De verbeelding van de woorden. Wat denkt de machine wel niet?

Machines denken niet en spreken niet. Ze produceren geluiden en beelden waarin we onze woorden en gedachten herkennen. Voor zover ze werken tonen ze de woorden en beelden op precies die momenten en in die situaties waarvan wij vinden dat het gepast is. Daarmee geven ze de indruk de situatie te begrijpen. Ten behoeve van het kunstmatige spreken is de voorstelling, het tonen van de woorden, losgekoppeld van het uiten, het spreken. Zegt de tekst wel wat ze toont en toont ze wel wat ze zegt?

Het gebruik van taal

Het iconische “U bevindt zich hier” moet, wil het functioneren, wel precies de plek op de kaart aanwijzen die overeenkomt met de plaats in de werkelijke wereld waar de aangesprokene (“U”) zich bevindt op het moment dat deze de tekst leest. Er is geen reëel subject, dat de woorden tot de lezer ‘spreekt’. Er is niemand die weet waar ‘U’ de lezer zich bevindt. We moeten de woorden ‘de dicto’ nemen; bij wijze van spreken.

Iets soortgelijks: Wanneer de presentator op de radio de uitzending begint met “Fijn dat u luistert” en u hoort dit dan voelt u zich wellicht aangesproken. Dat is misschien ook de bedoeling van de spreker. Er wordt gebruik gemaakt van het feit dat als u niet luistert u dit ook niet hoort. De presentator weet helemaal niet dat u luistert. Net zo min als de maker van de tekst op het informatiebord weet dat u zich bevindt op de plek waar het bord staat. U, de lezer, of u de luisteraar is een abstract subject. Taalgebruikers zijn abstracte subjecten, gebruikers van een beschikbare taal.

Wanneer u de tekst in bovenstaand plaatje leest weet u dat het om een afbeelding van het echte bord gaat en dat ‘hier’ niet naar de plek verwijst waar u zich als lezer bevindt. Deze vanzelfsprekendheden vormen noodzakelijke kennis om te begrijpen wat het betekent als we zeggen dat de machine onze taal spreekt of ons begrijpt. De mededeling werkt alleen, is alleen succesvol, als het bord op de plek staat waar de pijl op de kaart naar wijst. Niet als deze in de opslagruimte van de gemeente staat. Deze correspondentie tussen beeld en werkelijkheid is een noodzakelijke voorwaarde voor de werking van de tekst.

In een technocratie bepalen machines en systemen in toenemende mate de situaties waarin we er mee te maken hebben. De mens gaat dan op in het systeem. Zijn leven wordt beheerst door het functioneren van de machines. De handleidingen van de machines programmeren de gebruikers ervan. Het voordeel van sociale robots die ‘onze taal spreken’ is dat we geen handleiding meer nodig hebben om met ze om te gaan. Maar is die taal wel ‘onze taal’? Is die niet door de technologie gemaakt?

Machines hebben altijd al iets fascinerends gehad. Ze begonnen pas echt indruk te maken toen ze onze taal begonnen te spreken en ons zelfs leken te verstaan en begrijpen wanneer we ze in onze eigen taal toespraken. Tegenwoordig heeft iedere mobiele-telefoonbezitter wel een sprekende assistente (het zijn vrijwel altijd vrouwenstemmen) tot zijn beschikking die je informatie kunt vragen. Ook het navigatiesysteem in de auto is tegenwoordig aanspreekbaar. “We gaan naar huis.” “Naar de Asselijnstraat 147?” “Ja”. “Okay”. In de zelfsturende auto neemt de machine het stuur over. Via allerlei sensoren krijgt deze continu informatie binnen over de situatie op de weg op basis waarvan het zijn rijgedrag aanpast. Met de ingebouwde wegenkaart en de actuele verkeersinformatie kan de auto zich feilloos naar de opgegeven bestemming sturen.

Omdat het spreken en begrijpen tot nu toe voorbehouden was aan ons mensen hebben we de neiging deze machines eigenschappen toe te dichten die aan mensen toekomen. We zeggen dat ze kunnen denken. We zeggen dat de ‘autonome’ machine ‘beslissingen neemt’. Sommige mensen nemen dit letterlijk.

Men zegt: Omdat machines veel meer gegevens kunnen verwerken in zeer korte tijd presteren ze beter dan mensen zouden doen ‘in vergelijkbare situaties‘. Autonome onbemande machines kunnen ingezet worden in situaties waarin zo snel besloten moet worden dat geen mens dat zou kunnen doen. Autonome bewapende drones opereren in dit soort situaties tijdens militaire operaties in oorlogsgebied. Ze werken met meetinstrumenten die dingen kunnen zien en meten die wij niet kunnen zien.

Daartegenover moeten we ons realiseren dat de ‘situaties‘ waarvan hierboven sprake is samen met de nieuwe technieken denkbaar zijn geworden. Autonome machines opereren in situaties (‘werelden’) die speciaal voor deze instrumenten gestructureerd zijn. Daarom is het misleidend de prestaties van de ‘autonome’ machine te vergelijken met die van de mens in ‘vergelijkbare situaties‘. Zonder de machine zijn die situaties er namelijk niet. Het autosnelwegennet met al zijn borden, signalen en sensoren vormen met de verkeersleiding en de GPS een geheel met de auto’s. Die zijn samen met de bestuurder een onderdeel van het verkeersnetwerk. Bij de autonome auto wordt de informatieverwerkende en sturende functie van de bestuurder door de techniek overgenomen. De deeltjes van de experimentele kwantumfysica bestaan niet zonder de meetinstrumenten die voor de metingen ontwikkeld zijn. De fysici zijn het erover eens dat we niet kunnen spreken van een werkelijkheid onafhankelijk van de waarnemingen ervan. Reproduceerbaarheid en technische bruikbaarheid is het criterium voor de ‘waarheid’ en het werkelijkheidsgehalte van de fysische theorie.

De machine is zoals iedere techniek het resultaat van een technische houding tegenover de werkelijkheid. Die houding wordt gekenmerkt door afstandelijkheid. De natuur van de fysica is niet onze natuur zoals we die beleven tijdens een boswandeling. Vanuit het mathematisch perspectief ziet de fysicus de natuur als iets dat werkt volgens bepaalde natuurwetten. De denkvorm die we toepassen in de techniek is: Als we de natuur zo en zo inrichten dan zal de eigen werking van de natuur ervoor zorgen dat er gebeurt wat ik wil.

Voordat machines kunnen denken en spreken moeten we deze activiteiten als een vorm van rekenen opvatten. Dit heet mathematiseren. Er worden wiskundige modellen van de (relevante aspecten van de) werkelijkheid gemaakt. Die modellen nemen de plaats in van de werkelijkheid. Het is de virtuele mathematische realiteit waarin de machine functioneert.

De machine doet zijn werk in een wereld waar wij als mens in zekere zin buiten staan. En toch zijn wij het voor wie het werk van de machine betekenis heeft. Zonder die betekenis zou de machine slechts een natuurproces zijn. De autonome auto bepaalt zelf welke weg deze neemt maar wij bepalen uiteindelijk waar deze naar toe moet. En zonder de behoefte ons en onze goederen te verplaatsen heeft de auto geen zin. De autonome bewapende drone bepaalt zelf of hij een raket zal afvuren, maar wij bepalen of het doel een legitiem doel was en of het bombardement gezien de omstandigheden ‘proportioneel’ was. En zonder de behoefte om ons tegen vijanden te verdedigen heeft het wapen geen zin. De melkrobot, die in een heel andere ‘wereld’ zijn werk doet dan de boer die nog met de hand melkt, ontleent zijn betekenis aan de betekenis van het melken voor de mens. Uiteindelijk gaat het om het produceren van melk. Daaraan ontleent de machinerie haar betekenis en zin. Dat het leven van de boer en van de melkkoe er heel anders uit komt te zien wanneer de boer overgaat tot het gebruik van melkrobots, dat is een onbedoeld en vaak grotendeels onvoorzien neveneffect van de nieuwe techniek van melken.

Het zelf van de machine ligt buiten de machine. Het is de abstracte idealiteit, de technische idee. Kenmerkend voor het technische instrument is dat we precies weten wat het moet doen, hoe het moet werken. Er ligt een idee aan ten grondslag waaraan we de kwaliteit van de realisatie ervan afmeten. De techniek streeft naar perfectie. Zoals we de vlakheid van het tafelblad afmeten aan het ideale mathematische vlak of het rond zijn van een wiel afmeten aan de mathematische cirkel. Maar al te precies is onpraktisch. Het mathematische denken moeten toegeven aan de werkelijkheid.

Met de toenemende autonomie van de machines, denk aan de zelfrijdende auto of aan de sociale intelligente robot die als een soort compagnon of hulp in de ouderenzorg wordt ingezet, rijst de vraag wie er aansprakelijk is voor de gevolgen van het handelen van deze ‘agenten’. Is dat de eigenaar, de verkoper of de ontwerper van de robot? Of is het de gebruiker? Voor elk van deze alternatieven is wel iets te zeggen. Om aansprakelijk te zijn voor de eventuele negatieve gevolgen van je handelen, moet je in voldoende mate inzicht hebben in de effecten van dat handelen. Wanneer geen van de genoemde betrokken partijen dat inzicht heeft, en dat is in het geval van complexe technische instrumenten zo, dan is niemand meer verantwoordelijk voor de gevolgen van beslissingen die de autonome machine neemt. Het probleem van de ‘responsibility gap’ is de keerzijde van de afstandelijkheid van het mathematisch perspectief dat in de techniek tot uitdrukking komt en dat tot steeds zelfstandiger ‘zelf-denkende’ machines leidt.

The resulting gap between the design and operation of algorithms and our understanding of their ethical implications can have severe consequences affecting individuals, groups and whole segments of a society.” (The ethics of algorithms: Mapping the debate, Mittelstadt et al. 2016).

De auteurs maken een onderscheid tussen een algoritme als een mathematische constructie (‘‘a finite, abstract, effective, compound control structure, imperatively given, accomplishing a given purpose under given provisions.’’) en het algoritme in de ‘dagelijkse betekenis’ waarin verwezen wordt naar de implementatie ervan in een specifiek technisch systeem. In het artikel gaat het over de ethische implicaties van de ge-implementeerde algoritmes. Ze zijn van mening dat het niet veel zin heeft om de ethische implicaties van mathematische algoritmes te beschouwen.

Accordingly, it makes little sense to consider the ethics of algorithms independent of how they are implemented and executed in computer programs, software and information systems.”

Het door de auteurs genoemde onderscheid is problematisch. Misschien zit in de scheiding tussen de abstracte mathematische constructie enerzijds en de ‘toepassing’ ervan in een technisch systeem anderzijds wel de kern van de ethische problematiek. Het is dan ook niet zo vreemd dat in een vervolgartikel uit 2021 deze opmerking niet meer voorkomt (Tsamados, 2021). De mathematische constructie, het mathematisch model van een omgeving (met invoer- en uitvoer-parameters) waarin het algoritme bepaalde functies realiseert, is immers het resultaat van een bepaalde structurerende houding tegenover de werkelijkheid. Dit wordt in het artikel het ‘transformatieve effect‘ van de toepassing van algoritmes genoemd.

… algorithms can affect how we conceptualise the world, and modify its social and political organisation. Algorithmic activities, like profiling, reontologise the
world by understanding and conceptualising it in new, unexpected ways, and triggering and motivating actions based on the insights it generates
.”

Het gaat echter niet alleen om een effect van de toepassing. Algoritmes kunnen niet alleen als effect een bepaalde ‘conceptualisering van de wereld‘ hebben, ze zijn zelf het resultaat van zo’n conceptualisering. Deze heeft een bepaalde vorm die we hier mathematisering noemen. Voordat je in staat bent om een robot gebaren te laten maken moet je de gebaren als het ware van de buitenkant beschouwen, analyseren en vastleggen. Voordat je mensenwerk door een robot kunt laten doen, moet je dit als een functioneren in de context van een systeem zien. Daarvoor is mathematisering, het objectiveren en benoemen van de abstracte entiteiten, een noodzakelijke stap. In de informatieverwerkende machine werken de tekens als identifiers voor de entiteiten in het mathematische model.

Het heeft wel degelijk zin de ethische implicatie van deze mathematiserende houding waaruit de informatietechniek voortkomt te overdenken. Kernvraag is dan wat houdt dat ‘toepassen’ van een mathematische constructie eigenlijk in? En wie is het subject van dat toepassen?

Dat subject lijkt in de techniek te verdwijnen. Net zoals er geen reëel subject is dat zegt en bedoelt “U bevindt zich hier” als deze iconische tekst op een bord staat afgedrukt. Wanneer een ambtenaar zegt dat hij alleen verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de taak die hij in een administratief systeem heeft, dan reduceert hij zichzelf tot een onderdeel van een informatieverwerkend systeem. We mogen echter verwachten dat de verantwoordelijke ambtenaar voortdurend afweegt in hoeverre zijn handelen bijdraagt aan de uiteindelijke bedoeling van het geheel en er dan ook verantwoordelijkheid kan afleggen wanneer er iets misgaat.

Het is een verleidelijke gedachte het algoritme als het ‘zelf’ van het technische systeem te zien. Het bepaalt immers hoe het systeem functioneert en dat is wat het wezen van het systeem uitmaakt. Het bovengenoemde onderscheid tussen het mathematische algoritme en de toepassing ervan in een concrete situatie roept de vraag op in hoeverre dit functioneren, de toepassing van de functie door het algoritme zelf bepaald wordt. Deze zelfapplicatie is de mathematische uitdrukking van de ‘autonomie’ van het technische systeem. Het systeem werkt vanzelf. Maar betekent dit ook dat het ‘uit zichzelf’ werkt?

Het is als met het informatiebord en de tekst “U bevindt zich hier”. Deze werkt alleen als de omstandigheden waarin de gebruiker en het bord interacteren overeenkomen met de afgebeelde situatie. Het programma moet de bedoeling die de gebruiker heeft wanneer deze de machine voor hem laat werken uitdrukken.

Wanneer we dit uit het oog verliezen en de sociale robot niet meer als iets zien dat volgens een bepaald algoritme, een door de mens gegeven voorschrift, werkt, maar dat ‘uit zichzelf’ doet wat het doet, dan rijst de gedachte wat het verschil is met een mens. Moeten we de robot dan niet als persoon zien?

Een Europese Commissie die zich bezig houdt met de ethische problemen van de kunstmatige intelligentie stelde voor de ‘intelligente robot’ de status van een legaal persoon te geven. Wat betekent dat? Een rechter die moet beoordelen of de aangeklaagde onrechtmatig gehandeld heeft zal moeten afwegen welke regels in de concrete situatie die zich heeft voorgedaan van toepassing zijn. Hij zal alle bij de zaak betrokkenen, getuigen en belanghebbenden, horen en naar vergelijkbare zaken kijken. Persoonlijke interpretatie en het afwegen van verschillende waarden die in het geding zijn spelen daarbij een grote rol. Dit is fundamenteel anders dan het toepassen van een mathematische functie of van een algemene abstracte regel. Daarom kun je dit oordeel niet aan de robot zelf overlaten. Die werkt immers zonder te reflecteren op de regels en de betekenis van de gegevens voor het unieke, concrete, geval dat zich voordoet. Voor de robot, voor de technologie, is elk geval representeerbaar in termen van bekende gegevens.

De rechter die oordeelt over het handelen van de beklaagde is een mens, geen machine. Dat is van belang. De rechter kent als mens de mogelijkheden en de beperkingen die de verdachte als mens eigen zijn. De rechter weegt de omstandigheden en de invloed die deze op het handelen van de verdachte hebben gehad. Zou de robot wanneer we deze in juridische zin als persoon zien, dan ook niet door robots beoordeeld en berecht moeten worden?

Een rechter moet objectief zijn in die zin dat hij een onpartijdig oordeel moet uitspreken en de gegevens die uit onderzoek en getuigenissen volgen niet mag selecteren op basis van een gewenste uitkomst. Maar betekent dit dan niet dat zijn oordeel op mathematische wijze berekend zou moeten kunnen worden? Is kwantitatief meetbaar niet de ideale vorm van objectiviteit? Ja, maar het meetresultaat is afhankelijk van de gekozen maat. De vraag is precies waardoor en door wie de maat die we hanteren wordt bepaald. We meten een lengte met een lengte, een volume met een volume. Maar hoe meten we of een kleur warm is, of iemand een fraudeur of volwassen is. Hoe meten we of een handeling in ethische of juridische zin acceptabel is?

Een algoritme is een meetmethode waarmee we een gegeven situatie ‘de maat nemen’. Een algoritme schrijft voor wat het resultaat van haar toepassing in een nieuwe concrete casus is. Dat veronderstelt dat er al een model (een interface) van de casus is dat als representatie van de casus gezien wordt. Het algoritme bepaalt wat de meetbare gegevens (de ‘feiten’) zijn waarmee het werkt. De burger wordt in de informatiesystemen van de Belastingdienst gerepresenteerd door een waarde van een variabele in een complexe datastructuur.

Recentelijk verscheen Algoritmische beslisregels vanuit constitutioneel oogpunt (Goossens et al, 2021) een publicatie over de rechtstatelijke risico’s ten gevolge van het gebruik van algoritmes door de verschillende overheidsinstanties.

De focus van deze studie ligt op “de fundamentele tweedeling tussen algemene regels en de concrete toepassing via individuele beslissingen alsmede, in het licht daarvan, de wisselwerking tussen normen en feiten.” Die ‘normen’ zijn min of meer expliciet gemaakt in de algoritmes die werken op de gegevens over de burger.

De auteurs wijzen erop dat de besluitvorming van het bestuur in individuele gevallen al geruime tijd steeds vaker (deels) geautomatiseerd plaats vindt op basis van algoritmische beslisregels. “Hierdoor kan de relatie vertroebelen tussen enerzijds een concreet besluit dat het resultaat is van de toepassing van een algoritmische beslisregel en anderzijds de algemene regels die oorspronkelijk ten grondslag liggen aan de bevoegdheid van het bestuur om in individuele gevallen concrete besluiten te nemen.

Tijdens de toeslagenaffaire werd door een hoge ambtenaar van de Belastingdienst opgemerkt dat de economie en de politiek vereist dat deze werk als een machine. Daar mag geen zand tussen komen door naar individuele gevallen te kijken.

De auteurs wijzen er terecht op dat wanneer het om de toepassing van algemene regels in concrete gevallen gaat er een wisselwerking is tussen de regel en de situatie. “Dat wat we ‘toepassing’ noemen, raakt ook de toegepaste regel”.(p.6). De toepassing van een regel in de praktijk is iets anders dan het toepassen van een wiskundige functie op een argument, zoals een machine dat doet.

Datgene waardoor de praktijk functioneert, ligt als het ware op een dieper niveau, dat steeds wezenlijk impliciet blijft.” en “Ons expliciete weten is het topje van de ijsberg. In de omvang van deze laatste vergissen wij, slachtoffers van het rationalisme, ons dan ook deerlijk.” Zo schrijft Louk Fleischhacker in De Henide als Paradigma.

We zijn geneigd onze kennis, dat wat we expliciet weten, te overschatten en dat wat we impliciet weten te vergeten. Het impliciete weten is de basis waarop in de praktijk ons omgaan met de technische middelen berust.

Bij de toeslagenaffaire bleek dat door het impliciete weten uit te schakelen en de beslissingen over te laten aan de algoritmes talloze individuele burgers tussen de tandraderen van de machine beklemd raakten.

Bronnen

Louk E. Fleischhacker (1999). `De Henide als Paradigma. Otto Weiningers invloed op Ludwig Wittgenstein’ in: De Uil van Minerva 15 nr. 3 (Lente 1999)

Goossens, J., Hirsch Ballin, E., van Vugt, E. (2021). Algoritmische beslisregels vanuit constitutioneel oogpunt: Tweedeling tussen algemene regels en concrete toepassing onder druk. Tijdschrift voor constitutioneel recht12(1), 4-19.

Mittelstadt BD, Allo P, Taddeo M, Wachter S, Floridi L (2016) The ethics of algorithms: mapping the debate. Big Data Soc.

Tsamados, A., Aggarwal, N., Cowls, J. et al. (2021). The ethics of algorithms: key problems and solutions. AI & Soc (2021). https://doi.org/10.1007/s00146-021-01154-8

De levensovertuiging – alleen een God kan ons nog redden

Arie den Ouden is voorzitter van de SGP-Staphorst. Hij laat zich niet vaccineren.

Dat vraagt om een verantwoording, want preventieve medische behandeling is de alom geaccepteerde praktijk in onze risico-mijdende moderne gemedicaliseerde samenleving.

Waarom niet vaccineren?

Om publiekelijk antwoord te geven op deze prangende vraag schoof Den Ouden onlangs aan tafel aan bij Tijs van den Brink voor een tv-interview bij NPO Op1. Hij werd er alom voor geprezen. Deze man durft ten minste nog voor zijn overtuiging uit te komen!

Den Ouden laat zich niet vaccineren, omdat je dan probeert ziekte te voorkomen. Hij is tegen de preventieve geneeskunde.

“Terwijl ziekte en gezondheid een bedoeling voor ons leven kunnen hebben. Bijvoorbeeld dat je gaat nadenken over de waarde van het leven.”

Beseft meneer Den Ouden wel dat hij door zich niet te laten vaccineren tegen Corona de kans aanzienlijk vergroot dat hij straks een IC-bed bezet houdt?

Zeker wel.

En dat hij de keuze om zich niet te laten vaccineren niet alleen voor zichzelf maakt maar ook voor anderen? Het gaat hier immers om een besmettelijke ziekte.

Zeker wel. Hij worstelt met deze kwestie, zo vertrouwde hij zijn gesprekspartners toe.

Ik ben me daarvan bewust. Maar moet ik mijn levensovertuiging, die voor mij een waarde van leven en dood heeft, inleveren? Ik denk niet dat die worsteling eindigt. Uiteindelijk sta ik met mijn rug tegen de muur.’

Arie den Ouden staat niet alleen in deze worsteling. Integendeel. Bij velen knagen de vragen waarmee hij worstelt achter de muren die het Verlichtingsdenken heeft opgetrokken en die het zicht op de waarden ontnemen.

Eigenlijk valt er met religieuze mensen als Den Ouden niet met rede te twisten. De argumenten voor vaccinatie glijden af tegen het rotsvaste geloof als de regendruppels van een goed geoliede jas. Het is zo onlogisch, dat geloof.

Tijs van de Brink: ‘Maar waarom mag je dan wel een ziekte behandelen? Waarom moet je het niet laten gebeuren als je het krijgt? Je kunt toch zeggen dat het de straffende hand van God is’.

Den Ouden: ‘Nee, dan is het de opdracht om juist medische verzorging te zoeken. Vaccineren is vooruitlopen op een ziekte die er niet is.’

Maar moet je dan wel ziekenhuizen bouwen? Artsen opleiden? Dat doe je toch ook uit voorzorg, proactief. En wat zou Arie den Ouden op grond van zijn levensovertuiging vinden van het wetenschappelijk onderzoek en de ontwikkeling van instrumenten en methoden voor DNA-onderzoek en het ontwikkelen van vaccins?

de waarde van het leven

Is daar niet een formule voor bedacht door de ethici en medici? Een formule waarmee je van ieder individueel leven de waarde kan berekenen. Hoe groter de waarde hoe meer een medische behandeling mag kosten in geval van ziekte. Zo hebben medici samen met de ethici wiskundige modellen opgesteld om te berekenen wie er het eerst in aanmerking komt voor een IC-bed in geval van krapte. Zo wordt er gewerkt aan economische modellen om te berekenen welke jongeren het eerst in aanmerking komen voor een vervolgopleiding op basis van de kans dat deze toegevoegde waarde oplevert voor de samenleving. We investeren nu eenmaal niet in werkloos arbeidspotentieel. Alles ten behoeve van de optimale efficiënte inzet van de beschikbare middelen. De mens als bestand-deel van het economisch ‘Bestand’.

Egbert Schurman, Arie den Ouden, Martin Heidegger : Alleen een God kan ons nog redden.

De worsteling waarmee Arie den Ouden zit is de worsteling waarmee we allen in deze tijd zitten. Of misschien moet ik zeggen: waarmee we zouden moeten zitten. Het is de worsteling met de vraag naar de redelijke maat die paal en perk stelt aan de mateloosheid van het technologische en economische denken. Hoe bemiddelen we tussen het in onze levensovertuigingen impliciete inzicht in “de waarden van leven en dood” enerzijds en de allesoverheersende mateloze rationaliteit van de fysicus die steeds verder de ruimte in wil en de materie op lost in ook voor hemzelf onbegrijpelijke wiskundige formules, de viroloog, de epidemioloog, de medicus die het leven willen verlengen en bevrijden van ziektes en pandemieën, de econoom die de als maar groeiende behoeftes van de burger probeert te matchen met de eindigheid van de beschikbare middelen.

Is er een weg uit deze pandemie?

“Alleen God kan ons nog redden.”

Arie den Ouden zei het niet met zoveel woorden in het interview met Tijs van de Brink, maar de opvatting dat het antwoord op de vraag in Gods handen ligt is diep verankerd in de levensovertuiging van de godvrezende Nederlander. Het zal aan de erfzonde liggen dat de mens niet het vermogen heeft de gedachten van God te lezen. of zoals Einstein opmerkte: God laat zich niet in de kaart kijken. Daardoor bestaat er ook in de intellectuele kringen van christelijk protestants Nederland geen eensluidend antwoord op de vraag wat wel en niet meer toelaatbaar is als het gaat om het technische ingrijpen in de natuur. Ook reformatorisch Nederland is niet onverdeeld.

Een vooraanstaand lid van reformatorisch Nederland is dr. ir. Egbert Schuurman, van 1975 tot 2007 hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de TUs Delft, Eindhoven en Wageningen. Schuurman had bijzondere belangstelling voor de filosofie van de techniek. Hij vond dat in de studieprogramma’s van de technische studenten aandacht moest worden besteed aan maatschappelijke aspecten van techniek en aan de ecologische gevolgen van het wetenschappelijk-technische denken. Hij was daarin internationaal voorloper. In zijn colleges besteedde hij veel aandacht aan Ethiek in relatie tot Techniek. Tegenwoordig is ethiek een verplicht onderdeel van iedere wetenschappelijke studie. Al is de ‘christelijke grondslag’ van Schuurmans normatieve ethiek niet meer vanzelfsprekend. Hij richtte een studiecentrum op voor Medische Ethiek. Schuurman was jarenlang actief in de Nederlandse politiek als lid van de Eerste Kamer. Eerst voor de RPF, de Reformatorisch Politieke Federatie, later de Christen Unie.

Schuurman zag in de moderne machinale en computer-techniek, die zich onderscheidt van de vroegere ambachtelijke techniek, een bedreiging voor de mens en het milieu. “De arbeidende mens is door de technologie opgenomen in een objectief, onpersoonlijk en gevoelloos proces”. (Schuurman, 1975). Wie voelt zich niet als een radertje in een machine? Als je dat voelt weet je dat je dat niet bent. Maar wat doe je er aan?

In zijn afscheidsrede aan de TU Delft vat hij zijn visie op de moderne techniek nog eens samen.

“De huidige technische ontwikkeling heeft veel beloften gerealiseerd en houdt voor de toekomst nog veel beloften in. Men kan zich op deze ontwikkeling echter blind staren, zodat men geen oog heeft voor mogelijke desastreuze gevolgen ervan. Hoe komt dat? Ik vermoed dat dit komt vanwege een in onze cultuur ingebakken grondhouding die de techniek alleen maar prachtig vindt. In lijn met de geest van moderniteit — en post-moderniteit — is men voor een kritische bezinning op de techniek blind. Is mogelijk de kern van die moderniteit de stilzwijgende verering van de techniek? En inderdaad, techniek is vaak fascinerend en spannend. Toch is er ook een keerzijde. Technologie werkt in belangrijke mate mee aan de kwaliteit van het bestaan, hoor je meer dan eens, maar je hoort weinig dat het omgekeerde evenzeer waar kan zijn. Naar mijn overtuiging zal steeds duidelijker worden dat de houding
ten opzichte van of de visie op de technische ontwikkeling in onze cultuur het meest centrale probleem is. Alleen het wordt maar door weinigen onderkend. Dat komt omdat we ons in de cultuur laten leiden door een technisch wereldbeeld van de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat alles — dus heel de werkelijkheid — wordt gezien en gewaardeerd in het licht van een omvattende technische beheersing.” (Schuurman 2002).

In deze rede spreekt hij nog de hoop uit dat via de politiek een andere richting voor de techniek gekozen kan worden, “voor een breed genormeerde en daarin een anders gevormde techniek, die meer milieu-, natuur- , dier-, mens- en cultuurvriendelijk is. Ethisch juist handelen wordt dan juridisch afgedwongen.” (Schuurman 2002).

Terug naar de worsteling van Den Ouden en zijn geloofsgenoten. Mogen wij niet blij zijn dat de wetenschappers het experimentele erfelijkheidsonderzoek van Mendel in de kloostertuinen van Brno hebben opgepakt en voorgezet? Onderzoek dat mede geleid heeft tot de ontwikkeling van een vaccin waarmee we de Corona pandemie kunnen bestrijden. Welke maat leggen ethici uit de reformatorische kringen op aan het DNA-onderzoek? Schuurman stond bekend om zijn afwijzing van iedere vorm van genetische techniek waarbij gesleuteld werd aan de basis van het leven, de organische stof. Maar in zijn afscheidsrede van 2002 lijkt hij al wat toleranter. Zijn radicale nee is een nee, tenzij geworden. Er moeten internationaal duidelijke juridische grenzen worden vastgelegd aan het DNA-recombinanten-onderzoek.

“Het ligt voor de hand dat, indien men genetische manipulatie bij de mens overweegt, het ‘tenzij’ slechts geldt op orgaanniveau. Genetische manipulatie via de kiembaan, waardoor heel de mens ermee gemoeid is, moet verboden blijven. De consequentie van het technische wereldbeeld in de verdediging van therapeutisch en reproductief kloneren van de mens wordt gelukkig door weinigen gevolgd. Bij dieren zal genetische manipulatie bijvoorbeeld met het oog op de productie van medicijnen dat ‘tenzij’ ruimer kunnen worden opgevat.” (Schuurman 2002).

De EU legde in wetten vast wat wel en niet mag.

Maar nood breekt wet. Toen de Corona pandemie uitbrak werden de regels aangepast zodat de ontwikkeling van vaccins binnen de nieuwe kaders van de wet vallen. Er is geen kruid tegen gewassen.

Normen zijn er om aan te passen. Dat is de praktijk van alledag. Maar is er dan geen grens? Schuurman’s pleidooi voor de tuinstad lijkt gebaseerd op het romantische beeld van de arcadische kleinschalige biologische en ecologische landbouw. Maar is dat de oplossing?

Schuurman verwacht dat de uiteindelijke oplossing uit Gods hand komt. Want zo staat het immers in De Schrift, de uiteindelijke maat van het christelijk filosoferen.

“‘Dorens en distels’ zullen ons werk echter blijven begeleiden. Tótdat door Gods interventie eens de door verstoring gekenmerkte ontwikkelde aarde zal worden omgezet in de goddelijke tuin-stad (Openbaring 21:9–22:5), waarin mensen openbaar worden als bevrijde mensen, bevrijd tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God” (Schuurman 2002).

“Nur noch ein Gott kann uns retten”

Schuurman staat niet alleen in zijn visie op de moderne techniek. Deze vertoont veel gelijkenissen met die van de grote Duitse filosoof Martin Heidegger. Het is dan ook niet voor niets dat Remco van Mulligen als titel voor zijn biografie van Egbert Schuurman koos voor ” “Alleen God kan ons nog redden.”, verwijzend naar een uitspraak van Heidegger.

Enkele dagen na het overlijden van Martin Heidegger, in mei 1976, verscheen in het Duitse weekblad ‘Der Spiegel’ een tien jaar eerder opgenomen interview met hem, “Nur noch ein Gott kann uns retten”. Het kreeg wereldwijde aandacht. In dit gesprek met Rudolf Augstein, hoofdredacteur van ‘Der Spiegel’, trachtte Heidegger de verwijten tegen hem inzake zijn houding tegenover het nazi-regime in de jaren ’30 te ontzenuwen.

Mij gaat het echter om Heideggers kritische analyse van de moderne westerse samenleving. Achter de overwinningen van het technisch-wetenschappelijke denken en doen dat zo sterk verweven is met onze kennis-economie en waarmee we dagelijks op alle terreinen van ons leven worden geconfronteerd gaat volgens Heidegger een metafysische grondhouding schuil, die het karakter heeft van een stilzwijgende verborgen levensovertuiging.

Wie techniek zegt, denkt aan middelen en aan de rol die deze spelen in de beheersing van de natuur door de mens. Dit is de heersende opvatting over techniek. Volgens Heidegger is dit ‘onheilspellend juist’. Maar het gaat om de waarheid; niet om wat juist (‘richtig’) is. De waarheid is dat de mens door het denken van de techniek beheerst wordt. Velen geloven tegenwoordig dat de producten die gebruik maken van kunstmatige intelligentie slimmer zijn dan mensen. De Techniek heeft het denken overgenomen van het individu. Heidegger heeft zijn hele filosofische leven gewijd aan zijn roeping: de mens te waarschuwen voor het gevaar dat in het eendimensionale berekenende denken dat de technische mens beheerst schuilgaat. Daarin vond hij in Schuurman een medestrijder.

We leven in een tijd waarin de mens vaak als bestand-deel gezien wordt van het economisch ‘Bestand’ en spreken bijvoorbeeld van ongezien ‘arbeidspotentieel’. We denken dat problemen op een technische wijze opgelost kunnen worden. De oplossing voor de ecologische problemen waar we mondiaal voor staan kan echter niet gezocht worden in technologische oplossingen alleen. We zullen de metafysica, de stilzwijgende levensovertuiging en daarmee ons mens- en wereldbeeld inclusief onze waarden moeten veranderen.

Is er een alternatief? Vroeg zijn gesprekspartner Rudolf Augstein in het Spiegel-interview.

Maar kan de individuele mens het gevaar van de technologie nog ontwijken? Vraagt de interviewer. Kan de filosofie, die toch het individu, zij het indirect, richting kan geven in zijn handelen iets betekenen? Moderne ethici als de Twentse techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek nemen tegenwoordig plaats aan de tekentafel om ethische sturing te geven aan het ontwerp van nieuwe technische artefacten, zoals bijvoorbeeld de corona app of de virtuele assistentes we op onze mobiele apparaten hebben en die we in “onze eigen taal” kunnen toespreken.

Het antwoord van Heidegger is enigszins verrassend.

Heidegger: If I may answer briefly, and perhaps clumsily, but after long reflection: philosophy will be unable to effect any immediate change in the current state of the world. This is true not only of philosophy but of all purely human reflection and endeavor. Only a god can save us. The only possibility available to us is that by thinking and poetizing we prepare a readiness for the appearance of a god, or for the absence of a god in [our] decline, insofar as in view of the absent god we are in a state of decline.

Heidegger stelt tegenover de heersende macht van het berekenende (mathematiserende) denken het bezinnende denken, de kunst en de poëzie. Maar is dat geen vlucht uit de werkelijkheid? De mens leeft niet van kunst en dichtkunst alleen.

Martin Heidegger, Arie den Ouden en Egbert Schuurman kwamen tot dezelfde conclusie. We kunnen alleen maar wachten en hopen. Actief open staan voor een mogelijke oplossing die zich aandient. Gelassen, zoals Heidegger deze geesteshouding aanduidt (Heidegger 1959, Mars 2019). Maar er is ook een verschil. De titel van Mulligens biografie is: “Alleen God kan ons nog redden.” dat verschilt van Heidegger’s “Nur noch ein Gott kann uns retten,”. Welke God het zal zijn dat laat Heidegger in het midden. Of zijn ‘gelatenheid’ voor het Zijn ook onderdeel uitmaakt van de levensovertuiging van Arie den Ouden en zijn geloofsgenoten?

Voor de Middeleeuwse dominikaner monnik Meister Eckhart was de gelatenheid als levenshouding nog “de overwinning van Gods wil en de belofte van de uiterste zaligheid”, een houding waarin de persoonlijke wil wordt losgelaten, maar bij Heidegger “de overwinning van de metafysica c.q. het technische denken van de moderne wetenschap en de belofte van een nieuwe bestaansgrond.” (Mars, 2019).

De God van de filosofen, de God van Descartes, voor Schuurman “de vader van al het moderne denken”, is dood. Maar deze is niet de God van Arie den Ouden. Die is nog springlevend. Evenals de worsteling met de vraag naar een bestendige maat van de technologie. Dat deze uiteindelijk eerder in de waarde van het leven dan in de technische vermogens van de robots gezocht moet worden, daarover zullen de meesten het wel met Arie den Ouden eens zijn. Hoop ik.

Techniek moet dienstbaar zijn aan het leven om techniek te zijn. Daar ligt dan ook de maat van de techniek. Feit is dat ook de medici zich steeds meer vrij en geroepen voelen ons als (potentiële) patient te wijzen op de grenzen die het leven zelf aan het leven stelt.

Zo stemt het gesprek met Arie den Ouden bij NPO Op1 tot nadenken. Iedere mens wil voor zichzelf het goede doen.

Volgens Moritz Schlick bestaan er in de theologische ethiek twee interpretaties van het wezen van het Goede. De eerste zegt: het goede is goed omdat God het wil. Een tweede zegt dat God het goede is omdat het goed is. In een commentaar hierop schreef Ludwig Wittgenstein, de filosoof die aan het front door zijn medesoldaten ‘de man met het evangelie’ genoemd werd omdat hij Tolstoj’s evangelie als een soort talisman met zich meedroeg:

“Voor mij is de eerste interpretatie dieper: datgene is Goed wat God gebiedt.” De reden hiervoor? “Want dit sluit iedere andere soort verklaring uit ‘waarom’ het goed is, terwijl de tweede interpretatie de oppervlakkige is, de rationalistische, omdat zij doet alsof er nog een verdere grond is waarom het Goede goed is.” (citaat uit: Janik en Toulmin 1990,p.175).

“Moraal prediken is moeilijk” (Schopenhauer) , zoals Arie den Ouden ongetwijfeld zal beamen. Iedere poging er een intellectuele rechtvaardiging voor te geven is hopeloos, omdat ze het onmogelijke tracht te realiseren. Ik deel de mening van Tolstoj in zijn Korte verklaring van het Evangelie dat de kerk als instituut verantwoordelijk is voor de verwording van het christendom. De kerk en andere ‘religieuze instellingen buiten het gelovige volk uit met alle moderne middelen die de reclamemachinerie van het consumentisme ter beschikking stelt.

De moderne ethici verdienen hun geld met het opstellen van ethische procedures waarmee berekend kan worden wat in een welomschreven situatie de beste beslissing is. Procedures bijvoorbeeld voor triage wanneer er te weinig IC-bedden zijn om alle patiënten die getroffen zijn door het Coronavirus de nodige medische behandeling te bieden. Ten behoeve van mensen die zich door zulke procedures willen laten programmeren of voor machines, zoals ‘zelfrijdende’ auto’s, die tegenwoordig vanwege hun vermeende autonomie ook ‘morele’ beslissingen schijnen te moeten nemen.

We hebben niet alleen te maken met een ecologische crisis in de vorm van een pandemie veroorzaakt door een virus. We hebben te maken met een milieucrisis en, niet onafhankelijk daarvan, met massa’s mensen die op de vlucht zijn omdat ze hun huis en grond moeten verlaten omdat ze er niet meer kunnen bestaan. Hoe kan een andere levenshouding, gelatenheid, de wereld redden van deze dreigende gevaren?

We wachten af. Vooralsnog op een nieuw kabinet waarin de Christen Unie en de liberalen samen de weg zullen wijzen waar we moeten gaan. Ook daar gaat het om levensvragen.

Lonneker, 26 Oktober 2021.

Bronnen

Martin Heidegger (1959). Gelassenheit. Klett-Cotta Verlag, Pfullingen. (Nederlandse vertaling Gelatenheid. Lannoo, Tiel/Amsterdam, 1979.)

Martin Heidegger (1976), “Nur noch ein Gott kann uns retten,” Der Spiegel 30 (Mai, 1976): 193-219. Trans. by W. Richardson as “Only a God Can Save Us” in Heidegger: The Man and the Thinker (1981), ed. T. Sheehan, pp. 45-67. Nederlandse vertaling: Alleen nog een God kan ons redden: Heidegger in gesprek met Der Spiegel (Rudolf Augstein, 2006), Klement, Kampen

Allan Janik en Stephen Toulmin (1990). Het Wenen van Wittgenstein. Tweede herziene druk. Boom Meppel, Amsterdam, 1990.

A.M.J. Mars (2019). Gelatenheid en verzet bij Eckhart en Heidegger. Scriptie ter verkrijging van de graad “Master of Arts” in de filosofie o.l.v. G.J van der Heiden. Radboud Universiteit Nijmegen.

Remco van Mulligen (2017). Alleen God kan ons nog redden” Biografie van dr. ir. Egbert Schuurman: tegendraadse christen in een seculier land.

Pieter Tijmes (1992). Martin Heidegger: Techniek als Metafysica. In: De Maat van de Techniek (Hans Achterhuis red.), AMBO, 1992.

Egbert Schuurman (1975). Nadenken over de technisch-wetenschappelijke cultuur. Een uitdaging voor aanstaande ingenieurs. Rede bij de aanvaarding van ambt als hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de TU Delft, 1975.

Egbert Schuurman (2002). Bevrijding van het technische wereldbeeld:
Uitdaging tot een andere ethiek. Afscheidsrede TU Delft, 2002.

Lev Tolstoj (2002). “Mijn kleine evangelie”, uitg. Erven J. Bijleveld, Utrecht, 2002; vertaald door Arthur Langeveld.

Tolstoj betoogt dat de kerk als instituut verantwoordelijk is voor de verwording van het christendom. Als zodanig vertegenwoordigt ze dezelfde kracht der duisternis als waartegen Jezus had gestreden. De verwording van de kerk heeft ertoe geleid dat het christendom zich niet bezighoudt met de levenspraktijk -waar het volgens Tolstoj bij Jezus om ging-, maar puur om leerstellingen en rituelen. 

Dit boek van Tolstoj droeg Ludwig Wittgenstein met zich mee toen hij in het Oostenrijkse leger aan het front werkte. “Dat boek heeft mijn leven gered. U kunt zich niet voorstellen wat een betekenis dit werk voor een mens kan hebben.”

Even voorstellen

Ik ben van 1952.

Het jaar waarin Aad van Wijngaarden, directeur van het Mathematisch Centrum de ARRA = Automatische Relais Rekenmachine Amsterdam, de eerste Nederlandse rekenmachine, aan pers en politiek laat zien.  (zie de documentaire De ARRA herinnerd  van o.a. computerhistoricus Gerard Alberts: “die ARRA deed het niet”).

In 1952 wist ik nog niet hoe zeer de computer mijn leven en denken zou gaan bepalen. Ik ging naar de Rijks Hogere Burger School aan het Zaailand in Leeuwarden. De belangrijkste prestatie in vijf jaar was het winnen van het Zilveren Schildtoernooi, een jaarlijks voetbaltoernooi tussen schoolteams van een aantal Friese HBS-en en  lycea. Voetbal was mijn lust en mijn leven maar ik besloot te gaan studeren aan de Technische Hogeschool Twente. Na de tweejarige algemene propedeuse besloot ik bij Toegepaste Wiskunde te gaan studeren mede gestimuleerd door mijn buurman Rouke Henstra. Na mijn baccalaureaats in de diskrete wiskunde en grafentheorie (ook ik heb vele uren geworsteld met het vierkleurenprobleem) ging ik theoretische informatica studeren. Ik volgde colleges digitale techniek bij Gerrit Blaauw, medeontwikkelaar van de ARRA II, een echt werkende opvolger van de ARRA, en programmeertalen bij Arie Duijvestein, eerst Algol60, later Algol68. In het college Informatietheorie van Dirk Kleima maakte ik voor het eerst kennis met het statistisch entropiebegrip in het kader van de communicatietheorie van Shannon en Weaver en leerde ik het Maxwell-duiveltje kennen. Colleges formele talen en automatentheorie en semantiek van programmeertalen volgde ik bij Joost Engelfriet en Leo Verbeek. Ik volgde verschillende colleges bij de onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen: ethiek (Paul van Dijk) , wetenschapsfilosofie (Errit  van der Velde).  Met docent Pieter Tijmes gingen we op studiereis (we lazen ter voorbereiding Marx en Engels en de staatskrant Neues Deutschland) naar de DDR waar we o.a. Buchenwald bezochten. De colleges van Louk Fleischhacker, wiskundige, logicus en filosoof, spraken mij erg aan:  klassieke en mathematische logica, axiomatische verzamelingenleer en filosofie van wiskunde en techniek.  Hij stimuleerde mij om af te studeren op een theoretisch onderwerp: de betekenis van de zelf-applicatie van functies, een fenomeen in de theoretische informatica dat volgens Louk de wiskundige uitdrukking is van de als autonoom gedachte techniek.  Via Louk maakte ik kennis met het werk van een van de belangrijkste Nederlandse filosofen:  Jan Hollak (zijn inaugurele rede “Van Causa Sui tot Automatie” uitgesproken bij de aanvaarding van ambt als hoogleraar wijsbegeerte in Nijmegen (1968) is een bron van inspiratie voor inzicht in de betekenis van techniek vanuit antropologisch perspectief.)  De studiebijeenkomsten “filosofie van de techniek” onder leiding van fysicus en filosoof Maarten Coolen aan de universiteit van Amsterdam waren voor mij een welkome afwisseling met de technische colleges aan de TH in Twente.   Ik liep stage bij IBM in Tel Aviv. “Is er ook zoiets als niet toegepaste wiskunde?” vroeg de man die mij bij IBM verwelkomde, toen ik vertelde dat ik toegepaste wiskunde studeerde. Van de wiskunde vakken had ik het meeste moeite met het vak kansrekening en statistiek dat aan de TH Twente door wiskundigen werd gegeven. Pas na vier pogingen had ik eindelijk een voldoende voor het tentamen.  Vaak proberen vergroot de kans op een voldoende. Wat weerstand biedt en moeite kost te begrijpen heeft kennelijk een bijzondere aantrekkingskracht: dat geldt zowel voor het werk van Hollak en Fleischhacker (die bij Hollak promoveerde: “Over de grenzen van de kwantiteit”)   als voor de statistiek.

Na mijn afstuderen deed ik vervangende dienst waartoe ik als erkend gewetensbezwaarde verplicht was. Daarna was ik vier jaar docent wiskunde en natuurkunde aan het Kottenpark College in Enschede, waar ik samen met collega Henry Ruizenaar de eerste lessen programmeren voor enthousiaste leerlingen ontwikkelde.  Ik werkte twee jaar bij de onderafdeling Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen. Hoewel het onderwijs geven me goed beviel trok de wetenschap me meer en ik werd promotiemedewerker bij Anton Nijholt hoogleraar theoretische informatica aan de THTwente. Vier jaar sloot ik me op om mij te bekwamen in het bewijzen van de correctheid van algoritmes voor het ontleden en implementeren van computerprogramma’s. Een saaier proefschrift dan mijn “Parsing Attribute Grammars” is nooit verschenen.

Na mijn promotie werd ik docent aan de Universiteit Twente: compilerbouw, functioneel programmeren (in Miranda) en formele analyse van natuurlijke taal. Mijn belangstelling ging vooral uit naar taal en techniek.  De Parlevink groep die zich in eerste instantie vooral bezig hield met talige interaktie tussen mens en machine ontwikkelde zich onder aanvoering van Anton Nijholt tot de groep Human Media Interaction waarin alle mogelijke vormen van interaktie tussen mens en computer werden bestudeerd. De computer interface kreeg geleidelijk aan een steeds menselijker gedaante.  Want zoals Louk eens tegen me zei: als je de taal van de mens wil formaliseren dan moet je de hele mens formaliseren. Sociologen en sociaal psychologen als Schegloff, Goffman (“The presentation of self in everyday life”) en Argyle hadden in de jaren vijftig de kleine gedragingen (tiny behaviours, zoals het ophalen van de schouders of wenkbrauwen, het lachen, kijkgedrag ) geconstrueerd (of geidentificeerd, hoe je het ook wilt zien) als onderwerp van een nieuw wetenschappelijk domein. Het zijn de observeerbare buitenkanten die we los kunnen denken van de persoon en waarbij we afzien van de persoon.  Op dezelfde manier waarop in de taalwetenschap al veel eerder de talige zinnen los kwamen te staan van de spreker en de concrete situatie waarin deze wordt geproduceerd. Deze abstractie is de mogelijkheidsvoorwaarde voor de natuurlijke interfaces in de vorm van avatars, voor de machines die onze taal gaan spreken, de robots die onze gebaren overnemen. Van dit uitwendige karakter van de taal van de techniek worden we ons meer en meer bewust. De autonome kunstmatig intelligente techniek is tegelijkertijd hoogtepunt en eindpunt van de in onze westerse cultuur die beheerst wordt door het mathematische denken en een kenniseconomie.

De bruikbaarheid van technische systemen is vakgebied geworden. Mijn belangstelling gaat uit naar die plekken waar mens en technisch systeem elkaar ontmoeten.