraag die Iris Loosman, ethisch beleidsadviseur van het KNMG stelt (Loosman 2023). Sommige mensen zijn bang dat AI zelfbewust wordt en zich tegen de mens kan keren, zoals het ‘monster van Frankenstein’. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid schreef recent een rapport Opgave AI (WRR 2021) waarin het pleit voor een realistischer beeld van AI. Te groot optimisme en overtrokken angsten acht de WRR ‘niet functioneel’. De WRR vindt Demystificatie van AI belangrijk om te zorgen dat de juiste vragen in de maatschappelijke discussie worden gesteld. Het gaat erom de verschillende beeldende verhalen die er van AI rondzingen tot begrip te komen.

Aan die demystificatie van AI wil ik graag een bijdrage leveren. Maar hoe doe je dat? Als de mystificatie van AI en het geloof in AI religieuze vormen heeft aangenomen, zoals sommige mensen stellen, dan zou het demystificeren van AI vergelijkbaar zijn met de poging mensen hun geloof in hun God af te nemen. We weten dat dat geen eenvoudige opgave is. Je kunt je zelfs afvragen of het wel wenselijk en toelaatbaar is dat een instituut als het WRR de regering hiertoe adviseert. Reklamespotjes schetsen typisch een onrealistisch positief beeld van het aangeboden produkt; of dat nu een auto, een staatslot of een vakantiereis is naar zonnige oorden.

Inzicht in de werking van AI en taaltechnologie is van belang om de suggestie die er van de intelligente machine uitgaat dat deze bewustzijn heeft bloot te leggen en het beeld van een geest in de machine te ontkrachten. Dit inzicht kan bijdragen aan het op verantwoorde wijze omgaan met deze technologie. Het beeld dat we van AI hebben moet ‘functioneel’ zijn, zoals de WRR het verwoord. Maar waarom moet alles functioneel zijn? Is dan de vraag die zich aandient. Is het niet een typisch kenmerk van onze door wetenschap en technologie beheerste samenleving dat alles functioneel moet zijn?

Op deze vragen ga ik hier in. Ik doe dat vanuit mijn achtergrond als informaticus en mijn interesse in de filosofie van het wiskundig denken en de technologie.

Ik heb in het verleden wel statistische taalmodellen gemaakt die getrained op de werken van Shakespeare nieuwe teksten konden genereren die voor de leek verrassend veel op diens teksten leken. Maar ik ben geen expert op het gebied van de nieuwste technieken op het gebied van ‘deep learning’, zoals die bij het maken van de state of the art Large Language Models (LLMs) zoals GPT-4 gebruikt worden. Wanneer hier van de ‘werking van taaltechnologie’ sprake is dan gaat het ook niet zozeer om de technische kant maar vooral over de werking van de taal bezien vanuit het perspectief van het technische gebruik ervan. Kennis van de werking van techniek is iets anders dan technische kennis. Net zo goed als retorica, de wetenschap hoe te overtuigen door middel van de taal iets ander is als kennis van de taal. We kunnen de discussie over de maatschappelijke betekenis van deze technologie dan ook niet overlaten aan de technologen en AI-onderzoekers.

Natuurlijk, de gedachte dat in de woorden en in de intelligente machines een ‘geest’ aanwezig is is niet geheel onzinnig. In zekere zin is de menselijke geest aanwezig in taal en techniek, zoals hij in zekere zin aanwezig is in alles wat hij gemaakt heeft; in de organisatie van de arbeid, in kunst en cultuur. Het gaat erom te begrijpen in welke zin we hiervan kunnen spreken. Die kwestie gaat de taal, die veelzinnig is, te buiten. Ze verwijst naar een dimensie van de taal die de taal opgevat als geheel van teksten principieel overstijgt. Het gaat om het begrip dat we in taal uitdrukken. Die veelzinigheid is een belangrijke eigenschap van onze taal. Wanneer we een instrument of machine ‘slim’ of ‘intelligent’ noemen dan bedoelen we iets anders dan wanneer we een mens ‘slim’ of ‘intelligent’ noemen. De vraag is wat de relatie is tussen die twee betekenissen en gebruikswijzen.

Intelligentie herkennen we in de uitoefening van het vermogen te redeneren. Wat machines ‘van nature’ kunnen is ‘rekenen’: werken volgens herhaald toepasbare regels, natuurwetten. Om de werking van de machine te kunnen zien als redeneren moeten we het redeneren als een vorm van rekenen opvatten.

In zijn essay Over de zogenaamde ‘denkmachine’ wijst de bekende logicus en filosoof Evert W. Beth (1909-1964) er op dat Aristoteles reeds bekend was met de analogie tussen rekenen en redeneren. In De sophisticis elenchis (On Sophistical Refutations) wijst Aristoteles op de verschillende denk- en redeneerfouten die mensen maken door de veelzinnigheid van de taal en de ambiguiteit van de woorden.

Beth geeft de Nederlandse vertaling van een passage uit het eerste deel, sectie 1 van Aristotles’ De sophisticis elenchis waarin Aristoteles wijst op de analogie tussen het redeneren met woorden en het werken met rekensteentjes (calculi).

Want omdat het niet mogelijk is, bij het redeneren de dingen zelf mee te brengen, maar wij in plaats van de dingen de woorden als symbolen gebruiken, menen wij dat awat voor de symbolen geldt ook voor de dingen opgaat, zoals dat bij de rekenaars met de rekensteentjes het geval is. Maar die vergelijking gaat niet op, want de woorden en de uitspraken zijn begrensd, de dingen echter zijn oneindig in aantal. Het is derhalve onvermijdelijk dat één en dezelfde uitdrukking en één en hetzelfde woord meer dan één ding aanduidt. Zoals derhalve de in het hanteren van de rekensteentjes onbedrevenen door de daarin bedrevenen worden beetgenomen, zo misrekenen ook zij zich die niet op de hoogte zijn van de draagwijdte van uitdrukkingen en van de woorden, zowel wanneer ze zelf redeneren als wanneer ze anderen aanhoren.

De Stagiriet waarschuwt voor de sofist die bedreven in de taal de luisteraar misleidt door misbruik te maken van de verschillende betekenissen van de woorden en uitdrukkingen.

Ook de uitdrukking ‘taalgebruik’ is dubbelzinnig en kan derhalve tot verwarring leiden. Wanneer we het hebben over het ‘taalgebruik’ door ChatGPT dan bedoelen we daarmee iets heel anders dan wanneer we het hebben over het ‘taalgebruik’ door mensen.

Een taalgenererend programma zoals ChatGPT kan gebruikmakend van statistische taalmodellen met vele miljoenen (175 miljard) parameters teksten produceren die vaak niet van door mensen geproduceerde teksten te onderscheiden zijn. Die taalmodellen zijn gevuld (‘getrained’) door enorme hoeveelheden teksten die op het internet beschikbaar zijn te verwerken. Statistische analyses van deze teksten leveren kennis op over de kans welke woorden, in een bepaalde contekst, het meest waarschijnlijk volgen op een gegeven rijtje woorden. Ze maakt dus gebruik van de regelmatigheden en patronen die in de taal voorkomen. Deze kennis (eventueel aangevuld met wat kennis over lexicale en grammaticale regelmatigheden in de taal) wordt in de vorm van algoritmes uitgedrukt die gebruikt worden om nieuwe teksten te produceren op basis van een door de gebruiker ingevoerde tekst die een vraag of opdracht bevat. Taaltechnologie berust dus op het wiskundig, vaak statistisch, modelleren van (het gebruik van) de taal, zoals dat is opgeslagen in electronische tekstbestanden (taalcorpora).

Hieronder zie je een reactie van ChatGPT wanneer je “deze wijst op het feit dat sprekers normaliter geacht worden verantwoordelijk te zijn voor wat ze zeggen” .

Mijn opmerking was (dat wil zeggen: de tekst die ik het systeem aanbood was:)

“The point I want to make is that use of language in a mechanical way as you do is not responsible. Do you mean that to make it ethical it is enough to say that you are not using language the way humans do ?”

Een stukje tekst geproduceerd door ChatGPT

Wat ChatGPT hier produceert is een tekst waarin beweerd wordt dat ook deze machine ‘slechts’ een stuk gereedschap is. En dat de verantwoordelijkheid voor het gebruik ervan geheel bij de gebruiker ligt. Maar is een machine die ‘van zichzelf’ beweert dat deze slechts een stuk gereedschap is al niet meer dan dat? De suggestie is in elk geval dat de machine die dit beweert ook weet wat hij daarmee zegt.

Waarom is het zo verrassend voor veel mensen dat deze taalmachines zulk schijnbaar intelligent taalgedrag vertonen terwijl ze alleen maar werken met statistische correlaties op het voorkomen van woorden in taalcorpora?

Merk op dat bij het gebruik van ‘natuurlijke taal-interfaces’, zoals bij geldautomaten die in de taal van de gebruiker hem instrueert wat te doen (“Toets uw pincode in”) het niet de bedoeling is om mensen de indruk te geven dat er iemand is die weet en bedoeld wat er gezegd wordt. Het is niet de opzet van de makers de gebruiker te misleiden te denken dat de machine ook aktief bedoeld wat het zegt. Het gaat erom dat het werkt. Het motief is de gebruiksvriendelijkheid van de interface te verbeteren, door deze in zijn eigen taal te zeggen wat deze moet of kan doen.

De verkopers van de technologie van de ‘kunstmatige intelligentie’ hebben er belang bij het beeld van de machine die de mens in kennis naar de kroon steekt hoog te houden. De opvolger van ChatGPT GPT-4 zou het ideaal van algemene kunstmatige intelligentie (AGI, artificial general intelligence), een machine die vele taken die voorheen alleen door mensen konden worden uitgevoerd, weer een stap dichter bij brengen (Bubeck et al, 2023). De machine zou meer dan een stuk gereedschap, meer dan een technisch middel, zijn. Het verhaal dat ze verkopen is dat hun sprekende machines niet alleen teksten produceren, maar ook steeds beter weten wat waar is, en oplossingen kunnen bedenken voor lastige problemen.

Het gevaar van AI zit hem niet in het feit dat de machines werkelijk de macht van de mens overnemen. Het gevaar is dat mensen dit verhaal geloven. Het gevaar zit hem er in dat mensen de machine capaciteiten toedichten die niet verantwoord kunnen worden op grond van inzicht in deze technologie. En dan zou het wel eens kunnen zijn dat AI de macht over heeft genomen. Nu al hoor je met enige regelmaat mensen bepaald gedrag verantwoorden met de woorden: “De computer zegt het.” We accepteren AI te pas en te onpas als autoriteit. Dat is ook de stellingname van het WRR in hun rapport Opgave AI. Inzicht in de werking van deze technologie kan een belangrijke bijdrag leveren in het ontkrachten van dit verhaal, en kan tot een realistischer en meer verantwoord gebruik van de zogenaamde intelligente sprekende machines leiden. We horen wel zeggen dat de makers van deze intelligente systemen zelf niet eens weten hoe ze werken. Dat komt omdat deze systemen zulke complexe netwerken bevatten dat het niet meer traceerbaar is hoe het systeem er toe komt een bepaalde tekst te produceren.

Het is natuurlijk heel gebruikelijk in de wereld van de commercie om ten behoeve van de verkoop ervan produkten eigenschappen toe te kennen die bij de consument aanslaan. Het produkt wordt vaak geidealiseerd, gemystificeerd. De verkoper belooft gouden bergen. De mens is gemakzuchtig en goedgelovig als het hem zo uitkomt. Het automatisme waarmee de presentatie van een tekst het beeld van een subject dat deze tekst uitspreekt oproept berust op een aangeleerde gewoonte. We hebben de neiging onze eigen inbreng in het verschijnsel niet te zien: dat wij het zelf zijn voor wie de woorden die we lezen de betekenis hebben die wij er in zien.

ChatGPT heeft opnieuw de discussie aangewakkerd of de machine werkelijk met kennis van zaken spreekt of alleen maar teksten produceert waarmee het de illusie wekt te weten waar het over spreekt. Anderzijds is het de vraag of mensen niet iets doen dat vergelijkbaar is met wat deze machines doen. Kunnen we uit de performances van de machine conclusies trekken over diens competences?

Rodney Brooks, expert op het gebied van de robotica bij MIT, schrijft in zijn blog post What will transformers transform?, een commentaar op de GPT hype :

“This inference of AI arriving momentarily is a clear example of how people mistake performance for competence.

We [humans] are able to generalize from observing performance at one task to a guess at competence over a much bigger set of tasks. We understand intuitively how to generalize from the performance level of the person to their competence in related areas.

Maar wat voor mensen geldt gaat niet op voor AI systemen. Het blijkt vaak meer toeval te zijn dan wijsheid wanneer zo’n systeem iets intelligents te berde brengt.

Er lijken twee verschillende wereldbeelden en mensbeelden te zijn die bepalen welk standpunt men inneemt ten aanzien van de mogelijkheden en de grenzen van de taaltechnologie en de kunstmatige intelligentie in het algemeen. Kunnen we onze verstandelijke vermogens zelf in de machine stoppen of alleen de uitingen ervan? Daarin speelt een belangrijke rol hoe we over taal denken en welke rol de taal in ons denken en leven speelt. Hoe verhoudt onze kennis van de werkelijkheid zich tot de taal waarin we die kennis uitdrukken?

Het zijn inmiddels klassieke vragen uit de wetenschaps- en taalfilosofie.

Taal gaat ergens over. De woorden verwijzen naar een wereld buiten de taal. We kunnen het niet over taal hebben en over wat dan ook zonder taal te gebruiken. De mens zit echter niet gevangen in de taal. “If language is not considered to be about something, it cannot even be about itself, and we are no longer able to say that language is not about something.” (Fleischhacker 1995, p59-60). Het is dus logisch onmogelijk te ontkennen dat de taal over iets gaat dat buiten het spreken zelf ligt. Deze ontkenning is immers onmogelijk en zinledig zonder ervan uit te gaan dat ze ergens over gaat.

In taal krijgen onze gedachten een concrete vorm. De machine gebruikt taal op een andere manier dan de mens. Wij kunnen taal niet gebruiken zonder in dat gebruik ook iets te bedoelen, zonder dat de taal in dit gebruik ergens over gaat. De machine gebruikt de taal in een heel andere zin. De machine manipuleert de woorden en zinnen van de taal. Het gebruikt de taal dus niet als taal, maar als een verzameling van objecten. Dat het produkt in de vorm van een tekst, een rij woorden, ergens over gaat, dat ligt volledig aan de kant van de gebruiker. Deze herkent in de woorden een betekenis die we er gewoonlijk als taalgebruiker mee bedoelen. Voor de machine hebben de woorden echter geen betekenis; de machine gebruikt de taal niet als taal, maar als mathematische objecten die door middel van fysische toestanden gepresenteerd worden. Zo is ook ‘taalgebruik’, net als ‘taal’, een veelzinnige term.

De functionele samenleving

Het college dat de filosoof Jan Hollak ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar in de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte gaf ging over de ‘hypothetische samenleving’. (Voor het transcript van de opnames ervan zie Hollak en Platvoet 2010). Hierin probeert Hollak in de beperkte tijd die hem daarvoor in zo’n college gegeven is zijn commentaar op de ‘moderne’ wetenschap- en taalfilosofie nog eens samen te vatten.

Der Satz ist ein Bild der Wirklichkeit: Denn ich kenne die von ihm dargestellte Sachlage, wenn ich den Satz verstehe. Und der Satz versehe ich, ohne dass mir sein Sinn erklärt wurde.” (Ludwig Wittgenstein Tractatus, 4.021)

Hollak komt in zijn college te spreken over een onderwerp waaraan hij in de loop der jaren in een aantal collegecycli al veel aandacht besteedde: de taal (de ‘uitdrukking van het denken als denken‘). Het gaat in het bijzonder over het woordgebruik en de betekenis van woorden in de gewone omgangstaal volgens de moderne taalfilosofen (logisch positivisten en structuralisten).

In zijn Tractatus stelt Wittgenstein de formele identiteit vast van de logische ‘Satz’ van de ‘Idealsprache’ met de logische structuur of de ‘Logik der Tatsachen’. Feiten zijn overeenstemming tussen de gedachte met wat gedacht wordt.

Wat gebeur hier?, vraagt Hollak. “Hier wordt niet voldoende onderscheiden tussen datgene wat ik zou willen noemen verwoording van iets – en wel in die zin dat iets wat ik ken en vat door middel van de taal verwoord wordt, en als zodanig naar voren gebracht en uitgedrukt wordt.”

In zijn Philosophische Untersuchungen wordt de taal door Wittgenstein als iets functioneels gezien. De betekenis van de taal wordt bepaald door het gebruik. Het verwoordingskarakter van de taal is geheel verdwenen, ten koste van de functionaliteit, haar gebruik voor een effect in een ‘Sprachspiel’, een levensvorm. 

Het taalgebruik in de politieke arena is zo’n ‘Sprachspiel’. Elk technisch taalgebruik is gebonden aan een bepaald spel, een levensvorm, het omgaan met instrumenten.

Bij Wittgenstein zien we dat de betekenis van de woorden geidentificeerd wordt met het gebruik ervan. Dit principe gebruikt Wittgenstein volgens Hollak in zijn strijd tegen de metafysica. Buiten het alledaagse gebruik betekenen de woorden niets, ze zijn zinloos.

Over deze identificatie zegt hij:

“Deze identificatie lijkt mij geheel en al onhoudbaar, en die komt hieruit voort, dat men voortdurend, reeds vanaf Frege, de wijze waarop men iets begrijpt en uitdrukt en datgene wat men daardoor begrijpt en uitdrukt geïdentificeerd heeft.” (p. 432)

De wiskundige en logicus Gottlob Frege (1848/1925) is één van de belangrijkste filosofen van de tweede helft van de negentiende eeuw. Vanwege de veelzinnigheid van de taal beschouwde hij deze als ‘mangelhaft’, wanneer het er om gaat het denken voor fouten te behoeden. Ook in de wiskunde wordt volgens Frege vaak gezondigd tegen de eis van helderheid. Aan deze onvolkomenheid van de taal wilde hij eind maken door een nieuwe tekentaal waarin tekens een eenzinnige betekenis hebben. Met zijn Begriffsschrift heeft Frege de basis gelegd voor de predikatenlogica en de mathematische logica, de wiskundige theorie van het wiskundig redeneren.

Hollak vervolgt:

“En niet alleen komt deze identificatie hier voor in dit geval. Het komt voortdurend in de verdere moderne filosofische stromingen voor. Want wat Wittgenstein hier doet, dat is toch eigenlijk niets anders dan te zeggen, dat je de taal puur functioneel moet bekijken. Nu, dat puur functioneel bekijken van taal en dat puur functioneel bekijken van allerlei toedrachten in de werkelijkheid, dat is typerend voor wat ik noem een hypothetische samenleving.”

Hollak ziet een verband tussen dit ‘puur functioneel bekijken van de taal’ enerzijds en wat we het hypothetiseren van de feiten zouden kunnen noemen in de moderne mathematiserende wetenschap. Een feit wordt gezien als een functie van de omstandigheden.

Een kenmerk van de hypothetische samenleving van Hollak is dat de wetenschappen van begin tot eind puur hypothetisch van karakter zijn. Een onderwerp waar ook Husserl in zijn Krisis der Europäischen Wissenschaften uitvoerig over komt te spreken wanneer hij het over de mathematisering van de natuurwetenschappen heeft. Door dat hypothetische karakter heeft de wetenschappelijke benadering een eigen zelfstandig karakter gekregen en heeft de positieve, mathematische, wetenschap zich onderscheiden van de filosofie.

De Hollandse wiskundige en natuurkundige Christiaan Huygens was volgens de historicus Cohen één van de eersten die expliciet wees op de betekenis van de hypothese in zijn methode van werken. Een aanname die voortdurend getoetst moet worden aan de zaak zelf.

Maar nu voor het eerst wordt [door Christiaan Huygens] een hele natuurfilosofie gehanteerd als hypothese, waarvan de bruikbaarheid niet bij voorbaat wordt aangenomen maar keer op keer opnieuw moet worden uitgeprobeerd. Wij weten allang niet meer beter; maar voor 1652-1656 was zelfs de mogelijkheid van zoiets niet onder ogen gezien.” (F. Cohen, De herschepping van de wereld. Citaat uit: Vincent Icke, Licht, p. 14)

Een cultuur waarin dit hypothetisch karakter van de wetenschap niet voldoende beseft wordt verwart wetenschap en filosofie en miskent zo de eigen waarde van zowel de wetenschap als de filosofie. Het is de moderne technologie, in de vorm van de kunstmatige intelligentie en automatie, die een nieuwe eigentijdse metafysica volgens Hollak noodzakelijk en ook mogelijk maakt. Deze technologie is de uitwendige objectivering van het mathematiserende moderne denken, het denken zoals dat door Descartes, Leibniz en ook Hume werd geidealiseerd. De sociale robot is objectivering van het zelfbeeld van de moderne mens als autonoom rationeel subject in de vorm van de uitwendigheid. ChatGPT is de uitwendige realisatie van de wijze waarop de moderne mens zijn verhouding tot de werkelijkheid in taal tot uitdrukking brengt.

Volgens Hollak wordt alles voor dit denken functioneel opgevat. “Het aanvaarden van een feitelijke toedracht is er niet meer bij.” (p. 436). Alles wat we kunnen observeren is maar zo onder bepaalde condities en hypothesen, die we zo weer kunnen veranderen. Feiten zijn functie-waarden van bepaalde aannames. Ook het tegendeel van een feitelijke toedracht wordt als mogelijkheid gezien. Terwijl als het een feit is dat vandaag de zon is opgegaan het toch niet meer zo kan zijn dat deze niet is opgegaan.

Ook al onze ‘leefverhoudingen’ worden volgens Hollak door de moderne wetenschap tot puur hypothetische, logisch mogelijke ietsen gemaakt. Het is niet zo dat onze wetenschap ons leven verheldert. Dezelfde aanklacht tegen de wetenschap zien we bij Husserl.

De moderne wetenschap is niet uit op in wezensinzichten. Factische en wezensinzichten sluiten nog altijd hun tegendeel uit.

“Ook de factische, niet waar, als Ceasar de Rubicon overtrekt, dan kan hij haar niet tegelijkertijd niet overtrekken. Hier wordt voortdurend gesteld: dit factische is mijn hypothese, het had net zo goed anders kunnen zijn. Het contingente bij een factsichetoerdrscht wordtr hier gemaakt tot een puur formeel logische mogelijkheid: het kan evengoed zo en anders zijn. Het aanvaarden van een feitelijke toedracht is er niet meer bij.” (Hollak, Afscheidsrede, p. 436)

Zowel bij Leibniz als bij Hume wordt de feitelijkheid, het onherroepelijke van het feit, niet werkelijk onderkend. Een inzicht waarvan Hollak al in zijn beroemde inaugurele rede Van Causa sui tot Automatie (1966) getuigt.

Wat heeft dit met de taaltechnologie en ChatGPT te maken? Hollak bekijkt de ontwikkeling van de techniek vanuit het gezichtspunt van tot uitwendige objectivering komende reflectievormen. Mijn inziens maakt de taaltechnologie, die de reflectie op taal en mathematiek vooronderstelt, steeds duidelijker, voor wie het wil zien, wat de woorden van Hollak betekenen; wat deze identificatie van “de wijze waarop men iets begrijpt” en in taal en gebaar uitdrukt en “datgene wat men daardoor begrijpt en uitdrukt” betekent.

We kunnen hier van een mathematiserende metafysica, een mathematisch wereldbeeld spreken. Het identificeren van tekens met datgene wat met tekens in hun gebruik wordt aangeduid als hun betekenis is immers kenmerkend voor de wiskunde (zie Fleischhacker 1987). Met de getallen worden meteen de tekens die ernaar verwijzen gemaakt. De wiskunde is het enige gebied waarin de tekens op eenzinnige wijze een object identificeren en waarin de termen op eenzinnig wijze de structuur waarin de objecten voorkomen representeren. In de wiskundige reflexie op deze toedracht, in de meta-mathematica, wordt deze relatie gemathematiseerd door middel van een functie die de syntax van de taal op de semantiek afbeeldt. In de wiskunde hebben we slechts toegang tot de wiskundige objecten, de structuren en hun onderdelen, via de taal waarmee we ze als het ware vastleggen. Rekenen is formule-manipulatie volgens eenduidige algemene regels. Voor het wiskundig denken is een bewering feitelijk waar, wanneer ze afleidbaar is in een als consistent beschouwde theorie. De ware beweringen hebben geen betrekking op een fysiek waarneembare werkelijkheid maar op een puur gedachte werkelijkheid, een wiskundige structuur, een model, waarmee we de waarneembare werkelijkheid bedekken.

Van die eenzinnige relatie tussen tekens en hun betekenissen (zoals tussen de cijfers, de getalnotaties, enerzijds en de getallen anderzijds) maken we gebruik in de rekenmachines. Daarin werken de wiskundige tekens door middel van de fysische toestanden van de machine die we zo hebben ingericht dat we ze als voorstelling van de getallen kunnen opvatten. Toestand is het uitwendig correlaat van een denkinhoud, een mogelijkheid in een veld van bedachte mogelijkheden. Werkelijkheid (die Welt) is de door ons begrepen, gestructureerde, werkelijkheid (van feiten, Tatsachen).

Op dezelfde wijze wordt in het mathematische wereldbeeld ook de relatie tussen de ‘natuurlijke taal’ en de feitelijke werkelijkheid gedacht. Ze zijn direct op elkaar afbeeldbaar en buiten die relatie is er volgens Wittgenstein dan ook niets waarover zinvol gesproken kan worden.

ChatGPT zit gevangen in de wereld van de gematerialiseerde taal, van de wijzen waarop we in onze taalbestanden ons begrip van de werkelijkheid hebben uitgedrukt. Die feitelijke uitdrukkingswijzen worden gehouden voor wat werkelijkheid is. Als we de door ChatGPT op basis van statistische regels gegenereerde teksten lezen herkennen we daarin (voor zover het werkt) de ons bekende begrippen en begripssamenhangen. Dat herkennen is voorwaarde voor de betekenis van de woorden. Maar, en dat blijkt telkens weer in het gebruik van deze taaltechnologie: deze is niet bij machte het wezenlijke onderscheid te maken (kennen) tussen uitspraken die echte feiten uitdrukken en die dat niet doen. Waarom niet? Omdat de feitelijkheid van het feit, de noodzakelijkheid als feit buiten de talige uitdrukking valt. Dit is precies het commentaar dat Hollak heeft op Leibniz en Hume.

En dat geldt volgens Hollak niet alleen voor de mathematiserende kennisopvatting van de rationalisten Descartes en Leibniz, maar ook voor de empirist Hume.

“Want Hume’s fundamentele tweedelig van al datgene wat object van menselijk kennen en redeneren kan worden in ‘abstract relations of ideas‘ en ‘matters of fact‘ is zo’n omzetting: nu van Leibniz’ vérités de raison en vérités de fait, in hun tegengestelde kader: het empirisme. (…) Hume aanvaardt dus tevens Leibniz’ identificatie van het contingente als wat zo maar ook anders kan zijn met wat kan niet-zijn; hetgeen hier betekent dat de feitelijke stand van zaken en het bestaan van iets met hun zo of anders-kunnen zijn worden verward. (…) Het ontgaat Hume blijkbaar dat toch ook voor het feitelijke moet gelden dat zijn tegendeel onmogelijk is (..) en levert hij het feitelijke over aan scepsis en belief!” (Hollak en Platvoer, p. 168-169).

Hume en Leibniz miskennen zo het feitelijke van het feit. Dat vergeten wordt dat er in het ware oordeel naar een werkelijkheid buiten de taal wordt verwezen is een gevolg van deze miskenning. Maar zonder die verwijzing naar een werkelijke stand van zaken is er geen verschil meer tussen zinnen die een feitelijke waarheid uitdrukken en zinnen die dat niet doen.

Zoals we in de tekst van ChatGPT hierboven kunnen lezen wordt het aan de lezer over getalten te bepalen of wat er wordt gezegd overeenkomt met de feiten. ChatGPT kan als machine niet zelf verantwoordelijk zijn voor wat de teksten die ze produceert voor de lezer betekenen. De zinvolheid van de tekst ontleent de tekst niet aan het feit dat ze voor ons gepresenteerd wordt. Alsof het louter uiten van een tekst al voldoende zou zijn voor de waarachtigheid ervan.

Het loskoppelen van het waarheidskarakter van de talige uitdrukking (de propositie) in het feitelijke oordeel zit in de wortels en de haarvaten van de west-europese mathematiserende denkwijze die tot de succesvolle informatietechnologie heeft geleid. Het abstraheren van de ‘waarheidswaarde’ van het oordeel als iets dat van buiten aan de propositie kan worden toegekend behoort tot deze mathematische denkhouding.

De ‘feiten’ die vereenzelvigd worden met de wijze waarop de werkelijkheid door ons wordt uitgedrukt zijn zoals Hollak het uitdrukt ‘overgeleverd aan scepsis en belief’.

We staan sceptisch tegenover de door de intelligente machines geproduceerde teksten, zoals we sceptisch staan tegenover de ‘feiten’ die via de media tot ons komen. Door hun feitelijkheid tussen haakjes te zetten vatten we ze als slechts hypothetische waarheden op. Aan de talige uitdrukking zelf kunnen we immers niet afzien of deze waarheid bevat. Bovendien kunnen we altijd wel een reden vinden waarom iemand de feiten presenteert zoals hij dat doet. Kennelijk vinden we het belangrijk wie er ‘achter de woorden zit’ en wat deze door middel van de woorden probeert te verwoorden. We zoeken naar de oorspronkelijke zin van de woorden.

De meeste ‘feiten’ die we kennen, kennen we niet op grond van onze eigen zintuiglijke ervaring van de werkelijkheid. Deze ‘feiten’ missen daarmee de noodzakelijkheid die we aan de eigen directe feitelijke ervaring ontlenen. We moeten er dan op vertrouwen dat de ander die zijn ervaring met ons in taal deelt zich aan de feiten houdt. De taal structureert onze ervaring en daarmee de feiten zoals we deze verwoorden en met anderen delen. Feiten zijn in die zin intersubjectief en cultureel bepaald.

Wie aan de door Hollak bij Frege en Wittgenstein bekritiseerde identificatie van “de wijze waarop men iets begrijpt en uitdrukt” (de feitelijke talige uitdrukkingen) enerzijds met “datgene wat men daardoor begrijpt en uitdrukt” anderzijds vasthoudt en deze niet onderscheidt zal alles wat ChatGPT te berde brengt, getraind als deze is op het materiaal waarin de mens de wijze waarop deze de wereld heeft begrepen en in taal heeft uitgedrukt, voor de begrepen werkelijkheid aanzien.

We moeten alles wat ChatGPT ons voorschotelt echter als puur hypothetisch zien. De machine stelt eigenlijk: “Het zou kunnen zijn dat het zo is dat…” Of, beter nog: “Op basis van de teksten die ik gevonden heb moet ik stellen dat …” En niet meer dan dat. ChatGPT is een taalproduct, geen kennisproduct. Ze blijft gevangen in het netwerk van de taal: de uitwendige structuur van de levende taal. Alleen voor zover het waar is wat ChatGPT zegt hebben we er iets aan. Maar óf het waar is wat er gezegd wordt is geheel aan ons en niet aan de machine om te bepalen.

Verantwoordelijkheid is voorwaarde voor gebruiksvriendelijkheid. ChatGPT kan geen verantwoording afleggen voor de waarheid en feitelijkheid van wat het ‘zegt’. De verantwoordelijkheid ligt volledig aan de kant van ons, de gebruiker. Dus hoe gebruiksvriendelijk de taalproducerende en begrijpende machine zich ook aan ons voordoet, aan een noodzakelijke eigenschap, verantwoording afleggen voor wat het zegt, kan ze niet voldoen.

Sommigen zullen zeggen dat het nog een kwestie van tijd is, dat de taalmodellen nu weliswaar nog niet goed genoeg zijn waardoor de machine af en toe de plank nog mis slaat, maar dat de ontwikkeling van nieuwe modellen en meer data dit probleem zullen oplossen. Sommige AI-experts zijn van mening dat het verschijnen van de ‘sentient machine’ nog slechts een kwestie van tijd is. Deze mensen missen de essentie van het punt dat we hier maken. Het criterium voor intelligentie is niet hoe vaak er tot nog toe iets gezegd is dat in onze ogen correct is. De machine kent de wereld niet, ze beschikt slechts over de woorden, zinnen en teksten waarin we, als taalgemeenschap, onze relatie tot de werkelijkheid tot uitdrukking hebben gebracht.

Het is aan ons taalgebruikers om het waarheidskarakter en de begripswaarde van de tekst te bepalen.

Zijn LLMs wel AI ?

De AI-expert en uitvinder van de Baysiaanse netwerken Judea Pearl laat in een tweet weten dat de Large Language Models (LLMs) waar ChatGPT gebruik van maakt niet tot de AI gerekend zouden moeten worden.

Language is a distorted mirror of reality, as proven by LLM’s hallucinations, even more distorted than data are. LLMs are not AI. AI is the attempt to rectify those distortions.

Pearl noemt LLMs ‘distorted’, omdat er geen model achter zit. Hij bedoelt daarmee vermoed ik dat ChatGPT niet gebruik maakt van een kennismodel waarin kennis over een bepaald domein is opgeslagen, zoals dat bijvoorbeeld in een causaal (Bayesiaans) netwerk gebeurt (zie Pearl The Book of Why). Vanwege dit gebrek is er ook geen sprake van redeneringen. Natuurlijk zijn de taalmodellen wel modellen, een n-gram model is ook een model, maar die zijn kennelijk te oppervlakkig om AI genoemd te worden. Een grammatica is al minder oppervlakkig dan een n-gram model waarin alleen statistische kennis is opgeslagen over de kans dat het woord x op een gegeven rijtje van n-1 woorden volgt. Een grammatica geeft immers een taalkundige structuur aan de rijtjes woorden in een zin. Een causaal model bevat aannames over causale relaties tussen gebeurtenissen. Causale relaties zijn gebaseerd op inzichten die verder gaan dan het constateren van correlaties tussen gebeurtenissen.

Verschillende vormen van taalgebruik

Zoals we hierboven al zagen kunnen we met de term ‘taalgebruik’ verschillende dingen bedoelen. Ik wil in het vervolg wijzen op andere vormen van functioneel taalgebruik in media en techniek. Ook daarin zien we vormen van uitwendig taalgebruik, vergelijkbaar met het uitwendige taalgebruik van ChatGPT en andere taalgenererende systemen.

De oorsprong van de taal ligt in de directe communicatie van mensen die in elkaars onmiddellijke aanwezigheid zijn: het face-to-face gesprek. Alle andere vormen van taal en taalgebruik zijn daarvan afgeleid en blijven deze oorsprong veronderstellen.

Bij het luisteren naar de radio is er geen onmiddellijke aanwezigheid van gesprekspartners. Wanneer ik als luisteraar de radio hoor zeggen “Fijn dat u luistert.” voel ik me aangesprken. Hoe weet de radio dat ik luister? Datis een vreemde vraag. Ik weet dat de radio(presentatrice) niet weet dat ik luister. En toch zegt ze dit. Wat de spreker wel weet (omdat het logisch is; dit is geen empirische kennis) is dat degene die de uitgesproken tekst verstaat voldoet aan de voorwaarde dat deze luistert. Met ‘u’ verwijst de spreker (meestal) naar de abstracte luisteraar, niet naar een concreet individu. De ander is voor de spreker een virtueel beeld. Het gaat hier dus om een ander taalgebruik, in een specifieke daarbij passende communicatieve situatie, de uitzending via een medium.

De tekst die ChatGPT produceert ‘werkt’ voorzover deze door de gebruiker als zinvolle bijdrage aan de interaktie wordt beleefd.

Het iconische “U bevindt zich hier”

De ‘gebruiker’ die langs de weg op het informatiebord met plattegrond leest “U bevindt zich hier” vraagt zich niet af hoe het toch kan zijn dat het klopt wat er geschreven staat en hoe het bord dat kan weten. De gebruiker is gewend aan dit taalgebruik. Opdat dit informatieve taalgebruik werkt moet aan een aantal voorwaarden voldaan zijn. Welke zijn die voorwaarden?

De tekst “U bevindt zich hier” die we als een mededeling opvatten is een antwoord op de vraag: “waar ben ik?” die in de gedachte van de ontwerper de abstracte lezer/gebruiker verondersteld wordt te stellen. Deze vraag is als het ware impliciet in de situatie ingebouwd. De tekst is voorzien van een pijl die naar een plek op de kaart wijst. Het deictische ‘hier’ verwijst naar een plek in de virtuele wereld van de plattegrond, die een afbeelding is van de echte wereld, de wereld waarin de gebruiker zich lichamelijk bevindt. In het ‘hier’ speelt de lichamelijkheid, de fysieke aanwezigheid van de gebruiker, een wezenlijke rol.

De gebruiker moet gewend zijn aan de mogelijkheden die de techniek biedt waarvan hij gebruik maakt. De plattegrond kan ook op een mobiel scherm (bijvoorbeeld in de auto) geprojecteerd zijn. Het informatiesysteem kent dan de positie van de gebruiker via bijvoorbeeld een GPS sensor die de locatie van het mobiele apparaat detecteert. Wanneer u onderstaand plaatje ziet zou u waarschijnlijk verbaasd zijn wanneer daarin exact de locatie aangewezen stond waarop u zich bevindt terwijl u deze tekst leest.

De kennis waarvan het informatiebord gebruikt maakt betreft de situatie waarin de lezer van de tekst zich bevindt. Het betreft kennis van wat deze wil weten (waar hij zich bevindt) en wat gebruikelijk is om in de gegeven (interaktieve) situatie te zeggen.

Taaltechnologie zoals ChatGPT berust op hetzelfde principe waarop de werking van het informatiebord met de opmerking “U bevindt zich hier.” of de werking van de geldautomaat die zegt “Toets uw pincode in.” berust. De lezer of gebruiker zal het gedrag (de uitgesproken of geschreven tekst) ‘intelligent’ vinden voorzover deze volgens hem past in de situatie (de interaktie) waarin hij zich op dat moment bevindt. Opdat het werkt moet het informatiebord met de plattegrond op de plek in de echte wereld staan die door de pijl wordt aangewezen. Verder is de aanname dat de lezer van de tekst tijdens het lezen ervan zich op die plek bevindt. Het is echter aan de gebruiker dit te controleren. Wanneer het informatiebord in de opslag van de gemeente staat is er van de noodzakelijke correspondentie tussen de plek op de kaart en de plek in de werkelijkheid geen sprake. Dan werkt de opmerking niet zoals deze door de makers bedoeld is.

Er zit nog een andere kant aan dit gebruik. Met de tekst “U bevindt zich hier” wordt de lezer door het informatiebord gewezen op de wijze waarop diens positie in de virtuele wereld wordt gerepresenteerd: “deze plek op de kaart is waar u zich nu bevindt”.

Aanwijzen is een vorm van meten. Met “U bevindt zich hier” wordt de mens door de techniek als het ware op zijn plaats gezet. Het heeft dezelfde functionele waarde als de ‘uitdrukking jij bent zwart’ in het schaakspel of ‘ik ben de olifant’ bij een spelletje ganzenbord.

Behalve een antwoord op een vraag is het in die zin ook een dictaat. Zo is het met iedere gebruiksaanwijzing van een apparaat: deze legt vast welke de spelregels zijn waaraan de gebruiker zich moet houden opdat het werkt.

Hier is sprake van zuiver functioneel taalgebruik.

Zoals we hierboven al zagen: “Het verwoordingskarakter van de taal is geheel verdwenen, ten koste van de functionaliteit, haar gebruik voor een effect in een ‘Sprachspiel’, een levensvorm.” 

De vraag is dan ook niet relevant wie de tekst uitspreekt of wat degene die de tekst uitspreekt ermee uitdrukt. Het gaat zuiver en alleen om de werking van de tekst in de gegeven situatie. Die werking is afhankelijk van de correspondentie tussen de virtuele wereld van de kaart en de taal enerzijds (‘hier’) en de werkelijke wereld waarin de gebruiker/lezer zich bevindt anderzijds.

Het uitbuiten van de eenzinnige correspondentie tussen een virtuele, geconstrueerde werkelijkheid en de echte werkelijkheid is de kern van de informatietechnologie. In de programmeerbare machine is het de correspondentie tussen de fysische toestanden van de machine (de hardware) en de mathematische betekenissen die de fysische processen (toestandsveranderingen) voor ons hebben (de software), als reken- of denkprocessen. De denknoodzakelijke gevolgen van de condities corresponderen met de natuurnoodzakelijke gevolgen ervan.

De overeenstemming zelf valt buiten het mathematiserende denken. Dat het model referereert naar de werkelijkheid dat is een kwestie van geloven. De werking van de techniek is in die zin gebaseerd op het geloof in de correctheid van het onderliggende model. Dit geloof is de keerzijde van de mathematische modellering.

De suggestie is dat ChatGPT met u, die achter het beeldscherm en het toetsenbord zit, een interaktie heeft. Dat is niet zo. De suggestie is dat ChatGPT weet wat het zegt. Dat is niet zo. De suggestie is dat de tekst iets over een werkelijkheid buiten de taal zegt. Dat is niet zo. Er is slechts tekst. De tekst verwijst naar een door de tekst zelf gecreëerde virtuele wereld, waarvan de suggestie is dat deze de echte wereld is. Dat het soms waar is wat de tekst, in de ‘ogen’ van de lezer, beweert, doet daar niets aan af. Het informatiebord weet niet waar deze zich bevindt en heeft dus geen kennis van de voorwaarden waaronder hetgeen het beweert ook daadwerkelijk klopt. Net als ChatGPT kan het informatiebord niet ter verantwoording worden geroepen over de kwestie of het wel op de juiste plek staat en of de plek waar het ‘hier’ naar verwijst op de kaart wel overeenkomt met de plek in de echte wereld waarin de lezer zich bevindt. Die verantwoordelijkheid berust bij de organisatie die deze informatietechnologie ter beschikking stelt aan gebruikers.

Wat te denken van een overheidsinstelling die op willekeurige plaatsen informatieborden plaatst en het aan het toeval overlaat of het ‘hier’ in de tekst “U bevindt zich hier.” overeenkomt met de plek waar de gebruiker het bord aantreft? Wat OpenAI doet is vergelijkbaar. Ze stelt voor het grote publiek een informatiesysteem beschikbaar waarvan het van het toeval afhangt of wat het beweert overeenkomst met de feiten.

Dat ChatGPT geen kennis bevat blijkt ook uit de volgende conversatie. Ik gaf hem de volgende puzzel.

I know a man. He is a son of my father, but he is not my brother. Do you know who is that man?

Waarop ChatGPT antwoordde:

If the man is the son of your father but not your brother, then he must be your son or your nephew. However, it’s not possible for him to be your son if he is a man, so he must be your nephew. In other words, he is the son of one of your siblings.

Dat ChatGPT geen verstand heeft van familierelaties mag ons niet verbazen, maar hoe zit met de kennis van de wiskunde?

Je zou denken dat ChatGPT, zijnde een computerprogramma, foutloos kan rekenen. Dat is immers wat computers doen: rekenen. Taalgenererende systemen zijn echter ook niet foutloos als het om zuiver logische of wiskundige feiten gaat. Wanneer je het taalmodel maar genoeg voedt met de bewering (tekst) “2 + 2 = 5” dan zal het deze tekst na verloop van tijd reproduceren, wanneer je vraagt hoeveel 2 + 2 is. Zo worden zelfs de wiskundige ‘eeuwige’ waarheden door de taaltechnologie overgeleverd aan het geloof in de statistieken van het feitelijk taalgebruik. Het onderscheid tussen feiten en wiskundige waarheden bestaat voor de machine niet. Ook voor Descartes waren de wiskundige waarheden feiten. Uit testexperimenten met GPT-4, een verbeterde versie van het taalmodel waarop ChatGPT is gebaseerd, blijkt dat deze 42,5 % van de wiskunde opgaven correct beantwoordt. (zie Bubeck et al. 2023) Wie zou tevreden zijn met een rekenmachine waarvan de producent garandeert dat deze in 42.5 % van de gevallen het juiste antwoord geeft?

Hieruit blijkt dat er geen direct verband is tussen de grammaticale vorm van zinnen zoals deze in woordvolgordes tot uitdrukking komt en hun logische inhoud, het begrip van de werkelijkheid zoals wij dat in taal tot uitdrukking brengen. De logische inhoud laat zich niet uit de grammaticale vorm afleiden. Voor de machine is het verband tussen de grammaticale woordvolgordes in een taal en de logische inhoud zuiver toevallig, een kwestie van statistiek.

Het gevaar van AI zoals ChatGPT zit hem erin dat mensen in het gebruik ervan misleid worden te denken dat er een subject aanwezig is dat weet wat de tekst beweert en dat wat de tekst beweert ook waar is. Mensen die zeggen dat het gevaar van AI zit in het feit dat deze slimmer zullen zijn (of in de toekomst zullen worden) dan mensen dragen bij aan dit beeld. Het vergelijken van de prestaties van de mens met die van de machine plaatst ten onrechte mens en machine tegenover elkaar als zelfstandige entiteiten. Zonder de relatie tot de mens voor wie de machine is wat het is is de machine echter slechts een proces dat volgens de regels van de natuur verloopt. Omgekeerd kan de mens zonder hulpmiddelen die de (kennis van de) natuur hem biedt ook niet veel. De tegenoverstelling tussen mens en machine vinden we ook in de reflectie op de taal, waarin het woord als uitwendig fysische ‘betekenisloos teken’ tegenover de betekenis wordt gedacht. Het woord is echter slechts woord in relatie tot de mens voor wie het woord betekenis heeft in en door het daadwerkelijke gebruik.

De verklaring voor de verrassing dat een machine puur op basis van uitwendige relaties, statistische correlaties, iets zinnigs kan produceren moet dan ook gezocht worden in de natuurlijke neiging van ons verstand dingen die slechts in werkelijkheid in relaties voorkomen uit elkaar te denken en tegenover elkaar te plaatsen. De correlaties zijn kwantitatieve uitdrukking van de kwaliteit van de taal.

Bronnen

Evert W. Beth (1969). Moderne Logica. Uitgeverij Van Gorkum & Comp. N.V. Assen, 1969. Hoofdstuk V: ‘Over de zogenaamde denkmachine.’

Sébastien Bubeck et al. (2023). Sparks of artificial general intelligence: early experiments with GPT-4. https://arxiv.org/abs/2303.12712, v3 March 2023.

Uit het abstract: “We demonstrate that, beyond its mastery of language, GPT-4 can solve novel and difficult tasks that span mathematics, coding, vision, medicine, law, psychology and more, without needing any special prompting. Moreover, in all of these tasks, GPT-4’s performance is strikingly close to human-level performance, and often vastly surpasses prior models such as ChatGPT. Given the breadth and depth of GPT-4’s capabilities, we believe that it could reasonably be viewed as an early (yet still incomplete) version of an artificial general intelligence (AGI) system.”

Over de testexperimenten in het oplossen van wiskundige problemen zegt het rapport:

“GPT-4’s accuracy shows a modest improvement over other models, but a manual inspection of GPT-4’s answers on MATH reveals that GPT-4’s errors are largely due to arithmetic and calculation mistakes: the model exhibits large deficiency when managing large numbers or complicated expressions.” (p.36)

OpenAI (2023). GPT-4 Technical Report.

“We report the development of GPT-4, a large-scale, multimodal model which can accept image and text inputs and produce text outputs. While less capable than humans in many real-world scenarios, GPT-4 exhibits human-level performance on various professional and academic benchmarks, including passing a simulated bar exam with a score around the top 10% of test takers.”

OpenAI waarschuwt voor al te hoge verwachtingen.

“Despite its capabilities, GPT-4 has similar limitations as earlier GPT models. Most importantly, it still is not fully reliable (it “hallucinates” facts and makes reasoning errors). Great care should be taken when using language model outputs, particularly in high-stakes contexts, with the exact protocol (such as human review, grounding with additional context, or avoiding high-stakes uses altogether) matching the needs of specific applications.”

De uitdrukking “it still is not fully reliable” (OpenAI 2023 GPT-4 Report) suggereert dat het een kwestie van tijd is voor dat dergelijke systemen volledig betrouwbaar zijn. Wie is tevreden met een rekenmachine die aangeboden wordt met de disclaimer ‘not fully reliable’ ?

Maar wie is verantwoordelijk voor eventuele schade door gebruik van deze modellen?

OpenAI neemt geen verantwoordelijkheid voor het gebruik van haar modellen in risicovolle, serieuze contexten.

In particular, our usage policies prohibit the use of our models and products in the contexts of high risk government decision making (e.g, law enforcement, criminal justice, migration and asylum), or for offering legal or health advice.

Dijksterhuis, E.J. (1977). De mechanisering van het wereldbeeld. Derde druk. Meulenhoff, Amsterdam, 1977. De eerste druk verscheen in 1950, de tweede in 1975.

Fleischhacker, Louk (1987). Het wiskundig teken. In: Reflexiviteit en Metafysica. Bijdragen aan het symposium bij het afscheid van prof. J.H.A. Hollak. (Redactie: Louk Fleischhacker). Filosofische Reeks Centrale Interfaculteit Universiteit van Amsterdam, nr. 20. 1987, pp. 20-37.

Fleischhacker, Louk E. (1995). Beyond structure; the power and limitations of mathematical thought in common sense, science and philosophy. Peter Lang Europäischer Verlag der Wissenschaften, Frankfurt am Main, 1995.

Gunkel, David J. (2017). The Other Question: Can and Should Robots have Rights? In: Ethics and Information Technology, 2017.

Edmund Husserl (1936/1977). Die Krisis der Europäischen Wissenschaften und die transzendentale Phänomenologie. Philosophische Bibliothek Band 292 Felix Meiner Verlag, Berlin, 1977.

Jan Hollak en Wim Platvoet (red.) 2010. Denken als bestaan: Het werk van Jan Hollak. Uitgeverij DAMON, Budel, 2010.

In deze bundel het transcript van de opname van het Afscheidscollege over de hypothetische samenleving, door Jan Hollak gehouden in Nijmegen op 21 februari 1986. Ook de inaugurele rede Van Causa sui tot Automatie is hierin ogenomen.

Vincent Icke (2021). Licht – tussen waarheid en wetenschap. Prometeus, Nieuw Licht, Amsterdam, 2021.

Loosman, Iris (2023). Maakt AI de arts overbodig? In: KNMG, 19 Januari 2023. https://www.knmg.nl/actualiteit-opinie/columns/column/maakt-ai-de-arts-overbodig

Nijholt, Anton en Van den Ende, Jan (1994). Geschiedenis van de Rekenkunst: van kerfstok tot computer. Uitgegeven door: Academic Service, Schoonhoven, 1994.

Wittgenstein, Ludwig (1973). Tractatus logico-philosophicus. Logisch-philosophische Abhandlung. Ed. Suhrkamp, Uitgave 1973. Oorspronkelijke Duitstalige uitgave 1921.

WRR (2021). Opgave ai. De nieuwe systeemtechnologie. Rapport 105 van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Op 11 november 2021 door de WRR aangeboden aan de regering. Het rapport kan gratis worden gedownload van wrr.nl.